Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 131]
| |
[16]Op de buitenpractijk ziet Jan Vlimmen er vaak uit als een bebloede beul, een onbeschrijfelijk vuil monster, waarop men liefst dadelijk de tuinspuit zou willen richten. Maar in zijn apotheek mag hij gezien worden. Dan trekt hij de smetteloos-witte jas aan, die; past bij het fameuze instrumentarium, het potjeslatijn! en de geleerde, gulden opschriften op de ruggen der boeken. Dan gebruikt hij niet de phonendoscoop, die er uitziet als een doodgewoon schoensmeerdoosje, opgehangen aan twee ordinaire gasslangen, maar de sjiekste stethoscoop, die er te krijgen is. Bij de behandeling van kleine huisdieren in de apotheek haalt Doctor Vlimmen dubbel terug, wat hij bij de boeren aan pose te kort komt. Die avond, wanneer hij gebaad en verkleed op Dacka zit te wachten, is het niet dadelijk een; klein dier, dat hij te behandelen krijgt. Het is na zijn spreekuur, maar Baron van Neerwetten mag zich zoiets permitteren. Het kwieke kereltje verontschuldigt zich overigens hoffelijk - Wist niet dat er een spreekuur was bepaald, kwam maar op goed geluk af eens kijken, of meneer Vlimmen thuis was... Deze wuift royaal alle complimenten opzij en bepaalt even zijn aandacht bij de patiënt, een vervaarlijke Russische hazewind, die hij met een achterdochtig oog monstert... Hij ként deze sjiekelingen: vervelende honden, indolent en onbetrouwbaar; je hebt er weinig vriendschap van. Trekken een hautaine, onverschillige snuit, | |
[pagina 132]
| |
maar herinneren zich op het meest onverwachte moment, dat naar verhouding hun grootste kracht in hun lange moordenaarskaken ligt... Vlimmen neemt zijn witte jas, kijkt met een streng gezicht naar de g van vergift, die te veel op een c lijkt, en luistert met een half oor naar de klachten, terwijl zijn gedachten om den baron zweven. Hij is een aardig kereltje en Vlimmen mag hem wel... Arme landjonker, die moedig vecht om de vlag omhoog te houden op zijn landgoed, dat juist een beetje te ver van Dombergen afligt om ooit te worden aangekocht voor een of ander uitbreidingsplan... ‘... gevochten en een beet gehad, denk ik, daar bij die dikte...’ Er hebben op de rand van het uit de kleren gegroeide fabrieksdorp Dombergen, dat nu stad heet, keuterboertjes gewoond, die zo lang chicaneerden, tot ze rijk van hun grond werden gekocht... ‘... eet bijna niets meer en voelt zoo heet aan; begint dan opeens te rillen van kou...’ Pirke Moens, die met zijn gedoentje precies tussen het grote, internationale kunstzijde-concern en de nieuwe kanaalhaven lag, heeft het zó lang volgehouden, tot hij in een kartonnen handkoffertje 250.000 gulden van de bank ging halen... De directeur ontving hem in zijn privé-kantoor, zei meneer, liet hem een dure sigaar aan-steken en vertelde heel monter, dat hij al voelde, wat meneer Moens wou zeggen: Wist natuurlijk niet goed blijf met al dat geld; wát?... Directeur had er al voor gezorgd. Kijk eens hier: een lijst van de beste en zekerste beleggingen... Maar Pirke deed zijn koffertje open en zei, dat het verloren moeite was geweest, want hij wist er bliksems goed blijf mee... Ja-maar... Nee, 't was heel vriendelijk, daar niet van, maar... Pirke maakte zich uit de voeten met twee en een halve ton in sekuur | |
[pagina 133]
| |
