Het oogenblik
(1935)–Marianne Philips–
[pagina 135]
| |
[pagina 137]
| |
Hij was een doodgewone man. Hij was geen drinker en geen speler. Hij ging niet naar de kerk en behoorde evenmin tot een politieke partij. Hij kuierde 's avonds nog wel eens een vierkantje in zijn buurt, maar hij dacht er niet over om in zijn vrijen tijd een voettocht van een paar kilometer te maken. Ook bekeek hij Maandagochtends maar met een half oog de voetbalrubriek, hoewel die voor hem dan toch nog de grootste attractie was in het neutrale blad waarop zijn vrouw zich had geabonneerd vanwege het feuilleton. Hij deed zijn werk op 't fabriek juist middelmatig genoeg om niet te behooren tot de ploeg lanterfanters of schreeuwers, die er bij slapte het eerst uitlagen. Werd er in zijn bijzijn een hond overreden of een vrouw geslagen, dan wist hij dat dit zijn zaken niet waren, ook behoorde hij niet tot het slag menschen dat Zondags al om vier uur 's morgens in een tuintje staat te spitten en 's avonds de eigengeteelde worteltjes en dahlia's verliefd mee naar huis draagt. Hij was een doodgewone man. Hij woonde in een doodgewone buurt van hooge huizen met étagewoningen, practisch gebouwd en alle gelijk als de cellen van een bijenkorf. Als hij erg slaperig of moe van zijn werk kwam, kon het een enkele maal gebeuren, dat hij de trap van de buren opging en eerst merkte dat hij zich vergist had, wanneer hij achter eenzelf- | |
[pagina 138]
| |
de grijsgeschilderde deur, een andere vrouwestem hoorde lachen of kijven. Hij had heelemaal niet de overtuiging, dat het ‘Oost, West, thuis best’ was, - eerder zou hij hebben verklaard, dat het thuis ook zoo lekker niet is, - maar waarschijnlijk zou hij hebben gezwegen, als iemand hem de indiscrete vraag had gedaan of hij tevreden was met zijn bestaan. Zoo'n vraag is namelijk moeilijk te beantwoorden en hij had een hekel aan moeilijke dingen, al sinds zijn schooljaren. Hij loste geen kruiswoordraadsels op en hij leerde zichzelf geen Esperanto. Hij had nog nooit een ontwikkelingscursus gevolgd en was pas toegetreden tot zijn vakbond, toen hij in collectief contract moest werken. En hij was alleen getrouwd, omdat hij geen kans had gezien het nette knappe meisje dat hem hebben wilde, met goed gevolg te ontloopen. Wel had hij eenmaal, op zijn huwlijksmorgen, geprobeerd om zich rekenschap te geven van wat nu in zijn leven gebeuren ging, maar zoo iets is al een zeer moeilijk probleem, zelfs voor een geschoold verstand. Hij had zich daarom voorgehouden, dat men toch allen eenmaal trouwen moet en had zijn gehuurden hoogen hoed gegrepen om de bruid te gaan halen. Hij was nu tien jaar getrouwd. Zijn vrouw bezat een spaarbankboekje, een radio op afbetaling en een afbetaalde stofzuiger, want zij was een knappe, heldere vrouw, die den boel bij elkaar hield. Er hingen meubelgordijnen voor de ramen van de voorkamer en het eten kwam op tafel in schalen, - hoewel de man wel eens met een stil verlangen terugdacht aan de rookerige keuken van zijn moeder, waar hij de smakelijke restjes | |
[pagina 139]
| |
uit de pan mocht vegen met een broodkorst. Zijn vrouw echter bezat een gasfornuis, gevat tusschen tegelwanden, benevens een reputatie voor helderheid en fatsoen. Ze waschte, kookte, wreef en naaide met de eigenliefde van een voorbeeldige huisvrouw bij wie alle buren een lesje kunnen komen halen. En ook de man, de doodgewone man, wist in haar nabijheid, dat hij maar een min mannetje was en het pronkjuweel van een huisvrouw eigenlijk niet waardig. Ze was altijd bezig - altijd ‘druk’ noemde hij het in de taal van zijn moeder, de dagloonersvrouw. Zelfs toen hij pas getrouwd was, had ze maar amper naar zijn kant gekeken; de enkele maal dat hij zoo maar voor de aardigheid zijn hand naar haar had uitgestoken, misschien wel om haar hand in de zijne te voelen komen, had ze er niet aan gedacht haar werk neer te leggen. En aangezien men het niet zoo heel lang volhoudt om een leege hand terug te trekken, had hij de zijne niet meer uitgestoken. Nu kan men zich na dit alles afvragen, wat dezen man nog in het leven hield, of met andere woorden, wat de oorzaak was van het beetje levenslust waarmee hij toch nog iederen morgen zijn beenen buiten bed stak om met zijn teenen naar zijn sokken te hengelen, aldus een nieuwen dag beginnende. Want, voor den mensch met een politiek of zedelijk ideaal, of een godsdienstig geloof (en ook, helaas, voor den lichtzinnigen, zelfs zedeloozen genieter!) is het niet zoo moeilijk om 's morgens vroeg aan een voortzetting van zijn bestaan te denken. Maar de doodgewone man, die niets aan de wereld wenscht of tracht te veranderen en zelfs niet | |
