Het oogenblik
(1935)–Marianne Philips–
[pagina 93]
| |
[pagina 95]
| |
IHij was makelaar in koffie. Sinds Droogstoppel ons zoo na is geparenteerd als onze eigen schoonfamilie, staan de makelaars in koffie niet zeer in aanzien, niet bij ons en ook niet bovenmate bij henzelven. Wij verwachten op hun visitekaartje allicht den B. van Batavus en zij weten wat wij verwachten. Echter heeten ze in dezen tijd eer John of Siegfried. De koffiemakelaar, wien deze vertelling is gewijd, heette bij uitzondering slechts Piet, hij behoorde dan ook niet tot een makelaarsgeslacht. Hij was, zoo gezegd, den makelaarsstand binnengevallen, ja, in letterlijken zin binnengevallen. Want op een winternamiddag in zijn dertiende jaar, toen hij zijn vader, den bekenden en betrouwbaren kruier van Dogteren, bijstond om de piano van de jongejuffrouwen Dufay een verdieping hooger in het achterhuis te hijschen, was hij door het glazen bovenlicht gevallen, dat het kantoor van Dufay & Zoon aan iets meer daglicht hielp dan het binnenvertrek in een oud-Amsterdamsch koopmanshuis van nature eigen is. Toen Pietje van Dogteren uit de glasscherven was verwijderd en de glasscherven uit Pietje van Dogteren, had de oude heer Dufay die geen bloed kon zien, zijn kruier be- | |
[pagina 96]
| |
loofd dat er wel een plaatsje op kantoor te maken zou zijn voor Pietje, die al meermalen had getoond geen talent voor de vaderlijke broodwinning te bezitten. Met dertien jaar was Pietje dus jongste bediende bij Dufay & Zoon in koffie, en copieerde brieven. Men gelieve deze bezigheid niet te onderschatten. Er is tact, flair, toewijding, begaafdheid noodig om een brief zoo te copieeren, dat de inktletters niet wazig vervloeid van onder de copieerpers terugkeeren en het copieboek toch de leesbare sporen van de verduurzaamde correspondentie vertoont. Voor de uitvinding en toepassing der schrijfmachine met de daarbijbehoorende carbondoorslagen, was een jongste bediende, in staat een brief vakkundig te copieeren, wel een kwartje per week meer waard, dan zijn collega dien men slechts zegels kon laten plakken en brieven posten, of uitsturen om de halve onsjes rookvleesch voor de diverse twaalfuurtjes. Na zes maanden verdiende Pietje van Dogteren dus reeds twee gulden, terwijl hij was aangenomen op eenvijfenzeventig wekelijks met kans op verhooging na een jaar proeftijd. De oude heer Dufay was iemand met hart voor zijn personeel. Drie jaar later zag de tweede klerk van Dufay & Zoon kans om zijn positie te verbeteren door zich te vestigen als fietsreparateur, een beroep, toen aan het begin van zijn bloeitijdperk. Dufay senior schudde het hoofd over den waaghals, twistte een halven morgen met Dufay junior, die zich niet had ontzien tweehonderd gulden, hoewel uit eigen zak, in de onzekere proefneming te | |
[pagina 97]
| |
steken, en presenteerde het ambt van den afvallige aan Pietje. Deze stond sprakeloos voor het onverwacht verschiet. Den volgenden morgen echter kwam moeder van Dogteren om te accordeeren, dat Piet nu ook veertien gulden per maand zou gaan verdienen als aanvangsalaris. Er werd een andere jongste bediende aangenomen en zoo promoveerde Pietje tot Piet. Met zestien jaar aanvaardde Piet dus den zetel, - hoog op de pooten en bekleed met ietwat kaalgeschaafd zeildoekovertrek, - van tweeden klerk-rekeningcourantboekhouder bij Dufay & Zoon, makelaars in koffie. Zijn moeder waschte en perste den Zondagschen broek van vader van Dogteren voor Piet, die op zijn nieuwen post de mannelijke beenbekleedsels niet langer kon ontberen, en eenige maanden later, toen de oude van Dogteren na inning zijner nieuwjaarsfooien zich een nieuw pak had laten snijden, bleef de broek Piet's persoonlijk en ongedeeld eigendom. Met negentien jaar was Piet reeds eerste klerk bij Dufay & Zoon en Mijnheer Piet voor de beide jongere bedienden. Hij schreef nu zelf brieven die de jongste bediende moest copieeren, hij schreef ze zelfs zonder taalfouten, want hij was vlijtig en degelijk en nam les bij een jongen schoolmeester, die voor twee kwartjes per maand zijn taaloefeningen corrigeerde. Hij werd meester op alle n's, en de d's en t's baarden hem niet langer zorg. Toen hij eenentwintig was, begon hij zelfs te overwegen of de tijden nog niet rijp waren voor Stenografie. Maar aangezien hij dertig gulden per maand verdiende en zijn vader al rheumatisch werd, stelde | |
[pagina 98]
| |
hij de stenografie voorloopig veilig in de onaantastbare zekerheid zijner Toekomst, waar ook zijn ideaal der Moderne Talen was opgeborgen. Evenmin als zijn vader en grootvader kende hij overhaasting. Toen geschiedde het dat de eerste schrijfmachine, na hardnekkig verweer van Dufay senior door Dufay junior op kantoor werd ingevoerd. Een der employees zou onder leiding van den importeur het wonderinstrument leeren bespelen en bovendien een stenografie-cursus volgen. De lesgelden zouden voor de eerste maal sedert het bestaan van Dufay & Zoon drukken op de onkostenrekening der firma. Het teekent de positie van Mijnheer Piet, dat niemand hem het voorrecht der gratis-opleiding betwistte behalve de correspondent, die een hoogen rug had en dus opstandig was. Mijnheer Piet, namelijk, was op weg naar de Procuratie, wie oog had voor kantoorverhoudingen kon het met een oogopslag waarnemen. Het kon nog vijf, het kon zelfs tien jaar duren, maar eens zou het ervan komen. Mijnheer Piet bezat onbetwist het vertrouwen der Patroons. Voor den oppervlakkigen lezer zij hier met nadruk vastgesteld, dat de succesvolle kantoorloopbaan van Piet van Dogteren in geenen deele het gevolg was van eenige eerzuchtige aandrift in dien jongen man. Eerzucht en machtsverlangen waren hem tot dusver volkomen vreemd gebleven en waar hij om zich heen op kantoor zag duwen en dringen om promotie of salarisverhooging, leek hem dit zelfs een onfatsoenlijk en onnut bedrijf. Toen de firma hem op zijn drieëntwintigste jaar bij gelegenheid van zijn tienjarig ambts- | |
[pagina 99]
| |
jubileum een zilveren schuifpotlood had aangeboden, was het niet bij hem opgekomen, dat een gouden dito zijn prestige bij het lagere personeel secuurder zou hebben versterkt. Hij had zich zoo welgemeend dankbaar betoond, dat Dufay senior dien avond in bed bij zijn vrouw, een verhandeling opzette over het genoegen dat een goede daad den mensch bereiden kan, waarbij de oude heer minder dacht aan het zilveren potlood dan aan zijn eigen gelukkigen inval, die indertijd het bebloede en schreiende kruiers-Pietje tot modelbediende voor Dufay & Zoon had omgeschapen. Toen mijnheer van Dogteren tot procuratiehouder werd verheven, was hij dertig jaar, gezond, nog steeds vlijtig en degelijk en daarbij ongehuwd. Hij beheerschte nu de geheele inwendige organisatie van het makelaarskantoor Dufay & Zoon. Hij kende Duitsch, Engelsch en Spaansch in de juiste hoeveelheid, zoodat zijn correspondentie vrij bleef van elke stijluitbundigheid. Hij was doorkneed in de techniek van het dubbelboekhouden. Hij kende de telefoonnummers van alle importeurs en makelaars en groothandelaars in koffie uit het hoofd, benevens die van de veemen, en had zonder hapering de prijzen van Santos, Robusta en zelfs Probolingo over de laatste jaren kunnen opnoemen, als men de moeite had willen nemen hem 's nachts daarvoor wakker te schudden. Daarenboven kon hij alle vijftien à twintig kwinkslagen van Dufay senior nog altijd met een glimlach doorstaan. Hij was gelukkig en glimlachte tegen zijn bestaan, hij had de grootste expansie van zijn wezen bereikt. Zijn degelijke vlijtigheid had de zeepbel van zijn leven op- | |
[pagina 100]
| |
