Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 541]
| |
[55]Om twee uur 's nachts is hij geroepen bij Jantje Reuvers van De Verloren Hoek. De zeug ligt niet in de lauwe koestal, doch in een steenkoud bijgebouwtje. De boeren hebben zich warm ingepakt met wollen dassen, maar Vlimmen staat weer halfnaakt in zijn leren harnas. Het eerste biggetje zit reeds voor de bekkeningang. Na enige vergeefse pogingen brengt hij het met de forceps ter wereld. Het tweede diertje is al zover opgedrongen, dat het dadelijk kan worden gegrepen, diep in de zeug. Nu wordt het wachten; hij zit ruim een kwartier te rillen, voordat nummer drie ver genoeg is opgeschoten door de lange, kronkelende baarmoeder. Na het derde biggetje wordt het hem te erg; hij kat de kachel aanmaken in den boerenherd en zit daar twintig minuten mens te worden. Zo gaat het verder, van de hete kachel door het vroege nachtvorstje naar de kille stal, tot de elf biggetjes zijn geboren. Om vijf uur komen de boerin en haar dochters uit de bedsteden gesprongen en zij zullen eens gauwkens 'n lekker bakske koffie zetten voor meneer-dokter... Geen zout erin en geen melk? Maar dat smaakt toch naar niks!... Nu wordt het gezellig... Hoe is 't meugelijk, dat de-n-dokter dat nog niet gehoord heeft! De pastoor van Oetelbeek is 'n Destag al gestorven en vandaag wordt hij begraven. Het vrouwvolk gaat seffens kijken, want het moet erg schoon zijn in de kerk... O, is meneer- | |
[pagina 542]
| |
dokter op reis geweest, a-zo! Ja, de pastoor heeft drie dagen gelegen mee 'n beslagGa naar voetnoot1) en 'n Destagge-morgen is hij dan gesturven. En nu moet ge horen, wat ze in Oetelbeek toch durven te vertellen! Dokter Verbeek die had gezee, dat er niks meer aan te doen was, dat er bij gewaakt moest worden en dat Lien-van-de-pastorie - dat is die heel dikke; ge kent ze wel - af en toe meneer pastoor z'ne mond 'ns moest nat maken mee 'n watje mee water, want hij zag al gelijk blaaw. En de tweede nacht zat Lien-van-de-pastorie in heur eentje te waken en telkens kwam ze mee dat watje, maar de pastoor trok er zijn eigen niks van aan; ge kondt nie zien, dat 't hem deugd deed... Ze had al wel honderd keer geprobeerd om er 'n woord uit te krijgen, rnaar hij had niks meer gezee van af den ogenblik, dat ie in mekaar zakte... Toen begon Lien zo 'ns te prakkezeren, dat water toch maar water was en dat meneer pastoor d'r nooit nie veul om gegeven had, om water, en toen dacht ze bij heur eigen, dat het hem goed zou doen om in plak van water maar 'n watje mee cognac te vatten om langs z'ne mond te strijken. En jawel hurre, den eerste keer dat ze 't deed, begon ie al z'n lippen af te lekken, en ineens riep hij heel hard: ‘Giet!!’... Hij had in twee dagen niks meer gezee, dus ge begrijpt, hoe Lien ervan verschoot! En volgens zeggen van de mensen in Oetelbeek moet deez het leste teken van gezond verstand zijn geweest, dat meneer pastoor nog gegeven heeft, voordat hij stierf... Ja, ze kunnen me d'r wat van maken!... Vlimmen veegt zijn tranen af. Op dit ogenblik voelt hij weer eens, hoe hij met al de vezels van zijn hart is vastgegroeid aan dit goede, achterlijke Brabantse volkje van kinderen, die slechts leven naar de aandoeningen van het ogenblik, die gevaarlijk kunnen opstuiven en weer | |
[pagina 543]
| |
