Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 474]
| |
[51]Dacka heeft het deze winter niet onder de markt met Kees van Bemmel. Zodra de ‘bijzondere vertegenwoordiger’ vernam, dat Mr. Stein voor Vlimmen het verweer zou voeren, brak de hel los... Of ge ooit zo'n brutaal staaltje gezien hebt? 'n Doorgestoken kaart! Dáárom was dieje steenezel van meet af aan zo klierig! En dat is dan nog wel de man van de Voogdijraad, die z'n picht het is hem te hèlpen-wordt ie voor betaald! Maar dàt zal hij toch 'ns eventjes rechtzetten, of hij heet geen Kees van Bemmel meer... Hij heeft een lang ingezonden-stuk gemaakt, waar de vlammen uitsloegen, en dat nooit het licht heeft gezien. Dacka heeft getracht het te lezen, toen Kees het hem ter inzage gaf bij wijze van dreigement... Als 't nie gauw veranderde kwam het zo in alle kranten! ‘Ik hoop, dat je tenminste één krant vindt, die dat opneemt,’ zei Floor. ‘En als je die gevonden hebt, kom je zeker wel even afscheid nemen?’ ‘Afscheid neme?!’ ‘Ja! 'n Maand of twee-drie zal er wel mee gemoeid zijn.’ Zo onnozel liet Kees zich niet in de luren leggen, maar wat hij ook deed, hij slaagde er niet in het stuk in Dombergen en omstreken aan den man te brengen. Toen zette hij zijn proza om in de derde persoon, ondertekende het met: ‘Een vriend van het slagttoffer’ en zond | |
[pagina 475]
| |
het naar een socialistisch blad. Het kwam terug met de bemerking, dat ‘een in dergelijke termen vervat stuk voluit ondertekend zou moeten zijn en bovendien de inhoud de redactie volkomen onbegrijpelijk voorkwam.’ Hierop verliet hij ijlings de dwaalwegen van het socialisme en keerde terug in den schoot der Moederkerk. Aangemoedigd door zijn eerste succes, ging hij nog eens op audiëntie bij den bisschop van Hagenburg, die hem tot zijn spijt moest teleurstellen, daar het niet op zijn weg lag zich te mengen in civiele rechtzaken. Kees kreeg de bisschoppelijke zegen alsmede de raad zich te wenden tot het kamerlid-arbeidersafgevaardigde, met wien hij vroeger reeds gecorrespondeerd had. Deze gaf hem in overweging voorlopig maar niet naar den minister te gaan... Zou zelf eerst ‘de nodige stappen te bevoegder plaatse ondernemen en het resultaat mededelen...’ Hij is ook bij Karel van der Kalck geweest, die hem zo maar heel effenaf dorst te vertellen, dat de zaak een normaal verloop had en er niets te reclameren viel... Maar prachtig was het, hoe hij daarna werd ontvangen door meneer Huybrechts... Hij heeft daar meer dan 'n uur gezeten en hij was er compleet hees van. Dàt was tenminste nog 'ns 'ne mens, waarmee te praten viel, en die gaf hem overschot van gelijk... Alleen wist meneer Huybrechts hem niets anders aan te raden dan naar den officier van justitie te gaan en daar was hij al zo dikwijls geweest. Hij had daar in Hagenburg al drie verschillende officieren bij de kop gehad: énen ouwen en twee jongen. En de jongste van allemaal had hem oe! zo vlijnig gezegd, dat het nog verkeerd met hem kon aflopen, als hij doorging overal van die krankzinnige verdachtmakingen uit te brallen... Toch trekt bijna iedere week een der oudere politieinspecteurs van Dombergen bij Dacka aan de bel, komt | |
[pagina 476]
| |
glunderend binnen, zegt: ‘Daar binne we weer!’, steekt met smaak de aangeboden sigaar aan en ontvouwt het briefje van den Hagenburgsen officier. Het is altijd het zelfde kantbriefje: In zake Van Bemmel qq. contra Vlimmen ontving ik bijgaand schrijven van Uwen cliënt. Ik verzoek UEdGestr. beleefd mij te willen mededeelen, hoever deze procedure thans gevorderd is... Het ‘bijgaand schrijven’ leest hij niet, kent het nu ongeveer wel van buiten. Op deze eerste schone ochtend van de lente, de morgen van een dag vol schokkende gebeurtenissen, zegt Dacka, zodra de inspecteur verslag heeft uitgebracht over het mooie weer: ‘Meneer Vervoort, deze keer is de ouwe heer toch bepaald geestig!’ ‘Hoe zo?’ ‘Hij heeft gisteren zelf in de zaak geconcludeerd.’ ‘O ja? Wat wil dat eigenlijk zeggen’ ‘Gisteren heeft de officier, toen de zaak Van Bemmel uitgeroepen werd, zich in zijn volle lengte opgericht en gezegd: Edelachtbare heren president en rechters, ik heb de eer te concluderen, dat het der rechtbank behage den eiser-qualitate qua toe te laten tot het door hem aangeboden bewijs door getuigen met reserve van kosten.’ ‘Heus?!’ ‘En waarschijnlijk 'n half uurtje later heeft hij dit minnebriefje geschreven, niet rechtstreeks aan mij, maar aan zijn trouwe Dombergse politie. Niets minder dan een inspecteur wordt ervoor uit zijn werk gehaald, want wat van de officier komt, zijn natuurlijk uiterst gewichtige documenten... Alzo neem ik de pen op en schrijf in mijn fraaiste hand: Zie-de conclusie-van het O.M. de dato-gisteren!’ Dacka schrijft het inderdaad zo op het kantbriefje en de inspecteur zit te schudden van pret. ‘Dombergen, de achttiende-uw liefhebbende loopjongen, Flippie Dacka!... En nu denkt | |
[pagina 477]
| |
meneer Vervoort dat onzen eerbiedwaardigen officier thans de ogen zullen opengaan, maar dat is een droombeeld. Volgende week kornt u hier weer even vrolijk binnenwandelen met de zèlfde strikvraag. En Kees van Bemmel denkt nog, dat hij géń succes heeft-o, daar heb je 'm in levende lijve! Als ik die melkwagen hoor aankomen, begint m'n hart te popelen. Vervoort staat verschrikt op en grijpt naar zijn sabel. ‘Is dat Kees van Bemmel?! Maar dan sla ik op de vlucht, hoor! Zulke kerels zijn me te gevaarlijk. Geef mij maar 'n messentrekker!’ Dacka laat den inspecteur uit en haalt zijn lastigen cliënt uit het wachtkamertje. ‘Nou zou ik toch wel 'ns één ding wille wete!’, begint Kees: ‘Wanneer of die zaok nou endelijk vurkomt. Ik heb nou toch geduld genog gehad, zou 'k zo zegge!’ ‘De zaak komt iedere veertien dagen voor.’ ‘Jao - mar da bedoel ik nie. Ge wilt me nie verstaon! Wanneer wordt dieje vent in verheur genome?’ ‘Als je doctor Vlimmen bedoelt, kan ik je wel vertellen, dat hij helemaal niet in verheur wordt genomen.’ ‘Wàblief?! Da zou toch zeker wel -’ ‘Als je nog één keer zo schreeuwt, ga je d'r uit, Kees van Bemmel, en ik waarschuw je niet meer.’ ‘Waorom hoeft dieje meneer nie vur te kome?’ ‘Dat moet je vragen aan de mensen, die de wetten zo gemaakt hebben... Maar 'n ander praatje: Wie zijn je getuigen?’ ‘Getuige?’ ‘Ja: getuigen. Denk je, dat de rechtbank al mijn beweringen zo maar aanneemt? De tegenpartij beweert precies het omgekeerde.’ Kees van Bemmel laat zijn lip hangen. Hij is zo opgegaan in zijn strijd met de autoriteiten, dat hij de zaak zelf bijna vergeten was. ‘Jao-mar d'r zèn natuurlijk geen | |
[pagina 478]
| |
getuige! Hoe kàn da nou?’ ‘Dan kan ik je van hieraf wel verzekeren, dat je de zaak verliest.’ ‘Verliezen?!... Mar dan begrep-te toch zeker wel, da de-n-onderste steen bove komt?’ ‘Nee, dat begrijp ik niet. In iedere procedure is er één, die verliest, en in dit geval zul jij het zijn, en de stenen zullen wel op hun plaats blijven... Is er buiten je dochter niemand, die er iets over kan vertellen?’ ‘Nee, van eigens nie. Ze hebbe d'r gin meens bijgehoald, natuurlijk. Dieje vent mot op eed gedreve worre, ze moeten hem laote bekènne, da heb ik van 't begin af aon gezee!’ ‘Zullen we hem dan maar op de pijnbank leggen...? Schei nou asjeblieft uit met raaskallen over dingen, waar je geen flauw begrip van hebt, want ik geef je gewoon geen antwoord meer. Stuur je dochter maar bij me, dan zal ik zien hoe ver we het brengen met die éne getuigenverklaring.’ ‘Mar dan koom ik méé!’, dreigt Kees. ‘'t Zal me bizonder aangenaam zijn.’ ‘Om hoe laot dan? Ik ben pas om zes uur vrij!’ ‘Wel, dan kom je na zes uur, hè?... Dag Kees van Bemmel!’
