Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 401]
| |
[46]Terwijl hij zich staat te scheren, voelt Vliminen al met een dodelijke zekerheid, dat het vandaag weer een ‘uitgezochte pest-dag’ moet worden. Hij voelt zich zeer vermoeid, ofschoon hij er vannacht niet uit gehaald is. Er kriebelt iets in zijn keel en hij moet dadelijk gorgelen; misschien is het al te laat... Dan haakt zijn scheermes en nu begint zijn gal over te lopen... Die Truus altijd met haar vervelende streken! Aap van een meid, zeven jaar jonger dan hij en ze behandelt hem gewoon als 'n baby... Gisteren hoorde hij toevallig vanuit het rommelhokje achter de garage, hoe Dop woest naar huis kwam gelopen, de serre in: ‘Mammie! Mammie! Désiré Schoenmakers zegt, dat oom Jan een kindje heeft gekocht!’ Hij dacht, dat hij barstte, zag die stomme, dikke kop van ‘Désiré’ voor zich en kon op dat moment het mormel wel doodslaan... Maar zij bleef er natuurlijk weer ijskoud onder: ‘Désiré Schoenmakers is stapelgek’, zei ze, doodbedaard... Waar ze die onverschilligheid vandaan haalt! .. ‘En pas op dat je zulke domme praatjes, niet aan oom Jan vertelt, hoor!’... Natuurlijk! Hij weet op geen stukken na wat er zich allemaal rond dat vuile zaakje afspeelt; het is nog veel erger, dan hij kan dromen... ‘Want dan zou je oom waarachtig gaan denken, dat jij net zo'n uilskuiken bent als Désiré Schoenmakers... Dé-si-ré! Huh!’ | |
[pagina 402]
| |
De kleine was weer gerust. ‘Nou, ik ben tenminste blij, dat ik niet zo'n zotte naam heb... Waarom noemen jullie mij Dop?’ ‘Zo heb jij je zelf altijd genoemd, toen je nog heel klein was en dat is zo gebleven... Eigenlijk heet jij Dolf...’ En daarmee was de aandacht weer afgeleid... Geen woord over het voorvalletje, dat spreekt vanzelf... En nu moet hij varkens gaan enten op het Laareind; acht of negen adressen, hoofdzakelijk werklui, die er een of twee beestjes op na honden. Ze spreken met elkaar een dag af, dat hij minstens twaalf dieren bij elkaar heeft, anders komt het te duur aan entstof. Nu is het 60 cent per enting... En voor hetzelfde geld zal meneer de dokter te bezichtigen zijn in negen arbeidersgezinnen... Vandaag komt-ie, dieje veearts, die-uh-geweet wel, met de meid... Komt zien en overtuigt u! Zou je de rotzooi er niet bij neerleggen? Varkens enten met vlekziekte-serum à 60 cent per zwijn! Dat zou hij niet hebben geloofd, de ‘juvenis ornatissimus’, toen hij het grote woord had aan de borreltafel van het Haagje in Utrecht. Want wat voelden we ons geleerd tussen al die stapels theorie! Natuurkunde, plantkunde, scheikunde, hogere wiskunde zelfs. Formules voor eiwitten een regel lang. En anatomie langs hier en physiologie langs daar. Wormen, wormen, lint- en andere wormen! Geen parasiet, die je niet met naam en toenaam moet kennen plus de intiemste geheimen van hun geslachtelijke omgang. Bacteriologie en immuniteitsleer! Laat ze maar komen, Newton en zijn zwaartekracht, Buys Ballot en zijn weerprofeterij, Kamerlingh Onnes en zijn lage temperaturen, de ideeën van den groten Van 't Hof, die in Holland maar matig gewaardeerd worden. De Wet van Ohms, de Ehrlich'sche Seitenkettentheorie, jawohl! Het phenomeen van Koch, de Röntgenbuizen en de kwartslamp... Dan heb je daar nog het moleculenbombarde- | |
[pagina 403]
| |
ment, Darwin en Linnaeus, de voedseltheorieën van Keller, Voit en Hindhede. Hormonen en vitaminen bij legioenen. Tsetsevliegen en hun bloedparasiet, verbàààzend interessant. En nog deftiger: het electrische operatiemes! Goeie grut, wat werd je voor de gek gehouden! Wat 'n wonder dat je na al die geleerdheid met 'n verwaand bakkes van school kwam... En we zetten een grote borst op en we zullen dat practijkje nu eens wetenschappelijk aanpakken. Even laten zien hoe je dat doet, even uit de brand helpen die provincialen en die ouwe sukkels van empiristen, waarvan er hier en daar nog enkele zitten... Schmit uit Denemarken was ook zo'n ziel, hij maakte weinig papier vuil, maar toen de runderen begonnen te sterven bij duizenden en wel op het ogenblik, dat ze productief werden, zette hij ze net bijtijds empirisch weer op hun benen, of er niets gebeurd was... Maar wij zijn wetenschappelijk, weet-je, en we komen met een ijselijk geleerd gezicht bij onze eerste patiënt, een maaltje, dat maar niet wil kalven, ofschoon tien boeren zich de rug hebben kromgetrokken, om te constateren, dat de hele geboorteweg is verscheurd en de bekkenbeenderen gebroken... En alle geleerdheid culmineert in het werkwoord slachten... ‘Daor hebbe we'm nie vur laote komen’, zeggen de boeren... En de volgende patiënt is een koe, die al een half jaar hoest en ‘spelt’, vel over been, waar de tuberculose straalsgewijze uitloopt. ‘Meneer dokter zal d'r wel raod op wete’, zegge ze, en daar staat hij met zijn Utrechtse geleerdheid... ‘Da manneke kent er nie veul van’, Zegt de veehouder. ‘'t Enige wat ie weet te vertellen is: laote slachte!’ en hij gaat terug naar den veeverloskundigen kwakzalver, wiens hele studie bestaat uit het lezen (of niet eens) van ‘De Bekwame Veearts’ door Dr. H.M. Kroon, een boekje van 'n 80 bladzijden, de plaatjes inbegrepen. Tegen een daggeldersloontje neemt hij alle klan- | |
