Het oogenblik
(1935)–Marianne Philips–
[pagina 57]
| |
[pagina 59]
| |
Dit gebeurde alles in een anderen tijd.
In dien tijd reed alleen een stoomtrammetje tusschen de stad en de badplaats aan zee. Ook droegen de dames nog een queue de Paris en onzinnige kleine parasolletjes. De moeder van het jongetje bezat ook zoo' kleinen lichtzijden parasol omdat iedereen aan het strand met een dergelijk modieus en kleurig dingetje flaneerde en omdat haar echtgenoot wilde, dat ze koopen zou wat iedereen kocht in haar stand. Maar ze gebruikte liever geen zonnescherm, omdat ze graag in de zon zat en bleek genoeg was om zich te laten roodbranden. Daarom zat ze ook niet in den gevoerden badstoel, die altijd te harer beschikking was omdat hij was gehuurd voor het heele seizoen, maar op een bergje zand tegenover het jongetje. Dus kon het jongetje recht in het gezicht van zijn moeder zien als hij opkeek van zijn werk. Het jongetje zat op een klein plekje zand, dat de heele wereld was. Nu bestond de wereld uit zand, het gebeurde ook wel, dat de wereld alleen water was, dat om zijn bloote voeten spoelde. Maar bij het houten schepje, dat hij nu vasthield, behoorde de wereld van zand, waarin zijn handjes moesten werken. Hij had het schepje en het emmertje. Het emmertje | |
[pagina 60]
| |
moest gevuld worden omdat het telkens leeg was. Hij maakte het zelf leeg om het weer te vullen, dat moest zoo, leegmaken en vullen. Dat was het werk. Als de houten lepel het emmertje heelemaal had volgeschept, zoo vol dat het zand zichzelf niet meer vasthield langs den rand, keek het jongetje op naar de oogen van moeder, die er altijd waren. Want dan werd het werk moeilijk en moeder knikte dat ze het zag. Dan kwam een hand die er nog niet was geweest en die het lepeltje overnam. Dat was niet moeders hand met den zachten witleeren handschoen, want die mocht niet vuil worden, maar het was de hand van Mijntje, die geen handschoenen droeg; wel had Mijntje een witkanten kap met gouden kurketrekkers. Mijntje's hand kwam juist altijd als het noodig was om den lepel over te nemen. Want als het emmertje vol was, moest de lepel hard slaan op het zand, tot het vast en plat en stevig stond in het emmertje, en het jongetje kon nog niet hard genoeg slaan. Als de hand van Mijntje den lepel neerlegde en teruggreep naar een witte breikous, die ook nog ergens lag in de wereld, zuchtte hij diep omdat nu het moeilijke werk begon, waaraan Mijntje niet mocht meehelpen omdat hij het zelf wilde doen. Zijn twee handen, die zich heel klein voelden tegen het rondgebogen blik moesten klemmen en den zwaren zandemmer voorzichtig maar ook vlug omzwiepen. Daarna kwam telkens een heel groot oogenblik, telkens het nieuwe groote oogenblik, wanneer het leege, lichte emmertje moest worden afgelicht van een vorm die er nog niet was geweest. | |
[pagina 61]
| |
Dat gaf telkens een schokje binnen in hem, soms angstig en soms blij. Soms stond er een vast glad torentje op het gladgestreken zand, volmaakt gaaf en zonder breuken, en dan keek hij in de oogen van zijn moeder omdat het zoo goed was. Maar soms brokkelde een onsamenhangend hoopje zand uit het emmertje, dat was eerst verdrietig omdat hij het gladde torentje verwachtte en dan keek hij naar moeder of die het ook niet verdrietig vond. Maar dan was er opeens niets verdrietig meer, omdat hij nu hard kon slaan op den mislukten toren en roeren in het zand tot de korrels rondstoven. Daarna moest hij dan het strand weer voorzichtig gladstrijken voor een nieuwen toren. Hij wist eigenlijk niet wat prettiger was: het emmertje af te lichten van een vochtig, hecht bouwsel of de mislukte zandhoopjes weg te knuppelen met den houten lepel. Het was alles prettig en volmaakt noodzakelijk op deze plek zand, die de wereld was en het werk tegelijk. Zoo werkte het jongetje een zomer lang, vandaag en gisteren en morgen aan het lange, inspannende, heerlijke werk. Maar midden tusschen het werk, kwamen telkens weer de verschrikkelijke oogenblikken, waarop de hand van Mijntje plotseling het emmertje en den lepel wegnam, omdat alweer een middag voorbij was. Dan liep plotseling de wereld leeg omdat het werk moest ophouden en het jongetje stond alleen in de leege wereld; daarom greep hij wel nog eens terug naar den lepel, maar Mijntje had sterkere handen. En daarna ging dan opeens de wereld groeien en werd angstig vol en groot, en werd de zee die aanrolde en met | |
[pagina 62]
| |
strooken schuim rekte naar zijn rij torentjes, en werd het groote strand waar menschen rondliepen op groote witte voeten die de torentjes zouden uittrappen. Mijntje stond op en sloeg het zand van zich af en kreeg ook groote voeten en werd een onwrikbare wil, die hem bij de hand nam om thuis te gaan eten. Dan rukte hij zich nog wel eens los, omdat hij ten minste zijn eigen torentjes wilde uittrappen, maar ook dat mocht niet. ‘Daar zal de zee wel voor zorgen,’ zei Mijntje en dan zag hij ook zelf dat de vloed ging opkomen. De voeten of de zee, het maakte geen verschil, zijn torentjes zouden weer gewoon zand worden. Het was nu geheel zeker, dat ze nooit van hemzelf waren geweest. Hij mocht niet eens houden wat hij zelf had gemaakt. Dit stond vast en er was geen troost. Het groote verdriet prikte in zijn neus en hij zocht naar de oogen van moeder, maar die waren weg omdat ze haar voile had voorgedaan. En zijn hand lag vastgesloten in den greep van Mijntje. Daardoor prikte het verdriet nog pijnlijker, tot hij hard moest huilen. Maar dat hoorde moeder dadelijk, ze waarschuwde: ‘Jo!’ Het beteekende, dat hij zijn verdriet moest inslikken en hij deed ook wel zijn best daarvoor. Maar terwijl zijn voeten naar huis liepen langs den zandigen duinweg, telkens twee passen naast een pas van Mijntje, prikkelde het verdriet nog wel na in zijn oogen en zijn neus. Want de torentjes zouden nu zeker al overspoeld zijn door den vloed. | |
[pagina 63]
| |
Zoo werkte het jongetje een zomer lang, vandaag en gisteren en morgen, aan de torentjes die toch niet van hemzelf konden blijven. Hij was nog heel klein. Zoo klein, dat hij zich later nooit meer iets van dit alles heeft kunnen herinneren.
