Gedichten(1906)–Hilda Ram– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 181] [p. 181] Lachen en Weenen ‘Grootmoeder, ben ik op tijd wel vaardig? Sliep ik niet te laat? Trek me mijn kleedjen aan, het nieuwe; Ziet toch, hoe goed het staat!’ En 't knaapje lachte, lachte zoo blijde! Van vreugde danste zijn hart.... Maar grootmoeder weende, weende bitter: Zwart was het kleedje, zwart! En nu aan vaders hand ter kerke. Is 't Zondag dan? Wel neen!.... Zie, daar krijgt hij een kaars in handen: Processie is het! Eén Voor één ten outaar getreden!.... En 't knaapje Lachte, lachte zoo blij! Maar grootmoeder zag hem van verre en weende: Zij wist wat het meende, zij!.... [pagina 182] [p. 182] Er wachten koetsen aan de kerkdeur, Een reeks.... wel twintig lang! In de eerste, juist na den gouden wagen, Stapt hij met vader. In rang Rijden allen naar buiten. En 't knaapje Lachte: ‘Hu, peerdekens, voort!’ Maar grootmoeder vluchtte naar huis en weende: Zij kende, buiten, het oord! Daar stappen ze uit. Welk een tuin, hoe prachtig! Wat bloemen en kronen aan Die kruisen! Dan, die blinkende steenen Vol gulden schrift! Zou 't gaan, Krijgertje hier te spelen?... ‘Kortlings,’ Zegt Vader, ‘komt ge weer!’ En 't knaapje vertelde 't lachend zijn grootmoê: Ze weende al meer en meer! Neen, niet naar huis! Hij blijft bij grootmoê Den geheelen, ganschen dag! En speelgoed krijgt hij, een ganschen winkel! En lekkers, zooveel hij mag! Al juublend loopt hij onder en boven; 't Is vreugdekreet op kreet! Maar grootmoeder zat in stilte te weenen: Zijn juichen verzwaarde haar leed! 't Wordt laat, nu zal hij huiswaarts keeren: Van spelen is hij moê. Doch hobbelpaard en vlag en soldaten, 't Gaat alles mede! Hoe De jongens op straat hem zullen bekijken! Fier lachend gaat hij heen! Maar grootmoeder zag hem na al weenend, En zuchtte: ‘Bleeft ge immer kleen!’ [pagina 183] [p. 183] Daar komt hij thuis. Wie vertelt hij 't alles? Zijn moeder niet: ze is niet daar... Haastig legt hem de meid te slapen. Waar is zijn moeder, waar? Zal hij geen kruisje, geen kus meer krijgen? Vergeten was lach en spel, En traantjes vloeiden, hoe druk! hoe bitter!... Arm kind, 't gevoelde 't nu wel!... Vorige Volgende