[pagina 404]
| |
ten weg, want wat hij veel beter weet dan de jonge veearts, is, Koe hij niet de boeren moet praten, en praten is 99% van alle charlatanerie... In dit geval zegt hij: ‘O, als ge dieje snotneus er niet bij geroepe had en eerst bij mij gekomen waart, zou d'r allicht nog iets aon te doen zijn geweest, mar nou is 't te laot. Ik heb al zo veul van die gevallekens bij de hand gehad. Zo iets leer-de nie op schooltje!’ En de wet doet er niets tegen, die is gestemd door kamer-prenten van het jaar 1870 na Christus... Het is 'n zootje, en die jaap over zijn wang wil maar niet ophouden met bloeden, al wrijft hij nog zo lang met de aluinsteen... Dan trekt hij een schoenveter stuk... Op zo'n ochtend doe je beter met direct weer in je nest te kruipen en er niet uit te komen voor de volgende dag... Maar dan krijgt het jonge ‘dokterke’ opeens een interessant geval. Mond- en klauwzeer, niets minder dan dat! Al het geleerde over virus en epidemiologie suizen hem door het hoofd, maar alles slaat te pletter tegen de ijskoude werkelijkheid: De boer weet even goed als hij, dat het gemeentebestuur moet gewaarschuwd worden, dat op zijn beurt den inspecteur van de veeartsenijkundige dienst bericht, die een veeopzichter stuurt om eens te gaan kijken, die weer aan den gemeente-secretaris zegt, dat het ‘wezenlijk zo is’, waarop de ‘sik’ den veldwachter wekt en op pad zendt met een groot bord, waarop te lezen staat, dat dit terrein besmet is met mond- en klauwzeer. Na een week of drie wordt het bord weer weggehaald; er gaan grote papieren naar Den Haag en de jonge, wetenschappelijke ontdekker van het geval vraagt zich voor het eerst af, waartoe hij eigenlijk dient en of het mond- en klauwzeervirus zich ooit iets van al deze plechtigheden heeft aangetrokken... Varkens enten met vlekziekte-serum à 60 cent per | |
[pagina 405]
| |
zwijn!... Toch was het leuk om te zien, hoe Dacka zich stond krom te lachen, toen ze samen gingen enten in de grote varkensstal van Christ van Hel op de Blauwhoef, de modelboerderij van Wethouder Van der Kalck... Ja, voor iemand, die het nog niet heeft meegemaakt, moet het wel een verduveld gek gezicht zijn. Varkens zijn vlug en als ze de ruimte hebben, zoals daar op de Blauwhoef, moet je bliksemsvlug zijn met je spuit. Twaalf in een hok, en terwijl je spuit moet je ze achterna rennen, anders schiet de naald los, ook al zit er een stukje gummislang aan, en gaat de injectie ernaast. Al spuitende spring je over 'n ander varken en alles in gebukte houding... Die rakkers maken de gekste wendingen, schieten tussen je benen, en telkens scheelt het 'n haar of je ligt languit in de zwijnerij. Zodra je er een geraakt hebt moet je hem weer achterna om hem te merken met een veeg van je vuile schoenzool over zijn rug, anders raak je onvermijdelijk de tel kwijt... Hij gaat en vergeet te gorgelen. Het enten loopt wonderlijk goed af. Hij bespiedt de gezichten van de varkenshouders, maar kan niets verdachts ontdekken... Toch staat het nu eenmaal vast, dat er vandaag iets beroerds moet gebeuren. Hij weet niet wat, wanneer en hoe, maar hij is er steeds op verdacht. En het komt int. Op het slachthuis moet hij door de grote slachthal heen en het is er druk. Enkele slagers groeten, de meesten werken gehaast door. Naarmate hij de uitgang nadert, voelt hij zich meer en meer nagestaard en juist als hij met een onveilige kriebeling op zijn rug om de hoek van de hoge deuren verdwijnt, brult een stem boven alle rumoer uit: ‘En de meid die riep toen brand! A-di-é-é-é...!!’ Vlimmen doet nog enkele halfverlamde stappen en staat stil... Het is de stem van het mislukte gemeenteraadslid Van Heusden, dat weet hij heel zeker, ook al | |
[pagina 406]
| |
heeft hij hem niet gezien... Hij staat nu achter een van de grote deurvleugels en kijkt ademloos van woede door de kier. Zijn hart hamert tot in zijn tandvlees. Daarbinnen ziet hij hoe Vermeeren, een der beste slagers van Dombergen, met een zeer verontwaardigd en minachtend gezicht in de richting van den zanger kijkt en iets zegt tegen Karremans, die naast hem staat. De aangesprokene schijnt het ermee eens te zijn, tikt tegen het voorhoofd en trekt de schouders op... Vlimmen is de moordlust wild naar het hoofd geslagen, hij spant reeds de spieren, maar het simpele gebarenspel van die twee mensen houdt hem nog even vast. Dan... ‘Mogge dokter!’ Het is Sally Swaab, de huidenhandelaar, die altijd zo vriendelijk is, een van de weinigen die zich sinds het relletje tegenover Vlimmen een ongedwongen houding weten te geven en wel om de enige afdoende reden, dat Sally werkelijk buiten en boven de Dombergse lastergemeenschap staat... Heb jij d'r last van? Moet je geld hebben van Vlimmen? Keurt hij niet eerlijk je vlees? Nou dan! Jou 'n zorg wat die man in z'n vrije tijd doet. Zijn zaken. Bemoei ik me niet mee. Slecht huidje wat je daar hebt, zit vol vlooienbeten... Het is iets wonderbaarlijks, dat fijne instinct, waarmee vele gelijkgezinde mensen elkaar zonder één woord weten aan te voelen. De plotselinge verschijning van den huidenkoopman, in wien Vlimmen een soort bondgenoot voelt, zijn eenvoudige groet van iedere dag, de toevallige blik op het tafereeltje door de kier van de deur, het zijn alle van die geheimzinnige kleinigheden, die zo beslissend kunnen zijn in de meest kritieke ogenblikken... Alles speelt zich bijna tegelijkertijd af en Sally Swaab heeft het gezang duidelijk gehoord. Hij is op alle gebeurlijkheden voorbereid. Als de dokter één stap in de verkeerde richting zet, zal hij hem aan de jas hangen met | |
