Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 255]
| |
[29]Het slappe hoedje draagt hij ook, wanneer hij op Dinsdagmorgen naar Oetelbeek rijdt ter begrafenis. Hij is wel netjes in het zwart, maar zijn hoge hoed ligt voorlopig bescheiden achter in de wagen. Het weer wisselt vandaag om het uur en de wind wipt dartel van de ene kompasstreek op de andere. Er is zand op de trottoirs gestrooid en zodra hij de grote effen macadamweg bereikt moet hij zeer voorzichtig rijden. Want Klein-Jantje wordt begraven bij dezelfde gladheid, die hem het leven heeft gekost. Bij de Eerste Brier stopt hij zo langzaam en geleidelijk mogelijk, maar toch schuift de wagen zijlings weg tot op enkele centimeters van de bomen. Fons Martens staat daar met zijn hoge zijden en gebaart opgewonden tot een groepje omstanders. ‘Nou hebben we 't leste nuuws, dokter! De draogers zijn d'r nie. Ze zijn al 'n kwartier over tijd!’ Vlimmen zal doorrijden en zien waar ze blijven. Hij vindt de zes zwarte boeren-lijkdragers bij Den Dorschvlegel en als hij een beetje afgemeten vraagt, waar ze wel op wachten, spreken ze haast in koor... Zeg nou zelf, dokter, daar is toch niet aan te beginnen! Van hier tot aan de kerk loopt een voetpad, zand nog wel, en toch zijn ze al mee z'n drieën uitgeschoven... Kobus hier, heeft al een groot gat in z'ne knie gevallen. Kijk nou dieje weg 'ns aan, 't is nog veul gladder als 'n ijsbaan... Vlimmen kijkt over de weg... Ja, de kerels hebben | |
[pagina 256]
| |
gelijk; op het uiterste randje van de droge sloot staan de grote bomen en daartussen is de hele weg bestraat, spiegelend zwart en onbegaanbaar voor zes mensen met een zware baar. Met moeite teert hij de wagen en rijdt terug naar de Eerste Brier... Als daar telefoon is zal hij naar de stad telefoneren om een lijkwagen. Zou er een lijk-auto bestaan in Dombergen? Het gezelschap rond Fons Martens is aangevuld met den chauffeur en zijn helper van de firma Van Bakel, bananen-importeurs. De vrachtwagen zit tjokvol bananen-kratten, maar de oplossing is toch gevonden! 't Enige wat er opzit... Vlimmen staat een ogenblik versteld, begint te protesteren en praat over zijn lijk-auto.- Bestaat niet in Dombergen, dokter! In Hagenburg dan?- Ook niet; nooit ene gezien. Trouwens dat duurt allemaal veel te lang. ‘Meneer Pastoor stoa al te wochten!’ zegt Meneer Martens op huilerige paniek-toon... Vlimmen onderdrukt met al zijn krachten een zeer slordige uitdrukking aan het adres van Meneer Pastoor en denkt na: Een gewone lijkwagen? ‘Mar dokter, welke stalhouwer waogt er z'n peirden aon?’ vraagt de chauffeur. ‘Veur zo'ne weg is gin één peird scherp te zetten, dat weet u nog veul beter dan ik.’ Vlimmen zwijgt en de chauffeur voelt zich: ‘Jao, ik wil m'n eigen nie opdringen. Als er iemand iets beters weet, dan geire. Ge ziet hoe we gelaoje zijn. En 't is toch mar 'n klein endje.’ Vlimmen knikt... De man heeft gelijk; er zit niets anders op. Van hier is het maar ruim één kilometer naar Den Dorschvlegel. ‘Maar ge kunt zó niet door 't dorp,’ beslist hij dan en daarmee is ieder het eens... A-néé dokter! Tot Den Dorschvlegel, daar zijn ze ver genoeg, van | |
[pagina 257]
| |
daar af kunnen de dragers wel uit de voeten tot aan de kerk... Dan wordt er aangepakt. Voetje voor voetje zetten ze de kist buiten, doch reeds na drie passen schuift een der kerels weg, slaat hard met de kin op de kist en bijt eerbiedig zijn vloek middendoor. Met de ruwe, gele koorden van de bananenkratten wordt de kist van Klein-Jantje aan de wagen gesjord. Hij glijdt op het lichtste drukje, als een slee. Vlimmen kijkt ademloos toe... Hoe is het mogelijk? Moet hij niets doen, kan hij zoiets maar aanzien? Maar de vrachtauto trekt aan en rijdt zonder complimenten door. De lost zwiert van links naar rechts over de weg... Hij hoort een hol, macaber gerommel.Ga naar voetnoot1) Roerloos staart hij de wagen na... Firma A.W. van Bakel & Co. Hagenburg. Fyffes, de uitgezochte bananen... Hij komt eerst tot zichzelf, als Martens zegt, dat hij en de vrouw zeker wel met meneer dokter kunnen meerijden...