[pagina 140]
| |
de noodzaak van zijn aanwezigheid op dit ondermaansche inziet, - die heeft wel een paar minuten noodig om op den rand van zijn ledikant te zitten wakker worden. En dus dien ik u nu te zeggen, hoe deze man diep in zijn hart nog een zonnig plekje levenslust had behouden, een kleine, blijde en vredige plek als een dorpspleintje op Zondagmorgen. Zoo'n kleine, lichte, altijd aanwezige vreugde, die hij eigenlijk niet eens een naam wist te geven, maar die wel eens een enkele maal omhoog steeg naar zijn lippen in een fluitdeuntje dat de kameraads deed opkijken. Dat was het dochtertje. Nu moet u weten, dat het dochtertje eigenlijk een heel gewoon kindje was, zooals er vijfendertig in een schoolklas gaan. Het had steile witblonde haartjes, een beetje sprieterig, omdat ze werden geknipt door de moeder die den kapper zijn kwartje niet gunde. Het had een lief rond mondje, maar helaas al wrakke tandjes, een sproetig neusje en te magere wangetjes. Ook had het een hoog stemmetje, en vlugge, nieuwsgierige, grijze oogen, waarmee het toch heel lief naar vader kon kijken, zóó lief, dat deze nog nooit had ontdekt wat iedereen kon zien: dat zijn meisje een heel klein beetje loenschte. Als de vader zijn dochtertje had moeten beschrijven, zou hij geen woorden hebben gevonden. Hij zou hebben geglimlacht omdat hij in plaats daarvan een klein drukje voelde in zijn hand, of een zacht wangetje tegen zijn baardstoppels, of omdat hij het laatste trillertje hoorde van Lief-Lijsje, of zich opeens voelde liggen op de canapé met iets zwaars, maar beweeglijks en vroolijks | |
[pagina 141]
| |
bovenop zijn maag, dat hem niet hinderde, omdat het 't dochtertje was. Of misschien zou hij breed hebben gegrijnsd, omdat hij zichzelf heerlijk blootsvoets voelde stappen door aanloopende golfjes koel zeewater, met de blijdschap van een klein handje in zijn hand en het jolig genot van plenzende kinderbeentjes in zijn ooren. En misschien zou hij alleen maar aandachtig voor zich uit hebben gekeken naar een peddelende eend met een sleepje gele donzige jongen, zooals ze in het voorjaar te zien zijn in elken parkvijver. Of naar den vadzigen olifant in den dierentuin, of naar de poppenkast met den aap. Maar zeker zou hij een Zondagsche straat hebben gezien, zoo'n lange rechte streep zon, met een beetje stof dat in de oogen waait en winkels die te lui zijn om hun deuren open te maken. Zoo'n straat die plotseling ophoudt bij 'n grachthoek, waar men stilstaat, omdat het koel is onder de iepen. En hij zou u hebben aangezien met oogen, die u niet meer zagen, omdat ze opeens vol waren van wat daar in die koelte zichtbaar werd: een kindje in een wit gesteven jurkje, het mooiste en heerlijkste bezit van de wereld, een wonderbare gave van het leven aan iemand, die eigenlijk zoo iets niet verdient. Ja. De Zondagochtenden. De leege stille straten, het park met de musschen en de nog onbezette banken, of een witbesneeuwd kerkplein waarop nog geen voetspoor ligt, of het grappige tikken van een regenbui op een gespannen paraplu, dat alles was het dochtertje, evengoed als haar stemmetje of haar klein warm lijfje. De Zondagochtenden waren van haar en hem alleen, niemand in de wereld had er verder iets mee te maken. | |
[pagina 142]
| |
De menschen langs den weg niet en de kameraden op de fabriek niet, en het minst van allen de vrouw, die thuis bedden opmaakte en de ontbijtboel waschte en de zondagsche osselapjes stoofde en haar aardappelen schilde alsof het een weeksche dag was. De Zondag duurde voor hen ook niet langer dan tot één uur 's middags. Als de man en het kind thuis kwamen in de glanzend opgepoetste zondagsche woning, was hun Zondag voorbij. Dan merkten ze weer dat men voeten heeft om ze op de mat af te vegen en niet om er slentergangetjes mee te maken, waarbij men nu en dan stil staat om elkaar eens aan te zien. Toen nu het dochtertje werd overreden door die vrachtauto.... Ja, daarover hoef ik verder niets te vertellen. Het gaat hier