Doctor Vlimmen
(1936)–Anton Roothaert–
[pagina 31]
| |
[3]Het huis van den veearts wordt dag en nacht bewaakt, opdat alle zoekenden zullen vinden. Vlimmen heeft zich ernstig ingericht. Boven zijn bed hangt een nachtschei met vertakking naar de dienstbodenkamer. De telefoon heeft een verklikker in de gang en er staat nog een overschakelbaar toestel naast zijn bed. Maar al te vaak wordt hij 's nachts in het geweer geroepen door de telefoon, de nachtschei, of de luidrammelende gangbel. Op deze geluiden is zijn slaap scherp afgesteld; bij het eerste tikje der schel is hij klaarwakker. Meestal hoort hij zelfs in zijn slaap het gevaar al van verre naderen, als het straathek dichtklapt, of de rooster voor de huisdeur rammelt onder het voetenvegen van den boer. Doeh buiten dit nachtelijk alarm geniet hij een slaap, die niet gestoord wordt door het gebons van de rangeertreinen achter het huis, door meidengezang, stofzuigergezoem of zelfs het gegil van Dop. De boeren wachten tot even na middernacht. Dan durven ze ‘de nacht niet meer in’ en halen Vlimmen tegen één uur uit zijn eerste slaap. Dat is ellendig. Daarna gaat het beter; na énen tot 5 uur ongeveer kan hij met een luchtig sprongetje overeind komen, vooral, in de zomer. Maar owee, als een boer komt om half zes of zes uur! Dan voelt hij zijn lichaam scheuren, als hij al wat slaap te kort gekomen is. En Vlimmen heeft een doorloopend gebrek aan slaap. Janus Hopstaken telefoneert vanaf het kantoor van | |
[pagina 32]
| |
de Boerenbond in Borveld. Hij heeft nog juist vóór sluitingsuur den secretaris van de N.C.B. te pakken gekregen in Het Hof van Holland, want net is vandaag gelukkig juist kaartavond. Om kwart over twaalven is het bericht bij Vlimmen, die met een warm hoofd over een boek van Jeffery Farnol zit, waarin de held natuurlijk weer op het punt staat te gaan duelleren met een onbeschrijfelijk gevaarlijken Corinthian. Vlimmen heeft geluk; zonder het duel was hij al naar bed geweest. ‘Is 't 'n maaltje?’Ga naar voetnoot1) ‘Jao, meneer dokter, en we hebben al mee z'n viere getrokke, mar 't zit zoo vergimmes vaast.’ ‘Blijf er dan verder met je - Laat dat beestje dan verder met rust; hè Hopstaken! Ik kom dadelijk.’ ‘Jao, meneer dokter. Allez, tot seffens dan!’ Vlimmen rekt zich zorgvuldig uit en bijt een krampachtige geeuw resoluut middendoor... Dit is het gevolg van de Angelsaksische flinkheid, waarvan hij op het ogenblik doortrokken is... De mensen van Farnol staan voor niets, kennen geen vrees, kunnen onmenselijk lopen, boksen, schermen en schieten... Dit is weer eens een boek naar zijn hart, daarom neemt hij nu de heldenrol even over en doet er nog een schepje bij... Jack London is trouwens ook niet kwaad, vooral met zijn verhalen uit het Poolgebied... Dawson, Yukon, Mackenzieriver en Forty Miles!... Dus zet hij de borst vooruit als de onversaagde romanheld die hij is, gereed om ‘Langs den grooten Weg’ naar Borveld te rijden, weliswaar met een doodgewone Chevrolet in plaats van te paard of met de ‘chase’... En de ‘highwaymen’, die hem mochten lastig vallen, zullen er slecht afkomen... In de keuken vindt hij zijn zware, leren overall, die | |
[pagina 33]
| |
