Hasselts maagden-rijm. Bestaande in geestelijke meditatien, etc.
(1677)–Christina van Os–Stem. Gy die na Christi naam.1.
LEst quam ik in den Hof, daar soud' ik bloemen planten,
Met dat ik quam in d' aard, so vond ik aan de kanten
Van 't hol door mijn gemaakt, veel soete Miertjens klijn;
Ik dagt, soû hier ook meer van dit min volkje zijn.
| |
[pagina 24]
| |
2.
Ik sag wat verder in, 'k vernam doe eerst haar leven;
Elk gink sig op de vlugt van stonden aan begeven;
Ik oogde na de plaats, waar datse quamen uit;
Daar vond ik haren schat, haar diep gegraven buit.
3.
't Welk was veel koorne-graan, dat van haar was verborgen,
Voor haren winter-kost; ô watte grote sorgen
In so een kleine beest! ik roerd' haar spijs eens aan,
Elk quam doe op de been, droeg 't sijne daar van daan.
4.
Ik dagt, wel beestjens soet, gy also suir te slaven?
En uwen winter teer so diep in d' aard' te graven;
Op dat het mogte zijn ter degen wel bewaart,
Dies wegen gy geheel geen moeit' nog arbeit spaart.
5.
Komt luyaart, leert, ei leert hier werken van de Mieren!
Leert nu eens neerstig zijn van dese kleine dieren:
Neemt neerstig u beroep in Godes vrese waar,
En vreest geen moeilijkheit al valt het nog so swaar.
| |
[pagina 25]
| |
6.
Leert ook hier uit die nauw voorsienigheit des Heeren,
Hoe sijn alsiende oog gaat over dese teeren;
Soud' hy dan 't leven van den menz niet gadeslaan,
Wijl sijn almagt en kragt daar noit en is van daan?
|
|