Uit den kring der gemeenschap
(1899)–H.P.G. Quack–
[pagina 344]
| |
Rondom prometheus.In den kunstvollen kalender, dien Auguste Comte - de stichter der positieve wijsbegeerte - heeft saâmgesteld, wordt de eerste dag van het nieuwe jaar gewijd aan Prometheus. Thans, nu het laatste jaar van onze negentiende eeuw zal aanvangen, voegt het ons misschien met meer dan gewone aandacht na te gaan, wat de mythe van Prometheus ook in socialen zin voor die wegvliedende eeuw heeft beteekend. Zóó volgen wij den wenk van Comte. Te sterker dringt dit, omdat in de eerste twintig jaren der 19de eeuw twee groote dichters de diepere gedachten dier mythe hebben pogen te verduidelijken, vastknoopend aan wat de oudheid daarover slechts ten halve, in haar nagelaten werken, ons heeft ontsluierd. Stond in de klassieke oudheid - zooals wij die kennen - meer op den vóórgrond het beeld van den gekluisterden Prometheus, Herder (in 1802) en Shelley (in 1820) gewaagden en profeteerden van den ontboeiden Prometheus. Wij zullen trachten den ideeën-gang der antieken en modernen omtrent dien Prometheus uiteen te zetten. In de Prometheus-sage waren bij de Grieken echter twee mythen vermengd, te weten de legende van den vuur-aanbrenger en de overlevering der schepping van de vrouw, Pandora: wij beperken ons onderzoek tot het eerste deel, tot wat betreft het geven van 't vuur aan de menschen.Ga naar voetnoot1) | |
[pagina 345]
| |
I.De Grieken hadden de sage over het vuur medegebracht in hun land uit het oosten. Aldáár, in overoude tijden, toen in het Noord-westen van Midden-Azië het groote en machtige volk van blanke gelaatskleur en schoonen lichaamsbouw leefde, dat wij Ariërs noemen, zijn de oorkonden te zoeken der wordings-geschiedenis ook van deze mythe. De Veda's dier Ariërs geven op eenvoudige en ongekunstelde wijze den oorsprong der sage aan. De godsdienst der oude Ariërs was natuurdienst. In de natuurkrachten vereerden zij hun goden. Hemel en aarde waren voor hen nauw verbonden. Wat op het ééne gebied voorviel was slechts een weêrspiegeling der gebeurtenissen op het andere. Alles wat op aarde schoons en nuttigs werd gevonden was, volgens hen, een geschenk der goden, en van al wat die aarde opleverde moest de oorsprong in den hemel worden gezocht. Zóó was het ook met het vuur. Zonnewarmte kwam van boven, en uit onweêrswolken schoot de bliksem naar beneden. Wel was 't bekend, dat op aarde door wrijving van het droge hout ontbranding kon worden teweeggebracht, en dus door menschen vuur kon ontstaan, maar al werd dat middel overal toegepast, een kinderlijk geloovig volk kon niet onderstellen dat die uitvinding een zuiver menschelijke was. De Ariërs schreven ze dus toe aan de tusschenkomst eener hoogere macht. Een halfgod had het vuur, nadat hij 't eerst in de holte van een boomtak verborgen had gehouden, aan de Goden ontroofd en het aan den eersten mensch Manu, of, volgens een andere overlevering, aan een priestergeslacht medegedeeld. Op deze wijze was het vuur tot de menschen gekomen. Daarom moest bij de Ariërs, ter herinnering aan die schenking, het heilige vuur op het altaar door hetzelfde middel worden voortgebracht, waardoor het weleer voor 't eerst aan de aardsche stoffen was ontlokt. Door wrijving van droog hout ontsprong dus telkens op het altaar de alleen rein geachte vonk. Het toestel daarvoor was zeer eenvoudig. Het was een houtsblok, waarin een staaf van een andere houtsoort met snelheid werd heên en weêr gedraaid, zooals nog altijd bij 't karnen de stok in het botervat wordt bewogen. Allerlei symboliek werd nu aan die handeling door de verbeelding toegevoegd. De draaiing en | |
[pagina 346]
| |
wrijving van de staaf in het houtsblok werd met die van een as in het rad vergeleken, en daar men de zon als een vlammend rad beschouwde, dat om de as van den godenwagen wentelde, werd het ontstaan van het aardsche vuur met dat van het hemelsche in onmiddellijk verband gebracht. Het hemelsche en aardsche vuur was dus één in soort; de zinnelijk waarneembare vonk kwam van boven. De onbezielde stof is nog rustend, nog als dood in den beginne, maar de vonk komt, en het leven vangt aan zich te bewegen; de geest wordt wakker en de materie wordt een bezielde natuur. Steeds verder en verder weefde nu de verbeelding. Aan de ééne zijde werd de vonk van het vuur allengs gelijk gesteld met de menschelijke rede, die van boven van de goden kwam; aan de andere zijde werd het ontstaan van het vuur op aarde met de menschwording en de schepping van menschen in verband gebracht. In de taal der Ariërs, in het Vedisch zoowel als in het klassiek Sanskriet, wordt nu de benaming van den draaistok, waardoor bij de wrijving in het houtsblok het vuur ontstaat, aangeduid door het woord ‘Pramantha’, een woord dat vuurmaker en menschenmaker en, in overdrachtelijken zin, ook roover kan beteekenen. Uit die verre herinnering van 't oosten, uit die heugenis van oude dagen, stamde nu de Prometheus-mythe onder de Grieken. Hij was de Pramantha der Ariërs. Hij had 't vuur den goden ontroofd, en dat geroofde vuur in den tak van een naar onzen vlierboom zweemenden heester tot de menschen gebracht. Hij had zijn aandeel ook in de schepping zelve der menschen. De menschen waren zijn geslacht, zijn volk. Dit alles was de kiem der mythe. En nu ging de geest der Grieken die voorstelling opvoeren tot het glanzend gebied der poëzie. De Prometheus, de halfgod, de Titan, werd tegenover de hemelgoden, in 't bijzonder tegenover Zeus, gesteld. De goden zijn ijverzuchtig op hun gezag, en Prometheus had door zijn roof van het vuur de goden vertoornd. Hij had de oppermacht der goden ontkend. Trotseerend het eeuwig besluit van den oppergod, die op zijn tijd en met orde alle verschijnselen en gebeurtenissen doet ontstaan en regelt, had hij de stervelingen reeds vóór den tijd begunstigd. Zijn daad was een daad van verzet en zou de vergelding niet ontgaan. Prometheus, die het vuur aan de menschen had gebracht, zou zijn bedrijf met de zwaarste straf boeten. In de | |
[pagina 347]
| |
voorstelling der Grieken werd het lot van Prometheus de smartelijkste tragedie die men zich denken kon. Er was toch bij Prometheus geen bewustzijn van schuld. Immers tegenover den Zeus, die het menschengeslacht verstoken hield van wat het tot zijn ontwikkeling het meest behoefde, den Zeus, die daardoor van-zelf als een hardvochtig dwingeland voor de menschen oprees, stond de Titan, die slechts liefde voor de menschen had getoond, die niet aan zichzelven maar aan de stervelingen had gedacht, en die, beleidvol of listig, de weldoener van het menschdom was geworden. Die Titan, door Zeus aan de rots gekluisterd, waar de vuurvogel, de arend, hem de lever telkens afrijtend zou opvreten, bleef voor zichzelf het gevoel koesteren dat hij het gruwelijkst onrecht verduurde. Het zij zoo: hij was de opstandeling tegen den hemel en werd, wijl hij de zwakste partij was, gestraft: maar hij bleef nu toch in zijn boeien en in zijn straf de fiere, onwrikbare, onbewogen Prometheus. Zijn verzet was een verzet geweest tegen willekeur der Goden. Hij zou dus niet tot inkeer komen. De Goden zelven moesten veranderen. In plaats van een gebied van willekeur zou er ten slotte moeten komen een heerschappij van recht. Er was een geheimzinnig vóórgevoel dat ook de Goden voor nog hoogere machten moesten wijken: trouwens Zeus zelf had weleer (zelfs met de hulp van Prometheus) Kronos onttroond. In dat licht van het verzet zagen de Grieken Prometheus. Zeker, ook zij hebben in hun gedichten op een verzoening tusschen Zeus en Prometheus gewezen, op een schikking, die beiden zullen aangaan, als de sterkste der menschen, Hercules, de zoon van Alcmene, den Titan bevrijdt: - maar het denkbeeld van den opstand tegen de Goden, van roof, is toch steeds het bovendrijvende gebleven, wanneer zij aan Prometheus dachten. De Grieken waren dan ook altijd in hun hart eenigszins bang, wanneer zij te veel eer aan Prometheus bewezen. Slechts steelsgewijze werd in Hellas aan den Titan, hier en daar op een enkele plaats, een heiligdom of altaar gewijd, terwijl Zeus allerwege in vollen luister in tempels werd vereerd. De dienst van Prometheus was den Goden - zelfs in het licht der verzoening - niet aangenaam. Zijn vereering ontstemde hen. Hij was de verdachte God en bracht degenen, die hem al te vurig hun hulde kwamen bewijzen, in opspraak. Eéns slechts in het jaar werd te Athene door een glansrijk feest - het feest der ‘Lampada-phoriën - de naam van | |
[pagina 348]
| |
Prometheus openlijk gevierd. Op dien dag trok een stoet van jongelingen te paard in galop van het midden der stad naar de voorstad Colonné. De leider der ruiters zwaaide hoog met den arm een brandende toorts aangestoken aan het vuur van een heiligdom. Verdoofde door den wind van den ijlenden rit de vlam, dan reikte hij de toorts aan zijn naast of achter hem rijdenden buurman, die in vliegende vaart de toorts weder aanstak en voortjoeg. Ging de vlam weder uit, dan reikte deze de toorts aan een derden. De fakkel kwam zoo van ruiter tot ruiter, van hand tot hand, totdat de overwinnaar hem brandend en flikkerend neêr kon leggen op het sombere altaar van den Titan. Aldus werd te Athene jaarlijks herdacht en nagebootst de vlucht van den verheven roover, toen hij het vuur van de zon ontstolen en aan het menschdom had gebracht. | |
II.Bij de Grieken - in de geschriften die ons bewaard zijn - staat dus, wat de Prometheus-mythe betreft, op den voorgrond het ontrooven van het vuur aan den hemel en de straf die Prometheus, de menschenvriend, lijdt ten gevolge van zijn overmoed. Bij Hesiodus, den overouden dichter, die veel meer dan Homerus het verband tusschen de Goden en de natuur doet opmerken, wordt uit dat oogpunt de Prometheus-mythe behandeld. Hij had zijn blik gericht op de geheimzinnige betrekking tusschen de bovenaardsche machten en den mensch, en in zijn dichterlijke verhalen gaf hij een poëtische uitdrukking der half door hem ontsluierde waarheid. Zeer zeker heeft hij den zin der door hem meegedeelde mythe zelf niet altijd klaar doorzien, maar, terwijl gevoel en verbeelding bij hem de plaats innamen van strikte redeneering, vertegenwoordigde zijn poëzie een streven om het raadselachtige in het bestaan van de wereld en van den mensch op te helderen en te verduidelijken. Aldus deed hij ook met de Prometheus-mythe: zoowel in zijn ‘Theogonie’ als in de ‘Werken en Dagen’ brengt hij haar ter sprake. In de Theogonie wijst hij op 't listig karakter van den titan reeds vóórdat er sprake was van het rooven van 't vuur. Bij een offer bedroog Prometheus den oppergod Zeus. Toen besloot deze aan de ongelukkige menschen, de beschermelingen van den titan, het vuur te onthouden. ‘Maar - zoo gaat de Theogonie | |
[pagina 349]
| |
