Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 339]
| |
[39]Vanaf de hoek van de Beukenlaan ziet Truus, dat Marie Roels, die ‘bij haar uitgetrouwd’ is, op de stoep staat te praten met Jaantje en Dop. Ook Jetje, de opvolgster van Mina, mankeert niet. ‘Zoiets prachtigs krijg ik nooit weer,’ zucht zij en denkt met weemoed aan de goede jaren, dat de onovertroffen Marie in huis was... Toen Mientje van Bemmel zo plotseling door haar vader werd weggehaald, was het natuurlijk weer Marie, die dadelijk bereid was om bij te springen als noodhulp voor halve dagen. En Jana stond volkomen onder haar invloed, is er stukken op vooruitgegaan, dat is duidelijk te zien. Marie heeft zelf nog geen kind en beschouwt Dop nog altijd als iets van haarzelf. Hij heeft trouwens beloofd, dat hij met haar zal trouwen, als hij groot is, en van haar huwelijk met Willem Roels schijnt hij zich volstrekt niets aan te trekken... Misschien zou er van dat huwelijk niets gekomen zijn, als Truus niet partij had getrokken voor Willem Roels. Want Roels - dat wist iedereen in Dombergen - was bij de socialisten en op de eerste Mei droeg hij toentertijd zelfs de vlag. Marie daarentegen is van zeer ‘fijne’ familie en zelf zo doortrokken van den zuurdesem des geloofs, dat zij er voor terugdeinsde om te trouwen met een man, die zijn Pasen niet mocht houden en niet eens op gewijde grond zou worden begraven... Willem had gevraagd, of er dan zo'n haast was bij die begrafenis, zoals hij voor alles een antwoord gereed had... De hele familie ging op Marie zitten, maar Willem is een knappe | |
[pagina 340]
| |
kerel, die een goed loon verdient bij de spoor, met pensioen en van alles, en Marie's hoofd was erger op hol, dan ze zelf kon geloven. Bovendien - en dat was vreemd - ging hij gewoon naar de kerk en beweerde zelfs bij hoog en laag, dat hij wèl zijn Pasen hield!... Dat bestond niet, zei de familie; de pastoor had zelf gezegd, dat het dan een heiligschennende biecht en communie moesten zijn, want van het ogenblik, dat Willem Roels in de biechtstoel zei, dat hij socialist was, kreeg hij ‘het schuifke’. Dat loog hij dus, dat was zo vast als 'n huis... Willem hoorde dat alles geduldig aan en zei, dat de mensen in België toch even goed Rooms waren als in Holland. Of niet soms?... Ja, daar was niets tegen in te brengen; 't is allemaal één geloof over heel de wereld en de Paus alleen is baas... Nu dan, Willem ging gewoon met de fiets eventjes de grens over om te biechten bij den pastoor van Poppendaele. De eerstekeer-de-beste begon hij al met te zeggen, dat hij socialist was en in Holland geen absolutie kon krijgen... En nu moet ge horen, wat die Belze pastoor zei: ‘Mee dieje flawe ziever daor bai ulle-n-ien 'Olland hebbe-kik gin affaire, zunne jonge vriend!’... Willem kreeg de absolutie en voluit toestemming om zijn Paas-communie te houden, al was het ‘seffens hier achter in de sacristij’. Daar stond Marie van te kijken en ze ging ermee naar haar eigen pastoor... Deze zat een hele tijd langs zijn kin te strijken zonder iets te zeggen, maar opeens werd hij kwaad: Als ze dan willens en wetens haar ongeluk tegemoet wilde lopen, dan moest ze 't zelf maar weten. Ze was genoeg gewaarschuwd!... Die avond zat Marie te schreien in de keuken en Truus had haar gesnapt. Ze zei: ‘Marie, jij hebt het volste recht om godsdienstig te zijn, maar die jongen heeft precies evenveel recht om socialist te zijn. En als je erover gaat zitten huilen, geloof ik dat je heel verstandig zult doen met maar kalmpjes te gaan | |
[pagina 341]
| |
