| |
| |
| |
Vierde periode
| |
| |
Vierde periode
(12 Juli 1899-3 Augustus 1899)
[Ongedateerd]
O, Willem, Liefste! Ik ben nog heelemaal onder den heerlijken indruk van de laatste dagen! Ik kan je niet zeggen, hoe onuitsprekelijk-dankbaar ik je ben, dat je bent gekomen. O, Willem, heusch, het was juist het goede oogenblik, want ik was wel wat over de melancholie van een poosje geleden heen, maar toch geloof ik niet, dat ik genoeg innerlijke kracht bezat, om mij er aldoor boven te houden. Maar nu ben jij gekomen, en hebt me weer sterk genoeg gemaakt, om mijn gedachten te bedwingen, en dat vind ik zóó heerlijk! 't Waren zulke éénig-prettige dagen, waren 't niet? Ik ben zoo blij, dat ik weer eens met je heb kunnen spreken, en dat daardoor allerlei dingen opgehelderd zijn en ik ze anders in ga zien, wat door schrijven-alleen niet mogelijk zou zijn geweest. Ik vond 't een zaligheid, dat je er was, Willem! 't Zou natuurlijk altijd heerlijk zijn geweest, maar nu was 't zoo bizonder, zoo buitengewoon, omdat ik juist in mijzelf zoo'n droevigen tijd had gehad. Alles kwam toch ook wel prettig bij elkaar, vond je niet? 't Was aldoor zulk heerlijk weer, we waren heelemaal vrij, en jij kon nog een dag langer blijven! O, vond jij óók niet, dat alles heerlijk was? Ik ben ook zoo blij met je verzen, Lief! Ik vind 't zoo heerlijk, ze telkens en telkens weer over te lezen, vooral ook het laatste, dat je me gisteren gaf. Ik denk, dat ik Maandag mijn bundel aan Veenstra ga brengen, tenminste als ik dan klaar ben met verzen copieeren. Dan kan ik daarna al mijn tijd aan Walden geven; het duurt wel lang, eer ik het boek terug-krijg. Ik gaf het hem voor het vertalingsrecht, maar in het reglement, dat je meebracht, stond immers, dat de boeken na twee dagen worden terug-gezonden?
Heb je nog iets van het onweer gemerkt, Lief? Het begon, kort
| |
| |
nadat ik thuis was gekomen; jij zal toen misschien al dicht bij Amsterdam zijn geweest. Maar het is nu toch weer even warm als de vorige dagen.
O, Lief, ik ben zoo verlangend naar je brief, die, denk ik, vanavond wel komen zal. Want ik wou, o, zoo graag weten, of je 't ook zoo prettig had gevonden als ik. Dag, lieve, goede Allerliefste!
Een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Villa Parkzicht
12 Juli 1899
Allerliefste Schat, heerlijkste en innigste,
Zoo ben ik dan weer in Bussum terug. Het is kwart over twaalven, maar ik voel, dat ik niet met een gerust gemoed naar bed kan gaan, vóórdat ik je even een briefje geschreven heb. Ja, ik voel behoefte, om je even te danken voor de heerlijke drie dagen, die je mij in den Haag hebt bereid. Ik ben een mensch, die van nature meer inwendig dan uiterlijk leeft, en misschien heb je wel gedacht door de kalme manier, waarop ik met je omging in die drie dagen, dat mijn samenzijn met je betrekkelijk weinig indruk op mij maakte. Ik bedenk me dat, nu ik hier weer eenzaam zit op mijn kamer, en ik de emotie in me voel opkomen, hoe langer hoe sterker, nu ik merk aan de trilling, die door mijn heele Zijn gaat, hoe diep ik inwendig ontroerd ben geweest, o, dien zoo korten en toch zoo vollen en heerlijken tijd! Jeanne, liefste Jeanne, ik moet het je zeggen, ik voel het in me opdringen algeweldig, dat ik jou liefheb, geheel en volledig, zonder eenig voorbehoud, zonder een bedenking, en dat ik weet, dat ik jou altijd liefhebben zal, zonder vermindering, zonder terugval. Jeanne, Jeanne, jij bent mijn Alles, mijn Zielsheil, en al zou je van mij eischen, dat ik mijn hoop op een leven-na-dendood op zou geven voor de voortdurende zekerheid van jouw liefde, dan zou ik zeggen met een zaligen glimlach: Voor jou, onuitsprekelijke, heb ik alles over, voor jou wil ik de eeuwige vernietiging ingaan. Ik heb jou lief, o, mijn Jeanne, jou lief zonder beperking en jou geheel alleen. O, ik ben zoo bang, lieve Jeanne, dat je mij
| |
| |
een beetje droog hebt gevonden, een beetje kalm-zielig, een beetje banaal-bedaard. Maar inwendig ben ik niet zoo, nooit zoo tegen jou. O, als wij maar eens met zijn beiden waren, in een groot, groen bosch, waar geen sterfling nog kwam. Ik zou voor je gaan liggen, rechtuit op het mos, en ik zou je toeroepen met teedere stem: Jeanne, Lief, bewijs mij die ééne genade, ga over mij loopen, ga over mij dansen, iedere aanraking van je, ook de pijnlijkste, ook de vernielendste zal mij een hooge zaligheid zijn. Jij alleen bestaat, jij bent het, jij blijft het, en geen enkle andre is het ooit geweest nog, en geen enkle andre zal het ooit zijn. O, Jeanne, kan ik je dan niet het vaste gevoel geven en de, zoo ik hoop, je voor-goed gelukkig makende overtuiging, dat ik alles van je liefheb, alles zonder uitzondering, dat ik je liefheb, geheel zooals je bent, en dat mijn gevoel voor je eeuwig zal duren, omdat jij jij bent, omdat jij bent naar ziel en lichaam tot in de kleinste dingen, precies zooals de vrouw moet wezen, waar ik voor neer kan vallen in verrukking, waar ik mij aan overgeef in hartstochtelijke vereering in een eindloos-devoot gebed. Jeanne, je moogt mij vermoorden, je moogt me vernietigen, als ik maar weet, dat je 't dan uitgilt van vreugd. Jeanne, Jeanne! ik zal je gelukkig maken; je kunt het niet zoo gek bedenken, of ik heb het voor je over, voor jou, allergenadigste, heb ik het over, voor jou, voor jou, absoluut-alleen. Ik ga nu naar bed, - o, mocht ik van je droomen! - Weet, dat er een mensch is, een man, die volkomen weet, wat hij zegt, en die jou meer dan zichzelf respecteert. Innig kust je jouw slaaf
Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, Liefste! Wat heb je me goddelijk-gelukkig gemaakt met je brief, dien je gisteravond nog geschreven hebt. Want o, ik vind het zoo verrukkend te hooren, dat jij 't óók heerlijk hebt gevonden in dien tijd, want voor mij waren 't zalige dagen. Willem, ik zeg je nog eens, dat ik je onuitsprekelijk-diep dankbaar ben, dat je bent gekomen. Want ik voel 't nu beter en meer dan ooit, dat je van me houdt; ja, ik voel het; ik begrijp het, ik gelóóf je nu, - ik vertrouw je, Willem! absoluut en voor altijd vertrouw ik je, en nooit meer zal er door mijn eigen gedachten twijfel in mij kunnen ontstaan. O, Willem, begrijp je niet, hoe het me zalig maakt, dat
| |
| |
ik nu kan gelooven, - begrijp je niet, dat die twijfel in de allereerste plaats mijzèlf wanhopig en ellendig maakte? En daarom ben ik zoo ontzettend-blij geweest, dat je juist nú bent gekomen, nu ik, méér nog dan door geschreven woorden mogelijk was, de overtuiging noodig had van je stem en je blik. Begrijp je nu, waarom je woorden en je verzekeringen me zoo wonder-gelukkig hebben gemaakt? Want, o, Willem, ik houd zoo van je, met alles wat in me is, - alles dringt me je lief te hebben, tot mijn eigen heil. En daarom waren mijn gedachten, die ik-alleen niet verbannen kon, me zoo'n vóórtdurende foltering. Ik was zoo blij, dat ik spreken mòcht, dat ik niet hoefde te zwijgen, en vooral, dat jij me zoo antwoorden kon, als je me hebt geantwoord, Lief!
Willem, hoe kan je zeggen, dat je kalm-zielig en bedaard ben geweest! Je was zoo heerlijk-lief, zoo troost-gevend, zoo opbeurend, zoo in alle opzichten zooals ik het 't liefst had gewild. Je hebt me zoo rustig-blij en zoo zeker van je gemaakt, door al wat je hebt gezegd.
Ik ben zoo ontroerd-gelukkig geworden door je brief. 't Geeft me zoo'n gevoel van innige, onuitsprekelijke vreugd, dat jij 't ook genotvolle dagen hebt gevonden, toen we samen waren. Ik vind 't goddelijk-lief van je, dat je me zóó gauw geschreven hebt! O, wat is alles toch heerlijk geweest!
Dag, eenige Liefste!