* * *
Het jongetje was niet meer zoo heel klein. Het ging al drie weken lang op school. De school duurde elken dag heel lang. 's Morgens was het prettig om binnen te komen in school, iedereen wist waar hij zijn goed moest hangen en welke klas hij had binnen te gaan. Maar daarna waren er zooveel kinderen die niets wisten, en dan werd de meester ontevreden. Als de meester heel ontevreden was, duurde de dag te lang voor de kinderen die wel wat wisten. Maar thuis was niemand ontevreden behalve Mijntje. Daarom was het jongetje blij, dat het morgen Zondag zou zijn en hij dan thuis zou blijven. Nu was het Zaterdagavond, hij lag in zijn bed en wachtte op zijn moeder. Beneden in de gang rinkelden al glazen van de tafel die werd afgenomen, nu zou ze komen. De trap wachtte op haar voetstap. Het gasvlammetje suisde omdat het nog moest worden uitgedraaid. Het jongetje kortte zich den tijd met een leuk spelletje. Hij lag plat op zijn laag kussen, als hij rechtuit keek, zag hij aan het voeteneinde de deken omhoog steken in een punt, dat was zijn groote teen. Als hij die bewoog, trok de deken in plooien. Het was een leuk spelletje om iets te zien bewegen zonder te zien hoe het bewogen wordt. Het jongetje lag al lang zoo te kijken en speelde | |
[pagina 64]
| |
met zichzelf, dat hij er niets van begreep hoe die deken bewegen kon. Maar toen de keukendeur sloot achter de laatste rammelende borden en zijn moeder er nog niet was, bleef zijn teen stilliggen. ‘Waarom kom je nu niet?’ dacht hij. Alles was klaar, de kleeren waren opgevouwen en het gewichtige meubel met het eene oor stond naast zijn pantoffeltjes onder het bed. Eigenlijk vond hij dat vies, maar het moest daar staan van Mijntje en soms, in den nacht, was hij toch wel blij dat het aanwezig was wanneer hij zijn hand uitstak. Beneden in de gang sloeg de hangklok zeven korte slaagjes en de ketting met het gewicht zakte ratelend. Nu gingen natuurlijk de molentjes op de wijzerplaat draaien. Kwam de stap nog niet? Moeder had nog nooit vergeten om het jongetje in te stoppen, maar als ze laat kwam, viel het tegen. Dan wilde zijn mond niet opengaan om iets te zeggen, omdat zijn hoofd dan al niet meer meedeed. En het was juist prettig om iets te zeggen, om-en-om grappige woordjes tegen elkaar te zeggen. Als moeder zei: ‘Nacht schatje’, antwoordde hij ‘Pierlepatje’, - eens had hij gerijmd: Pieternelletje
Je hebt een zacht velletje.
En toen hadden ze samen lekker lang gelachen. Waarom kwam ze nu niet? Vader zou nu zeker al op de sofa liggen met zijn sigaar, dat deed vader zoo na het eten, hij lag op de fluweelen sofa tegen de wollen kussens. | |
[pagina 65]
| |
Het jongetje voelde het linnen laken tegen zijn hals en voelde dat dit lekker koel was en glad. Zelf was hij ook koel en glad. Mijntje had hem pas heelemaal gewasschen. Dat had hij niet prettig gevonden, het was wel prettig om schoon te zijn, maar niet om te worden gewasschen. Mijntje waschte altijd een beetje harder, dan hij zich zelf zou willen wasschen en als hij een schram op zijn knie had, wreef ze daar ook stevig overheen. Moeder lette wel op de schrammen, omdat die naar hem keek als ze waschte. Maar ze deed het niet vaak, ze moest eten met vader terwijl hij naar bed werd gebracht. Alleen overdag was moeder van hem, 's avonds was ze van vader. Daarom kwam ze hem instoppen voor het avond werd. Als ze goedennacht had gezegd en de deur achter zich sloot, sloot ze meteen een dag die voorbij was. Nu moest ze maar gauw komen, want nu gingen in zijn hoofd allerlei gedachten voorbijzwemmen en dan was de dag toch klaar. Ja. Daar kraakte de salondeur. En nu liep ze de trap op, iedere tree kraakte precies zooals die zelf wilde, allemaal anders. En nu stond ze op den drempel en nu naast zijn bed, ze was hoog zoo. Ze had haar mooie japon aan, dat was prettig, maar nu boog ze over het bed, nu was ze gewoon moeder. Het jongetje bewoog niet. Het wachtte tot de handen van moeder om zijn gezicht lagen, toen knipte hij met zijn oogen, dan kon ze zien dat zijn mond al dicht was. Hij had al te lang stilgelegen. Nu voelde hij den zachten zoen op zijn wang, heel voorzichtig, moeder zoende altijd voorzichtig, ja, en nu lag haar wang even tegen | |
[pagina 66]
| |
zijn wang. Dat was prettig, soms als ze het vergat, voelde zijn wang kaal als ze weg was, maar nu had ze het niet vergeten. Nu lag haar wang tegen zijn wang. En nu legden haar handen de donzen deken net om het plekje waar zijn schouder het dek verwachtte. nu was hij ook ingestopt. En nu draaide ze het gasvlammetje uit, dat hield op met suizen en opeens was de heele kamer weg. De deur ging open om haar door te laten, van buiten kwam nog een schijnsel, maar toen ging de deur weer dicht en nu kraakten de traptreden weer net andersom. De dag was voorbij; moeder had het licht uitgedraaid. In de kamer was nu niets meer over dan het kussen waarop zijn hoofd lag en de lakens, die al haast even warm waren als hijzelf. Nu behoefde hij niets meer echt te weten.
Later, toen het jongetje al een man was geworden, heeft hij een nacht beleefd, waarin zijn kloppende hersens zich herinnerden hoe zijn moeder des avonds een dag afsloot door haar nachtkus.
