Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 445]
| |
[49]De heldere maan heeft de vierhoekjes van de kleine vensterruitjes scheef op de plavuizen gestempeld en Keeke Mulders ligt er vanuit de bedstee naar te turen door de spleet van de gordijnen, die ze 'n beetje opzij heeft geschoven, omdat ze het zo benauwd kreeg. Ze kan maar niet in slaap komen. Ze heeft al twee keer vijftig weesgegroetjes afgeteld op haar vingers, maar van slapen schijnt er vannacht niets te komen... 't Is weer tobben, hoor! ’Waar moet het in gods-heren-naam naar toe, als het nu mis loopt met het Rooike, het jong koeike? Over 'n kleine drie maanden zou ze moeten kalven. Ruim zes maanden heeft het ding hopen voeier gekost - want ze kàn eten! - het is nu net helemaal afbetaald en over drie maanden zou het eerst wat profijt gaan opleveren, dat is te zeggen: als het kalven goed afloopt - een maaltje is altijd gevaarlijk... En nou doet 't Rooike het nie goed, helemaal nie goed, en zondag acht dagen heeft ze 't voor 't eerst gemerkt. Het beestje hield ineens op mee eten en ging terug-uit staan. Toen is ook dat kreunen begonnen. Sedert is ze steeds maar flauwer geworden, haast niks meer gegeten en nie meer genirkt. Dat is vandaag al-elf dagen! En afgevallen, oei-oei! Als ze afgaat, kreunt ze, en 't is helemaal nie meer zo'ne schone malse als eerst... Ze is dadelijk begonnen mee ielke keer 'n scheut je wijwater in het voeier te gieten en ze heeft ook al 'n keers beloofd aan de heilige Cunera - deze keer écht - maar 't heeft niet gebeterd... | |
[pagina 446]
| |
Mieke Hoppenbrouwers die vertelde, dat zij 'n koei, die wat mankeerde, altij 'n zakske om heuren hals hing mee 'n rillekwie d'r in van de heilige Brigitta en dan was de koei zo vast als 'n huis in twee dagen beter, zei ze, en ze had al in geen twee jaar meer 'ne veearts over de vloer gehad, zjuust vanaf den ogenblik, dat ze mee die rillekwie is gaan werken. En 't is 'n rillekwie, die heel veul geld gekost heeft, zei ze... Zou ze morgen aan Miekes gaan vragen, of ze die rillekwie veur 'n paar dagen mag lenen?... Maar Mieke dat is zo'n hebberig kernollie,Ga naar voetnoot1) die gunt 'ne mens 't licht in z'n ogen nie... En 't is 'n rillekwie van de heilige Brigitta, terwijl zij het altijd mee de heilige Cunera heeft gehouden, omdat ze daarvan mee heure trouw 'n plaat heeft gekregen van ons tante Drika, en dat zou misschien maar schele ogen kunnen geven... Vroeger, als ze in de stal kwam, stond het Rooike om zo te zeggen te dansen van plezier; 't was een en al leven, en nou? Voor 't lekkerste, wat er maar te bedenken is, verroert ze d'r eigen nie eens... 't Zou toch wel 'n bietje te hard zijn van Onze-Lieven-Heer, als ze dat beestje zouden moeten verspelen, nou 't nog maar net afbetaald is en het nog gene cent heeft opgebracht. Maar laat ze toch vooral nie morren! 't Kan nog veul erger worden en op den ogenblik zijn ze toch allemaal goed gezond, zij en Pietje en de zes klein-mannen, allemaal even goed gezond... Zo'n slechte gedachte moet ze weer gauw ongedaan zien te maken. Weesgegroetrnariavolvangratiedeheerismetu,.. Midden in het gebed blijft ze steken, want duidelijk hoort ze weer het zenuwslopende gekreun van achter de staldeur. Voorzichtig, om Pietje niet wakker te maken, schuift ze uit de bedstee en duwt zacht de dekens wat | |
[pagina 447]
| |
