| |
| |
| |
[II]
Hij zag zichzelf naast zich in een tram zitten maar dan aan de andere kant dan waar hij zat en buiten de ruiten aan de overkant reed nog zo'n tram, waarin hij weer zat, zo reden er drie trams naast elkaar en vast nog meer, wanneer de ruiten sterker hadden gespiegeld, vijf trams naast elkaar enz. Andere trams en bussen rijden er dwars doorheen, personenauto's er onderdoor. Maar het meest vreemde was toch wel, als men in een bus of tram door een smalle straat reed waar voor één bus al bijna geen plaats was en waar de twee nevenbussen domweg door de huizen heengingen. De zijbeuken van de bus, de bus als basiliek, dom, dom, dom, er was geen clerestory, want het middenschip was precies even hoog.
Volwassenen worden verondersteld dat niet meer te zien. Volwassenen mogen ook eigenlijk niets. Het zou wel gemakkelijk zijn om een echte volwassene te zijn, maar zoiets bestaat niet, dan was je een volkomen machine. Ach, alleen maar denken aan nut en plicht, de algemeen erkende dan, hoe heerlijk zorgeloos en dom zou dat zijn. Maar wij vergeten nooit geheel het kind, dat wij zijn geweest. Het kind is zoveel ouder, the child is father to the man! Dit kind moeten we maar dragen en meeslepen, het stuurt al onze handelingen, niet minder dan onze echte vaders, die we ook al moeten meesjouwen. Maar echte volwassenen hebben weer kinderen, die zij meevoeren, zover zijn we nog niet, maar we zwoegen aan genoeg generaties. Uit de brand ben je.
| |
| |
Nu een laatste pauwblauw in de lucht boven de lichten van het station. Zomeravond! Ergens heen! Maar dat vergeten wij in de gele kaartjeshal. De wandelwereld bestaat niet voor de welverpakte treinenmens. Wat zeg ik? Men is verder van het land in een trein dan in een schip op zee. Geen communicatie is mogelijk zonder de noodrem, die slechts gebruikt is in ene oude varsitytrein met karton in de ramen. Tu quoque! Laten wij niet hier ook representatief worden. De kranten stonden vol foutieve informatie. Boven de trapmond waait een koude wind van tussen de lampen en de klok. Vanavond nog meer dan anders. De ako-kar is er niet, zijn pin-ups zouden niet vast genoeg gepind zijn. Dit is een flauw mopje, niet hardop zeggen!
Weinig reizigers op het perron. Ik loop langs de ramen van de wachtkamer. Daar zitten ze. Ik ook de warmte in? Nee. Het ziektegevoel wordt daar weer gaargestoofd. Liever rondgewaaid worden over Perron 1 of 2, die één perron zijn met de wachtkamers ertussen.
Treinen zijn de gekste uitvindingen. De Egyptenaren maakten graftomben als metrostations. Metro's zijn graven waar de doodkisten rondrijden. Treinen zijn graven boven de grond, die de hele wereld bestrijken. Wat een valse beeldspraak en quasi-frappantheid! Om vooral nooit op te schrijven.
Hij dacht dat er iemand naast hem liep, maar het was zijn spiegelbeeld in de spiegel van de weegautomaat.
| |
| |
Waarom herken ik mezelf niet? O ja,
ik doe mij petasophoor
voor,
daar ben ik niet aan gewend. Zal ik in de wachtkamer gaan zitten, wat drinken, wat eten? Geen rust, geen bierlust, geen thee, geen koffie en de broodjes bevallen mij niet. Lekkere honger? Nee, geen honger nog. Teruglopen naar de trapmond en dan maar kijken of er een meisje naar boven komt die je kent. Kon best, op dit station, heel gewoon.
En dan? Zeer bête illusie, doe het toch maar, vervelend, vervelend.
Achter mij staan achter donker glas meisjesboeken. Ik weet de titels zonder om te kijken. Joop ter Heul en Marijke zyn met de zoveelste druk weer eens van mode veranderd. Joop ter Heul houdt deze eeuwige jeugd al vol sinds Edwardiaanse matrozenblouses, Marijke sinds de lage taille van de twintiger jaren, illustraties van Hans Borrebach... Kleren, alweer kleren. Peeps is zo gewoon. Laat ik het blijven.