voort - de wakkere zoon van Japetus bedroog Zeus, daar hij het stralende, onuitbluschbare vuur in een hollen staf hem ontstal: daardoor griefde hij diep het gemoed van den hoogmachtigen Oppergod: Zeus was verbitterd in zijn hart, toen hij de vèr zichtbare vonk in het bezit der menschen zag’ Om die reden sloeg - zegt Heriodus verder - Zeus nu Prometheus in sterke en pijnlijke ketenen, die hij aan een zuil vastklonk. Daarna zond hij op hem zijn arend af, die onophoudelijk aan zijn lever knaagde, want des nachts groeide die rondom zooveel aan, als de breed gevleugelde vogel daarvan over-dag had afgeknaagd. - In de ‘Werken en Dagen’ wordt meer de klem gelegd op de weldaad, die door het vuur aan den mensch bij zijn werk wordt verleend. ‘Wel is waar hield Zeus dat vuur, voor de menschen zoo onontbeerlijk, bedekt voor de aarde: maar de titan waagde een wondervollen diefstal. Zonnespranken, loos in de holte van een vlierstok vergaderd, hielpen het menschdom aan den gloed van het vuur.’ Toen konden de menschen met die schoone vuurgift rustig en krachtig aan den arbeid gaan en de vruchten garen van hun werk en zorg. Zij zouden werkelijk een leven vrij van druk te gemoet zijn gegaan, wanneer niet Pandora die toekomst had verstoordGa naar voetnoot1). Wat nu Hesiodus in zoetvloeiende zangerige taal als fragment of episode behandelde, werd door Aeschylus met stoere kloeke verzen, die soms dreunen als klanken van bronzen klokken, in compleete op zich zelf staande grootsche compositie, afgewerkt. In drie drama's heeft hij het lot van Prometheus voorgesteld: in den vuur-aanbrengenden, den gekluisterden, en den ontboeiden Prometheus. De eerste en laatste van die drie tragedies zijn verloren gegaan: wij weten enkel dat Aeschylus in het derde drama de verzoening van den titan met Zeus behandelde. Doch slechts het tweede drama, ‘de gekluisterde Prometheus’ is tot ons gekomen. Die opvatting heeft zeker de tijd- en landgenooten het meest getroffen. De traditie achtte haar uitsluitend waard voor altijd behouden te worden. Volgen wij even met onze gedachte die voorstelling van den gekluisterden Prometheus, zoo als Aeschylus hem voor alle eeuwen in marmerschoonheid heeft uitgebeeld. | |
[pagina 350]
| |
Prometheus, de titan die aan Zeus den gloed van het vuur heeft geroofd om het den menschen te verschaffen, wordt, in het drama, op bevel van den heerscher der goden, vastgeklonken tegen een rotsige kust aan 's aardrijks versten zoom, waar rechts de open zee golft, links uit rotskloven beken bruisen. Hij zelf, hoe ook gekluisterd, blijft in zijn trots ongebroken. Hij jammert niet, hij klaagt aan. ‘Glansrijke hemel en gij snelgewiekte lucht - zoo klinkt zijn stem - gij stroomenbronnen en gij rijzend en deinend vlak der zee, waar het licht op dartelt, en ook gij, almoeder aarde, en gij, alziend oog der zon, o, hoort mijn roep, en ziet, wat smaad mij goden aandoen, mij, een god!..... Ik heb den mensch heil geschonken, daarom draag ik het smadelijk juk. Ik heb in den boomstengel de bron van het vuur geborgen en den sterveling als kostbare gift geschonken, die hem aller kunsten meester deed zijn. Voor zulk een misdrijf lijdt ik nu de gruwzame straf. Hoog, in de open lucht ben ik geklonken aan de rots.’ Aan de Oceanieden, die vrouwelijk zacht hem beklagend de kust naderen, waar hij krimpt in zijn vaste boeien, en aan Oceanus zelven die hem tot onderwerping aanmaant, legt hij uit wat hij heeft gedaan. ‘Wijl ik den mensch erbarmen toonde, word ik zelf geen mededoogen waard geacht’. ‘Mijn vergrijpen waren, dat ik in de ziel der stervelingen blinde hoop deed wonen, en voorts dat ik hun het vuur verschafte, dat tot kunst hen zou leiden.’ Hij, Prometheus, had dat alles wetens en willens gedaan. Hij had zich tegen Zeus gekeerd, omdat voor dezen, den nieuwen heerscher van het heelal, de menschen, ééndagskinderen, niets golden, slechts vernietiging waard schenen. Straks legt hij nog breeder uit, hoe door hem de verlossing der menschen stap voor stap werd bewerkt en volbracht. ‘Eerst zagen zij met d' oogen, zonder iets te zien: zij hoorden niet, schoon hoorend: als schimmen, die door een droom worden opgeroepen, deden zij, hun leven lang, verward en planloos alles: zij kenden niet de kunst van het timmeren of bouwen: zij woonden als krielende mieren in holen waarbinnen geen zonnestraal dringt. Zij kenden geen vaste teekenen om 's winters vorst, der lente bloei, of het rijpen door den gloed van den zomer, vooruit te ontwaren. Al hun doen was zonder oordeel. Totdat ik, Prometheus, der sterren zwaar te ontraadselen wegen hun heb getoond in opkomst en in ondergang. De kroon der weten- | |
[pagina 351]
| |
schappen, de kunst der cijfers en der getallen, is mijne vinding geweest, en daarbij der letteren spraak, die, geheugen wekkend, aan alle kunsten het leven schenkt. Ik ook legde het juk den runderen op voor den ploeg en deed de dieren lasten dragen, zoodat zij den mensch vervingen in den arbeid die hem 't allerzwaarst viel. Voor den wagen spande ik het bit-beknabbelend ros, den trots en grootste vreugde voor rijke weelde. En ook het ranke vaartuig, dat met doek bewiekt over de zee rondzweeft, vond niemand uit dan ik alleen’. En nog meer middelen en kunsten heeft Prometheus aan de menschen gebracht. Vooreerst de grootste vinding. Werd er vroeger iemand krank, geen middel was er, geen spijs die lafenis bood, geen dronk of zalf die pijn stilde: iedere artsenij ontberend verkwijnden de menschen, totdat hij hun 't mengen leerde van der kruiden heilzame sappen, waardoor de schaar der kwalen werd gebreideld. Daarna onderwees hij hun de wichelkunst, het zien der toekomst uit droomen, klanken, ontmoetingen, vlucht der vogelen, en offerande van dieren. Eindelijk wees hij den menschen aan wat de schoot der aarde verborg aan metalen, goud, zilver, koper en ijzer: al die schatten van onwaardeerbaren prijs bracht hij voor hen aan 't daglicht, hij Prometheus. Dit alles deed Prometheus voor de menschen, omdat Zeus, de oppergod, het naliet. De Titan had vroeger medegeholpen, om aan dezen God de overwinning te doen behalen en hem de opperheerschappij, die orde in het heelal zou brengen, te verschaffen: doch nu het bleek, dat de menschheid, wel verre van eenige baat te vinden bij die zege, door Zeus aan haar treurig donker lot werd overgelaten, verzette hij zich. Hij schonk aan de kinderen der menschen de middelen der beschaving, die zij van Zeus hadden moeten ontvangen. Hij gaf den stoot aan onbegrensden vooruitgang der menschheid. Het is waar, nu wordt hij smadelijk gestraft. Maar de God, die hier straft, bewijst door de wrekende daad zelf een geweldenaar te zijn. Recht gaat niet van hem uit, gelijk Aeschylus ook in de in het drama ingevlochten episode van Io poogt aan te toonen. Anderen mogen nu dien veelvermogenden dwingeland vleien, hij, Prometheus, ruilt zijn lijden niet tegen slavernij. Niets zal hem bewegen, naar vrouwen-aard, de handen smeekend uit te strekken tot dien God der willekeur. In ongebogen fierheid blijft de Titan de toekomst afwachten. Het pleit tusschen de | |
[pagina 352]
| |
gedachte en de macht moet nog worden afgewikkeld. En Prometheus vóórziet en weet dat de gedachte moet triomfeeren. Zelfs de Oppergod moet voor 't Recht buigen. Er is ten allen tijde een beroep van Zeus op Themis. In duistere geheimzinnige doch veelzeggende woorden laat hij zich uit over die bevrijding der toekomst, en over den val van het rijk van Zeus. Aeschylus laat Zeus zelf een vóórgevoel hebben van die verre toekomst. Zeus zendt zijn bode, zijn Hermes, tot den geketenden Titan, om van hem te vernemen, wat het feit zal zijn, dat hem, Zeus, van den zetel zal storten. Indien Prometheus het niet verkondigt en meêdeelt, zal nog zwaarder straf hem treffen. Doch de onsterfelijke Titan weigert dat woord te zeggen, als hij niet dadelijk verlost wordt van der boeien smaad. Zeus zet dus het werk van het geweld voort. De Titan wordt neêrgeploft in den Tartarus. Het is schijnbaar de volkomen ondergang van hem die de menschheid wilde bevrijden. Men hoort nog slechts de woorden van den neêrzinkenden PrometheusGa naar voetnoot1): ‘Reeds davert de grond: het doffe gerommel des donders rolt: de vurige straal van den bliksem schiet rondom mij neêr: en de wervelende wind drijft wolken van stof. Met ontzettende vaart van alom tot worsteling samengehort, zijn de winden in heftigen, loeienden strijd. Het zwerk en de zwalpende zee zijn één. Ja waarlijk, de storm, door Zeus mij verwekt, schrijdt voort, schrikwekkend, en werpt zich op mij! O heilige moeder aarde, o glansrijke hemel, waar aller leven, het licht, in leeft, gij aanschouwt mij, wat onrecht ik lijd!’ Let wel op de vervorming en ontwikkeling, die allengs aan de figuur van Prometheus door de oudheid is gegeven.Ga naar voetnoot2) Men is uitgegaan van de voorstelling dat Prometheus aan de menschen het vuur heeft gegeven. Maar langzamerhand is dat | |
[pagina 353]
| |
vuur veréénzelvigd met de beschaving. Alles is in zekeren zin vergeestelijkt. Door het gebruik maken van dat vuur zijn de menschen eerst waarlijk tot menschen gemaakt. In dien zin kan Prometheus haast als de schepper der menschen beschouwd worden. Want eerst met behulp van de kracht van het vuur ontwikkelen zich hun aanleg en geschiktheid. Zij kunnen werktuigen en hulpmiddelen zich verschaffen en fatsoeneeren. Zij gaan van trap tot trap nu voorwaarts, zetten de eerste schreden op den weg van opmerking en nabootsing. Zij oefenen zich in kennis en kunst. Prometheus, de vooruitziende God, is dus, volgens de Grieken, de vader van den kunstvollen arbeid en van het weten. In modernen zin zouden wij kunnen zeggen dat hij voor de Grieken vertegenwoordigde de begrippen van industrie en van wetenschap. De beginselen daarvan heeft hij aan de menschen meegedeeld; maar - en dit blijft het eigenaardige der opvatting - als een roof gepleegd uit het gebied der Goden. Wat hij heeft gegeven is de kiem tot zelfstandigheid ook tegenover de geheimzinnige machten, die van uit den hemel het lot der menschen regeeren. Hij spelde voor hen de overoude spreuk, die wij in 't begin van onzen Bijbel door Satan-slang hooren uitspreken: ‘Eritis sicut Deus’, ‘gij zult worden gelijk aan God.’ Uw industrie zal u vrij maken van de behoeften en nooden die gij in lageren zin op aarde voelt nijpen: uw wetenschap zal u in hoogeren zin opvoeren tot den rang van geesten. Het vuur is slechts een vorm van intelligentie, van rede. Voorwaarts, met en door dat vuur, is de leus. Wat deert het, of de goden aanvankelijk zich verzetten, en de eerste mensch, die het stoute stuk van den hemel te winnen durfde bestaan, in den afgrond zinkt? Men moet slechts volhouden en volharden. Godsdienst is niet gelegen in een laaghartige kruiperij jegens een wezen, waarvan men zich een beeld geschapen heeft in de hersenen, en dat men vervolgens God noemt. Ware godsvrucht is betooning van geest en kracht. De goden kunnen ons de zaligheid niet anders schenken dan door middel van onze eigene vrijheid. Slechts hij die ook in zijn kluisters trotsch en vrij bleef zal ten slotte overwinnen. De godheid zelf verandert dan. Een God is dan niet langer de wijkplaats van onze onwetendheid, hij wordt het middelpunt van onze kennis. | |
[pagina 354]
| |
