Het oogenblik
(1935)–Marianne Philips–
[pagina 147]
| |
[pagina 149]
| |
Zij loopt langs de huisdeuren en telt ze. Dertig, veertig, vijftig. Dan moet ze ophouden. Er zijn geen huisdeuren meer, er is alleen nog zand en kaalgetrapt grasland. Nu steekt ze over naar de andere zijde van de straat. En telt terug, dertig, veertig vijftig, vierenvijftig. Juist. Dan staat ze weer op den anderen hoek van de straat, aan de Prinz Eugenstrasse waar de lange leege tramrails ligt. Daar houdt ze op met tellen, want haar oogen hebben in de verte een punt gevat waarop ze af kan gaan: den koepel van de Karlskirche. Langs de heele lange rechte straat hoeft ze nu niets meer te tellen, nu kan ze zoomaar loopen. Tot den koepel van de Karlskirche. Loopen, loopen. Misschien zijn er wel menschen op het trottoir die haar tegemoetkomen, maar zijzelf komt niemand tegen. Ze loopt en loopt alleen te zien hoe de koepel van de Karlskirche grooter wordt. Achter haar loopt de kleine hond. Het Pekineesje dat haar in doodsangst narende toen de Hausmeister het wou opvangen en dat dus nog bij haar hoort. Ze weet heusch nog wel een beetje dat de Pekinees er is, zijn belletje is blijven rinkelen, stellig zou ze het hooren als dat belletje niet langer rinkelde. Het klepelt kleine zilveren toontjes, altijd en altijd dezelfde, de Pekinees zou nergens anders kunnen zijn dan achter haar hakjes waar hij thuishoort. Ze kijkt niet om, de koepel van | |
[pagina 150]
| |
de Karlskirche ligt voor haar uit, ze moet blijven loopen. De Prinz Eugenstrasse is lang, eindeloos lang voor hooge, spitse hakjes op een stoffigen heeten Julidag. Heel Weenen is heet en stoffig, een gloeiendgeblakerde vuurplaat onder aan den Wienerwald die alle waaiende frischheid tegenhoudt. Men moet op heete dagen natuurlijk ook niet in Weenen blijven, men kan een Strandbad opzoeken of den top van den Kobenzl. Eigenlijk moet men ook niet loopen, men kan een auto nemen die zachtjes tuft langs de Grinzinger allee en verder tot in de koele, ritselende loofbosschen. En men moet heelemaal niet op spichtige hakjes in een lange satijnen japon op het trottoir van de Prinz Eugenstrasse loopen, met een koddigen Pekinees als eenig begeleider. Bezirk IV is een buurt voor middelhooge ambtenaren die alle op elkaar gelijken, rechtop, katholiek, goed geschuierd. Maar zij, Louise, is daar ook zoomaar terechtgekomen omdat ze steeds moest voortloopen. Ze kan toch niet een Kaffeehaus binnengaan als ze niets anders dan een kanten zakdoekje heeft in het avondtaschje dat bij de lange satijnen japon hoort. Franz heeft het geld, hij heeft altijd geld in zijn vestzak, hij betaalt, hij betaalde vannacht juist de taxi toen hij werd gearresteerd. Daarna stond opeens de heele wereld stil, toen Frans weg was, bleef er niets over. Den sleutel van het flatje wilde de Hausmeister niet meer afgeven eer de huur was betaald, hij heeft ook woedend gescholden omdat de politie hun kamers moest doorzoeken. Louise is bang voor woedende menschen, ze is maar gauw door den Hof weer het huis uitgeloopen, het was toen nog niet | |
[pagina 151]
| |
heelemaal licht, maar nu is het natuurlijk vreemd en moeilijk dat ze geen andere kleeren heeft dan die waarin ze vannacht thuis kwam. Daardoor loopt ze nu om drie uur in den namiddag langs de Prinz Eugenstrasse in een zeegroen satijnen soireejapon, en wat het vreemdst is, ze weet niet eens meer heel zeker dat het vreemd is. Ze loopt ook al van vijf uur 's morgens, eerst liep ze in Meidlingen waar Franz het flatje had, toen door Mariahilf, maar nu is ze in Wieden. De koepel van de Karlskirche is nu heel dik en rond boven haar, men kan de groenkoperen platen tellen. Hij is te groot en te echt en te dikbuikig en, mijn god, waarom moet alles toch altijd geteld worden? ‘Ik tel niet meer,’ denkt Louise maar dan weet ze al dat de onderste rand van den koepel aan deze zijde tweeëntwintig koperen platen