Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 94]
| |
[12]Het prachtige, donkere kloosterbier vloeit zacht naar binnen en Vlimmen zet met een zucht van voldaanheid het glas neer. ‘Nog niet zo'n kwaad vak: Trappist.’ ‘Als je alleen op het bier afkomt, zul je een kater strikken,’ waarschuwt Gervatius, vertelt dat de Trappisten aan tafel slechts zeer verdund bier krijgen en geeft een overzicht van de schrale voeding. Bij wijze van tegenstelling doet Vlimmen een verhaal over den dikken pastoor van Oetelbeek, waar hij eens geroepen was voor het hondje: ‘Dop was meegegaan, en de pastoorsmeid had nog niet helemaal de deur open of ze deed al: ssst!, want meneer pastoor sliep. En het hondje was bij hem in de kamer; dus of de dokter maar eens een keertje terug wou komen. De dokter vond dat wel een beetje te grijs, zei dat hij expres dit hele eind was gekomen en dan een tweede visite in rekening zou moeten brengen. Dat hielp... Als Dop, die natuurlijk boven alles uit kakelde, héél stil was, zou ze eens voorzichtig het hondje uit de kamer zien te krijgen... Ze deed de deur open op een manier, alsof meneer pastoor op het geringste geruchtje zou dood blijven. De hond zette aanstonds een keel op, waarvan de ruiten rinkelden. Ik kwam eens door de deur kijken, in de overtuiging, dat meneer pastoor nu wel wakker zou zijn. Ik schrok ervan! Hij lag paars achterover in zijn stoel, z'n mond wijd open, én zagen! 't Was werkelijk een ziekelijk gezicht. | |
[pagina 95]
| |
De tafel was nog niet afgeruimd, er stonden een lichte en een donkere fles, en overigens nog voldoende leeftocht voor drie normale menschen. Het duurde zeker een halve minuut, voordat het keffende hondje zich liet vangen. 't Was of horen en zien verging... Ik heb tenslotte het beestje in de keuken behandeld, en toen ik wegging, hoorde ik hem vanuit de gang nòg zagen.’ Gervatius schudt lachend het hoofd. ‘Wat dat betreft, doen jullie, magere fanatiekelingen, wel wat sympathieker aan,’ geeft Dacka toe. ‘Zo'n zwijn moest eigenlijk door jullie opgehangen worden. De fatsoenlijke geestelijkheid, waarvoor iedereen respect kan hebben, moest het recht hebben om zulk tuig uit te roeien.’ ‘Hè ja!’ grinnikt Gervaas en gaat er breed voor zitten. ‘Laten we weer eens gezellig gaan overdrijven... Is er nog iemand, die iets ter verdediging van dezen eerwaarden heer heeft aan te voeren?... Dan -’ ‘Wacht even!’ waarschuwt Vlimmen. ‘We zijn er nog niet... In dat dorp is kort geleden nog een ernstig sterfgeval geweest... Nolleke van Hemert is een doodarm boerke, zo arm, dat ik hem nooit een rekening durf te sturen... en dat wil wat zeggen!’ ‘Dan schenk ik je nog eens in om je verlies enigszins te beperken,’ zegt Gervaas. ‘Ga verder.’ ‘Nolleke heeft twee koeien op stal, of eigenlijk niet, want de tweede is meer tuberculose dan koe. En ieder jaar een kind. Nu is twee weken geleden z'n vrouw gestorven, ik weet niet precies, of het bij gelegenheid van de achtste of de negende bevalling was, maar het kind leeft nog. Dus Nolleke van Hemert is er mee klaar... De pastoor kwam dadelijk na zijn middagdutje op bezoek. Hij kwam bij die armoelijers voorgereden met z'n nieuwe Buick van acht duizend gulden, klopte Nolleke op de schouder en zei, dat Nolleke voor de begrafenis maar niet hoger moest vliegen, dan hij goed en wel kon betalen.’ | |
[pagina 96]
| |