vaster tegen zijn lijf... Oppassen, dat ie gene trek voelt in z'ne rug... Op haar blote voeten sluipt ze over de kille plavuizen en doet geruisloos het staldeurtje open. De maan schijnt door het stalraam recht op het zwart-bonte lijf van ‘ons Mien’... Die heeft gelukkig niks meer gemankeerd, sedert Vlimmen ze in 't voorjaar zo hendig op de been heeft gezet van de kopziekte... Toen had ze eigenlijk 'n keers beloofd, maar daar is niks van gekomen, omdat ze iedere cent zo hard nodig hadden voor de afbetaling. Dat is misschien verkeerd geweest; het ‘breken van beloften’ is 'n grote zonde, staat er in de kattegiesmus... Zie-de wel? Ons Mien wordt wakker en steekt heure kop vooruit, maar ons Rooike verroert nie eens... Zij streelt het ruige voorhoofd. ‘Wa-d-is er toch, hisje?’, vleit ze zacht. ‘Wil-de drinke?’ Op de tast vindt ze de emmer en houdt hem voor. Loom schuift het jonge dier de snuit er in, aarzelt nog, zuigt dan voorzichtig een Mein beetje water op en wendt de kop weer af. Keeke wacht nog een poosje, maar vergeefs. Ze voelt de kou optrekken in haar benen... Oppassen, dat ze seffens Pietje niet wakker maakt met haar kouw' voeten... Zuchtend zet ze de emmer weg en dan moet ze zich opeens kloek houden om niet te schreien... 't Geeft allemaal niks; het beestje wordt hoe langer hoe minner. En 't is net of ze weer vlugger hijgt dan vanavond... Binnen draait ze de wekker naar het maanlicht... Half twee?! Ze moet toch zien, dat ze wat slaap krijgt, want over 'n goei twee uur moet ze d'r weer uit... Uiterst voorzichtig kruipt ze naast Pietje en besluit nog maar 'n rozenhoedje te bidden... Dan zijn 't er samen drie, 'ne rozenkrans, en die heeft toch altijd veul meer uitwerking dan twee rozenhoedjes. Weesgegroetmariavolvangratie... | |
[pagina 448]
| |
Zunde, dat ze heure paternoster nie mee naar bed genomen heeft, maar ze durft er nou nie meer uit voor Pietjes; die heeft z'ne slaap ook hard genoeg nodig, ocherme... ‘Stil mar vrouwke’, zegt ie altij. ‘'t Zal wel betere; 't is 'n jong bisje en 'n sterk.’... Eergisteren is ze over Vlimmuzze begonnen, en vandaag weer, maar hij heeft er nie veul oren naar. Dat doet ie nie geer, ons Pietje, want eigenlijk gezegd draagt ie z'n kopke o, zo hoog en 't staat hem verschrikkelijk tegen, dat ie altij als 'n schooiersjongeske bij Vlimmuzze moet aankloppen. Maar Vlimmus die heeft toch altij zelf gezegd, dat ze niet lang mochten wachten met hem te roepen!... Weesgegroetmariavolvangratie... Als Pietje morgen nog nie naar Vlimmuzze wil gaan, zal ze ons Nilleske uit school houden en hem stillekens naar de stad sturen. Dan moet-ie om half tien bij Willem Schepers zijn en dan zal ie wel op 't wagentje mee mogen rijden naar Dombergen en daar zal Willem Schepers hem wel wijzen waar de-n-dokter woont. Ja, dan zal ie wel te-voet terug moeten komen en dat is 'n goei twee uur lopen, maar dan kan ie 's middags toch weer naar school, 't Zal hem wel nie bevallen, dat ie uit school moet blijven, want dáár is ie zo geer! Meneer Verstralen zegt, dat ie goed kan leren en dat ie de-n-beste van de klas is... 't Jong heeft het er gewoon van in de kop om misdiener te worden en meneer Verstralen zei, dat ie al dat Iatijns al uit z'ne kop kan opzeggen... Maar ze zal het nooit aan den pastoor durven te vragen; misdieners zijn d'r allemaal van rijk volk... En eerst en vooral zou hij 'n paar fatsoenlijke schoenen moeten hebben... Toch ziet ze hem al gekleed en wel voor 't altaar zitten. Als ze dàt nog 'ns mocht beleven! Vooral mee grote feestdagen, Kersmis en Pasen en Pinksteren, als die mannekens in 't rood zijn, dan is 't toch zó'n schoon gezicht! En ons Nilleske zou d'r heel goed in | |
[pagina 449]
| |
voegen, want 't is 'n heel geif manneke om te zien, al zegt ze 't zelf... Weesgegroetmaria... Als eerst 't Rooike maar beter was! Misschien is dat wel de straf voor heuren hoogmoed-'ne misdiener van Keeke Mulders uit 't Zuurland! 