Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 526]
| |
[54]In October zijn Truus en Wessel Brenner getrouwd. Om alle dames Stroeks uit de omgeving zo weinig mogelijk aanstoot te verschaffen, is dit ‘gemengde’ huwelijk voltrokken in Utrecht. Dombergen heeft er niet veel van gemerkt buiten een simpele advertentie, toen er al niets meer aan te veranderen viel. Als toekomstig adres was ‘Durban, Zuid-Afrika’ vermeld en daarmee was het niet meer de moeite waard zich nog ernstig in dit huwelijk te verdiepen, scherp toe te zien en met gekriebelde spanning het eerste kind af te wachten om gauwgauw uit te rekenen, of het niet een ‘moetje’ ïs geweest. Want voor Dombergen houdt de wereld op met Hagenburg en Antwerpen. Durban ligt op een andere planeet. En intussen is er heel wat veranderd. Dacka heeft zijn veel te grote huis, waarvan de linkerhelft steeds buiten gebruik was, voordelig en op lange termijn verhuurd aan een wereld-concern, dat er na de nodige verbeteringen een kantoorfiliaal zal vestigen. Zelf trekt hij met zijn bloedarm practijkje naar de Beukenlaan en zijn naamplaat komt te hangen op de zelfde hoogte als die van Vlimmen, aan de andere kant van de huisdeur. De voorkamer wordt zijn kantoor en het zitje verhuist naar de serre. Truus heeft Lena aan het hoofd van dit nieuwe huishouden gesteld en Lena is wel mank, maar ze telt voor twee. Jaantje blijft voorlopig. Dacka's typiste-voor-halve-dagen wordt tot hele dagen bevorderd en zal te- | |
[pagina 527]
| |
vens de boeken van Vlimmen bijhouden. ‘'t Is 'n prachtige oplossing,’ heeft Floor gezegd. ‘Over 'n paar maanden zeggen ze in Dombergen ijskoud, dat we mietjes zijn.’ Vlimmen heeft ruim vier maanden tijd gehad om aan de gedachte te wennen, maar daags voor het vertrek voelt hij zich toch erg bibberig rond zijn hart. Truus en Wessel zijn al in Antwerpen om alles in orde te brengen aan de boot. Morgenochtend gaan Dacka, Dop en hijzelf met de wagen. De ‘Drachenfels’ ligt aan de Van Dijckkaai en vertrekt om twaalf uur 's middags. Jagertje is gekomen om de practijk waar te nemen, want Dacka heeft nog steeds zijn reisje te goed en de heren zullen er een paar dagen aan vastknopen. Vlimmen gaat vroeg naar bed en zijn gedachten zweven ordeloos in het rond... Truus zegt, dat ze Dop zal terugsturen, als hij niet tegen het klimaat zou kunnen. Maar als Dop er niet tegen kan, welk ander kind dan wel? Moet je hem zien, den jongen wolf! En als hij naar de H.B.S. moet... In ieder geval zal ze hem aan een Hollandse universiteit laten studeren, dat vindt Wessel ook... Tegen die tijd zal de jongeheer Dautzenberg overigens zelf wel een woordje meespreken en - toch is het wel een lollig vooruitzicht: Dacka en hij als ouwe krakers met een of ander lustrum bij Dop op bezoek! En tijdens de vacanties!... Maar je zult natuurlijk zien, dat die jongen in Engeland wil studeren, of daarginds - hoe heet het ook weer? - aan de universiteit van Stellenbosch... ‘'n Kraan van een meid, die Truus,’ heeft Dacka hem daarstraks nog gezegd. ‘Heb je 'n hoop aan te danken.’ Als afscheidsgeschenk heeft hij nogal tamelijk flink in de zak van Moederke Piggen getast, zogenaamd voor haar uitzet. Ze vond het veel te overdreven, maar hoe meer het uur | |
[pagina 528]
| |
van vertrek nadert, hoe meer hij begint te twijfelen... Zij zal het wel bolwerken, geloof maar... Wat ze in haar kop heeft, heeft ze niet... ergens anders. Obstinaat als 'n muilezel, zou de ouwe Stein zeggen. Als 't te pas komt, vouwt ze Wessel Brenner in vieren, zo groot als hij is, maar die neemt het zeer gemoedelijk op, beschouwt het leven van de rustige kant. Heeft veel meer over Dop te zeggen, dan hijzelf ooit gehad heeft, en eigenlijk zónder iets te zeggen. Die jongen is gewoon betoverd, probeert zijn tweede vader in alles na te doen; je lacht je dood... Zo'n postuur werkt natuurlijk op de verbeeding van een jongen als Dop: ‘Mijn nieuwe Pap is de grootste van heel Dombergen, hij kan ze allemaal aan!’... En die lange hond kan liegen, dat is hemeltergend! Als hij begint, zie je Dop geen adem meer halen: Toen ik nog op dat oorlogschip voer... En de khakies! En Christiaan de Wet! En al die gevechten op leven en dood met de leeuwen en de kaffers... ‘Als Wessel er is, hoef je Dop niets te verbieden,’ zegt Truus. ‘Hij probeert op Pap z'n gezicht te lezen wat hij doen moet.’ Zo is ‘Pap’ - Pappie heeft ze hem toch niet durven noemen! - waarschijnlijk zelf ook opgevoed: Als jij liever veearts is, moet jij daarvoor gaan leer en geen dominee wor nie... Verder geen gezwam en geen gewring. Er wordt kalmpjes aan een heel nieuwe studie begonnen, die met de vorige geen letter gemeen heeft... Gemakkelijke mensen zijn dat; was hijzelf maar zo!... En 'n taai ras, die Zuid-Afrikaanse kaaskoppen, anders waren ze ook allang vernegerd, of in ieder geval verengelst... Maar uit die ‘Natten’ en die ‘Sappen’ wordt hij nooit wijs... Nee, hij kan niet zeggen, dat Truus een slechte keus heeft gehad. Wessel trouwens ook niet, hij heeft nu een vrouw, die hem verder brengt, of hij wil of niet. ‘Die | |
[pagina 529]
| |
twee lichamen vragen om elkaar, dat zie je,’ zei Floor. ‘Als ze naast elkaar staan, is het net de omslag van een boek over het volkomen huwelijk’, maar dat interesseert hem minder; hij hoopt alleen maar, dat Dop niet te veel broertjes en zusjes krijgt... En het schijnt, dat die Brenners er helemaal niet slecht voor zitten, dus eigenlijk moet hij verschrikkelijk blij zijn, dat het meisje zo goed op haar bestemming is... Alleen zou hij willen, dat het afscheid maar achter de rug was.