Als op hun staart staande vissen, omhoogkomend in een aquarium, komen de mensen de trap op, allen met het verkeerde gezicht, al schijnt men andere dingen aan hen steeds te herkennen. Kennissen levert deze stad aan dit perron pas voor de laatste trein, dat kan nooit missen.
Dan maakt de trein zijn binnenkomstgeluid, toch nog een verrassing. De waaiers vormen zich aan de deuren. Wie loopt daar spitsroeden? Ook alleen de illusie.
| |
| |
Op de bank tegenover mij zit een man, een nogal jonge man. Hij draagt een donker overhemd, maar geen das, een baret, maar geen kin. Hij leest geen boek en ook geen courant, maar een brochure.
Hij haatte deze man op het eerste gezicht. Er was iets fundamenteel verkeerds aan om in de trein een brochure te lezen. Een afficheren van gepreoccupeerdheid met serieus gewaande en vooral wereldreddende zaken, belangrijk alleen voor brochureschrijvers.
Wat deze man zich waande, was ongetwijfeld representatief. Nu zou ik moeten lachen, is die man daar niet neergezet als een voorbeeld, een les voor mij? Als het ooit mogelijk is dat een les iets uitricht.
Welke hersenschim zou deze figuur daar in het eigen brein laten aansterken door zijn lectuur? De beste dingen ter wereld zijn vaak hersenschimmen, maar deze stelling moet men vooral niet omkeren.
Na deze les moet ik een kleine walging voor mezelf krijgen. Die heb ik ook, maar ik heb wel eens een grotere gevoeld. Als ik nu het denken aan de representatiefheid en aan kleren afzweer, zal het effect daarvan nog korter duren dan bij de vroegere gelegenheden dat ik iets afzwoer en die eden waren een paar uren geldig. Een mensenleven heeft geen wendingen, alleen een begin en een eind. We are of a reflective turn of mind.
Turn, turn.
I just decided the mind does not turn.
De huurkazernes, lichtende banken voor het strand van de stad, wijken opzij, er komt weer donker voor
| |
| |
de ramen. Uit dat donker verschijnt nu water. De regen wordt pas zichtbaar als de druppels hard tegen de ruit slaan. De wind is hier buiten de stad zo hard dat ik verwacht de trein te voelen wankelen. De druppels worden groter en talrijker. Bijna horizontaal vormen zich over de gehele ruit riviersystemen die zich verenigen, vertakken en ombuigen naar gelang zij op de ruit onzichtbare obstakels tegenkomen. Er was een standpunt mogelijk waaruit de geologie van de aarde even kortstondig was als dit bros en wisselend landschap. Ook één waaruit het verloop van één rivier op de ruit gelijk kon zijn aan een periode waarin een rivier op aarde ongeveer dezelfde bedding heeft.
Een fractie van een seconde of millioenen jaren. Op een accumulatie van stof op de ruit kunnen terwijl ik kijk vele generaties elkaar opgevolgd hebben. Aan de oever van een snelle regenvliet kunnen eeuwenlang herders hun schapen hoeden, tot de natuurramp van over een seconde. Ik ben hierbij als de goden van Epicurus, die als zij er zijn zich niet met de mensen bemoeien. We are of a reflective turn of mind.
Een brug deed hem bemerken, dat hij zijn bestemming voor vanavond naderde. Nu zou hij uitstappen en op een belevenis afgaan, als er een belevenis te vinden was. Waarschijnlijk niet. Hij had beter thuis kunnen blijven. Uitzieken. Voelde hij zich nog ziek? Wat warm in de neus, maar dat was onvermijdelijk in benauwde treinen.
Nu bogen de benedenlopen van de rivieren op de ruit
| |
| |
zich naar beneden, steeds meer, spoedig zou alles een vertikaal druppelgordijn zijn geworden.
Nu begint ook het brandende dilemma; zal ik naar de uitgang lopen of nog even wachten? Er vormt zich altijd een queue en ik schaam mij steeds een beetje wanneer ik al sta terwijl de trein nog rijdt. Men kan evengoed blijven zitten tot hij stilstaat en de meeste mensen al uitgestapt zijn, zoals ik Noren heb zien doen. Zou dat nu volksaard zijn? Ik geloof niet dat er zoiets als een volksaard bestaat, in ieder geval is het een statistiek van weinig gevallen. Ik sta maar op, het is te idioot om er zo lang over te denken. Uit de compartimenten tussen mij en de deur komen mensen naar het middenpad, daar moet ik voor wachten, zeker als het dames zijn zoals nu. Eén, twee, drie dames, dan komt er een man. Een oude vrouw, een jong meisje in een oude regenjas en met een mand, zeker een studente, maar zij komt mij zelfs niet bekend voor, en nog een oude dame. De laatste passeert mij en nu schiet ik snel achter haar aan. Te snel. De man, die misschien nog bij haar hoort ook, naar zijn leeftijd te oordelen, heeft er niet op gerekend. Ik stoot vrij hard tegen hem aan.