Met innig-teedere zoenen
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
13 Juli '99
Eenige, Allerliefste,
Je zult me, denk ik, wel niet flauw of zwak vinden, dat ik nu dadelijk weer aan je schrijven ga. Ik moet het doen, want alles in mij dringt geweldig naar jou heen: ik zou niet meer buiten je kunnen, nooit; ik voel het zoo diep-innig, zoo onwederlegbaar, nu je weer heelemaal in de verte bent. O, nu weet ik pas, wat liefde is: ik heb het nooit geweten tot dusver, want nog nooit was mijn diepste
| |
| |
Zijn zóó ontroerd. Mijn verlangen, mijn smachten naar je heerlijke nabijheid doorvlamt
mij als een smart; maar toch daar doorheen, door de smart van 't weer plotseling alleen zijn heen, jubelt hoog-op de bedwelmende vreugd, dat ik eens voor goed met je samen zal mogen zijn, dat je dan stil en vertrouwensvol je goddelijke hand zult leggen in de mijne, en mij zult zeggen: ‘Willem, ik heb je lief!’ O, Jeanne, ik zal voor je wezen als een rots van standvastigheid, maar die voor jouw aanraking alleen als was wordt, waar je in kunt griffen wat je wil. O, je kent mij nog maar half, ik kende mijzelf nog maar half: ik zal als een kind wezen, dat vroom in je gelooft, en waar je mee doen kunt, precies wat je wilt. Voel je nu, onvergelijkelijke, dat ik me aan je weg-geef, dat je mij maken en breken kunt? En geloof me, dit is geen zwakheid van me: want zoo heb ik nog nooit tegen een ander gesproken, nooit heb ik me dat door iemand anders laten doen. O, de inwendige kracht, die ik in mij weet, die zal geheel voor jou zijn, die zal om je heen wezen en hoog boven je hoofd, als een zuilengalerij, die rijst langs je zalige leden, en waar je doorheen wandelt je heele leven, trotsch als een vorstin, in uiterlijk-kalme, maar inwendig heerlijk-geëmotionneerde pracht. Jeanne, maak toch, dat je in Bussum komt, mee met je Ma, als die komt in Augustus. O, die gedachte, dat je zal komen, geeft me zoo'n kracht! Toen ik gisteravond in den trein zat, maakte ik mij plotseling ongerust, dat je misschien geen rijtuig zou kunnen krijgen, maar ik bedacht me toen, dat je wel met de stoomtram zou kunnen gaan. Dat heb je ook zeker gedaan, hè, Lief? Dan wou ik je nog iets zeggen, ik had toch eigenlijk wel graag, dat je mij den ring kon sturen; ik vind het prettig om hem te dragen als een rustig-vast symbool, dat ik altijd vlak aan mij voel, dat ik voor eeuwig één met je mag zijn. Misschien wil je hem dus wel
sturen, maar maak er dan een gewoon pakket van door opvulling met papier bijv. van de grootte van een boek, en lak het dan van alle kanten met je cachet bijzonder goed dicht, en zend dan, nog afgescheiden daarvan tegelijkertijd een brief, waarin je schrijft: Tegelijk met deze verstuur ik ook den ring. Wil je dat doen, Lief? En doe dan de verzen van je, die ik Maandag mee-bracht óók daarbij, in het pakket van den ring bedoel ik natuurlijk.
O, de verrukkende gedachte, dat je één met mij wilt zijn door ons heele leven! Je zult er nooit berouw van hebben, dat zweer ik je, Lief, en dat weet je ook, geloof ik, wel. Vlekkeloos-trouw en
| |
| |
absoluut-zuiver heeft jou in heden en toekomst lief, zonder beperking, zonder einde
jouw eigen Willem
| |
Bussum, Parkzicht
13 Juli '99
Eindelooze Schat,
Zooeven, acht uur 's avonds, kwam je heerlijke brief. Ik ben nu plotseling zoo diep-blij geworden, omdat ik er uit las, dat mijn bezoek je niet te leur heeft gesteld. Eigenlijk was ik achteraf een klein beetje bang, dat je mij wel wat strak had gevonden. Want ik ben niet een mensch, die zich zoo bijzonder makkelijk uit, en tot uiterlijk vertoon, tot veel gespreek of beweeg, daar kan ik bijna nooit toe komen. Nu heerscht er tusschen jou en mij wel, geloof ik, nooit een pijnlijk-voelbaar stilzwijgen: de woorden komen mij vanzelf naar de lippen, omdat ik je zoo liefheb, maar mijn intieme gevoeligheid bij zoo'n samenzijn, blijft toch altijd meer verborgen, dan dat ik het heelemaal uitspreken kan. Ik schrijf je dit maar, precies zooals het is, opdat je nooit zou denken, dat er inwendig niets in mij leeft, al uit ik mij niet in rijkdom van woorden.
Hierbij sluit ik een vers voor je in. Ik heb onafgebroken vandaag aan je gedacht: ik kon niet goed werken: ik was te vol van jou. Ik leefde als het ware in een aparte atmosfeer, die vast om mij heen sluitend en door mij alleen bespeurbaar, door jouw heilige essentie gedrenkt was, en waar ik mijn ledematen in beweeg als in een mystisch bad van geluk. En nu, na je brief, is dat zóó sterk geworden, en ik weet mij niet anders uit te drukken, als: Jeanne, ik heb je hartstochtelijk lief! O, Jeanne, Lief! als je weer eens wat melancholisch mocht worden, lees dan dezen brief over, want ik hoop zoo, dat je dan wat rust zult vinden in het zekere bewustzijn, de vaste wetenschap, dat je zoo'n macht hebt over je aanbiddenden levensgezel. Vergeef mij dit laatste woord, dat ik mij daar ontsnappen liet: het klinkt mij plotseling als een allerbanaalste innigheid uit een moderne rederijkershuislijkheid. Maar eigenlijk ben ik blij, dat ik het mij ontvallen liet, want ik word door dat malle woord, dat mij ontschoot, opeens weer wat luchtiger.
| |
| |
Onweer heb ik niet gehad; de menschen in den trein spraken er wel over, dat het kon komen, maar ik ben toch droog in huis geraakt.
O, 't is zoo goddelijk, dat wij later altijd samen zullen zijn! Je zult aan mij, heusch! zoo'n makkelijk mensch hebben, want ik ben in den daaglijkschen omgang verschrikkelijk geduldig en goedig en zacht. Ik kan intens genieten van kleinigheden en een goede bedoeling is mij alles waard.
O, Jeanne, je bent een wonder van een vrouw! Er zit niets banaals in je en niets onechts, en je kunt als je 't noodig vindt, ook handelend optreden. Je hebt den moed van je opinie en den wil van je verlangen, en hoe weinig Hollandsche vrouwen hebben dat óók!
Het is nu tien uur 's avonds, Lief, ik ga nog even dezen brief wegbrengen, dan krijg je hem waarschijnlijk morgen op den middag.
Geloof mij in alles en voor altijd te zijn
jouw eigen Willem
En zei: Blijf maar smachten,
Want al mijn mooie prachten
Staan bóven jouw trachten.
Gij moogt mij slechts ‘achten’.
| |
Bussum, Parkzicht
13 Juli '99
Ziezoo, verrukkelijke Schat, ik ben nog even naar de post geloopen, en ga nu maar weer even door. 't Is bij elven, en zoo meteen komt Verster nog wat praten, heeft hij gezegd. Dus, vóór hij er is, kan ik je nog even voor de honderdste maal verzekeren, dat ik je liefheb opperst-volkomen, met mijn gevoel en mijn gedachten en mijn zenuwen, en dat die liefde-voor-jou-alleen wordt gerechtvaardigd in alle opzichten door mijn subtiel-onderzoekende verstand. Mijn liefde is zonder voorbehoud, omdat zij, zooals ik zeg, zelfs gerechtvaardigd wordt door mijn koelst beschouwende verstand. Jij bent mijn Liefde, omdat uitsluitend jij 't kan wezen, aan
| |
| |
wie ik me overgeef geheel en al. Jij hebt me, weet dat wel, Lief, - en twijfel er nooit meer aan! jij hebt mij voor goed, en er schuilt in mijn geest, terwijl ik dit zeg, geen enkele achtergedachte van: Hoe zal dit gaan? en: Hoe zal dat wezen? Want, lieve Jeanne, je bent niet alleen ontzettend fijn-gevoelig, je bent ook verstandig, je bent ook redelijk, je gaat niet blindelings door, zooals andere vrouwen op een eens opgevat, maar door de feitelijkheid niet gerechtvaardigd standpunt, op een momenteel gevoel, neen, je hebt ook het zuiver-redelijke, objectieve inzicht als van een eerlijken en logischen man.
Vind je mij nu misschien àl te wijs, of kan je het er mee eens wezen? Ik geloof het haast wel, want ik tracht er alleen maar mee te zeggen, dat je, in 't abstracte genomen, meer nog een waarachtigcompleet mensch bent dan een eenzijdige, subjectieve vrouw. En daarom ook juist waardeer ik je des te meer; want ik weet zeker, dat ik later over allerlei praktische kwesties met je zal kunnen spreken en beraadslagen en je oordeel inwinnen, waar de mannen de vrouwen meestal geheel en al buiten laten, omdat het vrouwelijk verstand de dingen dikwijls te subjectief ziet. Of vind je 't misschien prettig, dat ik zoo denk, en begrijp je, dat ik je daardoor juist op je volkomen waarde schat?
Maar ik begin eigenlijk een beetje zwaar te worden, vind je óók niet?
Laat ik daarom gauw van die abstracties weg-gaan, en je iets anders zeggen, wat ik evenzeer meen en wat je kan klinken in je stille leven als ontroerende muziek. Jij bent de liefste, de zuiverste, de hoogste mensch, dien ik ooit in mijn leven heb ontmoet. En ik ben zoo zielsblij, dat je mij toestaat je gelukkig te maken door de macht mijner liefde, die ik gedacht had alleen maar aan abstracte dingen te kunnen geven: aan de kunst en mijn gedachten-wereld en die ik nu levend en menschelijk-bewogen mag laten worden voor jou, levend mensch! O, Jeanne, je mensch-zijn heb ik zoo innig lief! Ja, voel je niet, Jeanne, dat ik je liefheb in de eerste plaats als mensch en niet als vrouw alleen? En dat mijn gevoel voor jou dus veel echter en dieper is, dan dat van andere mannen voor hun vrouw?
Teeder kust je, in gedachten, goeden nacht, o, eenig lieve en vereerde mensch!
jouw eigen Willem
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
Liefste, mijn Eenige! Wat maak je me toch wonder-, wondergelukkig met je brieven! Al je woorden zijn me zoo dierbaar en lief, en geven me zoo een groote en heerlijke vreugd. Lief, dat ik nu weet, nu voel, nu begrijpen mag, dat je niet alleen in 't heden van me houdt, maar dat dit ook in de toekomst zoo blijven zal ... dat jij van mijn liefde, zoowel als ik van de jouwe alle heil verwacht... dat wij, door eigen, vrijen wil, ònscheidbaar verbonden zijn voor altijd en altijd, - door àlle tijden heen! Mag ik zoo spreken, Lief? O, Willem, ik zeg je, ik durf het hoog geschenk van je zelf te aanvaarden, omdat ik jou hetzèlfde geef: mijn leven geef ik je, mijn heele Zijn, mijn àlles geef ik je, - in goddelijk-zalig geluk, dat te kunnen doen, dat te mogen doen. Mijn kracht, mijn wil, mijn gedachten zijn voor jou, absoluut, uitsluitend en alleen voor jou, - er zal nooit iemand zijn, er is zelfs nooit iemand geweest, die ook maar het kleinste deeltje van mijn Zijn in zijn bezit heeft gehad. Alles is voor jou, Willem, àlles! Volkomen, onverdeeld en voor altijd behoor ik je toe, - met alles wat ik ooit geweest ben, ben, of worden zal. O, Willem, wat ik geven kan aan liefde en teederheid, dat heb ik, wachtend op wie het waardig zou zijn, diep in mijn ziel bewaard, - en daarom, Lief, kan je er zoo zeker van zijn, dat jij alles van me hebt, en altijd hebben zal, - en dat mijn zielsovergave volkomen is en altijd-durend en altijd-dezelfde-blijvend. O, ik heb je lief! en ik wensch niets meer, ik verlang niets meer dan de wetenschap, dat jij óók van me houdt! O, Lief, Lief!