uitgeteld bankpapier, en de voorkomende directeur heeft hem nooit meer gezien... ‘... hij is zo ziek als 'n kat en dat gezwel wordt steeds dikker...‘ 't Kan gek lopen... Hier een baron, dien je de adel van het gezicht leest, hevig gedistingeerd in zijn sportieve ruiterkleeren, en spartelen om de eindjes aan elkaar te krijgen. Bij al dat gesappel verplicht hij zich nog tot een duur rijpaard, een juweel van een hackney voor de dogcart, en een paar aristocratische rashonden... Daar Pirke Moens, vuile, stomme, onverschillige goffer van een boerke, dat als boer nooit een cent waard is geweest en nu op een andere boerderij in z'n klompen staat te stinken als een leeuw... Durft Vlimmen een sigaar aan te bieden van drie cent, waar je het water kunt uit wringen, en als er een koe ziek wordt, laat Pirke haar opzettelijk zo lang zonder hulp, tot ze ongeneeslijk is en het fonds haar kan betalen... ‘... hij loopt er nu al drie dagen mee...’ Zielig en sympathiek houdt Van Neerwetten zijn stand op en is er zich niet eens van bewust, hoe hij wordt uitgelachen door de rijke Dombergse fabrikanten, wier over-grootmoeders misschien nog op het kasteeltje hebben gediend. Ja, ze lachen hem uit van achter hun geldzakken, vertellen in de kroegen poenige moppen over zijn armoede, maar toch voelen ze heel duidelijk, dat er meer beschaving nodig is om goed op een paard te zitten van duizend gulden, dan om met een buik alsleen zak achter het stuurwiel te liggen van een auto, die vijftien duizend gekost heeft... Ze durven den baron ook niet goed te benaderen, ofschoon hij een toeschietelijke babbelmuts is, en bij het zeldzame contact, dat ze met hem krijgen, eten ze uit zijn hand, zitten op en geven pootjes... ‘... misschien kunt u die arme lummel er met een kleinigheidje van af helpen...’ | |
[pagina 134]
| |
Precies, en dat kost den armen baron een rijksdaalder, die hij gewend is vijf en twintig maal om te draaien... Huybrechts, de rijke sigarenkistjesfabrikant en schoonvader van den arts Treeborg had een Duitse herder en hakte geweldig op over het dier. Hond was zo zindelijk, dat hij niet eens zijn behoefte in de tuin wilde doen, en als het hek dicht was, sprong hij zelfs over de hoge tralies... Zó proper was da bist!... Totdat déze arme lumrnel waarschijnlijk te lang gewacht had, in zijn hoge nood de sprong te kort nam en met de buik in de scherpe traliepunten bleef hangen. Zes lelijke sneden in de liezen, waarmee Vlimmen een hoop werk heeft gehad, maar die hij ten slotte zo netjes heeft weten te hechten, dat de propere hond weer helemaal in orde kwam... Een paar maanden later kwam de rekening en het was of de wereld verging... ’Vijf gulden?! Is ie zot? Voor wie ziet ie me-n-aon? Denkt ie, dat ie 'nen boer veur hee? Vijf guide veur 'nen hond! Zo'ne natnek! In gkt vijfduzend jaor!’... Heel Dombergen tuitte ervan. Ruzie over de telefoon, die eindigde met de belofte van Vlimmen, dat hij twee keer per week de kwitantie zou laten aanbieden, zolang tot ze voldaan werd... ‘Doe mar, wa ge nie laote kunt, ik betaol gin vijf guide, in gin vijf duzend jaor, zeg ik oe!’... Een half jaar later werd de hond ziek en meneer Huybrechts vertelde trots achter het bier, dat hij het beest dadelijk in een zak had gebonden en verzopen in de Turfvaart... Ja, hij zou zich nog eens in de nek laten kijken door dieje veearts...Ga naar voetnoot1) Dit is nu al drie jaar geleden, maar de vijf gulden zijn nog steeds niet betaald. ‘... mijn knechts wilden het par force zelf opknappen, maar ik vond het beter om maar niet te gaan kwakzalveren...’ | |
[pagina 135]
| |
Floor had zich wild gemaakt over dit geval: ‘Pak hem aan, de proleet! Spring hem in z'n nek met 'n dagvaarding! 't Is 'n gewonnen zaak! Als hij verweer voert, kun je heel Dombergen als getuige dagvaarden, want de suffert klept het overal rond, in de naieve overtuiging, dat hij er jou mee door het slijk sleurt.Dan krijgt hij er nog een vijf en twintig pop kosten bij te betalen ook. Die lui hebben geen eergevoel! De portemonnaie is hun énige wondbare plek!’