trouwen.’ Vanaf dat ogenblik hielp er geen moederke-lieve meer aan. Willem kwam voortaan in de keuken en Vlimmen heeft nog groot plezier met hem gehad over den pastoor van Poppendaele. Het huwelijk was niet zo eenvoudig. Ze trouwden in Dombergen voor de wet, maar de Belze pastoor heeft hen moeten trouwen voor de kerk en hij heeft haar wel drie keer moeten verzekeren, dat ‘daarmee alles heel zjuust in regel was en dat ze genen bang moest hebben, zunne madammeke!’...Ga naar voetnoot1) Marie is getrouwd onder voorwaarde, dat zij ‘nooit niks mee heel die sosjelisterij zou te maken hebben’, maar sinds Willem Roels werd gekozen in de gemeenteraad, is het duidelijk te zien, dat Marie haar kopje een beetje hoger draagt, ook al schelden ze altijd op hem in de Dombergse krant. En misschien is de tijd niet ver meer, dat zij meefietst naar den pastoor van Poppendaele, want op het ogenblik vindt zij het al erg vreemd, dat Onze Lieven-Heer er in België anders over zou denken dan hier en dat ze niet eens op heuren eigen man zou mogen stemmen, als ze vijf en twintig jaar wordt... Aan de ongedwongen houding van het groepje daar in het voortuintje meent Truus te zien, dat zij van het schandaaltje nog niet op de hoogte zijn, en vindt het een zeer gelukkig toeval, dat Marie juist bij de hand is om als getuige te dienen. Want zij heeft haar besluit genomen. Het lijkt misschien vreemd, maar zij voelt, dat het goed is... Het relletje ligt al op straat, zei Dacka. Best, dan zal ze zo gauw mogelijk een tegenrelletje op touw zetten... Bij de begroeting kijkt Marie haar open en vrolijk | |
[pagina 342]
| |
aan... Ze weten nog niets, besluit Truus. Des te beter... ‘Kom even binnen, Marie. Jij ook, Jaantje... Ik heb jullie iets te zeggen.’ Het maakt indruk, vooral op Jaantje... Zij draait er niet veel doekjes om... Op het laatste ogenblik vreest zij nog, dat de bom naar de verkeerde kant zal barsten... Dacka dacht immers ook, dat Mientje er al in het begin over gebabbeld kon hebben, en het dus voor Jana helemaal geen nieuws zou kunnen zijn?... Maar dadelijk ziet ze aan het stomverbaasde gezicht, dat er geen sprake van is. ‘Hoe kàn da nou?!’ roept het meisje. ‘Och natuurlijk! Dat kind liegt. Heeft ze er ooit iets van tegen jou gezegd?’ ‘Tegen mijn? Welnee, mevrouw! Nooit van ze leven! Da moet ze later opgemaakt hebben.’ Truus ziet met genoegen, dat het meisje oprecht verontwaardigd is. ‘En je weet hoe meneer altijd was tegenover jullie.’ ‘Nee, dà kan ik me mee den besten wil nie veurstellen van meneer,’ komt Marie te hulp. ‘Hij was altijd zó precies! Zo krikkel (preuts) als 'n jonge juffrouw! Hij kon nie eens goed velen da'k 'em in z'n hemdsmouwe zag - ’ ‘Meneer zee nooit niks tegen d'r!’ onderbreekt Jana. ‘Of 't moes 'n standje zijn.’ Onthouden, denkt Truus, dat is heel goed gezegd... ‘Mar ik snap 't allang,’ komt Jaantje weer. ‘Da ga van d'r vader uit. Da moet er zo ene zijn, och God! Die sta overal bekend, da's zo'ne zot!’ ‘Laten we 't eens precies nagaan,’ zegt Truus. Uit het laadje van de schrijftafel neemt zij de bloc van de omlegkalender van het vorig jaar. ‘Hier schrijf ik altijd allerlei kleinigheden op en nu wil ik wel eens zien, of het mogelijk is dat ik in die tijd weg ben geweest, terwijl | |
[pagina 343]
| |