vergeten met aandoenlijke snelheid, die het ergste verdragen, zolang zij nog maar ‘op z'ne tijd 'ne keer kunnen lachen’... Nu zij zien, dat meneer-dokter er zo'n plezier in heeft, moeten Vrouwke Reuvers en haar dochters de koffiekommen uit de hand zetten van het lachen om de dood van dieje zotte pastoor... Maar Vlimmen weet heel zeker, dat zij straks bij de begrafenis tranen zullen schreien over denzelfden zotten pastoor, omdat het zo schoon en plechtig toegaat in de kerk... Om acht uur is het laatste biggetje geboren. Moederzeug wordt lekker warm toegedekt. Haar elf witte kinderen worden de tandjes geknipt, anders bijten zij de spenen tot bloedens toe kapot en laat de oude niet meer zuigen; begrijpt ge? Zij vechten wild door en over elkaar om het beste plaatsje te bemachtigen, want de speen die ze nu veroveren, blijven ze behouden gedurende al de tijd, dat moeder melk geeft. Vier, vijf weken lang, drinken, vechten, stoeien, drinken... En Vlimmen vindt het telkens weer een fraai gezicht, vooral wanneer hij naar de tevreden snuiten van de boeren kijkt. Fris gewassen komt hij buiten, neemt de kortste weg, klimt tegen de rand op en steekt dwars door het hoge bosje naar de zandweg, waar zijn wagen staat. Aan de andere kant is de rand nog hoger en hij staart over het dak van de wagen heen in de verte. Ginds, boven de zwarte bossen van de Dolbrakken, schijnt de zon. In het Westen, over de uitgestrekte ontginning van de Heidemaatschappij, is de horizon leiblauw van verre regen en een onzichtbare trein trekt er vreemde, witte wollten langs. In het donkere ploegland blinkt iets als een korte bliksemflits; een boerenknecht smijt hem op de blanke spade een zonnestraaltje toe. Het is bladstil; hij staat roerloos en een vreemd geluk huivert over zijn rug. Nu is het, alsof zijn lichaam daar staat voor wat het is, gaaf en ongebruikt, terwijl zijn | |
[pagina 544]
| |
geest vrij rondzweeft langs gebroken herinneringen aan late zomerzon, die rozig tegen witte geveltjes schijnt, op de daken gloeit en de vensters in brand zet, vergeten vergezichten uit zijn prilste jeugd, uit koortsdromen, of uit een vroeger bestaan... En plotseling valt alle levensvrees van hem af... Daar staat hij, Doctor Johannes Maria Vlimmen, een van de zoveel honderd onbekende Nederlandse dierenartsen, die zwijgend hun zwaar en kunstig werk doen in de donkerte van een afgelegen stal voor weinig geld en nog minder waardering. Hij is een zeer gewoon mens, een van de talloos velen uit het onzichtbare voorste legioen, dat de kracht uitmaakt van ieder volk. Maar dit weet hij zelf niet eens... Wel weet hij, dat hij in de ogen van deze wereld volstrekt niets is, vergeleken bij een zesdagenrenner of een snelzwemmende winkeljuf, en hij voelt zich zelfs te dom om over zulke beroemdheden mee te praten. Eenmaal is ook hij als een groot overwinnaar uit het krijt getogen, maar gelukkig heeft niemand gezien, hoe hij de edelvrouwen salueerde met het kokertje van zijn thermometer. Er zijn ogenblikken, dat hij groot en wild wordt, dat hij voor- en achteruit slaat als een kwade hengst, zodat Driekske van de Laar, dat vuil neetoorke, zich kleinknijpt als een bange hond... Het geloof in God is Vlimraen ontnomen door mensen, die de godsdienst tot beroep hebben. Maar wanneer Driekske om te profiteren van het veefonds zijn zieke koe laat wegrotten in een greppel en in haar eigen vuil, zodat Vlimrrten de doorgelegen huid ziet als één grote, schrijnende wonde, dan roept deze ongelovige God te hulp en zegt: ‘Als jij geen eerbied hebt voor de dieren, die God je gegeven heeft, zal ik je even een lesje geven, vuile hond!’ En hij ranselt het neetoorke van Unies naar rechts door zijn eigen wei- | |
[pagina 545]
| |