Met wijd open ogen ligt ook Truus vanavond op haar slaap te wachten in het Queen's Hotel aan de Van Dijckkaai... Daar was Wes al eens geweest; ze hebben er tamelijk lange bedden - zeker omdat er veel Engelsen komen - en het is vlak tegenover de aanlegplaats van de boot... Arme schat, nergens vindt hij een bed, dat hem behoorlijk past. Zelfs nu ligt hij er in als een diagonaal, zijn hoofd tegen het beschot. Daarginds zal ze iets buiten-models zien te krijgen, waarin hij tenminste fatsoenlijk zijn benen kan strekken... Zij luistert naar zijn ademhaling. Diep en langzaam, door de neus, maar zonder snurken!... Een ideale man, kraakzindelijk, oersterk en kerngezond, 't Kon best wat minder: soms voelt ze het een beetje in haar rug, hoe gezond en sterk hij is... ‘Ik begin zoetjesaan te begrijpen, waarom die Transvaalse Boeren van jullie wel 'ns bij de twintig kinderen hebben,’ heeft ze daarstraks gezegd... Hij lachte nog, de moordenaar, en zei, dat Christiaan de Wet er toch maar hoogstens vijftien had. ‘Wanneer vocht die man dan?’ vroeg ze. ‘Als hij niet had moeten vechten, had hij er misschien een paar meer gehad,’ dacht Wessel. ‘Van zichzelf heeft | |
[pagina 530]
| |
De Wet eens gezegd: Ek es maar 'n haastige man!’ Eerst eens zien, wie het 't langst volhoudt, en als hij niet vanzelf tot bedaren komt, gaat hij op rantsoen!... En aan een kind zal ze eens gaan denken, wanneer ze precies weet, waar ze aan toe is, daarginds... Prettig zo'n man, waar ze altijd tegen op staat te kijken! Als ze het doet, zo van onder haar wenkbrauwen en met veel wit-van-de-ogen, kan hij geen seconde van haar afblijven... En 'n plezierig veranderinget je voor haar, zich een baby te kunnen voelen, als een veertje opgenomen en gewiegd te worden in zijn lange armen. In Dombergen keek ze bijna al die mannekens op het randje van hun hoed. Ook Paul was een ietsje kleiner, als zij op haar hakken stond... Maar zo krankzinnig als ze van Paul was, kan ze zich nu toch met de beste wil niet voelen. Dat schijnt op z'n hoogst één keer te gebeuren, maar ze was dan ook pas negentien, toen ze hem leerde kennen. Daar zal het aan liggen, want nu alles eenmaal zo gegaan is, zou ze toch niet terug willen... Met Paul begon het trouwens op 't laatst ook al een beetje te luwen en het is eigenlijk veel beter, dat je niet met al te kinderachtige illusies van huis gaat... Nonsens, die romantische, eeuwige trouwblijverij! Alle herinneringen sterven stilaan weg en je bent vrouw of je bent het niet, zoals dat misbaksel, Gonda Tiebosch-boe-ah!... In een roman zou zo'n draak zich nog. verdienstelijk weten te maken door zonder veel complimenten bijtijds dood te gaan, maar nu zul je natuurlijk zien, dat ze hem minstens twintig jaar overleeft... Die jongen heeft toch nooit eens geluk; dat zie je nu weer. Hij is zó op Dop gesteld! Gelukkig heeft hij nu wat gezelligheid aan Floor, anders zou ze met een heel zwaar hart moeten vertrekken... Heeft ze nu aan alles gedacht? Niets vergeten? Jaantje weet van de practijk, kent zowat alle boeren, en Lena | |
[pagina 531]
| |