Willem, mijn liefde voor jou wordt altijd nog vaster en dieper en inniger in me, en weeft zich al sterker ineen met mijn leven. En dat maakt me al blijder en rustiger en gelukkiger, begrijp je dat, Lief?
Ik zal je den ring sturen, precies op de wijze zooals je er om vroeg. Van Kempen stuurde ze vanmorgen al, gauwer kan 't al niet, hè? De verzen krijg je dan tegelijk; ik denk ze Maandag wel overgeschreven te hebben, dat is tijdig genoeg voor den ring, is 't niet? O, ja, ik heb je manchet-knoop gevonden op mijn kamertje, en zal dien er dus ook bij doen.
Dag, Liefste, Liefste. Ik leg mijn wang tegen de jouwe aan, en kus je, heel even, zacht.
jouw eigen Jeanne
| |
| |
| |
Parkzicht
O, Liefste, ik voel het zoo: ik was rustig-onverschillig voor alles geworden buiten mijn eigen ziel. Maar jij hebt mij, en voor goed, weer werklijk-levend gemaakt, zoo werkelijk levend en gevoelig en menschelijk, als ik tot dusverre nog nooit in mijn leven had kunnen zijn. Voel je nu niet, dat je een roeping vervult, een roeping, die je diepste bewustzijn kan versterken, die je kan verheffen boven al het onaangename en hinderlijke en kleine van het gewoon-banale leven? Als ik nu eens erge moeiten heb, zooals je weet, dat ik wel eens heb, dan denk ik toch altijd: Nu ja, maar Jeanne, de goddelijke Jeanne, die heb ik, die houdt van me zooals ik ben, en zooals ik van háár houd. En dan glimlach ik weer en draag alles getroost en overwin ten slotte door mijn door-jou-verdubbelde kracht. O, lieve, lieve, dierbare Jeanne, mijn eenig-waarachtig geluk!
Er komen 16 pagina's vers op jou in de N.G. dit keer.
Geheel en al zich overgevend aan jou-alleen kust je zacht je je
eeuwig-liefhebbende Willem
Breng je mijn hartelijke groeten over aan je Mama en mijn vriendelijke toegenegenheid aan Jacq, met dank voor de heerlijk-gezellige ontvangst?
| |
Bussum, Parkzicht
14 Juli '99
O, Lief, ik schrijf altijd maar door aan jou. Dat zal nu morgen of zoo wel weer zijn gewonen gang gaan als ik weer wat meer aan je afwezigheid ben gewend. Maar op het oogenblik kan ik mij niet inhouden: de overgang is ook zoo geweldig en verschrikkelijk van het één-zijn met jou tot de eenzaamheid. Ik heb je geschreven, dat je voor altijd zeker van mij kunt zijn, en in je brief, dien ik juist kreeg, toen ik mijn vorige op de post ging brengen, schrijf je mij, dat je al zeker bent nu, dat je niet meer aan mij twijfelt, en dat je dat zoo gelukkig maakt. 't Zal je dus rustig-aangenaam stemmen te merken, dat je niet in 't wilde hebt gepraat, maar dat de inwendige werklijkheid-in-mij precies zoo is als jij haar voelt. En ik zeg je daarom nóg eens: mijn leven ligt geheel en al in jouw
| |
| |
handen, ik ben absoluut en voor altijd in jouw macht. En ik zeg je dat, zonder dat er een enkele gedachte in mij is, die zich daartegen zou verzetten, ik offer mijn eigen ikheid op, in hoog-zalige, geruste verrukking, voor jou-alleen, want ik weet, dat je mij niet minder zult maken, maar alles zóó zult laten als het is, wat jij goed en aardig vindt en prettig en lief. Ik mag nu voor jou zijn en ik wil nu voor jou zijn, met mijn kracht en mijn teerheid, mijn verstand en mijn hart. O, Jeanne, ik vind het ook zoo heerlijk en goed, dat ik aan mijn plotseling-opkomenden zielsdrang gevolg heb gegeven, en bij je gekomen ben opeens. Ik klem mijn tanden op elkaar, terwijl ik dit schrijf, en mijn oogen voel ik schitteren van diepe blijdschap, nu ik door je eigen woorden hoor, dat mijn bezoek je goed heeft gedaan. Want nu weet ik, dat ik iets kan zijn in je leven, en dat mijn sterke wil om je gelukkig te maken ook een waarachtige werklijkheid worden zal. Want ik wil en zal je gelukkig maken, met alles, alles, wat in mijn macht is, met alles, wat je maar bedenken kunt. O, jij maakt mij ook door jouw heele Zijn zoo gelukkig en sterk en wilskrachtig en flink! Ja, Liefste, wij zijn voor elkander en wij blijven voor elkander, en zullen altijd voor elkander zijn, en ik dank je heel innig, met nederige blijdschap, dat je mij toestaat om dat te zeggen. Je kunt absoluut en in alles op mij rekenen, en er is geen gedachte in mijn geest, geen druppel bloeds in mijn lichaam, dien ik niet overheb voor jou. En wees nu gerust: ik zeg dit niet in stille gelatenheid, in weeke zelfopoffering, neen, ik zeg het en meen het, met glanzende oogen, met een blijden, krachtigen wil.
O, Jeanne, heerlijke Jeanne, leer je mij nu langzamerhand een beetje voelen? Ik heb nog nooit me zóó tegen je uitgesproken, zoo kùnnen uitspreken: ik voelde het vroeger allemaal diep-inwendig, eigenlijk al vóór onze persoonlijke kennismaking, maar het kwam niet zóó duidelijk in mijn bewustzijn, het kwam niet tot woorden. Alleen in mijn verzen kwam het er een beetje uit: maar nu ben ik zoo blij, dat ik het, zonder eenige speling van fantasie, in gewoon proza tegen je kan zeggen: mijn ziel, mijn geheele menschelijke Zijn behoort uitsluitend en alleen aan jou.
Nu moet ik gaan werken, Lief, vanavond schrijf ik hier nog wel wat bij. Van dien ring is natuurlijk goed zoo, maar staat jouw naam er wel goed-gespeld in? Daar dacht ik aan, toen ik weer in Bussum terug was. Dag, Lief, tot vanavond. Dan breng ik deze zoowat om tien uur op de post.
| |
| |
Het loopt tegen etenstijd. Ik ga nu nog even door. Ik maak me wel eens bezorgd over jouw vertalen van Walden, Lief! Hoe zal je 't er af brengen, arme Schat? Het resultaat zal natuurlijk heerlijk zijn, namelijk dat ik in den Haag kom wonen, en altijd bij je kan zijn, als je het verlangt. (Niet zoo dikwijls als ik wil, natuurlijk, want ik zou wel altijd bij je willen zijn. Maar dat komt later dan wel, durf ik gelooven, nu mijn komst je pleizier heeft gedaan.)
(Hiertusschen in heb ik gegeten; nu begin ik weer.)
Dat je mij dat geschreven hebt, maakt me zoo blij. Want nu weet ik, dat ik meer dan een fantasie voor je ben geworden, en dat de werkelijke Willem meer waarde voor je heeft dan de persoonsverbeelding van je brein. Daar was ik in den beginne wel eens bang voor; ik dacht dan: nu ja, ze heeft een fantasie lief, en die knoopt ze nu vast aan mij. Maar nu voel ik, dat je den Willem, den mensch, die ik ben, zelven aanhangt, en dat je fantasie je niet meer voldoet. Heusch, Lief, je zult aan mij honderdmaal meer hebben, dan een fantasie bij mogelijkheid voor je kan zijn.
O, je bent zoo goddelijk-lief om te vragen in je brief, dien ik vanmorgen kreeg: Mag ik zoo spreken, Lief? waarmee je bedoelde dat ‘onscheidbaar verbonden, door alle tijden’, waar je mij zoo onuitsprekelijk gelukkig mee hebt gemaakt. O, ik zou het wel willen uitgalmen van vreugd! Ik zit nu op mijn stoel natuurlijk en om mij heen is de lucht, maar ik heb een gevoel alsof de lucht de lucht niet is, maar wel jouw armen, in wier zachte ronding ik lig. O, Jeanne, ik ben zoo zalig verliefd op je, en zoo gelukkig, dat ik verliefd op je mag zijn... Want dat mag ik toch wel een klein beetje zijn, is 't niet, lieve Lief?
O, ik wou, dat je eens je schoen en je kous uittrok, dan zou ik je voetje grijpen met beide handen, ik zou het zoenen, ik zou het opeten, ik zou mijn heele gezicht er mee verwarmen, het drukkend overal tegen aan. Voel je nu, dat ik je liefheb, je heele Zijn, dat er niets aan je en in je is, dat ik niet hartstochtelijk liefheb?
O, mijn teerheid voor jou maakt mijn heele ziel zoo ontzettend gelukkig. Ik voel me sidderen, wijl ik zit op mijn stoel, van verlangen naar je bijzijn: er is in mijn heele gevoel niets banaals of grofs of ruws, dat heb je al wel gemerkt. O, je neemt mij nu, Jeanne, - maar ik smeek je, laat mij nooit meer los, nooit meer, nooit meer! Ik zweer je, mijn gevoel voor jou zal zijn als een zee, op wier golving
| |
| |
gedragen je niets zult weten als dit ééne: Willem is heelemaal van mij, hij gaat in mij op, zooals ik in hem. O, wat is het leven verrukkelijk!
Nu, Jeanne, breng ik dezen gauw naar de post.
Met mijn heele zijn
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, ik dànk je voor je pràchtige vers, dat ik vanmorgen vond in je brief. Je verzen maken me zoo blij en gelukkig en trotsch, - ik wou, dat ik je beter, duidelijker kon zeggen, hoe groot de vreugde is, die ze me geven.
