Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 240]
| |
[27]Vlimmen zou niet juist kunnen zeggen, hoe hij die ochtend in Driegehuchten is geraakt. Het is hem niet mogelijk zich deze streek voor te stellen zonder het grappige smidje van Oetelbeek en hij heeft heel de weg langs de dwaze verwachting, dat Klein-Jantje op zijn vervaarlijke Harley aanstonds om de bocht zal komen aanknallen. In deze tien jaar is het een gewoonte geworden en het beeld staat hem klaar in zijn gedachten: Het kreupele paard heeft gestapt en, zo kwaad als het ging, gedraafd. Vlimmen heeft centimeter voor centimeter de grote hoef afgetast met tang en hamer. Bij kreupelheid moet hij voorzichtig zijn; de oorzaak kan liggen van hoog in de schouder of het kruis, tot onder in de hoef. Kreupelheid is een valsheidje, uitgevonden om jonge, onvoorzichtige veeartsen beschaamd te maken tegenover de boeren. Op het laatst stuurt hij dan toch iemand uit om het smidje te halen en wacht. Maar nooit lang. Van heel ver, de knalpot wijd open, kondigt Klein-Jantje zich aan en de boeren beginnen te lachen, als ze den razenden roland horen, doch even later trekken ze toch een ernstig gezicht en zeggen, dat het smidje zich nog eens te bersten rijdt, als hij niet tot bedaren komt... Daar zwaait hij veel te schuin om de bocht in zijn wapperende, schelblauwe overall, zijn gele kuif als een vlag in de wind. Al uit de verte wuift hij lachend met de grote vijl; de rest van zijn gereedschap steekt tussen zijn leren gordel. Hij smijt de motorfiets tegen de heg en | |
[pagina 241]
| |
vraagt hoe het nog is met den dokter, want ons moeder zei al, dat meneer Vlimmen ons zeker niet meer wist te wonen. Dan vraagt Vlimmen hoe Moederke Piggen het maakt, en of ze nog altijd evenveel plezier beleeft van Keuren braven zoon. Intusschen heeft Klein-Jantje zijn gereedschap in een bundeltje achter het paard gegooid en staat even naar de hoeven te kijken met een gezicht, alsof hij de professor is, er bijgehaald, omdat Vlimmen zelf geen raad weet met het geval. Dan heft hij de hoef op en neemt hem hoog tussen de benen, een hoef zo groot als een tafelbord. In een wip heeft hij de nagels los, smijt het ijzer opzij, zet het scherpe staal in de hoef, hamert de dikke, blauwgrijze repen hoorn eraf, vijlt de scherpe randen weg, vlug en handig, onder onophoudelijk ginnegappen tegen de meisjes, die altijd dadelijk bij de hand zijn, als smidje zich ergens vertoont... En het zware paard mag het dan al minder plezierig vinden en met het machtige achterbeen trekken, de jonge Piggen staat stevig met de rug tegen het kruis, klemt de hoef tussen de benen en kalmeert het dier af en toe met een eileboogstoot in de ronde hammen en een gemaakt-driftig: ‘Stao stil, knol!!’ Hij mag zelfs meepraten en zeggen, wat hij ervan denkt, wat iemand anders maar liever niet moet proberen bij Vlimmus. Tegen dat de hoef ver genoeg afgesneden is, zegt hij dus: ‘Jao, 't zal in den hoef zitten’, of: ‘'t Zal nie erg doen mee dezen hoef.’ Dan komt Vlimmen, tikt en knijpt nog eens, steeds op de loer naar de hevigheid van de pijn, die hij veroorzaakt, tot het juiste zere plekje gevonden is. Met het kleine haakmesje snijdt hij voorzichtig langs de straal bij dunne laagjes het hoorn weg, dat steeds witter wordt, en smidje verstout zich zelfs om te zeggen, dat het dáár zal moeten zitten, waarop de dokter slechts een goedig oogje knipt tot de boeren. Witter en witter wordt het | |
