Het gezin van baas Van Ommeren. Deel 2
(1870)–H.J. Schimmel–
[pagina 91]
| |
eenzaam en kil vertrek. Sedert van Ommeren met vrouw en kinderen daar hun intrek hadden genomen, waren alle kamers der bleekerij bewoond en het beste zelfs gebruikt geworden. Vrouw Moes was van gierig spilziek geworden, zeî de buurt, maar 't was niet waar. Vrouw Moes was nooit gierig geweest, maar altijd zuinig, en dat kwam haar nu te stade, nu zij het bespaarde met een blijmoedigheid, die de weldaad eerst haar echt gehalte gaf, wegschonk. Vrouw Moes, die zoo haastig oordeelde en daarom zoo dikwijls op haar oordeel terug moest komen, had dit ook ten aanzien van Baas van Ommeren moeten doen. Was die man met ‘karnemelk in plaats van bloed in de aâren’ haar antipathie geweest, ze had geen woorden genoeg, om dienzelfden man te prijzen na zijn laatste moedige daad tegenover Mijnheer Reaal. Alleen was ze van oordeel, dat de Baas te zachtzinnig was te werk gegaan en den volbloed-zondaar een les had moeten geven, die hij geestelijk noch lichamelijk ooit had kunnen vergeten. Nu, 't was gebeurd... maar ze had er wel bij geweest willen zijn, om den Baas een handtjen te helpen. ‘Dat doet een mensch nog eens goed, dat er in Gods waereld niet allemaal flauwerts rondloopen. Dat zal je goed doen, Klaar, dat je vader gedurft heeft. Kom, het hoofd nu naar boven! Je vader was nooit een hachjen, en dat hij nu de hand uit | |
[pagina 92]
| |
de mouw heeft gestoken, bewijst dat hij veranderd is, en als zoo'n man verandert, dan is 't voor goed, hoor je - ik ken mijn volk.’ En ze had ditmaal volkomen gelijk. De bleeke Klara, die sedert een paar dagen weêr wat op mocht zitten, schudde wel weemoedig met het hoofd en wantrouwde den glimlach, die op Moeders wang was verschenen bij vrouw Moes' woorden, maar Baas van Ommeren was werkelijk een ander man geworden. Nu hij de kracht in zich zelven had gevonden, om de zware boei, die hij jaren lang had getorst, te verbreken, had hij zich waarlijk vrij gemaakt. Zonder dat hij het nu nog vermoedde, was de sfeer, waarin hij de laatste dagen had geademd, de weldadigste geweest voor den groei van wat er in zijn binnenste ontkiemde. Naast Vrouw Moes toch was hij begonnen zich er over te verwonderen, dat hij zich niet eer had losgemaakt, niet eer alle krachten had ingespannen, om langs een anderen weg, dan die der egyptische dienstbaarheid, het brood voor zich en de zijnen te winnen. ‘Wie A zegt, moet B zeggen en tot Z toe gaan,’ had Vrouw Moes gezegd, en de Baas had er naar gehandeld. Hij was iederen dag er op uit geweest, en had iederen avond familieraad gehouden, in welken de gastvrouw zich telkens als presidente gelden deed. En eindelijk was hij geslaagd. Met van vreugde stralende oogen - zijn vrouw verklaarde, dat ze hem zelfs op zijn | |
[pagina 93]
| |