... Wanneer Vlimmen niet al te afgejakkerd op zijn bed komt en bij ongeluk aan de: vijf gulden van Huybrechts denkt, kan hij de eerste uren niet slapen. Het zweet breekt hem uit en hij windt zich op, tot hij besluit Dacka zijn gang te laten gaan... Maar als hij in de grijze morgen zijn gedeukt gezicht in de spiegel bekijkt, ziet hij de verhoudingen beter... Huybrechts kan zich een grote bek permitteren: Lid van de gemeenteraad, lid van het kerkbestuur, voorzitter van VincentiusGa naar voetnoot1), in ontelbare voorname en invloedrijke baantjes is hij binnengesleurd om zijn geld. Verder zit hij in het bestuur van de Boerenleenbank, en dat wil zeggen N.C.B.! .. Wanneer deze drie toverletters worden uitgesproken hier in de provincie, heerst er even stilte... De Noord-Brabantsche Christelijke Boerenbond is een der machtigste verenigingen van het gewest, en volkomen in handen van de geestelijkheid. Geen enkele andere organisatie vertoont een discipline en een solidariteit als de N.C.B. En Vlimmen staat bij de geestelijkheid wel niet; dadelijk in het verdomhoekje, maar zij beschouwt hem toch met een zeer koel oog. Wat er tussen zit, weet niet iedereen precies, doet ook niet ter zake, maar hij is van zijn vrouw af, en dat is voldoende... Hij wordt; rustig aan zijn werk gelaten, doch daar is ook alles mee gezegd. Ze laten hem in de schaduw, halen hem nergens bij, pousseren hem | |
[pagina 136]
| |
voor niets. Het is bekend, dat hij z'n werk goed doet, en hij is zelfs doctor... Vorig jaar heeft in alle kranten gestaan, dat hij gepromoveerd was aan de Universiteit van Bern. De titel van het proefschrift werd er bij vermeld en maakte nogal indruk, omdat het Duits was en niemand in Dombergen - behalve Dirksen - er iets van begreep, ook niet de arts Treeborg, die zei, dat het nonsens was, bluf, en dat aan die Universiteit de grootste boerenlummel wel doctor kon worden... De boeren zijn in overdonderende meerderheid zeer tevreden en zelfs een beetje trots op hun veearts. Deze goede naam blijkt overigens hoofdzakelijk uit het feit, dat ze niet klagen of ‘scheinen’... Boeren zijn conservatief en achterdochtig, hebben een afschuw van verandering. Bovendien weten ze niet beter, houden Truus voor het wijfke van Vlimmus, Dop voor z'ne kleine, en Vlimmen spreekt het niet tegen. Hij lacht ook zelfs niet, als ze een scheut wijwater gieten in het voer van de zieke koe, waar hij toch eens naar moet komen kijken, wanneer de tuberculose er al langs voor en achter uitloopt... Vlimmen moet zo maar verder gaan bij de boeren en in Dombergen niet te veel in de weg lopen, dan zal het voorlopig wel schikken... ‘... u ziet, het is zo dicht bij de ruggegraat en dat leek me nogal précaire...’ Maar hij moet niet over de schreef komen en niet te veel gekheid maken, want dan zou het wel eens gauw afgelopen kunnen zijn. Vrij beroep?... Ha-ha! Dombergen is een mooie practijk; één wenk aan de moderator van de katholieke studentenvereniging in Utrecht en over een paar maanden wordt er een jonge dierenarts opgestuurd naar Dombergen, een volledig gedresseerd, achttien karaats katholiek, zonder Schönheitsfehler, en die kan rekenen op de steun van den geestelijken adviseur - dat wil zeggen het bestuur - der plaatselijke afdelin- | |
[pagina 137]
| |
gen van de N.C.B. Dan wordt het vechten voor Vlimmen, en het vurig verlangde Slachthuis kan hij wel uit zijn hoofd zetten... Huybrechts heeft het in de hand om Vlimmen meer in het zonnetje te zetten dan gezond voor hem is, en zo komt het, dat de vijf gulden nog steeds niet betaald zijn, ofschoon ze al voor meer dan vijf honderd gulden hartzeer veroorzaakt hebben... Dit alles speelt den geplaagden veearts zo vlug door het hoofd, dat de baron nu eerst aan het einde is van zijn bezwaren, terwijl hijzelf juist zijn witte jas heeft dichtgeknoopt.
