Het gezin van baas Van Ommeren. Deel 2
(1870)–H.J. Schimmel–
[pagina 39]
| |
genoeg! niets van zich hooren liet. Het was op haar wandeling of al de bewoners van het dorp haar in het voorbijgaan aanstaarden en over haar en de haren spraken. Dominee had haar zien aankomen en holde het hekjen der pastorie uit om haar nadere bijzonderheden te vragen; den Burgemeester zag ze een oogenblik later met Dominee praten; de veldwachter knikte haar veel beteekenend goeden dag, en de vrouw van den rijken kuiper trad haar haastig in den weg, greep haar handen, drukte ze krachtig, riep, dat ze alles begreep en dat het jammer was, dat er geen recht zou te krijgen wezen tegen zoo'n sinjeur. Moeder scheen er nog erg door geschokt te zijn, toen ze bij haar man aankwam en dezen haar bevinding mededeelde. Spoedig werden echter haar gedachten door hetgeen hij haar andwoordde afgeleid. Ze vond haar man alleen in het halfdonker huisvertrek: hij was nog niet buiten zijn woning getreden; hij had dus nog geen last van de buitenwaereld gehad, maar des te meer van zijn eigen gedachten en gewaarwordingen. Hij was bezig een strijd te strijden, als waartoe zeker niemant hem in staat had geacht. De steeds vreesachtige, de door het ongeluk schijnbaar gebroken man had er aan gedacht, zich op te richten uit zijn jaren lang gebogen houding. Wat wonder echter, dat hij telkens terugdeinsde voor het nemen van een besluit! Toch had de gevoerde strijd reeds zóo veel zelfstan- | |
[pagina 40]
| |
digheid in hem gewekt, dat hij geen kracht van buiten meer behoefde, dat hij voor het eerst sedert de catastrophe, die zijn toekomst had vernietigd, geen behoefte had met zijn vrouw te raadplegen. Hij zou handelen zoo als zijn geweten het hem ingaf; hij zou uit zich zelven de reuzenkracht putten, die hij behoefde om na twee dagen worstelens te overwinnen. ‘Ja, ik wil 't wel gelooven, Moeder! dat 't heele dorp aan ons denkt en over ons spreekt. Ik kan me begrijpen, dat het je was of de straatklinkerts je tegen het voorhoofd sprongen... 't Is mij al dien tijd geweest of ik stikken zou als ik de buitenlucht ging inademen. Maar hoe is 't met Klara?’ Het andwoord klonk bemoedigend. Het kind had dikwijls heldere oogenblikken en dan bad ze, het was hartbrekend om aan te hooren, om niet weêr naar Spaarnwou gevoerd te worden, daar zou ze niet kunnen wonen; ze was er gelukkig geweest. ‘Mietje!’ hernam hij, en slechts in zeer plechtige oogenblikken noemde hij haar bij den voornaam, ‘het kind sprak waarheid. Ik heb er lang over nagedacht. Je gaat weêr terug naar Vrouw Moes; ik kom straks bij je. We zijn hier wel een langen tijd gelukkig geweest, niet waar, beste vrouw?’ en hij trok haar tot zich. De altoos bedaarde man schreide. ‘Wat heb je, Kees? Wat wil je?’ ‘Niets wat je niet goed zult vinden. Vraag me | |
[pagina 41]
| |