geblazen tot die glanzend en strakgespannen hemzelf en den toeschouwer met bevrediging vervulde. Hij was de juiste man op de juiste plaats: chef de bureau op een solied en algemeen geacht Amsterdamsch makelaarskantoor. Bovendien en tegelijkertijd had zijn stamboom in hem de schoonst mogelijke ontluiking gevonden. Drie generaties van Van Dogterens hadden voor Amsterdamsche makelaarskantoren de vrachtjes gekruid en kwitanties geïnd. Nooit hadden ze zich afgegeven met onzuivere praktijken, nooit de post van het eene kantoor getoond aan het andere, nooit zich een tientje in de hand laten drukken voor het vergeten van een boodschap der concurrentie. Hun eenige tekortkoming, indien men dit wel een tekortkoming kan noemen, was hun voorkeur voor een serie borrels-met-een-kop aan de tapkast genoten, boven het toegemeten glaasje, dat een enkele joviale werkgever bijwijlen presenteerde. Maar ook dit laatste namen ze met erkentelijkheid, ze affronteerden niemand. Zij kenden hun plaats en verbleven zonder morren binnen de grenzen van hun lot. In P. van Dogteren p.p. Dufay & Zoon in koffie, rees nu deze langbeproefde, welgefermenteerde kruiersverantwoordelijkheid op een hooger plan. Niet langer behoefde ze te verblijven buiten de kantoorbalustrade, in de vierde generatie wachtte haar een eervolle plaats binnen de omheining van het makelaarsbedrijf. Daar vervulde Van Dogteren zijn ambt, voldaan en zonder zelfverheffing. Het paste bij hem en hij paste bij het ambt. Het eischte nauwkeurigheid, plichtsbetrachting en een daaruit gevoed autoriteitsgevoel, dat toch gansch | |
[pagina 101]
| |
anders was geaard dan de Autoriteit bij Gods Genade, die het aangeboren deel was der Patroons. Het paste precies tusschen de vier wanden van het personeelkantoor der firma, - binnen het privékantoor der heeren Dufay echter schrompelde het samen en verloor er belang en functie. Bij de zakenconferenties die Dufay junior onder het critisch oog van Dufay senior belegde in het allerheiligste der firma, werd Van Dogteren slechts genoodigd als er cijfers moesten worden overgelegd. Maar zoodra hij zichzelf weer terugvond in zijn eigen middenpunt als centrum van het personeelkantoor, hervond hij tevens de blijdschap van zijn bestaan. Des morgens als hij om negen uur precies zijn jas en hoed aan den voor hem gereserveerden haak van den bediendenkapstok hing, overzag hij met volledige voldoening de gladgewreven lessenaars, de net gestoffeerde vloeileggers, de blozende jongelingsgezichten der bedienden en de nieuwe Lipsbrandkast met de aangenaam-zware vormen, om zich daarna voorzichtig te laten zakken in den leeren bureaustoel die hem kort tevoren bij zijn twintigjarig jubileum was aangeboden door het personeel. En des avonds, wanneer hij als laatste het kantoor afsloot, beleefde hij het groote moment dezer sacrale handeling in den immer weldoorvoelden handgreep waarmee hij de kap van zijn cilinderbureau neertrok over de kleine kas en den postzegeltrommel. De zwaai echter waarmee hij daarna de Lipsdeur in het slot wierp, bleef hem oneigenlijk en mislukte soms volkomen. Hij miste het groote gebaar. Drie generaties van beproefde kruierij zijn den nazaat ontegenzeggelijk een rem bij de ongebonden uiting die | |
[pagina 102]
| |
wij gebaar plegen te noemen. Maar waartoe zijn gebaren, zelfs groote gebaren van nut? Kan een man tusschen de dertig en veertig niet een zeer bevredigend leven leiden zonder gebaar en zonder overdrijving? Zelfs in zijn privébestaan, een zeer bijkomstig bestaan op een met rood pluche en glimmend mahonie gestoffeerde huurkamer, leefde Van Dogteren zonder de verrassingen en emoties welke een uitweg doen zoeken in blijkbaar nuttelooze beweging. Hij verwachtte des morgens zijn kadetjes met de kaas, de koek en het ei, zij kwamen prompt. Hij verwachtte des namiddags zijn osselapjes, zijn puddinkje en de krant die men Tante Nieuws noemde, zij kwamen met de zekerheid van het jaarlijksch belastingbiljet. Hij verwachtte op den Zaterdagavond de welgedoseerde hoeveelheid liefde, die een gasthuisverpleegster hem te schenken had, nadat ze een enkelen patient en den inwonenden geneesheer niet ongetroost had gelaten, - de liefde werd hem thuisgebracht. Zoo zeker was hij dat alles komt tot hem die wachten kan, dat hij zelfs geen haast maakte met het toonen der verteederde aandoening die hij koesterde voor het dochtertje van zijn hospita, maar zonder ongeduld den tijd verwachtte, waarop ze gemist zou kunnen worden uit het groote gezin van haar moeder, waarna hij haar blonde vlechten en blauwe oogen zijn eigendom wenschte te maken. En zoo veilig had hij ook dit huwelijksideaal geborgen in zijn Toekomst, dat hij het lieve meisje nog geen nadere avances had gemaakt dan het semi-vaderlijk kneepje, waarmee hij nu en dan ondanks zichzelf haar wang tusschen zijn vingers nam. Hij kende passie noch haast. | |
[pagina 103]
| |
Ook de wereld kende nog geen haast. Juist omtrent dien tijd werd de negentiende eeuw ten grave geleid langs nog niet geheel geasfalteerde wegen. Maar de wegen der wereld slingeren soms op onverwachte wijze. Waarom moest Dufay Junior, op bezoek bij een Engelsche relatie, diens ongetemde auto rijden langs de heuvels van Surrey, tot ze aan de kromming van een dalweg langs de helling en bovenop een boerderij sprong? De wereld was nog niet rijp voor auto's noch de auto's voor de wereld, maar Dufay Junior had altijd een zwak gehad voor het nog niet gestabiliseerde. Het brak hem, als zoovelen pioniers, op den daarvoor bestemden tijd den nek.
Toen Van Dogteren op den dag na de begrafenis toevallig het zware Grootboek ter hand nam en dit langzaam en statig openviel bij de rekening van nu wijlen Dufay Junior, ontving zijn bewustzijn een schok, waarvan hij de hoedanigheid niet onderkende, maar die kleine zweetdruppeltjes joeg over zijn neus en over dat deel van zijn schedel, waar zijn haargroei den bestaansstrijd had opgegeven. In de sfeer van sombere plechtigheid op het juist heropende kantoor, waar de bedienden slechts durfden fluisteren, werd het toevallige tot Noodlot. Van Dogteren zag, dat de rekening van Dufay Junior, die vrouw noch kind noch verplichtingen had nagelaten, een ander hoofd zou moeten ontvangen, hij zag, dat de firma Dufay & Zoon, makelaars in koffie, niet zonder opvolger zou kunnen voortbestaan, hij zag zijn kans die opvolger te worden. Op hetzelfde oogenblik werden de statige zwarte rond- | |
[pagina 104]
| |
schriftletters wazig en bleek, en verscheen in koninklijke halen een nieuw boekingshoofd: P. van Dogteren, glanzend als in de beste goudbronsinkt. Het visioen was verblindend. Van Dogteren stond wel vijf minuten lang gebogen over het boek, eer hij zeker was dat hij op een dwaze wijze aan het droomen was geweest. Nadat hij het Grootboek weer in de kast had gezet, bleek echter toch dat in het personeelkantoor een zonsverduistering was ingetreden, ook bewogen de bedienden zich er sloomer dan tevoren. Op hetzelfde oogenblik wist hij, dat de oude Dufay nu eenzaam in het privé-kantoor zat, tegenover het leege bureauministre van Dufay Junior en diens nog leegeren stoel. Met verwondering constateerde hij in zichzelf een gevoel van verteedering voor den Patroon, als hij nog nooit had waargenomen, en zoo begaf hij zich voor de allereerste maal in zijn kantoorleven op eigen initiatief naar het privékantoor om den ouden Dufay bij te staan. Maar de oude heer Dufay wenschte niet bijgestaan te worden, ondanks zijn tweeënzeventig jaren, misschien juist tengevolge van dien. De oude heer Dufay had de jongere generatie, die nu eenmaal bloed was van zijn bloed, niet uit den tempel van Mercurius kunnen weren, hij had de methoden van den koffiehandel fin de siècle aanvaard, maar niet bewonderd. Herinnerde hij zich niet den tijd dat hij op den zolder der Handelmaatschappij zijn eigen tafel met koffiepotjes bezat en de handelaars in rust en met tact de diverse soorten kon laten proeven? De jongere generatie had thans een beurs, waar veel werd geconverseerd en ook wel wat | |