Omstreeks het zelfde uur van deze gedenkwaardige dag is Vlimmen op het slachthuis en krijgt daar het bericht, dat hij zo gauw mogelijk op het kasteeltje van Hulshout moet komen. Mieneke-Poes, de mooie hunter van Baron van Neerwetten, moet veulenen... Dat is minder fraai, vreest hij. Veulens laten zich over het algemeen nogal gemakkelijk ter wereld brengen en als hij geroepen wordt is het vaak mis, meestal met het veulen en soms zelfs met de merrie... Maar Van Neerwetten is er gewoonlijk zeer gauw bij, dus het kan nog meevallen. | |
[pagina 479]
| |
't Zou verschrikkelijk jammer zijn, want Mieneke-Poes is een bekend paard, verreweg het kostbaarste van heel zijn practijk, en die arme Van Neerwetten is zo gek met het dier... Als hij met een stevig vaartje door het poortgebouw komt gereden, maakt de baron zich los uit een groepje personeel bij de stallen en komt met grote schreden op hem af. Orloff, de grote Russische windhond, waarmee Vlimmen zo heftig gevochten heeft in de apotheek, volgt hem met slome, onwillige passen, alsof hij een dergelijke haast zeer minderwaardig vindt. De baron steekt op grote afstand reeds de hand uit. ‘Dag meneer Vlimmen! Blij, dat u er zo gauw bent.’ ‘Toch geen ongelukken, hoop ik?’ ‘Nee, voorlopig niet, zeg! Maar ik vertrouw het niet erg. We hebben al 'n paar keer getrokken - niet al te hard natuurlijk - maar het zou veel vlotter moeten gaan. 't Lijkt me précaire. Toch presenteert het veulen zijn voorbeentjes, dus het ziet er normaal uit.’ Zij gaan het kasteeltje binnen en Vlimmen kleedt zich uit. Van Neerwetten kan zijn ongeduld nauwelijks bedwingen, praat er gejaagd op los. ‘'t Zou me verschrikkelijk spijten, want het is een kind van een angstig dure hengst. Ik heb wel geen dekgeld hoeven te betalen, want het is 'n hengst van m'n zwager Von Spee, maar Mieneke-Poes moest ervoor naar Düsseldorf gebracht worden en het vervoer heeft een aardige duit gekost, dat verzeker ik u.’ Vlimmen heeft zich vlug in het leer gestoken en spoedt zich met den baron naar de stallen. Daar staan hem een viertal boeren aan te gapen en hij is er zich akelig van bewust, dat hij hier in Hulshout is, de bakermat van de ‘Van Bemmel-chantage’. Na al die maanden van gewenning voelt hij de zelfde beklemmende druk | |
[pagina 480]
| |
weer in zijn oorspronkelijke zwaarte, vooral nu hij nog juist ziet, dat een jongen van een jaar of twintig, die opvallend rood is en dan nog vol rossige sproeten staat, snel een knipoogje geeft aan een anderen jongen knecht. Vlimmen krijgt een hoge kleur en loopt haastig door naar de box van Mieneke-Poes. Hij smeert zijn arm in, tast langs de beentjes naar binnen en is dan opeens al zijn ergernis vergeten. ‘Hé, wat is dat?!’, roept hij en schiet in een lach. ‘Nee maar, die is rijk!’ ‘Wat scheelt eraan?’ vraagt Van Neerwetten, half geschrokken, half gerustgesteld door de vrolijke bui. ‘Nou meneer Van Neerwetten, dat is nogal 'n komische vergissing, maar ik kan het me indenken, want het komt zelden voor. U hebt daar het linkerbeentje van het éne veulen en het rechterbeentje van het andere te pakken. U wou ze d'r allebei tegelijk afhalen en dat -’ ‘Néé!!’, schreeuwt Van Neerwetten ontzet. Er wordt hard gelachen, doch al spoedig schrikt de baron zich weer koest. ‘'n Tweeling! Hoe gaat dat aflopen met zo'n licht diertje? Wat denkt u? Précaire, wat?’ ‘Ik geloof eerder, dat het 'n meevallertje is,’ zegt Vlimmen, die de verkeerde beentjes al heeft losgemaakt en teruggeduwd. ‘Ja, hoor! 't zijn er twee en ze zitten niet slecht. Hebt u 'n emmer water gereed en een schepje zout?’ Hij trekt zijn arm terug en brengt een paar fijne{sup-} hoefjes mee, strikt opnieuw de trektouwtjes vast. ‘Wat 'n zegen, dat ik niet serieus ben gaan trekken!’ jubelt de baron. ‘Ik heb wel eens gedacht, dat het dier zo zwaar werd, maar wie heeft dáár nu erg in?’ ‘'t Gebeurt ook zelden,’ knikt Vlimmen. Een half uur later zijn de twee sierlijke kinderen van Mieneke-Poes geboren. Elk op zijn beurt springt al gauw overeind wanneer er wat water overheen gesmeten en wat zout aan de snuitjes gewreven wordt. De baron is | |
[pagina 481]
| |
verrukt... Mieneke-Poes is 'n schat en meneer Vlimmen moet een glas port nemen op de goeie afloop.