III.Slechts zeer ter loops wordt in de eerste zeventien eeuwen, die na de geboorte van Christus wegwentelen, van Prometheus en zijn mythe gewaagd. Hier en daar wordt een zinspeling op zijn lijden en streven gemaakt. In enkele teekeningen der catacomben meent men wellicht trekken van Prometheus te zien. Kerkvaders, die nog in nauwe aanraking met de oudheid staan, noemen van tijd tot tijd zijn naam, zelfs in verhouding met Christus. Zoo bij voorbeeld Tertullianus. Bij hem is Prometheus als een voorlooper van Christus. Christus is de ware Prometheus, ‘verus Prometheus, Deus omnipotens, blasphemiis lancinatus’, de door lastertaal als met een lans doorboorde, zoo als Prometheus door den arendsbek werd geknaagd. Prometheus is hier echter slechts een vluchtig licht- of schaduwbeeld. In den tijd der Renaissance, als de wereld der oudheid weder oprijst, komt ook het beeld van Prometheus in den geest van enkele hooge kunstenaars weder meer plastisch afsteken tegen den wijkenden achtergrond. Het wordt iets scherper en voller in omtrek. Michel-Angelo waagt zich aan de figuur van den titan. In de collectie der koningin van Engeland te Windsor komt van Michel-Angelo een teekening voor van Prometheus geketend aan de rots. Voorts kent men van hem een schets van den Titan door den arend gebeten, naast den drempel van een heidenschen tempel die inéénstort, en een andere schets die Prometheus voorstelt gekruisigd tegen de takken van een grooten eikGa naar voetnoot1). Intusschen zijn dit alles slechts sporadisch opduikende herinneringen. Doch als de loopbaan der achttiende eeuw daalt en de negentiende in aantocht is, komt Prometheus geweldig zich van de gedachte en de verbeelding der menschen meester maken. Eerst nog zuiver in den antieken vorm bij Goethe. Wij zijn in het jaar 1773. De jonge Goethe, in 1771 uit Straatsburg vertrokken, is in zijn ‘Sturm-und-Drang-Periode’. Er verloopen nog twee jaren, eer hij in 1775, als hij 26 jaren oud is, in | |
[pagina 355]
| |
Weimar zich vestigt. Thans geeft hij aan een opgetogen omgeving de romantische meesterstukken zijner jeugd, Werther en Götz von Berlichingen. Doch machtig en nobel verklanken tegelijkertijd in zijn brein woorden en tonen uit de Grieksche oudheid. En zelden is de vorm meer klassiek plastisch door hem gehanteerd, dan toen hij het dramatische fragment ‘Prometheus’ dichtte. Hem boeit - wij zijn in de jaren vóór het naderen der Fransche revolutie - slechts het denkbeeld van het verzet van den Titan tegen den oppermachtigen Hemelheer. Prometheus is bij Goethe de schepper der menschen, die tegen de wet van Zeus, doch met de hulp van Pallas-Minerva, aan de door hem gevormde beelden leven weet te geven, straks die menschen tot een maatschappij gaat leiden. Goethe teekent dus van Prometheus den tijd die aan zijn straf en zijn lijden vóórafgaat. Nooit heeft echter in krachtiger geluid de opstandkreet tegen de goden van den dag geklonken: nimmer is met fikscher zwier en met krachtiger realisme het beeld van den tegen den hemel zijn vuist ballenden worstelaar gebeiteld. Hoort slechts enkele regels uit dat gedicht van Goethe, waar hij Prometheus in zijn werkplaats voorstelt luid tegen den hemelheer zich verheffend: ‘Bedek uw hemel, Zeus, met wolkenfloers en zweep eiken door elkander op berghoogten, zoo als knapen distelen den kop afslaan: gij moet mij mijn aarde toch laten staan en mijn hut, die gij niet gebouwd hebt, en mijn haardsteê, om wier gloed gij mij benijdt. Ik ken niets armelijkers onder de zon, dan gij Goden. Gij voedt kommerlijk met offer-cijns en gebeds-wierook uw majesteit, en zoudt derven, wanneer kinderen en bedelaars niet hoopvolle dwazen waren. Toen ik een kind was, niet wetend waaruit of waarin, keerde ik mijn verdwaald oog naar de zon, alsof dáár boven een oor was dat mijn klacht zou hooren, een hart als het mijne, dat erbarming kon hebben met het onderdrukte en het beknelde. Wie hielp mij tegen den overmoed der Titans? Wie redde mij van dood en slavernij? Hebt gij niet alles zelf volbracht, heilig gloeiend hart: en hebt gij echter niet, jong en goed, bedrogen, reddings-dank toegegloeid aan den slaper daarboven! Ik u eeren? Waarom? Hebt gij ooit de smarten verzacht van hem die belast en beladen was? Hebt gij de tranen afgedroogd en gestild van den beangstigde? Heeft niet mij tot man hamerend gesmeed de almachtige tijd en het eeuwige | |
[pagina 356]
| |
noodlot, uw heer en de mijne? Zoudt Gij misschien wanen, dat ik het leven zou haten, omdat niet alle bloesem-droomen rijpten? Hier zit ik: vorm menschen naar mijn beeld, een geslacht, dat mij gelijk is, om te lijden, om te weenen, te genieten, zich te verblijden, en u niet te achten even als ik.’ Dit was de toon van den dichter vóór de Fransche revolutie. Na die wereld-omwenteling en opstand - en wel in het jaar 1802 - nam een ander duitsch dichter, uit dienzelfden kring van Goethe, het onderwerp op dat Goethe uit 't oog had verloren. Hij was HerderGa naar voetnoot1). Als dichter kan hij in de verste verte niet op één lijn met Goethe staan. Zijn verzen, vergeleken met die van Goethe, zijn, wat vorm en klank betreft, egaal fletsch en zelfs conventioncel. Maar in gedachte en diepte van inzicht is hij Goethe's evenknie. Hij nu begrijpt het nieuwe element, dat, na het eindigen der Fransche Revolutie, in de Prometheus-mythe aan 't licht moet komen. Is tot nu toe vooral op het verzet en op de straf het licht gevallen: voortaan moet men, wanneer men van Prometheus gewaagt, spreken en dichten van zijn bevrijding. Met andere woorden, voor Herder was het vuur, dat Prometheus den menschen had aangebracht, de vlam der altijd toenemende menschelijke ontwikkeling, het altijd reiner en steeds meer omhoog stralen van den goddelijken geest in den mensch: de vooruitgang der menschheid in vrijheid en rechtvaardigheid. Nu, sinds de Fransche revolutie, de beletselen zijn weggenomen, die dat opflikkeren van de vlam hebben verhinderd, nu de bevrijding dáár is, kan de menschheid al haar krachten in vollen levenslust ontvouwen. Dit wordt in een reeks van twaalf tooneelen voorgesteld, die tot titel hebben: de ontketende Prometheus (‘der entfesselte Prometheus’). In de eerste tien tooneelen zit Prometheus nog steeds in boeien geklonken op de rots. Hij geeft zelf, in het begin, te kennen hoe zijn bevrijding nabij kan zijn. Persoonlijk heeft hij spoedig ontwaard, dat bij hooghartig opgevatten moed | |
[pagina 357]
| |
de boeien van-zelf wijder werden. En steeds sprak in hem de heilige voorzegging: ‘duldt, Prometheus! Wanneer de sterkste uwer menschen de grootste daad volbracht heeft, wanneer gij-zelf de kloekste volvoert; dan slaken uw ketenen, en gij ziet uw groot werk op aarde gedijen.’ En in zijn eenzaamheid aan de rots gekluisterd, had hij inderdaad het verstand der menschen op aarde reeds zich zien ontwikkelen. De gevaarvolle gave, die hij aan zijn menschen gegeven had, het vuur, dat hij ja in den boomtak had gebracht, maar dat hij verder in hun geest aanblies en in de rots van hun inborst ontstak, glimt, brandt, straalt en glanst thans overal. De menschelijke geest is wakker geworden en heeft het gebied dat vroeger uitsluitend aan de goden behoorde betreden. De verpersoonlijkte goddelijke krachten naderen dan ook reeds Prometheus met weeklachten over zich zelven. Hier is 't het koor der Oceanieden, die jammeren dat de rust van haar zee is gestoord, sinds op gewaagde vlotten de koene stervelingen over de baren zweven, niet achtend zelfs den dood. Daar is 't Oceanus zelf, die over ontwijding van zijn heilig rijk zich beklaagt, niet inziende, dat de Oceaan, die de gordel der wereld is, door de menschen tot bemiddelaar van allen wordt gesteld, vredestichter tusschen alle volken. Prometheus kan hem verzekeren, dat, zoo de aarde nog onder de menschen twistappel moge blijven - want het merg van den wolf heeft hij helaas ook in 't leem van den mensch gemengd - het gebied van Oceanus het onaantastbare vrije heilige element zal zijn, vrij als de lucht, ondeelbaar als de golven, een band der natiën van de geheele wereld. Op de zee heerscht gemeenschap en vrijheid. Waar de golven ruischen en de klippen dreigen daar uit zich broederschap, waar de diepte inzwelgt en de storm verteert daar toont zich de erbarming. Doch ook Géa, de aarde zelve, komt met klachten. In haar gewijde stille rust-oorden dringt de mensch met bijl en houweel vooruit. De dryaden worden verjaagd, de geesten der wouden en bergen moeten vlieden. De oudste telgen, reuzen en geweldige dieren, worden gedood en gekneveld door den stoutsten der menschen, door Alcides, den zoon van Alcmene. - Op het vernemen van den naam van Alcides, en op de mededeeling van Géa, dat deze Alcides (Hercules) zelfopofferend naar de onderwereld is afgestegen om zijn vriend (Theseus) te redden: begint Prometheus te gevoelen, dat dit wèl de grootste daad, het edelste besluit is door een mensch te | |
[pagina 358]
| |
volbrengen. ‘Hoog omhoog, mijn hart - zoo roept hij uit - op dezen hoeksteen bouw ik mijn geslacht, op broederschap. Kamp voort, o Alcides! Volvoer uw strijd. Gij overwint en verlost mij. Doch waar is mijne kloekste daad? Waar?’ - Terwijl Prometheus mijmert en vraagt, komen, als ter aanvulling en afronding van hetgeen de menschen op aarde hebben weten te verwerven, nieuwe tooneelen zich aan hem voordoen. Hier komt Ceres (Demeter) omgeven door maaiers en maaieressen met kransen van koorn-airen versierd: in haar dienst hebben de menschen vastheid van verblijf, eigendom en wet, weldra, door het opmerken der wisseling van de jaargetijden, orde van 't heelal leeren eerbiedigen. Zij hebben leeren arbeiden en verduren. Want Ceres heeft, toen niemand haar wilde helpen om haar dochter te ontrukken aan de onderwereld, zich tot de menschen en Prometheus gewend, en hen opvoedend zag zij nu in elk zaad, dat in de aarde door menschen gelegd nieuwe kiemen deed uitbotten, haar kind terug. Zij heeft de menschen teeder lief gaan hebben. Het is waar - Prometheus zegt 't zelf - tirannen zullen het stille arbeidzame volk vertreden, in 't juk brengen, tot lijfeigenen en grondhoorigen maken en hen in hun eigen huiselijken haard ombrengen: dan zal hun geest tot het graf zich willen buigen - doch de hoop blijft over. Bacchus komt op als vertegenwoordiger van die hoop, zij het dat zijn gave, die vroolijken moed aan den geest verleent, misbruikt kan worden. Terwijl Prometheus met 't denkbeeld van hoop zich verkwikt, nadert de verzoeking, in de gestalte van Pandora door Hermes geleid. Doch Prometheus wijst dit verlokkend schijnbeeld af. Haar verleidende weelde-gaven zijn waan en bederf: ‘liever in armoede, onder den druk van nood moge mijn volk leven, dan duizendvoudig bedrogen door valsch verblindenden tooverglans’. - Doch nu nadert werkelijk de Redder. Alcides heeft de zwaarste taak van een mensch volbracht en zijn vriend Theseus naar de bovenwereld terug weten te brengen. Hij komt aan de rots waar Prometheus gekluisterd is. Reeds vliegt de adelaar uit het zwerk om den lever weder hem open te rijten. Alcides spant zijn boog, en doodelijk valt de gier. Nu treedt hij tot Prometheus en ontketent hem. ‘De grootste uwer daden is volbracht - zoo zegt hij tot Prometheus - o gij der menschen redder, hun bevrijden; ik roep u voor den troon van uw moeder’. - En ziet, in het | |
[pagina 359]
| |
laatste tooneel staan zij allen voor den troon van Themis, de rechtvaardigheid, de moeder van Prometheus. En Themis spreekt nu het slotwoord. ‘De overmoed van den geest - zoo zegt zij - is niet rechtvaardig. Omdat gij overmoedig waart hebt gij geleden: doch nu door dat lijden hebt gij de grootste daad geleerd en daarin u geoefend, te weten in het stand houden (‘Beharrlichkeit’). Aan uw rots vastgehecht, bleeft gij wie gij waart, Prometheus, versmadend elken weg der valsche kunst. Intusschen is, o zoon, uw werk gedijd. Dat werk prijst u in het aangezicht der Olympische goden. Weet het, zelfs ter bevordering van uw doel, werd de arm u gebonden. Hadt gij, wat slechts langzaam kon ontwikkelen, snel en overijlig willen toebereiden, dan had gij zelf uw eigen werk vernietigd, dat thans rustig kan opbloeien. De menschenvriendelijkste der goden zijn thans het ondernemen, dat gij begon, genegen. De Olympus is voortaan op aarde.’ Zoo spreekt Themis, en Pallas brengt thans als bekroning van het geheel tot Prometheus een gestalte, die in eenvoud en liefelijkheid het tegenbeeld is van Pandora, te weten Agathia, de reine menschelijkheid, het doel van geheel het werken van Prometheus, die voortaan zijn geleidster, raadgeefster en zuster zal zijn. | |