nu niet meer. Geef me den sleutel van het kabinet en ga dan naar ons kind terug; ze heeft je meer noodig dan ik.’ Moeder gaf hoofdschuddend toe en liet haar man alleen. Deze trok zijn beste pak aan en trad naar de voordeur; alles aan hem beefde. Den sleutel kon de trillende hand bijna niet in het buitenslot steken of er uitnemen. Daar stond hij in de koele herfstlucht, schichtig omziende of er ook iemant in de nabijheid was. ‘Ze kan nooit weer hier terug komen. Het kind voelt als altoos fijn. Het moet, het zal.’ Hij had den laatsten angst overwonnen en trad met vasten stap het bekende voorplein over naar de hoofddeur van het heerenhuis, waar hij, als of het een bezoek gold dat hij den heer des huizes te brengen had, aanschelde. Het was ook een bezoek en wel aan Mijnheer. Hendrik riep hem uit het onderhuis toe, dat hij maar, zooals gewoonlijk, door de keuken naar boven zou gaan, maar hij schudde ontkennend en wilde de vestibule door. ‘Mag ik UEd. aandienen ook?’ vroeg de lakei spottend. ‘Dat hoeft niet: ik ken den weg.’ Een zacht tikken werd aan een der deuren in den bovengang gehoord; een barsch ‘binnen!’ volgde, en Baas van Ommeren stond tegenover Mijnheer Reaal. ‘Jij...? hier?’ riep de laatste verbaasd. | |
[pagina 42]
| |
‘Ja, Mijnheer Reaal!’ luidde het andwoord op kalmen toon. Dat voegen van den geslachtsnaam bij het woord Mijnheer was al iets zeer bijzonders. ‘Nu?’ vroeg Mijnheer gehaast. ‘Is er weêr iets gebroken aan de broeiramen? Of neen, daar pas je nog al goed op,’ zoo viel hij zich zelven in de reden. Hij prees zijn tuinbaas; dat was mede al iets zeer bijzonders. ‘Er is niets gebroken van hetgeen gemaakt of hersteld kan worden,’ hernam de Baas, terwijl hij Mijnheer daarbij strak in de oogen staarde. Deze wendde de zijne af. Zoo de Baas nog een oogenblik aan Mijnheers onschuld had kunnen gelooven, hij zou thands de overtuiging van het tegendeel hebben erlangd. Mijnheer Reaal zweeg. ‘Mijnheer,’ zoo ging de Baas voort, ‘mijn arm kind is aan den rand van het graf, en ik kan niet bidden dat ze gespaard mag blijven... Haar goede naam is verloren - het eenige wat ze had. Ze was rein als een engel en ze is het thands niet meer, onze vreugde, onze troost - en dien hadden we dikwijls noodig - is weg, en dat alles door u.’ ‘Ze zal beter worden; de dokter geeft moed; ik weet het zeker.’ ‘Haar leven zal misschien behouden worden, maar wat ge haar ontnaamt, is meer dan het leven. Ge hebt gruwzaam gehandeld, Mijnheer Reaal!’ | |
[pagina 43]
| |
Het bloed vloog Mijnheer naar het hoofd. Hij ontving een berisping; hij verdroeg haar zelfs niet van zijn meerderen. Toch kon, toch durfde hij niet boos worden. ‘Ge zijt verkeerd onderricht. Spaar me je verdere verwijten: ik heb het goed met haar voor.’ ‘Goed met haar voor? Ge hebt een kind, dat weerloos tegen de zonde was, omdat ze die niet kende, door logen en bedrog meêgetroond; ge hebt een eerlijk kind van eerlijke onders - nog wel uwe dienstbaren! - met schande overdekt. Goed met haar voor! Daar ginder in Amerika moge de meester met zijn slavin dus handelen en er zich op beroemen, dat hij het met zijn slachtoffer goed voor heeft; - Goddank, hier zijn we allen vrij, vrij om laag en gemeen te noemen wat laag en gemeen is - en wat gij deedt, Mijnheer Reaal, wás laag en gemeen!’ ‘Baas, vergeet niet waar je staat.’ ‘Ik vergeet het geen oogenblik, Mijnheer, en dat neem ik mij zelven kwalijk. Ik mag geen schimp stellen tegen schimp, geen beleediging tegen beleediging, want ik heb jaren lang uw brood gegeten, ware het ook tranenbrood.’ ‘Baas!’ hernam Mijnheer, nog even zacht, want hem trof de waardigheid van den schamelen burger, ‘ik had het kind lief, waarlijk lief! Als er iets misdreven is, dan zal ik het goedmaken. Op mijn | |