trouwdag niet zoo gezien had - was hij dien middag thuis gekomen. ‘Niets los laten voor de heele boel bij mekaâr is,’ had Vrouw Moes gezegd. ‘Van avond trakteer ik op een extra keteltjen. Chokolaat is er na den dood van Govert zaliger niet in huis geweest, maar van avond komt zij er in; en Klaar moet een kommetjen meê lepperen en die verliefde Kloris ook - waar zit me de jongen? Ik heb hem den heelen dag niet gezien. Onder ons gezeid en gebleven, als ik een jongen was en zoo'n deern aan den arm had, dan zou ik ook zoo samperloenig wezen, want je moet zeggen, mijn nicht is een preutsch ding, maar een allerliefst bekjen ook.’ De laatste woorden moesten als troost gelden voor de ouders over het ditmaal ongewoon lang wegblijven van hun zoon. De ketel met chokolade dampte op de tafel en vijf kommen stonden er om heen geschaard, die, hoewel van het grootste kaliber, nochtans tot den ketel mochten opzien als de kiekens van éen dag tot de van moederweelde trotsche klokhen. ‘Baas, jij voor het vuur! Het manvolk is kouelijk van nature,’ zeî ze knipoogend tot Moeder. ‘Daar zat Govert zaliger ook altijd, en dan liet hij mij maar begaan.’ Het had er al den schijn van, dat ze hem maar dikwijls aan het haardvuur had neergezet, ‘om vrij te mogen begaan.’ | |
[pagina 94]
| |
‘Moeder, een kooltjen? En jij, jong ding met je bevroren bloed in je lijf, ook iets kneuterigs onder je?’ Geen wonder, dat het vrouwelijk personeel niet tot het haardvuur behoefde te naderen, want het haardvuur was tot haar gekomen en gloeide meer onder de voeten dan de haardplaat het onder die van den Baas deed. Van Ommeren, in zoo verre ongelijk aan Govert zaliger, merkte het op en deed daarvan glimlachend blijken, waarop Vrouw Moes, die zich nog nooit door een mannenverstand had laten vangen, ten andwoord gaf, dat het kooltjen in den stoof niet was om te verwarmen, maar om het zweet te doen opdroogen, dat een dag ‘hard sjouwens’ naar buiten had gejaagd. ‘Maar dat's tot daarentoe,’ vervolgde zij; ‘ieder grijpt nu maar naar zijn kommetjen en dan gaat de Baas vertellen. Eerst moet ik de vlegels daar in de keuken in 't humeur houden; je krijgt anders van 't luie volkjen niets gedaan.’ Een groote spoelkom werd met het kokende, donkere vocht gevuld, een schep bijna zwarte suiker er in rond gewoeld. Trui kwam op den forschen roep binnen en verdween weder met den dampenden kom en een van vreugde stralend gelaat. Ze had ‘die bruinigheid’ nooit geproefd, maar ze wist, dat de Burgemeester zoo iets op Nieuwejaarsmorgen aan de leden van den Raad schonk, als die hem kwamen feliciteeren. | |
[pagina 95]
| |
‘Nu zal Vadertjen beginnen,’ zeî de welluidende stem van Klara, die ongemerkt van haar stoel was opgerezen en achter de beide vrouwen om, haar vader om den hals was gevallen. Zij had gezien, dat hij in de laatste oogenblikken niets anders had gedaan, dan op den leêgen stoel tegenover hem te staren: de plaats voor Kornelis bestemd. ‘Hij zal wel komen, Vader! Over hem hoeft u niet bezorgd te wezen.’ ‘Wat's dat? Stil weggeslopen? Begint het ouwe leventjen weêr? vroeg Vrouw Moes in volle scherts; maar ze kwetste met het laatste woord diep. Klara werd eerst vuurrood en toen marmerwit, en schoof, als een diefegge, beschroomd naar haar stoel terug. De tranen stonden Moeder in de oogen; deze nam de kleine, smalle hand haars kinds in de hare. ‘Onze goede, brave gastvrouw zeî het alleen uit scherts, lief kind!’ ‘En men schertst alleen met wat men zelf niet voor ernstig houdt,’ voegde de Baas er bij. ‘God bewaar me, lief kind, wat denk je wel van me? Ik wou liever die volle ketel kokende sjokolaat zoo maar naar binnen gooien, dan je zeer doen. Kom, kom, dat komt van je ziekte: 't is zenuwzwakte. Nog een kommetjen maar en wat hijlikmaker er bij... Hijlikmaker, nou je weet wel! Je weet toch wel wat een hijlik is?’ Tegen haar van een huwelijk te spreken! Och, | |
