het licht van Stalma was niet zomaar eens een lichtje en als men uit de zee het schijnsel te duidelijk kon zien, dan zouden de Boeglanders er zeker op af komen en dat zou niet veel minder dan een ramp zijn.
Ik stel voor, dat we die kom dan maar aan de zenith- of derde kwartierkant van het eiland uitdiepen, zei de secretarisvogel wijs en niet zonder trots in het rond kijkend, daar is het het rustigst. Gelukkig wees hij ook met zijn vleugel aan, welke kant van het eiland hij bedoelde en Stiemer verenigde zich daar mee. Het beste is, dat we onmiddellijk aan het werk gaan en aan deze kant van het eiland des nachts een groot vuur branden, zei hij, dan leiden we de aandacht van het licht van Stalma af en als de Boeglanders dan komen, en zien, dat het maar een gewoon vuur is, dat zoveel licht geeft, dan zullen ze misschien niet verder zoeken. Iedereen vond dit prachtig en een groot aantal dieren begaf zich reeds naar de andere kant van het eiland. Stiemer zette voorts zijn plan uiteen om de volgende dag met een groot aantal dieren op het vlot en het net, dat de vogels gemaakt hadden, de Kraalbocht in te gaan; dan zou hij zien Stalma te bewegen in het net te gaan en dan zou misschien de volgende dag reeds het einde van de gevangenschap van de wondervis in de Kraalbocht gekomen zijn.