Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 41]
| |
[4]Niemand begreep iets van het vreemde huwelijk van den nieuwbakken veearts Vlimmen, hijzelf misschien het minste. In zijn Utrechts Studentenmilieu, zoals overal elders, uitte.zich de puberteitscrisis van de heren in die lawaaierige en uiterlijke vernietiging van het laatste greintje eerbied voor het schone geslacht, de gewone kwajongensachtige overcompensatie van een dodelijke verlegenheid ten opzichte van ieder behoorlijk meisje. De jongelui uit de omgeving van ‘De Vlim’ schenen te vergeten, dat ze zelf moeders en zusters hadden, en behandelden alles wat der vrouw is op een overdreven scabreuze manier. Hun sexuele snoeverij hing hun vaak zelf de keel uit. Bij dat al was Vlimmen niet de enige onder zijn kornuiten, die voor iedere vrouwenrok op de vlucht sloeg... Toch had hij het in zijn jeugd ook een keer geprobeerd, maar het geweldige fiasco werkte heel zijn studententijd nog na. Hij was een veertienjarig gymnasiast en zij een naaistertje van dezelfde leeftijd. Haar naam weet hij nog steeds en zal hij nooit vergeten; ze had glimmende dierenogen en dikke, natte lippen. Het was bekend, dat ze zich door iederen jongen, Het beknuffelen en de hele klas was er al mee ‘uit’ geweest. De kleine Vlim was de laatste, die meende, dat hij aan zijn stand verplicht was om er ook over mee te kunnen praten. Hij wachtte haar drie dagen op, doch eerst de vierde avond durfde hij haar aan te spreken. De wandeling door het laantje was de | |
[pagina 42]
| |
grootste marteling, die hij ooit had beleefd. Ten slotte stelde hij zichzelf termijnen: Nou nog tien bomen, en dan begin ik te kussen! Onderwijl deed hij verlammende pogingen om het giebelende gesprek gaande te houden. Maar bij de tiende boom stelde hij het zoenen weer vijf bomen uit... Het gemakkelijke meisje werd er op het laatst kribbig van, het onderhoud werd stekelig en zijn eerste avontuur eindigde in een hysterische lachkramp van het wicht, dat niet meer tot bedaren kwam en het op een lopen zette. Een paar dagen later wist natuurlijk de hele klas, wat een sebedeüs hij was... Zelfs in het gezelschap van de drie of vier erkende Utrechtsche beroepsvrouwen, die al niet meer in normale cafe's werden toegelaten, voelde hij zich verre van gerust, en als een der clubleden vrouwelijk familiebezoek aankondigde, was Vlimmen niet bij het kopje thee in L'Europe, waar de vriendjes werden voorgesteld, of hij moest tevoren courage hebben gedronken. Met drie borrels was hij dan - zo te zien - toch enigszins man en nam hij een bescheiden en zwijgzaam aandeel in de huidebetuiging, bang, dat hij een kopje zou laten vallen, of te veel naar pepermunt ruiken, wat op zichzelf natuurlijk ook verdacht is. De geblaseerde vuilbekken waren dan trouwens allen onder een hoedje te vangen; men zou hen niet herkend hebben. De een was al meer dominee dan de ander. Hun slaafse, ademloze eerbied, moet deze mama's en zusjes wel een tam idee hebben gegeven van die interessante studenten... Het had merkwaardig veel van een begrafenisbezoek, en als Vlimmen zonder ongelukken het laatste handje had gegeven, zou hij volstrekt niet kunnen zeggen, hoe de meisjes er uitzagen, al was er de dood mee gemoeid. Gewoonlijk gingen ze dan haastig naar het HaagjeGa naar voetnoot1) om hun zenuwen tot bedaren | |
[pagina 43]
| |
te drinken en vonden alles verdomd aardig en keurig en mieters, totdat Heete Nel en het Paard-zonder-Ribben langs de ramen flaneerden, en ze alle vrouwen van het heelal weer over één kam scheerden. In ieder geval was Vlimmen's kijk op de vrouwenwereld wel wat eenzijdig, toen hij - slechts één jaar te laat - afstudeerde. Kort daarop gebeurde het. Hij ging waarnemen bij een veearts in het Noordwesten van Brabant, dat rijke kleiland, waar de bewoners, ook al belijden ze het Roomse geloof, dezelfde calvinistische manieren hebben als de Boven-Moerdijksche plattelanders. Twee maanden later was hij getrouwd met de dochter van den aanzienlijken boomkweker Tiebbsch. Ze heette Gonda - Allegonda - een naam, die hij altijd verfoeid had. Misschien trok zij Vlimmen aan, doordat zij zulk een schreeuwend contrast vormde met het universele begrip, dat hem in het eigenwijze Utrechtse kringetje omtrent een normale, levenslustige vrouw was ingehamerd. Zelfs de grootste pessimist kon deze ziekelijke deugdzaamheid niet in twijfel trekken. Haar grote, bleke ogen stonden dwaas-devoterig in haar heilig gezicht. Vooral dwaas, doch dat zag hij natuurlijk niet. Het geheel deed denken aan een waskaars, dezelfde uitdrukking, die er ligt op het uiterlijk van sommige, door misplaatst caelibaat verzuurde nonnen. Haar devoterig gedoe hinderde hem niet zo heel erg. Opgevoed in een Brabants dorp, waar het gewone aantal kwezels ieders aandacht vroegen voor hun navrante hysterie, was hij er aan gewend. Het had voor den Utrechtsen woesteling zelfs een zacht-perverse aantrekkelijkheid; hij zou het kwezelken eens laten dansen! Zelfs voor haar vreemde omgeving was hij stekeblind. Het bracht hem geen ogenblik tot nadenken, dat Gonda's vader zwaar aan afstandsvrees leed, zó erg, dat hij bij iedere drempel stond te aarzelen en er dan; opeens met een | |