Ik heb pardon gezegd, maar, geloof ik, niet durven kijken. Er is niets aan te doen, wij zijn onbeleefd geweest. Wij zullen het misschien te boven komen.
Nu sta ik nog net onder de houten pilaartjes op dit station, het windigste dat ik ken. Nu is alles buiten het hout een bewegende watermassa, die je verbaasd doet staan dat er nog vaste grond is. Het zwarte gewoel lijkt
| |
| |
te universeel dan dat het zou ophouden bij de aarde, ja, dat het zou ophouden beneden de maan. Tot bovenaantoe moet nu wel de fabrieksschoorsteen van het ziekenhuis over de spoorlijn loeien in de storm. Ikzelf heb nu iets meer luwte van het stationsgebouw, een van de weinige in Nederland die nog de echte Victoriaanse rookkleur hebben, uit de tijd dat nog niet de gestroomlijnde raket het symbool van de technische vooruitgang was, maar de roetvlek op het hoge witte boord.
Nu weer gele pilaren en groene hekjes, terwijl mijn ex-trein verdwijnt onder de overdekte voetbrug waar ik overheen moet als ik terug wil reizen, misschien vanavond nog. Als dat gebeurt zal ik in een nog slechter stemming zijn dan nu. Ik haal het minuscule gele plankje met de zwarte letters uit mijn zak en geef het aan de man in civiel maar met pet op in zijn futile huisje van hout en glas, dat door het open raam bijna non-existent wordt gemaakt. Nu ligt als een troebel zwart blok het stationsplein voor me, links schijnt het licht van de café's erdoorheen. Het hele front wind over dit plein moet een enorme kracht hebben, maar alles krijgt er een deel van en blijft op zijn plaats of beweegt zich naar wens. Een veel grotere kracht schijnt mij tegen te houden, ik beweeg niet. De lusteloosheid of misschien melancholie. Ik heb hier niets te doen, niets te verwachten, waarom zou ik verder gaan. Ik kan naar huis gaan, maar ook daartoe heb ik geen reden. Nu in mezelf zoeken, of er niets in me is, dat ik tegenover deze
| |
| |
overstelpende apathie kan plaatsen, wat me van de bodem van deze zee naar de oppervlakte kan brengen. Men denkt altijd zoveel dingen tegelijk, ook als men slaapt. Als iemand ons vraagt wat we denken, weten we meestal geen antwoord, niet omdat we niets denken, maar omdat we uit de vele stromen van beelden die door ons heengaan er niet één kunnen kiezen. Ja, wij kunnen de stromen van gedachten zelfs niet stilzetten. Toch is denken niets aparts, het is spreken en zien tegelijk. In echte woorden en in echte beelden. Maar die beelden en woorden doen ons meer dan wat wij buiten ons zien en horen, ze houden me allemaal vast, op niets kan ik bovendrijven. Toch weet ik veel, waarvan aestheten geacht worden een prettig leven te leiden. Ik ben zeer cultureel.
My form's, in fact, the blooming utter.
Ik heb herinneringen, die het genoegen van Don Juans moeten uitmaken, maar het doet mij niets. In het heden ben ik uiterst arm en ik doe wat alle armen doen. Ik zet een zuilvormig aanhangsel vooruit en breng mijn zwaartepunt naar voren. Daardoor maakt het andere zuilvormige aanhangsel zich los van de grond, knikt door in het midden, passeert het eerste en gaat op zijn beurt vooruit. Zo lopen we, een gecompliceerde en stotterende beweging. Wielen verplaatsen zich soepeler. Maar wielen ne sont pas dans la nature zoals ik jaren geleden te weten kwam uit ‘the War of the Worlds’ van Wells. En nu, en nu, wat nu?