voor de kachel ligt te drogen, netjes gereinigd van stalmest en nog bedenkelijker vuil. Hij vouwt hem op tot een lomp, groot pak en gaat er mee naar de apotheek. De zaag is blinkend gepoetst; even kijkt hij naar zwakke plekken in de draad. Zijn kleiner tuig zit in een leren koffer. Tussen twee vingers klemt hij nog een fles valvanol en is nu beladen als een pakezel. Als hij door de keuken naar de garage gaat, kletteren de twee lange nikkelen staven van de zaag op de stenen vloer. Het geluid giert door het doodstille huis. Hij staat enkele seconden bedremmeld te luisteren, maar alles blijft rustig... Enfin, morgen zullen ze 't wel weten te vertellen... Zo zacht mogelijk zet hij de wagen buiten, nog steeds onder de invloed van de Angelsaksische deugdzaamheid, die alles overwint. In een andere stemming geeft hij in de stille woonstraat een onbeschofte hoeveelheid gas, om zich te wreken op ‘die twee toverlantaarns’, de dames Stroeks, die heel de dag aan de overkant achter de gordijntjes zitten te roddelen, en hoofdzakelijk over hèm, natuurlijk... Buiten de stad sliert de wagen met vrolijk geknor over de Hinkerweg, achter het felle licht aan, dat bij iedere draai wijd door het Brabantse landschap maait. Vanuit het portier schiet hij in volle vaart een paar rovers overhoop (ze maken hem toch niets, want hij zit zoals de baas van de gangsters in een gepantserde wagen), drukt op het gaspedaal, want de schoften hebben het Meisje meegenomen en hij moet zich haasten... Even later zit het Meisje naast hem, ze vluchten nu door een cordon van revolverschietende bandieten, en zij drukt zich angstig tegen hem aan. Dat is al zo iets: ze kennen elkaar nog maar heel even, maar hij is zo ridderlijk om te doen alsof hij niets merkt... Doch dan gaat de pret er gauw af. Hier draait hij de wagen voorzichtig in het slechte karrespoor, dat achter | |
[pagina 34]
| |
langs de Lievendaal naar de boerderij van Hopstaken loopt. De Chevrolet hobbelt dwaas van de ene diepe voor in de andere, tot hij eindelijk het meest geschikte reepje vindt, en dan nog heeft hij al zijn stuurmanskunst nodig om niet in de sloot te schuiven. Zoiets brengt hem wel tot de werkelijkheid terug en hij ergert zich voor de zoveelste keer: Vier-man-sterk hebben ze getrokken, de kaffers... Hij heeft het al erger beleefd. Bij Van den Akker hebben ze hem een keer gehaald, toen ze het al hadden geprobeerd met... het paard! De koe hadden ze van voren goed vastgeankerd en het paard aan de touwen gespannen die om de voorbeentjes van het kalf waren gestrikt. Tevoren hadden tien stoere landlieden zich vruchteloos de rug stuk getrokken. Toen hij kwam, vond hij de hele geboorteweg van het stumperige maaltje verscheurd en de bekkenbeenderen gebroken... Dat is al een paar jaar geleden, maar wijd in de omtrek spreken de boeren nog met veel eerbied over de manier waarop ‘Vlimmus’ toen heeft staan vloeken. Zulke bestialiteiten zijn voor een groot deel de schuld van de oudere boeren, die al niet veel werk meer doen, die in ‘den herd’ zitten en wonderverhalen doen over vaoder, en grutvaoder en Jan van Janne van Keesoome. Volgens Vlimmen bestaat er geen eigenwijzer verschijnsel dan een uitgediende boer, die overal met zijn neus bij is om raad te geven. Vijf jaar geleden passeerde hij de egrafenisstoet van den ouwen Van den Akker, die tot op zijn sterfbed beweerde, dat kunstmest geen mest was en alle boeren-onheilen toeschreef aan de wijdvertakte, slechte invloed van kunstmest. Soms vergiste hij zich en toen er in de buurt een boerenmeidje wat al te voorbarig zwanger werd, zuchtte hij zwaar en zei, dat ge zoiet kondt verwachten sedert ze overal mee dieje smerrige kunstmest werkten... | |
[pagina 35]
| |