Willem, als jij de macht gebruikt, die wij beiden weten, dat je over mij hebt, dan kan je me heelemaal vormen naar jouw wil, dan kan je heelemaal van me maken, wat je wenscht, dat ik ben. Jij bent de uitsluitend-eenige, aan wiens macht ik me wil overgeven, door wien ik me wil laten leiden, aan wiens oordeel ik me toevertrouw. Jij bent 't aan wien ik mijn lot heb weg-gegeven voor altijd, met een heilig geloof en een opperst vertrouwen, jij bent 't, die over mijn toekomst beschikt! O, Lief, dat ik nu niet langer alleen de verantwoordelijkheid draag van mijn gedachten en mijn daden, - dat jij me, door je goeden invloed helpen wilt, de slechte dingen in me heelemaal weg te maken, zoodat het goede, dat toch zeker ook wel in mij is, de overhand verkrijgt. O, Lief, ach, ik hoef 't eigenlijk niet meer te zeggen, want je weet 't wel, maar toch zal ik 't nog even doen: al 't verdriet, dat ik je heb aangedaan, of misschien nog veroorzaken zal, heeft nooit (en zal die ook nooit hebben) een willekeurige oorzaak gehad. Geloof me, Willem, dat ik, vóór ik sprak, veel langer en dieper verdriet heb gehad, dan jij, die 't alleen maar voelde op 't moment, dat 't door mij werd geuit. En als ik niet zoo innig van je hield, zou twijfel aan jouw liefde me toch nooit zoo martelen?
O, ik wou, dat je nog hier was, en tegenover me zat in dien stoel, en me aanzag en tegen me sprak en lachte, - maar ik wil er heelemaal niet over klagen dat het zoo gauw voorbij is gegaan, want het waren zulke eenig-verrukkelijke, goddelijke dagen! O, ik hoop zoo, dat Mevr. B. Ma, Jacq en mij in Augustus logeeren kan, -
| |
| |
wat zal dat dan weer een zalige tijd worden, Willem! Ik bèn Woensdagavond met de stoomtram naar huis gegaan; hij stond klaar en ik stapte vlak bij huis uit.
Dag, mijn Allerliefste, mijn éénige Lief! Met een innig-hartelijken bedank-zoen voor het heerlijke vers
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, wat heeft je laatste brief me diep ontroerd. O, Willem, 't stemt me zoo blij, dat je dat alles tegen me zegt, omdat je gelooft, dat mijn verstand het bevatten kan. Willem, moet ik je nog zeggen, dat het me goddelijk-trotsch en hoog-gelukkig maakt, dat je zóó over me denkt en zóó tot me spreken wil? Liefste, ik geloof, dat nu ook nog je meening over mij te goed en te liefderijk is, maar ik geloof ook werkelijk, Willem, dat ik eenmaal worden kan door jouw invloed en jouw hulp, wat je nú al denkt, dat ik ben. Ik heb je wel eens: Leider-van-mijn-Leven genoemd; o, Willem, blijf dat voor me, altijd en altijd, en ik verzeker je, dat ik dan eenmaal de macht zal krijgen, jou 't zelfde geluk te geven, dat jij mij bereidt.
Willem, wat het was, weet ik niet, maar ik voelde aldoor nog iets, wat me belette, me aan mooie toekomst-droomen over te geven, en dat is nu weg. Willem, ik ben heelemaal vrij van twijfel en angst: ik ben gelukkig nu. Ik zeg het zoo kalm, Lief, hoewel ik hevig geëmotionneerd ben inwendig, - maar juist daaraan kan je merken, dat het geen phrase is, maar de diepe, dankbare erkenning der rustige, kalme zaligheid van mijn gemoedstoestand. Ik heb je lief, en al meer en meer geef ik mij over aan mijn gevoel, - ik houd mij niet meer terug, zooals ik dat onwillekeurig en zonder het te weten, een langen tijd heb gedaan; ik laat mij heelemaal gaan op den zaligen stroom van mijn verrukkende gedachten.
Mijn innerlijke schroom is weg, doordat je mijn twijfelingen en angstige vermoedens kwam weg-redeneeren; ik sta nu zoo klaar en open en zuiver tegenover je, met absoluut geen verborgen bedenkingen meer; ik heb me heelemaal tegen je uitgesproken, en door je antwoorden ben ik zóó geworden, als ik nu ben. Willem, ik houd van je, ik vertrouw mijn leven aan je toe! mijn heele toekomst zal aan jou zijn gewijd! Ik durf nu gelukkig te zijn, ik durf nu van mijn geluk te genieten!
| |
| |
Willem, Liefste, zeg toch nooit, dat je niet expressief genoeg bent geweest, toen je hier was in den Haag. Ik weet 't niet, Lief, misschien vond je jezelf een beetje strak en stil, maar als je je zoo voelde, zal dat wel door mij gekomen zijn, want, je zegt immers, dat je gemakkelijkheid van uiting óók door mij ontstaat? Maar ik vond je verrukkelijk-goed en lief, en zacht in alles wat je tegen me zei, - zóó, als ik het 't liefste wenschte. Lief, natuurlijk houd ik nu niet méér van je, dan vóór je kwam, dat kan niet, - maar mijn liefde, die eerst heel, heel diep in mijn ziel verscholen lag, komt àl meer en meer naar de oppervlakte toe, en is niet langer latent. En dat bewust-worden van mijn liefde in me, dat geeft me zoo'n stil-intiem geluk, want ik durf haar, nu zij, door jouw liefde gerechtvaardigd wordt, voor altijd te erkennen. Liefste, begrijp je me? Ik bedoel dit: tegenover jou heb ik altijd in klare, overtuigende woorden mijn liefde kunnen uitspreken, - maar voor mijzelf was mijn neiging voor jou meer een verstandelijke dan een gevoelde, - maar toen dat zoo was, wist ik het niet, - ik merk het pas, nu ik veranderd ben. Dat wonder heeft zich langzaam in mij voltrokken, totdat ik er mij nu zalig door overheerschen laat. Lief, zonder dat ik het bedacht, of er mij zelfs bewust van was, durfde ik me niet gerust aan mijn gevoel over te geven, - maar nu is, wat me weerhield, heelemaal verdwenen. Het was iets onzeggelijks, iets onnoembaars in me, dat ik me niet voor mijzelf verklaarde, en wat ik nú pas weet, dat in me was door het groote verschil, dat ik kan constateeren, nu het is heen gegaan.
O, Liefste, wat is het toch prachtig-nobel en eerlijk van je te zeggen, dat je me eerst liefhebt als mensch en dan pas als vrouw. Ik ben je zoo innig-dankbaar, dat je me dat zeggen wilt, en zoo onuitsprekelijk-blij er om, want welke liefde kan blijvend bestaan, als in de geheele mensch slechts de vrouw, dus een gedeelte wordt liefgehad? En vooral, hoe zou dat kunnen bij jou, die zèlf zulk een volledig mensch bent? O, Lief, dat woord heeft me zoo zaliggerust gemaakt!
Voor eeuwig
jouw eigen Jeanne
Straks schrijf ik weer.
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, als je nu hier was geweest, nadat ik je brief gelezen had, je brief, die me geklonken heeft, alsof je tot me sprak, - dan zou ik zachtjes mijn hoofd tegen je schouder leggen, en je zou me misschien even hooren snikken van ontroering over mijn wonderinnig geluk. Willem, ik wist niet, ik dacht niet, dat dit kon bestaan, dat dit hooge, dit mooie nog eenmaal voor mij zou zijn! O, ik zou willen neervallen op mijn knieën in dankbaarheid voor deze wondere wending van mijn lot! Liefste, jij, die me de brenger van een nieuw leven bent, de grondvester van mijn zaligheid, de stichter van mijn geluk, - ik zeg je, dat ik nu in je geloof, waarachtig; dat ik je vertrouw, onwankelbaar en onvoorwaardelijk. O, eenig Lief! ik smeek je, vergeef me alles, wat ik je voor leed heb aangedaan; ik erken het, ik was slecht tegen jou en tegen mijzelf en onrechtvaardig en hard; ik streed noodeloos en vergeefs tegen dingen die me troffen, ik was onverstandig en zwak, en liet me overheerschen door hersenschimmen. Maar nu ben ik vrij, Willem, vrij! en begrijp je nu, dat je komst juist op het goede moment is geweest? O, ik zeg je, nu ik inwendig zoo stil-zalig en rustig-gelukkig ben, nu zal ook die opgrilligheid-lijkende veranderlijkheid van stemming niet meer voorkomen, Lief! Ik zal jou en mijzelf niet meer plagen en vervolgen met chimères, die zonder vast fond in mijn twijfelzieken geest zijn ontstaan. Het duurde lang, Liefste, eer ik zoo ben geworden, maar nu is het ook zeker en voor goed. Willem, ik wil niet, dat dit mooie en zuivere, dat nu tusschen ons is, nog door iets wordt gestoord, en ik beloof 't je plechtig, dat ik alles voorkomen zal, wat daartoe leiden kan. Ik heb je lief, - en ik wil zonder aarzeling, of angstig vragen, maar blij-gelukkig en met een kinderlijk-eenvoudig vertrouwen ook in jòuw liefde gelooven. Ik neem mijn geluk aan,
Willem, ik zoek geen verklaring meer; ik vorsch niet na, ik neem het aan, met een devote, dankbare blijdschap en een eindeloos-verrukkende vreugd.
O, Liefste, dat dit geluk nu het mijne is, - dat ik het aanvaarden mag zonder bij-gedachten of terug-beving voor het àl te groot heil... Ik ben zoo lang bang geweest, Willem, - ik durfde niet, en daarom kon ik niet gelooven. Je bent mijn alles, mijn alles, mijn alles, - elke daad van je heb ik lief, elk woord van je heb ik lief; ik heb je lief, heelemaal, eindeloos en onvergankelijk en met een absolute overgave van mijn eigen Zijn. Goede, geduldige, liefste, liefste Lief! Ik heb je lief, ik heb je lief, Schat-van-mijn-Ziel!
Zacht kust je jouw eigen Jeanne
| |
| |
Liefste, ik heb nog heelemaal niets gezegd van dat fijn-grappige versje onder een van je brieven.