IV.De bevrijding van Prometheus was dus aangegeven. Wat Herder slechts had gespeld, wachtte nu slechts op een ideëel dichter, die het beeld der ontketening van den geest tot de hoogste immaterieele sferen zou kunnen opvoeren. Dit was Shelley, wiens Prometheus-gedicht in 1820 't licht zag. Tot barstens toe zwellen bij hem de accoorden. Wij hebben hier niet meer louter plastische afronding der eenvoud: neen in een rijke harmonie van schitterende kleuren en vormen wordt geheel het bedrijf der aangevangen verlossing verplaatst. Het zijn geen saâmgeperste herinneringen die ernstig treffen, neen de vurige fakkel van den halfgod zet alles in laaien gloed. Het wordt allengs in het gedicht een jubelende blijdschap over de nieuwe groeikracht der natuur en der menschheid. Doch let wel: niet enkel wordt, met het oog op den oneindigen vooruitgang, nadruk gelegd op wetenschap en industrie: neen, naast die twee hefboomen voegt zich bij Shelley de kracht der die- | |
[pagina 360]
| |
nende liefde en der zachtmoedigheid. Dit is het geheel nieuwe element, dat een der hoogste geesten der 19e eeuw - naast Goethe is hij wellicht de grootste poëet dezer eeuw - aan de Prometheus-mythe heeft toegevoegd. Ontleden wij thans - hoe moeielijk het zij - den inhoud van zijn poëem. Shelley's ‘ontketende Prometheus’ wordt door hem een lyrisch drama genoemd. Hij verdeelt het in vier bedrijven. In het eerste bedrijf is Prometheus nog steeds gekluisterd aan de rots van den Indischen Caucasus. In het tweede ziet men Asia, een verpersoonlijking der natuur, de voorbereidende stappen doen om hem, nu het uur der verlossing nadert, te bevrijden. In het derde bedrijf heeft die verlossing plaats, stort Zeus (Jupiter) van zijn troon, en schildert Prometheus de wenteling der dingen, die in de wereld en in de menschheid nu plaats zal grijpen. Het vierde bedrijf - eenigszins later door Shelley daaraan toegevoegd - geeft een blik in de zaligheid van het voortaan in vrijheid en goddelijke vreugde jubelende heelal. Het eerste bedrijf toont ons Prometheus in onverzwakte fierheid, al wordt hij nu drie duizend jaren lang duldeloos gefolterd. Hij acht zich in zijn lijden gelukkiger dan de oppergod, die slechts over slaven heerscht. Inderdaad hij heeft medelijden met dien god. Hij zou den vloek willen terugnemen, dien hij, toen hij voor 't eerst geketend werd, tegen Jupiter heeft uitgestooten. Die vloek wordt in zijn breede bewoordingen herhaald, en aan den beheerscher der goden en menschen wordt aangezegd, dat het uur zal komen, waarin hij, Jupiter, zal blijken te zijn hetgeen hij innerlijk is, een geest der duisternis. Maar is die vloek nog eens vernomen, zoo komt - al zegt Prometheus dat hij berouw over die bittere bewoordingen van het verleden heeft - Mercurius, de bode van Jupiter, vergezeld van de Furiën hem nieuwe straffen brengen. Mercurius heeft zelf geen lust in het leed dat hij moet doen ondergaan, en maant Prometheus zijn gemoed te buigen. Doch Prometheus blijft in zijn vast kalm besluit onwrikbaar. Zoolang het door hem beminde ras der menschen vertreden wordt door de dienaren die de gedachte van den oppergod uitvoeren, is geen wijziging in 't voornemen van Prometheus te verlangen. ‘Laat anderen de misdaad vleien, waar dat misdrijf in zijn vergankelijke almacht troont, zij zullen toch nog ongedeerd zijn, want de Rechtvaardigheid zal, als zij triomfeert, medelijden, niet straf, doen | |
[pagina 361]
| |
stroomen op het haar aangedane onrecht, reeds te zeer gewroken door het dwalen zelf der dwalenden.’ Prometheus zal geen schikking of compromis met het kwaad aangaan; hij wacht het uur der vergelding. Nu laat Mercurius de Furiën los tegen den Titan. Zij brengen de meest verfijnde pijniging aan. Zij laten Prometheus de voorstelling zien, dat al wat hij voor de menschheid geleden en gedacht heeft een illusie, een droombeeld is. Prometheus moge roemen op de klare heldere kennis die hij voor de menschen heeft doen dagen, in den geest dier menschen werd slechts een dorst gewekt, door geen wateren te stillen, een dorst van wilde grimmige koorts, waardoor hoop, twijfel en verlangen hen nu voor altijd verteeren. Daar kwam een vriendelijke milde machtige gestalte glimlachend tot de bloedige aarde: zijn woorden overleefden hem, doch als door een snel vergif verwelkten en verschrompelden trouw, vrede en erbarmen. Zie, aan den breeden horizont stuwt de van menschen krioelende stad haar donkeren stikrook tot den vroeger helderen hemel omhoog! Hoor de kreten van wanhoop allerwege! Ach de edelmoedige geest weeklaagt om het geloof in de toover-leus dat hij heeft ontstoken. Angstdroppelen bevochtigen zijn wenkbrauwen. Want een ‘ontgoochelde’ natie heft zich op uit den dag der ellende; aan waarheid was haar toestand gewijd: vrijheid zou haar leiden: legioenen van aaneengeschaarde broeders, die Liefde kinderen noemde, zouden oprijzen: - welaan, broeder valt thans moordend op broeder; het wordt een oogst-tijd van dood en van zonde; bloed als nieuwe wijn bruist allerwege, totdat wanhoop een worstelende wereld, die het terrein wordt van slaven en tirannen, voor goed smoort. De Furiën wijzen met den vinger op zulke tooneelen. Zij doen scherp zien, dat zij, die zwaar bitter onrecht en smaad voor de menschen dulden, slechts duizendvoudige folteringen op hen en op zich zelven hoopen. Als in een glanzend snel wijkend vizioen toonen zij den klagelijken aanblik van een jongen wan met geduldig lijdende gelaatstrekken vastgenageld aan een kruis. Al die visies martelen Prometheus als giftige adders, en de Furiën zetten de slangen aan. Straks trekken zij een slotsom: ‘In elk menschelijk hart - zoo zeggen zij - blijft na alles over de schrik en de vrees (‘terror’). De besten vreezen, dat alles wat zij versmaden om te denken toch nog waar zal blijken. Schijnheiligheid en gewoonte maken van hun geest de wijkplaats | |
[pagina 362]
| |
van allerlei eeredienst, dien zij reeds achter zich meenden te hebben gelaten. Zij durven voor der menschen staat en toestand geen goeds meer bedenken, en toch zijn zij zich-zelven niet eens bewust dat zij dien moed missen. Den goeden ontbreekt de macht, tenzij om onvruchtbare tranen te weenen. Den machtigen faalt het aan goedheid. De wijzen hebben geen liefde, en zij die lief hebben bezitten geen wijsheid. Zóó zijn alle beste dingen op aarde verward en saâmgegroeid in 't kwade. Vele menschen zijn sterk en rijk en zouden willig rechtvaardig zijn, maar leven te midden van hun lijdende medemenschen alsof niemand iets voelde. Zij weten niet wat zij doen.’ Tegenover die beangstigende kwellingen des geestes laat moeder-aarde den duldenden Titan, die ook thans nog woorden van medelijden voor zijn vervolgers heeft, woorden van troost en bemoediging klinken. Terwijl de furiën hebben willen doen gelooven, dat waarheid, vrijheid en liefde slechts ledige woorden zijn, ijdele holle klanken, komen zachte geesten hem troosten, geesten die de toekomst zien. Zij ook wijzen op vizioenen, op tooneelen, die juist een tegenbeeld vormen van de donkere tafereelen door de furiën getoond. Eén komt er van een wild en gedruischvol slagveld, waar de standaard van het geweld wordt verbrijzeld, en slechts éénzelfde klank 't luchtruim nu vervulde, beneden, boven, overal: een uiting van zelfopofferende liefde: hoop en profetie die aan Prometheus' naam zich vasthecht. Een ander komt uit de door winden gezweepte zee, waar de vloten op elkander stortten; een groot schip spleet krakend uitéén: en bij een hellen straal zag men een schepeling, die aan zijn vijand de reddingsplank overliet en zelf in de golven dook om te sterven. Een derde verhaalt van een wijsgeer, altijd zittende te werken en te peinzen voor het nut der menschheid; hij is naast zijn boek in slaap gevallen, maar een droom van erbarming met 't leed van anderen doet zijn wangen tintelen. Een vierde spreekt van een dichter op wiens lippen zegenbeden voor de menschen zweven: hij ziet overal licht en schaduw, en uit die verschijnselen schept hij gestalten en vormen nog meer werkelijk, meer levend, dan de stervelingen, want zijn kinderen worden kinderen der onsterfelijkheid. Zóó komen weder in het brein van Prometheus boven het geloof aan rechtvaardigheid, liefde en vrede. Hij gevoelt weder de kracht om te zijn de redder en toevlucht der lijdende menschheid. | |
[pagina 363]
| |
Hij denkt nu mijmerend aan de nymf Asia, ‘uit wier beminde oogen hij vroeger leven dronk’, ‘die, als zijn wezen overvloeide, in gouden schaal opving den glanzenden wijn, die anders slechts het dorstige stof had bevochtigd.’ Het tweede bedrijf brengt ons bij die Asia, in wie een deel natuur zich verpersoonlijkt. Zij is tijdens de straf van Prometheus verbannen in een vallei van den Indischen Caucasus. Doch zie, op een morgen, als de lente frisch ontwaakt, nadert tot haar Panthéa, een der twee Oceanieden (Ione is de andere) die bij den gekluisterden Titan zijn blijven toeven om hem troost aan te bieden. Panthea deelt haar mede twee droomen die tot haar zijn gekomen. In den éénen droom had zij gezien, dat de bleeke met wonden doorploegde ledematen van den Titan, uit de boeien verlost, weder tot den vroegeren luister zich ophieven, en dat zijn stem, die het doffe brein weleer betooverde, als muziek weder tot haar klonk. In den anderen droom was een geest haar verschenen, met wilden en vluggen blik, met welig hoofdhaar door den wind bewogen, gehuld in een kleed waardoor gouden dauw van sterren fonkelde: en die geest - geest van vooruitgang - riep slechts het ééne woord: ‘volgt, volgt!’ Terwijl zij spreken suist het om haar heên: en herhalen de echo's van alle kanten dat woord ‘volgt.’ Welnu zij gehoorzamen dien wenk; Panthea legt haar hand in die van Asia en zij volgen de stem. Het is een schoone tocht dien zij ondernemen. Zij gaan door dichte ruige wouden, langs rotsen en bergkloven: nu eens gaat het pad langs ceders en pijnboomen en is het lommer zoo zwaar, dat geen straal van den blauwen hemel er doordringt: dan weder treden zij op zonnige grazige weiden, waar allerlei bloemen bloeien en de broze anemone tot haar neerbuigt. Nu ééns hooren zij het klagelijk en toch zoo doordringend gefluit der nachtegalen, kreet van liefde, muziek zóó zoet dat vreugde hier bijna smart wordt. Dan weder klateren beken en watervallen haar toe. En steeds treden zij voorwaarts zonder zich op te houden, dwars door het dichte bladergroen, over 't zachte mos, langs stammen omwonden door klimop, altijd verder, altijd verder. Het is alsof een zachte wind haar voortdrijft, als beken die naar het meer zich spoeden. De faunen, die in het woud zich ophouden, zien met nieuwsgierigen blik haar beiden aan. Zij begrijpen dat een onweerstaanbare macht die twee beeldschoone gestalten tot een vast doel zich doet be- | |
[pagina 364]
| |
