De Vlaamsche vertelselschat. Deel 1
(1925)–Victor de Meyere–
[pagina 5]
| |||||||||||||||||||||||
InleidingBij de uitgave van deze Vlaamsche sprookjes wil ik, eerst en vooral, melden hoe en wanneer mij het verzamelde materiaal in handen kwam. Vóór jaren maakte ik op wondere wijze kennis met twee Vlaamsche priesters, twee seminarievrienden van Pol de Mont en intiemen van wijlen Albrecht Rodenbach. Wat een geestdrift bij die twee priesters, geestdrift voor Vlaanderen, voor Vlaamschen strijd en voor Vlaamsche kultuur! Zij vertelden over de studentengilden van hun tijd, over ‘Het Pennoen’ en ‘De Vlaamsche Vlagge’. Zij schonken mij een macht van dokumenten: brieven, tijdschriften en een verzameling van sprookjes en spreekwoorden, door hen beiden uit den volksmond opgeteekend in de jaren 1883-1886 en, later, door een hunner volledigd. Op dat oogenblik zei me die verzameling niet veel. ‘Het Pennoen’, ‘De Vlaamsche Vlagge’ en andere bemachtigde dokumenten maakten mij oneindig gelukkiger. Lang nadien, wanneer de ‘Vlaamsche Wondersprookjes’ en de ‘Vlaamsche Vertelsels’ van Pol de Mont en Alfons de Gock het licht hadden gezien, doorliep ik nogmaals de mij overhandigde sprookjes. ‘Le Conservatoire de la Tradition Populaire’ was gesticht en ook het ‘Folklore-Museum’ van Antwerpen. Ik bemerkte toen dat al die sprookjes varianten waren van thema's door de Mont en de Cock geboekt. Hier en daar wel een nieuw motief, maar dat was al. Iets trof mij echter: al de vertelsels hadden aanduidingen over den verteller en de plaats waar de lezing was opgenomen. Ik herinnerde mij dat een der priesters, J.B. van H., die de verzameling volledigde, mij eens gezegd had daarin Sébillot te hebben nagevolgd. Hij bezat enkele boeken van Sébillot, nl. ‘Les Contes Populaires de la Haute Bretagne’, waarvan de eerste uitgave, in 1880, bij Charpentier verscheen. Nog immer schenen mij de saamgebrachte dokumenten onbruikbaar. Evenwel voelde ik mij elken dag meer en meer aangespoord tot het aanleggen van een eigen verzameling. Van de 36 sprookjes, die mij overhandigd werden, bracht ik het in 1914 tot over de 300 nummers. In 1915, ontving ik nog een aantal sprookjes en legenden door de vertellers persoonlijk geboekt. | |||||||||||||||||||||||
[pagina 6]
| |||||||||||||||||||||||
Enkele vrienden, die mijn verzameling kenden, drongen meermalen op haar uitgave aan. Nu ik daar eindelijk toe besluit, moet ik den lezer meedeelen dat ik mij, ondertusschen, hoogere eischen heb gesteld. Ik acht het nog immer onnoodig onze sprookjesverzamelingen met een te vermeerderen die alleen, naast enkele ongeboekte thema's, varianten zou bevatten van gekende vertelsels. Ik wil hier geven, in allereerste plaats: 1o nieuwere thema's; 2o vertelsels, die vollediger zijn dan de reeds geboekte of origineele bijzonderheden bevatten. In een nota zal ik, voor elk thema in het bijzonder, de motieven vergelijken met diegene van de in Vlaanderen reeds geboekte sprookjes, zoodat dit werk een volledig overzicht zal geven van den Vlaamschen vertelselsschat. Bij elk sprookje wordt desgevallend het overeenkomend vertelsel van Grimm vermeld, alsmede het nummer waaronder het behandelde thema in de lijst van Antti Aarne (Verzeichnis der Märchentypen)Ga naar voetnoot(1) is opgenomen. Ook wordt aangeduid onder welke rubriek het dient gerangschikt. Antti Aarne voorziet de navermelde sprookjes-indeeling:
Ik zag me verplicht daaraan toe te voegen:
Bij de vergelijkende nota's van thema's en motieven diende mij mede de onlangs verschenen studie ‘Les Contes Populaires de la Flandre’ van Maurits de Meyer tot gidsGa naar voetnoot(2). De verschillende motieven, welke in elk thema voorkomen, worden | |||||||||||||||||||||||
[pagina 7]
| |||||||||||||||||||||||