[pagina 105]
| |
verdiend, maar Dufay Senior verlangde terug naar de koffiepotten der Handelmaatschappij. En omdat die nu onherroepelijk tot het verleden behoorden en omdat het stamkapitaal der Dufay's zich tijdens zijn leven gestadig en niet onaanzienlijk had uitgebreid en omdat hij een lief gelegen buitentje in Gelderland bezat, wenschte hij op den dag na de begrafenis van zijn zoon en compagnon niets liever, dan met rust te worden gelaten, ten einde zijn eigen stukje eventueele toekomst te overzien. Hij wenkte Van Dogteren dus ongeduldig weg zonder eenige instructies voor de loopende zaken en gaf alleen order om zijn bankrekening op te maken. Uit het privékantoor teruggekeerd, zat Van Dogteren geslagen op zijn plaats van chef de bureau en de mismoedige verwarring in zijn anders zoo tevreden expressielooze trekken, deed de bedienden dieper buigen over hun lessenaars. Het geheele kantoor voelde de haren te berge rijzen bij de gedachte aan een dreigend catastrofaal ontslag; ieder lid van het personeel zon op uitkomst en wentelde in zijn hersens zijn diverse privékansen op redding. Doch Van Dogteren zelf, zonder eenige routine in het laveeren door de woelingen des levens, volkomen gespeend van het zeemanschap, dat intuïtief den weg weet uit gevaar, zat daar stom en dof in den eiken zetel zijner eere en voelde het terrein van zijn levenswerk onder zijn voeten wegzinken, even fataal als de mensch in een aardbeving den vasten oerbodem onder zich verliest. Op dat moment rinkelde de telefoon. Van Dogteren nam op, hoorde het bod op de partij Santos die al | |
[pagina 106]
| |
stoomende was, keek hulpeloos naar de deur van het privékantoor, naar de vlieg die langs zijn liniaal marcheerde, streek zich tweemaal over het achterhoofd, zooals Dufay Junior dat placht te doen en nam voor het eerst in zijn loopbaan zonder advies en zonder instructies het bod aan. Toen, terwijl hij het warme zweet overvloediglijk langs zijn ruggegraat voelde loopen, bemerkte hij dat hij was gered. Een glimlach van bevrijding scheen om zijn mond, toen hij zich weer neerliet op zijn stoel. Het kantoor herademde, boog zich geëlectriseerd dieper over het werk en zette zich ertoe de Zaak gaande te houden. Toen de oude heer Dufay om halfeen door het personeelkantoor liep om boven te gaan koffiedrinken, had nog niemand zijn boterhampakje opengemaakt. Alles werkte in gespannen aandacht en aan de telefoon behandelde Van Dogteren een tikje gewichtig maar bedaard de affaire met het Hamburgsche importhuis, die al zoo lang sleepte omdat ze zelfs Dufay Junior netelig had geleken. Toen bedacht Dufay Senior, dat het misschien toch nog mogelijk zou zijn de zaak voort te zetten, al was het maar om de oudste en alleen ongehuwd overgebleven juffrouw Dufay een geregeld inkomen te verzekeren. Hij bleef luisteren naar het telefoongesprek en knikte niet al te waardeerend maar welwillend, nadat het was afgeloopen.
Toen Van Dogteren dien middag in de roodpluchen zit-slaapkamer zijn handen waschte boven de lampetkom, zag hij plotseling binnen de mahonie-omlijsting van den waschtafelspiegel zichzelve, geestelijk en in | |
[pagina 107]
| |
den vleesche zichzelve. Het was het tweede visoen dien dag, en voor een eenvoudig Protestantsch Amsterdammer is zelfs een enkel visioen al meer dan genoeg. De nieuwere psychologie had zich nog niet intensief beziggehouden met de verschijnselen, die een wedergeboorte plegen te vergezellen; ook was de popularisatie dier aantrekkelijke wetenschap nog niet doorgedrongen tot de kolommen van Tante Nieuws, die het in het algemeen niet oirbaar achtte haar lezers het leven moeilijker te maken dan het van nature reeds is. Van Dogteren kon dus niet weten dat hij op een keerpunt van zijn ontwikkeling stond. Wel had hij zich dien geheelen dag wonderlijk verjeugdigd gevoeld, vanaf het oogenblik toen hij zijn naam boven de Grootboekrekening van Dufay Junior had zien staan, zijn eigen naam: P. van Dogteren, die tot dusver verborgen was gebleven binnen de post ‘Salarissen’ van de Onkostenrekening, maar hij had zich geen rekenschap gegeven van wat dit gevoel (de warme en lichte exaltatie, die het meest naderde tot de opgewektheid na een ongewoon tweede bittertje) wel had te beteekenen. Nu voor den spiegel, terwijl hij de rug van zijn hand verstrooid en langdurig inzeepte, zag hij zijn spiegelbeeld in de oogen en zag opeens, dat een gezet burgerheer van minder dan middelbaren leeftijd hem op vertrouwenwekkende wijze toeknikte, eenige malen zeer nadrukkelijk toeknikte. Hij voelde sympathie voor het welgevulde gezicht met den rossigen knevel en de lichtblauwe, ietwat bijziend toegeknepen oogen, die geduldig wachtten tot hij hen herkende. En terwijl hij een nieuwe zeeplaag wreef over zijn handen, die zich | |
[pagina 108]
| |
aangenaam bleven wasschen, zeide hij langzaam en gewichtig tegen dien ander tegenover hem: ‘Ja, - ja, - ja, - zoo is het maar.’ Daarop veranderde er iets, de heer in den spiegel knikte niet langer, maar toonde zich gereserveerd. Hij drukte de lippen opeen en scheen verbaasd dat Van Dogteren hem had toegesproken. Om zijn mondhoeken speelde zoowaar een tikje van de welwillende ironie, waarmee Dufay Junior zijn procuratiehouder placht te bejegenen. En wijl Van Dogteren den spiegelheer zoo goed gezind was, hinderde hem de ironie van die zijde. Hij was zich bewust dat hem op dezen dag geen ironie maar wel waardeering toekwam, hij voelde zich onmiskenbaar gegroeid in de erkenning van anderen. En dus richtte hij zich hooger op voor den spiegel, maar nu veranderde de heer plotseling in een stijf cabinetportret. Verward en teleurgesteld wendde Van Dogteren zich af. Op hetzelfde oogenblik bemerkte hij, dat zijn handen smetteloos waren als die van den chirurg voor een groote operatie, dat hij op volkomen onnutte wijze zichzelf had staan toespreken in den spiegel, ja, onverklaarbaar had staan fantaseeren en dat hij nu zeer stellig verlangde naar zijn borrel en den daarop volgenden maaltijd. Maar de schokkende gebeurtenissen van dezen dag des oordeels waren nog niet ten einde. Toen het blonde dochtertje der hospita de kruik Bols en het fleschje elixir binnenbracht op het smetteloos blankgepoetste blaadje, en haar handjes voorzichtig het mengsel van zijn bittertje gingen samenstellen, bleef van Dogteren's | |
[pagina 109]
| |
aandacht ditmaal niet bepaald bij de lichter of donkerder nuance van zijn glaasje. Zijn blik gleed van de lief gebarende mollige handjes opwaarts langs de ronde armen, den gevulden boezem, den vollen rooden mond, en plotseling zag Van Dogteren dat hier een bijzonder appetytelijk volkskind stond, dat hem echter bij deze nadere beschouwing volkomen ongeschikt leek om zich de eigenschappen van een dame uit den makelaarsstand eigen te maken. De verteedering waarmee hij in droomerige oogenblikken het meisje met de blonde vlechten en de groote blauwe oogen tegenover zich aan een eigen huiskamertafel had gezien, week eensklaps voor zijn zeer reëele behoefte aan de warme nabijheid van dit bij uitstek vrouwelijk wezen en eer hij het wist, sloten zich zijn armen om de volle vaste vormen, wier bestaan hij tot dusver bij zijn poëtische huiselijke toekomstverbeeldingen vrijwel had voorbijgezien. Op hetzelfde oogenblik echter dat het meisje zich behaaglijk in zijn omarming voegde, schoot hem wonderlijkerwijs het beeld van de oudste juffrouw Dufay door den geest, zooals die des Zondags een tikje statig, doch keurig in haar marterbonten stola met den grooten mof en het goudbeslagen boekje, naar de Walenkerk wandelde. En zoo stond dus op dezen dag der dagen de goede Van Dogteren met een lieve, willige jonge vrouw in de armen, aan het keerpunt van zijn bestaan. Zijn mannelijke verlangens dwongen zijn handen langs de bevredigende rondingen van een welgevormd lichaam en terwijl hij zich eenigszins teleurgesteld rekenschap gaf van de afwezigheid der kuische verwarring en verwondering die hij had gemeend te mogen verwachten, | |