[pagina 242]
| |
hoorn onder het voorzichtige haakmesje, tot er eerst een vuil waasje doorschijnt en dan opeens de bruine etter losbreekt en langs de hoef druppelt. Dit is een van de prettigste ogenblikken voor den veearts. Het paard heeft al vier dagen kreupel gestaan en het werd steeds erger. Nu richt Vlimmen zich met een zucht en een rood hoofd uit zijn gebukte houding op; zijn gezicht staat haast verveeld en hij zegt zo onverschillig mogelijk, dat ze ‘hem’ morgen wel weer kunnen inspannen, waarvan de hele boerenfamilie aangenaam versteld staat.. 't Zal geen kwaad kunnen om nog een teer-verbandje om de hoef te leggen, maar dat kan Klein-Jantje wel, en uhof hij ergens zijn handen kan wassen? Het smidje geniet mee, zet een hoge borst op en legt nog eens dik de nadruk op de snelle, afdoende behandeling: ‘Jao, en anders waar-de 'n week of drie-vier d'r mee schoon gewist!’ ‘Is 't tóch waor?’ vraagt de baas dan aan Vlimmen en deze knikt heel gewoontjes: Ja-ja. Als ge zo'n paard ermee laat staan, duurt 't wel enkele weken voordat het vuil er aan de bovenkant van den hoef vanzelf uitbreekt... Op den duur is Vlimmen half en half gaan geloven, dat het smidje hem geluk bracht bij zulke gevallen... En dat zou nu voor goed afgelopen zijn? Het is toch niet mogelijk, dat Klein-Jantje Piggen nu opeens helemaal weg is?... Even voor Driegehuchten ziet hij den opperwachtmeester Reynders, die voor hem uit fietst. Die zal er allicht meer van weten. Met hem kan hij erover praten, want de dierenvrienden van de Koninklijke Marechaussee, de veearts en het smidje leren elkaar beter kennen rond het paard, dat zo gemakkelijk wat vriendschap brengt tussen mensen, die er fatsoenlijk mee omgaan. Ja, de opper is er vannacht zelf heen geweest, 't Was | |
[pagina 243]
| |
ongeveer half één, toen het smidje gevonden werd, en toen was hij om zo te zeggen al helemaal koud... Tegen een boom gezeten, en niet zo heel eventjes, want er was een reep schors van zeker twee en een halve meter losgescheurd. Hij lag er een eindje vandaan in de sloot, maar je kon precies zien, waar hij terecht gekomen was, want een beetje hersens en een klisje haar waren tegen de boom blijven plakken... 't Was heel goed te verstaan, hoe het moest gebeurd zijn, want het was vannacht zo glad, dat Reynders zelf onderweg al twee keer geslipt was met de fiets. Misschien had Klein-Jantje niet eens gemerkt, dat het zo glad geworden was, want dadelijk na de regenbui was de wind gedraaid en in vijf minuten tijd kon je wel met schaatsen over de weg. 't Heeft hem zeker verrast... En de dokter weet wel hoe hij gewoonlijk er overheen reed... Dokter Verbeek uit Oetelbeek was even later gekomen en daarop hadden ze Klein-Jantje binnengedragen in de Eerste BrierGa naar voetnoot1), want dat is een huis van de Weduwe Piggen, en Fons Martens, de kastelein, is nog een soort achterneef van het smidje... Ze hadden zijn gezicht gewassen en de dokter had zijn hoofd ingezwachteld, want zó was het geen gezicht: heel z'n haar vol bloed en de hersens half d'r uit... Ja, en die dokter had er genoeg mee te stellen, dat zou je niet gezegd hebben van die ouwe heer Verbeek, vindt u wel? Doet altijd zo ijzig... Hij zei maar niks als: ‘Jonge-jonge-jonge! Klein-Jantje, Klein-Jantje! Zo ver heb je 't dan toch gebracht!’... Op 't laatst zei hij, dat ze juffrouw Piggen vannacht nog maar rustig moesten laten slapen; 't was morgen nog altijd vroeg genoeg. Maar de vrouw van Martens zei, dat het niet zou helpen, want Tante Kerlien lag immers altijd | |