* * *
De jongen liep met zijn moeder in de drukke winkelstraat, waar veel mevrouwen liepen met jongens en meisjes omdat het Woensdagmiddag was. Maar zijn eigen moeder was geen mevrouw en hijzelf was niet zoomaar een jongen, hij was degene, die alles zag wat gebeurde op straat. Er gebeurde te weinig en de jongen voelde spijt omdat hij hier moest loopen, terwijl zijn voetbalclub een | |
[pagina 67]
| |
match speelde en hij een official was, die niet gemist kon worden. Hij speelde ook wel eens linksbinnen, maar daarvoor kon een ander invallen, alleen als official had de club hem broodnoodig. Toch wist hij, dat moeder gelijk had toen ze hem meenam om te winkelen, want zijn schoolpak was werkelijk te klein en ook kon hij geen matrozenpak meer dragen op de H.B.S. Nu liepen ze dus naar den kleermaker; die woonde in deze straat, achter een hoog smal raam met gouden letters en een gouden wapen. Moeder liep vlak naast hem omdat het druk was op het trottoir, het liep prettig naast moeder, ze stapte niet zoomaar voort als de andere menschen, ze zette haar eene voet voor de andere alsof haar voeten het prettig vonden elkander af te lossen. Moeder droeg lage schoenen met een zwartzijden strikje, moeder had damesvoeten, ze waren veel smaller dan de voeten die hijzelf bewoog in stevige rijglaarzen. Hij stak een arm door moeders arm, hij was al haast even groot als zij, vader had toch gelijk, als men zoo groot werd, stond een matrozenpak te kinderachtig. Over een paar maanden zou hij zeker even groot zijn als moeder. Maar vader was nog veel grooter. En ook heel veel breeder, vader was een groote man. Hij sprak met een zware stem en lachte hard, het kon vader niet schelen dat hij lawaai maakte. Vader kon ook schreeuwen, hij had heel hard geschreeuwd tegen moeder toen ze de vioolles wilde doorzetten, omdat ze niet begreep, dat vioolles overbodig was. Vader had net zoolang geschreeuwd tot moeder opstond en den brief ging schrijven aan den | |
[pagina 68]
| |
vioolleeraar. Vader had eigenlijk gelijk, waarom moet een jongen nog vioolspelen ook? Maar Vader had niet zoo hard behoeven te schreeuwen tot moeder huilen ging. Want moeder is heel lief. Ze is altijd even lief, moeder is altijd lief, ze is nooit anders dan men haar kent. Maar vader is telkens anders, soms is hij vroolijk, dan vertelt hij gekke verhalen en soms is hij sterk, dan tilt hij een leunstoel omhoog aan één poot. Maar soms is hij vreemd, men ziet het al als hij binnenkomt, dan is zijn gezicht rood en warm en dan kijken zijn oogen over alles heen. Men kan niet weten hoe vader is buitenshuis. Vader en moeder zijn groote menschen, die zijn nu eenmaal zooals ze moeten zijn. De jongen liep nog steeds naast zijn moeder in de drukke straat. Opeens greep zijn arm steviger in haar arm. Zijn denken hield op na die laatste gedachte, toen schokte begrip in hem wakker. Dat was nieuw, hij had nog nooit zoo iets ondervonden. Hij had maar wat loopen kijken naar het gaan van zijn voeten naast moeders voeten en opeens had hij boven zijn voeten zichzelf voelen gaan, terwijl hij wist: mijn voeten dragen een mensch, ik ben ook een mensch, net als vader en moeder. Ik ben ook zooals ik moet zijn. Hij voelde een ruimte opengaan binnen in zich zelf, midden in die ruimte stond hij en zag hoe de wereld was. Overal liepen menschen op hun eigen voeten en iedereen wist zelf de reden die hem daar deed loopen, maar een ander kon dat niet weten. ‘Vreemd’, dacht de jongen, ‘maar zoo moet het wel zijn. Ieder mensch hier in de straat loopt te denken, | |
[pagina 69]
| |
van binnen loopt hij te denken, ieder denkt aan iets anders en niemand kan weten waaraan de ander denkt. Moeilijk is dat. En iedereen kijkt van binnen naar buiten, maar de dingen kijken van buiten naar binnen.’ Hij merkte opeens dat hij nu op een brug liep, naast zijn moeder, hij gaf haar nog altijd een arm. Maar er was toch iets anders geworden, hij voelde, dat hij op zijn eigen beenen liep en zijn moeder wel een arm wilde geven. De wereld werd opeens grondig anders. Nu viel hem in, dat Bob Geertsema zijn moeder geen nachtzoen meer gaf, dat had hem wel eens raar geleken, maar op dit oogenblik kon hij het begrijpen. Hij trok zijn eigen arm terug uit den arm van zijn moeder en voelde zichzelf alleen loopen. Zoo ging hij verder naast zijn moeder op zijn eigen voeten. In een groote spiegelruit kwam hij zichzelf tegemoet naast moeder en hij zag, dat zij een mevrouw was en hijzelf een jongen, een lange jongen al. Hij zag zich aankomen, hij droeg een donkerblauwe pet, daaronder had hij blond haar, dat was glad weggestreken boven zijn ooren, zijn neus was lang en smal, de neusvleugels bogen krullend naar zijn wangen. Hij keek naar zijn mond, toen ging die zich vaster sluiten, nu werden zijn lippen smalle strepen die toch rood waren. Al naderkomend ging hij zijn oogen zien, die keken terug, ze waren grijs, of misschien wel groen, thuis zou hij dat beter kunnen zien in den spiegel. Maar duidelijk zag hij dat zijn kin vierkant was. Hij keek naar zijn mond en zijn kin tot de spiegelruit | |
[pagina 70]
| |
ophield bij een groenmarmeren zuil, toen wist hij voorgoed, dat hij een mensch was, Johan Frederik de Laer. In September, als hij de dikke agenda kocht voor de H.B.S., zou hij daarin voluit zijn naam schrijven met mooie blokletters. Zoo, naast zijn moeder, alleen, liep de jongen tot aan het venster van den kleermaker, waar de grijze en donkerblauwe stoffen stonden geëtaleerd, met keurige prijskaartjes. Hij opende de winkeldeur en liet zijn moeder voorgaan. Onderwijl besliste hij voor zichzelf, dat hij een donkerblauw pak wilde hebben, een pak met drie plooien in den rug en een platte witte boord, zooals Bob Geertsema droeg. Voor een matrozenpak was hij nu voorgoed te groot.
Later, als directeur De Laer liep in die winkelstraat, ontging hem zelden de plek waar hij voor het eerst zichzelf voelde gaan boven zijn voeten.