breed is. ‘Nu loop ik door het park’ denkt ze verder, ‘dan kan ik van den anderen kant de rest tellen’. Het is heel aangenaam dat ze weet waarheen ze nu gaat loopen. Naar de overzijde van het park. In den Belvederegarten ziften menschen op de ijzeren huurstoeltjes. Neen, niet de vreemdelingen en de deftige menschen van den Burggarten en ook niet de gezellige nietsdoeners van het Stadtpark. De ambtenaarsvrouwtjes die haar vaat hebben gewasschen, passen er op haar kinderen en het meisje dat Kringels verkoopt, heeft zich maar op de punt van een stoeltje bij hen durven zetten, straks als de stoelenverhuurster komt, is ze alweer opgestaan. Zij allen zien hoe Louise voorbijgaat in haar zeegroene modeljapon op hooge zilveren hakjes, en hoe de Pekinees zijn zwartbruin neusje richt tusschen haar twee slaapwandelende | |
[pagina 152]
| |
voeten. Als ze voorbij is gegaan, zeggen ze niets, ze kijken elkaar niet aan en halen ook niet hun schouders op. Men mag in Weenen wel zoo rondloopen in zijn eigen kleeren en in zijn eigen gedachten. Maar natuurlijk mag ook ieder ander het zijne erbij denken. De Belvederegarten heeft een begin en een einde. Louise staat alweer aan het andere hek. Daar is de Rennweg, ze ziet de taxi's voorbijrazen en nu weet ze opeens weer overduidelijk dat Franz door de Kriminalpolizei is meegenomen in een taxi en dat zij dus geen bed meer heeft om in te slapen. Het is een vreemd gevoel dat Franz niet meer terugkomt, neen zeker niet meer terugkomt, want hij krijgt minstens een paar jaar zegt de Hausmeister, en dat is vreemd als men een jaar met een man heeft geleefd die de eenige man was tot dusver. Maar het is nog vreemder dat ze nu geen bed meer heeft om in te slapen. Een bed met diepe donzen kussens en dikke veeren onderbedden, het eenige vaste in het bed is Franz, aan hem kan ze zich vasthouden. Louise heeft altijd een bed gehad, natuurlijk, een bed is iets dat bij ons hoort zooals ons hemd of onze huid. Een bed is er altijd. Er was een klein wit bedje, dat was het eerste, daarin heeft ze voor het eerst gezien dat haar tante die haar dichtdekte op Asschepoes leek, en later, altijd, altijd was er een bed, eerst nog in het pensionnaat en toen in alle hotels waar ze aankwam met haar tante, die eigenlijk haar moeder was. Als men geen bed heeft, waggelt de wereld en gaat draaien tot men duizelig wordt van angst. Louise's tante die natuurlijk haar moeder was, is gestorven aan | |
[pagina 153]
| |
dien angst om geen bed meer te kunnen vinden, ze heeft zich opgehangen in het Casino waar haar Wiener damesstrijkje al te onbarmhartig werd uitgefloten. Maar Louise heeft tot dusver nog altijd een beetje toekomst en een bed gehad. Zelfs toen Franz haar meenam uit dat hotel waar ze haar tante (die toch haar moeder was) zoo vreeselijk vreemd had zien bungelen aan een balk, was er 's avonds in Weenen weer een bed geweest, natuurlijk met Franz erin. Dat kon toen niet anders, ze was ook al zestien. Och ja, er is tot dusver altijd een bed geweest om in weg te kruipen en te slapen. Men moet overdag liever niet in een satijnen soireejapon langs den Rennweg loopen, dat weet Louise nog wel, terwijl ze voor het parkhek een stukje grint loswoelt met de punt van haar zilveren schoentje. ‘Ik loop weer terug’ denkt ze en bergt zich voorloopig in de berceaux van den Belvederegarten. Het is niet zoo gemakkelijk om alle stammetjes tusschen de takken van de berceaux te onderscheiden, maar ze let goed op en dus blijken er honderdvierenzestig kleine beukenstammetjes aan de eene zijde te staan, nu kan ze ook weer terugtellen langs den anderen kant, het komt niet uit, er zijn daar drie minder en dat is jammer. Uit de verte galmt een torenklok vier slagen. Het is zomer, dan wordt het pas donker tegen achten, en voor twaalf uur gaat niemand naar bed op deze zwoele zomeravonden, dan pas is er geen bed. De seringen zijn al lang uitgebloeid maar de jasmijn geurt nog. Nu staan in Schönbrunn de oranjeboomen buiten, honderden stammetjes vol glimmend- | |
