Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 110]
| |
[14]Nog ver van het armelijke boerderijtje moeten ze de wagen in het slechte, natte karrespoor laten staan en volgen dan een modderig voetpaadje door het schrale, zure land. Naast het miserabele hoefje met zijn rieten dak ligt het erf met de mesthoop en een onbeschrijfelijke hoop rommel. Een gele, ruigharige hond van geheimzinnig ras gaat bezeten te keer, zodra ze de hut naderen. ‘Zeker een ouwe patiënt van je?’ hoont Dacka. ‘Ik hoop dat die ketting het houdt.’ Voor het lage raam verschijnen een vijftal vuile kinderkopjes. De deur is op slot. Vlimmen en Dacka staan een ogenblik sprakeloos in de hunkerende, verkleumde gezichtjes te kijken en dan gaat de. deur open. Een jongetje van een jaar of tien komt buiten en neemt zijn petje af. ‘Zo vriend! Vader en moeder zeker op den akker?’ ‘Jao, meneer.’ Dacka heeft eens binnengekeken, doch maar heel even. Armoe, vuilnis en vooral de kille, rottende kelderlucht duwen hem terug. In het half donkere vertrek is de wanorde niet eens schilderachtig meer. Er schijnt iets te leven onder de bonte vodden, die uit de wieg puilen. De muren zweten een groezelig vocht. ‘Waar staat de koei?’ vraagt Vlimmen. De jongen gaat zwijgend voor en opent de staldeur. | |
[pagina 111]
| |
Het kind heeft een ouwelijk, wijs gezichtje. ‘Ons vaoder roepe?’ ‘Ja, als 't niet te lang duurt.’ ‘Grote goden!’ roept Dacka, als de jongen wegdraaft op zijn klompjes. ‘Wat 'n toestand!’ ‘Ja! Die lui staan samen op de akker te zwoegen tot het donker wordt. Ze zijn nog geen steek verder dan de ouwe Batavieren. Zes onschuldige wurmen, die intussen worden opgesloten in een broedplaats van t.b.c.’ ‘Ja. wat is dat voor kolder? Met zulk mooi weer!’ ‘Zachtjes, zachtjes! Dat kan niet anders. Het oudste jongetje moet op alle kinderen tegelijk passen. Bovendien weet je niet hoe eenzaam het hier is. Het zal niet de eerste keer zijn geweest, dat ze last hebben gehad van landlopers en bedelaars. Die kerels worden wel 'ns brutaal, als ze op 'n afgelegen boerderijtje komen.’ Hij zet een overdreven declamatie-stem op: ‘Hier zijn twintig eeuwen West-Europeesche beschaving welhaast onopgemerkt voorbij gegaan!’ Het is een klein, doch zeer vuns potstalletje en er staat één koe, dik onder de mestkorsten. Een verstikkende lucht grijpt hen bij de keel. ‘Mag ik je voorstellen?’ zegt de dierenarts met een sierlijk handgebaar. ‘Het bedrijfskapitaal van deze onderneming... Als ze kapot gaat is dat de ruïne, want ik geloof niet, dat Pietje bij het fonds is... Dat kan hij niet betalen.’ ‘Is het ernstig?’ vraagt Dacka bezorgd. ‘Dat is zo niet te zeggen. Ik weet niet wat de klachten zijn.’ Hij haalt de thermometer uit het nikkelen kokertje, spuwt een paar maal op de kwikpunt en duwt hem in het achterste van de koe. ‘Durf je het aan om dit ding tegen te houden? Soms persen ze 't er weer uit.’ Schoorvoetend komt Dacka wat dichterbij, strekt een lange, angstige arm en houdt het topje van zijn wijs- | |
[pagina 112]
| |