* * *
‘De Laer!’ ‘Ja mijnheer.’ ‘Wat voer je daar toch uit?’ De jongen vond liegen omslachtig. Daarom zei hij: ‘Ik maak mijn algebrasommen, mijnheer.’ ‘Waarom maak je je huiswerk onder de les?’ vroeg het Konijn. De jongen haalde zijn schouders op. Hij was niet van plan het Konijn iets uit te leggen. Het relletje was er | |
[pagina 71]
| |
eenmaal, het moest nu maar zijn loop hebben. Hij merkte, dat de jongens die vooraan zaten, zich al gingen omdraaien; de achtersten stonden op om beter te zien, want een relletje met het Konijn was altijd loonend. De jongen bekeek het Konijn en wachtte. Het Konijn was een jong leeraar Staathuishoudkunde, die naast den persoonlijken last van een asthmatisch gestel nog den erfelijken vloek droeg van het semitische minderwaardigheidsgevoel. Zijn profiel teekende de lijn van zijn wezen in kromme lijnen en de jongens teekenden weer dat profiel caricaturaal, op de wijze der oude Egyptenaren, met het eene wijdopen oog strak starend uit het afgewend gelaat. Het arme Konijn had inderdaad donkere, uitpuilende oogen en als een van zijn asthmatische aanvallen dreigde, werden ze haast grotesk van inspanning. Die oogen en de sprietige snor boven het genepen mondje hadden hem den bijnaam bezorgd, dien hij kende en aanvaardde, omdat Konijn altijd nog beter klonk dan Pakkiesdrager, den naam waarmee een gedachteloos voorvader zijn afstammelingen had belast bij de invoering van den Burgerlijken Stand. Het Konijn leidde een moeilijk leven aan deze H.B.S., waar de deftigste families der stad hun zoons heenzonden, en alleen aan de ambtelijke rechtvaardigheid van het Gemeentebestuur was het te danken dat hij hier was aangesteld nadat hij driemaal als nummer twee had gestaan op andere voordrachten. Want de directeur der school had hem maar noode aanvaard, beladen als hij kwam met zijn naam, zijn afkomst en | |
[pagina 72]
| |
onder verdenking van anarchistische sympathieën nog daarenboven. Inderdaad was die verdenking gegrond, het Konijn was Tolstoiaan. Het had zich, na zijn omzwervingen door de economische theorieën, teruggetrokken in het paradijs van den eenvoud en de weerloosheid. Ook had hij zichzelf een klein stukje aardsch paradijs gekweekt temidden van zijn boeken. 's Middags na schooltijd opende de veelgeplaagde met zijn huissleutel dit tweede bestaan en verbleef daar gedurende de rest van den dag, onder de gelithografeerde oogen van zijn Russischen leidsman, tusschen zijn Chineesche en Indische philosofen, zwevend in een volkomen onwereldsch geluk. 's Morgens om halfnegen echter verdreef zijn kostjuffrouw hem met het boterhampakje als met een vlammend zwaard uit dit stilglanzende Eden. Zoo was het Konijn, wiens onooglijke buitenkant op dit oogenblik minachtend werd bekeken door den jongen die wachtte op zijn straf. Het Konijn, van zijn kant, keek naar den jongen, die al bijna een jonge man was, correct gekleed als een heer. Hij zag met welbehagen een rechtopgericht bovenlichaam een gestrekte borstkas en een welbesneden, langgerekt knapengezicht waarop het patriciërstype reeds scherp stond gestempeld. Hij zag een rechten fijnen neus, een vastbesloten mond, een paar koele, grijze oogen, die de waarheid aandurfden omdat ze het niet noodig vonden te liegen. Hij voelde een genegenheid opstijgen voor dezen jongen en wist tegelijk, dat de jongen nooit genegenheid zou voelen voor hem. | |
[pagina 73]
| |
Maar hij onderdrukte een gevoel van spijt en zei rustig: ‘Waarom maak je je huiswerk onder mijn les? Geef eens antwoord.’ De jongen gaf geen antwoord. De klas werd rumoerig, de leeraar tikte op zijn tafel; toen luwde het rumoer maar ging niet geheel liggen. De jongen keek om zich heen naar zijn klassegenooten, ontstemd, alsof hij hun kwalijk nam, dat ze zich bemoeiden met zijn zaken. ‘Kijk maar hierheen, de Laer,’ zei de leeraar, ‘en vertel me waarom je dit werk maakt onder mijn les. Weet je waarover ik aan 't spreken was?’ ‘Natuurlijk mijnheer,’ zei de jongen. ‘Ik heb gisteravond mijn les geleerd. Het parlementaire stelsel.’ ‘Juist. En interesseert je dat niet? Jullie, vijfde-klassers, lezen immers de krant, - interesseert mijn vak je dan niet?’ De klas werd weer rumoeriger. De jongens in de voorste banken hadden zich nu geheel omgedraaid en zaten boven op hun lessenaars, hun beenen bengelden langs de bank. Achteraan waren er een paar opgestaan en kwamen naderbij met de handen in de broekzakken. Het maakte den jongen kregel, hij voelde zich het middelpunt van een schouwspel. Hier moest een eind aan komen. De straf! Waar bleef de straf? Kortaf antwoordde hij: ‘Het vak interesseert me wel.’ ‘Waarom doe je dan ander werk terwijl ik doceer?’ Het geduld van den jongen raakte op. ‘Omdat ik me verveel terwijl u doceert,’ zei hij bits. Nu was er een eind. Nu kon de straf toch niet uitblijven. Er kwam een stilte over de jongens, ze werden oplettend. De spanning van een tweegevecht stond in de | |
[pagina 74]
| |
lucht, als vroeger om twee kampende vechtersbazen op het speelplein. Het Konijn lag onder, dat was zeker. De zware oogleden van den leeraar lieten zich even neer over zijn oogen waarachter een opkomende hoofdpijn spande. Hij had den vorigen nacht een paar uur overeind gezeten om den asthmatischen druk op zijn borst te ondergaan, gewoonlijk zat hij heel geduldig overeind, tot hij weer kon gaan liggen. Nu stond hij even geduldig tegenover de onmeedoogende houding van zijn leerling en onderging de afwijzing van zijn genegenheid. Maar hij gaf niet op. En ook eischte iets, binnen in hem, om eindelijk te mogen weten hoe zijn leerlingen dachten over hem, het Konijn. ‘Waarom verveel ik je als ik doceer? Zeg maar de waarheid.’ De neusvleugels van den jongen trokken op in minachting om de scène, die hier ten aanhoore van de klas door den leeraar werd uitgelokt. Maar hij ging spreken, als het Konijn de waarheid wilde, zou het die hebben ook. ‘U verveelt me, omdat ik niets kan begrijpen terwijl ik naar u luister. Thuis, als ik mijn les leer uit het boek, begrijp ik alles, ik zou er u niet eens bij noodig hebben. Maar als u hier op school begint uit te leggen, maakt u me in de war, hoe langer u spreekt, hoe minder ik begrijp. Straks ook. Het parlementaire stelsel. In het boek staat: De ontwikkeling der democratie. Goed, daar kan ik nog bij, de democratie gaat dus parlementair gezag uitoefenen. Maar dan komt u en vertelt me op uw manier hoe het in elkaar zit. Of liever, u vertelt hoe het niet in elkaar moest zitten. Dan wacht ik om te hooren hoe het wel moet en wat u nu eigenlijk zou | |
[pagina 75]
| |
willen. En u wilt niets. Ik hoor een hoop mooie woorden: Individualiteit - Vrijheid der Persoonlijkheid, - en vooral: Innerlijk Gezag, - Innerlijk Gezag, - ik heb het waarachtig onthouden ook, - maar ik begrijp er niets van. Wat heeft dat allemaal met de inrichting van den staat te maken? Wat wilt u eigenlijk, wat moet ik nu weten om te onthouden? Ik leer van u alleen dat eigenlijk ons boek niet deugt, - en daarin heb ik dan gisteravond een uur zitten studeeren. Daarom maak ik maar liever mijn algebrasommen dan weet ik waar ik aan toe ben.’ De klas zuchtte tevreden. Eindelijk had een van hen gezegd wat te zeggen viel, en had het goed gezegd, met stelligheid. Het was zooals de Laer het formuleerde: Het Konijn wist niet wat het wilde en daarom kon niemand hem begrijpen. De klas zweeg, opgelucht, alsof ze allen tezamen het Konijn knock-out hadden geslagen. De leeraar leunde achterover in zijn stoel. De klas wachtte in stilte. Toen zag de leeraar, dat de klas iets verwachtte, een antwoord of een straf. Maar hij had nog niets voor haar klaar, geen antwoord en geen straf, omdat ook hij het gevoel had, dat hij ergens lag buiten bewustzijn. Er doken woorden in hem op: ‘Erkennen das Nicht-Erkennen ist das Höchste.’ - Was dat het antwoord? Neen, dat was Lao-Tse, maar hoe kwam die hier op school? In de klas rees een gemurmel dat aanzwol, toen gingen zijn oogen weer zien. Er werd gewacht op een antwoord of een straf, en hij zocht naar een antwoord, maar de hoofdpijn spande om zijn hersens, dus greep hij de straf. | |
[pagina 76]
| |
‘Dank je voor je inlichtingen, de Laer. Ga nu maar naar den directeur en zeg hem, dat ik je uit de klas heb gezet omdat je ander werk deed onder mijn les.’ De jongen stond op. Zoo in zijn volle lengte gezien, was hij al een heer, de vouw van zijn pantalon teekende scherp en recht geperst boven zijn bruine molieres. Hij liep door tusschen de banken waar de andere jongens hem lawaaiig tegen wilden houden. Bij de open deur keerde hij zich naar den leeraar die nog altijd achterover leunde in zijn stoel, en zei met een koel glimlachje: ‘We kunnen blijkbaar toch niet buiten het wettig gezag, mijnheer Pakkiesdrager.’ De leeraar dook dieper in zijn stoel. De jongen zag het, - toen sloot hij voorzichtig de deur achter zich en ging zijn straf ontvangen.