zal gauw genoeg op de hoogte zijn... 't Is hun toch allemaal duidelijk genoeg gezegd: Iedere dag moet er op de badkamer een verschoontje voor hem; gereed liggen en op de slaapkamer steeds een schoon hemd, niet in de kast maar op de stoel. En eerst de spelden van de wasserij er uithalen, anders trekt hij het in geen week aan. Boordenknoopjes in het benen doosje. Ze heeft er nu twee dozijn ingedaan, dus voorlopig kan hij toe, maar er moet op gelet worden; af en toe eens kijken, of er nog genoeg zijn... Kalfsvlees moet door-en-door gaar zijn en spierwit, anders eet hij het niet... En Lena heeft ze eens ferm opgestookt: Zien dat ze baas blijft, anders wordt het 'n zootje. De eerste dag de beste dat meneer een bad wil overslaan, moet ze maar heel onnozel vragen, of meneer éérst wil gaan, dan kan ze dadelijk de badkamer schoonmaken... Want het ergste van alles zou zijn, dat hij begon te vervuilen; ze kan haast niets griezeligers bedenken dan een onpropere veearts... De typiste van Floor weet wat ze te doen heeft, ze lijkt wel secuur en 't is 'n goed, lelijk, scheel schepseltje met een bril op, dus daar zal niet veel gevaar bij zijn. Jaantje zou eerder in de gaten gehouden moeten worden, want die krijgt de laatste tijd een beetje sjieke allures. Enfin, ze is voorlopig nog altijd stijf verloofd met dien jongen en Lena is niet gek... Als de kerels het nu maar niet op een zuipen zetten! Daarover heeft ze Floor eens flink onder handen genomen. En ze moet niet vergeten, dat ze geen van beiden meer kinderen zijn, al lijkt het er soms veel op... Hij zal nu toch niet meer met vorken gaan steken!... Hoe oud was ze toen? Negen ongeveer, de jongste, en verschrikkelijk bedorven, vooral door Vader... Witloks, noemde hij haar altijd... Witloks! Toen was ze nog platina van zichzelf en vond het verschrikkelijk. Nu is het | |
[pagina 532]
| |
waarachtig mode geworden... Hij was vijftien of zestien, 'n lelijke, onhandige, sproetige jongen met lange dunne kousebenen en veel te grote schoenen. En hij was haar uitverkoren slachtoffer. Goeie hemel, wat was ze 'n katje! Aan tafel zat ze hem zo lekker te pesten, dat hij in zijn drift met de vork stak en het kwam ongelukkighard aan. Toen vader thuis kwam, kreeg Jan zo verschrikkelijk op zijn broek, dat ze er zelf om moest huilen. Want Vader was eigenlijk precies dezelfde driftkop en zij was de speciale lieveling... Na dat pak slaag moest hij nog de hele zondag strafregels schrijven... Nu had zij op school van die witte pennen, met een hartje erin, en Jan had al vaak gezegd, dat die zo lekker schreven, veel lekkerder dan kroontjes-pennen. Hij moest er àfblijven natuurlijk; die pennen waren van hààr!... Maar toen hij daar 's zondags uren en uren op het linnenkamertje zat strafregels te schrijven, moest ze toch iets doen en ging ze hem twee van die pennen brengen. Om te houden!... Hij wou ze niet eens, had van hààr niks nodig... Even later gluurde ze door het sleutelgat en zag ze, dat hij er toch mee aan 't schrijven was... Hoe dikwijls heeft ze nu dat carillon al gehoord? De factuur van die laatste zending serum is te hoog berekend... Dat moet ze hem morgen nog eens zeggen... Nee, veel geluk heeft hij nooit gehad... Kon hij maar trouwen; hij is zo dol op kinderen. Toen Dop ziek was... Wat heeft hij eigenlijk voor 'n bestaan? De hele dag hard werken en verder haast niets om belang in te stellen. Geen vrouw, geen kind, mettertijd hoogstens een betaald vriendinnetje... Die twee hebben trouwens hier in Antwerpen al iets zitten, dat weet ze allang. En iets halfvast, gelooft ze... Het is den jongen van harte gegund, als er maar geen ongelukken van komen... Eindelijk veegt Truus haar tranen af aan het kussen en slaapt in met de vage, halfgedroomde gedachte, dat zij | |
[pagina 533]
| |
vóór haar vertrek naar Zuid-Afrika nog moet zorgen voor witte pennen met een hartje erin.