[pagina 110]
| |
doemden tal van onverwachte mogelijkheden verlokkend op. Eén enkele mogelijkheid echter vervaagde tot ijdele illusie: nooit zou hij met deze merkwaardig liefdebereid gevonden jonge vrouw de woning betrekken, die hij in gedachten teederlijk voor haar had ingericht, - de glimmend gewreven, goed doorwarmde etagewoning van den kantoorbediende-met-een-vastepositie, waar het op gezette tijden naar koffie of gebraden rollade geurt en waar men in een behaaglijk tweepersoons de lange winternachten ingaat. Toen Van Dogteren, alleen gebleven, de gehaakte antimacassars van zijn canapé gladstreek en rechthing, was de gladde zeepbel, waarin zijn toekomstbeelden zich zoo duidelijk hadden weerspiegeld, reeds voorgoed uiteengespat. Zoo blies het Noodlot vele bellen uiteen in den tijd toen de negentiende-eeuwer werd herboren tot den Mensch der twintigste eeuw, Meester van zijn keuze en zijn daad. Maar wat kon Van Dogteren hiervan weten? Hij wist alleen, dat hij zich onverwachts verjongd voelde staan voor een nieuwe en geheel onbekende Toekomst. Dien avond kocht hij zich een half dozijn stijve dubbele boorden van extravagante hoogte, latest fashion voor de rechtopgaande mannelijke menschheid dier tijden, benevens een wandelstok, die aangenaam doorboog onder zijn gewicht. Zoo verging de eerste dag van Van Dogteren's hergeboorte in het tijdperk der Energie. Nu was de Energie van den aanvang der twintigste eeuw, die vriendelijkstralende godin der vlijtigen, een zeer gemoedelijk personnage, geheel verschillend van den ijzigen god der Efficiency en Rationalisatie, waarvan de huidige | |
[pagina 111]
| |
menschheid haar heil verwacht. Een gezond man, begaafd met een zekere dosis koppigheid en zelfbewustzijn, kon onder haar leiding zeker zijn van een eerlijk verdiende boterham met bijlagen. Koppigheid nu was Van Dogteren's goed-Hollandsch erfdeel. Had hij als pril kruiersmaatje ook de fijne knepen van het vak nimmer vermogen te leeren, - hoe stuntelig hij zijn koffers langs de traphoeken wentelde, hoe angstwekkend hij placht te manoeuvreeren bij het afhouden van bengelende kisten langs de puien der koopmanshuizen, één rasechte kruierseigenschap had hij toch bezeten: hij gaf niet op, zelfs als een vrachtje onloochenbaar te zwaar of een kar te hoog geladen was. Zijn vader vóór aan het touw en hijzelf achter den duwboom, overwonnen ze de steilste Amsterdamsche brughelling, al of niet met hulp van toeschietende voorbijgangers. Eerst als ze dalwaarts midden op de gracht waren aangeland, wischten ze zich het zweet weg met den gemeenschappelijken rooden zakdoek, om daarna de volgende krachtsinspanning aan de volgende brug te ondernemen. Zijn koppigheid was stellig familiairerfelijk en zijn zelfbewustzijn had zich zoo juist op zijn onverwachtst en doeltreffendst gemanifesteerd, de beide voorwaarden voor een rustig succes waren aanwezig. Van Dogteren volgde dus de ernergieke leiding der opgewekte godin even zeker en vol vertrouwen als hij zich vroeger had geschikt naar den natuurlijken gang van de eenvoudige feiten zijn levens. Wel kwam hij des avonds niet meer zoo uitgerust naar huis als in de dagen zijner administratieve werkzaamheden, maar | |
[pagina 112]
| |
het tikje hoogspanning veroorzaakt door de daaglijksche schermutselingen met hoopers en concurrentie, werd des avonds omgezet tot niet meer dan een prikkelend stimulansje bij zijn diner en zijn betrekkingen met het blonde meisje. Den volgenden dag kwam hij, opgefrischt na een nacht zonder droomen, weer vergenoegd voor den steeds rinkelenden telefoon, die nog slechts zelden behoefde te worden doorgezet naar het privékantoor waar de oude heer Dufay kranten las tegenover een leegen stoel. En toch bleef dat privé-kantoor, waaruit de zakendrukte zoo plotseling was verdwenen, dat vertrek met den leegen stoel, het middenpunt, het Allerheiligste der Zaak. Het Joodsche volk heeft de gewoonte op sommige feestdagen een stoel aan te schuiven voor den steeds verwachten Messias; men kiest daarvoor den besten stoel uit de woning en geen mensch zou zich met zonde willen beladen door op dien zetel plaats te nemen. Zoo ging het ook met den stoel van wijlen Dufay Junior en zijn groot, ongebruikt bureauministre, zij verwachtten in ongereptheid de komst van een nieuwen Patroon. Als Van Dogteren den ouden heer contracten en wissels ter teekening bracht (onbeperkte procuratie zou Dufay Senior zelfs de Almacht niet hebben gegeven), bleef hij staan naast den stoel van den firmant, en bij het bespreken van gewichtige affaires, zelfs bij het gezamenlijk doorzien van de halfjaarlijksche balans (een vrij bevredigende balans ondanks alles, moest de oude heer bekennen), werd hem zijn jubileumzetel uit het personeelkantoor nagedragen. In den beginne, en zoolang hij in het firmantenkantoor verbleef | |
[pagina 113]
| |
met de Eerste Oorzaak van zijn zakenbestaan, leek dit de natuurlijke orde der dingen, maar langzamerhand begon Van Dogteren zich rekenschap te geven dat hem tekort werd gedaan. Voor het eerst in zijn kantoorleven hadden de gebeurtenissen hun kalme, tegemoetkomende handelwijze opgegeven en staakten stug hunne medewerking. Dagelijks verwachtte hij en het geheele personeel met hem, dat hij zou worden opgeroepen tot de even gewichtige als noodzakelijke bespreking, en iederen middag opnieuw verdween de oude heer Dufay naar zijn bovenverdieping met een saluut van zijn opgestoken hand, zonder dat men iets verder was. Nu moet niemand denken dat Van Dogteren een intrigant was. Wel maakte de correspondent een desbetreffende onaangename opmerking tegen den boekhouder, toen bleek dat de procuratiehouder een mand bloemen had geoffreerd aan de oudste juffrouw Dufay ter gelegenheid van haar benoeming tot lid van het Armbestuur, maar er is geen enkele reden om te veronderstellen dat Van Dogteren zich bewust was van een onzuiver motief tot deze inderdaad ietwat extravagante daad. Hij voelde zich sinds den dood van den zoon en broeder nu eenmaal in nauwer gevoelscontact met het gezin van hem, die tot dusver slechts zijn bestaanspromotor was geweest. Hij hielp den ouden heer in zijn overjas en had met de dochter nieuwe matten en loopers voor de benedengang uitgezocht, wien kan het verwonderen dat hij deelnam in de vreugde om de eer die de ijverige philantrope te beurt viel? En was het soms een intrige van zijn kant, dat mejuffrouw Dufay, | |
[pagina 114]
| |
die pas zesendertig was, op den Zaterdag na zijn bloemenhulde haar bescheiden geparfumeerde linnen zakdoek op zijn schrijftafel achterliet nadat hij haar het wekelijksch huishoudgeld uit de brandkast had voorgeteld? Bracht hij niet de zakdoek op volmaakt onromantische wijze terug naar de huiskamer op de tweede verdieping en was het hem te wijten dat zij daar juist het Frühlingslied van Mendelssohn speelde? Toen de oude heer Dufay echter bij de jaarbalans, terwijl Van Dogteren in het privékantoor het officieel moment der balansonderteekening stond bij te wonen, op den ledigen zetel tegenover zich wees, en zeide: ‘Ga zitten, Piet, dan kunnen we eens praten’, werden bloemenmand, ganglooper, zakdoek en Frühlingslied in Van Dogteren op onverklaarbare wijze omgesmolten tot de zekerheid, dat hem het deelgenootschap in de firma slechts werd aangeboden, wijl hij in staat was de eenzaam overblijvende juffrouw Dufay een door het huwelijk verzekerd en volledig vrouwenbestaan te verschaffen. En Van Dogteren was bereid. Een jeugd, een mannenleven lang had hij de gebeurtenissen naar zich toe zien komen en ze in zijn leven opgenomen en bevestigd als een schelpdier de materialen voor het hem beschuttend pantser. Hij was gezond en tevreden gebleven bij dezen gang van zaken, hij had vasten grond onder de voeten, merkwaardig vast in vergelijking met de andere bedienden van Dufay & Zoon, die, voor zoover ze niet door de opstandige wellingen der negentiende-eeuwsche economische interpretaties wegdreven van hun an- | |