Later heeft Mr. de Laer vele malen den zegepraal zijner opvattingen beleefd, maar nooit heeft hij vollediger zijn triomf genoten dan op dien schoolochtend, toen hij den onooglijken leeraar verder zag wegzakken in diens stoel.
* * *
Waar de huizen vaneenweken was het einde van de straat, daarachter lag nog het weiland. Al den tijd dat de jonge man liep van het begin der straat naar het einde, wist hij dat straks de huizenrij zou ophouden en dat daarachter het weiland lag waar het hooge gras zacht moest wezen en geurig. De straatlantaarns stippelden lichtjes langs twee lange, rechte lijnen die elkaar aan het verre einde bijna raak- | |
[pagina 77]
| |
ten; daarboven teekenden de gevelspitsen grillige strepen tegen een doorzichtigen groenblauwen avondhemel. De jonge man keek omhoog en zag, hoe de zomerdag die voorbij was, nog hing uit te gloren in te lucht. Hij vertraagde zijn stap, omdat het eerst heelemaal donker moest wezen voor deze zomeravond begon. Zoo naderde hij slechts langzaam het verlichte wachthuisje, dat ver weg, voorbij de laatste lantaren, het eindpunt der tramlijn markeerde. Hij slenterde maar wat langs het trottoir en speelde met zijn schaduw. Bij iedere lantaren, in het volle licht, kromp zijn schaduw ineen tot niets, maar zoodra hij buiten den lichtkring trad binnen het duister, dat toenam tot de volgende lantaren, gleed zijn eigen ongrijpbare schim om zijn voeten heen en liep hem vooruit als een speelsch dier. De jonge man speelde een spel met zijn schaduw omdat hij geen ander gezelschap had. Zijn schoolkennissen had hij achtergelaten na het eindexamen van de H.B.S. toen was besloten dat hij rechten zou studeeren en dus eerst Staatsexamen moest doen. Nu had hij daarvoor een jaar lang thuis gewerkt, al dien tijd alleen zitten werken in zijn kamer en nu was hij dan eindelijk ingeschreven als eerstejaars, maar eerst moest hij nog door den groentijd heen. Aan den groentijd dacht hij met een lichten afkeer, omdat hem dan allerlei gezelschap zou worden opgedrongen, maar toch lokte het hem ook wel aan om weer eens tusschen andere lui te zijn. Zijn vader en moeder waren er natuurlijk nog wel, maar zijn vader was - eigenlijk - slecht gezelschap en zijn moeder was de liefste dame die hij kende maar men kon haar geen gezelschap noemen. | |
[pagina 78]
| |
Zoo liep hij nu alleen met zijn schaduw langs de portieken en vensterbanken, telkens binnen en buiten het licht der lantarens, tot het einde der straat naderbij kwam en hij de lantarens zou kunnen tellen als hij wilde. Het wachthuisje stond daar ook, het was helder verlicht, hij onderscheidde daarbinnen al een oranje aanplakbiljet en tegelijk zag hij het blauwe hoedje van Francientje. Meteen wist hij weer, dat hij dezen heelen vervelenden slentergang door de stille straat had gemaakt, omdat Francientje tegen halftien uit de huishoudschool kwam en omdat ze had beloofd dat ze zou wachten. Wonderlijk dat hij daarnet niet meer had gedacht aan Francientje. En hij was nog wel op weg naar haar toe! En ze had gezegd, dat ze nog best een half uurtje met hem kon loopen! Het was prettig om te loopen met Francientje, Francientje was gezellig. Ze was werkelijk goed gezelschap, ze kon luisteren en lachen; zelf zei ze ook wel eens aardige dingen en soms praatte ze heel verstandig, maar meestal keek ze toch omhoog en luisterde of lachte. Aardig, zoo'n meisje, dat omhoog kijkt en lacht. Francientje had mooie, lieve oogen, het was plezierig om daarin te zien, om voorover te buigen tot zijn eigen oogen terugspiegelden in de hare. Francientje vond dat ook plezierig, hij kon aan haar zien wanneer ze verlangde, dat hij zich bukken zou om zichzelf te zien in haar oogen. Francientje was een gezellig kind. Hij kon nooit aan haar merken of ze in haar betrekking een drukken dag achter den rug had; als ze bij hem was, lachte ze en | |
[pagina 79]
| |
was blij of ze den heelen dag in de zon had geluierd. Maar natuurlijk was ze dan blij. Omdat ze bij hem kon zijn. Hij keek omhoog en zag dat nu de avond was gevallen. De lucht was leeggebrand en het duister zakte al over de geveltoppen. Hij ging haastiger loopen, nu waren het nog maar een paar stappen, toen stond hij voor den glazen zijwand van het tramhuisje. Daarbinnen stond Francientje, maar ze zag hem nog niet, ze keek oplettend naar de trams die voor het huisje stopten, of hij niet zou uitstappen. Hij kon Francientje goed bekijken zoo, ze was werkelijk lief, - een schat van een meid zou vader zeggen, maar waarom dacht hij nu aan vader? Francientje was een meisje, een alleraardigst meisje. Van haar bruine krullen kon hij niet veel zien, door het hoedje, maar het rose tipje van haar oor kwam net onder het hoedje uit. De fluweelen zachtheid van dat oortipje hervoelde zich op zijn lippen, die het hadden gekust. Toen zag hij haar zachte ronde schoudertjes, die kende hij ook, als hij zijn arm om haar heenlegde, paste de ronding van haar schouder met het dunne zijden blousje net in de holte van zijn hand. Hij stond voor den glazen wand te kijken naar het meisje, naar al de warme zachte rondingen van haar buigzaam lijf, dat nu stil en gespannen stond te wachten of hij nog niet kwam. Hoe moest dit verder gaan? Hij en zij, het was tot dusver heel gezellig geweest om te wandelen en zoo'n beetje verliefd te doen samen, het was vooral zoo'n heerlijke rust geweest na al dat ploeteren en blokken | |
[pagina 80]
| |