't Zijn allemaal jongeskens van héél goei volk, meest uit de burgerij of van boeren mee veul geld. De pastoor zou vragen, of ze zot geworden was, weesgegroetmariavolvangratie... Als ze 't Rooike moet afgeven, dan is 't toch wel erg, dan zijn ze 'n heel stuk terug-uit gezet, och God! en dan komt er van de schoenen voor ons Nilleske voorlopig ook niks in huis... En nog wel de-n-allereerste keer, dat ze geprobeerd hebben om een bietje uit den ergsten armoei te geraken; 't is vreed! Pietje heeft er toch zo veur moeten tobben en 't leste half-centje is er ingestoken. De kijnder zijn er veul aan te kort gekomen, ocherme, maar ze zijn toch God-zij-dank allemaal goed gezond. Ons Triske is nou al bekanst zes maanden en tot nou toe is er verders nog niks te koop... Als ze 't zo maar 'n paar jaar kon volhouden, dan-maar dat is ook 'n slechte gedachte, want de pastoor heeft altij gezegd, dat kijnder alleen maar zegen kunnen brengen, bidvronszondaarsnuenintuur... Ze heeft er nu toch al zes en één dood, maar dat was nog bijtijds gedoopt, en ze hoopt maar, dat er alvast 'n bietje zegen kwam, zo-gezegd als- Keeke weet er niet het passende woord voor te vinden, maar zij bedoelt: als voorschot. Ze bidt op haar vingers en in de buurt van de zes en dertigste Wees-gegroet geraakt zij de tel kwijt... Dan maar weer helemaal opnieuw, want het moeten er zjuust vijftig zijn, anders telt het misschien niet... Maar bij de achttiende vinger valt het tobbende vrouwke van uitputting in slaap en droomt van het Rooike, dat niet meer ziek is, van de schoenen van drie gulden | |
[pagina 450]
| |
voor ons Nilleske, van schone koorknaapjes in bloedrode toga's en frisse, kanten koorhemdjes. Maar op de achtergrond van ieder beeld staat het stuurse gezicht van Vlimmuzze.
Toch ziet hij er niet zo grimmig uit, de volgende ochtend, als hij thuiskomt na de keuring van een paar noodslachtingen, die hij daarna op het slachthuis heeft geregistreerd. Het is nu al een week geleden, maar hij is nog niet geheel bekomen van de roes, waarin het testament van Moederke Piggen hem heeft gebracht. Het is niet alleen het kokette sommetje; hij heeft nu werkelijk weer wat eerbied voor zichzelf gekregen, zoals dat vaak het geval is met mensen, die geen succes gewend zijn... ‘Vuile kapitalist’, heeft Dacka gescholden. ‘Jij bent al even gevaarlijk als 'n pastoor. Ik heb nog één oom, die wat na te laten heeft. Blijf een beetje uit zijn buurt, wil je?’... Hij komt het hek ingereden en ziet juist het jongetje, dat op zijn tenen gaat staan in zijn klompjes om aan de bel te trekken en daarbij de doorgelopen hieltjes van zijn kousen vertoont. Dat kind komt hem bekend voor. Die grote, hunkerende ogen en het wijze, bezorgde gezichtje... Och natuurlijk! Het gezicht van Keeke Mulders in het klein... ‘Zo vriend! Ben-de gij er niet eentje van Mulders uit 't Zuurland?’ ‘Jao, meneer.’ De jongen neemt zijn petje af en dat is wel iets bizonders onder de boerenknapen van de streek... Of je moet meneer-pastoor-zelf zijn, weet Vlimmen. ‘Is er iets niet in orde mee de koei?’ ‘Jao meneer. Ons moeder vraogt of ge asteblieft nie 'ns woudt komen. 't Is vur ons Rooike.’ | |
[pagina 451]
| |
Rooike! Dat is waar ook; Pietje staat op 't ogenblik aan het hoofd van twee koeien... ‘O, dat is zeker de nieuw' koei? Moet ze kalven?’ ‘Nee meneer, z'is ziek.’ ‘Weet je niet wat ze heeft?’ De jongen trekt de schouders op. ‘Ze vret nie mir en ze wordt zo maoger.’ Die ogen gaan hem aan zijn hart... Zo kijkt een hond je aan, als je zit te eten... ‘Ja!’, lacht hij. ‘Als gij niet meer eet, wor-de ook mager, is 't nie?’... Alsof de stumper nog niet mager genoeg is! Dop met zijn zes jaar zal nog zwaarder zijn dan deze met zijn ‘Hoe oud ben-de gij al?’ ‘Ellef.’ ‘En hiet-e-gij ook Piet?’ ‘Nee meneer: Nilles.’ Hij vraagt verder... Nee, nirken doet ze ook nie meer... Ja, kreunen dat doet ze... ‘Zeg dan maar tegen jullie moeder, dat ik vanachtermiddag kom, hoor vrind!’ Hij kijkt den jongen na, die, opgelucht dat het examen achter de rug is, haastig naar het hek loopt. Bij iedere stap toont hij boven het randje van zijn klompen het witte halve-maantje van de gaten in zijn hielen. Buiten het hek kijkt het kind aarzelend naar links, dan naar rechts, en loopt precies de verkeerde kant uit...