[pagina 244]
| |
klaar wakker te wachten tot die jongen thuiskwam! Dus eigenlijk was het toch beter om haar dadelijk te waarschuwen, anders zou 't wel eens kunnen gebeuren, dat er van die zeveraars haar 's morgens vroeg al kwamen condoléren, voordat ze zelf wist waarom... De vrouw wilde er eerst den pastoor voorspannen, maar toen had dokter Verbeek dadelijk gezegd, dat hij het dan maar liever zelf zou doen... Hier knijpt de opper één oog stijf dicht en Vlimmen knikt, dat hij het volkomen begrepen heeft. Maar voordat hij wegging, had dokter Verbeek toch gezegd, dat hij verdomd niet wist, hoe hij het moest aanleggen... Naar verteld werd, was hij de hele nacht bij Moederke Piggen gebleven en eerst tegen de morgen weggegaan. Ze moest in bed blijven... Tjaa, 't is te begrijpen! Reijnders laat de sigaar voorzichtig in zijn lege patroontasje glijden. Nee, dank u wel, dokter. Hij zal nog niet aansteken; een sigaar smaakt hem alleen, als hij er op zijn gemak bij kan gaan zitten... ‘Ja, 't is zonde van 't smidje. Zo jong nog, kwam niks te kort, leventje als 'n prins... En z'n moeder... daar mag je waarachtig niet aan dénken... Afijn, 't is eenmaal zo en d'r is niks meer aan te veranderen. Dag dokter, tot genoegen!’ Vlimmen rijdt verder. Hij zal naar Moederke Piggen moeten, dat is zeker, maar het vooruitzicht alleen maakt hem al een beetje onpasselijk. Voor dergelijke karweitjes is hij niets waard... Naar de begrafenis, dat spreekt vanzelf, maar dat is niets vergeleken bij een bezoek aan de moeder van Klein-Jantje... Opeens overvalt hem een dwaze woede: Verdomde snotneus, dat hij ook naar geen mens wilde luisteren! Kon hij geen ogenblik aan dat ouwe mens denken, verrekte aan? 'n Pak slaag moest-ie-Ach wat?! Stom toeval. Smidje wàs niet gek... De gladheid heeft hem ver- | |
[pagina 245]
| |
rast, zei Reijnders... Is meneer Vlimmen dan helemaal vergeten, hoe dikwijls hijzelf door het oog van een naald is gekropen? Amper tien jaar was hij, en klom met een vriendje in de toren om kraaien uit te halen. De sleutel van het washok, thuis, paste toevallig op het deurtje van de wenteltrap. En toen ze geen nesten vonden, ging hij schrijlings op de vlaggestok zitten, die van de galerij, vlak onder de bol, uit de Moestropse toren steekt op vijftig meter hoogte. Alleen omdat zijn vriendje had gezegd, dat hij niet durfde... Stel je voor, dat je Dop opeens zo zag zitten, daar boven op een vlaggestok!... Toeval, vuil toeval! In Driegehuchten moet hij op twee plaatsen zijn en dan heeft hij nog een paardje, verderop, in; Meelst. Wanneer hij terugkomt aan het kruispunt bij Den Dorschvlegel, ziet hij, dat het al over twaalven is, en neemt gretig dit voorwendseltje om het griezelige bezoek uit te stellen tot morgen... Dat is ook veel beter, dan is het misschien al een beetje gezakt. Bij de Eerste Brier ziet hij al van verre de lange, witte vlek, waar de schors van de boom is gerukt, en kan hij niet zonder meer voorbijrijden. Hij stopt bij de herberg en stapt aarzelend uit. De gordijnen zijn neergelaten en de deur is op slot. Hij rammelt met de klink en bedenkt met schrik, dat Moederke Piggen wel eens hier kon zijn... Nee toch niet, ze moest immers in bed blijven. Hij staat op het punt om naar de achterdeur te lopen, wanneer het gordijntje van de glazen deur opzij gaat en het bolle, domme hoofd van den achterneef-herbergier hem aangaapt. Dadelijk gaat de deur open en de kerel trekt zo'n overdreven dramatisch gezicht, dat Vlimmen er wel op kan slaan. De zaak is potdicht, maar even goed hangen er vier klanten aan de koperen stang voor de toonbank en kleven er vijf vochtige borrels op het lino- | |