's Middags na de begrafenis van Klein-Jantje is Dop hangerig en vervelend. Vlimmen heeft al drie keer gevraagd, of hij met Oom Jan meegaat, maar de kleine trekt een vies, afwerend gezicht. ‘Goed hoor! Blijf jij dan maar thuis als 'n klein papkindje!’ en Vlimmen loopt met overdreven beslistheid naar de wagen. Maar dan begint de jongen te schreeuwen en te stampen om zijn jekker en zijn muts. Onderweg zit Dop onkenbaar stil in het hoekje gedo- | |
[pagina 258]
| |
ken, de beentjes op de zitting en dicht tegen zich aan geplooid. Hij geeuwt een paar maal en zijn blauwe ogen staan dof. Maar Vlimmen let er niet op, ergert zich alleen een beetje, wanneer Dop bij de boerderij van Sterkens niet wil uitstappen en eerst schoorvoetend voor den dag komt, als hij wordt uitgemaakt voor kou-kleum. Vlimmen is druk bezig met de koe en kan niets bepaalds vinden; een van die vervelende gevallen, waaraan hij geen touw kan vastknopen. De koe ligt er apathisch bij, al drie dagen lang en hij dreunt vergeefs zijn vragen af: Hebt ge ze nog zien nirken?Ga naar voetnoot1) Heeft ze gespeld?Ga naar voetnoot2) Hoelang heeft ze gekalfd?... Nadat hij een kwartier lang al zijn knepen vruchteloos heeft toegepast, geeft hij den moed op, weet volstrekt niet wat het dier wel mag hebben en zegt daarom met klem, dat het een ‘zware kou’ is. Hij prikt er nog een spuitje in met een ‘Zellenreizmittel’, dat alle lichaamsfuncties tot activiteit irriteert... Goed warm toedekken. En hij zal een fles gereed zetten, die ze vanavond kunnen komen halen. Zulke gevallen zijn gelukkig zeldzaam en kunnen meneer-dokter lelijk uit zijn humeur brengen. Het komt voor, dat de boeren de fles niet eens afhalen, en wanneer hij dan een paar dagen later even aanloopt, omdat ze ook geen noodslachting hebben aangemeld, verneemt hij vaak, dat ze de fles niet meer nodig hebben gevonden, omdat de koei seffens weer helemaal opgefrist was, dadelijk begon te eten en te nirken en weer even ‘vlug’ was als anders... Zeker van die inspuiting! zeggen dan de boeren eerbiedig, en Vlimmen is verstandig genoeg om het niet tegen te spreken. Dat is erg gelukkig, maar het kleine mysterie steekt. | |
[pagina 259]
| |
hem als een giftige doorn in zijn vlees; hij piekert over allerlei dwaze mogelijkheden en komt geen steek verder. Doch even vaak komt het voor, dat de koe de volgende dag ‘kapot’ is en dan is de dokter in geen dagen te genieten. In al zijn drukte rond de koe, zijn stijgende drift om de onbevredigende antwoorden, die hij er bij de boeren met moeite moet uitwurmen, bemerkt hij niet, dat de lawaaierige vriendelijkheid van de boerin en haar dochter niet de geringste uitwerking heeft bij Dop. Hij geeft haast geen antwoord en pakt verbazend sloom de appel aan, die nog wel tevoren blinkend is gepoetst in een blauwe voorschoot. Bij het weggaan moet Vlimmen hem twee keer opdragen ‘Dag juffrouw!’ te zeggen. ‘Hij is niks in z'ne kaolletuin, geleuf ik!’ roept de boerin hem nog na uit de staldeur. Haar wijze moederogen hebben het al doorzien, maar in haar oude boerenvoorzichtigheid zal zij zich niet meer bepaald uitlaten. Intussen duwt Vlimmen den jongen ruw voor zich uit het erf af, moppert met onderdrukte drift: ‘Als jij zo'n onbeleefd, onvriendelijk misbaksel bent, kun je voortaan beter thuis blijven, akelig pest-jong dat je bent!’ Dop laat een zucht, die klinkt als een volwassen belediging en dat is juist wat te veel voor de kwade luim van Oom Jan. Zijn hand schiet uit en het kind staat even te wankelen onder de harde oorvijg. Het blauwe baskenmutsje vliegt tot op de rand van de sloot een toef van het lichtblonde haar staat even overeind op de wind. Maar er volgt geen oproerige hikschreeuw uit een tot scheurens opengespalkte mond. Tegen de gevestigde gewoonte in, staat Dop een ogenblik verwonderd te kijken en begint dan bij beetjes te schreien, heel zacht en verdrietig. Vlimmen voelt zijn woede snel zakken en gromt verongelijkt maar zonder overtuiging: ‘Raap die muts op, vervelende simpot, en stap in!’ Dop bukt zich moeizaam | |
[pagina 260]
| |
en gedwee over de muts; dikke tranen rollen over zijn wangen. Dan legt hij hulpeloos zijn knuistje in de grote hand, die hem geslagen heeft. ‘Dop-wil-naar bed,’ snikt hij kleintjes. Vlimmen schrikt hevig, als hij voelt hoe de warmte van het ronde handje in zijn palm gloeit. Hij krijgt een hoge kleur en weet niet wat te doen, legt dan schielijk de rug van de hand tegen Dop's wang en de jongen trekt verschrikt het hoofd terug als voor een tweede klap. ‘Zoet maar, zoet maar!’... Het hoofdje voelt zeer warm aan, zelfs in de grijze vrieslucht, die zwaar over het land hangt. ‘Waarom zeg je dat niet eerder?’ moppert hij nog. ‘Schei nou maar uit met huilen; we gaan direct naar huis.’ Toch staat hij even te weifelen... Daar in de verte, achter de kale kanadabomen, kan hij reeds heel even de boerenstee van Mie in den Baars zien liggen en daar wachten ze hem voor een spoedgeval. Eigenlijk had hij er vanochtend al moeten zijn, maar met die begrafenis van Klein-Jantje... Als hij nu eerst naar huis moet is dat een beduidend tijdverlies... Hij voelt het warme kussentje op Dop's hand zacht veren in zijn vuist en het kleine gesnik maakt hem erg akelig. ‘Schei nou maar uit met huilen,’ sust hij lam. ‘Dop-kan er niks-aan doehoen!’ ‘Zoet dan maar... Ik wist toch ook niet, dat jij ziek was. Jij doet altijd zo raar! Wil je achter op de zitting gaan liggen, lekker warm onder de deken?’ Dop knikt, zuigt met sissende schokjes de lucht tussen zijn tanden en houdt gelukkig op met zijn zielig schreien, Vlimmen rept zich, smijt haastig alles van de achterzitting op de vloer van de wagen, het kistje met flesjes, de doosjes met serum, het nikkelen tuig, maagpomp, gummislangen, heel zijn veeartsenijkundige marskramerij. Geknield op de treeplank, stopt hij Dop in de plaid, zoekt | |
[pagina 261]
| |