[pagina 407]
| |
een opgewonden praatje: Moet u horen dokter, wat de minister nou weer van plan is met de destructie van afgekeurd vlees... Nu gebeuren er geen ongelukken en slager Van Heusden komt er onbeschadigd af, maar hij was enkele ogenblikken dichter bij de dood, dan zijn geborneerde hersens ooit zullen begrijpen... Hij mag toch zeker zingen, als hij er zin in heeft! Vlimmen ziet den huidenhandelaar wazig voorbijzwemmen. Op zijn bureau drinkt hij gulzig een glas water en moet dan even gaan zitten om de verlammende moeheid kwijt te raken, die steeds op zijn driftbuien volgt. Dit is een voorproefje. Thuis vindt hij in de bus een brief met een vreemde postzegel... Van monseigneur Braspennrng uit Rome!... Een kort kattebelletje, waarin de Geachte Heer Vlimmen hiernevens gelieve aan te treffen een schrijven van den kerkelijken advocaat, dat voor zichzelf spreekt:
ANGELO BIANCHO ROMA, li 2 octobre 1930
Très Révérend Monseigneur,
J'ai étudié et examiné la nouvelle enquête dans le procès en nullité de marriage Vlimmen - Tiebosch et l'ai trové tout à fait inconluente an but du jugement.Ga naar voetnoot1) Dans l'enquête précédente il semblait avoir quelques éléments qui pussent justifier un jugement | |
[pagina 408]
| |
en nullité, mais le résultat des derniers interrogatoires a détruit cette espoir. Ni M. Vlimmen, ni ses témoins, ni les médecins ont dit un seul mot qui puisse démontrer le défaut de consentement, de sorte que dans ces conditions je ne crois pas présenter le jugement devant les juges, car je suis très convaincu que nous aurons une sentence défavorable. Et dans cette perspective je ne crois pas juste obliger M. Vlimmen à faire des frais inutiles. Je Vous prie communiquer mon avis à M. Vlimmen et lui dire que je suis néanmoins toujours à sa dispositionpour lui aider dans cette cause si lui sera possible fournir la preuve du défaut de consentement de part de Mme Vlimmen-Tiebosch.
Agréez, cher Monseigneur, mes hommages
(get.) onleesbaar. Très Révérend Mons. Dr. E. Braspenning Roma.
Sinds Dacka hern eens ‘La Garçonne’ in handen heeft gespeeld, is Vlimmen zich weer wat gaan toeleggen op de Franse taal, die hij sinds het gymnasium erg verwaarloosd had, en tegenwoordig kan hij zonder veel moeite weer een romannetje lezen... Van deze brief begrijpt hij wel niet alles, maar toch genoeg om te weten, dat het weer een nul op het request zal zijn. Met een wrevelig gefrommel steekt hij de brieven in de zijzak van zijn jas en stapt weer in de wagen. ‘Ik ben zo terug!’, roept hij tot Truus, die met een vragend gezicht aan de voordeur verschijnt... Maak je maar geen zorgen hoor! moppert hij bij zichzelf. Je plaatsje is nog lang niet in gevaar; ze houden me heus | |
[pagina 409]
| |
nog wel 'n. poosje aan de ketting... Tegelijk voelt hij wel hoe onredelijk hij is, maar op zo'n dag zoekt ook de zachtmoedigste heilige naar de zotste grieven om zijn slecht humeur te voeden. ‘Toch geen nieuwe catastrophe?’, vraagt Dacka, als hij het onheilspellende gezicht ziet. Vlimmen smijt de brieven over tafel. ‘Begrijp jij dat gegons?’ ‘Angelo Biancho!’, zingt Dacka, terwijl zijn hete ogen reeds langs de regels schieten. ‘Wat lekker! Betekent dat niet: wit engeltje?... Agente ecclesiastico... Ik zie hem voor me, de snoes... 'n Schraal, zijig kostertje... Ruikt naar wierook en kaarsvet en zure appelen... Er groeit gras op z'n tanden en hij draagt 'n breukband... Als hij er niet om denkt, peutert hij in z'n neus met zichtbare resulta -’ Maar hij krijgt Vlimmen vandaag niet aan het lachen. ‘Vertel me liever wat die vent te beweren heeft!’ ‘Hij is lief, hij wil je niet verder op kosten jagen... Eerst heeft hij gedacht, dat in de stukken, die je nooit gezien hebt, de mogelijkheid lag om een procedure te beginnen op grond van wilsgebreken bij de vrouw, toen zij zich bereid verklaarde met je te trouwen. Dat noemen we een gebrekkige toestemming en daarop schijnt het huwelijk ongeldig verklaard te kunnen worden. Toen heeft hij stukken in handen gekregen van een nieuw onderzoek, is hij weer aan 't studeren geslagen en nu denkt hij niet meer, dat het mogelijk is... There you are. Ingerukt mars!... Noch meneer Vlimmen, noch de dokters, noch de getuigen hebben iets verklaard, dat wijst op een defecte huweHjkstoestemming van de bruid -’ ‘Natuurlijk! Ze hadden het steeds alleen en uitsluitend over de -’ ‘Juist, over het huwelijk, dat wel geldig gesloten was, maar niet voltooid in het huwelijksbed... Maar in die | |
[pagina 410]
| |