Vlimmen rijdt terug naar de stad, gaat nog even bij een expediteur kijken naar een paard met een abces en als hij door de Eikenstraat komt, ziet hij Dacka verschijnen op de stoep van zijn huis... Naar de Nederlandsche Bank? Stap dan maar in... Dacka wil juist de voordeur achter zich dichtrekken, als hij de telefoon hoort bellen. ‘Even luisteren!’ Na enkele seconden komt hij terug en wenkt al vanuit de gang. ‘Voor jou! 't Is Truus.’ De boodschap luidt, dat Van Neerwetten zo juist weer heeft opgebeld, of meneer Vlimmen dadelijk wil terugkomen... Nee, niet voor de paarden, iets anders en 't is hoogst belangrijk, maar hij kon het haar niet zeggen... Vlimmen vindt het vreemd... Als het niet aan Truus gezegd kan worden, moet het wel ‘precaire’ zijn... Dacka zal de Nederlandsche Bank voorlopig met rust laten. Hij wil de baby's van Mieneke-Poes wel eens zien.
Zodra hij Vlimmen uitgeleide had gedaan, is Van Neerwetten dadelijk weer naar de stal gegaan om Mieneke-Poes te vertroetelen en omdat hij niet uitgekeken komt op zijn twee mooie veulens. Alles is opgeruimd en schoongemaakt, terwijl hij met Vlimmen aan het nakaarten was, en de stal is verlaten. Maar na een poosje hoort hij twee van zijn arbeiders naderen en aan de stemmen herkent hij Tiest, den rossigen, en Bonneke. Zij blijven staan praten bij de staldeur en hebben er geen erg in, dat hij op een paar nieters afstand in de hoge box staat. Aanvankelijk let hij er volstrekt niet op, maar ten slotte moet het wel tot hem doordringen, dat het gesprek zo'n vreemde, geheimzinnige toon heeft... Dan denkt hij aan paard noch veulens meer en staat | |
[pagina 482]
| |
stokstijf te luisteren... ‘-Vlimmus, 'n kijnd van Vlimmus? Gao nou gaaw lope! Neé manneke, 't is er ene van jou, zo vast as 'n huls. Ons Betsie hee-t-em gezien, dieje kleine, en hij is nou al net 20 rooëd as gij!’ ‘'t Kan net zo goed van jou zijn.’ ‘Jao, da-d-is natuurlijk nie uit te maoke, mar 't zeu toch wel 'n bietje vremd zijn, want bij ons in hil de femilie is er ginne-n-éne mee rooi haor. En gij waart de-n-irste, Tiest!’ ‘Afijn, laot dieje veearts d'r mar veur opdraoie, die hee meer centen as wij. Hij zal er toch ok wel 'ns aongezete hebbe, aanders zeu Mientje hum nie hebbe durven aongeve.’ ‘En ge zeed zelf da ge de-n-irste waart, omda ge duidelijk hebt gezien da -’ ‘As ge nou mar zo wijs zijt, da ge't nie overal rond gaot kleppe, want -’ Hier is Van Neerwetten al zover van zijn verbazing bekomen, dat hij het nodig vindt iets te doen... Sacré mille, wat 'n doortrapt vuns zaakje! Het gaat hem wel geen lor aan maar-verdomde nette vent die Vlimmen, néé-zeg! Staat altijd gereed, heeft hem altijd buitengewoon keurig behandeld. Vent met hart voor z'n vak. Ja, als fatsoenlijk mens ben je toch aan jezelf verplicht om even in te grijpen, zeg! Précaire gevalletje, maar-uh-hij zal het toch even op 'n doortastende manier... Nu hij zo plots uit de box stapt, krijgen de twee staljongens een vreselijke schok. Twee akelige, zieke gezichten staren hem aan. ‘Komen jullie 'ns even méé, zeg!’ Hij voelt, dat het niet goed zou zijn hen hier in de stal - hun eigen terrein - aan te pakken, en neemt hen mee naar het kasteel, naar zijn werkkamer. | |
[pagina 483]
| |
En daar doet het door eeuwen aangekweekte overwicht van een Baron van Neerwetten zich gelden op de erfelijke slavenzielen van een paar sluwe Brabantse boerenjongens...