Zijn hele leven zal Jan Vlimmen dankbaar zijn, dat deze trieste onnadenkendheid hem is bespaard gebleven. Jaren later heeft hij er nog aan moeten denken en is er telkens stil van geworden. 's Avonds op zijn bed heeft hij getracht te becijferen, hoeveel duizend maal de klompen over de blote hieltjes zouden hebben geschaafd vanaf de vijandig-vreemde ‘wereldstad’ Dombergen tot het schamele boerderijtje in het Zuurland... En dat op een | |
[pagina 452]
| |
voeding die voor vijf en negentig procent bestaat uit roggebrood en slechte aardappelen, bedenkt hij steeds... Zoiets moest je eigenlijk gebeuren, als je juist terugkomt van een dol-nerveuze ouwejuffer, wier ‘hontie’ uit louter overvoeding gister zijn dineetje heeft laten staan; zo'n mode-mormel, dat aan voeding driemaal meer kost dan dit mensenkind... Le chien des riches et les enfants des pauvres. Die plaat heeft hij eens van Dacka gekregen. Het verwaande, fijne hondje, lekker warm in zijn roodfluwelen schabrakje, staat met opgetrokken neusje te kijken naar de twee kleumende Parijse schooiertjes, die aan het eten zijn uit een vuilnisvat... Die plaat is al oud en er is in die tijd veel veranderd-o-ja! Maar als je Nillleske Mulders eens goed bekijkt?...
Verschrikt heeft Vlimmen het kind teruggeroepen: ‘Hé, manneke! Nilles!... Hoe ben-de gij hier gekomen?’ ‘Mee 't gruunte-waogentje van Willem Schepers.’ ‘En hoe ga-de nou terug?’ ‘Looëpe!’ Bijtijds beseft hij, hoe weinig opvoedkundig het zou zijn om nu enige verbazing te tonen, en daarom knikt hij bewonderend... Hij kijkt op zijn horloge-vijf voor elf! Vanmiddag moet hij daar ongeveer in de buurt zijn, maar hier houden al zijn doelmatige berekeningen op. ‘Weet ge wat we doen, Nilles? We gaan subiet mee ons tweeën naar jullie toe. Is dat goed?’ Het kind kijkt hem met open mond aan en het is, of er lichtende vraagtekentjes uit zijn ogen spatten. Dan staart hij vol ontzag naar de auto, die nog voor de garage staat. ‘Da geleuf ik wel, meneer,’ hijgt hij. Er komt wat meer kleur in het gezichtje, ziet Vlimmen... Maar echt lachen schijnt de jongen nooit ge- | |
[pagina 453]
| |
leerd te hebben... Aan de rand van de stad bemerkt hij plotseling, dat zijn tank leegraakt, en stopt bij een benzine-pomp. Van dit oponthoud maakt hij gebruik om in een winkeltje vlakbij een paar stukken chocolade te kopen. Even later zijn ze weer op weg en zitten in ernstig zwijgen naast elkaar te kauwen... Dan denkt hij met schrik aan het reddeloze geval van Jong-oedeem bij Jens op de Muggenberg. ‘Hoelang heeft de koei al niet goed meer gegeten?’ ‘'nen Dag of virtien, geleuf ik.’ Vlimmen verbijt een harde vloek en drukt op het gaspedaal, dat de wagen vooruitschiet als voor een wedloop tegen de dood. ‘Oe, da gao toch hard, hé?’, zegt Nilleske ademloos en in zijn heldere ogen flikkeren de voorbijsuizende boomstammen. Vlimmen matigt zijn vaart... Bij een longoedeem van veertien dagen, is het volstrekt niet nodig om een paar minuten in te lopen op Magere Hein, want dan staat zijne majesteit hem al grijnzend op te wachten aan de eindstreep... En hopelijk is het helemaal geen longoedeem... ‘Daor hedde Kees van de Wiel!’, zegt het kind opeens en wijst met een fijn vingertje naar een fietser, dien ze voorbijrijden. ‘Kees van de Wiel uit Wolfschot?’ Hij kent den man volstrekt niet, maar vindt het prettig, dat de jongen zich bij hem zo gerust voelt en al ongevraagd iets durft zeggen. ‘Jao... Nou zen wij toch veul vruger thuis as Kees van de Wiel!’ Nilles knikt er zeer wijs bij. Tersluiks bestudeert Vlimmen het gezichtje... Wat een fijn kind! Net porselein. Vuurode lipjes en een paar harde blosjes van opwinding. T.b.c?... Zou hem niets verwonderen, vooral met die gloeiende ogen... | |