O, Willem, 't is wèl leuk, maar wáár is 't niet, - zeg, Lief, ik geloof, dat je dezen keer juist het tegenovergestelde ondervonden hebt van ‘terug-trekken’, ‘hoofd-omdraaien’ etc. Is 't zoo niet? Dat kwam, omdat ik zoo innig-blij was, dat je er was, Willem, juist nú.
| |
Bussum, Parkzicht
14 Juli '99
Liefste-van-mijn-hart,
Het is kwart voor elven 's avonds. Verster is zoo even naar zijn kamer gegaan: hij had wat hoofdpijn en ging daarom iets vroeger naar bed. Nu houd ik nog heerlijk wat tijd over, om je te schrijven, al gaat deze brief natuurlijk pas morgenochtend weg. Ik heb je op 't oogenblik niet veel nieuws te vertellen; maar mijn heele binnenste is zalig-geëmotionneerd. Ik wou zoo graag, dat ik bij je was, dan zou ik je hand zacht nemen in de mijne, en je onafgebroken aanzien en lief tegen je spreken, met innige woorden. O, Liefste, ik vertrouw zoo volkomen op jou, en ik wil zielsgraag de macht over je hebben, die je mij toestaat, als je dan maar altijd onthoudt, Allerheerlijkste, dat jij evenveel macht hebt over mij als ik over jou.
Je maakt mijn heele leven licht; ik vind het verrukkelijk, dat ik leef, nu jij op de wereld bent. Het lijkt me alweer zoo'n eeuwigheid, dat ik van je af ben, en toch is 't in 't geheel pas eenenvijftig uur.
Ik ga nu maar naar bed, ik merk, dat ik alleen nog maar kan voelen en me niet meer uiten; ik heb vandaag heel hard gewerkt. Goeden nacht, liefste, eenige! Tot morgenochtend. O, ik wou zoo graag altijd zonder ophouden bij je zijn! Heb ik je al geschreven, dat Hein Boeken 3 Augustus a.s. trouwen gaat?
15 Juli
Je brief van vanmorgen heeft mij zooveel vreugde gebracht. Want ik had nog nooit heelemaal gerust tegenover je gestaan. Wèl gerust zoover mijn bewustzijn gaat, want ik had niet kunnen opgeven, waarover ik me ongerust had moeten maken, en als ik
| |
| |
mij afvroeg: Geloof je, dat Jeanne altijd bij je wil blijven? dan had ik daarop tegen mijzelf geantwoord: ‘Zeker geloof ik dat’. Maar toch zat daarachter in mijn half-bewustheid een gedachte, een vrees, die ik niet goed onder woorden wist te brengen, maar die daar toch op neerkwam, dat je je heel misschien nog wel eens van me afwenden kon. Versta mij wel, lieve Jeanne, het was geen bepaalde vrees en zelfs geen vermoeden, maar alleen achter in mijn geest een gevoelige plaats, die even rilde, terwijl ik slechts bij benadering kon zeggen, wat de oorzaak van dat ongeruste mocht zijn. Maar nu, door dezen brief van je is dat heelemaal weg-gegaan. O, ik ben zoo blij, ik dank je heel innig, Lief, voor het vertrouwen, dat je nu in mij stelt.
Ik moet nu gauw maken, dat ik weg-kom. Nico van Suchtelen, die nog al eens bij mij geweest is, heeft me zijn bezoek aangekondigd. Nu ga ik bij Koderitsch zitten, en wacht hem daar af, want mijn kamer moet gedaan worden. Tot vanmiddag.
Ik waag het je zacht op je lieven mond te kussen, want wij zullen in eeuwigheid één zijn!
Geheel en al
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Willem, ik houd zoo verschrikkelijk veel van je, dat ik 't niet uitspreken kan. In 't geheel niet meer zoo kalm en passief als vroeger, - hoewel ik dat toen niet wist, - nu trilt alles aan me van opgewondenheid, als ik er aan denk, hoe je me aanzag, hoe je tegen me sprak. Willem, mijn altijd-gesloten-gebleven ziel was toen, geloof ik, nog niet vatbaar voor zoo een machtig-overheerschend gevoel, - maar jij hebt haar langzaam ontvankelijk gemaakt, jij hebt me, door jouw liefde, mijn eigen volkomen liefde gegeven. Begrijp je me, Lief? Ik bedoel, dat mijn liefde, vroeger, bijna heelemaal een abstractie was, maar dat jij haar levend hebt gemaakt, levend en werkelijk, voor altijd. O, zaligheid, o, supreme weelde, dat ik je nu liefheb gehéél, volmaakt, je menschheid en je ziel en niet langer je geest alleen, de essentie van je Zijn! Ik heb je lief, jou lief, met een zalige liefde, die mijn heele bestaan verreint.
Liefste, ik zou het nooit zoo diep geweten hebben, tenminste nú nog niet, als je niet hier was gekomen. Die komst van jou heeft
| |
| |
al mijn twijfel weg-gevaagd en mijn liefde aan mijzelf geopenbaard. Ik durf nu zalig,
in goddelijke gerustheid, de toekomst tegen-zien, ik durf nu gelóóven in mijn geluk. Ik ben je zoo
dankbaar, zoo innig-diep dankbaar, Liefste, dat je gekomen bent, - en ook voor je verrukkenden brief, die me, tot in mijn diepste ziel, vergelukkigd heeft. Dag, Liefste, mijn éénige Lief, mijn Lief!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, verleden Zondag had ik nog het prettige vooruitzicht van je bezoek, en nu is het al weer heelemaal voorbij... Maar ik wil niet klagen over het weg-vliegen van den tijd, want die dagen zijn zoo verrukkend-heerlijk geweest. O, ik zeg je nog eens, het is onuitsprekelijk prettig en goed, dat je nú juist ben gekomen! Maar, o, mijn kamertje is nu zoo vreemd leeg en stil, 't is, of 't een ander kamertje is, nu jouw tegenwoordigheid het geen leven meer geeft. Ach, ach, waarom gaat al het pleizierige zoo gauw voorbij? Dat ook: ‘time and the hour run through the roughest day’ heb ik nog nooit gemerkt.
In je laatsten brief schrijf je over het bezoek van van Suchtelen, die kwam ook al ieder keer, toen ik nog in Bussum was, weet je nog wel?
Morgenochtend, tegelijk met je manchet-knoop en de verzen, die je Maandag voor me meebracht (twee cahiers en de losse blaadjes) verzend ik den ring. De namen staan er goed in, daar heb ik dadelijk naar gekeken. Ik zend hem op hetzelfde uur, waarop ik ook mijn brief verzend, om één uur, zoodat je alles 's avonds krijgt. Later krijg je dan wel mijn allerlaatste verzen en de fragmenten, met het copieeren daarvan ben ik nu nog niet heelemaal klaar.
O, Liefste, ik wou, dat de tijd er al was, dat je altijd hier kon zijn. Wat is 't toch eigenlijk onnatuurlijk en vreemd, dat we elkaar nooit anders onze gedachten kunnen zeggen, dan in afgepaste, bedachte woorden, die veel van hun kracht missen, omdat de stemmeklank er aan ontbreekt! En toch, nu ik niets anders heb, geniet ik zoo innig en diep van je brieven; ik verlang na ontvangst van den een weer smachtend naar den volgende, o, altijd-door
| |
| |
verlang ik, verlàng ik er naar! Willem, als ik je brieven niet had, dan wist ik niet, hoe ik leven moest.
Met een zachten, teederen kus
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
15 Juli '99
Liefste Schat,
Vanavond kreeg ik bijna tegelijk drie brieven van je: de eerste, gebracht door een meisje was de expresse-bestelling. Ik ben blij, dat je er een expres van gemaakt hebt, want nu kreeg ik hem vanavond al, en anders was hij tot morgenochtend aan het postkantoor gebleven. Want hij is afgestempeld: Bussum 7-8 n.m. en toen was de besteller met de andere brieven natuurlijk al op zijn rondreis door de gemeente.
Ik was zoo verschrikkelijk blij met dien expres. Want ik had altijd nog zoo'n vage gedachte tusschenbeiden: Nu ja, ze houdt eigenlijk niet van mij, maar van haar fantasie, van een denkbeeldig wezen, dat ze zich geschapen heeft uit mijn werk. Maar nu zeg je mij, o, geluk! dat je je aangetrokken voelt tot den werkelijken Willem, den levenden mensch, die in de ruimte buiten je bestaat. Begrijp je niet, dat dat mij wonder-gelukkig maakt? Want zoo heb ik ook voor jou gevoeld vanaf het eerste oogenblik, dat ik je zag. Ik vermoedde je intuïtief, zoodra ik je gezien had, voor den eersten keer, en dat vermoeden is hoe langer hoe meer zekerheid geworden, mijn gevoel voor je werd hoe langer hoe sterker, ik vertrouw je, ik geloof in je, ik vereer je, ik aanbid je, zóóals je bent en niet anders dan je bent, o, vrouw, die meer is dan álle vrouwen, o, superieur mensch! En ik zeg rond-uit: er is geen gedachte in me, die je niet weten mag, er is geen gevoel in me, dat je niet zult leeren kennen, en ik beroem me er niet op, maar ik geef je de verzekering, dat je er niets leelijks of onaangenaams in zult vinden. O, als ik in den Haag woon, dan gaan we een heerlijk leven tegemoet! Langzamerhand hoop ik het wel te kunnen bereiken, dat er wat van de stille gestadigheid van mijn energie op jou overgaat, of liever dat jouw kracht, door de mijne gesuggereerd, in gestadigheid toeneemt, en
| |
| |
altijd zóó wordt, als zij nú slechts zeer dikwijls is. Wees maar rustig en hoopvol, Jeanne! zonder het bewust te willen en zonder het zelfs te merken, zullen wij op elkander zoo'n wonderbaren geestelijken invloed kunnen krijgen, die ons beiden omhoog stuwt tot de rijkste volmaking, tot de ontvouwing en bewustwording van ons diepste Zijn. Wij kunnen elkander zoo opvoeden, (natuurlijk niet door doceeren of mal wijsheid uitkramen) maar door liefdevol-energische werking wederzijdsch, dat wij beiden veel volkomener worden, dan wij ieder-op-zichzelf zouden zijn geweest.
Jeanne, lieve Jeanne, het is tien uur 's avonds. Ik ga dezen nog even weg-brengen, in de hoop, dat je hem morgenochtend krijgt. Ik eindig dus maar, want om 11 uur wordt hier meestal het huis gesloten.