[pagina 96]
| |
de goede vrouw wist niet wat fijnheid, wat een zielewonde was, en hoe die te verbinden. Maar goed was ze, door en door goed. ‘U moet er maar niet op letten. Juist, 't is zenuwzwakte. Ik weet toch wel, dat u me niet zeer hebt willen doen,’ zei Klara met zoo'n lieven blik, dat het Vrouw Moes tot aan de teenen doorging. In zich zelven dacht Klara er echter bij: ‘Als deze, die zoo goed en lief is, zonder het te willen mij bij het eerste onbewaakte woord mijn verleden herinnert, hoe zal dan de waereld daar buiten wel handelen?’ en die gedachte deed haar rillen. Moeder was middelerwijl op den leêgen stoel tegenover haar man gaan zitten, onder voorgeven, dat zij van avond het vuurtjen goed gebruiken kon. ‘Nu, dan moet de jongen straks maar naast zijn zus plaats nemen,’ zeî vrouw Moes, die al weêr wat sprak, wat beter gezwegen was. ‘Hij blijft al heel lang weg,’ vervolgde ze, met den moed der wanhoop van iemant, die begrijpt iets verkeerds gezegd te hebben, zonder juist te weten waarom, en wel hoopt weêr alles goed te zullen maken door maar recht op den man af te gaan. ‘Hij zal bij zijn patroon veel werk hebben,’ andwoordde de Baas, om zich heen ziende. ‘'t Moet 't laatste werk wezen dat hij voor zoo'n patroon doet. 'k Wou liever, dat de jongen zin had in de bleekerij, en als Lize dan wou... Maar zoo'n | |
[pagina 97]
| |
opgespelde kapel... verbeeld je, die aan de kuip!’ en ze schaterde het uit. ‘Komt, weest jelui toch ook vrolijk en kijkt me niet zoo zuur! 't Moet alles terecht komen, en nu de Baas heeft wat hij zocht, nu kan de jongen, al wou hij ook, niet hier blijven; hij moet met jelui meê. Vertel nu, Baas! en al de muizenissen gaan in eens weg.’ De Baas vertelde, maar niet zoo als hij 't 's middags had kunnen en willen doen: vrolijk en opgewekt. Hij had een huisjen gehuurd, op een kwartier afstands van de hoofdstad, een huisjen met besten moesgrond. Hij zou groenten teelen en die in de stad ter markt brengen. Vrouw en dochter zouden hem helpen. ‘'t Zal vroeg dag en laat nacht voor ons wezen, maar met Gods hulp en een gezond lijf zullen we er komen.’ ‘Amen!’ zeî Moeder. ‘Dat's heerlijk! Hier van daan en toch buiten!’ riep Klara. ‘Moeder en ik nemen de doperwten voor onze rekening en de spergieboonen, en als het er af kan, dan een klein, een heel klein plekjen gronds voor een bloembed. Kan dat, Vader, kan dat?’ ‘Hoor me dat tjilpen eens! 't Lijkt wel een vink,’ zeî Vrouw Moes. Vader knikte haar glimlachend toe; er viel weder een zonnestraaltjen in zijn duisternis. | |
[pagina 98]
| |