naar Johannes Bolte und Georg PolivkaGa naar voetnoot(1) aangehaald of, waar zij bij de twee Duitsche geleerden ontbreken, voor het eerst gesteld. Ik mag borg staan voor de getrouwe, woordelijke opname van deze sprookjes. De gewestelijke uitspraak werd evenwel niet gevolgd. De originaliteit van een sprookje ligt niet in de uitspraak van de woorden, maar in de verwerking van de motieven, in de manier van vertellen. Wat mij persoonlijk betreft, ik heb mij veroorloofd in den tekst telkens het woord te voegen, dat de verteller, toen de woorden faalden, er door gebaar en mimiek trachtte in te leggen. Als de verteller bv. woordelijk zegde: ‘Duimken-mijn-zoon kroop uit zijn bed en ging naar het bed waar de zeven kinderen van den reus sliepen’ en hij, bij die woorden, tot tweemaal toe, mimeert en gebaart dat Duimken-mijn-zoon heel stillekens uit zijn bed kroop en heel stillekens naar het bed trok waar de zeven kinderen van den reus sliepen, dan kan de zin, hierboven in cursief, geen bevrediging schenken en moet de lezing luiden: ‘Duimken-mijn-zoon kroop heel stillekens uit zijn bed en heel stillekens ging hij naar het bed waar de zeven kinderen van den reus sliepen.’ Bij de opname diende daarvan rekening gehouden, ten einde de vertelling het leven en de klem te geven, welke bij den verteller nooit te kort schoten. Dergelijke bijvoegingen worden in cursief gedrukt. ‘Il est des conteurs, zegt Sébillot terecht, qui prennent grand intérêt à leur récit, varient les intonations, animent le dialogue et, comme les auteurs, s'efforcent de prendre le ton qui convient aux divers personnages qui parlent.’ Zulks heb ik algemeen vastgesteld, ten minste bij de vertellers die mij bruikbaar materiaal bezorgden; de andere hadden mij niets bijzonders te melden. Meermalen werd de aandacht reeds geroepen op het feit dat vele vorschers naar volkssprookjes den verteller onmiddellijk doen ophouden wanneer de aanhef op een gekend thema duidt. Ik heb mij altijd de moeite getroost den verteller tot het einde toe te aanhooren, wat hem meer en meer in zijn | |||||||||||||||||||||||
[pagina 8]
| |||||||||||||||||||||||
element bracht. Zoodoende ben ik zeer dikwijls, zelfs bij de meest-gekende vertelsels, op nieuwere motieven gevallen, motieven die wel eens, zonder eenigen twijfel, rechtstreeks uit de volksfantasie waren ontstaan, maar meestal toch, door gedane lectuur of door de zoogenaamde mannekensbladen en hun naieve legenden waren beïnvloed. SébillotGa naar voetnoot(1) wijst op een eigenaardige gewoonte van Bretoensche matrozen bij het vertellen. Hij, die aan 't woord is, zal nooit nalaten zich van tijd tot tijd te overtuigen of iedereen met de noodige aandacht volgt. Te dien einde houdt hij plotseling op met het woord ‘Cric’, waarop al de aanhoorders onverwijld ‘Crac’ moeten antwoorden. Gebeurt zulks echter niet, dan wordt het vertellen tot 's anderdaags verschoven. Dergelijke praktijken zijn denkelijk alom in Vlaanderen in gebruik geweest. Een mijner familieleden heeft, rond de jaren 1875, een uitnemend verteller te Bornhem gekend. Alle zomeravonden, vooral in de maanden Augustus en September, wanneer het duister al vroeg invalt, zat, van zeven tot negen uur, heel de jeugd uit de buurt rond hem op het plankier geschaard. Het eene vertelseltje volgde op het andere en bijwijlen, als wilde hij ook de aandacht van zijn jeugdig auditorium op proef stellen, hield hij op, meestal vóór of ná een dramatische gebeurtenis en zei dan met gedempte stem: ‘Krik’, waarop heel de bende, als uit een mond, met een luid ‘krak’ antwoordde. De lijfjes van de luisterende kinderen bogen toen voorover, in eenzelfde golving, als om het woord te onderlijnen. Kwam het antwoord echter niet met de noodige kracht, dan werd het sprookje gestaakt en eerst 's anderdaags hernomen. Ik denk hier nog aan een gelijkaardig gebruik, mij medegedeeld door een oud grootmoederken van Antwerpen. Zij had veel verteld in haar leven, uitsluitend in den huiselijken kring, aan kinderen en kleinkinderenGa naar voetnoot(2). Zoodra zij echter zag dat de kleintjes moe en 't luisteren beu werden, of alleen nog met vakerige oogjes volgden, eindigde zij het begonnen sprookje en besloot: | |||||||||||||||||||||||
[pagina 9]
| |||||||||||||||||||||||
't Engelken waakt;
't Kindeken gaapt;
't Vertellen gedaan;
't Kindeken moet slaapkens gaan.