vinger op de thermometer. Vlimmen zet de phonendoscoop op het hart en luistert, tast daarna met de vele wetenschappelijke handgrepen het dier af. Verlost dan Dacka, die vol spanning al zijn bewegingen gevolgd heeft, uit zijn hachelijke positie, en steekt na een onverschillige blik de thermometer weg. Hij voelt de gespannen nieuwsgierigheid van zijn vriend, trekt daarom een extra hardvochtig gezicht en zegt lekker niets. ‘Wat is 't ?’ Vlimmen onderdrukt een glimlach... Nu het zulke arme mensen zijn, is Meester Floris Dacka als de dood voor die koe!... ‘Tot dusverre ben ik zeer tevreden.’ Ook Floor is tevreden. Dat is te zien aan de manier, waarop hij de kin in zijn boordje drukt en de lippen spitst. Meteen komt Pietje Mulders aanbenen, een tevreden grijns op zijn verweerd gezicht, en twee passen achter hem huppelt zijn Keeke, een vinnig, monter vrouwke van twee turven hoog. Ze zweet danig en haar melkboerenkeeshondenhaar kleeft sprieterig op haar voorhoofd. In eens is het erf vol gekwetter, de kinderen breken los uit het huis, Keeke wordt omsingeld, vliegensvlug trekt ze een paar wollen dassen recht, snuit de ergste neuzen in haar voorschoot en jaagt het troepje weer naar binnen. Er is één speen, die haast niks meer geeft, luidt de klacht. Vlimmen vraagt een zeeltje en Keeke wipt vooruit als een jonge koolmees. ‘Loat mar, vrouwke!’ zegt Pietje, maar het kleine, jakkerende ding is hem voor. ‘Ik heb 't al!’ grinnekt ze vriendelijk, als ze hem het touw aanreikt. ‘Leg 't maar los om den hak, dat ze me niet kan raken, ’ commandeert Vlimmen. ‘Is er kokend water?’... | |
[pagina 113]
| |
Roef! Keeke schiet weer naar binnen. ‘'n Klein beetje is genoeg!’ waarschuwt hij nog... Meestal zetten ze immers zo'n dwaze hoop water op, dat het in geen half uur kookt. ‘'n Bietje is genog, vrouwke!’ roept Pietje haar na, en Dacka staat met open mond deze zeldzame boren-idylle te beleven. Wip! Daar staat Keeke weer in de stal. ‘'t Zal seffens koken,’ hijgt ze vrolijk en Pietje lacht trots van Vlimmen naar Dacka, alsof ze iets heel merkwaardigs heeft gezegd. Vlimmen bukt zich en probeert beurtelings de vier spenen; één weigert. Dan haalt hij het venijnige mesje uit zijn tas. Aan het lepelvormige uiteinde is een lange witte draad geknoopt. Het oudste jongetje komt zeggen dat het water kookt, en Keeke krijgt het instrumentje met opdracht het in de ketel te leggen en de draad er buiten te laten hangen. ‘O, jao, da's hendig om 't er wir uit te pakken,’ zegt ze intelligent en als een schich is ze weer door het lage deurtje verdwenen. De toon, die hier heerst, heeft Dacka nog nooit gehoord in een boerenhuwelijk. De armoede vervaagt, als hij Keeke's gezicht ziet. Met fladderende rokken, warm en bedrijvig, komt ze weer aantrippelen; het mesje bengelt aan een stomende draad op armslengte van haar af. ‘Prachtig!’ prijst Vlimmen. ‘Piet, even oppassen, dat ze me de benen niet kapot smijt.’ ‘Ze is anders heel mak; is 't nie, vrouwke?’ ‘O, jao!’ haalt ze uit. ‘Ze smet nooit.’ ‘Ja, dat ken ik, ’ bromt Vlimmen. Hij hurkt onder de koe en balanceert zich op de tenen. Het is een sluw mesje. Als het in de speen geschoven wordt, voelt de koe niets, maar op het ogenblik, dat hij het terugtrekt, wipt hij met een verend sprongetje opzij, juist buiten het bereik van de venijnig smijtende hoef. Het scheelt een paar centi- | |
[pagina 114]
| |