wegen; zij herinneren zich oude liederen van hun meester Silenus, wanneer hij zong van lotsbestemming en toeval, van Goden en Chaos, van liefde en van het wee van den geketenden Titan, die eens ontboeid zou worden, en dan de aarde tot één broederschap zou maken. Asia en Panthea blijven niet luisteren, laten zich niet afleiden, letten slechts op de stem die tot verder volgen haar roept. Zoo komen zij, door een vaste aantrekkingskracht getrokken en geleid, langs rijzenden weg, midden in het gebergte, ten slotte aan het voorportaal van het rijk van Demogorgon. Dit is het einddoel van haar tocht. Want Demogorgon, de zoon van Themis, zelf de verpersoonlijking der eeuwige Rechtvaardigheid, is de oorspronkelijke oerkracht, die de wereld te samen houdt, en die, terwijl zij den troon van Zeus den geweldenaar zal verbrijzelen, Prometheus moet bevrijden. Boven en over de opening tot Demogorgon's verblijf rollen nevelen. Als uit een vulkaan stuiven dampen naar boven, fijne ademtochten, die eenzaam mijmerende jongelingen opsnuiven en drinken, en die zij waarheid, deugd, liefde, genie of vreugde, bedwelmenden wijn van 't leven noemen. Door die lichte dampen heên zien Asia en haar zuster het schemeren van het rijk van den God der gerechtigheid. Zij moeten nu dwars door dien krater afdalen tot de diepte van zijn rijk. Langs den mist en de purperen golven heên moeten zij zich afglijdend naar beneden laten gaan. Dwars door de schaduw van den slaap, dwars door den dommelenden strijd tusschen dood en leven, dwars door 't voorhangsel en de scheiding van schijn en wezenlijkheid, naderen zij tot de treden van den troon van den God. En ziet: zij staan vóór Demogorgon. Hij laat zijn sluier vallen. Een overweldigende donkerheid vult den zetel van zijn macht: stralen van duisternis schieten uit, als zonnepijlen van de zon op haar middaghoogte: het is een wezen nooit nog gezien en vormloos: geen leden, vorm of omtrek, zijn te bespeuren: en toch voelen Asia en Panthea dat het een levende geest is. Vraagt, zoo klinkt het tot haar beiden, wat gij zoudt willen weten. Nu begint Asia haar vragen. Haar vragen over de levende wereld, en wie die wereld heeft gevormd. De antwroorden zijn geheimnis-vol, zelfs voor Asia niet dadelijk te begrijpen. Zij bewegen zich in de tegenstelling van den almachtigen God, die een God van erbarming en liefde is, dien men in alles voelt, van wien | |
[pagina 365]
| |
de lentewinden en bloemen en 't licht spreken, en den God van willekeur, die schrik en misdrijf, zelfverwijt en zelfverachting baart, en van wien enkel 't woord geldt: hij regeert. Nu gaat Asia verder en ontvouwt het werken en doen van Prometheus. ‘Let wel, zoo zegt zij, in den beginne waren Hemel en Aarde, Licht en Liefde. Toen kwam Saturnus, van wiens troon de Tijd, als jaloersche schaduw, neêrviel. Onder diens heerschappij bewogen zich de eerste geesten op aarde als in kalme vreugde, bloemen en levende bladeren, vóórdat de wind of de zon of de wormen ze verwelkt hebben: doch Saturnus weigerde aan die geesten het geboorterecht van hun wezen; kennis, macht, kunst die de elementen vormt, gedachte die het doffe heelal doordringt als licht, zelfbeheersching, en de majesteit der liefde: en juist naar die goederen haakten zij als dorstigen naar lafenis. Toen keerde zich Prometheus aan de zijde van Jupiter, en gaf hem wijsheid die kracht is, doch slechts onder deze voorwaarde: ‘laat de mensch vrij zijn’: zoodat Jupiter bekleed werd met de heerschappij van den wijd uitgestrekten hemel. En Jupiter regeerde nu. Doch regeeren beteekent almachtig te zijn, geen vrienden te kennen, boven trouw en liefde en wet te staan. En op het ras der menschen striemden nu hongersnood, zwoegen, ziekten, strijd, wonden en de vroeger niet geziene spookachtige dood. De tegenstrijdige jaargetijden dreven, met wisselende kwelling van vorst of hitte, de onbeschutte menschen, in bleeke kudden, naar holen van het gebergte. In hun verlaten harten zond Jupiter wilde behoefte, verbijsterenden kommer, ijdele schaduwen van onwezenlijke goederen, die tot ouderlingen krijg dreven, zoodat de menschen zelven gingen verwoesten de eigen wijkplaatsen, waarin zij, wrokkend tegen elkander, huisden. Prometheus zag het, en wekte de veelvoudige hoop op, die sluimert in Elyseïsche bloemen, in Nepenthe, Amaranthe en andere niet verwelkende bloesems, opdat die hoop met dunne regenboog-vleugels het fantoom van den dood zou verbergen. Voorts zond Prometheus Liefde, om de uit elkander gerukte ranken van den wijnstok, die den levenswijn bergt, der menschen hart, saâm te binden. Hij temde het vuur, dat als een roofdier, gruwzaam doch liefelijk, speelde onder het wenkbrauwen-gefrons van den mensch. Hij boog en kneedde onder zijn wil ijzer en goud, slaven en teekenen van macht, edelsteenen en vergif, en al de verfijndste vormen of elementen die onder de bergen | |
[pagina 366]
| |
en de golven zijn verborgen. Hij gaf den mensch de spraak. Spraak nu schiep de gedachte, de maat van het heelal. En wetenschap deed de tronen van aarde en hemel schudden: zij trilden doch vielen niet. De harmonieuse ziel begon zich uit te storten in alles voorspellend en verkondigend gezang. Muziek hief den luisterenden geest omhoog, totdat hij zich vrij bewoog, verlost van sterfelijke zorg, goden-gelijk, over de glasheldere golven van zacht rhytmisch geluid. Menschelijke handen bootsten eerst na het menschelijk beeld, en dreven daarna haast den spot met die menschelijke vormen, toen zij gestalten boetseerden schooner dan hun eigen, totdat het marmer goddelijk werd: en moeders, die marmeren goddelijke beelden ziende, dronken de liefde, die de menschen in 't oogenblik van hun leven in hun ras weêrspiegeld zien. Hij zette uitéén de verborgen kracht van kruiden en bronnen, en ziekte nam een teug en sliep. Dood werd als slaap. Hij onderwees de wenteling en dooréénstrengeling van den loop der zeer ver dwalende sterren, en hoe de zon haar zetel wisselt, en door welk geheimzinnig tooveren de bleeke maan zich vervormt, wanneer haar breed oog niet de zee aanschouwt. Hij leerde de door stormwinden bewogen karren in den oceaan te besturen, zooals het lichaam de leden bewreegt, en de Celten kenden voortaan de Indiërs. Steden werden toen gebouwd, en tusschen hun sneeuw-witte zuilen, omstroomd door zacht warme winden, lichtte de azuren aether, en toonde zich in het verschiet de blauwe zee en het schaduwwerpende gebergte. Al deze verzoeting van hun toestand gaf Prometheus aan de menschen, daarvoor hangt hij nu krimpend in met overleg bedoelde pijnen.’ Zal de God der willekeur en van het kwaad - die den mensch, in plaats van vreugdevol zijn herschepping der wereld te doen genieten, gezweept door het lot doet drijven op 't wrakhout van zijn eigen wil - zal die God voor altijd de meester zijn? of liever, hoelang zal hij nog de meester zijn? Want Asia wordt thans dringend en dringender. Inderdaad heeft zij zelve het diepe bewustzijn der toekomst. Haar eigen hart geeft haar het woord dat zij verlangt. Prometheus - zij weet het - zal oprijzen als de zon van de opnieuw zich verblijdende wereld. Doch wanneer? Wanneer, zoo vraagt zij voor 't laatst aan Demogorgon, wanneer zal het bestemde uur komen? Het is alsof zij, de verpersoonlijkte natuur, den stoot gaat geven om | |
[pagina 367]
| |
Prometheus te verlossen. Want Demogorgon spreekt niet meer, doch laat slechts zien. Daar komen op hun vliegende wielende karren door gevleugelde paarden getrokken de onsterfelijke uren. En één dier uren is het uur dat Asia heeft opgeroepen. Het is het uur, dat in stikdonkeren nacht de hoop des opperheerschers zal doen verdwijnen. Uit zijn diepe mysterieuse ondoordringbare duisternis stijgt Demogorgon op tot de zwarte kar door dat noodlots-uur geleid. De kar rolt voort en voort tot naar den hemel van Jupiter. En op een wit-ivoren schelp, door een geest van licht bestuurd, getrokken door rossen van vuur, begeleidt Asia met haar vriendin de rennende onweerstaanbare kar. Asia's gedaante ondergaat op dien tocht een verandering. Haar schoonheid wordt van hoogere orde: haar vriendin kan haar aanblik bijna niet verdragen. Een harmonie van kleur en licht schijnt van haar uittestralen, en om haar heên zingen geesten van leven en liefde, het schoonste en meest ethérisch gezang dat misschien ooit is gehoordGa naar voetnoot1). Het derde bedrijf laat ons den val van Jupiter zien en de bevrijding van Prometheus. Het tooneel verplaatst ons in den hemel, op 't oogenblik dat de zwarte kar van het bestemde uur komt aanraderen. Jupiter gelooft zich nog de almachtige heerscher, al bemerkt hij, dat de ziel van den mensch als een onuitbluschbaar vuur tegen den hemel aan, met trotsch verwijt en twijfel, geweeklaag en worstelend gebed, in dreigenden opstand opflikkert. Intusschen heeft hij bij Thetis een zoon verwekt, den schrik der aarde, Hercules, die elken opstand zal te niet doen. Die zoon wacht slechts op een vorm hem door Demogorgon op 't bestemde uur te geven. Dies acht Jupiter zich zeker. Doch ziet, Demogorgon nadert. Het noodlot, de eeuwigheid. Hij wenkt, en Jupiter moet hem volgen in den afgrond. De elementen gehoorzamen den oppergod niet meer. De heerscher valt, en met hem zinken weg geweld en onderdrukking. De zoon, dien Jupiter tot zijn eigen beveiliging had verwekt, de Hercules, wordt dienaar der bevrijding. Oceanus, die den val beschrijft aan een der goden, wijst dadelijk er op, dat over de banen van zijn golven geen bloed en zuchten meer zullen | |
[pagina 368]
| |
gaan, maar zachte muziek en liefelijke stemmen. Een oogenblik later - en Hercules bevrijdt Prometheus. Prometheus rijst op. De veelbeproefde spreekt geen enkel woord meer over het verleden van smaad en pijn: geen verwijt klinkt meer van zijn lippen: hij richt slechts het oog op de toekomst. Hij schildert aan Asia - ‘licht van het leven, schaduw van nooit geziene schoonheid’ - de plaats waar zij voortaan te samen zullen wonen. Een zalig verblijf. Zalig ook door 't geluk der menschheid. Dáár toch zullen, gedragen op tooverwinden, de echo's komen uit de wereld der menschen, echo's die vertellen zullen van de diepe stem van liefde nauw gehoord, van de zacht geuite bekommering der duiven-oogige erbarming, van muziek op zich-zelf reeds de echo van het hart, en van al dat 's menschen leven, nu vrij, tempert of verbetert. ‘Liefelijke verschijningen zullen (zoo zegt Prometheus) ons dáár bezoeken, verschijningen, eerst slechts flauw en ijl aangegeven, dan glanzend, blinkend en schitterend, wanneer de geest - heerlijk zich opheffend uit de omhelzing der schoonheid, uit wie de vormen stammen waarvan zij slechts het afschijnsel zijn - op haar de bijéénvergaarde stralen werpt die werkelijkheid geven. Zóó zullen tot ons naderen de onsterfelijke kinderen van schilderkunst, van beeldhouwkunst, van bezielde poëzie en van alle kunsten, ook zij, die nog komen zullen en waarvan men thans nog geen voorstelling heeft. Zij zijn de heên en weder gaande stemmen en schaduwen van alles wat den mensch smaakvol en goed past, de middelaars van den besten eeredienst, dien der liefde, door menschen en ons aangeboden en teruggegeven. Snel zich bewegende vormen en geluiden, die schooner en liefelijker worden, naarmate de mensch in wijsheid en goedheid vordert, wanneer sluier na sluier, kwaad en dwaling, wegvallen.’ Ook ‘de aarde’ als natuur neemt deel aan de wenteling der dingen, nu Prometheus is vrijgemaakt. Zij ondergaat een verjonging. Nieuw leven zal geheel de planten- en dierenwereld doortintelen, en de dood zal enkel wezen de laatste omhelzing van haar die leven neemt dat zij gegeven heeft, als wanneer een moeder, haar kind omvattend, spreekt ‘verlaat mij niet meer.’ Alle dingen zullen wat slecht in hun aard was afleggen, en een fraaien of zachten vorm aannemen. Het is alsof alles uit een donkeren slaap tot frisch nieuw leven ontwaakt. Slangen, padden, salamanders zullen aan schoonheid verwant kun- | |