Tiest en Bonneke - volgens het doopboek: Baptist en Bonifacius - zijn al een poosje huns weegs gegaan, wanneer Vlimmen en Dacka met opgetrokken wenkbrauwen het witte kasteeltje naderen. Van Neerwetten staat breed te grinneken op de hoge stoep. ‘O, u hebt de advocaat meegebracht, dat kan te pas komen! Hallo Dacka... Zèg! Hoe vin-je Mieneke-Poes?’ Zij gaan naar de grote werkkamer vol leer, boeken, jachttropheeën en oude schilderijen. Op de eiken balpoot-tafel staan nog de lege portglazen van daarstraks. Zodra ze gezeten zijn, begint Van Neerwetten te vertellen, en nu Dacka erbij is, gebeurt het vanzelf op huzarenmanier. ‘Meneer Vlimmen, u hebt me daarjuist even stijf laten staan, maar nu is het mijn beurt. Houd u maar goed vast, hoor!... U begrijpt wel, dat ik al enigszins op de hoogte was van uw affaire met-uh-met Kees van Bemmel, want het hele dorp tuitte ervan. Maar ik maak me sterk, dat ik op 't ogenblik beter op de hoogte ben dan uzelf... Wel, daar achter mijn bossen, die kant uit, ligt een voetbal-heitje en daar staat een planken huisje bij, waar de jongelui zich verkleden. Nu zo wat anderhalf jaar geleden, is die jongejuffrouw Van Bemmel op een avond naar dat hutje gewandeld met die twee knechtjes van me, die u daarstraks wel gezien hebt: die lange rooie en dat kleine zwartje... In dat hutje is het spaans toegegaan, mijne heren! De jongelui zijn daar aan 't stoeien geweest op 'n manier- néé! Dat is om plotseling grijs te worden. Terwijl de éne zich verdienstelijk maakte voor het ras, rookte de | |
[pagina 484]
| |
andere 'n sigaretje om op adem te komen en loste dan weer vlot z'n maat af! Ongelofelijk, wat? Na de zesde ronde - om kort te gaan - zei de jonge dame, dat ze pijn kreeg en hebben de heren het voor gezien gehouden.Ga naar voetnoot1) Nu weten ze heel zeker, dat het op een feestdag was -’ ‘Dat zou ik geloven!’ zegt Dacka. ‘-en meer speciaal Allerheiligen... Dus als je op één November begint te tellen, is het niet lastig na te rekenen, dat het kind van die freule door die twee stoere knapen met vereende krachten in elkaar gesoldeerd moet zijn. Zelf zijn ze 't vrijwel eens, dat die rossige gentleman de match heeft gewonnen, omdat 't kind zo goed bij hèm Meurt. Enfin, dat is voor meneer Vlimmen van ondergeschikt belang, lijkt me. Die kwestie kunnen we met het volste vertrouwen aan onzen besten Kees van Bemmel overlaten en hij-och, laat ik u even inschenken; uw glas staat daar nog.’ Van Neerwetten haast zich met de fles, want Vlimmen zit te duizelen en het is hem aan te zien. In één teug ledigt hij het glas en zucht diep. ‘Tjaàà meneer Vlimmen,’ gaat de baron verder. ‘Ik kan me enigszins voorstellen, hoe u zich al die tijd hebt opgevreten, ik ga mezelf maar na... Wat jij Dacka?’ ‘Ik wàt? Als advocaat van den heer Van Bemmel vind ik jou 'n grote opsnijer!’ ‘Eruit, ellendeling!... Komt die vent me hier in m'n eigen huis voor kwidam uitmaken!’ Als afleiding is het geslaagd. Vlimmen vertoont weer een gewonere kleur en zelfs een tamelijk krom lachje. ‘Hoe moet dat verder?’ vraagt hij hulpeloos aan Dacka,‘Wat moeten we nu doen?’ ‘Wat is er eigenlijk gebeurd?’ vraagt Dacka op zijn | |