[pagina 115]
| |
kerplaats, geen enkele vastheid in de aardsche onbegrijpelijkheden verwachtten en dus hoopten op een welgefundeerden hemel. Van Dogteren echter kende geen onzekerheid. Hij was wel eens geneigd geweest zijn vader van paedagogische onachtzaamheid te beschuldigen, maar hij rekende het hem niet aan, dat hij hem de catechisatie had onthouden. Hij kon de gebeurtenissen nog in hun oorspronkelijken eenvoud aannemen, en zoo aanvaardde hij dus het aanbod van een zakelijk deelgenootschap met den ouden heer Dufay en een gevoelspartnership met diens dochter als het natuurlijk resultaat van de logica der feiten en zijn eigen energiek en honorabel levensgedrag. Hij trok zijn das recht, knikte sympathiek zwijgend, en liet zich neer in den velours bureaustoel van wijlen Dufay Junior. | |
IILes heureux n'ont pas d'histoire. Van 1897 tot 1908 publiceert de Vereeniging voor den Koffiehandel zelfs geen jaaroverzicht. De heer en mevrouw Van Dogteren besteden hun tijd aan pogingen om elkander op vriendelijke wijze te naderen. Dit gaat niet zonder moeilijkheden, hetgeen begrijpelijk is als men bedenkt, dat aan het trouwdejeuner deelnamen: een jurist-politicus, een redacteur van De Gids en een professor in de theologie, allen geparenteerd aan mevrouw Van Dogteren, die de omgangstaal dier vooraanstaande stadgenooten heel aardig meepraat. Ongetwijfeld is mevrouw binnen de vier wanden van huis-en slaapvertrek, en in de salons van haar stand- | |
[pagina 116]
| |
genooten, het meest importante deel van het echtgenoofschap Van Dogteren-Dufay, maar wat let dat? Mijnheer Van Dogteren bezet op bevredigende wijze zijn plaats in de kantoorlokalen van de firma Dufay & Zoon in koffie. De oude heer Dufay heeft zich eerst in Gelderland teruggetrokken en is daarna met de hem verschuldigde eerbewijzen op Zorgvlied bijgezet. Zijn critiek is verstomd en ook zijn zakelijk deelgenootschap heeft een natuurlijk einde gevonden, hetgeen, dat valt niet te ontkennen, heeft geleid tot de verheugende financieele gevolgen van een langverbeid alleenheerscherschap. Wel dreigt een enkele moeilijkheid te ontstaan tengevolge van het feit, dat Dufay Senior zijn dochter, volkomen begrijpelijk, niet in gemeenschap van goederen heeft willen uithuwelijken, maar kan een man, die zich over eenige ijdele formaliteiten heenzet, het kapitaal van zijn vrouw niet gebruiken en vermeerderen als ware het zijn eigen? Zoolang bij een huwelijk-op-voorwaarden wat goede wil en de economische omstandigheden hun medewerking verleenen, geven financieele kwesties slechts aanleiding tot een welwillenden glimlach bij de bezittende en verhoogd plichtsbesef bij de andere partij.
En de economische omstandigheden werken vriendschappelijk mede. Er zijn zoo nu en dan kleine en aangename meevallertjes, b.v. als de Nederlandsche Regeering (1910) voor de diverse diensten overgaat tot het gebruik van ‘1e kwaliteit Santos-koffie, grof, ontdaan van zwarte boonen, steen en goedsmakend’, waardoor de firma | |
[pagina 117]
| |
Van Dogteren & Zoon een paar genoeglijk winstgevende dagen beleeft. De kleine Henri Pierre, die den Zaterdag na een lucratieven Donderdag en een nog lucratieveren Vrijdagschen call uitzoekt om 's werelds schouwtooneel te betreden, vindt een uiterst goedgehumeurd ouderpaar om hem in ontvangst te nemen. En het snoezige Annemarietje wordt slechts door het voorzichtig beleid harer moeder gered van het lot om als Anna Robusta door het leven te moeten gaan. Men schrijft n.l. 1912 en de termijnmarkt in Robusta is juist geopend als de ooievaar het kindje in het roze satijnen wiegje legt. Beide blijde gebeurtenissen zijn voor een groot deel aan Van Dogteren te danken. Er zijn nog andere data uit deze ongeschreven historie te memoreeren. 1911: Ontdekking van Parijs door Hollandsch koffiemakelaar. Van Dogteren beseft nu eerst dat zijn kennis der moderne talen lacunen vertoont en leert op de aangenaamste wijze, al déjeuneerende en dineerende, eenige van de meest voorkomende gastronomische termen. Het argot van de Lapin Agile blijkt helaas te ingewikkeld. Na afloop van de reis heeft mevrouw Van Dogteren zich te voorzien van een nieuw keukenmeisje en mijnheer blijkt geabonneerd op de Vache Enragée, die hij echter retourneert. 1913: Een geslaagde leening-Sao Paulo met daarop volgende koffievalorisaties, geven het aanzicht aan Weenen over München-Innsbrück. Ontdekking van het Wiener Mädel, dat zoo gansch verschilt van de Mädels der Wiener Export-Kapellen. Van Dogteren bewondert haar, van verre natuurlijk, maar de echte- | |
[pagina 118]
| |
lijke hotelkamer gloeit na van zijn bewondering. 1914: Gustaaf Leonard wordt geboren.... Augustus 1914. Wordt ergens nog iets geboren? Wie vraagt daarnaar nu overal wordt gemoord? In de lokalen der Vereeniging voor den Koffiehandel ziet men menschen die werkeloos rondloopen en hun zaken vergeten, maar elkaar de bulletins uit de hand grissen zoodra die verschijnen. Zullen ze toch door Limburg? neen, ze staan al bij Namen, de stroom veldgrijs buigt om de punt van Nederland's zuidgrens, de schrik zakt al een beetje. Een paar bedienden, een paar van de jongste leden zijn gemobiliseerd, - lastig, maar niet onoverkomelijk voor de betreffende firma's. De prijzen zullen gaan dalen, natuurlijk, oorlog doet de prijzen dalen .... wat zegt u? Neen, ze dalen al niet meer de prijzen, ze gaan omhoog. Merkwaardig vlug omhoog, wie had dat kunnen denken? Er wordt weer Historie geschreven, met bloed, de koerslijsten houden de stijgende lijn der vernieling in drukinkt bij. Het jaaroverzicht van de Vereeniging voor den Koffiehandel wordt rijk aan inhoud. 1915: Koffie wordt niet meer doorgelaten en de N.O.T. ontvangt slechts voor binnenlandsche consumptie. Wie heeft koffie met consent, wie heeft koffie, het doet er niet toe hoeveel koffie, wat voor koffie? Van Dogteren heeft wat, een ander heeft meer, sommigen hebben niets, maar verkoopen doen allen. Merkwaardig. Er waait een samoen over de Amsterdamsche koffiemarkt, de hoofden staan gloeiend rood, een partij van 2000 balen wordt gedurende vijf dagen heen en weer gebald tusschen de leden der Vereeniging en brengt iederen tij- | |
[pagina 119]
| |
delijken bezitter duizenden op tot ze voor het dubbele van den inschrijvingsprijs de grens over gaat. Het privékantoor van Van Dogteren voorheen Dufay & Zoon heeft twee telefoonlijnen en Van Dogteren bemiddelt tusschen beide microfonen, die hij beurtelings afdekt met zijn hand. Hoogspanning, overspanning, en de dokter schrijft een vruchtendieet voor, alleen als prophylaxe natuurlijk. 1917: Distributieregeling en de handel diende stil te staan, maar hij staat niet stil, hij heeft slechts de openbaarheid van de Beurs verlaten om verder te dringen op onbekende, donkere wegen. Ach, dat Dufay Junior voor zijn tijd is heengegaan! De bona fide koffiehandel staart verbaasd naar onbekende mogelijkheden. De groote firma's, dat spreekt, hoeden hun decorum, maar het is wel zeer verleidelijk om te zien welk een vlucht een niet al te scrupuleus geleide zaak kan nemen. Smokkelt men? Smokkelt men niet? Wel neen, en trouwens, wat doet het ertoe; behoeft men te weten, waar de verhandelde partijen heengaan? Een deel van den handel verplaatst zich zonderlingerwijs naar obscure caféhoeken en daarvoor is de Vereeniging stellig niet aansprakelijk; intusschen is de handelaar, die in Duitschland leege N.O.T.-zakken laat opkoopen en ze hier, met distributiekoffie gevuld, weer royaal over de grens weet te krijgen, een groot man in haar lokalen. 1918, en Duitschland betrekt alles wat bruingebrand kan worden en naar koffie riekt.... 1918: Wapenstilstand, en dit toch wel iets te plotseling. Na den eersten zucht van voldoening (men is toch mensch) volgt een tweede van spijt om gemiste kansen. | |