Met een kus van zuiver-hooge liefde
jouw eigen Willem-voor-altijd
| |
[Ongedateerd]
O, Willem, liefste, ik wou, dat je toch eens éénmaal kon zien, hoe verrukkelijk-blij je me met je brieven maakt. Ik was een beetje gedrukt, en zat me tusschen allerlei visite-menschen te vervelen, totdat ik hoorde, dat er een brief op mijn kamertje werd gebracht; ik wist, dat het er een van jou was, en werd toen plotseling weer heelemaal opgewekt. Eenige, goede Lief! Heusch, ik zeg niet te veel als ik jouw veel schrijven een weldaad noem! Want je wéét hoe ik ben, en hoe ik altijd een immer-hernieuwden steun noodig heb, - en dien geven me, zooveel ik verlangen kan, je heerlijke brieven. En Willem, nu ik je zeg, wat je trouwens wel weet, dat je brieven zulk een sterkenden, moed-gevenden, opbeurenden invloed op me hebben, hoe véél beter en grooter zal dan nog de inwerking van je geestelijke energie op me zijn, als je later, hier wonend, je persoonlijken invloed kan laten gelden. O, Willem, 't is me zoo'n eindelooze zaligheid jouw zielskracht te voelen, die de mijne verdubbelt en weerstandsvol maakt. 't Is me zoo'n vreugde en zoo'n gerust geluk, dat ik heelemaal en in alles op jou kan bouwen, dat ik mij heelemaal aan je geven mag met een volkomen, heerlijk toe-vertrouwen van mijn Zijn aan jou. O, Willem, dat mijn Zielseenzaamheid nu voorbij is, voor goed, - dat jij altijd met me zult
| |
| |
zijn en me helpen in alle levensmoeilijkheden! Lief, ik geloof in waarachtige oprechtheid, dat ik jouw supreme goedheid waardeeren kan, omdat ik je zoo volmaakt liefheb. Ja, ik heb je volmaakt lief, - je goddelijk mensch-zijn, je prachtige aardsche wezen en je prachtige ziel. Willem, er is een tijd geweest, dat ik, zonder het te beseffen, alleen je ziel aanbad, - maar nu aanbid ik je als de volmaakte ziels- en -lichaamseenheid, die ‘jij’ bent, nu heb ik lief den superieur-bezielden, werkelijk-levenden mensch. En nu begrijp ik ook wel, wat je vroeger wel eens tegen me zei: en wat me toen zoo erg bedroefde, ‘Je hebt me eigenlijk niet lief...’ nu pas dringt de beteekenis daarvan tot me door, nu ik zoo zalig veranderd ben. Want, o, er is niets vaags of weeks of onwerkelijks meer in mijn gevoel voor jou, - het is echte, eerlijk-bestaande waarheid geworden, en dat bewustzijn, dat ik niet langer jouw liefde onwaardig ben, is 't, dat me zoo onuitsprekelijk gelukkig maakt! Dag, Liefste, mijn eenige Lief!
Voor altijd
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
16 Juli '99
O, Lief, heerlijk Lief, je maakt mij dol van vreugd! Ik voelde wel, dat je zóó was, als je je nú toont, maar ik wist het natuurlijk niet. Maar nu weet ik het! Je hebt geen Hollandsch temperament, schoon je de goede en mooie kwaliteiten van het Hollandsche wèl hebt. Maar buitendien heb je nog zooveel meer, waar onze gewone Hollandsche dames heelemaal geen ‘Ahnung’ van hebben. Die zijn als jong meisje gewoonlijk een beetje phlegmatisch-koel en nuchterbanaal en als oudere dames worden zij of goedig-hardnekkig of ‘gezond verstandig-pedant’. Achter al die vrouwen zit een zelfgeruste en zelfbewuste kalmte, die een beetje den indruk van leegte maakt. Ze missen dan ook meestal alle mooie, gevoelige spontaneïteit. En die heb jij juist zooveel! Ook je goede Mama had die, toen ze 14 April, terwijl wij bij haar boven zaten, opeens, zonder preliminairen, mijn hand greep, en sprak: ‘Willem, - zal ik maar Willem zeggen? - nu, ik hoop, dat Jeanne en jij gelukkig zullen worden’. En daarmede was de heele ceremonie afgeloopen, zonder be- | |
| |
schouwend geparlementeer. O, ik was zoo innig-blij, dat het zóó ging. Want ik had van te voren natuurlijk mijn heele houding zitten te doorvoelen en te doordenken; ik dacht, als Mevrouw Reyneke van Stuwe serieus tegen me gaat spreken, dan moet ik daar, gevoeld en serieus, iets op terug-zeggen. Maar nu werd die heele familie-scène opeens onnoodig, en ik kreeg een soort van kinderlijken eerbied en toegenegenheid voor je moeder, omdat zij intuïtief-begrijpend, dat alles goed zou gaan, zoo eenvoudigspontaan haar toestemming gaf. Ofschoon zij en ik toch bijna nog heelemaal vreemd voor elkander waren. Ja, Jeanne! o, ik ben zoo blij, dat ik het tegen je mag zeggen: ik ben goddelijk-verliefd op je. Maar ik houd niet van je, omdat ik verliefd op je ben, zooals meestal tusschen twee menschen het geval is, - neen, ik ben
verliefd op je, omdat ik zoo zielsveel van je houd. Ik hield al van je, voordat ik je gezien had, maar zoodra ik je gezien had, zooals je daar stond, glimlachend, - met je rug naar den trein, op het perron, toen je voor het eerst in Bussum kwam, toen wist ik het wel degelijk, toen kwam het me klaar opeens tot bewustzijn, dat jij mijn noodlot was, maar een noodlot, waar ik niet bang voor hoefde te zijn. En de kus, dien ik je geven wou (maar niet heelemaal geven kòn, omdat je je, natuurlijk, wat afwendde) toen je, op mijn kamer ‘ja’ had geknikt, dat was geen kus voor de gelegenheid, omdat het er nu zoo bij te pas kwam, neen, die kus kwam voort uit mijn diepste ziel. Want andere kussen kan ik niet geven, daar houd ik niets van, en ik verschil in dat opzicht van de meeste mannen. De móóiste vrouw, die op de wereld leeft, als ik haar mocht ontmoeten, zou toch geen anderen indruk op mij maken dan een mooi landschap of een beeldwerk doet. Ik zou er wel een oogenblik naar willen kijken, zooals men naar andere mooie dingen óók ziet, maar ik zou toch niets anders door haar krijgen dan een rustig-aesthetisch gevoel. Dat zal je nu misschien nog niet heelemaal willen gelooven, en je denkt dan, dat ik het zeg in de verblinding van mijn verliefdheid-op-jou. Maar als je mij langzamerhand beter leert kennen, door directe aanschouwing en ervaring, zooals nu toch betrekkelijkspoedig te gebeuren staat, dan zal je aan alles en altijd kunnen merken, dat ik mij zonder achterhouding heb uitgesproken, zooals ik ben. Ik ben geheel en al, absoluut en uitsluitend, in alles alleen van jou, nú en altijd-door.
O, Jeanne, als je nu weer eens droevig mocht worden, lees dan
| |
| |
dezen brief nog eens over. Je voelt tusschenbeiden, dat je mij liefhebt, welnu, ik verzeker je, met dankbaar-trotsche en voor-jou-alleen-buigende zelfgerustheid: je werpt je liefde niet op dorren grond! Daar zullen bloemen uit ontbloeien van eindelooze teerheid, en zacht-bewogen, weelderig lommer van diep geluk. Ik zal en kan je geluk geven zonder einde, want achter in mijn ziel, door alle narigheid, veroorzaakt door uiterlijke dingen, heen, voelde ik altijd het verborgen geluk, dat daar weg-school en waar ik niet bij kon komen, maar waar jij, door jouw liefde, mij nu den toegang naar geeft. En dát geluk deel ik eerlijk met je op, zoowel als al 't andere wat ik heb.
Zonder vermindering, zonder einde ben ik, en blijf ik
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Liefste, ik schrijf je nu maar liever een langen brief, want je zou mijn beide brieven morgen toch tegelijk ontvangen. Liefste, je schrijft me, dat jij ook nú pas heelemaal gerust, heelemaal gerust tegenover me staat. Maar is dat wel waar, kán dat wel waar zijn, Lief? Weet je wel, dat ik wel eens tegen je gezegd heb: ‘Je bent eigenlijk te zeker van me’? En die niet tot klaarheid gebrachte vrees van jou, dat onrustige gevoel, - of eigenlijk die Ahnung van een onrustig gevoel, - kon, als je goed nagaat, absoluut door geen van mijn daden of woorden gerechtvaardigd worden, - want heb ik niet, van den eersten aanvang af, als bewijs van mijn ónvoorwaardelijke overgave aan jou, alle meisjesachtige schroomvalligheid ter zijde zettende, gezegd: dat de wil tot scheiding nóóit van mijn kant zou komen, en dat jij zelfs, als jij dien wil had, dien me rond-uit zeggen moest, omdat ik het anders niet begrijpen zou, - wat je alle macht over mij gaf? Toch ben ik blij, dat je dit schreef, want als die onwillekeurige gedachte niet heelemaal verdwenen was, dan zou je er mij niet eens over gesproken hebben, is 't wel, Lief? Misschien kwam het ook wel door mijzèlf: omdat ik niet gerust tegenover je stond. Maar de oorzaken daarvan, die je zoo eindelooslief en goed ben geweest, me te weerleggen, kunnen nu niet langer tusschen ons zijn, omdat ze, door jouw praten, hun recht van bestaan verloren hebben. O, Lief, Lief, onze verhouding is nu zoo
| |
| |
vlekkeloos-mooi en hoog en zuiver, - o, Willem, geef me toch de durende kracht, het zoo te doen blijven! Ik heb je heelemaal lief, - want mijn geest is nu volkomen vrij van alle gedachten, die de plaats van liefde-gedachten innamen. Ik heb joú lief, met een zaligvolkomene, waarachtige, diepe en innig-teedere liefde, en omdat ik jou zoo liefheb, maakt me 't bewustzijn van jouw liefde zoo goddelijk-gelukkig en zalig-blij. Lieve Liefste, mijn Lief, die me zegt, dat mijn leven waarde heeft voor jou, - o, ik zal, ik wil leven voor jou-alleen, - en moge mijn heele toekomstig bestaan één arbeiden zijn aan jóuw heil!...
