Gedichten(1906)–Hilda Ram– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 109] [p. 109] De Jeugd O de droomen der jeugd, Het argloos, zalig betrouwen! De onweerstaanbre geneugt' Een beeldrig Eden te bouwen Op de puinen van 't kindergeluk, Enkel te schatten bij lateren druk! O, de vleiende hoop, Het heimlijk, droomrig verzuchten, Dat den tijd en zijn loop Vooruitijlt, enkel genuchten In de toekomst - de lokkende - ziet, En op het heden reeds 't morgen geniet! O, de daagraad zoo zacht, De rozige ochtend van 't leven; [pagina 110] [p. 110] 't Morgengloren, dat lacht En lonkt, wijl koeltjes nog zweven, Zoel en frisch, in de geurende lucht... Wie of het branden des middags dan ducht! O, de zalige tijd, De tijd van vreugd en verlangen, Als geen wroeging en spijt, De ziel met treurnis omhangen; Als begoochling de schreden nog ment, 't Dorstende hart geen teleurstelling kent! Vorige Volgende