Een eindje verder wordt het land zuur en de weg modderig. De wagen maakt onverwachte zijsprongen; slijkwater spat in brede vlagen langs de portieren. Hij weet niet juist waar hij is; als het niet te ver was, zou hij uitstappen en de rest te voet gaan, maar eerst moet er een plaatsje gevonden worden om de wagen te keren. Zo worstelt hij verder, rukt voortdurend het wiel van links naar rechts, en als hij dan eindelijk op het erf van Hopstaken staat, vallen de armen hem een ogenblik dood langs het lijf. De staldeur gaat open en gooit een flauwe, oranje lichtvlek op het erf. Janus komt hem tegemoet en licht even de pet op. ‘Goeien aovend, meneer dokter.’ ‘Hopstaken!’ groet Vlimmen, steekt een vinger op en buigt zich in de wagen om zijn instrumenten uit te laden. ‘Hou dit even vast... en dit... Draag maar naar binnen.’ Vlimmen weet met boeren om te gaan... Familiarity breeds contempt... Daarin heeft hij zich wel nooit verdiept, maar hij weet het even goed als de psycho-acrobaat, die er dikke boeken over heeft geschreven. Tegenover boeren heeft hij iets van den pastoor in zijn houding en dat is de houding, die al eeuwen lang de Juiste is gebleken voor den Brabantsen boer. Alleen is hij veel minder spraakzaam en spreekt koppig Hollands, ofschoon hij het patois van de streek even goed kent als een inboorling. Slechts bij uitzondering laat hij zich eens verleiden en dan spreekt hij nog ‘pastoorsbrabants’, dat zich sociaal tot het gewone dialect ongeveer verhoudt als Hoog- tot Laag-Javaans... De boeren zeggen, dat Vlimmus nogal 'ne stuurse mens is, maar hij kènt z'ne stiel, hij onderzoekt de beesten goed en 't is ginne loper, gin plakijzer... Eerst gaat hij even in de stal kijken, voor zoover daar bij het wankele licht van twee lantaarns iets te zien is. | |
[pagina 36]
| |
Het is een oude stal, bekrompen en glibberig vuil. Er staan vier buurlieden op een rijtje, ze hebben de handen diep in de zakken, drukken de schouderbladen tegen de muur en steken hun buik vooruit in plezierige afwachting hoe dieje veearts het karweike alléén denkt op te knappen, nu zij het al vergeefs met hun vieren geprobeerd hebben... Ofschoon ze er zorgvuldig over zwijgen, weten ze van elkaar precies hoe sceptisch ze zijn, en nu het hun eigen koe niet is, hopen ze bijna, dat hij het met al zijn geleerdheid ook niet bolwerkt... Ze zeien al direct tegen Januzze: dat kalf komt er niet heel af... Schutterig gaan de handen naar de pet en Vlimmen beantwoordt hun gebrom met een afwezig en verstrooid goeden-avond. Hij grijpt een stallantaarn en heft hem op tot bij het achterste van de koe. De touwen hangen er slap bij; aan de schede-ingang vertonen zich de glibberige hoefjes van het kalf en daarboven heel even het snuitje, dat de tanden laat zien... De boeren staren loens naar den veearts. Hij is er zich hevig van bewust, doch doet alsof hij hen weer vergeten is. In dit opzicht copiëert hij den huisarts, den sterken zwijgenden man, die zeker is an zijn zaak. En bij boeren gaat het vaak op... Het beestje kreunt even. ‘Heeft ze veel arbeid?’Ga naar voetnoot1) ‘Mm - neeje! 't Leste half uurke nie bizunder veul mir.’ Voordat de vier toeschouwers in den brede kunnen gaan uitleggen hoeveel het rnaaltje de laatste uren heeft ‘gearbeid’, bestelt Vlimmen een emmer lauw water, lijnmeel en olie. Meteen gaat hij in de woonkamer om zich uit te kleden. Hij ziet, dat de blauwe boezelaar van de boerin strak staat over een vinnig puntbuikje en vraagt zich af, of dit nu nummer acht of negen is in de tien jaar, dat hij | |
[pagina 37]
| |