[pagina 369]
| |
nen zijnGa naar voetnoot1). Die evolutie der natuur gaat evenwijdig en evenredig met de transformatie der samenleving der menschen, nu het begrip van vrijheid, het loswoord van Prometheus, aan de wereld wordt kenbaar gemaakt. De geest, die 't uur vertegenwoordigt dat Jupiter heeft zien vallen, zweeft, blazend op een mystieke schelp, de wereld rond. De schoonste harmonie wordt als machtige muziek, opgevangen door echo op echo, overal gehoord: en op den klank dier ruischende tonen voltrekt zich de wenteling van staat en maatschappij. ‘Ziet, de tronen waren zonder koningen en de menschen verkeerden met elkander, zoo als de geesten doen. Geen vleide er of liet een overwicht gevoelen. Haat, minachting, vrees, eigenliefde of zelfverachting waren niet meer op den wenkbrauw-boog geteekend, zoo als boven de poort der hel de woorden staan: “laat alle hoop varen gij die hier binnen treedt”. Niemand fronste de wenkbrauwen, niemand beefde, niemand zag met scherpe vrees naar de oogen van een ander om bevel op te vangen, totdat de aan dien andere onderworpene in harder lot slaaf was geworden van zijn eigen wil, die hem zelf als een afgejakkerd paard ten dood toe spoorde. Niemand plooide meer zijn lippen tot waarheid-verstrikkende volzinnen, die een glimlach geven aan den leugen welken de tong niet zoo rond-uit wilde uitspreken. Niemand doofde met vlijmende ironie in eigen hart de vonken van liefde en hoop, totdat slechts overbleef de bittere asch van een zich zelf verterende ziel, en de ellendige als een vampier onder de menschen kroop alles bezoedelend met zijn eigen hatelijk kwaad. Niemand sprak die alledaagsche, onware koude, holle taal, waarbij het hart “neen” zegt op het “ja” der lippen, en een onopzettelijke schijnheiligheid omgekeerd zelf-wantrouwen doet oprijzen. Niets van dat alles gebeurde meer. En bovendien gingen daar voorbij vrouwen, fier en schoon, zacht en mild als de open hemel, die frisch licht en dauw over de wijde aarde doet sprenkelen. Zij waren bevallige, lichtende gestalten, zelfstandig vrij, rein van elke donkere tint der gewoonte en sleur, wijsheid sprekend die zij vroeger zelfs niet eens konden denken, aandoeningen latende zien die zij vroeger vreesden te gevoelen, omvormd tot alles wat zij vroeger niet den moed hadden te zijn. En nu, in die verandering, maakten | |
[pagina 370]
| |
zij de aarde tot een hemel. Geen trotschheid of jaloerschheid of wangunst, of verkeerd schaamtegevoel, de bitterste van die druppels van opgegaarde gal, bedierven den zoeten geur der nepenthe, de liefde’. ‘Tronen, altaren, rechterszetels, kerkers (waarop en waarbij door ellendige wezens scepters, kronen, zwaarden en ketens werden gedragen) en bibliotheeken met boekdeelen van verstandig geordend onrecht, door onwetendheid verklaard en aangevuld, waren voortaan gelijk aan die monsterachtige barbaarsche vormen, schimmen uit een schemerachtig vroeger van faam vervuld tijdvak, welke, uit hun niet geheel verteerde obelisken, triomfeerend neêrzien over de paleizen en graven van hen die weleer in hun tijd veroveraars waren. Eéns getuigden zij, terwijl zij den trots van koningen en priesters omgaven en uitdrukten, van een duister en krachtig geloof, van een macht zóó groot als de wereld is die zij verwoestte: thans zijn zij, half-vergaan, slechts een voorwerp van verwondering wanneer men ze wil aanzien. Zóó, juist zóó, staan tusschen de woningen der bevolkte aarde nu de werktuigen en zinnebeelden van de laatste kluistering der menschen, niet omvergeworpen, maar onopgemerkt. En de troebele gedaanten, door god en menschen verafschuwd, die onder menigerlei naam en vorm, vreemd, woest, spookachtig, duister en weerzinwekkend, Jupiter waren, de dwingeland der wereld, en die de naties, in schrik verzonken, met bloed, en harten door lange hoop gebroken, en bezoedelde liefde eerden .... deze gestalten vergaan en verworden in haar verlaten heiligdommen. Het beschilderde voorhangsel, dat vroeger leven werd geheeten, en dat met vluchtig gewasschen kleuren al hetgeen de menschen geloofden en hoopten in nabootsing weergaf, is weggetrokken. Het masker is af. De mensch blijft over, vrij, onbeheerscht, zonder voorschrift of bepaling: gelijk aan ieder en aan allen, niet in klassen of stammen geordend, niet door het begrip van naties gescheiden. Afwezig is het gevoel van bevenden eerbied, van hulde, en van rangen en graden in de maatschappij. De mensch is soeverein over zich zelf: rechtvaardig, zacht en wijs. Maar voortaan ook zonder hartstochten? Neen: ofschoon vrij van schuld en pijn, die er waren, omdat zijn wil ze maakte of gedoogde. En evenmin vrij - al gaf hij daaraan regelen als aan slaven - van toeval en van dood en van vergankelijkheid, ballast en blokken hangende aan datgene wrat anders zou rijzen boven de liefelijkste ster van den | |
[pagina 371]
| |
onbestegen hemel, schemerend opdoemend in het diepe niet’. Het vierde bedrijf doet nu een blik werpen in het nieuwe heelal, sinds Jupiter's rijk is inééngestort. Het is een aanéénrijging van zangen en liederen. Het vormt een stijgend gejuich van fijne soprane ariaas: een triomfeeren in vreugde en geluk. Zoo teer is bijna nooit met taal geweven. Dat ruischt, dat suizelt, dat fluit als in een bosch waar leeuwrikken zingen, en de zonnestralen langs de stammen fonkelen. De samenstelling van dat bedrijf, vol speelsche bekoorlijkheid en diep poëtische aandoening, stond niet dadelijk op het programma toen Shelley zijn drama ontwierp. Inderdaad moet men het opvatten als een bekroning van het dichtstuk, op gelijksoortige wijze als Beethoven aan zijn negende symphonie tot slot heeft gegeven het lied aan de vreugde. Het gansche bedrijf lost zich dus op in één hoog en blij gejubel. In de meest ethérische lyrische verzen worden de nieuwe toestanden, die het geheele natuurleven der wereld en de maatschappij der menschen vervormen, beschreven. Hier is aan 't woord het intieme weven, en tegelijk het volle ruischende klinkende leven van het gansche heelal. En Shelley's genie was bij machte om geheel dat zijn en leven met zijn poëzie te omvademen. De vertrouwelijkste en tegelijk verhevenste geheimen worden verklaard. De bronnen zelven van het bestaan worden aangewezen. En alles, wat zich volgens de voorstelling van den dichter beweegt, treedt op als met een blos van verrukking op 't gelaat. Een waas van jeugdig geluk, een blozend lente-verlangen, is over alle wezens verspreid. En de deels hooge, deels diepe tonen van de wording van het leven worden nu door Shelley in daaraan evenredige samenstemmende klanken opgevangen. Wij kunnen dit alles in een kort overzicht niet weêrgeven. Van den gloed der vinding, van de rijke afwisseling van kleur, van het schallen der geluiden, van de trillend wiegelende rhytmische golving, van de elegante gratie waarmede alles is aangevat, van de teêre broosheid, de droomerige en naieve schoonheid der voorbijtrekkende figuren, kunnen wij geen voorstelling geven. Wij laten dus eenvoudig ter zijde al de allegorieën die er voorkomen, de gloeiende liefdesbetuigingen der maan aan de aarde. Uit de woeling en wieling der elkander verdringende visies - een zee van bedwelmende aandoeningen - wijzen wij als met den vinger slechts naar enkele trekken van beteekenis voor de opvatting van Prometheus en van zijn werk. | |
[pagina 372]
| |
Verrukkelijk schoon zijn de verzen waarmede de jaren worden ten grave gebracht. Want de tijd staat stil in den toestand van het geluk. De geesten der uren als zoodanig gaan thans voor goed voorbij. ‘Eens waren de hongerige uren een koppel honden die den dag als een bloedend hert voortjoegen, en met tal van wonden struikelend viel het wild in zijn rennen door de nachtelijke laagten van het eenzaam ledige jaar. Maar nú, o weeft de mystieke maten van muziek en dans en golven van licht! Laat de uren en de geesten van macht en genot als wolken en zonnestralen zich vereenigen!’ De geesten van der menschen eigen ziel geven thans den toon aan. ‘Wij komen uit de ziel der menschen, die vroeger zoo dof en zinnelijk en blind was, maar die nú een zee van klare emotie, een hemel van rustige en machtige beweging is geworden.’ ‘Jaar na jaar bleven wij waden dwars door bloed en tranen, in een opééngedrongen hel van haat, hoop en vrees .... maar nú is onze voet bekleed met kalmte, de dauw op onze vleugelen is een regen van balsem, en vóór onze oogen ligt de menschelijke liefde, die alles, waarop zij haar blikken richt, tot paradijs maakt.’ ‘Wij zullen een wereld opbouwen, waar de Geest der wijsheid kan regeeren, wij zullen het plan van de nieuwe wereld der menschen opmaken, en ons werk zal voortaan heeten naar den naam van Prometheus.’ Straks getuigt de Aarde dat liefde haar graniete massa doordringt en doortrilt: die liefde is gekomen als een onweêrstaanbare storm en heeft den chaos der gedachte in beweging gebracht, ‘totdat haat, vrees en smart als snel te verdrijven schaduwen vlieden van den mensch, die, omdat hij een veelkantige honderd-facettige spiegel was, in veel misvormde verwrongen figuren de ware schoone wereld der dingen had weerkaatst.... Voortaan wordt de ziel der menschen weder een effen harmonieuse ziel, die volkomen en volledig de liefde afbeeldt. De gewone huiselijke daden en handelingen worden nú schoon door de liefde: Arbeid en zwoegen en verdriet spelen in het groene loover van het leven als tam gemaakte dieren, niemand wist hoe lief zij konden zijn...’ Alle dingen erkennen en eerbiedigen de kracht van den mensch. Zijn wil is souverein over de krachten der aarde. Door de koude materie van marmer en bergkristal glijden en schieten zijn droomen als lichtende draden waaruit moeders het gewaad weven dat haar kinderen dragen. De spraak wordt een voortdurend or- | |
[pagina 373]
| |
fisch gezang, dat met de schoonste harmonie een kluwen regelt van gedachten en vormen, die anders beteekenis- en vormloos zouden zijn. De bliksem is den mensch onderworpen: het diepste diep der hemelen geeft zijn sterren op aan den mensch, en als een kudde schapen trekken zij voor zijn oogen, worden geteld en rollen voort: de orkaan is zijn paard en hij berijdt de lucht: de afgrond roept 't uit, dat zijn donkere kloof open wordt gelegd. Ik, aarde, heb voor den mensch geen geheimen meer’. Zóó juicht in heldere welluidendheid de gansche bloeiende natuur en roept den mensch tot compleete ontwikkeling: totdat op het einde Demogorgon, de stem van het Zijn en van het Noodlot, den mensch het parool van het verheven leven geeft: een parool dat zich aansluit aan het lijden en aan de overwinning van Prometheus: ‘Mensch - zoo klinkt het in tonen die tot vollen orgelklank allengs aanzwellen - gij die eens een despoot en een slaaf waart, een bedrogene en bedrieger, een vervallen grootheid, een zwerver van de wieg tot het graf dwars door den mistigen nacht vóór een onsterfelijken dag: ziet de dag is er: de dag waarin, op 't woord van Prometheus, den uit de aarde geborene, de dwingelandij, die in de hemelen zetelde, naar beneden in den afgrond wordt neergeploft, en de heerschappij van 't geweld als een gevangene door de diepte wordt gesleurd. Hoog, veerkrachtig zich verheffend uit den eerbiedwekkenden zetel van geduldig lijdende macht in het wijze hart, uit het laatste wankelende uur van hard en zwaar verdragen, uit gladde steilte en scherpen rotskant van folterenden ziele-angst, rijst liefde op, en vouwt over de wereld haar heelende vleugelen. - Zachtmoedigheid, Deugd, Wijsheid en Volharding: deze zijn de zegels van die meest hechte zekerheid, die den afgrond grendelt waar het geweld der vernietiging is vastgesloten. En indien zelfs met onvaste hand de Eeuwigheid, moeder van menige daad en uur, de slang zou willen loslaten, die haar in zijn volle lengte zou willen omvatten, dan nog zijn dit de toovermiddelen, om wederom de meesterschap over het dan losgemaakte verderf te verkrijgen. - Te lijden wee dat hoop oneindig denkt: vergiffenis te schenken aan onrecht zwarter dan dood of nacht: macht te tarten die almachtig schijnt: lief te hebben en te verdragen: te hopen totdat hoop uit haar eigen wrak het voorwerp schept dat zij | |
