Zeven vertellingen
(1899)–Johan de Meester–
[pagina 67]
| |
[pagina 69]
| |
Mon âme sait très bien qu'il n'y a que les rêves
Qu'on puisse aimer toujours comme on aime les morts.
Zoo toen hij uit den trein stapte, hoorde hij de kerkklok luiden. Zij klepte de bescheiden galmen kalm door de blanke Octoberruimheid; de klanken pasten bij de volkomen-rust van den Zondagmorgen, die door het even komen-en-gaan van een trein niet werd verstoord. Grommend schokte de trein al weer weg, naar hem beter passende oorden. Hij, Karel, was de eenige passagier voor hier. Op den straatweg liepen drie boeren, twee boerinnen; onwillekeurig matigde hij den vluggen stedelingspas, waarmee hij uit het stationnetje kwam geloopen, naar den hunnen; zij toonden niet, te letten op hem; in lijzige regelmaat sjokten | |
[pagina 70]
| |
hun lichamen moeizaam voort. Overal de gezegende stilte-zonder-verlatenheid van 't Boerenland. En zoo weldadig was hem die kalmte, dat hij eenigszins schuchter voortliep, op het dorp toe. Zìjn Dorp, in zestien jaar niet weergezien - en al die tijden had het gelegen in den zachtsten hoek van zijn gedachten, als het heel lief stille, waar alles wel zijn zou als hij navoelde zelf er geweest te zijn, waar alles zeker nog zoo zijn moest.... Zou het werkelijk zoo mooi zijn? De allereerste sensatie, het hooren luiden van de klok, na die bijna drie uur zittens tusschen hard gedreun en gekwek, was, plotseling, zoo'n bekoring geweest, dat de liefste verwachting met de verblijdenis van een verrassing door zijn gewaarwordingen was geschoten. Maar, hoe meer hij het dorp nu naderde, voelde hij de herinnering weerloos veralledaagscht door de werkelijkheid worden. De straatweg, de landen, ginds de hofstee van Schurink, hier het schuurtje van.... wie' ook weer, daar dìe huisjes, nu het vunze kroegje van Breukink - alles was... kleiner, nietiger, òf grover, en meer opeengedrongen, en gewoon.... | |
[pagina 71]
| |
Telkens kwamen er kerkgangers bij. Hij wist niet of ze naar hem keken, hoorde niet dat ze van hem praatten, voelde zich toch aldoor schuwer worden. ‘Zijn Dorp’ was die' menschen 'r dorp, het had met die menschen voortgeleefd, er vìel hier niets ‘terug te vinden,’ niets dat had als op hem gewacht - er was alleen dit, dat hij aan alles en allen vervreemd was. Schichtig keek hij nu en dan van ter zij naar een man of een vrouw die hij méénde te herkennen, en aldoor scherper voelde hij zich de vreemdeling, tredend alleen tusschen menschen die allen samenhoorden. Hij sloeg den zandweg naar Lindenhof in, daar liepen bijna geene menschen; zoo zou hij, achter het dorp om, bij den tol weer op den straatweg komen. Twee, drie onbekende daken meende hij hier van achter in de dorpsstraat te zien; van zijn weg was het tweede stuk begrind; verder nergens iets veranderd. De Lindenhof was net als vroeger.... O, nu hij hier maar op den veldweg in de eenzaamheid liep, nu leefde hij toch wel weer in, in al de oude gehechtheid. Die wijdgespreide, open voor hem liggende vredigheid was hem lief geweest, lang voor hij haar | |
[pagina 72]
| |
wezenlijk had begrepen. De akkers deden denken aan tuintjes, met hier en daar die schriele, doorzichtige hegjes, en die nette rechte greppeltjes - toch was hier het wijde, stille van 't Land. En daar de beek! De witte brug was blijkbaar vernieuwd, met ijzeren bouten was ze versterkt, maar verder - onveranderlijk! Onwillekeurig ging hij leunen over het hek, en bij het spiegelzien in het gladde water.... wat was het toch helder, je zag den lagen grijzen bodem.... voelde hij zich overstelpt door het herdenken.... even, vlug, maar spiegelduidelijk, van allerleì uit den ouden tijd. Zoovele jaren, zoovele gebeurtenisjes, daadjes, pretjes - emoties. Het visschen met de jongens van den Lindenhof; 't verboden baden; en dan de liefde van zijn twaalfde jaar!.... Tot hier mocht hij Geurtje verzellen; hier wachtte hij haar op.... En later, hier óók, het tegenkomen van Pau met 'r gouvernante; na het boersche schoolkameraadje, de Amsterdamsche halve-freule - zijn evolutie van twaalf tot zestien! Gut ja, net met zestien jaar. Vóór dien tijd, nooit aan Pau gedacht! Toen, op eens, en wat serieus! voor jaren.... Zou hij Pau nu | |
[pagina 73]
| |
nog zien?.... Wat was-ie toch onverbeterlijk kind! Acht en dertig jaar, getrouwd, vader! een artiest van wat naam in 't vreemde Brussel; nu in 't land terug, om, na jaren, ook te Amsterdam eens wat te laten kijken van zijn werk; - men wil er zich wel voor interesseeren; prijzende kranten, koopende Keizersgrachters, amicale kunstkoopers, zelfs in Arti wat hartelijkheid; - maar hij, om er uit te komen, jokt van een tante die niet bestaat, spoort drie uur zondagsche harde banken, loopt verlegen de boeren uit den weg, en zou nu, net als toen, wel graag gaan liggen loeren tusschen de dennetjes bij den tol, of van het Buiten erover geen dametje kwam.... Dametje, Pau! Nu ook, jà, net als hij! acht-en-dertig.... Groote God was het mogelijk toch! Pau haast een ouwe-jonge-juffrouw! Hij zèlf immers al grijzende haren.... Vreemd toch dat zij niet was getrouwd.... Hemel! daar zag-ie het tolhuis al!