[pagina 454]
| |
Terwijl hij met den jongen langs het paadje loopt door het zure land, verbaast hij zich erover, dat hij nu ongeveer het zelfde gevoel heeft, als toen hij pas afgestudeerd naar zijn eerste patiënten ging. Keeke komt met een drietal kinderen de deur uitgefladderd. Ook Pietje verschijnt en staat een beetje beteuterd te kijken. ‘Mar-mar, kek toch 'ns aon!’, glundert ze. ‘Onze Nilles hee den dokter al meegebracht!’ Vlimmen heeft toch gauw gezien, dat in haar ogen de angst boven alle gedwongen gemoedelijkheid uitschijnt. En in de stal ziet hij even gauw, dat het geen long-oedeem zal zijn. De ademhaling is wel oppervlakkig, maar van zwoegen is geen sprake. Hij dreunt zijn vragen af: Zondag-acht-dagen? Niet meer zien nirken? Ging ze bij het eten opeens achteruit staan? En ze houdt heur eigen zo stillekens mogelijk! Hebt ge ze zien slaan: met de voorbenen naar de onderborst, of met de achterbenen naar de buik? Kreunt ze bij het afgaan? Hij trekt de staljas aan en begint zijn onderzoek, doet er wel bijna een half uur over. Luistert naar het hart en de versnelde ademhaling, laat Pietje de kop vasthouden voor de strekproef. Hij bekijkt de mest, hij percuteert het dier zorgvuldig af, niet met een elegant rubber-hamertje maar met de volle vuist... 't Zal huilen zijn, hoor! Als het zo is, dan toch in ieder geval het beginstadium, maar dat is even erg... Kan het iets anders zijn? Verse, acute t.b.c.?... Nee! Buikvlies-ontsteking zonder bekende oorzaak? Acute gastritis, acute tympanie, obstipatie of darm-invaginatie?... Hij blijft koppig doorzoeken, maar er is geen enkele differentiaal diagnose, die hem enige kans schijnt te bieden, en-ja, 't is verdomd beroerd! Dat het juist zulke arme mensen moet treffen. Een maaltje van 'n dikke twee honderd gulden, waar ze nog geen cent aan ver- | |
[pagina 455]
| |
diend hebben. En niets aan te doen!... Tijdens heel zijn onderzoek heerst er een eerbiedige stilte; de kinderen zijn al dadelijk binnengestuurd. Schuin langs zijn bril heen ziet hij, dat Keeke, die anders een en al beweeglijkheid is, nu roerloos staat en hem geen seconde loslaat met die grote, tragische ogen-de zelfde ogen van dat kind. Ook Pietje staat hem met open mond aan te gapen en Vlimmen wil de pijn niet langer rekken, ofschoon het hem zwaar valt. Hij trekt de wenkbrauwen omhoog en praat zachtjes: ‘'t Is helemaal niet goed met de koei, Piet... Ze heeft scherp in.’ ‘Pot-verdikke!’ Pietje zoekt naar iets om op te gaan zitten en laat zich hard neer op de kruiwagen. ‘Potverdikke!’ Hij steunt de gemartelde handen op de knieën en staart naar de hoeven van ‘ons Rooike’, alsof er iets heel bizonders mee gaat gebeuren. ‘Pot-verdikke!’ Zijn gezicht is akelig geel geworden. ‘Mar dà's 'ne strop!’ Keeke heeft zich nog niet verroerd en Vlimmen kijkt snel een andere kant uit, als hij ziet, dat haar ogen vol tranen schieten... Nu is 't helemáál 'n kind, vindt hij, en kinderverdriet is het ergste wat er op aarde bestaat. Wat moet hij doen?... ‘Moete we ze daorveur laote sla -’ Ze spreekt met een opgejaagde huilstem, maar slikt het laatste woord verschrikt in. Slachten? Natuurlijk slachten, en liever vandaag dan morgen. Het beestje verliest iedere dag gewicht... Toch kan hij evenals Keeke het woord niet over de lippen krijgen... Traumatische gastritis, en daarvoor-maar laat hij nou geen gekke streken gaan uithalen!... Het is doodstil: Alleen ‘ons Mien’ blaast eens minachtend door haar neus en vanuit het huis komt wat gefrazel van kinderstemmen. Om maar iets te zeggen: ‘Kun je niet nagaan, wat ze | |