Café's passeren, de lange fietsenstalling met zijn zin- | |
| |
neloze rij van oude herenhuisplafonds boven zijn rekken vol zwart metaal, sic transit, ha, ha. De bioscoop, waar ik nu eens niet naar de plaatjes kijk, alleen om een gevoel te hebben dat ik de energie opwekken kan om er niet naar te kijken. De cafetaria waar ik zo vaak gegeten heb en me een paria gevoeld. Dan een brug en links de sociëteit. Waaraan denken oude heren in een sociëteit. Idiote vraag, ik zal er waarschijnlijk zelf één worden. Dorpsnotabel wordt men al gauw met een graad. De vraag is niet idioot, ik ben nog geen oude heer in een sociëteit en ik heb nog geen graad. Evenmin weet ik wat ik zal denken als ik afgestudeerd ben. Waarschijnlijk toch hetzelfde als nu. Alleen daarom zal ik dan de studie verknoeide tijd vinden.
La chair est triste, hélas, et j'ai lu tous les livres.
Als tenminste deze regel op mijn geval slaat, want ik pretendeer niet meer dat ik Mallarmé begrijp, zoals vroeger. Trouwens, het is voor mij niet waar. Ik heb niet de lusteloosheid die het na elke oorlog mode is zo diep te betreuren als teken des tijds, tot de volgende oorlog. Ik heb een lusteloosheid van bereidheid tot iets wat niet komt. Moeheid, maar moeheid van het wachten. Men kan het ook gebrek aan initiatief noemen.
Nee, ik heb geen eerbied voor de kleine strovuurtjes van initiatiefnemers, die succesvol geacht worden. Wat doen zij ermee? Zij doen zaken, waar niemand plezier van heeft, ook zij zelf niet, zij geven feestjes, houden diplomatieke conferenties, voeren oorlogen. Men vindt dat mooi en looft ze, maar o de kleine, zure
| |
| |
triestheidjes als zij eens niet iets hebben om hun initiatiefzenuwen aan kwijt te raken. Dan worden zij maar redeloos boos op iets of iemand. Men zegt dat wij in een christelijke wereld leven, dat zestien eeuwen christendom ons gevormd hebben, dat wij vol zondebesef en zelfverwijt zijn. Maar niets bevreemdt en irriteert mensen zo, als dat iemand wat dan ook aan zichzelf wijt. Men wordt gemeden, populair is hij die scène's van woede produceert en anderen de meest onredelijke verwijten doet. Niets ruikt zo goed als eigen roem.
Dat kwam van het initiatief. Ik heb vaak het gevoel dat er een groot initiatief in mij ligt te rijpen. Het kan nog tientallen jaren duren, maar eens zal het zich uiten. Wat zal ik er dan mee doen. Iets groots? Beslist niet, het is een dwaas woord. Niemand zal waarschijnlijk opmerken wat er dan gebeurt. Als ik heel eerlijk ben, kan ik niets anders hopen dan dat het iets goeds zal zijn, moralist die ik ben. Er zal in ieder geval een grote satisfactie zijn voor mezelf.
Dat lijkt mij moeilijk en op zijn zachtst gezegd onwaarschijnlijk. Ik heb niets aan deze voorgevoelens.
De straat wordt smal en vol winkels, twee boekwinkels die er beide niet vertrouwenwekkend uitzien, daarentegen ga ik dadelijk tussen twee welige slagerswinkels door, voorbij de zijsteeg aan de linkerkant, waar nog zoveel stallen zijn. Stallen, paarden. Ik zou vanavond misschien nog kunnen gaan rijden in de manège.
Paarden.
| |
| |
Hij dacht even aan paarden, aan de hebbelijkheden van de directeur en instructeur, Willem, en diens vaste gasten en de anderen die reden en die hij misschien vanavond kon ontmoeten. Hoeveel van zijn gedachten werd er niet in beslag genomen door de hoop op ontmoetingen, ontmoetingen die iets zouden veranderen natuurlijk. Het enige constante was de hoop op verandering, niet alleen bij hemzelf, men hoefde maar couranten te lezen.
Maar nu had hij zelfs niemand ontmoet om een hoed voor af te nemen, zelfs niemand om ‘dag’ tegen te zeggen, met het lijzige accent dat daarbij hoorde, het enige wat men lijzig zeggen mocht en haast moest. Daarvoor was men in een gemeenschap en nu liep men hier zeer alleen in de glimmende straten en het donker, wat waarschijnlijk de reden was van gebrek aan ontmoeting, groet-ontmoeting, tenminste, wat hier niets betekende, helaas, soms verveling.