Als ik eenmaal aan Walden begin, zal ik zoo lang en zoo hard werken als ik maar kan voor 't heerlijke doel, - dat zal je eens zien!
Dus over een paar weken gaan Hein en Dientje trouwen? Jij bent, vermoed ik, getuige van Hein?
Ik ben heele dagen aan 't verzen-copieeren; ik heb er nog meer uitgelaten dan jij had uitgezocht, je zal later wel zien, welke. En ook heb ik enkele regels veranderd en overal de hiaten verbeterd. Ik had Veenstra Maandag den bundel beloofd, maar heb hem nog niet klaar; enfin, dat is niet zoo erg.
Ja, Lief, ik vind het heerlijk, dat je, zooals je zegt, verliefd op me bent, want dat bewijst, dat je me niet heelemaal leelijk vindt. En vooral omdat je óók eens hebt gezegd, terwijl je je hand legde op mijn hoofd: ‘Wat daarachter zit heb ik lief’. O, mijn eenige Schat, dat heeft me zoo eindeloos-blij en zalig-rustig gelukkig gemaakt. Ik heb je lief, Willem, omdat ik je nobel weet, en groot en goed, omdat je absoluut en volkomen zóó bent, zooals ik mijn ideaal had gedroomd, - ik heb je lief, omdat ik je liefhebben moet. Ik kan dat moeten niet verder definieeren, - ik weet alleen, dat de drang je lief te hebben, mijn geluk is en eeuwig mijn geluk blijven zal. Want elk liefde-woord van jou versterkt en verdiept mijn gevoel en vergroot mijn zaligheid nog.
Liefste, Liefste, Liefste! ik bid, dat ik jou eenmaal zoo gelukkig maken mag, als ik word door jou.
Met een warmen, teederen zoen, heelemaal en voor altijd
jouw eigen Jeanne
| |
| |
| |
Bussum, Parkzicht
16 Juli '99
O, Jeanne, Jeanne, waarachtig, je maakt mij dol van inwendig geluk! Want je te mogen liefhebben, dát is verrukkelijk, maar, o, God! van je te hooren, dat jij ook houdt van mij, dat maakt me zóó...! Geloof me, en vergeef de gedachte, maar als je nu voor mij stond en je ging mij glimlachend wurgen met je beide handen om mijn hals, dan zou ik je lachend blijven aankijken en je stil laten begaan, denkende: als het háár pleizier doet, is het mij goed.
Voel je nu, Jeanne, hoe diep en hoe innig-waarachtig ik je liefheb? O, we zullen zoo gelukkig zijn samen! Want ik ben, geloof ik, geheel de man, die bij jou hoort, en jij, dat weet ik, bent precies de vrouw, zooals ik haar altijd, diep-in-mij gewenscht heb, maar die ik tot dusverre nooit had ontmoet, en die ik óók niet dacht, dat op de wereld zou zijn!
Ik bracht zoo even mijn vorige aan jou op de post, en liep toen ook even bij Koderitsch in, om een kop koffie te drinken, en naar Neerland's Weekblad te zien; ik wou kijken, of er soms iets van jou in stond. Maar 't lag niet op de leestafel, en Herman vertelde mij, dat het opgehouden had te bestaan. Ik vertel 't je maar, misschien is 't om de een of andere reden goed dat je 't weet. Dan moet ik je nóg iets zeggen. Je bent blij, zeg je, dat ik je niet ‘leelijk’ vind. Maar, lieve onschuldige! merk je dat dan nú pas? Ik moet tegenwoordig altijd spontaan in me zelf lachen, als jij over je ‘leelijkheid’ begint. Want werkelijk, je bent een van de mooiste meisjes, die ik ooit van mijn leven heb ontmoet, wat de uiterlijke lijnen etc. betreft, en het allermooiste van allen, het eenig-mooie ben je, wat de zielsexpressie ervan aangaat. O, daar komt een vreemde bedwelming over me, als ik in mijn stoel zit, en er stil aan denk, hoe dat gezicht en dat gracieuse lichaam van je altijd bij mij zal blijven en altijd vriendelijk tegen mij zal doen. Dan word ik, alsof er, in plaats van bloed, champagne door mijn aderen gaat. O, Jeanne, je zegt, dat je mij je toekomst toevertrouwt, en ik zweer je, je zult er nooit spijt van hebben, ook de minste niet, en altijd zal je 't binnenin je voelen en hooren jubelen van vreugde, dat je mij genomen hebt. Ik voel me in den laatsten tijd zóó jong geworden; de menschen in de buurt, - lach nu maar! - die spreken er over, dat ik me zoo
| |
| |
flink en energiek beweeg thans, zoo heel anders dan vroeger. O, Lief, dat komt ook allemaal door jou!
Heusch, lieve Lief! Zet nu maar alle zorgen en donkere gedachten van je af! Van mij kun je zoo zeker zijn, als ik dat van mezelf ben, en dát is nog al heel erg, niet met uiterlijke ostentatie, dat weet je wel, maar diep binnen-in. Zie mij in gedachten maar eens in mijn oogen: ik leg zacht mijn arm om je schouders, zooals ik dat nóg wel eens mocht doen, als we samen waren, en terwijl ik je aanzie, diep en innig, met overgave en toewijding, zeg ik je: ik heb je lief, geheel en al, ik houd hartstochtelijk-veel van het fijnste haartje op je lieve hoofd, zoowel als van de minste gedachte, de geringste aandoening, die ontstaat in je prachtige, heldere hoofd; je bent voor mij de quintessens van al het mooi-menschelijke, vereenigd in één mensch, en later zullen wij, samen-zittend, vreeselijk moeten lachen om alle kleine zorgen en moeiten van het verledene, dat nú het tegenwoordige is, totdat je mij eindelijk vraagt met een rustigen, gelukkigen glimlach: ‘Willem, wil je nog een kopje thee?’ Ik moet hier zelf nu om lachen om deze voorspelling, maar toch zal het zoo gaan. Volkomen en in alle opzichten
jouw eigen Willem
| |
Bussum, Parkzicht
16 Juli '99
Allerliefste,
Ik bedenk me daar plotseling iets, waar ik me een beetje ongerust over maak. Gisteravond zat ik te werken, een brief voor jou lag klaar. Toen dacht ik, ik zal maar doorgaan tot het donker is, dan breng ik hem weg. Maar toen het langzaam-aan donker begon te worden stak ik de lamp aan, en ging door met mijn werk, waar ik heelemaal in was, en dacht op het oogenblik niet meer aan dien brief. Plotseling bezon ik mij echter, stond op, en bracht hem weg naar de post. Maar toen was het reeds over tienen. Nu, 24 uur later schiet me opeens te binnen: misschien is die brief niet meer weggekomen en blijven liggen tot morgenochtend vroeg. O, God, wat zal die arme Jeanne dan weer ongerust zijn en zich zenuwachtig maken, omdat ze niet weet, hoe ze 't heeft. - Maar, Lief, wat ik je
| |
| |
bidden mag, maak je toch nooit ongerust over mij. Ik ben altijd gezond, mijn constitutie is ijzersterk, hoofdpijn en dergelijke dingen heb ik nooit. En je hoeft nooit bang te zijn, dat het briefschrijven mij verveelt of lastig is. Ik zit tóch voortdurend over je te denken, en alles wat dan zoo door mijn hoofd gaat over jou, komt er dan uit en neemt woorden aan, op het oogenblik, dat ik aan je schrijf. - 't Is nu kwart voor negenen. Zoo meteen komt Verster wat bij mij zitten, heeft hij zoo straks gezegd, toen ik beneden thee dronk.
Wat zal dat heerlijk zijn, als je in Augustus weer in Bussum komt. Daar heb ik nu al pleizier van. We kennen elkander nu zooveel beter en we hebben elkaar alleen maar stil in de oogen te zien en je laat dan je hoofd zacht tegen mijn schouder rusten, in de zalige wetenschap, dat je daar veilig bent, en dat je Sterker en Trooster vlak bij je is. Want we hebben elkaar noodig, Jeanne, vind je dat óók niet? Je hoeft je heusch nooit te dwingen om je in te houden, als je soms klagen moet, want ik weet heel goed, dat het klagen geen hebbelijkheid van je is, en dat je alleen klaagt, omdat je werkelijk verdriet hebt. God, God, ik wil je zoo gelukkig maken, mijn goedheid van wil, mijn teederheid en mijn gemoedelijke scherts, 't zal allemaal voor jou zijn, allemaal voor jou. Onthoud je dat, Lief?
O, Lief, je weet niet, hoe ik mij tot je aangetrokken voel! Want je hebt sterkte-van-wil, maar buitendien een prachtige gemoedelijkheid. En die heb ik net zoo. Tegen de menschen in 't algemeen is 't maar beter, die laatste nooit te laten zien, want de meeste Hollanders missen haar heelemaal, en als ze haar in anderen opmerken, dan maken ze er zoo mogelijk misbruik van. Dat heb ik dikwijls ondervonden. De Hollanders zijn dikwijls droge en nuchtere menschen, heelemaal niet spontaan en met weinig fijn gevoel. Vandaar ook, dat onze nationale literatuur altijd zoo onbeteekenend en saai en vervelend was in vergelijking met die van andere volken. Vergelijk bijv. de verzen van Bilderdijk, die toch op zijn manier een interessante en kranige figuur was, met die van zijn tijdgenoot Goethe! Daar valt Bilderdijk bij af als een ontwikkelde maar grove dorpeling bij een genialen, en fijn-beschaafden, steedschen mijnheer. En vergelijk den ingebeelden, schijnbaar kinderlijk-, maar inderdaad kinderachtig-gevoeligen Multatuli eens bij Heine! Ik heb soms een beetje het land aan ons eigen volk, want ik voel mij in
| |
| |
temperament en in alles er eigenlijk niet één mee. Ze zetten het mij dan ook dikwijls duchtig en sluw betaald, dat ik niet in alle opzichten een van de hunnen ben. O, wat heeft het mij een moeite gekost (aldoor maar mijzelf uitsprekende in woord en daad, met bedaarde wilskracht) om er wat boven-op te komen. Zoowel 't publiek als de kritiek vonden mij vreemd en antipathiek in 't begin. Nu ga ik tweede drukken beleven, maar in den beginne, wel tien jaar lang, deed men niets dan mij bête en bruut uitlachen. Gelukkig heb ik één eigenschap van de Hollanders, die mij te pas is gekomen, mijn kalme en door niets op den duur uit het veld geslagene doorzettendheid. Daar kan niet-voelen en kruideniersredeneering ten slotte niet tegen op.