land heen, dat het een lieve lust is. Maar niemand heeft het gezien. Alleen Driekske heeft het gevoeld en er wijselijk over gezwegen. Na zijn pak slaag moest hij nog zorgen voor warm water, dat meneerdokter zijn handen kon wassen... Vlimmen mag geen wijfje bezitten,; want hij woont in Dombergen, waar een politieke kerk de onverdraagzaamheid predikt als een voortreffelijke deugd. Daar vindt hij zijn brood en in twaalf jaar tijd heeft zijn ziel zich vastgevezeld aan de goede, arme wroeters van zijn veterinair domein... Gervatius, de gastenpater van het Trappistenklooster, wien hij zijn hele lijdensgeschiedenis heeft verteld, zegt, dat geen enkel gebod zo goed kan zijn3 of het zal in uitzonderingsgevallen slachtoffers maken. Wil Vlimmen het huwelijk afschaffen?... Integendeel, hij zou er een willen sluiten... Is het goed, dat de kerk de lijntjes zo strak mogelijk houdt?... Ja, dat doen Dirksen en hijzelf ook... Staat en valt het goede regiment van de kerk met één onfortuinlijken Vlimmen?... Neen... Als Gervatius de eerste verklaring van den geneesheer leest, kan hij aannemen, dat Vlimmen ten onrechte is fijngemalen in een domme juridische machine, die misschien zelfs met opzet verkeerd werd gehanteerd door kleine, verwaande mensen. Zielige mensjes eigenlijk, die niet eens kunnen beseffen, hoe zij in hun blinde ijver het goede regiment schaden, die de diepten van hun onwetendheid nooit zullen peilen en misschien nog onnozel verrukt zijn over hun droevig succesje van Vlimmen's gebroken leven... Want in hun snoeperige slatuintje is toch maar lekker nooit één huwelijk ongeldig verklaard!... Gervatius is geboortig uit een grote Hollandse stad en Vhmmen heeft immers ook in ‘Holland’ gestudeerd? Daar, aan de overkant van de grote rivieren, is de kerk niet oppermachtig, staat zelfs aan scherpe critiek ibloot. En hij zal | |
[pagina 546]
| |
gezien hebben, dat de katholieke geestelijkheid daar op een heel wat hoger peil staat. Naar dat hogere peil zal het in Brabant ook heen moeten en dan zal geen domme verwaandheid meer kunnen beletten, dat aan een Vlimmen eerlijk recht geschiedt... Iedere dag verongelukken er enkelingen; het goede regiment blijft... Maar wat helpt hem al deze fraaie theorie? Zijn gehele bewustzijn ligt opgesloten in dien énen, onbelangrijken Vlimmen. Hij gelooft in een goed en streng regiment, past het ook op zichzelf toe. Doch hij gelooft niet in de kerk, die hem toch in haar greep houdt, omdat hij er op zijn eerste levensdag werd binnen gedragen en gedoopt. Hij is er van overtuigd, dat hij slechts één leven te beleven heeft, en in dit leven sluipt hij als een dier langs de smokkelpaadjes op zoek naar het Leonieke, dat hem zal troosten in zijn lichamelijke nood, doch zijn ziel niet kan raken... Leonieke!... Haar gebed in Beauraing is verhoord en ze heeft ontstuimig moeten bleiten van geluk, toen hij met zijn voorstellen kwam. Hij is nu voor immer haar eigen chérieke en zij zal hem altijd geren zien. Ze wil zelfs dichterbij komen wonen, in Turnhout of ieverans in de Kempen, dan kan hij met de voiture binnen een uurke bij haar zijn, als hij goesting krijgt... Dacka voelt er niets voor om iets dergelijks op touw te zetten met José, maar die is dan ook nog enkele kwaliteitjes minder, draagt op haar bovenarm in ronde, blauwe lettertjes het woord Mohamed getatoueerd, dus dan hoef je niets meer te vragen. Verder heeft ze een zuiver nachtkroegen-ge-zicht, maar overigens gaat het wel. Nee, dan is Leonieke-maar laat hij nou alsjeblieft niet verwaand gaan worden op zijn verovering! Het is altijd nog erg genoeg... Hier, op de hoge bosrand aan De Verloren Hoek bij Jantje Reuvers, na een doorwaakte nacht, vindt Doctor | |
[pagina 547]
| |
Vlimmen opeens het juiste, rustige evenwicht voor zijn ziel. Hij voelt zich tevreden en gelukkig. Er kan hem veel overkomen, maar er is altijd één grote waarde, die hij werkelijk heeft en hem niet ontnomen zal worden: zijn hard, eerlijk en mooi beroep. |
|