- - - - - - - - - -
Als ze aan boord komen heeft Dop alleen ogen voor den matroos, die in zijn beste plunje boven aan de gangway staat en herhaaldelijk salueert met een stramheid, alsof hij zich telkens weer doodschrikt. Er zijn slechts weinig passagiers. Brenner heeft van den hofmeester gehoord, dat er de laatste tijd veel meer mensen uit de koloniën komen, dan er naar toe gaan... 't Is crisis, hoor! ‘Zo'n reisje lijkt me wel,’ zegt Vlimmen om bezig te blijven. ‘Als je daarginds zo'n baan voor me vindt, kom ik ook.’ Dan zwijgt hij weer en Truus ook. Dacka en Brenner houden het gesprek gaande. Dop kijkt met open mond naar de ratelende donkey's. Opeens gaat er een doffe sirene. Vlimmen schrikt er van, draait zich haastig om, probeert ongezien de bankbiljetten van zijn reisgeld uit zijn portefeuille te wurmen, knijpt hen tot een klein balletje en stopt het met onhandige heimelijkheid in de wijde zak van Truus' reismantel. Nu begint zij te schreien en kust hem. Hij trekt er een zeer pijnlijk gezicht bij... De laatste keer, dat hem zoiets overkwam, was op het stadhuis in Utrecht en daarvóór...: toen ze met Paul Dautzenberg trouwde... De Vlimmens zijn geen aanhalige mensen. Zij kust ook Dacka en hij staat er zeer dwaas van te grijnzen, met een natte wang en al zijn tanden in de wind... Vlimmen heeft zich zelden zo onbehaaglijk gevoeld... Of ze nóóit van die boot worden gejaagd! Hij heeft een handje van Dop vast, maar eerlijk gezegd verlangt hij | |
[pagina 534]
| |
hevig naar het ogenblik, dat hij het los moet laten. De jongen gaat geheel op in de schneidige Duitse bedrijvigheid van de laatste minuten voor het vertrek... O, eindelijk: ‘Bitte sehr, meine Herrschaften!’ Hij bukt zich. ‘Nou, dag Dop!’ De jongen geeft haastig een zoentje en kijkt onmiddellijk weer naar het optakelen van een tros. ‘Krijg ik 'n brief van je, zo gauw als je kunt schrijven?’ Maar Dop is te zeer in beslag genomen en wordt er ongeduldig van: ‘Hè, dat heb ik nou wel zès keer gezegd!’ Hard lachen is een soort opluchting... Wat is zo'n afscheid altijd heel anders in zijn boeken! Dan worden er steeds van die verheven en aandoenlijke dingen gezegd, ook door kleine kinderen. Hijzelf zegt het met briefjes van honderd, Dop wenst niet gestoord te worden, Truus is niet meer om aan te kijken van het huilen en de rest staat stompzinnig te grinniken... Al was er de dood mee gemoeid, hij zou geen traan kunnen laten; alleen danst alles voor zijn ogen van koppijn... Ja-ja, dat is afgesproken; over een jaar of wat maakt hij vast eens 'n vacantie-reisje naar Durban... En goeie reis hoor!... Laat Wessel zien, dat hij het zaakje heelhuids over krijgt!... En dat Dop niet overboord sukkelt!... Da-ag, da-ag, dà-ag!... Dadelijk barst zijn kop uit mekaar van de pijn... En dan komt nog het ergste. Aan de kant staan en wuiven... Varen ze al?... Daar gaan ze, dà-ag!... Hij heeft nooit zo'n droge keel gehad. Dadelijk een groot glas bier en rènnen! De eerste kroeg de beste. Dà-ag! Wat gaat zo'n schuit langzaam... Hij zal gauw zijn bril afzetten, dan hoeft hij de gezichten tenminste niet meer zo duidelijk te zien en wuift hij maar raak, in den blinde. Dà-ag!