voor het Staatsexamen en de nachtmerrie van die vervelende oude Romeinen. Maar er behoorde toch meer hierbij, hij voelde het, ook aan haar; haar heup raakte zijn heup als ze gearmd samen wandelden. Bob Geertsema had al een vast meisje toen hij in de vierde klas van de H.B.S. zat. Nu was er weer een tram voorgereden waarin Francientje hem niet vond, hij kon zien hoe haar mondje trok. Waarom stond hij eigenlijk hier in de verte naar haar te kijken? Hij stapte in het licht voor den ingang van het huisje en zag hoe de wangen van Francientje rood werden onder het blauwe hoedje; toen kwam ze naar buiten. Het was nu wel heelemaal donker, er scheen ook geen maan. Ze stapten terzijde, en naast het huisje nam Francientje zijn arm. Het was grappig, dat ze zelf zijn arm nam, dat had ze nog nooit gedaan, maar ze had zeker al lang staan wachten. Hij keek langs haar neer en gaf haar zachten ronden arm een klein drukje; toen keek ze omhoog en lachte. Haar mondje was half open, zijn lippen moesten het sluiten, en opeens was al de warme zachtheid die hij kende van vorige avonden, weer om hem heen. Zijn mond liet haar mond los, maar de zachtheid bleef. Uit die warmte en die zachtheid keken ze samen de straat in naar de huizen die veraf stonden, de straatlantarens rekten hun lichtlijnen wel ergens heen, - maar dat was de stadsdrukte, - hun oogen lieten de straat en de lantarens los. Zoo stonden ze en zeiden niets. In den arm van den jongen man lag de arm van het meisje, dat willig wacht- | |
[pagina 81]
| |
te welken weg hij kiezen zou. Over hun hoofden ademde de zomeravond den machtigen geur van het weiland, den geur van koeien en honing en bloeiend gras. Het weiland moest daar liggen, ergens, achter de laatste huizen, het moest overal liggen, heel diep in het schemerig duister waarboven de eerste bleeke sterren opengingen, - maar ze wisten niet of naar het weiland een weg was. De lucht en de sterren hingen te hoog, daar was zeker geen weg. De lantarens stonden op een rij langs den vervelenden geplaveiden weg en gaven een licht, dat hinderlijk verlichtte. Ze keerden zich weg van de lantarens en gingen loopen. Ze liepen in elkanders warmte en de jonge man legde zijn arm om het meisje, om de warmte van haar nabijzijn dat gevat kon worden. Zooals hij straks had geloopen, leeg van zichzelf, verdiept in het spel van zijn schaduw, zoo liep hij ook nu, even ledig, opgenomen in een warmte, die bij hem behoorde, die om hem was en om al het andere. Waarheen liepen ze? Er was geen weg meer waar ze liepen, ze daalden al langs een zandberm. Hij steunde het meisje, dat ze niet glijden zou langs de helling, vast lag zijn arm om haar heup, dat ze zoo, tegen hem geleund, tegelijk met hem zou binnengaan in het diepe donker, en zij, zonder iets te zeggen of te vragen, zonder dat haar lichaam weifelde in zijn arm, liet zich leiden tot in het lage geurige weiland, dat had liggen wachten achter den huizenrand. In den laten avond, bij het afscheid voor haar woning vroeg het meisje maar één vraag: | |
[pagina 82]
| |
‘Kom je morgen weer?’ De jonge man bukte zich en kuste het zachtste van alle zachte plekjes die zijn lippen aan haar hadden ontdekt, het fluweelen kuiltje van haar hals. Toen richtte hij zich op, rekte de armen en antwoordde: ‘Morgen? Er is geen morgen. Ik geloof pas aan morgen als ik morgenochtend wakker word.’
Maar toen Mr. Johan de Laer, directeur der Hollandsche Bankvereeniging, op den morgen van zijn huwelijk den gladden ring schoof over den fijnen witten vinger van freule Dix, zijn bruid, zag hij plotseling in een helverlicht, felbewust moment, dat hij trouwde met de verkeerde vrouw.
* * *
Johan de Laer, student in de rechten, stond op den drempel van de eetkamer in zijn ouderlijk huis. Achter hem wilde iemand de deur sluiten, dus deed hij een stap naar voren, de kamer in. Toen sloot zich de deur. Maar de kamer hield hem tegen. De kamer was zwart, een onbekend dofzwart hing en stond in de kamer, de vochtige, zwarte nacht van daarbuiten had zich gedrongen in de kamer die hij zoo niet kende. De kamer was anders, ongedacht anders, nu door een zwartkrippen nevel twee verduisterde lampen schenen boven het vreemd langwerpig meubel, dat stond waar de tafel behoorde te staan. De student kneep zijn handen dicht in de zakken van zijn regenjas die nog nat om hem hing. Hij hoorde zich ademhalen en sloot de oogen, - het was te stil in deze | |
[pagina 83]
| |
kamer, waarom was hier niemand anders die ademde? Vlak achter de dichte deur, in de gang, hoorde hij gedempte stemmen, - moeders stem en het haastig gefluister van de dienstbode, die hem had binnen gelaten. Nu raakte iemand aan de deurknop, hij keek om, - de angstig vorschende oogen van zijn moeder zochten over zijn gezicht. Ze wilde binnenkomen, maar hij weerde af, fel en haastig wees zijn hand haar terug, - geen ander hierbij, dit was voor hem, om alleen mee te zijn. Weer sloot zich de deur, alsof ze zichzelf in het slot drukte. En weer hield de kamer hem tegen. Zijn voeten stonden op den rand van het dikke vloerkleed, waarop in het midden de tafel moest staan, maar de tafel stond daar niet. Het andere was daar neergezet. En de afstand tot het andere was onoverkomelijk. Toch had hij twee dagen lang gereisd, van Florence naar dit huis, om tot het midden van deze kamer te gaan. Maar nu wilden zijn voeten hem niet verder brengen dan tot den rand van het vloerkleed. Hij fronste de wenkbrauwen, zijn vuisten knepen vaster ineen. En hij vloekte, binnen in zichzelf vloekte hij, - ‘verdomd - ik moet het zien, ze hebben het daar toch neergezet om gezien te worden, - en ik sta hier toch om het te zien.’ Over de leegte van het vloerkleed dwong hij zijn oogen verder tot aan de zwarte doeken, die gespreid lagen langs den voet van de hinderlijke stellage, en toen van den grond opwaarts tot aan een grens waar dof eikenhout drukte op den duisteren plooienval. Maar aan die | |
[pagina 84]
| |