zaak heb je de kous al op de kop gekregen volgens het vodje papier, dat ik gezien heb, het zogenaamde vonnis, dat je van de deken hebt gekregen en waarin alleen het woord neen te lezen staat. Toen is er 'n nieuwe enquête op touw gezet, tenminste dat beweert hier onze engel, en die heeft niets opgeleverd wat kan wijzen op een gebrekkige toestemming. Heb jij iets gemerkt van die nieuwe enquête?’ ‘Geen blonde bliksem.’ Dacka windt zich op. ‘Kijk, dat is nou toch werkelijk 'n beetje te barbaars. Dat kan niemand goedpraten! Je wordt overal buiten gelaten, jarenlang hoor je geen flauw gerucht en dan opeens komt een zekere signor Michel-Angelo je vertellen, dat je vlieger niet opgaat. Een vreemde snoeshaan, waarvan je nooit gehoord hebt en die je naam niet eens behoorlijk kan uitspreken, maar die waarschijnlijk wèl je goeie Hollandse guldens heeft geïncasseerd, schrijft na zoveel jaar, dat je niet verder komt met alles wat er door totaal onbekenden achter je rug op papier is gezet. En dat moet je dan maar voetstoots aannemen, want je wist niet eens, dàt er iets van dien aard op papier was gezet... Wat 'n rechtspraak! Laten we uitscheiden, want mijn juridisch gevoel gaat er van braken... En nu wil ik me een ogenblik helemaal losmaken van de hekel die ik heb aan de boerenverwaandheid van de heren. En ofschoon ze het niet gemakkelijk maken, wil ik zelfs aannemen, dat de inhoud van die procedure correct is, dus dat jij in alle opzichten vierkant ongelijk hebt en dat er niets anders kàn volgen dan een afwijzend vonnis... Maar de manier, waarop ze aan dat vonnis komen, is eenvoudig beestachtig, mens-ont-érend! Zo moeten ze de meest goedgelovige ziel wel tot de overtuiging brengen, dat hij op de brutaalste manier bedrogen wordt, òf ze moeten eenmaal op het standpunt staan, dat ze met louter imbecielen te maken hebben en | |
[pagina 411]
| |
dan is het natuurlijk juist... En het toppunt is wel, dat deze engelachtige schoorsteenveger uit Rome zich bereid verklaart om nog enkele lire aan je te verdienen, maar dan moet je eerst het bewijs leveren van de gebrekkige huwelijkstoestemming van madame Vlimmen-Tiebosch .. Jij nota-bene, jij die zorgvuldig buiten alles wordt gehouden, jij moet zorgen voor bewijzen! Ga je gang... Angelo zit met engelengeduld op je te wachten. Je hoefde immers maar te kikken en alle monseigneurs en seminarie-professoren en zwarte paters en wollen dekens vlogen voor je in 't geweer?... Je kunt nu van meet af aan beginnen en als ze weer het zelfde vlotte tempo inschakelen, halen ze met gemak je begrafenis.’ ‘Ze kunnen bàrsten!’ Vlimmen steekt de brieven weer even ruw in zijn zak. ‘Is er nog nieuws in de Van Bem mel-chantage? Dat lijkt me wel zo belangrijk.’ Dacka koelt snel af. Hij heeft zich kwaad gemaakt, zich uitgeput in sarcasmen, maar steeds met het vage gevoel, dat Vlimmen maar met een half oor luisterde, alsof het slechte nieuws hem niet zo erg deerde... Natuurlijk! Die brief komt op een zeer geschikt ogenblik. Zinkt in het niet bij de andere beroerdigheid... ‘De dagvaarding is uit. Als je wilt kun je ze op het kantoor van de deurwaarder afhalen, dan ben je zeker, dat de meid ze niet in handen krijgt... Heb je al 'n advocaat?’ ‘Nee... Wie zou je me aanraden?’ ‘Neem in godsnaam geen groot kanon uit 'n grote stad, want -’ ‘Maar toch zeker ook geen licht uit Dombergen?!’ ‘Dank u, dokter! Je hebt trouwens helemaal geen licht nodig... Wacht 'ns even! Als je de ouwe heer Stein 'ns nam?’ ‘Lééft die nog? Doet hij nog practijk? Hij staat hier in de stad voor half kinds te boek!’ | |
[pagina 412]
| |
‘'t Is dan ook 'n kinderzaak... Maar laat je niks wijsmaken: Stein heeft z'n vijf zinnen bliksems goed bij elkaar en hij is verschrikkelijk secuur. Hij wordt door de rechtbank met consideratie behandeld en hij kan zich het een en ander veroorloven, dat verzeker ik je. De president is in zijn ogen nog maar 'n broekje... Bij getuigenverhoren durft hij zulke vuile vragen te stellen, dat de hele vierschaar zit te blozen. Maar ze kikken niet, want hij weet precies wat hij wil en hij kan lelijk van zich af bijten. Als ik half zo brutaal was als hij, lieten ze me door de veldwachters in 'n dwangbuis steken.’ ‘Maar mag Stein dit proces voeren? Hij is toch van de voogdijraad en heeft de hele zaak tegen mij op touw gezet?’ ‘Doet niets; hij is advocaat en niemand kan hem beletten om voor jou te procederen. Vanaf de invoering van de wet heeft hij in dit soort zaakjes gezeten en niemand kan hem er iets nieuws van vertellen.’ ‘Nou, dat lijkt me dan nog niet zo gek. Stein is trouwens ook al op de hoogte van dit vuiltje.’ ‘Alleen moet ik je even waarschuwen, dat hij niet zachtmoedig van inborst is. Hij houdt er volstrekt geen lieve maniertjes op na, maar onder zijn ruwen bolster, enzovoort... Dat is ook wel de reden waarom hij haast geen practijk heeft. In Dombergen moet je kunnen huichelen en de grootste idioten naar de mond praten... Laat je dus niet kwaad maken, want hij is tegenover iedereen precies eender. Ik voor mij vind het om te sterven van pret, als hij lelijk gaat doen... En vergeet niet, dat hij dikke vrienden is met Van der Kalck!’ ‘Daar zeg je zo iets’, knikt Vlimmen en staat op om te gaan. ‘Nog iets! Zodra je een raadsman hebt, laten we dan eens en vooral afspreken, dat wij niet meer over de zaak praten, anders krijg ik onvermijdelijk de grootste ruzie | |
[pagina 413]
| |