- - - - - - - - - - | |
[pagina 535]
| |
‘Laten we nu eerst eens lang en aandachtig gaan eten,’ stelt Dacka voor. ‘Dan gaat je hoofdpijn wel over. Je rammelt natuurlijk even hard als ik.’ Zij hebben hun eerste dorst gelest op de hoek van de Suikerrui. Vlimmen begint nu inderdaad te voelen, dat hij vanochtend niets gegeten heeft en is het er dadelijk mee eens... En dan niet te kinderachtig aanpakken: Critérium! Met de tram gaan ze naar de statie en steken de lei over naar het ouderwetse, onopvallende eethuisje. ‘Als je dat zaakje niet kende, zou je er niet binnen durven,’ zegt Vlimmen. ‘Van buiten ziet het er uit naar glazige aardappelen met wormsteken en oliesaus.’ Maar van binnen is dit Mekka der fijnproevers anders. Het interieur van de vorige eeuw geeft hun het idee, dat ze ten eten zijn gevraagd bij een rijke grootmoeder, die zich al de hele week heeft voorbereid om hen eens gevaarlijk te vertroetelen. Voor Vlimmen géén biefstuk, die hij vandaag ‘baarmoeder-prolaps’ noemt, en vooral geen ‘stuk foetum’, wat kalfsvlees betekent. Neen, vandaag bestellen zij oesters, kaviaar, kreeft, forellen... ‘Heb je nog meer van zulk soort dingen?’ vraagt Dacka aan den garçon. ‘Jao-mer, wa bedoelt u dan, menier?’ ‘Nou, ik bedoel zo van die dingen, die je bij eerlijke mensen niet op tafel ziet,’ zegt hij en een Antwerpse kellner snikt zich van zoiets een natte neus, zelfs in Critérium... Escargots?... Nee, daar krijg je zo'n knoflook-luchtje van en straks gaan ze naar de meisjes kijken... Pâté-de-foie-gras?... Juist! En een of ander vogeltje... Maar als het gelag betaald is, zitten ze lelijk te kijken! In zijn verwarring heeft Vlimmen niet verder nagedacht en zijn hele portefeuille leeggeschud in de zak van Truus. | |
[pagina 536]
| |
Hij bezit nog wat hollands klein geld en dertig frank. Dacka droeg ongeveer dertig gulden bij zich en houdt nu een dikke honderd frank over van de smulpartij... ‘Je mag niet eens geld bij je hebben,’ is hem immers gezegd, toen ze gingen... Terug naar Dombergen?... Om de dood niet! Jagertje opbellen... Maar Jagertje zal niet thuis zijn, of hij moet zijn plicht verzaken. En hoe moet die jongen in Dombergen aan geld komen?... Pietje Peer?... Ja, dat zal het beste zijn, en dan een telegrafische postwissel. Maar ze moeten zich haasten, want het is bij tweeën en in Holland is het al twintig minuten later... Zij wandelen naar het telegraafkantoor in de Jezusstraat en wachten een kwartier op aansluiting. Zodra Peer ongeveer weet, waar het om te doen is, begint hij te ratelen en onthaalt Vlimmen op zijn hartelijkste vloeken... Dat is verdomme geen manier! Waarom hebben ze dat niet eerder gezegd? Dan had hij zich vrij gemaakt en was meegegaan... - En dan was ik thuis gebleven, denkt Vlimmen, maar hij zegt: ‘Ja, dat was wel lollig geweest, maar in al die drukte is daar geen ogenblik aan gedacht, dat begrijp je! En we wisten ook niet, dat jij plannen had.’ Plannen?! Peer heeft altijd plannen! Staat daar dag in dag uit in Dombergen boven al die onschuldige asempies en hij moet er eerstdaags uit, of barsten, één van de twee, en... ‘Peer, schei nou uit, anders kunnen we dit gesprek niet eens meer betalen!’ roept Vlimmen om er een eind aan te maken. Nou goed dan! Drie of vier honderd? Kantoor Jezusstraat. Ja, ze moeten even geduld hebben, hoor! Hij moet er nog voor naar de bank en het moet ongemerkt gebeuren, want als zijn moeder het in de gaten krijgt, is hij de eerste veertien dagen nog niet klaar met zijn uitleg... | |
[pagina 537]
| |
Ja-ja-ja, natuurlijk kunnen ze d'r op rekenen, de schoften. Vuile streek om er stiekum van door te gaan, zonder... De beambte denkt, dat het wel een ‘klaan uurke’ zal duren, ook als het geld seffens afgestuurd wordt, en daar wandelen ze weer, de Meir af... 't Heeft geen zin om de meisjes te gaan ophalen, voordat het geld er is... Zonder dat ze er zich rekenschap van geven, staan ze weer aan de haven en slaan rechts af... Verbeeld je, dat Peer het vertikt! Wat dan?... ‘Dan ga ik m'n lichaam verkopen,’ dreigt Vlimmen. Dacka kijkt even naar het lichaam en leunt tegen een lantaarnpaal. Vlimmen maakt van het oponthoud gebruik om even binnen te glippen in de hardstenen urinoir van de Willem Ogiers-plaats... En juist als hij daar staat, hoort hij van heel hoog en heel ver, beangstigend duidelijk boven alle havenrumoer uit, het zingende stemmetje van Dop: ‘En o-ver de zee wèg-stuur!’ Nu breekt er opeens iets door in zijn hoofd en tegelijk rollen de tranen langs zijn wang. Hij kornt eerst tot zich zelf, als hij ziet, dat er een neger naast hem staat, die hem met grote, goedige kologen aanstaart...