Karel bleef staan. Hij voelde precies weer die zenuwachtigheid, waarmee hij zoo vaak hier was blijven staan, bang om verder te gaan, langs | |
[pagina 74]
| |
het Buiten. En hij dééd er ook nu weer naar! Met één draai ging hij, het bermpjen over, de boschjes in, schuil onder de lage sparretjes, tot bij het kleine witte kronkelpaadje, door de grijsgroene jonge boompjes, ook al weer precies als vroeger! Hoe mal was dat toch. Je zoo goed rekenschap te geven van de wezenlijke omstandigheden en toch zoo onder den indruk te zijn van vroegere. Wat had dat verleden diep in hem gezeten! Hij voelde het ook nu nog zoo. Hier, alleen met zijn Moeder, in dat zorgelijke tobbestaan van haar pensioentje, hier had hij nog de Vrijheid gehad, de Vrijheid - en de Koestering, waar elk artiest behoefte aan heeft, in zijn van zelf te-veel-verlangen. Moeder dood, hij weg van het dorp - wat tóen kwam: één zware bonk van strijd. Het realiseeren van de illusies! Telkens de teleurstelling, dat maar zóó weinig werd verwerk'lijkt - én dat dit toch al zooveel kostte. Dán het heimwee naar zijn Dorp, waar alles, als droom, zoo mak'lijk had geleefd. Te Amsterdam, toen-ie aan de Academie algemeen werd beschouwd als een toekomstlooze nabloeier, bloeide in hem alleen nog Het Dorp. In den Parijschen helle- | |
[pagina 75]
| |
tijd..,. meest was-ie er opgehitst, als in koorts; maar had zijn gevoel een moment van kalmte, dan zakte alles onder in weemoed, en Weemoed was hetzelfde als Dorp. Te Brussel had hij het Dorp pas vergeten. Toen er eindelijk althans ìets vervuld werd! Toch, soms, als men hem er erg deed voelen dat hij maar een vreemdeling was, dacht hij - niet aan zijn Land, aan zijn Dorp. En nu hij Amsterdam had weergezien, en een beetje wel als overwinnaar, nu had hij het er niet uitgehouden, hij hàd naar zijn Dorp gemoeten....