meter. Pietje wordt met touw en al naar voren gerukt en staat even te wankelen. ‘Nou heb je ze dan tenminste eens zien smijten,’ verwijt Vlimmen. ‘Da La 'k nie gedocht!’ verontschuldigde zich Pietje. ‘Ze ging vergimme mee me lope!’ Maar het zal hem geen twee keer overkomen; vastberaden slaat hij het koord een paar maal om de vuist en zet zich schrap. Uit de speen wellen enkele druppels bloed. Vlimmen trekt, en een flinke straal melk spoelt het bloed weg. Nog twee maal gaat het bedriegelijke tepelmesje in de speen, vlijmend wordt het teruggetrokken, maar nu breekt Pietje met zijn volle lichaamsgewicht de geweldige kracht van het suizende achterbeen. Royaal bruist nu de melk. Vlimmen richt zich op en knikt eens. ‘Probeer 't zelf maar 'ns, Keeke.’ ‘Och manneke toch! Zo goed hee ze 't nog nooit gedaon,’ zegt ze opgetogen tot Pietje. Dacka ziet, hoe de twee stumpers elkaar aankijken en in die éne blik ontdekt hij een wereld vol kinderlijk geluk... Vlimmen geeft zijn orders. Hij zal een doos zalf gereed zetten. In een emmer bij de put wast hij zijn handen met sunlight-zeep en Keeke staat al te wachten met een propere bonte handdoek, die ze in een ommezientje ergens vandaan heeft gegoocheld. ‘De koei is heel goed; ik had ze al onderzocht voordat ge kwaamt,’ zegt hij, en het kabouterpaar staat te stralen. Na uitbundig bedankt te zijn, lopen ze het voetpaadje weer af. Boven hun hoofd staat de bleek-blauwe lucht strak en koel, maar achter de verre, zwarte bossen van de Lievendaal gloeit het laatste licht van de zon. Een lage, witte nevel zweeft over het vochtige land. Volgens de stafkaart heet deze buurtschap Zuurland, en de gronden hebben hun naam niet gestolen. Niet zonder reden woont Pietje hier zoo eenzaam. ‘Groeit er nog zuurkel | |
[pagina 115]
| |
genog?’ vragen de boeren spottend, als ze informeren, hoe het gaat op het hoefke. Met onveranderlijke dapperheid antwoordt Pietje dan: ‘Beter dan giestere.’ ‘Wat een toestand op dat boerderijtje!’ herhaalt Dacka. ‘Hoe is 't mogelijk, dat die mensen er nog zo vrolijk onder zijn!’ ‘Ja!... En je zult toegeven, dat je als veearts toch een bepaald soort lef moet hebben om zulke mensen een normale rekening te sturen.’ Dacka schudt het hoofd, doch zwijgt diplomatiek. ‘Ik zal die doos zalf tegen inkoopsprijs berekenen,’ besluit Vlimmen en voelt zich een beetje; ‘Dat is tachtig cent. Wat ik verder te kort kom, verdeel ik over de rekeningen van een serie rijke, gierige stinkers... Maar één keer ben ik op deze manier hard met m'n hersens tegen de lamp gelopen! Dat was op Driegehuchten. Twee bejaarde broers en twee zusters op een snertboerderijtje. Een zwijnerij en een armoe! Daar is Pietje Mulders hier nog weelderig bij. De mensen hadden geen kleren aan, maar lompen. Zakken! De lappen hingen er bij en zelf stonden ze te zwaaien op hun benen van honger... dacht ils. Ik had Truus bij me, en toen we wegreden, zei ze: ‘Die lui kun je toch geen rekening sturen!’... Ik ben er nog verschillende keren geweest, heb me uit de naad gewerkt aan die éne gammele koe, die ze bezaten, en op 't eind van 't jaar scheurde Truus de rekening kapot... En twee jaar later hoor ik, dat zij ongeveer de rijkste, maar in ieder geval de gierigste smeerpoetsen van het dorp waren. Echte pathologische vrekken, waarvan er op 't ogenblik al één in 't zothuis zit. Na twee en half jaar kon ik natuurlijk niet meer met een rekening aankomen. Je begrijpt wat een wroeging ik dáárvan heb gehad! Op deze manier word je wel een beetje voorzichtiger.’ ‘De boeren betalen overigens wel vlot, is 't niet?’ | |