Even trekt er een waas over de kinderlijke ogen van Gervatius; hij bloost tot onder de korte stoppels van zijn schedel. Vlimmen ziet het en omdat het hem ergert, dat hij dit onschuldige lieveherebeestje heeft gekwetst, windt hij zich op. ‘Ja Gervaas! Jullie hier in je prachtige klooster weten niet, wat er op straat gebeurt. Je vraagt je af, hoe het komt, dat de mensen er genoeg van krijgen. Dat is de schuld van dergelijke types. Je ziet ons aan voor ketters, die uit alles venijn zuigen, wat? Jij weet alleen hoe mooi het is en hoe gelukkig je hier bent in jullie communistische gemeenschap. Dat kan Dacka zich zelfs wel voorstellen. We zouden allebei in jouw plaats willen zijn, als we konden. Ik vertel je zulke dinge niet om je te pesten, maar omdat je ook enigszins zou kunnen begrijpen hoe wij er tegenaan kijken!’ ‘Op de eerste plaats is het de vraag, of een dergelijk sterk verhaal waar is,’ zegt Gervatius. ‘Op de tweede plaats -’ ‘Ja wijsgeer, ik weet wat je zeggen wilt. Op de tweede plaats is de verantwoordelijkheid voor die éne dikke pastoor en kun je her, systeem niet aansprakelijk stellen voor de personen... Maar op de eerste plaats heeft Nolleke me het sterke verhaal zelf verteld en was er helemaal niet zo verwonderd over als jij. Hij vond het zelfs heel vriendelijk van meneer pastoor, dat die hem zo ver tegemoet kwam in zijn zware zorgen. En omdat het begrafenisje er inderdaad bedonderd uitzag, verontschuldigde hij zich bij z'n buren met wat de pastoor hem had opgedragen... 't Was 't eerste wat ie zee, toen ie binnekwam, zegt Nolleke vol waardering... En wat het systeem betreft, kan ik je nog een verhaal doen, dat je kunt geloven, want ik heb het uit de eerste hand: Op een avond krijg ik bezoek van Drika Donkers, een boerenmaagd van achter in de dertig, op d'r zondags uit- | |
[pagina 97]
| |
gedost. Ik zie dadelijk, dat er iets niet in orde is, want haar gezicht staat meer naar huilen dan naat lachen: ‘Ik kom de rekening betaole, meneer, mor zou d'r nie wat afkunne, want 'tis zo veul en we hebbe de leste tijd al zo'n grote onkoste gehad’... Ik zeg, dat ik het eens zal nazien en sla m'n boek op. Totaal drie en dertig gulden. Er was veel werk geweest, en géén frisse karweitjes: kreupele koe, zware verlossing, later de nageboorte moeten halen, enzovoort. De rekening was laag, al zeg ik het zelf, want hoe hoger ze wordt, hoe lager onze tarieven zakken. Wij zijn geen huisdokters, die maar blijven plukken, wij behandelen kapitaal, en dan nog maar een heel klein kapitaaltje, zodat het voor de menschen niet te duur mag worden. Waar de huisdokter een slepende patiënt kan maken, die hem jaarlijks een vast sommetje bezorgt, gaan onze patiënten naar het slachthuis, zodra de genezing wat tegenhoudt, of, zoals de boeren zeggen: het kalf groter wordt dan de koe. Wij moeten onmiddellijk resultaat hebben, anders zijn we de mensen niet tot nut... ‘Nou Drika,’ zei ik, ‘daar is nog al het een en ander geweest voor die drie en dertig gulden,’ en daar was ze 't mee eens: ‘'t Is niks te veul, da wil ik nie zegge, niks te veul veur 't werk da ge gedaon hebt, en 't is allemol goed afgelope ok nog, mar we hebbe zo'n grote koste gehad: ons moeder is pas gesturve...’ En Drika begint hard te huilen. Ik zat er even van te kijken. De weduwe Donkers was voor 'n paar maanden nog erg vinnig en deed op stal nog het woord voor haar kinderen van om en bij de veertig. Ik vroeg hoe dat zo gauw gekomen was en kreeg natuurlijk een eindeloos verhaal: Vandaag drie weken geleden was ons moeder 's avonds in elkaar gezakt, vertelde Drika. 't Was een beroerte en de dokter gaf al direct geen hoop meer. Ze moest dadelijk bediend worden en 's morgens was ze dood. Toen ze 's nachts zo erg lag, kon ze niet meer praten, maar d'r ogen stonden nog goed. | |
[pagina 98]
| |