grens perste een overmachtige afkeer zijn oogen terug, ze lieten los, dwaalden af, zochten rond om hulp, - dit was de eetkamer, waarom was die kamer zoo theatraal behangen, waarom kon de kamer niet blijven zooals ze was, - waarom konden de dingen niet blijven zooals ze waren? Achter de deur, in de gang, ritselden kleeren, een hand gleed tastend langs de deurknop, die werd neergedrukt, - in één stap was hij bij de deur en draaide den sleutel in het slot. Nu, onherroepelijk alleen met dat wat gezien moest worden, keerde hij zich met een ruk naar het midden van de kamer. Hij wilde zien, hij verwachtte den aanblik en zag. Onder de omfloerste lampen strekte de doodkist zich lang op zwartbehangen schragen. Onwezenlijk lang was die kist, - zonderling, dat een mensch zoo lang bleek te zijn, als hij plat was gelegd omdat hij dood was. Een dood mensch. Hier in de eetkamer. Vader? - neen over vader ging het nu niet, - dit was een lijk, en hij had nog nooit een lijk gezien. Zijn handen in de zakken ontspanden zich, zijn voeten deden drie groote schreden voorwaarts, hij stond naast de kist. Daar botste zijn blik tegen het starre lijkengezicht, - de felle schok trilde na in zijn hart, het doode gezicht was toch: vader. Het werd allereerst - vader. Vader! Vader, die er altijd was geweest, groot en noodzakelijk, het rumoerig, onbegrijpelijk deel van de wereld, vader, | |
[pagina 85]
| |
die twist beteekende in huis, en angst, en ook avontuur en overdaad. Vader, die nu stijf lag als een bevroren ding. Hij boog zich over de kist. Zijn oogen hadden al het andere verloren, hij boog zich en keek, - dit moest gezien worden, twee dagen lang had hij gereisd om dit te zien. De wond. Waar was de wond? Hij zocht, - ‘voor het hoofd geschoten’ had de meid huilend gezegd, het hoofd moest het zijn, waar was de wond? Toen zag hij boven het oor een kleine, vernielde zwartgeschroeide plek, nog juist zichtbaar buiten den witten doek. Juist, - nu was het gezien. Dit was dus het einde van vader. De kleine schotwond boven het oor - en stilte. Vreemd, - vader, die stil was geworden. Hij richtte zich op. Beneden hem, nauw afgepast binnen de eiken wanden lag het groote lichaam, dat had geloopen en gezongen en gevloekt en geheerscht binnen het huis, het lichaam waarvoor hij vroeger zoo vaak bang was geweest omdat het rook naar drank en te veel plaats innam, en omdat het roode hoofd zoo vreemd veraf bleef. Ongelooflijk. Dit platgelegde lichaam was vader, die stil was geworden. Vader, die de kamer op en neer liep als in een kooi en twistte om antwoord te krijgen van moeder; vader, die fel praatte en gebaarde aan de telefoon en driftig neersmeet als de zaken tegenliepen, vader, die paarden kocht en zelf reed in het park, vader, die in zijn vestzak | |
[pagina 86]
| |
graaide en geld kon geven, - vader waarop hij wel eens, een enkele maal, trotsch was geweest.... Een weeë pijn drong naar zijn keel. Opeens voelde hij zich zitten op een laag bankje tegenover de groote handen van vader, die met vlugge wendingen een vlijmscherp zakmes dreven door het stukje kachelhout, waaruit een paardje ontstond voor zijn oogen. Het paardje, dat jarenlang op zijn beddekastje had gestaan. Hij was er heel trotsch op geweest. Trotsch? Zijn lippen klemden zich opeen, zijn keel slikte iets terug. Hij zag neer op het breede, verstarde gezicht waarin de paarsblauwe oogleden pijnlijk wegzonken als naar binnen geslagen builen; hij zag het witte laken spannen over den opgezetten buik. Trotsch? Dit hier had vader van zichzelf overgelaten, - dit was voor moeder en voor hem om op te ruimen: - deze kist, die vader had gevuld met zichzelf. Tot het laatst moest hij stoornis zijn in huis, - moest hij anders zijn dan andere vaders. Zelfs nu hij stil was, lag hij daar en toonde schaamteloos zijn driftige onredelijkheid uit de donkere wond boven zijn oor. Tot het laatst. Tot hij zich liet wegdragen. De student boog zijn hoofd diep over de kist, zijn haar viel over zijn oogen, hij streek het achteruit. Een diepe rimpel sneed zich tusschen zijn wenkbrauwen en zijn blik werd scherp, nauwkeurig bekeek hij den loodblauwen kring om de kleine geschroeide kern. Toen richtte hij zich weer omhoog. Dit was dus het einde van vader. Ja, - en van hemzelf het begin. Heel duidelijk voelde hij zich staan aan zijn eigen begin. | |
[pagina 87]
| |
Achter hem lag een verwarde massa van gebeurtenissen, die hij wel eens had beleefd. Maar voor hem uit lag een rechte, scherpe, oneindig beteekenisvolle lijn. Juist, nu moest hij denken, hier bij vader. Hij had het denken uitgesteld, twee dagen lang, in den trein, had hij het steeds weer uitgesteld, - maar nu moest er worden gedacht. Zijn oogen hechtten zich aan de stijfgeplooide witte strook van het doodskussen, zijn gedisciplineerde hersens van ouder juridisch student gingen feiten verzamelen en stalden ze voor zich uit. Een failliet? - Juist. Als het dat was, behoorde eerst de financieele toestand te worden onderzocht, of het failliet nog kon worden ontgaan, of er een schikking mogelijk was met de crediteuren, - oom de Laer zou misschien helpen nu vader er niet meer was om opnieuw den boel te vergokken. Ja, de gok, dat moest het zijn geweest. Zijn hersens werkten scherp en helder. ‘Morgen moet ik oom de Laer schrijven en met den boekhouder spreken, ze moeten maar helpen.’ Er moest worden gehandeld, zelf zou hij handelen en ingrijpen, een bijeenkomst van crediteuren voorbereiden. Zijn oogen zagen omhoog, boven de kist vonden ze onder het zwarte floers de lichtkern van een gloeilamp. Starende in het schijfje gedempt licht zag hij wat moest gaan gebeuren in die crediteurenvergadering, hij hoorde zich spreken, hij voelde zich gebaren. Opeens greep een kille angstkneep in zijn hart. Hij zag | |
[pagina 88]
| |