[pagina 44]
| |
grote pas overheen stapte, noch dat haar moeder niemand aankeek en bijna uitsluitend tot haar drie poezen sprak. Maar hij had het in die tijd ook tamelijk druk. De practiserende veearts van Dombergen werd elders benoemd tot directeur van een gemeentelijk slachthuis en Vlimmen nam de practijk over. Dit was het laatste wat zijn vader voor hem kon doen. Een jaar later stierf de oude Vlimmen, nadat hij bij de crisis van 1923 ongeveer geheel zijn fortuin verloren had. Als hij nu nog eens nagaat, wat een vervloekte haast hij toen heeft gemaakt, staat zijn adem stil. Vader Vlimwerd er voorgespannen, en toen deze terugkwam van het eerste bezoek aan zijn toekomstige schoondochter, was hij iets spraakzamer dan anders... Ja, wat die idioot wel mocht zien in dat dooie lichaam, in die kerkmuis, in die - enfin, het was hem een raadsel. Maar misschien zag die heilige Veronica kans om dat beest te temmen; het was meer dan tijd, dat die groene koeiendokter eindelijk eens aan het werk ging, en dat er iemand kwam, die hem uit de kroegen hield. Dit spectakel zou in ieder geval niet méé aan de zwier slaan... Gonda was eigenlijk liever in een klooster gegaan, en dat het nog niet gebeurd was, lag hoofdzakelijk hieraan, dat het door haar uitgezochte klooster liever had, dat ze en ander uitzocht. Want enkele jaren verblijf in het pensionaat van dat klooster hadden volstaan om de gebruikelijke geestdrift, waarmee een niet-onbemiddelde postulante wordt ontvangen, grondig te bevriezen. Ze bevroor haar hele omgeving, behalve een losgelaten jongen veearts. Het prikkelde hem nog wat te meer, dat ze in het geheel niet toeschietelijk leek, toen hij begon te schermutselen. Doch de onmisbare kapelaan was zeer toeschietelijk en overtuigde haar - naar het scheen - van de geestelijke en stoffelijke voordelen van het heilig sacrament des huwelijks. Haar ouders werden al ongerust, | |
[pagina 45]
| |
want zij hadden de beste informaties over Vlimmen, dat wil zeggen: Vlimmen Senior. Het papiertje van Van der Graaf was haast uitbundig, plezierig, en toch zeer zakelijk. Het was Vlimmen, die zoiets moest treffen, een van die lamme grensgevallen van hysterie, die te erg zijn voor de samenleving en niet erg genoeg voor het sanatorium. Allegonda ging naar het altaar, zooals op de film de eerste Christenmaagden de arena betreden, doch daar de bezigheden voor het altaar niet eens bizonder hinderlijk zijn, zocht haar ziekelijke martelaarsnatuur naar een andere druk, een ander heilig lijden. Niet alleen haar ziel, maar ook haar lichaam had ze voor Jezus gereserveerd, en daarom moest de Vlim er zorgvuldig afblijven. Zij gehoorzaamde slechts aan een innerlijke stem, die duidelijk tot haar gesproken had, enzovoort, en de mensen zouden haar wel kwetsen in haar schoon geloof, zouden haar ik weet niet wat allemaal, doch niets zou baten, zij volgde een Hogere Roeping... Ze had gelijk. Niets baatte. De huwelijksreis, die op tien dagen begroot was, duurde er drie, en de bruid kwam even ongerept terug, als ze. gegaan was. Na twee dagen nutteloos geredeneer, en nog steeds in de veronderstelling, dat hij met het bekende - hoewel zeer overdreven - erotische kattenspelletje te doen had, verloor Jan Vlimmen zijn geduld en begon neigingen van een holbewoner te vertoonen. Maar de knots ontbrak, en dat was misschien de fout. Hij was toch werkelijk geen kinderachtig mannetje! Maar toen zij op het eerste kritieke ogenblik ernstig aanstalten maakte om een sprong te doen van de derde étage van het hotel naar het glimmende asphalt van Boulevard Haussmann, had hij er opeens voor eeuwig genoeg van... ‘Een geslaagd product van de gemiddelde Brabantse opvoeding,’ zegt de boosaardige Dacka. | |
[pagina 46]
| |
‘Zwam niet,’ protesteert dan Vlimmen. ‘Duizenden zijn zo opgevoed zonder gek te worden.’ ‘Als er geen godsdienst was, zou er ook geen godsdienstwaanzin bestaan.’ ‘Maar wel het zelfde aantal gekken.’ In Dombergen was een bovenhuis kant en klaar ingericht om het bruispaar te ontvangen en de mislukte bruidegom betrok het alleen. Een oude meid-huishoudster beleefde daar twee stormachtige jaren. Vlimmen begon de Dombergse practijk bij wijze van afleiding en zonder veel geestdrift. Was er 's nachts een spoedgeval, dan moest hij meestal opgebeld worden in een tweede-rangs societeit, waar hij volkomen ingeburgerd was bij het plaatselijke kringetje van erkende boemelaars. Dan raasde hij weg op een motorfiets en alleen het geluk van den dronkeman bracht hem weer heelhuids thuis. Hij liet alles slingeren behalve zijn practijk, degenereerde zichtbaar en het werd hoog tijd, dat er verandering kwam. Dat vond hij trouwens zelf ook, toen hij op de vroege morgen van een wilde nacht op een stal geroepen was en het hem van louter beverigheid tot driemaal toe mislukte de injectienaald in het spuitje te schuiven. |
|