[pagina 154]
| |
groen blad en geurende witte oranjebloesem; de witte kuipen zijn gerangschikt om het rondpoint. Men kan in Schönbrunn veel langer blijven loopen dan in den Belvederegarten, men kan er kleine beschaduwde zigzagwegjes opgaan naar de Gloriette en afdalen fusschen hooge boomgroepen die op een woud lijken, men kan er zelfs dwalen en leunen op een arm wanneer de weg moeilijk wordt, Franz heeft stevige armen. Franz is wel lief, zijn haar ruikt naar lavendelwater en sigaretten, het is vreemd dat hij er niet meer is, waarom mag men de menschen niet een beetje roulette laten spelen als ze het toch zelf willen? Franz is vaak heel gewoon en vriendelijk, hij geeft wel eens geld voor de huur of voor kleeren en hij zoent niet ruw. Schönbrunn is te ver, daarheen kan men niet loopen maar het is jammer dat hier in den Belvederegarten geen oranjeboompjes staan. Oranjebloesems zijn voor de dooden maar bruiden dragen mirtebloesem, en om de landauers waarin de kleine confirmanten rijden, hangen slingers van witte tulle en mirtenguirlanden. O de paden van den Belvederegarten loopen moeilijk, al stijgen ze niet. Louise heeft het opgegeven om te tellen, de heliotropen en de begonias in de bloemranden te tellen. Ze telt niet meer, ze denkt niet meer, ze kan alleen nog maar zien en loopen. Loopen op moede heete voeten in nauwe dansschoentjes en zien: oranjebloesem en de twee handen van Franz aan den deurstijl en het booze gezicht van den Hausmeister en dan een witte kring op den huisdeur van het flatje die daar altijd is geweest, al een jaar lang. Zien, allerlei dingen die er | |
[pagina 155]
| |
eigenlijk niet zijn en die ze ook niet denkt maar die in een leege ruimte staan achter haar oogen. Intusschen weet een kleine pijnlijke plek in haar hart toch heel goed dat ze vanavond om twaalf uur niet naar bed zal kunnen gaan. Om zes uur trekken groepjes werklui door het park, die natuurlijk moeten kijken naar een meisje in een lichtsatijnen japon, dat op een gewone kostelooze bank zit met een bruin hondje onder haar arm. Ze roepen en kijken nog eens om, dus moet ze maar opstaan. Als het Pensionnat een wandeling deed, riepen de zusters: ‘Vóór je zien, meisjes’. Nog maar een paar uur, dan beginnen de theaters en dan kan men wel langs den Ring wandelen in den warmen avond, zoomaar in een avondjapon zonder avondmantel, heel gewoon, de mantel kan best ergens liggen in een garderobe. Twee uren nog, maar nu is het de lichte namiddag, hoe slijten twee uren weg als iedere minuut langzamer gaat? De Belvederegarten kent nu langs ieder pad het kleine smalle rosblonde meisje in haar lange groensatijnen japon, met een kleinen Pekinees achter zilveren hakjes. De steeds wisselende moeders op de stoeltjes, de stoelenverhuursters, de meisjes met de Semmeln. Een oude heer die de duiven staat te voeren, verwondert zich ten slotte toch nog als hij haar eindelijk door het parkhek ziet gaan en verdwijnen in de richting van de Karlskirche. Aan den zijgevel van de Karlskirche staat een krantenvrouw, de avondbladen zijn al uit. ‘Ik sta niet stil’ denkt Louise, zij weet het nieuws wel: Inval in een speelhuis, - het is Franz en het staat in de krant natuurlijk, - en nu ze dit weer goed weet, kan ze wel | |
[pagina 156]
| |