met jouw advocaat.’ Vlimmen is zo in beslag genomen door de ‘Van Bemmel-chantage’, zoals hij de zaak tegenwoordig noemt, dat hij zich nog niet volkomen rekenschap geeft van het slechte nieuws uit Rome. Aan de koffietafel spreekt hij uitsluitend over Mr. Stein en de komende dagvaarding. Eerst als het geforceerde optimisme van Truus hem begint te ergeren, komt hij ermee voor den dag, doch voornamelijk om het haar eens flink lastig temaken en nog eens prettig de nadruk te leggen op zijn verdrukte onschuld. ‘Ik kan nou zoetjesaan de hele rotzooi er wel bij neer gooien’, pruilt hij en gaat meteen naar de apotheek om tenminste het laatste woord te hebben. Bij de deur ziet hïj nog gauw, dat ze nu toch een beetje verslagen voor zich uit zit te staren, en is bijna over zichzelf tevreden. De dag telt zich af in ergernissen. Hij komt bij Jantje de Bie op de Muggenberg, waar hij voor twee dagen een koe heeft verlost met embryotomie, en kleedt zich uit in de woonkamer. De boerin laat hem zwijgend begaan en eerst als hij naar de stal loopt, vraagt ze geschrokken: ‘Mar meneer, ge komt toch zeker nie veur de koei?!’ ‘Waarvoor dacht je dan?’ ‘Mar die is allang dooëd!’ ‘Maar mens-lieve, waarom laat je me dan helemaal uitkleden?’ ‘Jao, ik begreep ok al nie wa ge van zins waart!’ In de stal ziet hij met één oogopslag, dat de koe gestorven is aan bloedvergiftiging... Dat zijn zoveel uren zwoegen geweest zonder resultaat... Op andere dagen zal hij bedenken, wat een wonder het eigenlijk is, dat niet alle dieren sterven aan sepsis, wanneer ze in een vuile stal zo'n bloedige operatie hebben ondergaan. En ook, dat hij met deze gevallen over het geheel genomen onbegrijpelijk veel geluk heeft... Maar vandaag moet nu | |
[pagina 414]
| |
eenmaal alles verkeerd lopen en alleen daarom is de koe van Jantje de Bie kapot gegaan aan sepsis, terwijl die stomme boerin kalm aanziet, dat hij zich uitkleedt tot op zijn bril toe... Straks, als hij weg is, lacht de liele boerenfamilie zich krampen... Nu volgen nog enkele slepende patiënten, waaronder een taai geval van kreupelheid en hij kan er met de beste wil geen verbetering aan bespeuren. Dus zal hij het vandaag maar voor gezien houden, slaat een paar bezoeken over en gaat naar huis om voor het eten nog gauw wat medicijnen klaar te maken en een praeparaatje van iets wat wel eens jonge-hondenschurft zou kunnen zijn. Hij is nauwelijks begonnen, als de telefoon gaat... Zou je nou niet flauwvallen?!... Het is voor Jens, en die woont op de Muggenberg, waar hij zo juist nog geweest is voor de dode koe van Jantje de Bie. Op geen honderd meter afstand is hij er voorbij gereden!... Of meneer-dokter zo gauw mogelijk wil komen, want de koei is heel slecht en morgen kan ze best kapot zijn... Als hij vraagt, wat het beest mankeert, krijgt hij het eeuwig-geestige antwoord: ‘Jao, as we dá wiste, hadde we ginne veearts nodig!’ Met moeite verbijt hij zijn wrevel: ‘Wat is er dan te zien aan die koe? Is ze dik opgelopen, moet ze kalven, hoest ze? Kan het kopziekte zijn of kalf ziekte; is ze gewond, spelt ze? Man, je snapt toch wel, dat ik m'n héle apotheek niet kan meesjouwen! Weet je er dan hélemaal niets van?’ ‘Neeje, ik weet er niks van. Jens hee zelf 't rimmetiek in z'ne knie en ik ben mar de-n-buurman. Ik weet alleen dat de koei heel slecht lee.’ ‘Zeg dan maar dat ik direct kom.’ Voor de duizendste maal begint hij te kankeren tegen Truus: Pas langs Jens geweest, nu weer terug langs die zelfde onmogelijke rotweg. Onnodige tijd- en geldver- | |
[pagina 415]
| |
knoeierij. Dat die kerels ook vóór de middag komen met hun boodschappen!... Zij spreekt hem natuurlijk weer tegen; wat dacht je dan?... De boeren komen ten slotte ook niet voor hun plezier, weet ze heel geniaal op te merken. En die koe kan toch wel plotseling erg ziek geworden zijn?... Woedend over zoveel ‘onverstand’, duikt hij in zijn wagen en denkt wraakzuchtig: Jij zult nou tenminste ook lekker zitten wachten met je eten... Bij Jens gekomen, is hij zover bedaard, dat Truus wel eens gelijk zou kunnen hebben... De boeren van deze kant zitten er over 't algemeen hard voor en Jens met zijn stijve knieën en acht kleine kinderen lis wel 'n eerste sukkel. Hij hoopt nu maar, dat hij nog op tijd komt... Als hij de staldeur wil opendoen, hoort hij reeds het bekende, benauwde gekreun, luistert nog even en weet het al: Daar staat er weer eentje met long-oedeem, en niet zo'n klein beetje... Met één blik op de stakkerd is hij overtuigd... De koe poogt met haar laatste krachten nog wat lucht te verwerken. Maar de longen zijn overmatig doortrokken van vocht en nemen haast niets meer op, zodat ze als bezeten moet ademen om niet te stikken. Ieder ademhaling doet pijn en ze kreunt luid bij elke exspitatie... Akelig, zo'n langzame verstikkingsdood; verzuipen is er een pretje bij... Om iets te zeggen vraagt hij, hoe lang ze dat al heeft... Totaal overbodig, want hij ziet zo wel, dat het een oud geval is. Het dier is sterk vermagerd; de uier hangt er als een slap zakje onder... Ze blijkt in veertien dagen bijna niets meer gegeten te hebben en al een week zo te hijgen. Pols 140, temperatuur 40.6, weerstandsvermogen volledig uitgeteerd. Hem rest nog een briefje te schrijven voor het veefonds, dat de koe van Nelis Jens ongeneeslijk is en onmiddellijk moet worden opgeruimd .. | |
