Gedichten(1906)–Hilda Ram– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 275] [p. 275] Uitboezeming Ik dank U, Vader! Zoet genoegen doet mijn boezem zwellen; Kwistig gieten Lentes wonderwellen Genot en vreugd in spier en ader! Op mijn lippen dankbre klanken zweven, Lovend U om 't aanzijn mij gegeven; Uit mijn juichend harte liedren rijzen, Die uw nooit volprezen mildheid prijzen! Ik dank U, Goede! Weldoend op mijn geest, als malsche regen Op een dorstig landschap, daalt Uw zegen! Met goed en schoon ten overvloede Strooidet Gij het pad, waarlangs mijn dagen Spelemeiend graag hun loop vertragen. Elken doornstruik dektet Gij met rozen, Elken rotswand deedt Ge in eiloof blozen! [pagina 276] [p. 276] Ik dank U, Trouwe! Week, aanhanklijk maaktet Gij mijn harte; Doch, opdat het 's levens ruwheid tarte, Gaaft gij 't een steun, waarop het bouwe. Vriendschap is het die met teedre zorgen Vrede mij en zoet geluk wil borgen; Vriendschap, waar en diep, de duurste gave, Die ooit mensch genoot, deeszijds den grave! Ik dank U, Milde! In mijn binnenst deedt ge een vuur ontvlammen, Boettet Gij een lichtstroom, niet te dammen, Die in mijn nacht zijn vonken spilde, Stralen schoot in 't zwartste, naarste duister, 't Schoone omving met rijker, zachter luister.... 't Heilig dichtvuur licht mij met zijn spranken: 'k Zal daarom, o Milde, U eeuwig danken! Vorige Volgende