in het voorbijgaan kijken naar de krantenstalletjes, om de avondbladen te zien. En dan staat ze toch stil en even zou ze misschien kunnen gaan schreien maar dat is alweer voorbij: - er staat niets op die voorpagina's, er staat alleen maar MINISTERIALKRISE met heel vette letters. Ach, het is niets, het is heelemaal niet iets, het staat zelfs niet in een klein hoekje van het laatste nieuws, dat van Franz, en toch blijft hij weg en er is niets over in de wereld, ook geen hoed en geen mantel om over deze glimmende japon heen te trekken en geen stoel en geen bed, - heelemaal niets is er - vreemd is dat. Om negen uur spreiden de lantaarns al hun geelachtig licht over de wandelpaden langs den Ring hoewel de lucht boven de boomkruinen nog een wijd opalen schijnsel is. Louise loopt al een half uur lang op het voetpad, ze loopt alleen nog maar, zonder te tellen, ook zijn er de tramhuisjes waarin ze stil kan staan en leunen. Als ze voor de tweede maal langs het kunstmatig-groene hegje van het Schweizer Kaffeehaus is gegaan, ziet haar het kleine Chineesje dat zijn Kaffee Obers tot den droesem heeft uitgedronken, de avondbladen, voor zoover zijn Duitsch reikte, heeft gelezen en nu niet langer kan aanzien hoe de kellner gedurig de beide glazen koud Weensch leidingwater komt vervangen door beslagen glazen met nog kouder water. Hij ziet het meisje na en weet natuurlijk niet, dat het zelfs voor Weenen wat oneigenlijk is als een vrouw des avonds alleen langs den Ring loopt in een lichte lange avondjapon met een Pekineesje achter haar zilveren voetjes, daarvoor is hij ook te kort in Weenen. Hij ziet alleen | |
[pagina 157]
| |
dat het rossig cafélicht warm verschiet langs zeegroen satijn en dat de opalen avondhemel paarlmoeren glanzen legt om een roodblonde haargolf. Hij is zeer eenzaam en zeer gevoelig voor al wat zijn oog in Europa rust doet vinden. Hij studeert hersenanatomie, maar heeft zoo juist de Westersche psychologie ontdekt in de stad van Freud. Als Louise om tien uur voor de vierde maal langs het Schweizer Kaffeehaus gaat, schuift het stille Chineesje het blaadje met de glazen en het Trinkgeld van zich af en verdwijnt als een schaduw langs de heestertjes-in-kuipen. Het is beter achter een smalle levende meisjesrug aan te gaan dan te blijven bladeren in geïllustreerde tijdschriften, die zulke onaangename foto's vertoonen van zwaargebouwde westersche vrouwen, breede sportvrouwen die achter een balletje aanrennen, gespierde vrouwen die een roeiriem hanteeren, Het Chineesje volgt tien passen achter zijn kleinen landsman den Pekinees, het spoor van de twee zilveren voetjes en hem deert het niet dat ze nu en dan vreemd wankelen, hij kent in zijn land nog de kleine gebonden voetjes waarop vrouwen slechts kunnen gaan als ze steunen op den arm van den man of een dienares. Zoo loopt hij dus en glimlacht zijn stillen zachten Chineezenglimlach achter het lichtsatijnen kleed waaronder een paar smalronde meisjesheupen langzaam bewegen als in een droom. Vaag denkend, vaag droomend schuifelt hij langs het asfaltpad waarboven de geelbeschenen boomtakken een onwezenlijk dak spannen, een vreemde goudgroene theatercoulisse, en het is hem zeer voldoende op een afstand van tien passen | |
[pagina 158]
| |
achter een vrouw aan te gaan die ingetogen en bekoorlijk is. Maar nu wordt de Ring levendig door den stroom van operabezoekers die wegrolt in taxi's en luxe auto's. Een gansche optocht van Amerikanen stapt blootshoofds en in smoking naast lichtgetoiletteerde, donsomhangen vrouwen, die den kleinen afstand tusschen de opera en hotel Bristol wel te voet willen gaan. De luidpratende menschenstoet gaat langs Louise heen en zij ziet hem zelfs nog, het is grappig hoe deze menschen loopen langs den Ring, zelfbewust langs een kleinsteedsche Europeesche boulevard. Nu zijn ze aan den hotelingang, ja, nu gaan ze vroeg naar bed om morgen verder te reizen. Het Hotel Bristol is dit jaar gerestaureerd, er zijn nu 300 Engelsche bedden, dat heeft in de krant gestaan .... koperen bedden met lichtgeweven dekens. De hotelingang is wijd en witverlicht, hier kan ze niet blijven staan, een kleine jongeman loopt langs haar heen en tast naar zijn hoed. Neen, men kan niet blijven staan aan den ingang van een hotel waarin men geen kamer heeft, - geen kamer en geen bed. Nu slaat de klok van den Hofburg elf slagen, elf hooge metalen slagen. De hotelingang is veel te licht maar verderop wordt de Ring donker, er zijn daar geen café's meer. Donker is aangenaam, als men alleen moet zijn, is donker werkelijk beter. Daar staan al lange huizenrijen waarin de groote huisdeuren terugspringen en zwarte schaduw de hoeken der bordessen afschut. Het smalle meisje drukt zich in het donker van zoo'n hoek, de schaduw valt als een mantel over haar schouders, | |