[pagina 416]
| |
En geen minuut langer wachten, dan nodig is, want ze zullen wel begrijpen, dat het vlees niet beter wordt van zo'n langzame verstikking... Tijdens de terugrit windt hij zich op tot een machteloze verbittering... Een beste koe, die voor veertien dagen nog vijf en twintig liter melk gaf! Een kostwinner voor die stumpers en ze laten het beest kapot gaan zonder een poot uit te steken. Dat zijn onze Nederlandse volksgenoten-hij gelooft niet, dat de inlanders in de kampong stommer kunnen zijn. Dat zwoegt van licht tot donker en iedere cent ïs een bedrág. Dat woont tienman-sterk, groot en klein, in een krot met plavuizen op de vloer. De normale Dombergse arbeiderswoning is er een paleis bij, en Nelis Jens begrijpt maar niet hoe hij aan die rimmetiek komt... Zolang de kinderen klein zijn heerst er een armoe en een vervuiling, waartegen de meest ongeschoolde arbeider dadelijk zou gaan staken, desnoods hongerstaken... Sukkelaars, die steeds weer sukkelaars voortbrengen! Eerst bij het dertiende kind zal de vrouw in het kraambed sterven, maar het kind zal blijven leven... En de koe, die voor hen een vermogen betekende, laten ze rotten, terwijl hij haar met een paar bezoeken had kunnen redden... Verdomme, wat een staat, die zulke stumpers laat doorploeteren zonder hen op te voeden! Stom houden! Láát ze vervuilen, als ze maar goed stemvee blijven voor de alleenzaligmakende staatspartij... Op Zaterdagavond zal Vrouw Jens met de Franse slag het woonhok een beetje bijvegen, zal de acht kinderen afboenen in een teil water - allemaal op een rijtje met het zelfde water - zal hen de zondagse Meertjes aantrekken, de meiskens pijpkrulletjes inzetten, en hen zo, geldeed en opgemaakt, in de bedsteden stoppen. Dan, na middernacht, valt ze zelf finaal afgejakkerd in de vodden na een hele week gesloofd te hebben voor een zieken man, de vier koeien, de zoveel kippen en varkens | |
[pagina 417]
| |
en de acht kinderen, waarvan het kleinste zowat drie weken zal zijn. Om vijf uur staat ze weer op, haalt de kinderen, die al naar de kerk moeten, zo goed als gereed uit bed. Enkele kommen koffie - wassen hoeft niet meer - en daar gaat ze, drie kwartier ver, langs een donkere landweg, door modder of sneeuw, met vier kleumende, armtierige kinderen naar de vroegmis, omdat ze ook op de dag des Heren geen uur te verliezen heeft... En dan leven we in een der beschaafdste en rijkste landen van West-Europa, in den jare... ‘In den jare 1900 en dertig’ staat er op de dagvaarding, die thuis voor hem gereed ligt. Truus heeft het stuk aangenomen... 't Was die deurwaarder uit de Nieuwstraat en hij scheen het nodig te vinden om verschrikkelijk sympathiek te zijn: Had tot het laatst gewacht, want Meester Dacka had gezegd, dat de dokter het exploot misschien zelf zou komen halen. Maar nu hij mevrouw thuis trof, zou het zo ook wel goed zijn. 't Moest vandaag nog gebeuren, anders was er iets verlopen... ‘Ik zal eerst 'ns proberen om rustig te eten!’, snauwt hij en slingert de papieren door de hele lengte van de kamer op de schrijftafel. Truus haast zich naar de keuken, maar ze is nauwelijks de deur uit, of hij neemt het stuk weer op, brengt het echter niet verder dan: mijn exploit doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan Gertrude Vlimmen, weduwe Dautzenberg, zijne huisgenote... Dan walgt het taaltje hem zo afdoende, dat hij ook nooit meer een poging heeft gedaan om de rest te ontcijferen... Na het eten de krant en-ook dát nog! Daar moet hij even bij gaan zitten, want dát is toch wel het toppunt!... Voorlaatste winter wordt hij - op eerste Kerstdag nota-bene - getelefoneerd om dadelijk te komen bij een zieke hond in Diestel. Keurige middenstandswoning en aan de deur begint al het gehuil van de | |
[pagina 418]
| |
vette dame. Zo te zien en te horen zijn het gepensïonneerde Amsterdammers. Snikken en snotteren en ‘O dokter, red hem toch, red hem toch!’ In de voorkamer ligt een oude bastaard Duitse-staande volslagen apathisch op een kussen, kwijl uit de bek... Hij constateert de ergste mate van buikwaterzucht en slechte hartsfunctie. Ongeneeslijk stervend... Nieuwe jammerklachten: ‘Ik durf 't niet tege me mén te sigge, boe-hoe-bééé!!’ Het blijkt, dat de ‘men’ ziek op bed ligt en zich zal doodschrikken, als hij het onheil verneemt... Hij bezoekt den zieke en bereidt hem zachtjes voor. De man tracht zich goed te houden, huilt in ieder geval veel zachter dan mevrouw, en smeekt hem het arme dier uit zijn lijden te helpen. Strychnine. Volgend probleem: waar te blijven met het stoffelijk overschot van de lieveling?... Och, als dokter zo vriendelijk wil zijn achter in de tuin een gat te graven; de ‘men’ is te zwak en zijzelf ‘heb 't aan 't hart’. De dokter is zo vriendelijk, graaft in de hardgevroren grond, zwoegt en zweet in zijn zondagse plunje, sleept de dikke hond naar achteren en stopt hem netjes onder de aarde. De familie is bewogen, smelt weg in slijmerige dankbaarheid; de zieke verlangt hem nog te zien om persoonlijk te danken, ‘Dokter’ verlaat de woning in verheven Kerst-stemming, overtuigd, dat hij voor beste mensen een goed werk heeft volbracht... In zulke tragische ogenblikken wordt er natuurlijk niet eens gedacht aan vereffening van honorarium, dat komt later wel... Rekening: geen resultaat. Post-kwitantie: verhuisd naar Amsterdam. Eerst met de nodige kosten het adres in Amsterdam opgevraagd: kwitantie geweigerd. Brief: geen geluid. Nog een kwitantie-niets, hoor! En vanavond is de laatste kwitantie teruggekomen van de post: geweigerd!... Wat nu? Een brief schrijven met zulke hondse beledigingen, dat ze misschien uit kwaadheid betalen? Ach wat! Die snotterende, huichelende | |