om den man en niet om het kindje. Dat werd begraven, derde klas, maar toch met een eigen zerkje en bloemen van de schoolkameraadjes. De vrouw was er natuurlijk kapot van. Als ze naar het witte ledikantje keek, dat ze juist met de schoonmaak had gekocht en nu nergens meer voor diende, liepen haar oogen vol tranen. Met zulke natte, blinde oogen stopte ze ook de kousjes die nog in de stopmand lagen en die ze toch niet onversteld in de kast kon bergen. En toen ze voor de deur haar matjes klopte, die de lijkdragers vol zand hadden geloopen, draaide ze zich weg van de buurvrouwen, omdat die haar gezicht niet hoefden te zien. Maar de man had geen tranen. Hij kon zich ook niet herinneren gehuild te hebben sinds het laatste pak slaag dat zijn vader hem had gegeven en hij keek naar de menschen die op rouwbezoek kwamen met den onze- | |
[pagina 143]
| |
keren blik van iemand, die verwacht van anderen te weten te komen wat hij zelf heeft te doen. Natuurlijk zei hij evenmin een woord, zelfs niet op 't kerkhof, waar hij toch eigenlijk den meester had dienen te bedanken, omdat die de klas had laten zingen en ook zelf gesproken had. Op den avond van de begrafenis, toen hij zijn donkerblauw kamgaren pak in de kast hing en zijn werkkleeren weer voor den dag haalde, had hij nog geen traan gelaten en ook op 't fabriek de volgende dagen, toen iedereen hem wat zeggen wilde over het beroerde geval, keek hij langs de kameraads heen met hetzelfde strakke gezicht. Alleen kwam langzaam-aan een vage verwondering in zijn oogen als telkens een ander weer erover begon, wanneer opnieuw iemand had gezegd: ‘je zult haar wel erg missen’. Tot den Zondagmorgen. Hij had zijn beste blauwe pak aan en zijn grijze deukhoed op, zooals altijd. Hij wreef met zijn hand over zijn kin en voelde dat hij geschoren was. Hij stond in de kamerdeur en zag de vrouw, die met een schoonen kopjesdoek de porseleinen kopjes uitwreef, ook als altijd, want zij was een flinke vrouw, die haar verdriet de baas wist te blijven. Toen maakte hij een lamme beweging met zijn linkerhand, een mislukten greep naar iets dat er niet was, wankelde even op den drempel en sloof toen met de rechterhand de deur achter zich alsof hij ging slaapwandelen, alsof hij voor het eerst in een nieuwe wereld een deur achter zich dichtmaakte. Toen hij dien middag werd thuisgebracht.... Neen, hij schoot zich niet voor 't hoofd. Hij was een | |
[pagina 144]
| |
doodgewone man, die doet geen dingen waarvan men kan lezen in romans. Hij ging ook niet onder een spoortrein liggen, hij had immers nog nooit in zijn leven bedacht, dat men zelf een eind aan alles kan maken! Hij had natuurlijk zonder erg in een gracht kunnen loopen, omdat hij steeds maar naar zijn eigen voeten keek, doch zelfs dat gebeurde niet. Wel werd hij even bewusteloos thuis gebracht als een pas opgevischte drenkeling, maar zijn bewusteloosheid was van een andere orde. Hij was eenvoudig een kroeg binnengeloopen in plaats van de gracht, en had zijn bewustzijn verdronken in een afdoende hoeveelheid jenever. Zooals een gewoon mensch dat doet als hij geen raad meer weet. Hij werd thuis gebracht door een kennis die medelijden had, wijl hij den man vroeger wel met het dochtertje had zien kuieren en zelf ook meer dan eens aan den lijve had meegemaakt hoe een dom mensch die geen raad meer weet, zich voelen kan. Dus sleepte deze medemensch den man niet al te hardhandig de twee trappen op naar de mooie voorkamer, waar de vrouw achter de verschgezette zondagsche koffie wachtte. Daar zette hij hem op een stoel en wilde gaan. Maar juist toen de kennis in het heengaan zei: ‘Je mag hem wel in het oog houden, moeder, anders gaat hij rare dingen doen’.... spuwde de man zijn heele opgekropte, volgezopen maag leeg op het mooie axminster karpet, waarover hij anders alleen op pantoffels mocht loopen. En de vrouw, krijtwit, met haar twee handen stijfgeklemd over haar mond, bezeten van een nog heviger schrik dan toen haar het verminkte kind in huis werd | |
[pagina 145]
| |
gebracht, vloog overeind, schokkend onder dien fellen stomp in haar bewustzijn. Eén enkel oogenblik zag ze den man, den man zelf, een stomme ziel, die toch plotseling in haar ooren gilde als een drenkeling die voor het laatst bovenkomt. Maar het moment daarna liep ze al om een emmer en een dweil. |
|