[pagina 159]
| |
het is een weldaad en ze voelt zich zuchten. Het hondje blijft buiten de schaduw voor haar voeten maar ze tilt hem op en drukt hem onder haar arm. Dan staat opeens onder aan het bordes de kleine jongeman die er straks ook al was, en vraagt in een vreemd, zangerig dialect: ‘Kan ik den Hausmeister voor u wekken?’ en dan weet ze ook dat ze nu verder moet loopen. Het Chineesje heeft echter zoojuist begrepen, dat hij niet achter zijn eigen droomen aanslentert maar achter een zeer reëel en dwingend verlangen. Nu heeft hij het meisje in het gezicht gezien, het is fijn, wel wat mager, maar smaakvol geschminkt. Het is de eerste maal sinds hij in Europa is, dat het Chineesje een vrouw ontmoet waarnaast hij zich niet als te klein ervaart. Louise loopt alweer. Zij heeft nog voeten die bewegen, ze kan nog een heelen tijd loopen zonder te vallen. En vallen is het laatste, het hoeft nog niet, ze gaat immers nooit voor twaalf uur naar bed, het bed is het allerlaatste van den dag, men valt daarin neer en slaapt. Vallen en slapen, dat hoeft nog niet, het is nog geen twaalf uur. Ze heeft het Pekineesje weer neergezet, het is heel moe en jankt. Het zou best honger kunnen hebben, natuurlijk, maar honger is niet erg, dat gaat over en komt pas terug na een paar uur. Maar een bed moet men hebben, geen mensch kan altijd rechtop blijven. Nu is ze gestruikeld over een stoeprand en nu is het heel moeilijk om rechtop te blijven zonder te huilen. Omdat ze stilstaat, is het Chineesje dichtbij gekomen, het draagt zijn meest ingetogen glimlach en ook zijn | |
[pagina 160]
| |
bruine oogen kijken bescheiden, hoewel toegenegen. Hij zegt niets omdat hij zoo slecht Duitsch spreekt, maar hij offreert zijn rechterarm; hij heeft al zoo lang achter de zilveren hakjes geloopen dat hij weet hoe het meisje haar arm op de zijne zal leggen. Het Chineesje draagt natuurlijk goede Europeesche kleeren, zijn haar is heel gewoon gescheiden en zijn kapper heeft hem een aangename lotion verkocht, Hij is stil en vraagt niets waarop geantwoord moet worden, zeker kan men aan zijn arm naast hem gaan en in zichzelf blijven kijken. Franz heeft een bruine moedervlek op zijn linkerschouder, als ze daarover strijkt, lacht hij, de vlek is echt. Het Chineesje legt zijn arm om het zachte satijn over de smalle heupen van het meisje en zingt met zijn zacht tenorgeluidje: neem mij mee naar je huis, neem mij mee. Ze moet er werkelijk nog even om lachen, het is bijna twaalf uur en natuurlijk moet ze naar een huis, een huis dat er niet is, maar ze kan het gele Chineesje toch niets van dat alles zeggen, ze kan toch niet alles zeggen, alles, alles, alles zeggen, dat gaat niet. Ze kan heelemaal niets zeggen, natuurlijk. En omdat ze den arm van het Chineesje niet loslaat maar ook niets tegen hem zeggen kan, vleit zijn hooge keelstem verder: ga dan met mij mee naar huis, ik woon hier dichtbij. Ja, het Chineesje weet met vrouwen om te gaan, de lijfeigene Lotosknop werd al door zijn vader tot hem gezonden toen hij zeventien was. Maar met Europeesche vrouwen is de omgang zeer moeilijk, zij zijn groot en zwaar en spreken ook als hij niets vraagt, dit meisje echter is stil, klein en smal. | |
[pagina 161]
| |
Als de gangklok in het hotelletje twee uur slaat, zakt Louise slapend weg in het diepe veerenbed, in de diepe donzen kussens. Er is geen enkele vastheid onder het zinken. Het Chineesje heeft zich teruggetrokken op den divan, hij stamt uit een deftig mandarijnengeslacht en blijft niet slapen naast een prostituee. |
|