Mina alleen thuis was.’ ‘Och mar mevrouw, da gebeurde toch nooit! Als u uit was, dan was ik toch altij thuis. Ze was ommers veul te stom om al de boodschappen aan te nemen.’ ‘Dat heb ik ook al gezegd. Maar laten we 'ns kijken. Dat kind moet - uh - het zou gebeurd moeten zijn op het eind van October of vóóraan in November... De eerste November is Allerheiligen en dat was 'n Donderdag - ’ ‘O ja! Toen had zij vrij en is ze naar Hulshout gegaan. Dat weet ik nog goed, want 's anderdaags was 't Allerzielen en toen kon ik mee ons moeder naar 't kerkhof.’ ‘Ja, dat komt uit... En ze heeft tegen jou - ’ Maar Jaantje is te opgewonden. ‘Och mevrouw, weet u nog wel toen daags voor Sintereklaas! Ik weet nog heel zjuust dat we bezig waren mee Dop, want die moes 'ne klomp hebben mee peeën d'rin om 's avonds bij de schouw te zetten... Toen had Mina 'n kistje mee serum, da meneer nodig had, uit de wagen gehaald en vergeten terug te zetten en meneer zag 't pas, toen ie al helemaal in Oetelbeek was en toen is ie expres terug moeten komen om 't te halen... En toen hee meneer zó lelijk tegen d'r gedaan, da ze begos te simme. Oe, wat wasiie kwaad! Hij kon d'r wel om d'r oren slaan... “Ezel!”, zei-t-ie tegen d'r, “stommer dan jij worden er geen meer gemaakt. Nog één keer en je gaat rechtsomkeert naar Hulshout terug” .. En op diejen ogenblik zou ze dan zo-gezee allang iets mee meneer uit te staan hebben gehad? Nou zeg! As er ooit iets gelogen is...’ Nu doet Marie er weer eens de boter bij en Truus denkt: Prachtig! Die Jana heeft een geheugen als een boek... Marie is van mening, dat Jana en zijzelf er toch heel wat beter mogen zijn dan dat gore askatje van 'n Mientje | |
[pagina 344]
| |
en heeft meneer ooit notitie genomen van hun tweeën? Eén keer is Marie bij ongeluk zijn slaapkamer binnengelopen, toen hij zich aan 't verkleden was. Ze vloog gauw genoeg terug, maar ze zag nog net hoe verschrikkelijk lelijk of ie keek, en zo gauw ze de deur dicht had, deed hij die heel nijg achter heur op slot... ‘O, ge moest er soms mee lachen!... En nooit gene flauwe praat. Ja, met Willem! Daar kon ie wel 'ns gekheid mee maken, maar tegen de meiden was-ie altijd zó op afstand.’ Een tijdlang vallen zij in herhalingen, overtuigen elkaar tot in het overbodige. Op dit ogenblik rijdt Vlimmen al huiswaarts, van geen kwaad bewust, ofschoon het schandaaltje al sinds gisteren door Dombergen trekt: Vlimmen, de veearts uit de Beukenlaan, heeft de meid verkracht en nog wel een heel jong ‘dingeske’ van 'n jaar of vijftien, 't Is er eentje uit Driegehuchten, ze woont aan den Hagenburgse weg, in dat klein huiske, eventjes voorbij Den Dorschvlegel. Hij heeft al bekend en is door de marechaussee naar Hagenburg gebracht... Zo wordt het verteld op het trottoir in de Koningstraat, terwijl hij op een meter afstand komt voorbijrijden, wat op zichzelf weer ‘'ne goeien bak’ is om te vertellen in het café en daarbij wijs het hoofd te schudden over Dombergen, dat toch zo'n kletsgat is... Ook is het meidje wel bij de bevalling gestorven en eerst op haar sterfbed heeft ze willen bekennen van wie het was. Nu gaat het er alleen nog om, wie dat land tot zijn last krijgt. En ze zullen hem waarschijnlijk niks kunnen maken, den vuilik, nu dat schaap dood is. Haar vader heeft dat kind naar Vlimmen gebracht, en groot gelijk ook, maar daar werd het natuurlijk niet geaccepteerd. 't Was een heel opstootje in de Beukenlaan en de politie is er aan te pas moeten komen... Bij de gevaarlijke dames Stroeks aan de overkant is er al heel de ochtend visite van de Congregatie, de Maria- | |
[pagina 345]
| |