‘We zullen eens zien,’ zegt Vlimmen. Hij heeft geen muilkorf die aan zo'n lange, spitse snuit past, maar nu de baas er zelf bij is, zal het zo wel lukken, ook zonder dat hij de muil dichtbindt. Daarom blijft het bij een lintje om de voorbenen en een om de achterbenen; het dier worstelt wel even, maar getweeê'n leggen ze het gevaarte zonder moeite op de toonbank. ‘Als u nou met beide handen de kop op de voorbenen drukt, meneer van Neerwetten, dan kan hij niet veel kunsten meer maken. Ik denk, dat ik hem even een prik zal moeten geven.’ Uit de instrumentenkast neemt hij een scalpel en een kromme schaar, betast even het gezwel op de rug en begint de witte haren weg te knippen. ‘Ik kan me voorstellen, dat hij er ziek van is; 't is een hevige puist.’ In de lange haardos verschijnt een plek rose, bijna menselijke huid. Het operatie-mesje staat in de alcohol. ‘'t Is goed, dat u komt, want aan de andere kant van de wervelkolom heeft hij het ook, ofschoon niet zo erg. 't Zal inderdaad een beet zijn: de tanden staan links en rechts van de ruggegraat.’ ‘O,’ zegt de baron, en er staan heel fijne zweetdrop- | |
[pagina 138]
| |
peltjes op zijn neusvleugels. Vlimmen pakt het mes. ‘Wilt u nu even goed vasthouden?’ ‘Braaf, Orloff, bráááf!’ De hond smijt een paar maal met de geboeide achterbenen. Hij beslaat de gehele lengte van de operatietafel, en Vlimmen denkt met enige bezorgdheid aan zijn potjeswinkel... Dan maakt hij vlug en handig de vlijmende kruissnede en dadelijk welt de bloederige, gele pus overvloedig uit de diepe wonde. Het dier jankt hartverscheurend en tracht zich los te rukken. ‘Pus bonuin et laudabile,’ knikt Vlimmen vergenoegd en pakt een dot watten. De baron geeuwt, maar toevallig ziet Vlimmen het niet, want de hond dreigt op dit ogenblik van de tafel te schuiven. Daarom gaat deze ernstige waarschuwing aan hem voorbij... Hij dekt de wonde voorlopig af met watten, wil de andere kant gaan behandelen en bemerkt pas, dat het al te laat is, wanneer de baron een serie kleine, gedistingeerde windjes laat. Dit is het onfeilbare teken; Vlimmen grijpt hem nog juist met een forse hand in zijn vest en strijkt hem zo zacht mogelijk neer langs de toonbank. Terwijl hij daarbij het hoofd naast de tafel buigt, kan hij als door een wonder op het zelfde moment de barzoi nog een stomp in de flank geven en dat spaart hem een opengereten wang, want de geweldige kaken klikken nu met een vinnige metaalklank op elkaar vlak naast zijn oor... Hij springt opzij en schiet onmiddellijk weer toe, als hij ziet, dat de Rus zijn lange benen dreigt te breken bij een val van de toonbank, doet een gelukkige greep juist achter de oren, houdt stevig vast en brengt het dier in evenwicht. De vieze, bloederige pus-watten zijn van de tafel gerold en liggen vlak naast de hand van den levenloos uitgestrekten baron. Met de punt van de schoen wipt Vlimmen de watten op zij, ondanks alle opschudding ziet hij duidelijk en geïnteresseerd, dat de baron al een beetje grijs | |
[pagina 139]
| |
wordt bij de slapen, en vraagt zich af, hoe oud Van Neerwetten dan al mag zijn... Nu probeert hij met één hand het grote dier in bedwang te houden en met de andere de deurknop te bereiken, maar de hond krijgt daarbij de mouw van de witte jas tussen de puntige tanden, daarom geeft hij de poging op en tracht ‘Truus!’ te schreeuwen boven het razende geblaf uit. Bedenkt, dat Truus boven is om Dop naar bed te brengen, roept Jaantje en dan Mina... Het zweet drijft hem over het voorhoofd; hij weet, dat hij vecht met een dier, dat even gevaarlijk is als een wolf, en dat hem even grondig kan toetakelen. Het beest worstelt steeds heviger, dol van angst en woede om den gevallen baas. Vlimmen wurgt den witten rover met beide handen neer en na een poosje lukt het hem met de voet de deur open te haken. Uit de keuken galmt het tweestemmig en geestdriftig: En in traaa-nen stort zij neee-der,
‘Graaf, o, graaf voor twee een graf!’