[pagina 44]
| |
kosten kunt gij haar naar een kostschool zenden. Ik belast mij met hare toekomst, maar dan moet ik haar terugzien, haar kunnen zeggen dat ik haar liefheb....’ ‘Een getrouwd man!’ riep de ander met een verbazen, dat aan afschuw grensde. ‘Getrouwd? Nu ja getrouwd! Je dochter is mooi en te goed om domestique te worden. Zij zal niet ongelukkig worden, maar gelukkig. Geld, ik zal het haar geven, genoeg voor haar zelve, genoeg voor nog anderen. Ik zal je releveeren, Baas! Ik weet wat je vroeger geweest zijt en dat ben je nog dit oogenblik - een fatsoenlijk man. Ik zal je releveeren, maar ik moet haar weêrzien.’ ‘Nooit!’ riep van Ommeren, terwijl hij nader trad en zich in zijn volle lengte oprichtte. Zijn oogen bliksemden. ‘Ik dacht straks nog, dat ik te scherp was door van laag- en gemeenheid te reppen; maar nu ge den Vader er van spreekt zijn kind te koopen, nu geloof ik dat ik nog te zwak ben geweest. Ik heb het mij zelven te wijten dat ik zoo iets moet aanhooren. Ik kroop voor u als een worm. God vergeve mij die lafheid om den wille van mijn gezin! Ik heb voor u gebogen, en den laagsten tuinknecht had ik hooger moeten stellen dan u. Ik word lomp en ik wilde het toch niet wezen. Ik ben hier alleen gekomen, om u aan te zeggen, dat ik uw dienst nog dezen dag verlaat.’ ‘Baas... 't maakt opschudding, Baas!’ | |
[pagina 45]
| |
‘Ik heb geen opschudding meer te vreezen; ik heb niets meer te verliezen... Toch zou ik niet graag in ùw plaats willen zijn.’ Hij keerde zich om en ging de kamer uit. Mijnheer bewoog de lippen, maar er kwam geen geluid; hij strekte de armen uit als om van Ommeren terug te houden, maar die armen bereikten hem niet meer. Hij voelde zich verslagen, vernederd, en genoodzaakt de zedelijke meerderheid van ten minste éen mensch te erkennen en te huldigen. ‘Ik wil niet dat hij gaat!’ riep hij. ‘De gek, zonder een cent in den zak op zijn leeftijd de wijde waereld in! Toch is hij er toe in staat! Zijn trotsche jongen zal er hem toe dwingen! Ha, in dien jongen kan ik hem treffen! Neen, dat is duivelsch!’ zeide hij met een wegstervende stem. Toch dacht hij het volgend oogenblik daaraan nogmaals. Het verzet van van Ommeren, de kracht waarvan deze blijk gaf, schreef hij toe aan den invloed van Kornelis, en zoo deze onschadelijk was gemaakt, dan moest de Baas van hem weder afhankelijk worden, dan zou hij dat kind terugzien; want haar vergeten dat zou, dat kón hij niet. En die trotsche knaap had zich schuldig gemaakt aan oplichterij! Zijn rentmeester, wien hij last had gegeven alle stukken bijeen te verzamelen, waaruit Stufkens knoeierij kon blijken, had hem eenige bescheiden doen toekomen, waaruit niet Stufkens | |
[pagina 46]
| |
schuld - en dit was jammer genoeg! - maar die van den zoon van zijn tuinbaas bleek. Om den wille van Klara had hij er aan gedacht, de geheele zaak te sussen en zich zelfs tot een schikking met den schacheraar te verlagen, maar nu... geen toegefelijkheid! Hij liet inspannen - hij wilde niet te voet door het dorp gaan. Hij reed naar den Burgemeester en bracht daar dingen aan, die zijn Edel-Achtbare deed ontstellen en een aanklacht noopte op te stellen aan den Heer Officier van Justitie. |
|