[pagina 120]
| |
Want nu zal het gaan spannen: de partijen ‘leverbaar na den oorlog’, zullen geleverd worden. Goddank dat de mijnenvelden er nog liggen, maar de prijzen gaan al omlaag, ze vallen, ze zijn niet meer te houden. Van Dogteren zegent zijn bedachtzaamheid. 1921: De speculanten hebben het veld geruimd, de geregelde handel is weer meester van de markt, hij heeft wel niet veel te doen maar blaast even uit en telt zijn winsten. Van Dogteren .... neen maar .... wat voert Van Dogteren daar uit? Ssst .... hij heeft liever niet dat men erover spreekt, zijn beursvrienden hoeven niets te weten, maar u kan men het wel vertellen: Van Dogteren neemt dansles. Ach ja. Mevrouw Van Dogteren heeft de gevluchte Belgjes helpen installeeren, en met eigen oogen daarbij geschreid. Ze heeft zelfs gesidderd bij de gedachte hoe het maar een haartje heeft gescheeld of zijzelve zou met Henri-Pierre, Annemarietje en Gustaaf Leonard onder een natgeregende deken op een schokkende boerenkar langs donkere kleiwegen zijn gezeuld. Ze is oorlogsmoeder geweest van zeventien Fransche soldaten (waaronder drie pikzwarte Senegaleezen), en de kieken van haar tijdelijk kroost hebben drie jaar lang haar schoorsteenmantel overvuld, ook heeft ze een sneeuwbalcollecte op touw gezet voor een paar mobilisatieslachtoffers. Wat wil men nu nog meer van haar? Het leven is toch al zoo kort en zeker voor een hoogstaande vrouw, die eerst huwde op zesendertigjarigen leeftijd. De Belgjes zijn aan hun natie geretourneerd en de oorlogs-petekinderen die niet sneuvelden, aan hun mijnen en fabrieken teruggegeven. De aesthetisch feitelijk ontoelaat- | |
[pagina 121]
| |
bare kieken zijn opgeborgen, behalve die van den eenig overgebleven Senegalees, die, als curiositeit natuurlijk, op het damesbureautje prijkt. De Senegalees is een aardig souvenir, maar is het aangenaam te bedenken, dat men in 1918 een oogenblik werkelijk bevreesd moest zijn voor wat zich uit mijnen en fabrieken over de Europeesche cultuur zou kunnen storten? De gemobiliseerden hebben zich in de Harskamp zoo onsympathiek gedragen, dat ze nu ook maar voor hun eigen slachtoffers moeten zorgen. Mevrouw Van Dogteren heeft haar aandeel in den oorlog geliquideerd. Er is genoeg gesidderd, - vive la joie. Mevrouw Van Dogteren wordt nog in lang geen vijftig, haar zwarte kapsel blijft onverwoestelijk in overeenstemming met haar nauwkeurig verzorgde teint, het kan nog jaren zoo blijven mits ze haar maatregelen neemt. Dit garandeert het juist opgerichte Eerste Amsterdamsche Institut de Beauté. Het Institut is duur, maar wat zou dat? Het kapitaal van mevrouw heeft zijn vruchten gedragen; op een exclusieve modeshow kan ze zich den zilvervos van vier mille rustig permitteeren. De shows brengen ook avondjaponnen als doorzichtige nevelsluiers, pailleté, perlé, men draagt dit alweer in het nog gedeeltelijk rouwende Parijs - zou men hier te lande, waar niets te rouwen of te berouwen valt, niet een dergelijke robe mogen riskeeren? Doen de Instituts de Beauté niet het hunne om de nationale statige massiviteit tot welgevuldheid te masseeren? Alstublieft, zegt de haute couture en exporteert speciaal gefabriceerde glansrijke avondkleedij naar het welvarend Nederland, dat zoo genadiglijk | |
[pagina 122]
| |
voor den oorlog is gespaard gebleven, opdat men er wormstekige franken, marken en kronen zou kunnen wisselen voor goede guldens. Alstublieft, herhalen de Amsterdamsche restauranthouders, eet, danst en weest vroolijk, ze huren een strijkje en leggen dansparquets in hun eetzalen ten gerieve van hun schoone gasten, die de extravagante creaties van Poiret en Doucet nu kunnen vertoonen tusschen een gang crême de volaille en saumon grillé. Van Dogteren neemt dus dansles. Eerst een paar privaatlessen om de meest vernederende moeilijkheden te overwinnen en intusschen heeft Mevrouw al een clubje in elkaar gezet. Iedereen danst immers! Van Dogteren is niet eens de doyen der clubleden. Als na een interessante two-step-demonstratie een mand champagne wordt binnengebracht, blijkt dat de slanke opgewekte jurist-politicus zijn zestigsten verjaardag viert. Van Dogteren is echter nooit slank geweest en zijn kalme opgewektheid is aan het tanen. Misschien ligt het aan zijn spijsvertering, die niet meer zoo ongemerkt haar plichten vervult als voorheen, misschien aan enkele onvoorziene beursgrilligheidjes, die hem in de war hebben gebracht. Hij mist in dezen tijd toch wel een beetje Dufay Senior, die zulke aardige tips placht te krijgen van een oud vriend en beschermer uit de haute finance. Koffievalorisaties en in het algemeen alle daden van het Koffie-Comité te Sao Paulo zijn volkomen aanvaardbaar, mits men tijdig gewaarschuwd is. Waar blijft de soliditeit van een zakenman die zoo maar op goed geluk zijn affaires moet afsluiten, hij zij dan nog zoo energiek? | |
[pagina 123]
| |
Ja. Het tijdperk der energie is alweer voorbij, ondergegaan in de geweldige ontlading 1914-1918, die een wereldorde tot puin heeft geblazen. Zelfbewustzijn, ijver, wilskracht, degelijkheid hebben afgedaan. Flair eischt de nieuwe tijd, men speurt tusschen de puinen naar buit. ‘Dat heb je handig gedaan,’ zegt Van Dogteren tot zijn eersten bediende, als deze een principaal op den juisten tijd een affaire in handen geeft, waarvan de firma Van Dogteren v.h. Dufay & Zoon eerst de room heeft kunnen scheppen. ‘Handigheid?’ zegt de jonge man en glimlacht superieur, ‘neen, intuïtie mijnheer.’ Dit is dus het woord. Ocharm, Van Dogteren is niet geboren en getogen, heeft niet geleefd en gewerkt onder het nieuwe teeken, stellig heeft zijn eerste bediende meer van de onomschrijfbare eigenschap dan hij. Hij zal hem procuratie moeten geven; voordat Henri Pierre zoover is, kan nog veel gebeuren en het inzicht van den jongen man ontdekt soms vruchtbare winplaatsen op een vrijwel afgegraasde markt. Natuurlijk, hijzelf is nog altijd de zaak, hij heeft de vaste relaties. Maar sommige relaties zijn bezig hem te ontvallen, deze tijd vreet menschen en de firma's berichten om den haverklap het overlijden van den oudsten firmant. Van Dogteren echter wordt slechts door de oudste firmanten op zijn volle waarde geschat. Is het nu niet begrijpelijk, dat Van Dogteren, terwijl men reeds 1923 schrijft, nog altijd foxtrot, en niet alleen omdat mevrouw zoo merkwaardig lang en levenslustig van haar tweede jeugd geniet. Dat het privékantoor met de accomodatie voor een eventueelen | |
[pagina 124]
| |