op de stal komt... Dat ze rond hem heen staat te draaien en kwebbelt, terwijl hij zich uitkleedt, hindert hem tegenwoordig niet meer; in het begin van zijn practijk ergerde hij zich verschrikkelijk en kreeg een rood hoofd. Door het blikkerige spiegeltje ziet hij, dat ze hem af en toe uit haar ooghoeken monstert, om eens te zien wat zo'ne stadse meneer allemaal aan het lijf heeft, maar als hij ten slotte brutaal-naakt in zijn schoenen staat, is ze toch precies op tijd de deur uit... Het is kil in het lage vertrek en de vochtige kou slaat met een rilling op zijn blote rug. Dan grijpt hij het fameuze leren pak. Het is waarschijnlijk enig in het land. Eigen vinding. Niet afdoende, maar het gaat toch en hij heeft het nu eenmaal. Het is gemaakt van zwaar rundleer en ziet er uit als een overall, waarvan schouders en mouwen zijn weggesneden. De broekspijpen zijn van onderen slobkousvormig uitgebouwd en gaan met sous-pieds over de schoenen. Het ding laat de schouders en zorgvuldig onthaarde oksels bloot, wordt op de rug dichtgeriemd - dat doet de boerin - en hangt aan twee leren schouderbandjes, die op zijn witte huid komiek-lichtzinnig aandoen. Van boven ziet hij er nu uit als een caricaturale balletdanseres. En telkens als hij het koude leer over zijn huid trekt, is hij een en al kippenvlees... Dan haast hij zich naar de lauwe stal, mengt een paar handen lijnmeel in de emmer en smeert met het viesuitziende papje zijn lange, struise rechterarm in. De boer giet hem dan nog een scheutje lijnolie in de holte van de hand, hij wrijft de vingers in en begint voorzichtig het kalf terug te duwen. Enkele monden gaan open; dat is nu precies het tegenovergestelde van wat ze zelf geprobeerd hebben! Eén wil wijs zijn en fluistert, dat hij het al verwacht had... Weldra zit Vlimmen tot aan zijn oksel in de koe en zoekt tastend naar de ligging. Opeens komt er een wee | |
[pagina 38]
| |
opzetten; hij kan niet vlug genoeg terug, en de geweldige kracht van de kramp drukt zijn arm af, tot de vingers geheel verlamd zijn. Hij bijt op de tanden en blaast hard door zijn neus. Na enkele seconden trakt de wee af, hij probeert de vingers te bewegen en langzaam raken zijn spieren los Dan trekt hij de arm terug en smeert hem opnieuw in, hoofdzakelijk om even uit te rusten,want hij doet trillen. Hij laat een paar bossen stro brengen,die onder zijn voeten worden gelegd. De koe kreunt weer en op hetzelfde ogenblik ziet zijn geoefend oog aan de bekende, kleine zigzagbeweging van de romp, dat het dier wil gaan liggen en met een vlugge,vinnige schop heeft hij het nog juist bijtijds verhinderd. Hij wankelt op het deinende stroo en valt bijna om, denkt dat die vier toeschouwers het misschien wel eens plezierig zouden kunnen vinden, en roept: ‘Héé daar! Een van jullie gaat aan de kop staan en houdt haar overeind... Als ze gaat liggen, zijn we ineens veel verder van huis... Hoe lang is ze al bezig?’ ‘Van 'n uur of vier.’ Dus ruim negen uur staat het beestje al in barensnood, overlegt hij bij zichzelf. Vier volwassen heikneuters hebben hun best gedaan om haar in tweeën te trekken. Geen wonder dat de jonge dame er genoeg van krijgt... Ontelbare malen verdwijnt zijn arm in de baarmoeder en al aanstonds loopt het zweet hem in jeukende straaltjes langs zijn rug. Herhaaldelijk staat hij op het punt om zijn toevlucht te nemen tot embryotomie: het kalf in stukken uit de koe zagen om tenminste de moeder te redden. Maar hij is koppig en geeft niet gauw een kans op. Daar komt dan ook bij, dat het vernielingswerk van de embryotomie een der onplezierigste karweitjes van den | |
[pagina 39]
| |