[pagina 419]
| |
Emsterdemmers lachen je uit! ‘Dokter’ kan fluiten naar zijn vier gulden en de lieveling, dat trouwe dier ‘dat we dirtien jaor as 'n kind in huis hibbe gehad’ ligt eenzaam in het achtertuintje van de middenstandswoning in Diestel, begraven op kosten van den arme... veearts. En nu zal het toch zeker voor vandaag wel genoeg zijn, dunkt hem... Hij vouwt de krant open en het eerste, waar zijn oog op valt, zijn de oosterse gelaatstrekken van De Man van DeventerGa naar voetnoot1), die zelfs in gewone omstandigheden al op zijn zenuwen werken, en daarom slaat hij het blad weer nijdig dicht... Tegen tien uur is hij toch aardig op weg al zijn verdriet te vergeten in een spannend vervolgverhaal van de Strand Magazine, dat hij bijhoudt, omdat het over Bulldog Drummond gaat, want overigens heeft hij erg het land aan sensaties van iedere maand een lepel. Dan wordt er getelefoneerd en hij luistert gespannen naar de antwoorden van Truus. ‘Ja maar wat mankéért die koe?’ hoort hij haar voor de tweede maal aandringen... O, wéér het zelfde liedje?... Zij legt de telefoon neer: ‘'t Is voor Keeske Wouters. Luister zelf maar ns; er is geen touw aan vast te knopen.’ Keeske Wouters is geen kleinigheid en daarom komt hij nogal vlot omhoog uit zijn luie leeshouding... Een van zijn grootste klanten en een uitgeslapen rakker. Dertig tot veertig koeien, die zelfs electrisch gemolken worden. 'n Witte raaf onder al zijn keu ter boertjes; heeft zelfs een beetje lak aan den pastoor en de rest van de N.C.B. Dat wil zeggen: onder vier ogen, want Keeske is niet op zijn kop gevallen, anders had hij het ook nooit zover gebracht... | |
[pagina 420]
| |
Hallo!... Het is een vrouwenstem en hij spreekt met de kruidenierswinkel op de hoek van de Lange Dreef en de Zandstraat in Meelst... Nee, Wouters is daar niet, maar ze heeft een boodschap van hem gehad of de-n-dokter dadelijk zou willen komen en niet te lang wachten... Nee, verder is er niks gezegd... Ja, 't is voor 'n koei, niet voor 'n peerd. Hij laadt alles in wat hij nodig zou kunnen hebben, tot zelfs de maagpomp en de Thygesen-zaag, en zijn wagen maakt een lawaai als een ijzerwinkel op wielen. Het is twaalf kilometer naar de grote boerenstee van Wouters en ver van de harde weg. Als hij er aankomt zinkt hem het hart in de schoenen, want reeds op afstand merkt hij duidelijk, dat de hele familie naar bed is. Hij zet de wagen zo, dat het helle licht door de vensters schijnt. Op zijn kloppen en het oorverdovende geblaf van een kettinghond komt Keeske zelf in zijn onderbroek opendoen en is stijf verbaasd. Mar meneer Vlimmus, ben-de daor nou al?!... Hij had willen vragen of de dokter morgen of overmorgen eens aan wou komen, want hij had pas een heel duur koei gekocht en hij vertrouwde ze niet al te best... Ja, hij had er bij gezegd om niet te lang te wachten, want ge weet wel: in koopkwesties moet ge binnen de zes weken reclameren. Maar morgen of overmorgen was tijds genoeg geweest. En de koei is in de wei, hiervandaan zowat 'n kwartierke lopen... Ze hadden 'n jongeske naar de winkel gestuurd... Vlimmen is het nu zo beu, dat hij niet eens meer behoorlijk kan vloeken. Hij doet het wel, doch zachtjes en zonder toewijding. Keeske krabt eens achter zijn oor... Ja, ge weet er alles van. Verkeerd verstaan! Ge kunt aan die brakken ook niks overlaten. Hij zal den-dieje morgen 'ns onder handen nemen... Thuis is alles donker. | |
[pagina 421]
| |
Hij laadt de wagen weer uit en als hij in de apotheek komt om zijn fijnere gerei in het instrumentarium te leggen, overvalt hem een vlaag van levensmoeheid. Tot nu toe heeft hij op de achtergrond van al zijn ergernissen nog een beetje zoet medelijden met zichzelf gevoeld. Nu verandert het in walg, in zelfverachting. En eerst nu dringt het kwade nieuws uit Rome in zijn volle omvang tot hem door... Tien lange jaren hebben ze gegoocheld met zijn meest primaire levensbelangen en hem op een hondse manier voor de gek gehouden. Want als zijn idiote huwelijk niet ontbonden kan worden, welk ander huwelijk dan wel? Was hij maar rijk zoals Burgers! Die vier of vijf duizend gulden van een obscuur veerarts zonder één relatie zijn gewoon belachelijk... De ellendigste slaven uit de geschiedenis hadden nog recht op een vrouw en als hun dat betwist werd, gingen ze vechten; vielen er doden. Hem wordt het op de geniepigste manier onmogelijk gemaakt, al tien jaar lang, de mooiste jaren van zijn leven, en als resultaat krijgt hij de cynische raad zich voortaan koest te houden. Is hij een pater?... En enkele kilometers hier vandaan, aan de overkant van de grote rivieren, zou hij zich geen vijf minuten hoeven te bedenken. Dacka zegt, dat daar zelfs dominees zijn gescheiden en hertrouwd en hun beroep blijven uitoefenen, alsof er niets gepasseerd was. En dan is het zeer de vraag, of die zaligmakers even doorslaande redenen hebben gehad als hij... Bah, wat 'n ongeluk is hij toch! Het schijnt ergens van te voren uitgemaakt te zijn, dat iedere poot, die hij verzet, scheef moet staan. Verzet hij helemaal geen poot, dan is het ook huilen, zoals in die vuile Van Bemmelchantage... Wat heeft hij eigenlijk te verliezen? Een leven als een karhond in een oerlelijk stadje, dat overloopt van vijandige bekrompenheid. In het verschiet: een stinkerige, | |