- - - - - - - - - -
‘'Aa droeg 'nen 'oed mee ploimen,
'nen 'Oed van perrekament,
En 'iel de stad zal daoveren
Van zo'ne lielijke vent’,
zingt Leonieke, als ze de volgende ochtend nog wat liggen te luieren vóór het opstaan. Hij houdt haar zwarte krullebol in zijn oksel en voelt de zoete vormpjes van haar tere, zachte lijfje over de hele lengte tegen zich aan genesteld. Ongemerkt, scheel | |
[pagina 538]
| |
langs zijn neus, kijkt hij naar de fijne huid van haar schouder, zonverbrand en weer opgebleekt tot oud ivoor... Hij vindt het een raar prentenboek, zo'n meisje, dat een wit, naakt bad-pakje op haar bruine huid gestempeld draagt, maar hij kan er toch niet genoeg van krijgen... Dan bespiedt hij het kinderlijke gezichtje met de verfrestjes van gisteren, de lange wimpers, die zo kuis op en neer wieken over de grote donkere ogen, waarin steeds een weerschijntje van oud goud ronddartelt...
Op den 'oek van den boulevard
Viel 'n maske op heur gatteke
En heur haor was in de waar...
Is het niet vreselijk zonde van zo'n kind? Hoogstens vier en twintig kan ze zijn. En Zal al dat moois niet in enkele jaren op de mesthoop liggen?... O, als je haar hoort, is daar geen sprake van; ze leeft serieus! Hij mag het meisje erg graag, voelt zich bij haar volkomen ongedwongen en huiselijk; zij vertelt al haar lief en leed met een openhartigheid, waarvan de ‘krikkele’ Vlimmen soms duizelt... En hij kan volstrekt niet zeggen, dat ze een haaiebaai is, zelfs niet als het op geld aankomt... ‘Hoelang kom je daar nou mee toe?’ heeft hij vroeger eens gevraagd, toen hij haar vijf honderd frank gaf... Veertien dagen, beweerde ze, en omdat hij een beetje ongelovig deed, begon ze hem dat met hete verontwaardiging voor te rekenen tot op de centiem af. Als ze tragisch wordt, begint ze in een soort Frans: ‘Je fais la vie, oui! Mais je déteste ça, tu seyes!’... En ze heeft wezenlijk-waar gene vriend, die schoon weer speult mee heur cengs, ààh-nee! Die grappekes pakken nie bij heur. Ze heeft er vroeger wèl ene gehad, 'nen sjieken tiep, 'n jong gastje nog, en die z'n schuld is het zjuustj dat het zo met haar gegaan is. Zei, dat hij haar zou trouwen, maar de familie - enfin, ge weet er alles | |
[pagina 539]
| |
van. Ze was toen maar achttien jaar, zakkenmaaksterke aan den bassèngGa naar voetnoot1)... En ze gaat ook niet met iedereen! Ze kijkt heur mannekens eerst eens héél goed aan...
Al achter die groene boeëme
Daor lag 'n Engels schip...