Hij was nu op den straatweg gekomen, en daar lag het Buiten. O, wat was het beukenbosch prachtig! Eén fonkeling van bladen die doodgaan. Zou-ie het vondertje overloopen? ‘Verboden toegang.’ Toch niet voor hem! Maar als hij er iemand tegenkwam? Wellicht waren ze niet naar de kerk.... Hij liep al voort: den straatweg af. Daar zag hij den tol weer, nu ook het Huis.... God, gesloten! Ze waren al weg, - zóó vroeg, voor in October?.... Hij kreeg op eens een vreemde sensatie, een | |
[pagina 76]
| |
werking van gevoel, sterker dan nog ergens in 't dorp; maar gaf er zich verder geen rekenschap van, want een huifkar was voor den tolboom gekomen, en nu zag hij Harmsen, den ouden tolbaas. - Morge' Harmsen. - G' dag.... Meneer. Harmsen bleek hem niet te herkennen. - Ben ik zoo veranderd, Harmsen? Ik heb jou direct herkend. Karel Lette, je weet wel, van de kapiteinsweduwe, naast de sme'erij van Schouten. - O joa! nou wist Harmsen weer. Was meneer eens overgekomen? En waar of meneer nu woonde. Hier, aan de tol, was het nog bij het oude. Kwam meneer niet even binnen? Karel zàt in het kleine vertrekje, waar hij dikwijls gezeten had. Harmsen en z'n vrouw waren oud geworden. Overigens was niets veranderd! - En hieróver, Harmsen, alles zoo toe? De tot een stompje verstramde hand van den kleinen oude maakte een manuaal van schroomvallige gemeenzaamheid. | |
[pagina 77]
| |
- Meneer meent op de Beukenhorst? Joa, nog nooit binne ze zoo vroeg d'r weg'egoan. Mor as meneer weêt, mit de jongeneer.... Karel verzekerde dat hij niets wist. En Harmsem vertelde, hoe ‘de jongeneer’ al tij'en lang ziekelijk was geweest, maar het vorig jaar den heelen winter had moeten doorbrengen in het zuiden van Frankrijk. Eerst met Juli was de familie buiten gekomen en half September weer weg gegaan. - Meneer weêt nog wel, vruuger, dan woare d'r aldèur losees, moar nou geên eên - ook 'n schoaj veur 't darp! en heel wat minder verkeer an de tol. De peerden liepe nie' meer. Wa' je zag, was alleen nog de juffrouw, juffrouw Pelien, achter 't woagentje mit 'r breur. - 'n Wagentje? Wat voor wagentje? - Nou, zoo'n handwoagentje. Dat hadde ze mee'ebracht uut Amsterdam, net, ik za' mor zegge-'n-en bâkslee op wiele.... Nou, en dat douwde de juffrouw dan....
Karel toefde nog korte wijle. Vrouw Harmsen had de koffie gezet. Hij moest vertellen, van zich en van Brussel; aanhooren, hoe het ging met | |
[pagina 78]
| |
hún zoon, die palfrenier was, te Velp op een buiten. De kerk ging uit, nu kwam er bezoek; het viel hem makkelijk weg te komen. Hij liep terug, den weg tot het vonder, was weldra alleen in het bosch. Wat deed het leven toch vreemde zetten! Pau achter een duwwagen met Louis! Zij niet getrouwd - en Louis gebrekkig, ziek voor goed, een klant van den dood. Louis, dien hij zoo had benijd, in wien hij een sterkere had gezien, een gelukkigere, soms bijna een vijand. Want al had hij ‘het’ nooit gezegd aan Pau, al was de verhouding ver gebleven van de mógelijkheid tot zoo iets, geweten - meende hij - had zij wel, had, zonder er eenig gewicht aan te geven, de heele familie wel, ook Louis, en hoe vaak had die spottend gedaan tegen hem! Later te Amsterdam, bij zijn schaarsche bezoeken, was Louis nog weer anders geweest, nu impertinent van hooghartigheid, de Keizersgrachter tegen den wel even in zijn huis gedulde. Hoe was Louis toen voor hem de type geweest van den jongen die alles had wat hij miste, maar die tevens was zooals hij nooit zou willen zijn - en daarbij dan toch de broer van Pau!.... | |
[pagina 79]
| |
Te Amsterdam had Louis ongetwijfeld ‘er’ niet meer aan gedacht zelfs, maar met dat al was die mooie, zich zoo gemakkelijk uitende, rijke jongen wel degene geweest, die, onwillekeurig, door al zijn doen, het sterkst aan Karel had doen voelen, dat er onder diens oude dorps-illusies geen gekkere was dan de liefde voor Pau. Zelf had Karel toen niets geen hoop meer gehad. En toch was Pau zoo lief geweest - Louis uit de hoogte, Meneer duidelijk toonend dat hij niet aan Karels kunsttoekomst geloofde, Mevrouw slechts van 'r kwalen vervuld, maar Pau gemeenzaam, vriendelijk vol belangstelling in zijn studies. Nooit, echter, had dat hem illusie gegeven. Hìj was, in zijn verliefdheid, verlegen - en Pau was juist geen moment verlegen.... Waarom zou ze ongetrouwd zijn gebleven? - Zeker nìet ter wille van hem! God! wat was-ie toch kwasterig sentimenteel, om nu dat nog te dènken! Maar het zat immers in het gevoel-voor-een-vrouw van èlken man, om die vrouw te beklagen wanneer ze ongetrouwd blijft. En zoo vaak had-ie hier geloopen, in de uitgestorven laantjes, 's winters wanneer het huis was | |
[pagina 80]
| |
gesloten - en zich zelfbeklagend gefolterd met mijmeren over haar minnaars daarginds....