‘En hebben we een ruim uitzicht? En zien we op water en weiland? Toch niet te veel boomen, wel?’ ‘Neen, waarlijk niet. Hoe zou het anders met je doperwten en je spergieboonen gaan, olijke tuinierster? Maar bloemen zul je hebben; Moeder haar heliotropen en jij je moschrozen; daar heb ik voor gezorgd.’ ‘En is er een goede kamer voor u en Moeder?’ ‘Beneden hebben we er twee en een keuken, en boven nog twee en een zolder.’ ‘Maar, Vadertjen, dat is een paleis! Hoeveel is de huur dan wel?’ ‘Zes honderd gulden, met den grond.’ Moeder en dochter keken elkaâr aan, stom van verbazing. ‘De eerste drie maanden zijn betaald.’ ‘Maar, Vader!’ klonk het uit beider mond. ‘En den knecht, die er vroeger werkte, heb ik ook ingehuurd voor zes gulden in de week.’ ‘Man, heb je je niet in te veel zorgen gestoken? Van onze tien gulden 's weeks konden we niet overhouden, en de winter staat voor de deur.’ ‘Daarom staat er ook weinig meer op den grond dan boerenkool,’ hernam hij, zich blijkbaar in het verbazen van vrouw en kind vermeiend. Hadden die twee Vrouw Moes maar eens aangezien, dan hadden zij 't raadsel wellicht opgelost gevonden; | |
[pagina 99]
| |
want die zat maar in zich zelve te lachen en de handen in den schoot te wrijven, alsof zij ze van schier onuitwischbare smetten wou zuiveren. Het vermoeden, dat er een weldoende fee in het spel was en hoe die heette, kwam het eerst bij Klara op. Plotseling rees ze van haar stoel en nam zij Vrouw Moes' dikke, roode handen en drukte die, terwijl ze fluisterde: ‘Ge zijt toch een engel, ons van den lieven God gezonden!’ ‘Kind, spreek toch zoo niet! Wat heb je toch in je stem? 't Is krek of ik ons orgel hoor als het zacht speelt op goeden Vrijdag. Niet meer van die praatjens!’ vervolgde ze. ‘Ik heb het je Vader maar geleend, en intrest moet hij me ook betalen; ik geef nooit iets voor niets, dat moest je al weten.’ Vader, Moeder noch Klara lieten zich door die woorden misleiden. Vrouw Moes wilde niet eens bedankt worden; niettemin was elks hart van erkentelijkheid vervuld. ‘En de kleuters, die jij zoo veel goed hebt gedaan, maken het wel,’ hernam ze op haar gewonen toon. De loop harer gedachten was te volgen. ‘De vrouw van dien Holofernes... hm! hm! nu ja, ik kan van mijn hart geen moordkuil maken - ik meen maar, die vrouw was waarachtig een betere Moeder dan de eigen was. Ja, ja, 't is meer gezien: een vrouw zonder kinderen heeft soms de beste moeder- | |
[pagina 100]
| |
schoot. God, ja, als ik.... nu, dat doet er niet toe.’ Ze stond haastig op, om de kommetjens nog eens te vullen, maar deed iets wat ze nog zelden had gedaan en anderen niet vergeven zou hebben - ze morste op de tafel. ‘Vrouw!’ zoo riep Trui, die juist nu, en dus ter kwade ure, naar binnen stoof, ‘heb je den bonk gehoord op de voordeur?’ De toegesprokene trok de wenkbrauwen saâm, maar Trui gaf ditmaal om de bekende teekenen van het naderend onweêr geen zier. In éen adem vertelde ze, dat er een steen, met een papier er om, tegen de voordeur was geworpen, en dat zij, naar buiten geloopen, een zwarte gedaante, wel tien voet hoog, had zien wegvliegen. Het gevondene voorwerp reikte zij over. Op het papier stond van buiten met potlood gekrabbeld: ‘Aan Baas van Ommeren,’ en van binnen, bijna onleesbaar: ‘Vaarwel, Vader, lieve, beste Moeder! Klara, vergeving!’ ‘Er is een ongeluk gebeurd!’ prevelde van Ommeren. Vrouw Moes wist ditmaal geen woord te zeggen. Allen zagen elkaâr verslagen aan; Klara, de nog zoo zwakke Klara, zeeg achterover in haar kussen. ‘Ik ga naar Stufken,’ zei van Ommeren besloten. ‘Ik moet alles weten; daar zit een schelmerij achter.’ ‘Die verdoemde deugniet!’ bromde Vrouw Moes. ‘Een misverstand! Misschien een twist met juf- | |