[pagina 374]
| |
op 't oog heeft: nimmer te veranderen, te wankelen, noch te berouwen: dit alles, gelijk uw glorie, Prometheus, beteekent goed, groot, blij, schoon en vrij te wezen: dit alléén is leven, vreugde, gezag en overwinning’. | |
V.De finale van het gedicht - wij zouden haast zeggen van de symphonie - van Shelley legt slechts des te meer nadruk op de hoofdgedachte, dat Prometheus is de type-mensch, of liever dat in het lot van Prometheus het lot der menschheid zelve wordt afgebeeld. Wij hebben dus, volgens den dichter, te doen met de bevrijding en verlossing der menschheid. Shelley meende daarvan te kunnen profeteeren, en dichtte in dien zin zijn glansrijk poeem. Dat begrip der verlossing werd door hem volledig, in vollen omvang, opgevat. De vrijheid moet den mensch in den meest absoluten zin worden verleend. Geen enkele band mocht den ‘vrijen’ mensch meer knellen. Staat en kerk moesten als bedwingende, leidende machten vervallen. Geen troon of altaar mocht verder ontzag inboezemen. Van legers en leger-organisatie kon geen sprake meer zijn: het zwaard had zijn reden van bestaan verloren. Afgeschaft zouden zijn de van overheidswege aangestelde rechters met hun jurisprudentie, hun jurisdictie en hun kerkers. De mensch was souverein over zich zelven. In de samenleving zelve zou het begrip van nationaliteit verdwijnen. Rangen en standen zouden weggewischt worden. In één woord verwerkelijkt in de toekomst zou worden het ideaal, dat Shelley's schoonvader William Godwin in zijn boek van het jaar 1793 over ‘Politieke Rechtvaardigheid’ had uitééngezet: een ideaal, dat de leiders van het wetenschappelijk anarchisme in onze eeuw tot conclusie van hun eischen hebben gesteld, idylle, die naar de meening der anarchisten volgen moet op het onweder der vernieling en vernietiging, dat zij hebben doen ontploffen. Shelley getuigt enkel van die idylle, van den toestand der algeheele bevrijding. Vooral moest de mensch verlost worden van de maatschappelijke macht, die hem veroorloofde zijn medemensch arbeid opteleggen. Was de algeheele verlossing dáár, dan zou het vernederend afbeulen van den werkman een einde | |
[pagina 375]
| |
hebben genomen. De arbeid zou spelend gedaan worden in het groene woud van het leven. Geen nooddruft zou den mensch nopen zwoegend overmatig zich aftematten. Het was een akelige droom geweest, toen de hongerige uren als honden het hijgend hert van den dag voortjoegen. Nu was die nachtmerrie voorbij: er was kalmte, vrede en rust in het bedrijf der menschen gekomen. Alle krachten der aarde erkenden, dienden en eerbiedigden iederen mensch. In hetzelfde jaar, toen Shelley zijn ontketenden Prometheus dichtte, had hij - naar aanleiding van de bekende slachting, die in 1819 plaats had bij Manchester op het Peterloo-veld, waar door bereden manschappen mannen en vrouwen, die een arbeiders ‘reform-meeting’ bijwoonden, bloedig waren uitééngejaagd - zijn inzichten omtrent den toestand der arbeiders in een bij uitstek heftig en fel gedicht geformuleerd. Dit gedicht heette ‘the masque of anarchy.’Ga naar voetnoot1) Om Shelley's Prometheus volkomen te begrijpen, moet men de bewoordingen van dit gelijktijdig gedicht even zich herinneren. Hij vermaant dáár de mannen van Engeland om op te rijzen, zich te verheffen tegen elke tirannie en waarlijk vrij zich te maken. ‘Gij toch zijt velen (zegt hij), uw tegenstanders zijn weinig in getal.’ ‘Gij weet slechts te goed wat slavernij is. Het beteekent te werken en juist zooveel loon te bekomen, dat men van den éénen dag tot den anderen het leven in zijn ledematen bewaart als een cel ten gebruike en behuizing der onderdrukkers: zoodat gij voor hen zijt geworden tot weefstoel, ploeg, houweel en spade, en, al of niet met uw wil, hen moet in stand houden en voeden. Het beteekent, dat gij uw verzwakte kinderen tegelijk met de moeders ziet uitteeren, vermageren, als de winterwinden blazen: zij sterven terwijl ik spreek. Het beteekent te hongeren naar zulk een voedsel, als de rijke man in zijn overdaad toewerpt aan de vette honden die onder zijn tafel puffen. Het beteekent om aan den demon van het geld thans duizendmaal meer van uw zwoegend werken aftestaan, dan ooit in de oude tijden vroegere tirannie aan waarde tot zich kon toehalen.’ ‘Vrijheid daarentegen - zoo gaat de dichter voort - is rechtvaardigheid, wijsheid, vrede en liefde. Wetenschap, poëzie en gedachte | |
[pagina 376]
| |
zijn haar toortsen. Haar glans is inzicht, geduld, zachtmoedigheid.’ - Welnu, de mannen van Engeland hebben, volgens Shelley, slechts op te rijzen, zich schrap te zetten en in kalme stoere standvastigheid dan onwrikbaar af te wachten den laatsten aanval en stormloop van al hun tirannen en belagers. Lange verwering zal dan niet eens wellicht noodig zijn. Het vaste besluit om pal te staan zal de vijanden doen verbleeken en hen onder schimpscheut en in diep schaamtegevoel doen wijken en vluchten, na nog enkele daden van geweld te hebben gepleegd. ‘Rijst dus op als leeuwen na de rust. Schudt uw ketenen af dat zij ter aarde storten, als dauwdroppelen die in den slaap op u gevallen waren. Gij zijt velen, zij zijn weinigen.’ Zulke denkbeelden gingen door 't brein van Shelley toen hij aan zijn ontketenden Prometheus dacht. Hij meende werkelijk, dat de negentiende eeuw - na den aanloop dien de groote Fransche Revolutie van 1789 genomen had - een tijdvak zou worden, waarin de menschheid verlost kon worden van elke maatschappelijke overweldiging en druk. Hij werkte mede voor zijn deel aan de ontboeiing van de ellendigen onzer samenleving. Hij verzette zich, met al den tooverachtigen gloed der taal waarover hij beschikte, tegen de rijken, die macht uitoefenden enkel wijl zij rijk waren. Luid klonk in zijn zoo even aangehaald lied de kreet tegen de geldjagers, ‘tegen hen die het erfrecht, dat elk mensch op de aarde heeft, uitsluitend voor zich weten om te zetten in rentedragende titels en papieren.’ Hij zag ja een sterk opkomen van wat men in onze tijden de ‘plutocratie’ heeft genoemd, maar hij was diep overtuigd dat die zwarte wolk der laatste dwingelandij zou afdrijven. Intusschen werd juist - gansch anders dan hij had verwacht - de plutocratie voor een deel de signatuur der negentiende eeuw. Shelley zelf zag het niet meer. Hij stierf twee jaren nadat zijn Prometheus was verschenen, op dertigjarigen leeftijd. Wij echter zijn in de 19de eeuw getuigen geweest van den invloed en van de macht van dien nieuwen patriciërs-stand, met al de begunstiging en de voorrechten van den vroegeren, maar zonder diens verantwoordelijkheid. De vorsten, die weleer in vroegere eeuwen den geldman een enkele maal gebruikten als werktuig, zijn thans de vertegenwoordigers van dat geld gaan vleien. In de dagen van Lodewijk XIV, in zijn nadagen, toen hij, in veldslag op veldslag overwonnen, geld noodig had voor nieuwe | |
[pagina 377]
| |
krijgstochten, gebeurde het ééns dat hij den bankier om geld voor den staat moest vragen. Hij liet den geldman Samuel Bernard tot een bezoek te Marly uitnoodigen en leidde hem zelf, hoofsch en hoffelijk, als gastheer rond in de tuinen van het tooverslot. De hertog de Saint-Simon zag het, en toen hij naast den zonnekoning den bankier zag wandelen, uitte hij zijn smart in deze enkele binnensmonds geprevelde woorden: ‘een prostitutie van den koning’. Zóó dacht men in de zeventiende eeuw.Ga naar voetnoot1) Onze eeuw heeft echter al de vorsten als kameraden zien omgaan met die heeren van het geld. De Rothschilds zijn welkom aan alle hoven: de Hirsch was de gezellige tafelvriend van den prins van Wales: Bleichröder was de vertrouweling der regeering te Berlijn. Trouwens zij zijn in zeker opzicht de ware machthebbers. En geheel de maatschappij regelt zich naar dat voorbeeld. De negentiende eeuw heeft meer dan vroeger het bezit gewaardeerd en hoog gehouden. Toen Schiller in zijn Wallenstein den beroemden versregel schreef: ‘Sei im Besitze, und du wohnst im Recht’, wist hij niet welk een sanctie in het maatschappelijk leven die regel in de negentiende eeuw zou bekomen. Men kreeg in dat tijdvak een stelsel van recht dat op bezit in de eerste plaats 't oog vestigde. Verkregen rijkdom werd altijd gelegitimeerd tegenover hen die niet hadden en niet verkrijgen konden. Staats-inmenging werd in de eerste helft der 19de eeuw in den regel verboden bij den in gang zijnden arbeid, maar voortdurend had zij plaats ten gunste van hen, die uit de productie of uit den handel voordeel trokken. Zóólang het proces van den arbeid duurde, onthield de staat zich: maar van 't oogenblik dat dit afgeloopen was en het onevenredig groote aandeel in de beurs van de winnende hand was gekomen, greep de staat in, door den bezitter in zijn bezit te verdedigen tegen de niet-bezittenden, die bij het vrije verdeelingsproces met leêge handen waren thuisgekomen. En wat de staat leeraarde werd door de publieke opinie bevestigd. Armoede gold als verwijt. Handels-landen vooral eerden in de eerste plaats het succès, dat is het geld. Het duurde lang eer men een hoog kunstenaar hier te lande vergaf een slecht financier te zijn geweest. Het waren niet enkel de bepaald armen die door deze gesteldheid der maatschap- | |
[pagina 378]
| |
pelijke vormen werden gegriefd. Elk edel hart leed er onder, dat niet de verstandigste of hooghartigste het meest beteekende, maar de rijkste. Men kreeg een toestand der maatschappij, die geen voldoening gaf aan de eischen van geest of hart. Het gevoel van eigenwaarde, het verhoogd zelfbewustzijn ging te loor onder het drukkende en verlammende van een geld-atmosfeer, die vooral hebzucht en onderdanigheid kweekte. De mensch Prometheus gevoelde de boeien, die hem gevangen hielden, nijpender knellen. En juist dat, waarin de antieke wereld de middelen tot bevrijding van den mensch had gezien, te weten arbeid en wetenschap, dit werkte, onder de eigenaardige maatschappelijke vormen die thans heerschten, haast mede tot verdere onderdrukking. Natuurlijk lag dit geheel en al buiten de bedoeling van hen die den stoot aan die krachten van vooruitgang gaven. Doch de misrekening van hen, die gehoopt hadden in industrie en wetenschap middelen van verheffing van den toestand te vinden, was des te grooter. De grondhoorigen mochten in het begin onzer eeuw vrijheid hebben verkregen: de fabriek - thans ingericht en bewerktuigd met de vernuftigste machines - schiep den nieuwen stand der fabriekhoorigen, waartoe in industrieele staten bijna al de arbeiders werden opgenomen, een stand van werklieden door wie het werk zonder eenige vreugde of opgewektheid werd gedaan, lieden, die met hun vrouwen en kinderen in de meest volstrekte afhankelijkheid van den ondernemer of werkgever zich bevonden. De industrie deed wonderen, slechts niet voor de in haar werkplaatsen op lageren trap werkende arbeiders. En de wetenschap, ja, zij onderzocht alle mogelijke schuilhoeken der aarde, zij ontleedde alle geheimen der natuur, maar voor den mensch als arbeider kon zij niet veel baat brengen. John Stuart Mill kon in het midden onzer eeuw (zie Principles, book IV ch. 6) te-recht zeggen: ‘Tot nu toe blijft het een vraag, of al de mechanische uitvindingen, die gedaan zijn, den dagelijkschen last van den arbeid van eenig menschelijk wezen in iets hebben verlicht. Zij hebben slechts een grooter bevolking in staat gesteld hetzelfde leven van hard zwoegen en inkerkering te leven.’ Prometheus bleef dus geketend, niettegenstaande de industrie en de wetenschap. Waar was dan de redding? Hoe zich te ontrukken aan de knellende banden, die geweld en stoffelijke macht rondom de | |