vereniging, de Naaikring, en wie-weet wat nog meer. Nu Vlimmen de wagen in het hek stuurt, gaan de gordijntjes brutaal opzij en verschijnen er enkele vrome hoofden, die het monster willen zien. Maar Vlimmen bemerkt het niet eens... Truus wel, zij ziet het vanuit de huiskamer en wordt er een beetje bleek van. Meteen heeft zij toch een volgend plan gereed... Het stuit haar wel tegen de borst, maar het moet... Deze twee supporters zijn van te grote waarde en de scène moet nu afgewerkt worden; zij moeten zo overtuigd zijn, dat er geen schijn van twijfel meer overblijft. ‘Daar is meneer. Hij weet er nog niets van. Blijven jullie maar hier, want ik weet niet wat hij wel gaat doen, als hij 't hoort.’ Zij voelt, dat het een beetje lam klinkt, maar de anderen zijn te veel gespannen om het op te merken. ‘Ha, dag Marie!’, zegt Vlimmen en kijkt al een beetje verwonderd, omdat zij daar met hun drieën zo stijf in een kringetje staan. ‘Hoe is 't ermee? Thuis alles wel?’ Marie antwoordt maar half, kan niet goed komedie spelen. Hij loopt naar het clubtafeltje in de voorkamer om een sigaar te krijgen, zoals Truus dat al verwachtte... Dat doet hij altijd, als hij ziet, dat de tafel nog niet gedekt is... En als altijd, wanneer hij wat verlegen wordt, trekt hij een verwaand gezicht. Ze weet precies wat hij nu denkt, en dat is: Wat doen al die vrouwen hier? Laat me met rust!... ‘Dat kind van Mina is gekomen’, zegt ze en ziet, dat de twee anderen hem geen moment uit het oog verliezen. ‘Mina?... Ooo-ja!’ Hij neemt de sigarenkist. ‘Is ze nog niet getrouwd, Marie?’ Hij veronderstelt, dat Marie het nieuws heeft gebracht. ‘Nee - uh - ik geloof van nie,’ stamelt ze, en nu hij niet kijkt, maakt ze snel naar Truus een gebaar, dat | |
[pagina 346]
| |
bedoelt: Kijk nou, hoe onnozel hij is! ‘Dat wordt dan zoetjesaan tijd... Weten ze al wie de papa is?’ De sigaar bengelt losjes tussen zijn lippen. Hij klapt het kistje dicht... Truus vindt het vreemd van zichzelf, dat ze nu wacht tot de sigaren weer veilig op hun plaats staan... Alsof een kistje sigaren er iets toe doet! Nu hij geen antwoord krijgt, voelt hij eindelijk, dat er iets niet in orde moet zijn, en kijkt verbaasd op. ‘De familie Van Bemmel heeft afgesproken om jou voor papa te laten spelen’, zegt Truus. ‘Hè?!’ Flauwe grapjes is hij niet van haar gewend, zeker niet als er personeel in de buurt is... Hun onnozelste gesprek wordt onderbroken, als de meid in de kamer komt, dat is een van de regels, die Truus heeft ingevoerd. Anders vangen de meisjes iets op wat ze niet begrijpen en gaan er de gekste veronderstellingen aan vastknopen, zoals de ondervinding al vaak genoeg heeft geleerd... ‘Ja. Mientje heeft beweerd, dat jij de vader bent van dat kind.’ ‘Toe nou!’ Maar tegelijkertijd drukt zij hem de brief in de hand... Als hij enkele regels heeft gelezen, gaat hij langzaam zitten. De rechte rimpel verschijnt tussen zijn wenkbrauwen en opeens glimt het zweet op zijn voorhoofd. In zijn linkerhand kraakt de sigaar... Dan legt hij het papier met potsierlijke voorzichtigheid op het tafeltje en kijkt Truus aan. ‘Ik?! Hoe moet ik - God in den hemel, wat 'n vuile schoftenstreek! Heb je -?’ ‘Wind je nou maar niet op, want daar verandert niks mee. We weten hier allemaal even goed, wat 'n gemene leugen dat is. Die lui proberen er natuurlijk geld uit te slaan.’ Hij staat op en kijkt strak naar het papier op de tafel, leest het nog eens over zonder het aan te raken. Het is | |
[pagina 347]
| |
doodstil. De sigaar kraakt weer. ‘Moet ik daar naartoe, naar die - ’ ‘Floor zegt van niet.’ ‘Floor!... Wat zegt hij ervan?’ ‘Dat die lui geen schijn van kans hebben.’ ‘O... Maar intussen - ’ ‘Doe jij nu maar niets en laat alles aan mij over. Ik zal dit zaakje wel opknappen, wees maar gerust... Jana en ik weten precies hoe onmogelijk het is.’ ‘Nou, huh!’, getuigt Jaantje. ‘Da's zeker!’ Hij staat op en gaat langzaam de kamer uit. Zij kijken hem met open mond na en zien, dat hij erg krom loopt, met de kin op de borst, alsof hij op de vloer zoekt naar iets wat hij verloren heeft. Zodra de twee ‘getuigen’ weg zijn, neemt Truus de gebroken sigaar van het clubtafeltje en legt er snel een nieuwe voor in de plaats. |
|