[pagina 456]
| |
wel mag hebben ingeslikt?’ Zij schudden het hoofd. ‘Ben je geen aardappelmesje kwijtgeraakt, Keeke?’... O, nee, daar is ze zeker van; 't schilmeske is er nog... Niets anders kwijtgeraakt, wat hard en scherp is?... Ze zouden niet weten wat... ‘Pot-verdikke!’, begint Pietje weer. ‘Pot-verdikkeme, wa 'ne strop! Zó erg had ik 't toch nie verwocht.’ ‘Is ze niet in 't fonds?’, vraagt Vlimmen bijna schuchter en nu krijgt Pietje wat meer kleur. ‘Neeje 't dokter! Da zit er bij ons nie aon.’ Vlimmen vreest, dat het taaie, magere manneke alle moed verloren heeft. ‘Laat ze nog maar niet slachten’, zegt hij en staat er zelf verbaasd van. ‘'t Is trouwens ook nog maar in 't begin’, vergoelijkt hij gauw, maar voelt wel, dat hij zich al verbonden heeft. Aan een kort rukje van haar hoofd ziet hij, dat Keeke weer hoop krijgt. Haar lippen vormen reeds de vraag, maar ze geeft geen geluid. ‘Ik zal 'ns zien wat we doen en dan kom ik morgenvroeg even terug. En maar nie te veul tobben, Keeke! We zullen d'r op een of ander manier wel 'ne mouw aan zien te passen.’ Zij draait zich snel om, maar bij de laatste woorden staat hij al buiten. ‘Pietje!... Nee, laat maar .. Of ja! Zou-de morgen enkele mensen kunnen krijgen om te helpen?’ Maar voordat hij thuis is. staat zijn besluit vast: Hij gaat niet klungelen aan dat beest. Boeren hebben niet het bleekste begrip van alles wat hij doet. Voor den veearts komt het alleen op succes aan, onverwijld succes en dan nog met de geringste kosten. Verbeeld je 'n ogenblik, dat de operatie prachtig gelukt en dat hij het scherpe ding er werkelijk uitkrijgt, hoeveel kansen heeft hij dan dat het dier blijft leven? En hoe zal het aflopen met de drainage? Wat weet hij ervan, wat heeft hij om op te steunen? Niets meer dan wat twee Duitse collega's op geduldig papier hebben gezet en verder zijn gezond vee- | |
[pagina 457]
| |
artsenverstand-voor zover aanwezig. Nee, hij doet veel beter met op de slachtwaarde van het beest - als het goedgekeurd wordt - een bedrag toe te leggen om die sukkelaars in staat te stellen een nieuw beestje te kopen... Maar dat komt neer op 'n aalmoes en Pietje schaamt zich nu al, dat is duidelijk te zien. Het manneke zal blijven sappelen, tot hij het geld heeft terugbetaald en de kinderen zullen er evengoed de dupe van zijn: roggebrood en kwaai' aarpels en nog niet eens te veel... En eigenlijk is het laf... Hij heeft zich altijd wijsgemaakt, dat hij het toch ééns zou moeten proberen. Als vooropstaat, dat hij ervoor betaalt, waarom zou hij het dan niet wagen? Hij is nu immers ‘rijk’! Aan tafel vertelt hij, hoe ze bij Pietje Mulders in het Zuurland gesjochten zijn... Niets aan te verhelpen, zo'n operatie zou absoluut hopeloos zijn... Truus voelt hem wel en moedigt hem aan, zoals hij dat ook heimelijk van haar eist, maar als dank krijgt ze de goede raad om te praten over dingen waar ze wèl verstand van heeft. Toch heeft ze natuurlijk het laatste woord en het blijft zelfs lelijk bij hem haken: ‘Wat 'n ander kan, kun jij toch ook!’