zich staan tegenover gezichten van menschen die keken, die hem aankeken met koele, minachtende blikken, hij voorvoelde het vernederend overwicht der benadeelde zakenheeren. In hetzelfde oogenblik wist hij, dat hij nog maar een student was, te jong, en zonder ervaring van geldzaken, en voelde, dat hij niet zou kunnen spreken, omdat hij zich zou moeten schamen. Schamen? Een koude woede zwol in zijn hart. Schamen? Nooit had hij zich nog geschaamd, voor niemand. Nooit had hij iets gedaan, nooit had hij iets willen doen waarvoor men zich had te schamen. Altijd had hij zijn houding bewaard, gestaan tusschen zijn kennissen, zijn medestudenten als een vrije, een die zich niet bond aan een oordeel of aan een zonde of aan een mensch, - of hij alles kon loslaten als hij wilde, - waarom had deze doode die geen antwoord meer gaf, schaamte op hem gestapeld, deze zware schaamte, die hij dragen moest tegen zijn wil? De rechtstandige groef tusschen zijn wenkbrauwen sneed zich dieper in. Zijn oogen doorzochten, met harden, vijandigen blik het doode gelaat, lieten zich niet langer binden aan de schroeiplek, - en vonden den breeden, slappen mond, de zware lippen, nog vol en vleeschelijk, hoewel ze vertrokken spanden om de tanden. De begeerige mond van den dooden man riep een gedachte wakker. ‘De meiden!’ Natuurlijk. Het kon ook een vuile meidenhistorie zijn. Daaraan viel niets meer te redderen. Vader kon immers nooit van een meid afblijven, - hij greep naar iedere rok. | |
[pagina 89]
| |
Een langgedoofde herinnering vlamde plotseling op en joeg opnieuw haar heete, verwarde angst over hem heen. Vader met Johanna. Toen hij op zolder speelde. Johanna had haar kamertje ook op zolder, er was alleen maar een plankenwand tusschen den zolder en het kamertje en er waren veel kieren tusschen de planken. Maar hij had er toch nooit aan gedacht om door die kieren te kijken als hij op zolder speelde. Tot den middag, toen hij Johanna zoo gillerig had hooren lachen in haar kamertje, en iemand anders fluisterde, dat ze stil moest zijn. Nog voelde hij den stommen, duizeligen schrik, omdat Johanna, die gesteven japonnen droeg, nu op schoot zat bij vader in een dun hemd, dat afzakte. En omdat hij opeens alles zag. Die brandende herinnering, die hem maandenlang had gepijnigd! - Maar later was het overgegaan. Alleen het vuile gezicht van vader, dat had hij nooit meer kunnen kwijtraken. Het gezicht van vader was altijd zoo gebleven. Het had hem niets verwonderd toen hij het verleden jaar net zoo had zien kwijlen boven de geverfde typiste in het privékantoor. Het roode, opgezette, zweetende gezicht, - bah. Het groote liggende lichaam zwol onder zijn oogen, werd een vies walgelijk ding, voor het eerst merkte hij, dat men het kon ruiken. Hij trad een stap terug, hij wist weer achter zich de deur, en dat moeder daar wachte. Nu moest hij maar heengaan en vragen wat het was geweest. Maar de meiden, - daarnaar kon hij toch moeder niet vragen!.... | |
[pagina 90]
| |
- Daarnaar zou hij niemand kunnen vragen. Niemand mogen vragen.... Plotseling, in een rilling, voelde hij zich aan zichzelven ontvallen, verloor hij zichzelf, alles wat hij was, in den ijzig stekenden storm van woede, die hem voortblies. Een koude drift perste pijnlijk zijn krimpend hart ineen, een woeste, wanhopige wil drong omhoog en balde zich ijzerhard in zijn vuist. Met een sprong stond hij weer naast de kist en duwde zijn verknepen knoken voor het starre lijkengezicht. ‘Ploert! Plebejer! Waarom heb je het gedaan?’ Hij hijgde. In de ondraaglijk persende spanning van woede en vrees voorvoelde hij den doffen stomp, dien hij stooten zou als niet het antwoord kwam. Maar het kwam niet. Alleen zag hij plotseling in een schelle flits zijn eigen roode, levende vierkante vuist tegen het gele, roerlooze wasgezicht. Hij staarde op de vuist, - was dit zijn hand? - de vuist ging los, werd weer deel van zijn arm en viel slap langs zijn zij. Schuw gleed zijn blik over het doodenmasker of het nog een antwoord geven zou, hij voelde dat het nog antwoorden zou en hem murw maken. Maar het bleef roerloos. Alleen kroop langzaam een gedachte in hem omhoog, ze greep zich verder met kleine hakende klauwtjes tot ze in zijn hersens woorden zei: ‘Je bent zijn zoon, Je kunt je ook niet beheerschen.’ De woorden klonken na, ze herhaalden zich, ze gingen dreunen. Met gebogen hoofd doorhoorde hij de woorden zijn oogen bezagen de hand, die een vuist was geweest. Zijn adem hield zich beklemd terug, want bij iedere ademhaling drong nu de vunzige lijkenwalm op hem toe. | |
[pagina 91]
| |
Daar klopte iemand aan de deur. De stem van zijn moeder riep hem, ze riep ‘Johan!’ en nog eens ‘Johan!’ Of ze bang was. Toen, in één machtig overwinnend oogenblik zoog hij zijn longen vol met de bedompte lucht om hem heen, zijn neusvleugels spanden zich, hij rook en proefde de afschuwelijke atmosfeer, hij wilde ze proeven. En hardop, kort, afgebeten, gaf hij zichzelf het antwoord. ‘Toch wel. Ik kan willen. En denken.’ Nog eenmaal vestigde zich de scherpe, vorschende blik van den student op den dooden man, geen trek van het verstijfd gelaat, geen nuance van het vaalvlekkig doodenmasker ontging hem, - toen zonk alles weg diep beneden hem tot onverschilligheid. Hij trok zijn natten regenjas uit en bedacht onderwijl: ‘Ze hebben de kist te lang opengelaten, - morgenochtend pas de begrafenis, waarom laten ze dat zoo lang open? die vlekken worden al bruin, - ach, natuurlijk, ze hebben het opengelaten voor mij, - om te zien.’ Nu had hij dus gezien wat gezien moest worden. En wist wat hij weten moest. Dit was dus het einde van vader. - En zijn eigen begin, - Toen hij de deur ontsloot voor zijn moeder zag die het allereerst de rechtstandige lijn tusschen zijn wenkbrauwen, die daar nog niet was geweest. Ze strekte de handen omhoog naar zijn hoofd om het te troosten. Maar hij keek over haar heen en bukte zich niet, wel sloeg hij zijn arm om haar schouders en streek over haar haren. Dit alles gebeurde in een anderen tijd. | |
[pagina 92]
| |
Maar vele jaren later, in onzen tijd, toen de dochter van Directeur de Laer haar vader de gebroken oogen had gesloten, streek haar voorzichtige vrouwenvinger langzaam langs de diepe verticale groef, die een wreede snede kerfde dwars over het doode voorhoofd, tusschen de wenkbrauwen. En zich bukkende, kuste ze erbarmingsvol het diepgegrifte merkteeken van een hoogmoedigen menschelijken wil. |
|