[pagina 116]
| |
‘Jawel. Ik mag niet klagen over de boeren. M'n slechte betalers zitten hoofdzakelijk in de stad. Maar je hebt wel boeren, die beginnen te schoppen over het bedrag, dat ik in rekening breng. Dat leer ik ze af op deze manier: Hannes Krop, van de Seefhoek, kwam een keer lawaai maken en hij trof Truus. Ze had de deur nog niet open, of hij begon al met een stem als een kanon, je kent dat wel: “Ik heb hier 'n rekening van twaalf gulden, mar die betaol ik nie!!”... Hij had met Truus natuurlijk de verkeerde voor. Ze schrok wel even, maar herstelde zich gauw. “Waarom niet?”... “'t Is veuls te veul; ik zal oe zeuve gulden geven, en ginne cent meer!”... Zij zei: “Als die rekening twaalf gulden is, moet je die betalen”... De pichem dacht sterk te staan en bood er toen acht. Geen kwestie van. Ten slotte tien. Het duurde alles bijeen wel een kwartier en eindelijk werd ze kwaad: “Twaalf gulden en anders neem je je rekening maar mee terug, dan zal ik het meneer zeggen, Hannes Krop!”... Tegen zo'n stoute taal bleek hij niet opgewassen en betaalde: “Ik mag toch wel afbieden!”.... “Nee, dat mag je niet, je staat hier niet op de markt,” zei Truus, tekende de rekening af en presenteerde volgens de gewoonte een sigaar. Zijn klauw schoot uit en hij greep er een handvol: “Ik zal er mar 'n paor meeneme, dan heb ik deze week wa te roke!” zei Krop en dan overdreven vriendelijk: “Nou goeien dag, hurre! En de groeten aon den baos!” Het volgend jaar kreeg Hannes Krop voor één bezoek aan 'n zieke koe, die direct geslacht moest worden, omdat ze één bonk t.b.c. was, een rekening van tien gulden thuis. Hij kwam. aanstormen als een wild dier; ik was toevallig juist thuis en ving hem op: “Wel, Hannes, wat kijk je benauwd? Een beest erg ziek?”... “Neeje, meneer, mar ik heb daor 'n rekening van oe gehad! Daor motte oew eige mee vergist hebbe!”... In neem de rekening van hem over en zeg heel ernstig: “Tien gulden, dat is toch | |
[pagina 117]
| |
niks te veel, Hannes?”... “En ge zijt er mar éne keer gewist, want ge het den bist direct laote slachte! Ze zaat vol pokke; da weet-de toch nog wel?”... “Zeker, zeker,” zeg ik, “maar ik dacht, dat je zou afbieden?” Het gezicht van Hannes was geld waard. Hij trok z'n mond zo ver open, dat het tabakssap over z'n kin liep. Ik bleef met moeite ernstig en vroeg: “Nou wat hadt je dan gedacht, dat het zijn moest?”; Zijn marktgeest schoot omhoog, z'n snuit stond weer normaal en vlotweg bood hij vier gulden... “Dat is te veel, Hannes,” zeg ik met een stalen voorhoofd, “ik vraag je een rijksdaalder!”... Hij stond weer even bedonderd te kijken, maar dan brulde hij door de apotheek, dat m'n potjes stonden te dansen: “Ge hét me te graze!!”... Toen ik z'n rekening afgetekend had, pakte ik het sigarenkistje en nam er voorzichtig ééntje uit. Ik dacht er nog juist aan, anders had hij me weer te grazen gehad. Op de stoep hoorde ik hem nog kreunen: “Hij is goed, hij is goed!”... Hannes Krop heeft later nooit meer afgedongen... Daartegenover staan trouwens veel meer gevallen, dat er tegelijk met het geld van de rekening een paar jonge haantjes of een korf eieren worden afgegeven.’