tweeden firmant hem des avonds maar matig lokt en hij liever het advies volgt van zijn dokter, die volhoudt dat de moderne dansen het panacee zijn voor menschen met aanleg tot corpulentie? Als de handel geen weg meer weet met gezonde energie, moet die toch een anderen uitweg vinden? En zoo stept Van Dogteren met mevrouw en haar vriendinnen, in salons, in deftige restaurants, op openlucht-dansvloertjes en bij uitzondering, een enkele maal, louter uit zelfrespect, met een vriendelijk manicuurtje in een Brusselsch Palais de Danse. Volstrekt niet uit de laatgewekte gevoelens zoo eigen aan den rijperen middelbaren leeftijd. Louter uit zelfrespect. Het aardige manicuurtje, wier voorkomendheid een beroepsdeugd is, blijkt toegeeflijk voor Van Dogteren's danszonden en ziet hem ondanks zijn spaarzaam gezaaide haren en manifeste corpulentie met critieklooze, zelfs tegemoetkomende blauwe oogen aan. Met haar durft hij zich op een overvuld parquet geheel te laten gaan in zijn eigen dansinspiratie. Mevrouw en haar vriendinnen, leerlingen van een duren maar aangenamen dansleeraar, eischen behalve beheersching van de techniek nog charme en lenige losheid van haar danseurs. Van Dogteren echter, al beproeft hij met inspanning de techniek te beheerschen, is, gelijk ik reeds eerder uiteenzette, erfelijk gehandicapt bij zijn uitingen in het gebaar. Ook weet hij niet om te gaan met syncopen. Hij toont zijn dansvreugde slechts door een overmoedig schouderschokken en een huppelende, knikkende welwillendheid. Het manicuurtje neemt hiermee genoegen en wanneer hij verklaart: ‘dat was | |
[pagina 125]
| |
eerst dansen!’ knikt ze vriendelijk en onthoudt zich van commentaar. Zoo ondervangt zij zijn minderwaardigheidsgevoelens en hij is haar dankbaar met vele blijken van dankbaarheid. De geldzending aan een Brusselsch juwelier wordt door den meesmuilenden, doch discreten procuratiehouder ingeboekt, terwijl Van Dogteren, ietwat verreisd, zich bezighoudt met de vraag of zijn kleine danspartner inderdaad zijn voorbijgaanden aard blijkt te zijn als mannelijkheid evenzeer heeft gewaardeerd als zijn geschenken. Maar wat doet het er ook eigenlijk toe? Van Dogteren begint zijn wereld te kennen. Het meisje is aantrekkelijk genoeg en mag men de geheimste gedachten van zijn evenmensch aldus naspeuren? Ook Van Dogteren heeft geheime gedachten, die hij niet graag aan de openbaarheid zou prijsgeven; alleen de procuratiehouder vermoedt iets van hun bestaan, omdat hij de hoofdboekhouding voert. Ze staan in nauw verband met het eigen kapitaal van mevrouw Van Dogteren (dat natuurlijk safe is) en de jongste prijsdaling, die niet van zoo voorbijgaanden aard blijkt te zijn als vorige kleine afwijkingen. En temidden van deze beslommeringen viert Van Dogteren zijn vijftigsten verjaardag. ‘De mooiste leeftijd, het hoogtepunt van het mannelijk bestaan’, toast de Gids-redacteur en Van Dogteren drinkt hem toe, ad fundum, hoewel zooiets eigenlijk niet mag vanwege zijn, natuurlijk zeer lichte, verkalking. Maar terwijl hij het perspectivistisch verlengd beeld van de kostbaar beladen tafel in zich opneemt, herinnert hij zich plotseling hoe hij na afloop van zijn twintigjarig | |
[pagina 126]
| |
kantoorjubileum, zichzelf op een uiterst bevredigend dinertje bij Kras fuifde à raison van ƒ 4.50, met den wijn. Ja, Van Dogteren begint weer aan prijzen te denken. De boomen groeien nu eenmaal niet tot in den hemel, zelfs ter beurze niet. De noteeringen in 1925 .... ach neen, laat ik u geen koerslijsten voorleggen. Een enkel officieel gegeven dan, men wil tegenwoordig immers controleerbare feiten, zelfs in de vroeger zoo aangenaam irreëele belletrie. Ziehier een zinsnede uit het jaarverslag over 1926 van de Vereeniging voor den Koffiehandel: ‘Het jaar stond grootendeels in het teeken van de Braziliaansche prijspolitiek en het artikel werd bijna uitsluitend beheerscht door de manipulaties van het Koffie-Comité te Sao Paolo.’ Ziet ge den armen Van Dogteren gevangen in het web dat de Zuid-Amerikaansche spin over den aardbol heeft gespannen? Overal, in Europa, in Indië, in Afrika, waar al niet, spartelen, trillen, gonzen de vliegjes om zich los te rukken, maar vastgeknoopt en omwonden zijn ze allen. Hoe efficienter, hoe rationeeler de koffieproductie wordt beheerscht, hoe krampachtiger de vrije handel zich moet inspannen om winst te maken. En hoe verleidelijker het wordt, zich toe te vertrouwen aan een goed gesternte en zich in den stroom der speculatie mee te laten voeren. De met intuïtie gezegende procuratiehouder zit op het vinketouw en helpt de firma Van Dogteren bijwijlen aan een meevallertje, dat helaas een enkele maal in een tegenvallertje verkeert; over het algemeen echter heeft | |
[pagina 127]
| |
hij een gelukkige hand. Van Dogteren weet dat het deelgenootschap van den onmisbaren medewerker slechts een kwestie van tijd is, - Henri Pierre immers wil chemie studeeren en Mevrouw Van Dogteren droomt al van een flat in Zuid zonder kantoor-aan-huis. Hij verstoort dien droom vooralsnog liever niet en fourneert nog steeds dekking voor de huishoudelijke girorekening, maar zonder het kapitaal van Mevrouw (dat natuurlijk safe is) zouden de zorgen hem boven het hoofd wassen. Hij protesteert dus ietwat verontrust als blijkt dat Henri Pierre verlof heeft ontvangen om met zijn Lyceumklas Arosa en de wintersport te bezoeken. Henri Pierre gaat natuurlijk naar Arosa, zooals verwacht mocht worden, en het is Van Dogteren klaar, dat hij over een paar jaar een twoseater zal hebben te verschaffen aan den student Van Dogteren, benevens een trainer voor de tennisbegaafdheid van Annemarietje. Niet dat hij Annemarietje een trainer misgunt, of Henri Pierre zijn twoseater. Niemand kan ontkennen, dat Van Dogteren een goed vader is en zijn kinderen hartelijk liefheeft. Ja, als Van Dogteren aan introspectie deed, zou hij kunnen waarnemen, dat deze drie kinderen in waarheid zijn eenig werkelijk innerlijk bezit uitmaken. In gedachten omspant hij ze, alle drie tezamen, met verlangende, wijd-reikende armen en voert ze mee naar een verborgen stuk wereld, waar niemand, ook niet hun moeder, toegang heeft, om ze daar glimlachend aan zijn hart te drukken, - iets wat hij in werkelijkheid natuurlijk nooit doet. Voor deze kinderen dus, in laatste instantie, zwoegt | |
[pagina 128]
| |
hij in den tredmolen der zorgen en plichten. De kinderen echter, als alle kinderen, zijn in geenen deele bekend met dit feit. Wel vinden ze dat hij oud wordt en een beetje saai, humeurig soms en dan ‘werkelijk grof’, zooals Annemarietje in een gesprek met Henri Pierre constateert, ‘men kan wel zien, dat vader geen opvoeding heeft gehad’. Van Dogteren heeft te doen alsof hij niets hoorde. Zeide ik u niet, dat 1926 een moeilijk jaar was? Van Dogteren heeft het dansen allang opgegeven, de dokter is er trouwens niet meer zoo voor. Mevrouw heeft zich gewend aan de gedachte, dat haar tweede jeugd voorbij is; daarbij loopt men tegenwoordig kans zijn eigen dienstboden in de dancings te ontmoeten. Ze heeft nu een bridgeclubje voor de namiddagen en bezoekt des avonds de vergaderingen van een Comité tot Reorganisatie van het Middelbaar Onderwijs, dat zij heeft helpen oprichten. Gustaaf Leonard n.l. lijdt ontzettend onder de Talen en zijn moeder lijdt mede met haar jongste, daarbij is zij een vrouw van de daad. ‘Ik ben nu eenmaal extravers georiënteerd’, zegt zij tegen Van Dogteren, die toestemmend knikt. Hij knikt altijd toestemmend als zij in psychologische termen spreekt, het is een eenvoudige en bruikbare methode. Van Dogteren knikt tegenwoordig veel bij velerlei gelegenheden, dat kan ja of neen beteekenen, zijn woorden worden schaars. De onmisbare procuratiehouder entameert al eens een zaakje op eigen verantwoordelijkheid, hij heeft weinig geduld voor oudere menschen, maar hij laveert werkelijk heel aardig tegen de jaren 27/28 op. ‘Wij houden het toch maar’, zegt | |
[pagina 129]
| |