[pagina 379]
| |
ledematen van de menschheid hadden gesmeed? Zou het ook kunnen zijn, dat de stoot tot de redding niet van-buiten-af maar van-binnen-uit zou moeten komen? Die vraag nu werd voor onze eeuw allereerst door de dichters beantwoord. Herder maar vooral Shelley kwamen op met het aan de antieke wereld onbekende begrip van zelfverloochening en liefde, en verkondigden dat dit begrip den weg tot de ware verlossing zou aanwijzen. De lijder zelf moest niet langer met haat tegen zijn overweldiger vervuld zijn: hij moet volharden in het goede, standhouden onwrikbaar in het verzet tegen het kwade, maar tegelijkertijd leeren vergiffenis te schenken aan onrecht zwarter dan de dood: hij moest leeren dulden en liefhebben. In eigen hart lag de kiem der redding. Shelley, zelf opgewassen in wijsgeerige, voor zijn tijd geheel ongodsdienstige, denkbeelden, gaf hier misschien onbewust weder het woord van een ‘vergeten Christendom’.Ga naar voetnoot1) Geen concessie aan een officieele kerk, waartegen hij recht had te toornen, zou hij ooit doen: maar hem, den athëist zooals het heette, bewoog zacht een verre herinnering aan een Christus, van wien Pascal had gezegd: ‘il n'a point donné d'invention, il n'a point règné, mais il a été humble, patient:....’ En in dien zin laat Shelley op zoo merkwaardige wijze even voor de blikken van zijn gefolterden Prometheus het visioen heêntrekken van het crucifix, den bleeken strakken man aan het kruis. Inderdaad zóó moet het zijn. De vlam der intelligentie moet zich louteren in den gloed der liefde. Het scherpzinnigste weten is slechts stukwerk, wanneer het niet nadert en samensmelt in de orde der chariteit. De diepste gedachte wordt dan niet anders dan de vurigste liefde. Dit is de laatste en verhevenste vervorming, die in het begin der 19de eeuw door de dichters gegeven is aan de Prometheus-sage. Shelley gaf het in zijn voorrede van zijn ontketenden Prometheus duidelijk te kennen. Hij wijst vooral op de zedelijke beteekenis van het lot van den Titan. ‘Het eenige wezen der verbeelding - zoo zegt hij - dat tot zekere hoogte met Prometheus vergeleken kan worden is Lucifer. Maar Prometheus is, volgens mijn oordeel, een veel poëtischer karakter dan Lucifer, omdat hij, boven | |
[pagina 380]
| |
en behalve den moed, de majesteit, het vast en geduldig verzet tegen de allesvermogende macht, dat hij aan den dag legt, ook nog kan geteekend worden als vrij en onbesmet van elke bezoedelende eerzucht, jaloerschheid, wraak en begeerte tot persoonlijke machtsvergrooting, die bij den held van Milton's “Verloren Paradijs” telkens voorkomen.Ga naar voetnoot1) Het karakter van Lucifer verwekt in de intelligentie een verderfelijke casuïstiek, die ons er toe leidt om zijn fouten tegen zijn misdrijven te schatten en te wegen, en de eerste te verontschuldigen omdat de laatste alle maat overstijgen. Maar Prometheus is, als het ware, de type van de hoogste perfectie van intellectueelen en van zedelijken aard, gedreven door de reinste en meest ware beweegredenen tot de beste en edelste doeleinden.’ De beteekenis van den Prometheus voor de negentiende eeuw wordt dan door Shelley nog nader aldus aangeduid. Wat de groote dichters verkondigen is niet anders - zoo betoogt hij - dan de uitdrukking van wat de geest van een tijd wil. ‘Wij danken Milton aan den vooruitgang en de ontwikkeling van den geest van zijn tijd; de bijbelsche Milton was, laten wij er steeds om denken, een republiekein en een stout onderzoeker van vraagstukken van zedekunde en godsdienst. De groote schrijvers van onzen eigen leeftijd zijn, wij kunnen dit als vast onderstellen, de metgezellen en vóórloopers van zekere nog niet vermoede sociale transformatie, en van de beginselen of meeningen die van dien vervormden toestand het cement zijn. De donderwolk van den geest is doende om zich van het daarin besloten licht te ontladen, en het evenwicht tusschen instellingen en beginselen is nu in werking om zich te zetten of nadert reeds tot het equatie-punt.’ Shelley poogde dus ook voor zijn deel de vonk te ontsteken die een wereldbrand zou kunnen veroorzaken. Hij wenschte af | |
[pagina 381]
| |
te rekenen met de dorheid van het zuiver stoffelijk en verstandelijk leven. Met het vuur, dat Prometheus uit den hemel had geroofd, wilde hij, bij 't licht der vlammen, den God der Liefde ook op aarde in de negentiende eeuw zien en doen zien. Het is een illusie, een droombeeld, een grootsche begoocheling gebleken! De negentiende eeuw is, vooral op haar einde, een eeuw geworden niet van liefde maar van macht. De staatslieden en staatsgeleerden spraken 't gelaten uit, dat macht boven recht ging, en slechts al te goed is de leer overal door het volk begrepen. In onzen tijd kregen de zwakken op alle punten ongelijk. De zwakkeren van 't begin onzer eeuw, de proletarische werklieden, hebben het ook ingezien. Zij verwachten niets meer van recht, zij organiseeren zich tot macht, om op hun beurt de anderen te dwingen. In de jaren die 1848 voorafgingen was het socialisme nog idealistisch gezind. In 1846 richtte de duitsche socialist Hermann PüttmannGa naar voetnoot1) met zijn vrienden nog op het tijdschrift ‘Prometheus: Organ zur sozialen Reform’, met het motto ‘vrijheid, liefde, gerechtigheid’. Thans lachen de socialisten om dien Prometheus die in het lijden volhardde: zij willen niet lijden: zij gelooven niet meer in liefde, zij verwachten alles van haat. Tegen de vaart dier machts-meeningen in hooger en lager kring is thans in de eerste jaren zeker weinig te doen. Alles ademt - al wordt het woord vrede pralend op de lippen genomen - krijg en worsteling. Kiemen van fanatisme dwarrelen in Frankrijk, kiemen van imperialisme in Engeland, door de lucht. Duitschland laat aan kleine naburen telkens de tanden zien. Een zwakke tegenkantende verheffing lokt elders ontzettende overweldiging uit. Spanje ondervond 't, toen het de geldmacht van Noord-Amerika wilde trotseeren. De wetenschap uit zich dáár het krachtigst, waar zij met veel geld den kouden oorlog koelbloedig organiseert. De roem van veroveringen wordt afgemeten naar de geldswaarde die zij opleveren. ‘War is a business’. In dien geest voert men nu openlijk den krijg in Afrika en tegen China. De leiders der staten komen er rond voor uit, dat zij havens zoeken te vermeesteren, om met voort- | |
[pagina 382]
| |
brengselen hunner eigen landen te kunnen doordringen tot de volken die nog geen afnemers van hun waren zijn. Zij verlangen de bekende ‘open deur’. De leer der democratische binnenlandsche politiek is bij zeer velen vervat in de leus van Tammany-Hall: de staat zij de buit van hen die den staat weten machtig te worden. Men windt zich op om te zijn wat de Amerikanen noemen ‘a smart man’. Rockefeller, de monopolist in petroleum, en de elegante Joseph Leiter (Lord Curzon's zwager), die door zijn ‘corner’ in het graan te Chicago bijna een hongersnood in Italië verwekte, zijn voor de scharrelende dagbladen de helden van onze dagen. Sofisten en behendigen ommantelen dan het stelsel van georganiseerd egoïsme met een dik kleed van legaliteit. Het geld, dat vroeger voor een opkomende burgerij slechts voorwaarde was van zelfstandigheid, wordt nu doel. Het groote streven van alle gewone menschen is zooveel geld bijéén te garen, dat men de anderen niet meer noodig heeft. Toch is dit alles uit den booze. Was er een dichter, die in hooge verrukking een weg der toekomst kon wijzen: hij zou verkondigen: slechts één zaak is noodig, dat ieder zich oefene in zelfverzaking en in dienende liefde. Het ideaal dat Tchernicheffski in zijn Rachmetoff teekende, een ideaal dat ook Tolstoï voor den geest zweeft, moet in ons geweten worden opgenomen. Men vergunne ons nog even de herinnering aan die figuur van RachmetoffGa naar voetnoot1) zoo levenwekkend uitgebeeld, zoo scherp omlijnd tegenover een omgeving van menschen van gewonen slag en sleur. Geheel en al een tegenstelling van wat de arme verdwaasde Nietzsche zich droomde bij het oproepen van zijn ‘Übermensch’. Hij is, volgens den Russischen schrijver, de nieuwe mensch: edel, voornaam, sterk en ascetisch. Zijn rijkdom deelt hij met zijn medemenschen, onder hen, die evenals hij streven naar ontwikkeling. Hij oefent zijn lichaamskracht en leeft een tijd-lang met de schippers onder het volk. Straks gaat hij naar de hoofdstad, werkt grondig in de wetenschap, ontzegt zich alles wat het volk ook ontbeert, is ten strengste eenvoudig in levenswijze, kleeding, eet en drinkt slechts wat 't volk spijst en drinkt. Hij neemt 't leven bij 't woord: en dat leven is voor | |
[pagina 383]
| |
hem zelfverloochening en opoffering voor anderen. Zulk een leven is vanzelf een leerschool van lijden. Daarom oefent hij zich aan dat lijden, gewent hij zich aan smart, verhardt hij 't lichaam. Wat hij lief heeft ontzegt hij zich: niets heeft voor hem waarde dan dit ééne: zelfverzaking en zelfverbrijzeling. In dienende liefde lost het bestaan op aarde zich bij hem op. Tot de uiterste kracht moet men naar zijn woord zich opwerken, om die kracht in werken van ootmoed en in vernietiging van elke hoogmoedige ijdelheid te verbruiken. ‘Dwaas’ zegt de wereld als zij hem opmerkt. Neen, spreekt Tchernicheffski, mannen als hij zijn geen dwazen. ‘Hun getal is gering, maar door hen bloeit het leven van allen: zonder hen zou 't leven verdorren en verwelken. Hun aantal is klein, maar zij maken voor alle menschen het ademen mogelijk: zonder hen zouden de menschen in stiklucht vergaan. Groot zij 't getal van rechtschapen en brave lieden: het cijfer dezer nieuwe menschen zij daarentegen gering: doch deze weinigen onder een groote menigte verleenen aan die menigte merg en sap; zij zijn de bloesem en bloem der besten, de leeraars der leeraars, het zout van het zout der aarde.’ Zij vormen, meenen ook wij, nog maar een kleine broederschap. Maar wij mogen hier niet angstig tellen. In een der twaalf geloofsartikelen der Nederlandsch Hervormde kerk wordt ons geboden, voorzoover wij tot die kerk behooren, te gelooven aan de ‘Gemeenschap der heiligen’. Doen wij dat ernstig, dan zullen wij zien dat die ‘gemeenschap,’ hoe klein dan ook, een reddende en verlossende hefboom is der wereld om haar heên. Trouwens reeds in het Oude Testament, in het achttiende hoofdstuk van Genesis, lezen wij de verzekering, dat God de Heer de volkrijke zondige stad zou hebben kunnen sparen, wanneer er slechts tien ‘rechtvaardigen’ in die plaats waren geweest. |
|