En hier verschijnt om de hoek van het paadje een zwarte, spichtige gedaante in de witte grondnevel, de oude pastoor van het gehucht Wolfschot. Hij ziet erg wit in zijn zwarte uitmonstering; witte haren, witte wenkbrauwen, en het witgele gezicht van een ziekelijken boer. Maar zijn felle, lichte oogjes staan alles behalve ziekelijk, of het zou ziekelijk nieuwsgierig moeten zijn. Hij zwerft steeds van de ene boerderij naar de andere, jaagt achter ieder nieuwtje aan en graaft ieder pietluttig dorpsgeheimpje op met de driftige gulzigheid van een fret. | |
[pagina 118]
| |
Ofschoon hij de laatste tijd een beetje verdrongen wordt door den dikken pastoor van Oetelbeek, die dan ook erg in de gaten loopt, gaan wijd in het rond nog de verhalen over den komieken pastoor van Wolfschot. Zo patrouilleerde hij een Zondagavond langs het Wolfschotse sentier des amoureux, en viel haast over de benen van een boerenpaar, dat lag te vrijen... ‘Wa ge aon 't doen zijt, weet ik nie,’ zei hij tot de verschrikte geliefden, ‘mar ge hebt er schoon weer bij!’ En deze niet te vergeten: Hij zat in de biechtstoel, en opeens zei hij tot den biechteling: ‘Ssst! Wacht 'ns efkens!’ Ze luisterden scherp en hoorden, dat niet ver van de kerk een varken gekeeld werd. ‘Haha!’ zei hij en smakte met de lippen. ‘Dat is bij Dielemans, da ze aon 't slachten zijn. Ik docht 't wel. Gao mar verder, m'ne goeie jongen, wa hedde nog meer gedaon?’ Ook nu komt hij dadelijk ter zake. Vlimmen en Dacka lichten hun hoed even op en zeggen: ‘Dag meneer pastoor.’ Als antwoord brengt hij de boerengroet: een opgestoken wijsvinger, en dan fel, haast beschuldigend: ‘Vlimmus! Ge zijt bij Mulders gewist!’ De twee kijken elkaar even aan en stikken bijna. ‘Meneer pastoor, mag ik u voorstellen?’ zegt Vlimmen, en hij drukt een beetje op meneer en u, ‘Meester Dacka, advocaat in Dombergen.’ De pastoor drilt zijn gloeiende oogjes diep en achterdochtig in die van Dacka. ‘Dacka?... Dacka?... Awekaot in Dombergen?... Daor heb ik nog nooët van geheurd!’ Dacka buigt gevleid en Vlimmen staat op springen, maar zonder enig oponthoud zet de pastoor zijn onderzoek voort. ‘Was er iets mee de koei van Pietjes? Wa hedde daor gedoan? Waorveur hee-t-ie oe laote kome?’ Zo'n brutale nieuwsgierigheid is te naïef om beledigend | |
[pagina 119]
| |
te zijn. Dacka heeft aanstonds het ‘type’ ontdekt en komt een eindje tegemoet, want Vlimmen kan op dit ogenblik niet praten. Doet hij nú zijn mond open, dan zal hij hem niet meer dicht krijgen, voordat hij den eerbiedwaardigen zielenherder van Wolfschot vierkant in zijn gezicht heeft uitgelachen. ‘O, 't is al weer beter, meneer pastoor,’ zegt de onbekende advocaat van Dombergen. ‘Er mankeerde iets aan een speen, maar iemand als dokter Vlimmen heeft zoiets natuurlijk in een ommezientje gerepareerd.’ ‘Zo? Is ze wir beter? Is de koei goed?’ Vlimmen knikt en trekt er een zeer angstig gezicht bij. Dacka vindt het tijd om van onderwerp te veranderen. ‘Apropos, wat een vriendelijk huwelijk lijkt me dat daar bij die mensen, meneer pastoor! Ik ga nog al eens met dokter Vlimmen mee naar de boeren, maar nog nooit heb ik 'n boerenechtpaar gezien, dat zo lief voor mekaar was. Gewoonlijk is het een gesnauw van: Hier! Ga 'ns weg! Vooruit! Schiet op!’ ‘O jao!’ neemt de pastoor over. ‘Da span accordeert tegesworrig héél goed... Mar dat is nie altij zo gewist...’ Ze wandelen gedrieën op en de pastoor is alleen aan het woord: Ja, toen ze pas getrouwd waren, was het dikwijls mis tussen Pietje en Keeke. Keeke heette toen Nelly, want ze had 'nen blauwe maandag in de stad gewerkt als broekenmaakster op een confectiefabriekske. Dat was 'n bietje in heur boerenkopke geslagen en ze had zo wat stadse streken gekregen... Afijn, da fabriekske ging op tijd failliet, ‘Nelly’ was zonder werk, Pietje huurde deez hoefke, en 't spul begon... Op 'ne keer kwam hij thuis met een grote scheur in z'n zondagse broek en toen Keeke, of Nelly, begon te scheinenGa naar voetnoot1) en zei, dat er aan | |
[pagina 120]
| |
die broek geen eer meer was te behalen en dat het 'n schandaal was om er nog mee naar de kerk te gaan, zei Pietje opeens: ‘Nou, gij zijt toch broekemaokster, is 't nie? Daor ben-de tenminste altij zo fier op. Laot dan 'ns zien wa ge kunt en moakt 'ns 'n nuuw broek veur me!’ Toen maakte Keeke 'n broek en Pietje paste ze aan... Hier blijft de pastoor even staan om meer nadruk te leggen op het geheimzinnige van het geval: ‘Jao, wà die broek nou mankeerde, kon Pietje nie zegge, of ze nou ergens spande of drukte, mar in ieder geval: zo gauw ie die broek aon ha, was 't, of ie gedurig moest piese!’ Nu brullen ze het eindelijk uit. Ze trekken krom van het lachen, wankelen als dronken van het ene been op het andere, doch de Man God's gaat ernstig voort met zijn verhaal: Afijn, op 't laatst werd Pietje zó zenuwachtig van die broek, dat er natuurlijk ruzie van kwam... ‘Daor dugt gin bliksem van die broek!’ riep Pietje, ‘'t Is 'n rotbroek!’ - ‘Die broek is goed!’ schreeuwde Keeke. ‘Ze zit precies volgens de mode!’ - ‘Nou, as ge dá denkt, dan is 't gin wonder, da da fabriekske naor de klote gegaon is!’ riep Pietje weer. ‘Da komt, omda ge nooët van oe leve 'n goei broek aon oew gat hebt gehad!’ wist Keeke... Toen schoot Pietje achter mekaar z'n broek uit en gooide ze Keeke naor d're kop: ‘Hier, trekt ze zelf aon, mislukte broekemaokster!’... Dat was te straf; Keeke schoot in d're gloeiende koleire, ze gooide terug mee de hete koffiekan, en Pietje brandde z'n eigen lelijk. Toen was er geen houwen meer aan; ze vochten als wilde beesten en op slot van zaken vloog Keeke de deur uit, schreeuwend als 'n verken, en mee 'n groot gat in d're kop. Pietje d'r achter aan in z'n onderbroek vol koffie en verders in z'n zwart trouwpak... 't Moest ongelukkig treffen, want Keeke liep om zo te zeggen recht onder | |
[pagina 121]
| |
de peerden van de twee masjesees, die daar toevallig net langs het hoefke kwamen toeren. Keeke bloeide nogal fel; 't leek natuurlijk veel erger dan 't was, en het zou nog niet zo heel slim zijn geweest, als Pietje maar tot bedaren was gekomen. Maar nee!... De masjesees moesten van d'r peerd stappen om Pietje van z'n vrouw af te trekken, en daarop begon ie dadelijk mee de masjesees te vechten... Toen was 't te laat en ze namen hem mee naar de kazerne. Maar 't schoonste van al was, dat Keeke ze nog een heel eind achterna kwam hollen mee de broek van Pietjes, omdat ze 't toch niet over d'r hart kon krijgen om hem voor schandaal in z'n onderbroek door het durp te laten marcheren. Nou, op de kazerne wou Pietje ook z'ne mond niet houden en was heel brutaal tegen de kommedant en zei: ‘Waor moei-de oe eige mee? Wa heb ik aon 'n wijf, as ik er nie eens op mag timmere?’ Er werd verbaal opgemaakt, 't kwam voor de Rechtbank en Pietje werd voorwaardelijk veroordeeld. Maar van stonde-n-af-aan was 't gedaan mee de ruzie en - zoals gezegd - ze accordeerden sedert bizunder goed... |
|