Gedurende zijn namiddag-route langs de patiënten overtuigt hij zich, dat het een afgedane zaak is: hij gaat zich niet belachelijker maken dan hij al is. Buiten de practijk kunnen ze hem in Dombergen misschien erg koddig vinden, maar als veearts zullen ze hem heel weinig stomme streken naar zijn hoofd gooien-o-zo! En zal hij nu moedwillig een groot figuur gaan timmeren? Als de veearts zegt, dat 'n koei kapot gaat, dan moet ze kapot gaan. En als hij begint aan een operatie, waarvan de boeren nog nooit gehoord hebben, dan moet ze blijven leven, anders is hij ‘'ne grote prulleman’... Maar stel je voor, dat het lukt!... Och kom! Het enige, wat hij bereikt is | |
[pagina 458]
| |
'n pracht van een infectie. Dan is de slachtwaarde ook nog naar de bliksem en kan hij het hele dier betalen... Toch zit hij 's avonds met een lelijk gezicht over de oude jaargangen van de Tierärtzliche Rundschau... Ja, als hij het zo leest, lijkt het allemaal erg plausibel, maar hoeveel procent humbug is er bij? En het klinkt erg lief, als hij zich het geval voorstelt in een heldere kliniek, omgeven van handige en geestdriftige assistenten... Ich schritt zur Operation. Links-rechts! Paradeschritt! En dat zelfde krachttoertje zal die jongen van Vlimmen eens even nadoen op het stinkende boerderijtje van Pietje Mulders, met een handjevol van de achterlijkste boeren uit heel het land als amanuenses... Floor? Dan heeft hij tenminste één helper, wiens handen en hersens niet scheef zitten. Maar die valt misschien flauw! Hij heeft er toen maar over gezwegen, maar hij laat zich hangen, als Meester Dacka niet heeft moeten kotsen van die baarmoederprolaps bij Jantje Pijnenburg... Zwaar peinzend loopt hij de apotheek binnen en tot zijn ‘ongeluk’ komt hij voor het geleerde instrumentarium te staan... Zou hij eigenlijk wel alle spullen hebben voor zo'n onderneming? Laat eens even kijken. Beginnen bij het begin. Het operatie-veld kaalknippen: tondeuses heeft hij wel 'n stuk of vier. Dan volgt de anaesthesie, dat is de Record-spuit met de injectie-naalden. Dan het operatie-veld dik insmeren met valvanol, dat ontsmet even sterk als jodium, maar het bederft je instrumenten niet... Daarmee is het gewichtige ogenblik gekomen: de scalpel, de wondhaken, de Pean'sche tangen om de slagaders af te klemmen, de curette en de Thygesen-draadzaag. Einde van het eerste bedrijf. De beroemde chirurg Professor Vlimmen steekt nu even zijn arm in de koe, heeft in geen tijd de roestige spijker gevonden, peutert hem er handig uit, lacht er eens vaderlijk tegen en smijt hem opzij... Of niet! | |
[pagina 459]
| |
Dan een spuit voor de kamferolie. Agrafen, pincetten, catgut-hechtzijde. En een gummi-slang! Die wordt kunstig in de wonde genaaid en daarlangs zal de etterboel braafjes afvloeien. Klaar! Na acht dagen de drainage weer wegnemen en na zes weken weet de koe er niets meer van. Of liever de volgende dag al, want dan is ze juist dood genoeg... Laat hij toch wijzer zijn!... Intussen ligt daar toch alles, wat hij nodig heeft, netjes in volgorde gerangschikt op de toonbank, want terwijl hij aan het inventariseren was, heeft hij zonder nadenken ieder stukje uit de instrumentenkast gehaald. Hij laat alles zo liggen en gaat naar bed. Doch eerst na twee volle uren valt hij in slaap, als hij de gehele operatie tot driemaal toe en in de kleinste onderdelen van bewegingen heeft uitgevoerd. Het laatste wat hem voor de geest staat, zijn de ogen van Keeke, die vol water schieten en het bloedloze gezicht van Pietje, die steeds maar ‘Pot-verdikke!’ zegt. |
|