De kinderen wilden weten hoe het goeie mens wou begraven worden, maar ze kon niet antwoorden. Drika had al 'n paar keer gevraagd, hoe ze 't hebben wilde, eerste of tweede klas, maar kreeg er geen woord uit. Toen dacht Drika, dat ze wel eerste klas wou, en toen ze het vroeg, knikte het ouwe mens. Ze vroeg het nog eens, want dat was wel wat hoog voor die mensen, maar de zieke knikte weer heel duidelijk. Drika zei: ‘Da's goed, moeder,’ en toen is het menske rustig gestorven. ‘'t Was wel erg duur vur onze stand, mar de leste wil moet-de naokome,’ vond Drika. ‘'tWas heel plechtig, da moet ik zegge: 'n Mis mee drie here, mar de pastoor vroeg drie honderd gulde en direct betaole. Toen kwam de koster nog mee allerhande dinge, zoda we vier honderd gulde kwijt ware. We hebbe d'r al 'n koei veur moete verkope, en nou wou ik 'ns vraoge of oew rekening asteblieft nie wa minder kon...’ Tegen zooveel logica was ik niet opgewassen. Ik betuigde m'n deelneming en verminderde m'n rekening met drie gulden. Drika betaalde opgelucht de overige dertig en verdween... En dan nog te moeten denken, dat de pastoor gemakkelijker in de hemel komt dan de veearts, 't Is ongelijk verdeeld -’ ‘Dat laatste zullen we voorlopig in het midden laten,’ lacht Gervatius. ‘Daar ben ik niet zo zeker van. Een pastoor, die er de kantjes afloopt en idiote streken uithaalt, zal bij Sinte Pieter een zwaardere karwei hebben, dunkt me, dan de hardwerkende veearts, die leeft naar de gangbare regelen van fatsoen en gezond verstand, ook al is hij niet zo bijster godsdienstig... Dus dit is het systeem, bedoel je? Dat er te veel geld gevergd wordt? Dan vergeet je, dat de mensen het zichzelf aandoen. In jouw geval was het natuurliik 'n beetje anders. Dat die mensen boven hun krachten gaan op de veronderstelde wens van een moeder, die half bewusteloos is, zullen we moeten aanvaarden als een sympathiek teveel aan | |
[pagina 99]
| |
piëteit... Maar wie stelt de prijzen vast? Het kerkbestuur, dat bestaat uit brave burgers, zoals jullie -’ ‘Waarvan de pastoor voorzitter is,’ snijdt Dacka, ‘en natuurlijk niets te zeggen heeft.’ ‘Als die kerkregenten zich door den pastoor tegen hun eigen overtuiging laten ringeloren, is dat hun persoonlijke schuld. In ieder geval hebben ze de meerderheid en dus de macht om aan eventuele dwaze toestanden een eind te maken.’ Vlimmen steekt met gemaakte olijkheid een vinger op. ‘Pas op, Gervaas! Jij bijt je vast in de juristerij van deze affaire. Dar het op papier in orde zal zijn, betwijfel ik geen ogenblik. Er is negentien eeuwen aan geknutseld en het is de prachtigste organisatie van heel de wereld... De grote lijn moet je niet verliezen. Wie maakt en breekt de venijnige Brabantse dorpscritiek? De pastoor en zijn onmiddellijke omgeving. Nolleke van Hemert voelt zelf, dat de begrafenis van z'n afgetobd wijfke hem declasseert in de ogen van de mensen, waarmee hij moet leven, en daarom dekt hij zich achter den pastoor, die zoo goed is geweest hem verlof te geven om zich niet helemaal uit te kleden voor de begrafenis. Deze sfeer is er, en het spijt me wel, maar die is gemaakt door de pastoor met medewerking van het coterietje dorpspotentaten, dat altijd en overal in Brabant aan zijn slippen hangt... Gervaas, jij bent een van de weinige geestelijken, met wie ik er over kan praten. Als ik me tegenover de meeste anderen zo uitliet, zou er al gauw naar een andere veearts worden uitgezien. En hetzelfde bepaalt de houding van de kerkmeesters, die jij verantwoordelijk wilt stellen.’ ‘In onze faculteit noemen ze dat positieve moraal,’ springt Dacka bij. ‘Ketelmuziek voor het huis van den boerenjongen, die een meisje verleid heeft, om hem tot een huwelijk te dwingen. Boycott! Die positieve moraal is een veel feller wapen dan de strafwet. Hoeveel Bra- | |
[pagina 100]
| |