[pagina 485]
| |
beurt aan den baron. ‘Hoe kom je aan al die openbaringen?’ Van Neerwetten verhaalt zijn stal-avontuur... ‘Toen heb ik die smakkers één voor één hier op 't rapport laten komen en in no time had ik de gruwelijkste bizonderheden bij elkaar. Met getal en omstandigheden.’Ga naar voetnoot1) Dacka kijkt op zijn horloge. ‘Kwart over twaalf! Vlimmen heeft vandaag geen eten nodig, die heeft plezier genoeg. Maar toch is het tijd voor de koffie... Je doet het beste straks hier terug te komen met Stein. Die kun je dan op die twee kunstenaars loslaten... Zijn ze vanmiddag ter beschikking, Van Neerwetten ..? All right. Ik kom dan maar mee, want nu heb ik die twee ongelukkige veulens nòg niet gezien. En jij moet me nog 'ns vertellen, dat je altijd wanboft, meneer-dokter!’ Haast even bedremmeld als Pietje Mulders, zal Vlimmen den baron alvast maar hartelijk bedanken voor zijn... Néé-zeg! Dat kwam er nog aan te kort. Verbeeld je, dat hij de ontdekking van zo'n boevenstreek maar kalm naast zich neer had gelegd, zeg!... Onderweg zegt Floor: ‘Kerel, is dat even zwijnen? Zie je nou dat ik gelijk had? Dat meidje-pas op, daar staat 'n boom!-het meidje zat verduveld lelijk in de Idem. Als ze met twéé vaders was thuisgekomen, had de querulant Van Bemmel haar doodgeslagen, geloof ik. Eén van de twee kon ze niet nemen, want de andere vader zat er vlak naast. Dàt is dus de oplossing. Ik heb er me suf over gepiekerd, maar zo'n krankzinnig staaltje valt je natuurlijk nooit in... Wat 'n nederlaag voor Kees van Bemmel! Ik heb haast met hem te doen...! Als zo'n vent beter kon lezen en schrijven, zou hij een pracht van | |
[pagina 486]
| |
'n dictator kunnen worden. Kees zet zich iets muurvast in z'n hoofd en ziet niets anders meer. Hij overtuigt zichzelf dwars tegen de hele wereld-opinie in en laat zich door niets of niemand van de wijs brengen. Loopt hij tenslotte met de kop tegen de muur, dan vergeet hij het onmiddellijk en begint dadelijk aan iets anders. Voor zo iets moet je 'n bepaalde fout in je hersens hebben, waaruit je groot voordeel kunt trekken. Met drie jaar H.B.S. is zo'n type al hoogstgevaarlijk. Nu is hij alleen maar vervelend...’ Dacka heeft nog eens gelijk: Vlimmen kan deze middag niets eten. Hij begint met Truus de stuipen op het lijf te jagen door als een dolle-dries binnen te vallen met: Néé-zeg!! Hou je nou maar vast!’ zo als hij dat van den baron heeft geleerd. Om het verschrikkelijk spannend te maken, probeert hij het verhaal als een detective-roman van achteren naar voren te vertellen en Truus begrijpt er dus niets van, valt hem telkens in de reden met akelig-directe vragen, die zijn gehele ‘schema’ in de war sturen. Daar wordt hij tenslotte driftig van en geeft het op... Als ze hem niet laat uitpraten, ziet hij ook geen kans om haar iets aan het verstand te brengen!... Zij krijgt eerst een samenhangend overzicht van het gebeurde, wanneer hij Stein opbelt... ‘Verwondert u zich daar nog over?’ vraagt de oude heer. ‘'t Verbaast mij alleen dat het er maar twee zijn!’