Nu weer het wijde plein en rechts de bussen naar plaatsen waar men zich niet kon voorstellen dat iemand woonde, tenminste niet wanneer het winter was of regende. Maar toch zag hij de mensen in de verlichte kooien klimmen, bussen waren lichte kooien, heel flauw, maar ook van glas.
Nu zal ik zien dat de bioscoop aan mijn rechterhand een Western vertoont, dat bespaart mij de moeite van het plaatjes kijken, al moet men altijd bereid zijn op het meesterwerk, dat het western genre zou moeten opleveren, want hoe filmisch is het niet. ‘Destry rides
| |
| |
again’ was er geen, al beweren sommigen dat. Nee, er is een showfilm. Nu loop ik de hal een eindje binnen, tot de glazen deuren, waarachter een soort byzantijnse doopfont met donker mozaïek staat. Spoot deze fontein ooit?
Dumb blondes! Was het een effect van de oorlog dat Amerikaanse filmactrices geen gezicht meer hadden? Wel hangwangen en domme lichtblonde krulletjes. En hoe dik waren de middels niet die de grens uitmaakten tussen twee onderdelen van de chorus-girl-uniforms. Koeien. In ieder geval was deze showfilm volkomen run-off-the-mill. Zelfs geen Fred Astaire met een toch meestal onvolwaardige partner.
Hij ging de verlichte inham weer uit met meer haast. Hij had tot nu toe lopen sloffen. Hij nam de buitenbocht naar de brede brug met tramrails die naar links voerde. En dan naar rechts en weer dezelfde richting volgen. Nu heb ik aan mijn rechterhand de steile grasberm, die naar het water afdaalt. Er is nog gras, maar de struiken zijn skeletten, ook de stadse treurwilg, dadelijk op de hoek waar de storm binnenkomt en het drijfhout, dat niet goed op de opening van de brug gemikt heeft, energiek loodrecht op en neer beweegt. Dit komt van de rollende golven als ze ergens gevangen raken, dit domme op en neer gepomp. Wel, in ieder geval, de golven rollen binnen uit het westen, het is hier een punt met stijl, the most royal road into town, als er niet een eind verder die ellendig lage spoorbrug was, waar je in een skiff zelfs plat voor moet gaan lig- | |
| |
gen. Maar toch, de golven doen er wat aan in het donker, al zouden ze op zee nauwelijks golven zijn. Of ook wel?
Still, as a slave before his lord,
Het woord ‘blast’ maakt als altijd een dubbelzinnige indruk. Waarom? A ha, ik heb het, men zou kunnen vertalen:
Stil, als een slaaf staat voor zijn heer
vloekt d'oceaan geen enkle keer.
Hij begon te grinniken. Het was eigenlijk jammer dat zo weinigen dit zouden begrijpen, het was practisch een grapje voor persoonlijk gebruik. Grinnikend liep hij de brug af en stak de kade schuin over naar de meer naar rechts staande huizen, gedeeltelijk in de diepte gezakt met als gevolg een grote kuil met geplaveide bodem, waarlangs een zeer smal stukje trottoir liep. Daarover balanceerde hij, werktuiglijk naar de verlichte étalage van de boekwinkel lopend.
Ik kan me eigenlijk nauwelijks voorstellen hoe boekwinkels voor de oorlog er uitzagen, toen men nog geen plastickaftjes van pocketbooks zag. Of bestonden ze toch al? In ieder geval waren er ook toen de penguins. De Rotterdamse Stadsvlag! Maar dat waren alleen de detectiveromans. Verder warende meeste rood. Dat was ook de vlag van een land, maar hij wist niet meer van welk. In ieder geval was het rood in de vlag minder oranje-achtig. Weer een onopgeloste vraag, net als de Castor en Pollux-gravure.
| |
| |
Ik maak zo een omweg, ik kan beter oversteken. Over de glimmende keien komt net niets aan. Ik loop erover en sta op het vluchtheuveltje waar de tram langszij komt. Zou nu werkelijk dat meisje tegen me knikken? Donkere jas, doekje om het hoofd, slank, koffer naast zich, o het is Elida.
‘Dag Elida,’ o ja hoed afnemen, ‘knap me in het donker te herkennen, ik zag heel onbeleefd niets.’