[pagina 101]
| |
vrouw Stufken,’ zei Moeder. ‘Kornelis is armer nog dan voor veertien dagen....’ ‘En daarom zou ze hem den bons hebben gegeven? Waarachtig niet! Daartoe ken ik haar te goed; wat je ook van haar zeggen kunt, dat niet! Ze is niet laf; waarachtig, het tegendeel hoor je!’ ‘Klara, vergeving!’ las Vader nogmaals. ‘Hij moet zich schuldig weten of onschuldig veroordeeld... Mijn jongen! Mijn eenige zoon!’ voegde hij er op een toon bij, die Vrouw Moes, als ze minder ontsteld ware geweest, weêr bij het bewuste orgel zou hebben vergeleken. ‘Paardenvolk!’ schreeuwde Trui, de kamer weêr binnenstormend. ‘De Schout is er ook, en die vraagt jelui allemaal te spreken. 't Heele dorp is op de been!’ ‘Genoeg! Te veel al! Ik kom. Blijft me hier maar wachten,’ zeî ze tot haar gasten, waarna ze het hoofd der gemeentelijke policie tegemoet ijlde, welke magistraat in de twintig jaren van zijn ambtelijke loopbaan nog geen tiende deel van de moeiten en beslommeringen had ondervonden als deze éene dag hem bracht. Van hem hoorde zij in 't kort de vreeselijke geschiedenis. Kornelis van Ommeren, reeds beticht van misbruik van vertrouwen, van oneerlijkheid, werd nu verdacht - 't was reeds meer dan een bloot verdenken - Mijnheer Reaal dien namiddag te hebben doodgeschoten. Hij had den verslagene reeds eens met zijns Vaders geweer | |
[pagina 102]
| |
gedreigd, en dat zelfde geweer was nu in het bosch bij het lijk gevonden. De misdaad scheen niet alleen uit wraakzucht geschied te zijn, want het prachtig repetitiehorologie, dat de verslagene altijd bij zich droeg, was niet bij hem gevonden. Vrouw Moes, die zelden iets akelig vond, had toch van een moord een afgrijzen. In den Nieuwspost - het eenige blad dat onder haar gelijken gelezen werd - had ze soms van zulk een daad gewag vinden gemaakt. 't Was altijd echter ver af gebeurd, maar nu, zoo dicht bij, op het dorp, 't was om te rillen! ‘Niemant verwijdere zich,’ beval de Burgemeester, die ditmaal al de uitgangen liet bezetten, ‘wij moeten een huiszoeking doen.’ ‘Bij mij? Zoek je bij mij een moordenaar? Schout, denk je dan...? 'k Heb dien Reaal nooit mogen lijden, 't was een izegrim van een vent, maar denk je dan, dat ik met een moordenaar in een huis zou willen wezen?’ ‘Maak mij mijn taak nog niet moeielijker dan ze al is,’ hernam de Burgemeester plechtig. ‘Ik moet huiszoeking bevelen. De naaste bloedverwanten van den schuldige, ik wil zeggen: van den vermoedelijk schuldige, wonen immers hier?’ ‘Ik wou dat ze op de Mokerheî zaten!’ bromde Vrouw Moes. ‘Neen, lieve God! neen, zij kunnen 't niet helpen en ze zijn zoo door en door misera- | |
[pagina 103]
| |
bel. In Gods naam dan, zoekt waar je zoeken wilt, maar niet in Klaartjens kamer.’ ‘Daar juist het eerst,’ beval de Burgemeester. Vrouw Moes ondervond wat ze nooit had denken te ondervinden: ze was niet meer baas in haar eigen huis. Een half uur later trad de Burgemeester weêr naar buiten, met een steen en een stuk papier in de hand, dat hij den verpletterden vader uit de hand had gerukt; en toen klonk het: ‘Brigadier, het spoor is gevonden: de verdachte is hier geweest. Hem van nacht geen rust gelaten; vóor den ochtend moet hij in de boeien zijn!’ |
|