[pagina 422]
| |
ouwe vrijgezel, het type, waarvan hij heel zijn leven heeft gegruwd... Die lui krijgen op den duur allemaal een pastoorsluchtje over zich en dat is geen wonder. Onproper en ongezond... Nu zijn hem dus alle verwachtingen ontnomen en kan hij verder zeulen zonder enig levensdoel. Dát is het: hij heeft geen doel. En zal hij doelloos blijven voortgaan met iedere dag de slagen af te wachten, zonder zelfs te kunnen raden, waar ze vandaan komen?... Hij staart naar de g van vergift, die te veel op een c lijkt... In dat kastje ligt het einde van al zijn verdriet in verschillende vormen en kwaliteiten gesorteerd. Strychnine werkt prachtig... In zijn vestzakje voelt hij het sleuteltje, het enige dat er bestaat, en daarom is het vergiftkastje de enige bergplaats van heel het huis, waarin hij iets kan bewaren, zonder dat Truus er haar neus insteekt... Niet veel overigens: Het kiekje en de twee ‘hele’ brieven van Elsje Verschuren, de kostschoolvriendin van Truus... Verdomd aardig kind... En verliefd! Maar met twee brieven was het al afgelopen; de derde heeft hij woedend kapot gescheurd. Haar ouwelui sprongen er bijtijds tussen. Brave katholieken, moeten het hebben van een rooms baantje, en ongetwijfeld goed ingelicht door de eerwaarde heren: Als meneer Verschuren nu in hemelsnaam maar niet geloofde, dat er iets van die kerkelijke scheiding terecht zou komen! Daar kon hij toch zijn dochter niet aan wagen!... Jeder Schmerz geht vorüber... Maar in die tijd was hij er toch niet weinig kapot van. Dat was nog in 't begin van het bitter lijden en toen was hij nog idioot genoeg om te geloven, dat hij met zo'n door-en-door eerlijke zaak als de zijne binnen een jaartje wel weer vrij man zou zijn. Nu heeft Elsje al twee kinderen en wát ze gelijk heeft gehad!... | |
[pagina 423]
| |
Dan staat er nog een doosje met gummi-artikelen voor zijn reisjes naar Antwerpen. Dat is alles; wat hij te verbergen heeft; de trieste symbolen van zijn mislukte leventje liggen hier veilig opgeborgen bij het vergift. Wat let hem eigenlijk? Een paar krampen en... de meest volkomen rust... Naast het kastje is een porseleinen wasbekken in de betimmering gebouwd en een kleine, glanzend witte Junkers-geyser... Die stamt van zijn laatste verjaardag, en wat heeft hij zelfs dáármee niet een figuur geslagen! Hij wist niet eens, dat hij jarig was, zag toevallig 's morgens in de tuin den loodgieter met het ding bezig. Truus zag er uit, alsof ze betrapt was. ‘Voor dé keuken,’ zei ze een beetje schuw en toen is hij een keet gaan schoppen van je welste over gas-verknoeierij, en ‘je denkt zeker, dat het niet opkan’, en honderd uit. Toen hij 's middags thuis kwam, was de geyser kant en klaar gemonteerd in de apotheek bij wijze van verjaringsgeschenk... Verduveld handig ding; zou het niet meer kunnen missen. Wát missen?! Z'n hele rotleven kan hij,missen en dat zullen ze gauw genoeg gewaarworden... Morgen met die dagvaarding naar die ouwe kerel, die Stein? O nee, liever eerst begraven... Wat een strop voor dat tuig uit Hulshout! Zeker ook een brave katholiek, die Van Bemrnel... Zal hij een briefje achterlaten, dat hij wil verbrand worden? Anders verdienen de zeereerwaarde heren er nog dik geld aan... Och, wat kan het eigenlijk schelen? Toch zou het lollig zijn om er een paar mee te nemen naar de zogenaamde eeuwige verdoemenis! Allereerst Kees van Bemmel en dan die krengenslager van vanmorgen, die proleet Van Heusden. En ‘heerbroer’ niet te vergeten! Fijn zou dat zijn, en dan zorgen, dat ze je niet levend vangen... Hij steunt de handen op de rand van het lavabo en kijkt in het spiegeltje wat voor gezicht iemand behoort | |
[pagina 424]
| |
te trekken, kort voor zijn dood... Wat 'n sm-! Net hersens om er voortdurend mee tegen de lamp te lopen. En zijn keel begint o, zo gezellig te ontsteken. Vergeten te gorgelen... Toch trekt hij zijn mond ver open en zegt: ‘Aaaah!’, maar er is niets te zien; het licht valt er niet in... Als je met zo'n kop geboren bent, doe je niet beter danjezus, wat 'n dikke vetworm, daar op zijn neusvleugel! Dat is 'n overjaarse... En aan de andere kant drie, vier! Bij zijn mondhoeken-hij staat waarachtig vol!... Lang met naar omgekeken... Wat zal dat morgen een heibel zijn, als ze hem hier vinden... Dan heeft Dombergen gelukkig weer 'ns wat te Metsen. Dop... Nou, Dop-uh. Zou Dop-? Een kwartier later is Dr. Vlimmen nog druk bezig de vetwormpjes uit zijn huid te drukken. Dat vindt hij altijd zo ‘mals’. |
|