veearts is. Meestal beteekent het twee uren onmenselijk gezwoeg. Na een half uur tobben, geeuwt een der toeschouwers brutaal door de stal heen; Vlimmen wordt driftig en op hetzelfde ogenblik voelt hij hoe het kalf zich eindelijk in de vurig verlangde ligging laat wentelen... Hijgend commandeert hij trekken en houdt zijn arm in de koe om de ligging te controleeren. ‘Twee man is genoeg! Zachtjes trekken en alleen als ik het zeg... Goed verstaan? Zachtjes!’ Het koetje schijnt weer hoop te krijgen en perst ijverig mee, het kalf komt langzaam naar voren, het snuitje op de voorbeentjes gevleid in een aandoenlijk, biddend gebaar. Als de kop geheel verschenen is, wordt er wat harder getrokken en een ogenblik later vangt Vlimmen het bundeltje met de lange hulpeloze benen in zijn armen op. De rest is nu slechts een pretje, en na een kwartier dommelt de afgetobde jonge moeder, die eerst nog een emmer krachtvoer heeft geslurpt, rustig in. De boeren praten tevreden en lawaaierig door elkaar. De eerbied voor het gezag van den veearts is er weer eens ingehamerd; ze geven zich onvoorwaardelijk over. In de huiskamer hangt een pittige koffielucht en er staat een groote teil warm water. Vlimmen wast zijn bovenlijf met sunglight-zeep en de boerin droogt zijn rug af. Een beetje bedremmeld en eerst na bijna snauwende uitnodigingen Van de boerin, komen de buurlui binnen, juist op het ogenblik, dat Vlimmen zijn leren harnas van de benen schopt. Ze kijken verschrikt naar een andere kant en de boerin pookt met veel omhaal in de plattebuiskachel, maar hij gaat eenvoudig door met het geven van zijn wenken voor de verdere behandeling der kraamvrouw, alsof er niets bijzonders aan 't handje was. De boeren vinden het toch een beetje vrèmd en vragen zich af wat de pastoor zou doen, als die hier was. | |
[pagina 40]
| |
Terwijl Vlimmen zich snel aankleedt, moet het hun wel opvallen, hoe weinig kleren hij draagt. Een mouwloos, ver uitgesneden flanelletje, dat hem strak om de ribben spant en een zeer kort broekje, dan een hemd met vaste boord en zijn overkleren. Het is half October, en de boeren zijn al in wintertenue. Daar komt wat bij kijken!... Toen Driekske van de Laar, ‘dat vuil, venijnig neetoorke’, in café ‘De Vriendschap’ drie messteken had opgelopen, werd hij bij dokter Verhulst uitgekleed, en toen dat eindelijk gedaan was, geleek de dokterskamer wel een uitdragerswinkel. Bij de behandeling voor de Rechtbank in Hagenburg verscheen de hele uitzet als overtuigingsstuk op de groene tafel, en de president kon niet over de stapel heenkijken. Het bleek, dat de getroffene zijn leven hoogstwaarschijnlijk dankte aan dit pantser... ‘Ge hebt ok nie te veul aon oe lijf, zie ik wel,’ waagt een der boeren met een vergoelijkende grijns. ‘Als je je eigen heel den dag uit-en-aan moet kleden,’ bluft Vlimmen, ‘is dat ook maar het handigste.’ Ze knikken overtuigd. De boerin zet de koffiekommen in het gelid en even later slurpen ze in zes verschillende toonaarden. De slechte weg komt ter sprake en Vlimmen krijgt aanstonds drie verschillende adviezen. Ten slotte wordt men het eens, dat meneer dokter veul beter doet met wat verder door te rijden langs de Lupkes, tot voorbij het Hofke van Marijke, en daar de harde weg nemen... Dat is wel om, maar mee den otto heeft dat niks te betekenen... Het slaat half vier, wanneer Vlimmen de garage-deuren sluit en dit is een van zijn beste nachten. Zodra hij in zijn bed stapt, is het Meisje een der lady's van het boek geworden, doch ze kan hem nog geen twee minuten bezighouden. |
|