‘Wat een weer hè?’ Dat is nu de ergste opmerking die gemaakt kan worden, het slaat mij met stomheid. Ik voel er het meest voor boos te worden, maar het gezicht in het hoofddoekje, dat geacht wordt touristische herinneringen op te wekken aan de hoofdstad van een naburige staat belet het mij toch.
‘Ja, ja,’ ik spreek zo binnensmonds mogelijk. ‘Ga je net deze stad verlaten terwijl ik er binnenkom, dat is jammer.’
Hier gaat zij natuurlijk niet op in, ik zal haar een vraag moeten stellen, ze is immers huisgenote van Hélène.
‘Vind je dat werkelijk,’ vraagt ze nu, ze geeft me toch antwoord.
‘Ja, zeker, vind ik dat, maar, als jij er niet bent, weet je dan soms of Hélène thuis is?’ Gut, wat onbeschoft, maar ik merk dat deze vraag veel voor mij betekent.
‘Ze is net weg, ze heeft dîner en vergadering met een dispuut’
‘Vakdispuut?’, nu komt het gesprek op non-committal niveau.
‘Nee, met mademoiselle de Lespinasse.’
| |
| |
‘Ha, met de oppositie.’ Voornamelijk de haat tegen een van de eerste praesides van de meisjesvereniging, maar het kan niet ontkend dat de aardigste en behoorlijkste meisjes erin zaten. Het kwam zelfs eens voor dat iemand geweigerd werd na een hospitium wegens hooggestemde, warhoofdige artistiekerigheid.
‘Daar horen we niet meer zoveel van.’
‘Jij bent van 1946, niet?’
Bij meisjes merkte men het jaarverschil veel minder, maar waarom ook, het spel kon niet altijd gespeeld worden, al zou het aardig zijn als ze het meespeelden. De besten deden het ook, bijvoorbeeld Hélène.
‘Dan heb je niet het enthousiasme van vlak na de oorlog hier meegemaakt. Iedereen wou heroprichten en alles weer als voor de oorlog maken. We hadden er in ieder geval veel plezier mee.’
‘Ja, ik hoor er meer die over die tijd nooit uitgepraat raken.’
Dit is een gevaar van polite conversation, als men iets heeft waar men prettig op door kan gaan, wordt men van enthousiasme of zelfs fanatisme verdacht. Een vlot gesprek is prettig en weert nu nog dat verslagen gevoel van leegheid af, dat dadelijk zijn volledige werking zal doen gevoelen, als de tram zich om de hoek vertoond zal hebben en in deze rechthoekige ruimte tussen gebouwen zijn gebogen lijn beschreven. Of is Elida beledigd, neemt ze wraak door iets snibbigs te zeggen?
‘Ik ben er zeker niet fanaat over en er was heel wat ambitieuze streverij bij, maar we hadden plezier. Zeg,
| |
| |
heel wat anders; jij studeert toch kunstgeschiedenis?’ Eén kans op de tienduizend dat ze het antwoord weet op de vraag, die komen gaat.
‘Ja.’
‘Weet jij dan soms misschien een laat 17e-eeuwse Franse graveur, die een plaat heeft gemaakt waarop je de Dioscuren op paarden in de lucht getekend ziet, in rare standen, die aanduiden dat ze tegelijk als sterrenbeelden bedoeld zijn?’
‘Dat zegt me allemaal niets. Waar heb je dat gezien, in het prentenkabinet?’
‘Nee, in een Minotaure.’ Daar heeft ze vast nooit van gehoord, als goede kunsthistorica.
‘Wat is de Minotaure?’
‘Dat was een Frans blad, voor de oorlog, erg mooi uitgegeven met prachtige foto's en reproducties. Er werkten surréalisten aan mee, maar helaas ook...’ Nu hoorde hij het onmiskenbare geluid van de tram, hij moest zijn zin snel afmaken. ‘...allerlei occulterige lieden. Daar is je tram.’
De tram toonde zijn neus en begon zijn bocht.
‘Ik heb het nooit gezien. Wel, tot ziens.’
Ze moesten een paar meter lopen naar het achterbalkon. Hij pakte haar koffer op en reikte die haar aan toen ze ingestapt was.
‘Dank je wel, dag.’
‘Dag.’
De conducteur roept iets joviaals en trekt aan zijn bel. Het balcon met treeplank schuift weg en wordt een
| |
| |
tramwagen. Ik blijf staan en wuif zelfs even, wat misschien overdoing it is.
Come, come, come let us start
everybody's overdoing it now.
|
|