naar iets wat hem als hoofdkussen kan dienen en vindt niets beters dan een withouten kistje rnet ampullen in zijn linnen staljas gerold. ‘Lig je zo lekker?’ De jongen ligt te staren met grote koortsogen en begint nu hevig te rillen. Vlimmen moet iets doen om het goed te maken en is er vreselijk verlegen mee. Hij buigt zich over het zieke gezichtje en vleit: ‘Morgen ben je weer helemaal beter... En ik wist helemaal niet dat jij ziek was, anders had ik je toch zeker geen klap gegeven... Is 't wel?’ Dop schudt flauwtjes het hoofd. Oom Jan kust dan voorzichtig het klamme gezichtje, maar vanmorgen heeft hij zich erg haastig geschoren en de kleine trekt een pijnlijke grimas. ‘Zijn we nou weer vrindjes?’ bedelt de Vlim. ‘Gaan we nou naar huis?’ vraagt Dop zakelijk. Haastig wordt de wagen gekeerd bij de inrij van het erf. Voor de half ontdooide ramen van de boerderij schemeren enkele gezichten; hij krijgt een hete kleur en doet alsof hij niets ziet. Het erf is leeg en stil; nu eerst hamert de stem van de boerin op zijn schedel: Hij is niks in z'ne knolletuin, geleuf ik! Hij rijdt zo zacht mogelijk over de hardgevroren randen van het karrespoor. Even later wringt hij het spiegeltje zo, dat hij het zieke kind in het oog kan houden. Maar dat is hem niet genoeg. ‘Lig je goed?’ Geen antwoord. ‘Lig je goed, Dop?’ Na een poosje komt een flauw en verveeld: ‘Jaaa.’ ‘Morgen ben je weer beter.’
...... ‘Dadelijk lekker warm in je bed met een warme kruik en een warme kwast... Of heb je liever 'n warme sinaas- | |
[pagina 262]
| |
appel, 'n uitgeperste sinaasappel?... Met suiker?’
...... ‘Waarom heb je vanmiddag niet gezegd, dat je ziek was?’
...... ‘Hè?!’ ‘Weet ik niet,’ zegt Dop en het klinkt duidelijk naar; Laat me in godsnaam met rust! Maar de oorvijg ligt hem nog veel te zwaar op het hart: ‘Flauw van jou om niks te zeggen... Nou heb ik je nog helemaal bij vergissing 'n klap gegeven, ook nog... Huh!’ En hij schudt dwaas met het hoofd. ‘Hè-hè toch, wat ben je toch 'n domme jongen!’ Geen antwoord. ‘En nou vind ik 't ècht vervelend, dat ik je 'n. klap gegeven heb!’ Eindelijk is het eruit; hij loert angstig en hoopvol in het spiegeltje... Maar Dop kan het volstrekt niet belangrijk vinden, ligt stil en peinzend met zijn lange wimpers te knipperen. Bij thuiskomst is Vlimmen werkelijk overmoedig tegen Truus, wier gezicht slechts wat meer verstrakt, als hij Dop in de deken gerold binnendraagt. ‘Sturen ze me daar verdomme met 'n doodziek kind de deur uit!’ Zij neemt Dop in haar armen en Vlimmen ziet met lede ogen aan, dat de kleine met een voldane zucht zijn armpjes om haar hals slaat en het moede, zware hoofdje op haar schouder legt. ‘Kijk beter uit, voor je dat jong uitstuurt,’ moppert hij halfverstaanbaar, terwijl ze reeds snel het kind naar boven draagt. ‘Met dit weer!’ roept hij nog, als zij reeds de hoek om is, en dan haast hij zich naar de apotheek, waar hij met driftige vingers de verpakking verscheurd van een splinternieuwe thermometer. Dop heeft negen en dertig-zeven... |
|