Uit het besloten hooge bosch was hij gekomen aan het blijkbaar kort geleden gekapte akkermaalshout. Nu lag daar voor hem, achter het weiland, groot en hoog het Huis. Hij meende er nog aan te zien, dat het eerst kort was verlaten. Enkele blinden stonden open. Van de tallooze keeren, dat hij hier vroeger had gestaan, herinnerde hij zich, hoe pot-gesloten het 's winters meest was, doode klomp, met geen ander leven dan laag terzij de tuinmanswoning, hem hinderlijk in zijn spieden en staren.... Hij zou nu maar niet dichterbij gaan. Geen lust in herkenningen met den tuinman. Liever nog even, zijn lievelingsplekje, de bank op het kleine heuveltje, aan het eind van het eikenboschje. De overgang uit het dichte hout hier naar de wijde openheid invloedde op zijn denken en voelen. 't Was dáár zoo innig weemoedig geweest, te midden dier witte vochtigheid en van die prachtig gekleurde bladen, mooier wordende van ziek-zijn - 't mooie van een teringlijdster, 't zelfde dul- | |
[pagina 81]
| |
deloos triestige. En telkens, in de eenzame lanen, had hij een angst van verlangen gehad, dat hij, bij den hoek van een laan, het wagentje, en Pau, zou zien. Nu opeens, als om hem heen, openheid weer in zijn denken. 'n Gevoel, als was er een vochtvlies geknapt, waaràchter het ruime strak-opene; of ook in zijn hoofd herfstdraden waren weggevaagd....
Hoe onbeholpen was hij toch! Nu had hij een bewustzijn als van verlegenheid voor de Ruimte. Plotseling werd al het Dorp's-denken-en-droomen, die oude lust nog jaren gehouden, misselijk sentimenteel geleuter van het vereenzaamde moederszoontje. 't Niets-waarde daarvan trof hem, bestraffend, en tegelijk was zijn voelen te Brussel, voelde hij mooi zijn aansprakelijkheid: zich gehècht aan zijn plicht. Als nu opeens zijn kind hier was!.... Pijn deed dit: zelfpijn, - de kwaal van zijn leven. Wàs het dan slècht, dit spijbelreisje, buiten iedereen om, naar zijn Dorp, om nog eens even zich weg-te-koesteren in wat zijn zwakkelings-teergevoel hier aan illusies bijeengebouwd had? Ontrouw wàs het, van gedachte. Maar God | |
[pagina 82]
| |
nee', 't was tòch iets anders. Duidelijk zag hij alles nu in. Als alle mannen evenveel van hun vrouwen hielden als hij van de zijne! Maar zijn huwelijk was de realiteit, hoe zou het dus nog de illusie zijn? Te veel had hij van de illusie gehouden. En zóó, dat hij ze had gewìld ìn de realiteit van zijn leven. Hierdoor was hij zoo vaak niet-gelukkig. Stond hij eenzaam, en voelde als een, wien ontgaan is de eenige vrouw die hij altijd heeft liefgehad. Pau was illusie geweest, nooit iets anders, hierdoor bleef ze zooveel in zijn leven. Hij stond nu op het heuveltje, voor de bank waarop hij zoo vaak lang had gezeten - en dit enkele, dat hij onwillekeurig was blijven stáán, dacht hem een prettig klein zinteeken, dat hij toch wel wát was ontgroeid aan de slavernij van zijn Zelfdroom. O nee', het was nu geen overmacht meer. Het was de eerbiedig gevoelde bekoring van het wat verbleekte rose, dat gekleurlicht had op zijn jeugd. Nooit nog had hij zoo klaar geweten, zoo precies, wat Pau hem geweest was. Niet slechts had hij te Amsterdam berúst bij het bewustzijn, dat ‘het’ niet kon: berust wel met | |
[pagina 83]
| |
veel zelfbeklag, maar zonder verzet, en zonder een poging om ‘het’ toch wel moog'lijk te maken. Maar hier, hier, in den tijd-der-illusie, had hij het mééste van Pau gehouden: - niet in Juli, als de logees, allerlei Amsterdamsche heeren, 's Zondags krokettend voor het huis, nauw'lijks teruggroetend als hij voorbij kwam, sloegen met schaamte zijn zelfgevoel over zijn obscuur-en arm-zijn; ook niet, als hij haar sprak; of haar zag, als hij gluurde in 't sparbosch naar het prachtige meisje. 't Mééste had hij van Pau gehouden, 's winters, wanneer ze niets was dan droom - als hij nog enkel had het Buiten, waar dan geen ding de illusie verstoorde. Hóeveel geluk had dìe liefde gegeven!.... Maar nu dit keer nam hij afscheid. Van het stille, eenvoudige huis ging zijn oog weer naar de boschpracht. Ook zijn stemming was zacht-mooi najaar, in dat voelen als een-en-ondeelbaar, van het geluk dat is in illusie en van de smart door het nooit in vervulling gaan. |
|