Uitzinnig van drift, brult hij zijn stem stuk, maar meteen klinkt hef en bescheiden het belletje van Dacka aan de voordeur... Dit is een van de zeldzame keren, dat Doctor Vlimmen het woord richt tot een van de dienstmeisjes, dat nu, frunnekend aan haar witte schortje uit de keuken komt. Het woord is niet stichtelijk... Jaantje staat er stijf van. ‘Roep mevrouw!!’ schreeuwt hij dan... ‘Nee, gans! Doe eerstopen!... Floor, kom 'ns gauw! Help eens even!’ Dacka staat verstomd op de drempel van de apotheek. ‘Jezus-Mina! Dat is Van Neerwetten,’ weet hij zeer stellig. ‘O ja?!... Kom hier en neem die hond over!... Kom, schuif je handen onder de mijne en druk hem met alle macht op de -’ | |
[pagina 140]
| |
‘Verrek jij maar! Ik doe 't al in m'n broek, als ik naar die tanden kijk.’ Jaantje, die intussen haar schortje heus heeft vastgestrikt, krijgt een lachstuip, maar Vlimmen kijkt haar zo woest aan, dat ze schielijk uit de deuropening verdwijnt. ‘Sleur dan dat lijk hier weg! Leg hem binnen op de divan! Daar op de vensterbank, dat bruine flesje... Hou dat onder z'n neus!’ Doch daar komt Truus, statig in een lange, dunne japon, de trap af zweven. Ze heeft zich wat mooi gemaakt voor het bezoek en in deze herrie ziet ze er irriterend fris, koel en waardig uit. ‘O, ben je d'r eindelijk?’ verstout zich Vlimmen. ‘Kalmte, kalmte. Bedaar maar.’ Ze heeft dadelijk het geval overzien en neemt rustig de leiding. ‘Pak jij hem onder z'n armen, Floor.’ Meteen bukt ze zich al, neemt de bruine rijlaarzen van den baron in haar blote armen, en Dacka maakt van de gelegenheid misbruik om even waar te nemen, dat ze een rose, opengewerkte bustehouder draagt... Jaantje doet de voorkamer open, wipt naar voren en haalt de kussens van de divan. ‘Haal even het flesje vlugzout van de apotheek, Jaantje.’ Zij leggen den baron op de rustbank, zo, dat het hoofd naar beneden hangt, gesteund door Dacka. Een ogenblik later staat Truus weer in de apotheek. Vlug, doch zonder enige gejaagdheid, knipt ze een stuk lint van het rolletje, maakt een lus, schuift deze om de lange bek, haalt het bandje toe en knoopt het vakkundig achter de oren vast. Ze zegt niets, doch op haar gezicht kan Vlimmen heel duidelijk lezen: ‘Dat hadt je eerder kunnen doen, dan was al die deining niet nodig geweest.’ Opeens heerst er stilte; de weergalm van het scherpe geblaf drijft langzaam af. In het glazen instrumentarium | |
[pagina 141]
| |
rinkelt een wiebelend instrumentje nog lang na. ‘Ik zag het niet aankomen,’ bromt hij, laat de hond los en buigt een paar maal zijn krampende armen. ‘Beest had me verdomme bijna m'n smoel opengehaald... Die meiden van jou waren aan 't bleiren in de keuken! Kon ze niet eens beschreeuwen.’ Hij zoekt radeloos naar een middel om haar ook een beetje de schuld te geven, maar vindt het niet, brengt het niet verder dan: die meiden van jou... Het is wel jammer, want hij heeft nu een prachtige gelegenheid om ook eens flink te zijn. Met Dacka én den baron in huis kan ze immers niet op haar gewone, overrompelende manier gaan uithalen... ‘Ga nou maar naar binnen en vraag of Floor hier komt!’ eindigt hij verongelijkt en berustend. Als ze binnenkomt, geeft Van Neerwetten weer tekenen van leven. De vale, gele kleur wijkt, hij wordt weer gezond bruin. Ze zetten hem wat overeind in de kussens en Truus houdt hem het flesje onder de neus... Een zware zucht, en de baron kijkt dodelijk verbaasd in het rond. ‘Dacka?’ vraagt hij peinzend. ‘Dácka?!’ ‘Ja, ja,’ zegt Floor. ‘Hoe is 't? Gaat al beter, wat?’ Van Neerwetten komt met een rukje overeind. ‘Goeie grut! Ben ik heus lijk geslagen?’ Dan bekijkt hij Truus als een geestverschijning. ‘O, pardon, mevrouw! Ben ik erg lastig geweest? Wat is er eigenlijk gebeurd?’ ‘Niets bizonders, meneer Van Neerwetten. Dat komt hier wel meer voor. Blijft u maar zoet liggen,’ zegt Truus, en het klinkt zo moederlijk, dat de zieke in een lach schiet. ‘Floor, Jan vraagt of je op de apotheek komt.’ ‘O,’ zegt Dacka lam en gaat schoorvoetend de deur uit. ‘Ik moet dat wilde dier van jou gaan temmen.’ De baron wil flink zijn, maar Truus, die op de dressoir een groot glas port inschenkt, onderschept hem. ‘Wilt u nou wel eens braaf blijven liggen?’ | |
