Schrik en verbijstering midden in de kring
Middelerwijl had de kapitein van de Diepduiker een sloep laten uitzetten en met een paar officieren en enige matrozen was hij aan boord daarvan gestapt, om zich naar het midden van de kring te begeven en eens te zien, of de vissersschepen en de andere vaartuigen, die naar Stalma zochten, al opschoten. Het was niet eenvoudig om die schepen te vinden, want de mist was erg dik. Een vreemd, trompetterachtig geluid, waarvan niemand de herkomst goed kon bepalen, wees hen echter de weg. Daar zijn ze, riep de kapitein uit, ze proberen onze aandacht reeds te trekken. Ik denk, dat ze iets ontdekt hebben. Dat zou verbazend prettig zijn, meende een van de officieren, want het is hier een oord, waar men niet gaarne lang vertoeft. Het is toch een vreemd geluid, dachten de anderen, toen het getrompetter zich steeds herhaalde. Misschien is er wel iets heel wonderlijks gebeurd. Ongemerkt naderde de sloep zo het vlot met de dieren, die niets merkten en door hun oogharen neerslachtig in de mist zaten te gluren. Plotseling botste de sloep tegen het vlot en een van de matrozen, denkende, dat dit een tros of een kabeltje was, greep ferm.... de staart van een leeuw, welke dit dier in het water deed hangen.
De leeuw schrok zich een ongeluk en begon onmiddellijk zo hard hij kon te brullen. De andere leeuwen volgden hem daarin en ook de olifanten begonnen zo veel mogelijk lawaai te maken en bovendien wild te springen. Zoals de Boeglanders in hun sloep schrokken, was nog nooit in de gehele geschiedenis en waar ook ter wereld, iemand geschrokken. HWOEIDRNUK...., riep de kapitein en hij verloor vervolgens zo snel het bewustzijn, dat hij geen gelegenheid vond zijn ogen te sluiten. De matroos, die de leeuw bij zijn staart had gepakt, werd op hetzelfde ogenblik zo hard en zo stijf als een balk en kon de staart niet meer los laten, wat hoogst ongemakkelijk was voor de leeuw, die dan ook steeds harder begon te brullen, zonder nochtans om te durven kijken. Een van de officieren begon een liedje te zingen, dat hij op de lagere school had geleerd en al lang was vergeten, van ‘zeven eitjes in een donzen nestje’ en anderen riepen luid ‘te paard’, of ‘dit keer is alles in orde’, maar aangezien niemand verder iets deed en de leeuwen maar bleven brullen, doch verder ook op hun plaats bleven, was het duidelijk dat het een buitengewoon afschuwelijke toestand was.