[pagina 246]
| |
leum. De gasten wentelen zich aanstonds af van het buffet en gaan verlegen schuifelend in een kringetje staan, als betrapte schooljongens. Vlimmen krijgt nog meer het land... Vent van niks, die Martens. De vader van Klein-Jantje heeft in zijn tijd het café gekocht en laten vernieuwen om zijn luien achterneef aan een bestaan te helpen. De huur was belachelijk laag gesteld, maar van betalen is nooit ernstig sprake geweest. Klein-Jantje Bad meneer Fons Martens wel in de gaten en zou hem wel ‘de broek hebben opgebonden’, als zijn moeder hem er niet steeds van teruggehouden had. Die twee konden elkaar niet uitstaan, en wat 'n wonder! Deze lijntrekker en het vlugge, veel te vlugge smidje... Martens wist precies, wat hij van Klein-Jantje kon verwachten, zodra Tante Kerlien uit de tijd zou zijn. Met het luilekkerlandje van de Eerste Brier zou het gauw afgelopen zijn. Volgens Martens was ons Tante Kerlien 'n doodgoei mens, véúl te goed, en ze vrat heur eigen op van chagrijn over dat vuil deugenietje van 'n Klein-Jantje. Deze kwam in alle herbergen, behalve in de Eerste Brier, en sprak zonder zich ooit te vergissen steeds van ‘meneer’ Martens... Vlimmen kent deze verhouding zeer goed, en nu ligt me daar dat vadsige zwijn slap over een stoel, kijkt star naar één punt op de vloer en schudt het papperige hoofd. Wat 'ne slag, wat 'ne slag! Ja, denkt Vlimmen, nu ben jij de naaste bloedverwant geworden en staat er niets meer tussen jou en de lieve centjes van Moederke Piggen. Wat 'n slag, hè? Ongelofelijk! En nog wel zo'n beste vriend van je... Als de vent zich begint te beklagen over wat 'ne nacht, wat 'ne schrik en wat 'ne trubbel hij heeft gehad en hoe hij geen oog meer heeft dichtgedaan en niet meer weet waar z'ne kop staat, maakt Vlimmen er een eind aan. Als er geen bezwaar tegen is, zou hij Klein-Jantje nog | |
[pagina 247]
| |
een keer willen zien... Heel stil ligt daar in de opkamer het woelige smidje van Oetelbeek. Dokter Verbeek, die hem vier en twintig jaar geleden met veel moeite op de wereld hielp, heeft nog gedaan wat hij kon. Als een vroom, wit kapje sluit het verband om het hoofd. Maar het eerste wat opvalt, zijn de twee dikke lachrimpels onder de lange, bruine wimpers. Die zijn er altijd geweest en ze zijn gebleven. En ook de mondhoeken zijn flauwtjes opgebogen... Ja, waarachtig, het is duidelijk, dat smidje zich heel goed voelt zo, met dat witte mutsje op zijn hoofd. Hij wil zijn best doen om ernstig te blijven, maar toch heeft hij moeite om zijn tevreden lachje te verbergen, 't Lijkt wel, of het een grapje van hem is, of hij weer eens iemand, te pakken heeft... ‘Allee, dokter Vlimmen!’ zegt het vriendelijke, blanke gezicht. ‘Ge zult oew eige toch zeker nie gaon aonstelle over zo'n bietje, hoop ik!’ Neen, Vlimmen zal zich niet zo erg aanstellen, want nu Klein-Jantje daar zo gelukkig en tevreden ligt te glimlachen, voelt hij zich opeens veel opgelucht, bijna helemaal gerustgesteld. Ja, hij is nu toch erg blij, dat hij het smidje nog eens heeft gezien, en zijn hele leven zal hij niet meer vergeten, dat zijn vriendje er zo rustig en plezierig uitzag. |
|