* * *
Ik hoop dat men het niet euvel duiden zal, indien ik geen partij kies in den strijd over het ontstaan van het sprookje. De diverse theorieën, die desaangaande opgebouwd werden, hebben alle zoovele voorstanders als bekampers. Wellicht brengt deze verzameling nieuwe argumenten, vóór of tegen. Vele theorieën zullen denkelijk nog het licht zien, de eene al subtieler dan de andere. Van meerdere, bijzondere scholen, die bepaald afgedaan hebben, mocht de heer Arnold van GennepGa naar voetnoot(1) terecht schrijven: ‘Hélas, il ne reste presque rien de cet amas de volumes, qui encombre inutilement aujourd'hui les bibliothèques. Seuls survivent les recueils de textes; les préfaces victorieuses, et les annotations laborieuses, on ne les lit même plus, et les éditeurs futurs, ou bien ne les conserveront que pour permettre de tracer l'historique du folklore, ou bien les laisseront tomber comme des feuilles desséchées et jaunies.’ Wat mij steeds aantrok en blijft aantrekken is de levende kant van de Folklore. En het is mij dan ook een onuitsprekelijk genoegen vast te stellen dat de sprookjes, zelfs nog in dezen tijd, op de lippen van ons goede volk voortleven. Zij blijven opborrelen uit het hart van ons volk, als uit een onuitputtelijke bron van fantasie.
* * *
Raoul Rosières, de te vroeg gestorvene, bleef niet steken bij de studie van versteende folkloristische motieven, wanneer hij zijn drie wetten stelde betreffende den oorsprong, de transpositie en de adoptatie van de sprookjesGa naar voetnoot(2). Hij stelde vast, dat bij alle volkeren van gelijkaardige mentaliteit, de literaire evolutie in een en dezelfde richting geschiedt. Zoo besloot hij dat alle literaire motieven volgens een klein aantal mekanismen worden voortgebracht en mede door een klein aantal wetten worden beheerscht. Hij bepaalde dan ook: | |||||||||||||||||||||||
[pagina 10]
| |||||||||||||||||||||||
1o dat bij volkeren van gelijkaardige mentaliteit de verbeelding gelijkaardige legenden schept (oorsprong); 2o dat, naarmate de herinnering aan een held te loor gaat de legendarische motieven waarmede hij gehuldigd werd, door het volk op een anderen held worden overgebracht (transpositie); 3o dat elke legende, die van midden verandert, zich wijzigt volgens de ethnografische en sociale voorwaarden van het nieuwe midden (adoptatie). Als wij nu de thema's en motieven van onze Vlaamsche sprookjes vergelijken met diegene van andere volkeren, dan stellen wij de specifieke individualiteit van onzen stam in het licht. Al die sprookjes, overgeleverd van geslacht tot geslacht, aangevuld door duizenden motieven en bijzonderheden, welke wellicht van elders overgenomen zijn, maar naar ziel en aard van ons volk zóó zijn vervormd dat zij eigen vleesch en bloed zijn geworden, getuigen van het rijk gemoed van ons ras, van de stoere leefbaarheid van onzen stam. Iets wil ik hier bijvoegen, enkele woorden slechts, die desnoods als verontschuldiging voor deze uitgave kunnen dienen, nl. dit: deze sprookjes worden in allereerste plaats bedoeld als materiaal voor Vlaamsche vertellers. Juist gelijk de volksliederen dienen gezongen, moeten de sprookjes verteld worden en niet gelezen, zegt Paul Zaunert in zijn ‘Deutsche Märchen seit Grimm’. |
|