- - - - - - - - - -
Mr. Stein heeft de verklaringen van den baron en de twee staljongens in zijn beste proces-verbaal-stijl op papier gezet en laten tekenen. Tiest en Bonneke zagen hem dadelijk aan voor ‘'nen helen hogen piet van 't gerecht’ en waren volkomen weerloos. | |
[pagina 487]
| |
Zodra de jongens weggezonden zijn, is hij van oordeel, dat het aanstaande getuigenverhoor maar niet moet doorgaan... Geen meineedjes uitlokken! 't Is beter, dat het sletje niet voor de Rechtbank komt, want dat tuig is zo ontáárd stom! Zitten al in 't gevang, voordat ze d'r zelf erg in hebben... En 't is best mogelijk, dat het meidje zich daar in Hagenburg zo obstinaat als 'n muilezel blijft vastklampen aan haar eerste leugens voor de Voogdijraad. Dat gebéú-eurt! Die lui zijn overtuigd, dat ze niets gevaarlijkers kunnen doen dan toegeven, dat ze de vorige keer gelogen hebben. Dus Dacka moet dien raren vent maar eens gauw duidelijk maken, dat hij om erger te voorkomen de zaak beter kan intrekken... ‘Ha-ha!’ zegt Dacka. ‘Dàt zou nou juist voor Kees van Bemrnel 'n afdoende reden zijn om de zaak door te zetten.’ Stein lacht en zijn mager gezicht trekt zich in ontelbare kreuken. ‘'n Tractatie, zo'n cliënt!’ knikt hij. Maar Vlimmen heeft al een tijdje onrustig op zijn stoel zitten draaien en schiet nu los. ‘Neem me niet kwalijk, maar ik begrijp er niets meer van! Waarom moeten wij zoveel consideratie hebben met dat gespuis? Ik zou óók zeggen: laten we doorzetten! Laat de rechtbank en de hele wereld gerust weten, hoe ik bijna de dupe was van -’ ‘U moet mij laten uitmaken wat het beste voor u is!’ snijdt Stein en Vlimmen schrikt er Mein van in elkaar. ‘Zonder de inlichtingen van meneer Van Neerwetten zou u de procedure ook wel gewonnen hebben. Maar als dat meidje voor de rechtbank bij kris en bij kras dat divan-verhaal blijft volhouden, bent u precies even ver. Wat we hier vastgesteld hebben is erg plezierig, maar niet afdoende. Het voetbal-huisje en de divan sluiten elkaar volstrekt niet uit! Ze wist immers niet welke dag het was!’ | |
[pagina 488]
| |
Daar heeft Vlimmen nog niet aan gedacht. Na al zijn opgewonden vreugde van deze middag komt de slag hard aan en hij zit verslagen. Stein ziet het en spreekt nu wat zachter: ‘Ja meneer Vlimmen, u weet zelf zo goed dat het meidje gelogen heeft! U vergeet af en toe, dat andere mensen het niet zo goed weten-hoogstens kunnen geloven. Totdat het meidje door de mand valt en dat zullen we eerder bereiken onder vier ogen, dan op 'n rechtzitting... Nu ik zelf als advocaat in de zaak zit, lijkt Meester Van der Kalck me de aangewezen persoon. We moeten het haar gemakkelijk maken. Als ze door de mand wil vallen, moet ze weten, dat ze zacht valt.’ ‘Ogenblikje, heren!’ komt Van Neerwetten. ‘Ik maak me sterk, dat ik wel enige vat heb op Kees van Bemmel. Hij woont hier dichtbij; ik spreek hem nog wel 'ns en ik heb me steeds 'n beetje geamuseerd met hem au sérieux te nemen, als 'n bizonder geleerd man te behandelen. Daarom houdt hij zich tegenover mij nogal hoog. In het dorp hoor ik ook vertellen, dat hij niet weinig trots is op de relatie. Figureert zelfs voor mijn adviseur: - Ik zee tegen den b'ron: doe 't nou zó, dan zul-de zien, enzo- voort... Als ik hem hier uitnodig en op mijn manier het hele verhaal doe, zie ik wel kans, dat ik zijn aandacht af- leid in de richting van die rossige jongen, die naar men- selijke berekening toch ongetwijfeld de vader moet zijn van dat rooie wicht, zeg! Die partner van 'em is zo zwart als schoppen-tien! Het lijkt me zelfs niet uitge- sloten, dat er nog een christelijk huwelijk van komt... Nee heus, zeg!’ Als het gelach is bedaard, vindt Stein het idee schitte- rend. Van Neerwetten zal dadelijk de boterfabriek op- bellen en Kees vanavond nog laten komen... | |
[pagina 489]
| |