Ze heeft iets vreemds in haar stem; het lijkt veel op een jongens-sopraan. Het klinkt lief en hij krijgt er een beetje ‘kiekenvlees’ van, zoals zij dat noemt... Eén ding kan hij toch geen ogenblik vergeten: Tussen Leonieke en het Meisje ligt een hele wereld vol lelijke werkelijkheden... Maar hij heeft niet het recht om kieskeurig te zijn! Dikbuikige prelaten, gesteund door de benepen onverdraagzaamheid van een stinkend Brabants fabrieksstadje, hebben hem nu eenmaal verwezen naar; de smokkelpaadjes van de liefde. Het Meisje is niet echt en àls ze echt was, zou hij er toch zorgvuldig af moeten blijven, zoals toen met Elsje Verschuren... Als ze in de eetzaal komen, zitten Dacka en José al te wachten. Er worden plannen besproken... Naar Brussel?... Als ze dan toch op reis gaan, zou José wel 'ns naar Beauraing willen, en Leonieke zit te dansen op haar stoel... Ja, Beauraing!... ‘Och, daar heb ik iets van gelezen,’ herinnert zich Dacka. ‘Is dat niet 'n bedevaartsplaats?’ ‘Zeg kinderen, laten we serieus blijven,’ lacht Vlimmen. ‘Denken jullie, dat we naar België zijn gekomen om 'n bedevaart te doen?’ Maar nu winden de meisjes zich verschrikkelijk op, laten elkaar haast niet aan het woord komen... Dat is helemaal genen beeweg! Weten ze daar in 'Olland dan niekske van? Daar verschijnt Ons-Lievrouw!... Si! En daar gaan zóveel mensen henen, oei-oei! ‘Moet je daar op wachten of zijn er vaste uren voor | |
[pagina 540]
| |
die verschijning?’ vraagt Dacka in allen ernst. De meisjes zitten versteld van zoveel onverstand... Luistert, dan zullen ze dat 'ne keer uitleggen: Als OnsLievrouwke verschijnt, dan ziet ge ze natuurlijk niet! Ze verschijnt in 'nen boom en alleen maar voor 'n paar kienekens en voor diejen énen man - hoe heet ie ook weer? - wanneer die op dat plaatske, waar Ons-Lievrouw voor den eerste keer verschenen is, beginnen te lezen... ‘Wàt lezen?’ vraagt Vlimmen. ‘Dat wil zeggen bidden,’ licht Dacka in. ... En Ons-Lievrouwke praat dan ook tegen dieje mens en tegen die kienekens, maar dat horen zij alleen, natuurlijk!... En daar hoeven ze wezenlijk nie zo stoem mee zitten te lachen, want 't is de waarheid! Ge moet Francien maar 'ns horen. Enfin, Francien die kennen ze niet, maar die is er twee maanden geleden zelf bij geweest, toen Ons-Lievrouw verscheen. En aan die kinder zag ze heel duidelijk, dat die Ons-Lievrouwke zagen... Nee, stil 'ns efkens! 2e weten nog niet, wat er na datum mee Francien is gebeurd! Awel, daags daarna is ze diejen tiep tegengekomen, waarmee ze nu voor vast is en die heur alles geeft. Ze zit nu op 'n schoon appartementje en ze krijgt vijftien honderd frang in de maand! Behalve dan nog de kadookes. Dat is nu zjuust waar Francien altijd naar gedroomd heeft, want die deed 't ook zo nooi: iedere keer 'nen anderen tiep, en in Beauraing had ze daarvoor 'ne paternoster gelezen... Vlimmen rekent uit, dat vijftien honderd frank een dikke honderd gulden betekent, en is al half besloten. ‘We gaan naar Beauraing!’ beslist hij en Leonieke kust hem ten aanschouwe van de hele zaal. - Als hij er nu toe overgaat, zal Leonieke haar hele leven ervan overtuigd zijn, dat Ons-Lievrouwke het allemaal zo goedgunstig heeft bedisseld!... |
|