banders, ook in de steden, kunnen zich de vrijheid veroorloven van niet naar de kerk te gaan, zonder datze onverwijld geldelijk nadeel zullen ondervinden? Wie finantiëel onafhankelijk is, kan er ook nog niet zo gemakkelijk onderuit, want hij zal worden genegeerd door de grote meerderheid van z'n kennissen; een vloed van laster en verdachtmaking gaat over z'n hoofd en met die verzameling van belachelijke kleinigheden waaruit een dag is samengesteld, wordt hem iedere dag bedorven.’ ‘Toen ik pas in Dombergen kwam,’ gaat Vlimmen voort, ‘zat ik op een Zondagmorgen in de kerk. 't Was even voordat de Mis begon. Een vriend uit m'n studententijd die ook in Dombergen terecht gekomen is, kwam de kerk binnen en terwijl hij me passeerde boog hij zien even over me heen en fluisterde: Kom jij hier ook voor ie broodje?... Dit ene voorbeeldje typeert een toestand en een dergelijke toestand kan ik geen godsdienst meer noemen.’ Gervaas kon er slechts mee glimlachen. ‘Je vergeet één ding: Er zijn drie kerkenGa naar voetnoot1) en wij behoren op het ogenblik tot de Strijdende Kerk op aarde. Strijd is in het algemeen nooit fraai, en één van de partiien, de kerk dus, kan niet alleen het fraaie karakter van de strijd bepalen, daarvoor is ze te afhankelijk van de maneuvers van de tegenpartij. Als de kerk erg lammegoedzakkerig optrad, zou het gauw met haar afgelopen zijn. Er is een grote kans, dat die meneer, die nu voor zijn boterham in de kerk zit te huichelen, op het ogenblik dat de kerk de strijd staakt, letterlijk of figuurlijk de kerkramen ingooit... Laten we zeggen, dat de kerk in Brabant macht heeft. Die macht houdt ze maar juist zo lang, als ze zich haar vijanden van het lijf weet te | |
[pagina 101]
| |
houden... Neem onze vriend Dacka. Hij is ongelovig en het is zeer waarschijnlijk, dat hij in zijn dagelijks leven de katholieke kerk als een lastige hinderpaal op zijn weg vindt -’ ‘Nee, dat is maar een idee van je,’ spot Dacka. ‘Gevolg is wrijving. Als Dacka niet gelooft, is het zijn goed recht om de kerk te verfoeien en tebestrijden, waarbij we zullen aannemen, dat hij het op een menselijke en beschaafde manier zal doen. Maar nu moet je de kerk niet het recht ontzeggen om van zich af te slaan. Zolang het mogelijk is, zal ze dat doen met jullie positieve moraal en dat is een van de onschuldigste verweermiddelen.’ ‘Maar geniepig en venijnig.’ ‘Het kan veel erger. In Mexico werden kerken en kerkgangers beschoten met machinegeweren. Voorlopig wordt zoiets hier voorkomen door jullie venijnige Brabantse dorpscritiek, die lang niet zo ongezond is als schieten. De aanvallers in toom houden is beter dan terugschieten. Hier op aarde is geen enkel strijdmiddel onberispelijk. Maar de kerk heeft altijd gestreden en zal blijven strijden, want strijd is haar nu eenmaal opgelegd als een taak.’ Nu zitten de twee anderen een tijdlang zwaar te peinzen, tot Dacka in een lach schiet. ‘'t Is op 't ogenblik één-nul voor Gervaas,’ zegt hij eerlijk. ‘Daar moet ik nog eens over denken,’ twijfelt Vlimmen. ‘Lijkt dat niet bedenkelijk op het doel, dat de middelen heiligt? Zijn de mensen er voor de kerk, of is de kerk er voor de mensen?’ ‘'t Ligt er aan van welke kant je de zaak bekijkt. Een reglement kan niet zó goed zijn, of het zal in uitzonderingsgevallen slachtoffers malken. Jullie zitten te staren op individuen als Nolleke van Hemert, de pastoor van Oetelbeek en Drika Dinges. Wanneer we afspreken, dat | |
[pagina 102]
| |
het algemeen belang - in casu van de kerk - voor het particulier belang gaat, geloof ik dat we op de juiste weg zijn.’ ‘Als ik de volgende keer hier kom, krijg je antwoord,’ belooft Vlimmen. ‘Dan zal ik m'n papieren eens meebrengen, en zullen we 't eens hebben over m'n kerkelijke echtscheidingsavonturen.’ ‘Dus voorlopig veertien dagen uitstel voor repliek,’ constateert Mr. Dacka. ‘Over die dikke pastoor van Oetelbeek hoorde ik laatst nog een goeie mop,’ vertelt Vlimmen. ‘Hij had weer iets nodig; ik weet niet meer of het een nieuwe doopvont of een koperen communiebank was. Hij begon met zijn rijke parochianen een poot uit te draaien en bovenaan op de lijst stond Jantje van Duizel voor duizend gulden aangeslagen. Jantje is een oud, rijk en verschrikkelijk eigenwijs boerke, bovendien is hij nog lam in de benen, en dat maakt hem wat lastig... Hij was de eerste, waar de pastoor zijn neus stiet. Jantje wilde met plezier duizend pietermannen schokken, máár... voor een nieuw orgel, want hij heeft een oomzegger, die orgel studeert en organist zal worden, als de tegenwoordige virtuoos plaats maakt... Het onderhoud werd enigszins gemouvementeerd, de pastoor sloeg met zijn vuist midden op de tafel, en liep ten slotte kwaad weg zonder zijn duizend pop. Toen begon hij Jantje lekker te pesten en de mooiste gelegenheid kreeg hij, toen Jantje's dochter trouwde, 't Was de duurste eerste-klas Mis, die er in Oetelbeek te koop was en Jantje werd met zijn hoge hoed op een Oirschotse stoel in de kerk gedragen. De pastoor liet eerst het gezelschap twintig minuten wachten, rammelde dan de dienst in recordtijd af, en toen de stoet uit de kerk trok, rende hij naar de deur en smeet die hoogsteigenhandig met een grote bons achter de laatste bruiloftsganger dicht.’ | |
[pagina 103]
| |
‘En nou gaan we gezellig worden,’ zegt Dacka. ‘Ik vind, dat zo'n vent voor de inquisitoriale rechtbank moet worden gedaagd, die constateert, dat hij de gezamelijke geestelijkheid heeft te schande gemaakt, en die hem veroordeelt om zeer plechtig te worden opgehangen aan de hoogste boom van Oetelbeek onder toezicht van de aartsbisschop en de bisschoppen van Nederland -’ ‘En een kardinaal!’ bedenkt Vlimmen. ‘Natuurlijk! Een kardinaal moet er bij zijn, anders is het ophangen niet geldig... De plechtigheid begint met een speciale dienst in de Oetelbeekse kerk met veel wierook en hosannah, wat de menigte in vervoering brengt, en van daaruit gaat het in processie naar de galg. Heel het dorp is op z'n zondags en alle vaantjes worden meegedragen. Van heinde en verre zijn natuurlijk de bedevaartgangers gekomen om het heilige feest bij te wonen, en je weet wel, de marskramers, kunstenmakers, wonderdokters, goochelaars en bedelmonniken... De dikke pastoor loopt in zijn hemd en op blote voeten. Hij is in ijzeren ketenen geklonken en wordt begeleid door vier beulsknechten, die gewapend zijn met hellebaarden, zoals de suisse er een heeft, waarmee ze den veroordeelde af en toe minzaam tot doorlopen overtuigen. Voor beulsknechten neem je dan natuurlijk vier taaie, aangebakken zendelingen, uh, ik bedoel missionarissen uit de tropen, die net met Europees verlof zijn. Ik bedoel zo van die halfwilde missionarissen, je weet wel, die minstens tien jaar bij de kannibalen gediend hebben... Maar het moeten broodmagere rakkers zijn bij wijze van contrast -’ ‘Ja!’ knikt Vlimmen peinzend. ‘Dat is wel een voordelige pose.’ Gervaas houdt zijn ribben vast. ‘Het angstgegil van het dikke zwijn wordt overstemd door Allelujah-gezang -’ ‘Wacht even!’ onderbreekt Vlimmen in zware ernst. | |
[pagina 104]
| |
‘Dat gaat niet. Ze kunnen niet heel de weg langs als-maar alleluja zingen. Daar moeten we een speciaal latijns gezang voor hebben... Bijvoorbeeld: Pendebit in nomine Domini: hij zal hángen in naam des Heren... Deo gratiass, antwoordt de menigte meerstemmig -’ ‘Nee! Deo gratias komt op 't laatst,’ zegt Dacka opgewonden. ‘Neem liever gaudeamus igitur: laten wij ons derhalve verheugen!’ ‘Och jô, dat is een studentenmop! Schei jij nou uit, want jij hebt geen verstand van liturgisch gezang -’ ‘En drinken jullie je bier uit, voordat ik kwaad word,’ dreigt Gervatius, die zich met moeite tot bedaren brengt. Zij haasten zich als kwajongens. Trappistenbier is voornamer dan het halsrechten van dikke pastoors. ‘Dus deze kwestie moet eerst geregeld -worden,’ zegt de Vlim en veegt met een kinderachtig zakdoekje het schuim van zijn lip. ‘Gervaas, op het seminarie hebben ze je immers afgericht op het maken van latijnse verzen; is 't niet? De Poesis bestaat toch nog? Probeer jij eens een geschkt lied in elkaar te strengelen. Dan zullen we het programma de volgende keer verder afwerken.’ |
|