[pagina 142]
| |
‘'t Is erg vriendelijk van u, mevrouw!’ zegt hij, als hij het glas aanneemt. ‘U moet niet zo netjes drinken, want dan helpt 't niet. In één haal is 't beste. En rustig blijven liggen, hoor!’ Meteen is ze de kamer uit, en de baron is al voldoende bij zijn positieven om dit staaltje van takt te bewonderen. Ze heeft trouwens nog een andere reden om hem alleen te laten, want Dacka als assistent vertrouwt ze ook niet helemaal, en er is maar één divan in huis... Maar Vlimmen heeft de vier benen tot een bundeltje bijeengebonden en werkt het geval rustig af. Wanneer hij zijn handen gewassen heeft en binnenkomt, staat Van Neerwetten verlegen lachend in zijn laarzen. ‘Hahá! U bent weer helemaal opgeknapt,’ prijst Vlimmen. ‘'t Werd tijd, geloof ik! Ik herinner me niets meer. Heeft 't lang geduurd?’ Mmnee... Nee... Nee. Ze zijn het er alle drie over eens, dat het maar even geduurd heeft. ‘Dat is me nog nooit overkomen,’ verontschuldigt zich Neerwetten. ‘Ik dacht zelfs, dat ik het een en ander kon verdragen. Vorige week had ik nog een knecht, die had z'n hele Hand opengehaald. Man bloedde als 'n rund... Ik heb hem toch zelf helemaal verbonden...’ ‘Ja-ja,’ geeft Vlimmen toe. ‘Als je 't zelf doet, is je aandacht in beslag genomen, dat scheelt veel. Bovendien, zijn er een massa menschen, die geen apotheeklucht verdragen.’ ‘Goeie mogge!’ lacht de baron, en het wil zeggen, dat hij nog niet bekomen is van zijn verbazing. ‘Nee, die apotheeklucht maakt me niets, geloof ik. Nooit iets van gemerkt!’ Dacka, die nog nooit is flauw gevallen, krijgt het te kwaad, en Vlimmen ziet het bijtijds. ‘Als dat zo is, meneer Van Neerwetten,’ haast hij, | |
[pagina 143]
| |
‘dan zou ik u willen voorstellen om even mee te gaan, dat we uw hond losmaken. Als u er bij bent, zal hij zich wel wat fatsoenlijker gedragen, denk ik, want op 't ogenblik heeft hij bepaald 'n hekel aan me. Hij is helemaal klaar en verbonden.’ De baron gaat al. ‘U hebt zeker wel een heet ogenblik gehad na die katzwijn van mij?’ ‘'t Gaat nogal,’ grinnikt Vlimmen. ‘Hij was bijna met een oor van me weg.’ Van Neerwetten streelt de lange kop en Vlimmen knipt de linten door. ‘Ik zal een fles gereed zetten om de wonden te wassen en dan zal hij gauw opgeknapt zijn.’ De hond staat er dromerig en onverschillig bij. Schijnt de hele geschiedenis weer vergeten. De baas houdt hem aan de halsband, maar als Vlimmen de toegestoken hand drukt, staat hij toch gereed om te schoppen op de eerste verdachte beweging. ‘Mevrouw, hartelijk bedankt voor uw goeie zorgen! Als dokter Vlimmen de volgende keer bijime op de stallen komt, moet u beloven om mee te gaan en uw glaasje port komen terughalen. Ik heb wel niet véél in de kelder, maar wát er staat kan ik u aanbevelen!’ ‘Dat is te vriendelijk aangeboden om te kunnen weigeren,’ glimlacht Truus. ‘Ik zal er zeker om denken.’ Er hangt een sfeer van ouderwetse hoffelijkheid en Vlimmen is op dit ogenblik weer een beetje trots op zijn zuster. Als het op complimenten aankomt,vindt hij zichzelf een onbeholpen, stotterende hark. ‘Nou Dacka! Wel bedankt voor je diensten als brancardier!’ En weer even monter als altijd beent Van Neerwetten met een zwierige ruiterpas de deur uit. |
|