Nadat Stein is thuisgebracht, gaat Dacka mee om Truus op de hoogte te brengen en een borreltje te drin- ken. Bovendien moest Vlimmen met man en macht op- gebeurd worden, want na de koude douche van Stein ziet hij alles weer even zwart. Zo komt Dacka tegen zeven uur thuis en hoort, dat een juffrouw Van Bemmel al een poosje zit te wach- ten... Ah! Dat had hij in al die drukte schoon vergeten! En ze is warempel alleen, dus Kees van Bemmel heeft zijn onderhoud met den baron gewichtiger gevonden, dan zijn toezicht op de verklaringen van Mientje... Hij ziet zijn kans en slaat dadelijk toe... Zal haar later nooit weer onder vier ogen te zien krijgen, dat is zeker... ‘Ons vaoder kon nie meekome,’ begint zij. Ja-ja, dat wist hij al. Haar vader is op 't ogenblik bij Baron van Neerwetten, is 't niet? Maar ze weet waar- schijnlijk niet, waaróm vader bij den baron is? Dat zal hij haar dan eens vertellen... Dacka doet, alsof voor de gehele wereld vaststaat, dat Vlimmen nu buiten iedere verdenking valt, en voordat hij geheel klaar is met zijn relaas, vloeien reeds de tranen. Hij haalt gauw een glas water. ‘Vertel me nou 'ns, Mientje. Hoe kwam je d'r in gods- naam bij om zoiets te gaan zeggen van de dokter?’ ‘Ik was-zo bang-van ons vaoder!’ snikt ze. ‘En ik hèb-'t nie gezee!’ Wat is dat? Heeft ze niet gezegd, dat het kind van de dokter is?... Nee, dat heeft ze eigenlijk nie gezee. Maar ze kon nie zeggen, van wie 't wezenlijk was, en toen zei ons vader ineens, dat het dan wel van den dok- ter zou zijn, en ze kreeg zo'n slaag; hij had heur bekanst doodgeslagen mee 'ne stoel en toen heeft ze maar ja ge- zee, omdat ze zo'ne schrik had. En toen ze dat ene keer had gezee, durfde ze nie anders meer... Maar later dan, toen haar vader weer wat kalmer was | |
[pagina 490]
| |
geworden?... Nu het eenmaal zover gekomen is, schijnt het haar op te luchten en vertelt zij de kleinste bizonderheden: Ons vader heeft heur alles precies uitgevraagd en ook, hoe dat kwam, dat ze het eerst nie wou zeggen. Toen heeft ze maar verzonnen, dat de-n-dokter heur heel veul geld had beloofd, als ze zou willen zwijgen... Dacka vraag verder: ‘Is het kind werkelijk zo-uh -lijkt het werkelijk zo veel op die éne jongen, die -’ ‘O jao, de kleine lijkt precies op Tiest van Hulten, hij is ok 'n bietje rossig.’ 'n Béétje rossig!... Hij krijgt steeds meer medelijden met het sukkeltje en schrikt lelijk, nu hij opeens bedenkt, hoe dat moet aflopen, vanavond, als Kees van Bemmel op de hoogte is van zijn nederlaag... Vooral nu dat stuk querulant bliksems goed voelt, dat hij de hele blunder hoofdzakelijk aan zich zelf te danken heeft... En alsof Mientje zijn gedachten raadt, begint zij weer hard te snikken; ‘Nou durf ik-haost niet mir- naor huis!’ Ja, daar moet hij toch bepaald iets doen, anders laat de gedachte aan de komende ranselpartij hem de hele nacht niet met rust... De politie? Kan er niets tegen doen... O wacht even! Van Neerwetten, natuurlijk... Wij, huzaren! Allemaal dierenbeschermers... En mis- schien is Kees van Bemmel nog daar... Hij probeerd Mientje gerust te stellen: Zal dadelijk den baron te pakken zien te krijgen en die zal wel zor- gen, dat ze thuis niet te lelijk tegen haar doen. Als ze even in de wachtkamer wil gaan, zal hij dadelijk telefo- neren... Enkele ogenblikken later spreekt hij met Van Neer- wetten... Ja, Kees is er nog... Nee, niet hier in de kamer... Als Dacka verslag heeft uitgebracht: | |
[pagina 491]
| |
‘Komt in orde, zeg! Maak je niet ongerust! Kees inte- resseert zich helemaal niet meer voor Vlimmen. Dat bagatel is hij weer bijna vergeten. Die rooie Tiest moet hij hebben, en hij zàl hem hebben, daar ben ik van over- tuigd... We zijn de trouwpartij al aan 't regelen, zeg! Die jongen krijgt wat meer loon en zij kan hier ook nog wel aan 't werk. Voor de goeie gang van zaken zullen we dan Bonneke de zak moeten geven, want 't zou 'n beetje précaire zijn, als 't volgende kind pikzwart was... We zijn juist aan 't uitmaken, waar het koppel komt te wonen, misschien hier boven het koetshuis. Alleen de datum staat nog niet helemaal vast, zeg!’ ‘Jij bent de pacha van Hulshout!’ schreeuwt Dacka. |
|