Van Dogteren, als hij Januari '29 de naamlijst van de leden der Vereeniging doorkijkt. De eerste helft van '29 is zelfs ongewoon winstgevend. Wel schudt Van Dogteren in Juli een twijfelend hoofd over de halfjaarlijksche balans, maar de procuratiehouder verzekert, dat alle posities behoorlijk gedekt zijn, - ja, als de hemel op de aarde valt, zijn we er allemaal geweest, natuurlijk, maar zooiets komt niet iederen dag voor.... 30 September. Santos noteert 40 1/4. En eind November fluctueert ze tusschen 21 en 23. De hemel is inderdaad ongelooflijkerwijze op de aarde gevallen. De partijen koffie rollen als een lawine over de markt, ze sleuren koopers en verkoopers en den tusschenhandel mee. De speculanten worden het eerst weggevaagd, ze vallen, de afgrond heeft ze reeds verzwolgen, met hen werpt de zondvloed handelaren en makelaars naar den rand. Die klemmen zich nog wanhopig spartelend vast, maar moeten loslaten onder een nieuwe baisse. Ze verdwijnen en er is niemand die naar hen omziet, ieder strijdt om zijn eigen bestaan, ieder zoekt dekking, al moet hij een ander afslachten om tot dekking te dienen. En de markt ligt bezaaid met geschonden reputaties. Van Dogteren is thuis zwijgzamer dan ooit. Als echter Mevrouw, die tot dusver nooit aanleiding had zich met de altijd wat inferieure financieele zijde van haar huwelijksbetrekkingen bezig te houden, door de courant is voorgelicht, en van haar belangstelling in de crisis blijk gaat geven door zoo nu en dan naar de koersen te informeeren, vindt hij een paar technische | |
[pagina 130]
| |
termen en een optimistischen toon. Het treft onaangenaam, dat zijn vrouw (wier kapitaal niet meer geheel safe is) zich juist nu voor de zaken interesseert, maar men kan een vrouw die zoo duidelijk weet te vragen niet zonder antwoord laten. Doch na den derden December, met den laagsten ooit genoteerden Santos-koers, valt elk antwoord hem te zwaar en haalt hij zijn schouders op. Met het gevolg, dat op den eersten Kerstdag de ‘raadsman’ van Mevrouw, in dit geval de oudste zwager, vriendelijk maar dringend inzage verzoekt van boeken en bescheiden der firma, opdat hij zich een beeld kan vormen van den stand van haar vermogen. Dit heeft de zwager nog nooit verlangd, maar waarom bezit Van Dogteren ook zulk een armelijke fantasie dat hij niet eens een paar behoorlijke zakelijke inlichtingen kan fingeeren ten behoeve van zijn eigen vrouw? Ach, mijn vertelling is zoo opgewekt begonnen en gaat zoo verdrietig eindigen, maar kan ik 't helpen, dat deze tijden hard zijn voor wie uit een andere eeuw overbleven? Van Dogteren krijgt een deelgenoot, natuurlijk niet den al te ondernemenden procuratiehouder, maar een protégé van de importfirma die zal probeeren de zaak op pooten te houden. Geen opzichtigheden alstublieft, er gebeurt al genoeg op de Beurs; men komt overeen dat Van Dogteren zich na een jaar uit de vennootschap zal terugtrekken. Dus geen twoseater voor Henri Pierre en ook geen trainer voor Annemarietje, om van het Conservatorium enz. voor Gustaaf Leonard te zwijgen. Op Oudejaarsavond 1930 zit Van Dogteren in het privékantoor voor een ontruimd bureau-ministre. Daarop | |
[pagina 131]
| |
legt hij twee moede armen en een kaal hoofd. Kijk er maar niet naar. Van Dogteren snikt zachtjes in zich zelf, gewoon, zooals ieder verdwaald kind.
Natuurlijk is Mevrouw Van Dogteren niet naar een zolderkamertje verhuisd. In gezeten Amsterdamsche families bestaat nog saamhoorigheidsgevoel. Ook is een deel van haar vermogen behouden gebleven. Ze bewoont een lief flatje met centrale verwarming en warmwatervoorziening, waar een heel geschikt kabinetje is gereserveerd voor mijnheer, die toch niet den heelen dag in de suite kan zitten. Henri Pierre zal kunnen afstudeeren en Annemarietje gaat zich verloven met den jongen Wedelingh. De jonge Wedelingh is zoon van gefortuneerde ouders, maar Annemarietje brengt haar allerliefst figuurtje en charmante maniertjes mee ten huwelijk. De oude heer Wedelingh is wat trotsch op zijn aanstaand schoondochtertje. Hij belooft een grandioze receptie bij Zomerdijk Bussink wanneer ze aanteekent. Zóóveel bloemen en zóóveel bezoek! Mevrouw Van Dogteren staat statig als in haar meest hoogstaanden tijd. Zoo keert alles zich ten goede, ze is alweer aangezocht door het Crisis-Comité. Mijnheer Van Dogteren is zwijgend aanwezig, ja, want aanwezig moet de vader van de bruid toch zijn. Port is uit de mode, Van Dogteren drinkt echter ook Voorburgjes. Mevrouw wil niet ingrijpen, maar fronst haar wenkbrauwen, de dokter heeft hem toch zoo gewaarschuwd: ‘geen alcohol’. Een zware verkalking is geen grapje. De oude heer Wedelingh noodigt na afloop beide fa- | |
[pagina 132]
| |
milies tot een dinertje in de stad. Neen, geen auto's, na al die warmte en drukte liever een wandelingetje in Eet opwekkend winterweer. Daar gaan ze de Wedelinghs en de Van Dogterens, bontmantels om alle vrouwen en de heeren met het moderne vlotte model vilthoed. Zelfs Van Dogteren draagt de nieuwste Stetson, een cadeautje van Mevrouw voor deze gelegenheid. Leidschestraat en dan de grachten, ja de grachten zijn toch altijd schilderachtig, ook 's winters, vooral zoo in den laten namiddag als de lantaarns opgaan. Mevrouw, tusschen den ouden heer Wedelingh en haar echtgenoot, vertoont op correcte wijze haar aesthetisch waardeeringsvermogen. Mijnheer Wedelingh knikt beleefd en zegt, zoo noodig, ook een woordje, maar Van Dogteren apprecieert alleen zwijgend dat hij nu en dan even mag stilstaan wijl zijn vrouw een bijzonderen gevel of schilderachtigen brugboog heeft te demonstreeren. Ja, de Voorburgjes en de verwarrende cocktail zijn hem toch wel iets te veel geweest. Telkens vloeit een golf afwezigheid door zijn hersens, dan vindt hij zich pas terug wanneer de hooge stem van mevrouw al te pertinent beweert. Maar hij houdt stand. Straks als ze in de Réserve zitten, zal 't beter gaan. En dan gebeurt 't. Doodeenvoudig, maar er was toch een lang menschenleven noodig om het te doen gebeuren. Op de Reguliersgracht. Daarzwoegt een kruier achter een hooggestapelde verhuisvracht tegen de brug op. Een kleine jongen trekt wanhopig aan het karretouw, de kar is klaarblijkelijk volkomen overladen. De man | |
[pagina 133]
| |
achter de kar weet het, de jongen weet het, maar over de brug moeten ze toch. De magere knieën van den man zetten af, de jongen rukt, maar de wagen valt niet te houden, langzaam draait hij scheef af naar den walkant. Dan schiet Van Dogteren toe. Zijn stramme hersens hebben er niet mee te maken, zijn beenen handelen op eigen gelegenheid. Daar is hij, hij grijpt den duwboom ondanks zijn grijsleeren handschoenen en meteen is hij opgenomen in de spanning van het gezamenlijk zwoegen, allo, vooruit, houd je taai jongens. En hij duwt, hij duwt, hij is alles achter zich kwijt, alles vergeten, - vergeten de Wedelinghs, vergeten zijn eigen laatdunkend kroost, vergeten het moeizaam verworven standsgevoel van zoovele jaren. Hij duwt, zijn ongebruikte spieren spannen zich krampachtig, het bloed stijgt naar zijn oogen, maar hij duwt en met hem duwt de man, trekt de jongen, duwen ze de kar omhoog tegen de helling, de brug op. Als de jongen boven aan de brug het touw achteruit gooit en te hulp schiet om de kar te houden eer 't omlaag gaat, denkt Van Dogteren niet aan loslaten. Hij zet zich schrap met de beide anderen, de tanden op elkaar, de vuisten geklemd aan den boom, de hakken schurend over de keien. En zoo, remmend met elke spier van hun lichaam, laten ze het vrachtje langzaam omlaag de helling af, tot ze den wagen eindelijk veilig in een vaartje langs de gracht uit laten loopen. En dan, op het moment dat de kar - hola - het dieptepunt heeft bereikt, slaat Van Dogteren den kouden schrik om het hart voor wat hij heeft misdaan, voor wat | |
[pagina 134]
| |
hij daar achter zich weet wachten. Maar dan ook verdwijnt barmhartiglijk de gansche wereld uit zijn gezichtskring, de kruier heeft nog net gelegenheid hem op te vangen. De Stetson echter rolt langzaam naar den walkant, wipt over den hardsteenen rand en blijft dan als een rare grijze zwemvogel dobberen op het grachtwater.
‘Ik geef hem niet meer dan een paar uur’, zei de dokter. |
|