Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 177]
| |
[19]‘Die goeie, ouwe opa sprak tenminste verstaanbaar Nederlands,’ gaat Vlimmen verder. ‘Tot nog toe had ik niets anders gehoord dan: Braaf zijn en bidden, jongen! Bidden! Dat de stukken eraf vliegen!... Maar behalve die jachtakte - waar ik trouwens niet bepaald op zat te wachten, zoals je weet - gaf hij me nog ernstige hoop. Hij zou zich zoveel mogelijk op de hoogte stellen en als dat gebeurd was, zou hij me schrijven. Geen week later had ik al een brief, en je begrijpt, dat ik duizelde van een dergelijke snelheid! Ik moest me wenden tot een zekere monseigneur Braspenning - je merkt wel: op één monseigneur meer of minder komt het bij mij niet meer aan - en die had ook weer een heel geleerde betrekking, waarvan ik de naam niet zo gauw weet, maar in ieder geval woonde hij in Rome en behandelde daar bij het Vaticaan verschillende Hollandse aangelegenheden -’ ‘Een soort verbindingsofficier,’ meent Dacka. ‘Zoiets... Hij was op dat ogenblik in Holand, Huize Zus-en-Zo in Beek bij Nijmegen, en ik kon dadelijk bij hem terecht, want hij was gewaarschuwd en verwachtte me al. Ik trof meneer toevallig net in groot tenue. Ofschoon het snikheet was, zat hij met een pelerientje aan in de kamer, en verder was hij aandoenlijk versierd met pimpelpaarse knoopjes en biesjes en strikjes. Om zijn buik | |
[pagina 178]
| |
droeg hij een brede paarse sjerp; zijn hoofd was rose en kleurde er niet slecht bij. Hij was lekker mollig en op z'n handen had hij bloemetjes, je weet wel, net als een baby: gezellige, dikke kussentjes met bloemetjes. Dan had hij nog een mooie grijze kuif van kroezelkrulletjes, en over het geheel vond ik hem-Ja, hoe zal ik het zeggen?... Zo'n soort ouwbakken kerstkindje.’ Dacka verslikt zich in de whisky, en de bui duurt zo lang, dat Vlimmen kans ziet weer eens in te schenken. ‘Ik begon m'n pappenheimers zo'n beetje te kennen en voelde dadelijk, dat ik weer een klungel uit de tombola had getrokken... Die ouwe monseigneur Vorsten droeg 'n vettig zwart kalotje en op z'n toog kleefde nog sigarenas van de vorige eeuw... Deze deed net, of hij pas van de fotograaf kwam, maar later hoorde ik van lui, die hem beter kennen, dat hij ongetwijfeld alleen voor mij al dat avondtoilet moest hebben aangetrokken. Het schijnt, dat hij door z'n naaste omgeving een beetje voor het zotteke wordt gehouden, omdat zij zo blij is met zichzelf en zich zo naïevelijk in 't openbaar bewondert... Nou, en ik bewonderde mee, dat begrijp je. Ik deed niets dan pàfstaan... Hij liet er geen gras over groeien en na de eerste vijf minuten had ik al de overtuiging, dat hij bij de paus in en uit liep met z'n hoed op, dat de Heilige Vader aan een handje met hem meewandelde en dat hij binnenkort weer gauw naar Rome moest, anders liep dat hele Vaticaan in 't honderd... Toen er dat allemaal stevig bij me ingeheid was en ik haast geen adem meer kon krijgen van louter ontzag, wist hij me te vertellen, dat die procedure helemaal verprutst was. Ik had trouwens op de eerste plaats moeten zorgen voor een advocaat bij de Rota. Och ja, hier in Holland hadden ze daar immers geen verstand van! Als hij de zaak mee naar Rome nam, zou ze wel beter tot haar recht komen. Hij was bevriend met alle beroemde advocaten | |
[pagina 179]
| |
van de Rota en zou het nu in handen geven van een, die onmenselijk geleerd was; ongeveer even geleerd als hij, kon je er bij denken... Die advocaat zou natuurlijk een voorschot verlangen om de stukken in te zien, want dat was op zichzelf al een héle studie, en of ik monseigneur dan maar vast 'n-laat 'ns kijke- drie honderd gulden-laten we zeggen vijf en twintig honderd lire wou opsturen, dan kon die advocaat dadelijk beginnen met alvast eens poolshoogte te nemen. Dat waren maar voorlopige kosten, dat moest ik goed begrijpen, want als de zaak eenmaal bij de Rota aanhangig werd gemaakt, ja, dan kwam er nog wel wat anders kijken! Ik knikte heel gedwee en probeerde een gezicht te trekken, zoals Burgers-van-de-schoensmeer zou gedaan hebben.’ ‘Rota!’ peinst Dacka. ‘Wat is dat voor een woord? Zijn dat de beginletters van iets anders? Is het latijn? Dan betekent het wiel, is 't niet?’ ‘Ja, ik heb het nog opgezicht in een oud woordenboek van 't gym, en ik vond verschillende betekenissen voor rota, maar de enige, die aan dit zaakje deed denken was: folterrad!’ ‘Nou, die goeie ouwe tijd is voorbij.... Maar misschien is het woord gebleven?’ ‘Huh-huh!... Enfin, die vijf en twintig honderd lire had hij als een bliksemstraal in huis en ik begon weer te wachten... Af en toe schreef ik en kreeg nietszeggende antwoorden, tot er opeens een zeer merkwaardig briefje kwam. Ik vond het aanvankelijk niet zo merkwaardig, totdat ik het aan Van Cleef liet zien. De eerste ogenblikken was hij sprakeloos en dat wil wat zeggen! Maar dat duurde niet lang en hij begon; zo wild te doen over dat briefje, dat ik het een beetje benauwd kreeg, vooral toen hij vroeg, of hij het mocht hebben. Ik dacht: | |
[pagina 180]
| |
Nee, vriend, ik ga m'n glazen niet ingooien. Als jij, die zo best staat aangeschreven bij de katholieke geestelijkheid, met dat briefje gaat zwaaien, kan ik wel inpakken met m'n echtscheiding... En toen bood hij er waarachtig duizend gulden voor! Nou, daarmee was ik dubbel gewaarschuwd: Nee, nee, even goeie vrienden, maar dat kon ik niet doen... Ten slotte maakte hij er twee duizend van! Ik begon over iets anders te praten en hij leek hevig teleurgesteld. Bij het weggaan klopte hij me nog op de schouder: Denk er nog eens goed over na; je weet: twee duizend gulden kun je krijgen voor dat vodje papier van die monseigneur!’ ‘Krijg ik dat ding nog te zien, of moet ik eerst barsten?’ vraagt Dacka woest. Vlimmen aarzelt even. ‘Je praat er niet over!’ waarschuwt hij. ‘'Tuurlijk niet! Geef hier! Jij maakt iemand gek!’ Dacka leest: Beek (G.), 11 Sept. 19 .. | |
[pagina 181]
| |
proces? De advocaat hoopt spoedig iets meer positiefs omtrend kosten van een en ander te kunnen mededeelen. ‘Nee maar! Dat ziet er hoopvol uit!’ zegt Floor... ‘Wat heeft die ouwe Van Cleef aan zoo'n briefje?... O, wacht eens, het gaat over de dubbeltjes natuurlijk! Kleed je maar eens helemaal uit, waarde heer Vlimmen, dan zullen we eens zien, of het de moeite loont om eraan te beginnen. Ja, dat ligt er duidelijk in: We moeten eerst weten of het sop de kool waard is. Het ontbinden van een huwelijk - terecht of ten onrechte - is op zichzelf geen goeie beurt voor de katholieke kerk... Daar houden we helemaal niet van. Dus wàt kun je er tegenover plaatsen?... Dat is inderdaad heel onhandig geschreven, maar hoe kan dat Van Cleef voor twee duizend pop interesseeren? Misschien kon hij er iets mee bereiken -’ ‘Chantage?’ ‘Nee, daar was de ouwe heer een veel te fijne vent voor. Intussen is hij dood en kunnen we ons niet in zijn boze plannen verdiepen. In ieder geval is het géén listig briefje. Als ze toch zo dik deden over de geheimhouding van allerlei futiliteiten, hadden ze kunnen beginnen met zo'n stom briefje onder zich te houden... Wat heb je erop geantwoord?’ ‘Ik begreep heel goed: als ik zei drieduizend gulden, dat ik ze kwijt was; sprak ik van tienduizend, dan waren ze ook gevlogen. Dat wist Van Cleef me dadelijk te vertellen, maar daarvoor had ik hem niet nodig. Ik begon met mezelf te sjacheren. Dat is nu ruim een jaar geleden. Truus was al die tijd over de kopéken gegaan en je weet, | |
[pagina 182]
| |
hoe ze is. Ik had niet slecht geboerd; het huis had ik allang vrij, en aan los geld kon ik wel een vierduizend gulden bij elkaar krabben... Truus krijgt geregeld meer of minder serieuze aanzoeken, maar trekt voor alles haar neus op, en zo krijg ik het onplezierige idee, dat ze voor mij haar beste kansen verspeelt... Dop heeft van z'n grootouders Dautzenberg 'n goeie twintig mille geërfd, waarvan Truus tot z'n meerderjarigheid de rente trekt. Dat is ongeveer duizend pop per jaar en die spaart ze op, zodat het spaarpotje van die jongeman ongeveer verdubbeld zal zijn als hij meerderjarig is. Met dat al moest ik er rekening mee houden, dat de toestand zo bleef en er van echtscheiding niks