Gedichten(1906)–Hilda Ram– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 261] [p. 261] Een Traan Ik wou, ik kon niet blijven: te wreevlig was mijn hart, Door bitterheid en twijfel was 't lang reeds moegesard! 'k Las koelheid in uw blikken, en koelheid sprak uw mond. Ik ging: ik wou ze bergen mijn diepe hartewond! Dra sloeg de scheidensure gewenscht en toch geducht. Wij zwegen beide stille, gesmoord werd klacht en zucht. Doch, toen uw hand de mijne, mijn blik den uwen zocht, Brak plots de borstweer neder, die spijt en argwaan wrocht; [pagina 262] [p. 262] Want aan uw lange wimpers hong sidderend een traan, Ik stokte.... Was mijn hartzeer dan niets dan bittre waan? In nauwe omarming schreiden we wrok en droefheid uit; Zoet, zoet is 't klagen, zuchten, als koelheid 't niet en stuit! Zoo zal ik in uw boezem weer leven als voorheen? Zoo zijn we in smart en vreugde als voormaals, weder één? Zoo was het slechts een dwaling, die tusschen ons ontstond, Een dwaling, wreed voor beiden, maar zonder recht noch grond? Die traan.... ze gaf me een hemel aan heil en vreugde weer! Die traan.... ze viel - een dauwdrop op 't kwijnend bloemken - neer! Een frissche teug den lippen door heete koorts verteerd Was zij mijn dorstend harte, mijn schroeiend harte weerd! Vorige Volgende