terecht zou komen, dus dat er voor onze ouwe dag moest gezorgd worden en dat Dop zou gaan studeren. Het zou natuurlijk te mooi zijn, als hij veearts werd, en daar reken ik dan ook niet op. Gaat hij een ander vak studeren, dan weet je even goed als ik, dat je als beginnend intellectueel met dertig à veertig mille niet veel kapot maakt, vooral wanneer de stormloop naar de universiteit op deze manier aanhoudt. Daarom wilde ik de studie van onze jonge vriend graag bekostigen, zodat hij over heel z'n kapitaaltje zou kunnen beschikken, wanneer hij afgestudeerd is. Kort en goed, de centjes die ik bezat, had ik met m'n eigen zweet verdiend, en daarom zei ik ze niet graag gedag. Ik meende listig te zijn en schreef, dat ik twee duizend gulden dadelijk kon storten, en als er meer nodig was, zou ik tot vier duizend kunnen gaan door een hypotheekje op m'n huis te nemen, .. Onder ons gezegd, als ik me in allen ernst had willen uitkleden, had ik heus wel een vijftien mille bij elkaar kunnen scharrelen, maar dan was ik weer precies even ver, als toen ik begon. Wanneer ze me nu een koopje hadden voorgesteld in dier voege: voor zoveel ben je gescheiden en anders geld terug, | |
[pagina 183]
| |
had ik desnoods wel vijf en twintig duizend gulden bijeen geschooierd, al had ik dan de eerste jaren voor m'n schuld moeten werken -’ ‘Maar wat zeiden ze in Rome?’ coupeert Dacka, die meent te voelen, dat whiskey tot breedsprakigheid leidt. ‘Ze gaven geen blijk van enig enthousiasme. De rose monseigneur gaf eerst helemaal geen antwoord; ik schreef nog eens en eindelijk kreeg ik een kleurloos briefje, dat hij m'n schrijven ontvangen en er nota van genomen had. Hoe langer het duurde, hoe meer gewetenswroeging ik kreeg. Ik had soms van die visioenen, waarin allerlei rooie en paarse prelaten zich slap lachten over die heiboerenveearts met z'n vier duizend gulden. Na een paar maanden informeerde ik nog eens, hoe de zaak stond, en quasi terloops wist ik erbij te vertellen, dat ik bij nader inzien wel een bedrag van vijf duizend gulden dadelijk kon beschikbaar stellen. Toen kreeg ik een bondig antwoord: Monseigneur had m'n bericht aan de advocaat doorgegeven, en verder moest ik goed begrijpen, dat de finantiële kant van de zaak hem in genen dele aanging... Dadelijk na m'n eerste schrijven over de twee tot vierduizend gulden waren de briefjes van monseigneur vreselijk voorzichtig geworden. De advocaat in Rome, die, vóórdat ik m'n betalingscapaciteit had blootgelegd, zo'n beste grond zag voor een nieuwe procedure, houdt zich schijndood, voor zover hij niet overleden is -’ ‘Weet je zijn naam?’ ‘Nee,’ zegt Vlimmen en krijgt een kleur. ‘Jij bent een ferme, stoere dauwtrapper, dat moet ik zeggen -’ ‘Wacht! Klets niet!... Ik weet precies met wat voor kruidje-roer-me-nietje ik te doen heb. Die monseigneur Braspenning heeft tegenover mij zó dik gedaan en zó hulpvaardig en ik kon alles zó vol vertrouwen aan hem overlaten, dat ik nu niet opeens zulke achterdochtige | |
[pagina 184]
| |
vragen kan stellen. De ouwe heer Vorsten is dood, en als ik dit exemplaar maar zó'n Hein kansje geef om zich beledigd te voelen, smijt hij alles neer en geeft me in overweging om maar iemand te zoeken, die het beter doet. Dat voel ik!... Jij schijnt er nog steeds geen idee van te hebben, hoe ik ben overgeleverd. Jij staat tot op zekere hoogte ter beschikking van iedere Jansen, die in moeilijkheden verkeert, zelfs al betaalt hij je niet. Als er iets niet naar hun zin is, zullen jouw cliënten het je wel weten te zeggen, is 't niet? Of ze gaan zich beklagen... Maar ik moet op m'n kop gaan staan van dankbaarheid voor iedere ongesneden klophengst, die me aan 't lijntje houdt onder voorwendsel, dat hij belangeloos voor me werkt. En met die advocaat in Rome, waarover ik voor geld misschien rechtstreeks zou kunnen beschikken, krijg ik dus alleen contact door tussenkomst van die vriendelijke, onbaatzuchtige monseigneur, die heel voorzichtig moet behandeld worden... Stil eens even!’ Boven de benauwde lachbui van Dacka rinkelt de nachtschel. Het is half één. |
|