Hoe vind je nu deze zelfbeschouwing, Lief? Ik heb mij nooit zoo tegen iemand over mijzelf uitgesproken, want de menschen maken er toch altijd weer wat anders van. Ik zei het zelfs maar half-bewust tegen mijzelf: ik voelde het meer dan dat ik het in begrippen bracht. Maar tegen jou komt het er nu vanzelf uit, vind je dat niet aardig? Het kan jou een bewijs zijn, dat ik je onbewust vertrouw, dat mijn onbewustheid naar jou heen gaat en zich aan je overgeeft. Als je mij nu een pleizier wilt doen, ga dan niet hierover redeneeren met me: ik wou zoo graag, dat je er alleen een gevoelsindruk van kreeg. Maar dat voel je wel uit jezelf, is 't niet, Lief? Geen enkel ander man zou, geloof ik, zóó tegen zijn meisje spreken. Maar jij hebt in temperament iets geheel verschillends van andere vrouwen en evenzoo heb ik iets geheel verschillends van andere mannen. Jij bent een echte vrouw, maar je hebt meer logisch verstand dan de meesten van jouw geslacht, en zoo ben ik ook een echte man, maar ik ben teerder en fijner dan de meeste mannen. En daarom passen wij juist zoo goed bij elkaar en zouden, geloof ik, jij zoowel als ik, naast ieder ander misplaatst zijn.
Ik heb hier zeer intiem over mijn geestelijk Zijn gesproken; ik bid je, Liefste! voel het alleen maar. Zoodra je over zulke dingen gaat redeneeren met abstracte begrippen, verstoor je het subtiele netwerk, dat ik hier met een paar vage trekken heb aangeduid. Het eenige, wat je er op zou kunnen antwoorden is: Ik voel het, of: Ik voel het niet. - Ik wou je alleen maar de overtuiging geven, die ik hoop, dat je gelukkig kan maken, dat ik mij blindelings, maar toch zelfbewust aan je overgeef, gedrongen als ik word door de kracht van mijn liefde, die mij naar jou heendrijft. Bewaar me, Lief,
| |
| |
bewaar me! ik vraag het je met zachte oogen, en werp mij nimmer weg. Want ik heb de vaste wetenschap in mij, dat ik je gelukkig zal maken, en je goed-houden en je alles zal geven wat je van gevoel en liefde verlangt. En ik geloof niet, dat ik dwaas deed, me zóó diep te uiten, want jij voelt ook zooveel dieper en meer dan het gros der ontwikkelde menschen. Met een innigen kus wensch ik je, Liefste, goeden nacht.
Jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, ik dank je, - diep ontroerd en met een heerlijk-innige vreugde dank ik je, dat je zóó tegen me hebt willen spreken! O, Willem, ik voel het zoo, ik begrijp het zoo volkomen, wat je tegen me zegt. - En wat me zoo góddelijk-gelukkig maakt, dat is het prachtige vertrouwen, wat je in me te stellen toont. Willem, je weet het wel, ik heb het je dikwijls bewezen, hoe volkomen ik in je geloof, - maar elke uiting van je inwendig leven, die je aan mij doet, geeft me nóg meer moed en kracht om mijzelve voor jou volmaakt te verklaren. Ik wil, dat je alles van me weet, dat mijn hééle innerlijk bestaan jou langzamerhand zóó duidelijk-bewust wordt, als het mijzelve is, - dan zal je ook tot in de kern en afgescheiden van elkaar mijn goede en slechte eigenschappen leeren kennen, die je nu natuurlijk nog maar dooreen-gemengd ziet. En dan, Lief, zal, door jouw invloed-ten-goede, àl 't kwade, dat in mij is, worden weggedrongen, en het goede versterkt en tot volmaking gebracht. En dan, eindelijk, Lief, door jouw magische macht het menschelijk ideaal nabij gebracht, zal ik eenmaal voor je staan in oppersten trots en toch in nederigen deemoed, als de Vrouw, die je liefde waardig is, - als de Vrouw, die jou door haar liefde gelukzalig maakt! Lief, als ik zoo spreek, dan begrijp je me wel, is 't niet? o, hoef ik nooit bang te zijn, dat je me dwaas, of te opgewonden zal vinden, als ik zóó mijn gedachten onder woorden breng? Eenige, éénige Lief, o, zeg toch alles tegen me, wat je anders in me hebben wilt, - o, vorm me toch heelemaal naar jouw wensch! Je zegt, dat je me ‘goedhouden’ zal, maar je moet me beter maken, Lief, - want o, ik weet 't zoo, dat er nog zóóveel aan me ontbreekt, - maar ik weet ook éven goed, dat ik me nóóit aan jouw invloed onttrekken zal, - dat ik álles,
wat je ooit tegen me zeggen mocht, met een groote, diep- | |
| |
dankbare erkentelijkheid zal aanvaarden, - en dat dit zelfs een reden voor mij zal zijn, om nóg inniger, vaster en trouwer van je te houden dan ik al doe. Geloof je me, Willem, geloof je me? En zal je heusch nooit, nooit je meening voor me verbergen, maar zal je doen waarom ik smeek: áltijd álles zeggen, wat je over me denkt? Liefste, Liefste, ik geef je álle macht over mijzelf, - o, wend die aan, Lief, tot je eigen geluk! Maak je zelf gelukkig door mij te maken, zooals je wenscht, dat ik ben, - want daardoor begenadig je ook mij tot het hoogste geluk!
Met een zoen van volkomen geloof en innig toevertrouwen
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
Liefste, tegelijk met deze zend ik je nu den ring, je manchetknoop en mijn verzen. 't Is wel een beetje een scheef pakket geworden, maar 't was zóó het veiligste. Ik denk wel, dat je vanavond alles goed ontvangen zal. Later zal ik je dan de overige verzen en de fragmenten nog sturen; ik ben er nog niet mee klaar; copieeren neemt altijd veel meer tijd, dan men oorspronkelijk denkt.
Je schreef me, dat er 16 pagina's vers van jou voor mij in de N.G. kwamen. Het zijn dezen keer zeker allemaal sonnetten, is 't niet? er is nog maar één langer vers. Wil je de proef weer voor me bewaren, Lief?
Mijn broer schrijft me, ‘dat hij van Jan van Lokhorst het prachtige portret van jou uit de Vlaamsche School heeft gekregen’, - toevallig, hè?
Hoe gek gaat het soms met de bezorging van brieven; ik bereken zorgvuldig de verzendingen, en wil dan b.v. dat je een brief krijgt om één uur; soms gebeurt dat en soms gebeurt het niet, dan krijg je of 's morgens of 's avonds twee brieven van me. Ik doe ze altijd op dezelfde uren op de post, maar je wacht ook nooit tevergeefs, is 't wel?
Willem, in je brief van Zaterdagavond schrijf je zoo heerlijkberuhigend over onzen geestelijken omgang later. Liefste, ik vind 't zoo iets zaligs, me heelemaal aan jou toe te vertrouwen, - me heelemaal, zonder eenig voorbehoud, aan jouw zielemacht over te
| |
| |
geven! Mijn toekomst berust bij jou, - en volkomen beschik jij over mijn lot. Eens heb ik in een vers tegen je gezegd:
Mijn leven ligt in úwe hand besloten,
Gij kunt het heffen tot de hemelsfeer,
Of 't wreed en koud in 't diepste duister stooten,
Al naar úw oppermachtig-hoog begeer...
En dat is waar, Willem, heelemaal, héélemaal. Wat voor waarde zou mijn arme, lust-looze leven hebben voor mijzèlf-alleen? Waarvoor zou ik bestaan, als jij niet de goedheid had te zeggen, dat mijn zijn-op-aard van eenige beteekenis was voor jou? Ach, lieve, lieve Lief, wat zal alles verrukkend-heerlijk zijn, als ik door jouw suggestieve macht geworden ben, waartoe ik in mijzelf wèl de vermogens bezit, maar niet de kracht om ze te ontwikkelen. Maar als jij me helpt, Lief, als jij me helpt, dan word ik geest-krachtig en wil-sterk, en kan dan hoe langer hoe meer in werkelijkheid iets voor je zijn.
Verleden Maandag was je hier. Die schönen Tage etc. Maar 't is een troost, dat ik hiervan misschien niet hoef te zeggen: und kehren nie zurück...
Een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
Liefste, nu heb je natuurlijk het pakketje al ontvangen, ik geloof zeker, dat het goed overgekomen is. En vanmorgen kreeg je twee brieven tegelijk van me, is 't niet? Als je er ook een om één uur kon krijgen, zou ik dat prettiger vinden, maar dat schijnt zóó ongeregeld te gaan, dat je dien brief ook wel eens pas 's avonds krijgt.
Geloof je ook niet, Lief, dat later, als wij volkomen één zijn geworden, onze gevoelens niet langer verschillende, apart-staande, van elkaar afgescheiden sentimenten zijn, maar één groot, volkomen, prachtig gevoel, dat ons beiden gelukkig maakt op dezelfde wijs, dat ons dezelfde zaligheid doet ondervinden? Kan dat, zou dat kunnen, Lief? Dat mijn liefde eigenlijk geen andere is dan de jouwe, - dat jouw liefde eigenlijk geen andere is dan de mijne, dat we elkaar liefhebben, terwille van onzelf, dat we elkaar liefhebben terwille van elkaar?
| |
| |
Ik ben nu toch niet duister of onduidelijk, wèl? Ik voel het zoo goed, ik zie het zoo klaar, maar ik kan niet alles zoo precies onder woorden brengen. O, Lief, 't zal zoo onnoembaar-heerlijk zijn, als je werkelijk hier komt wonen. Want o, ik kan je niet uitleggen waarom, maar je persoonlijke nabijheid heeft zoo'n merkbaargelukkig-makenden invloed op mij. Als jij bij me bent, dan is 't of zelfs mijn gevoel en mijn gedachten veranderen, - dat klinkt nu wel een beetje onmogelijk, Lief, maar ik merk toch heel duidelijk het verschil. Als iets me hindert en ik ben alleen, dan kan ik er me niet tegen verzetten, en het verdriet, dat door jou dadelijk overtuigend zou zijn weg-gepraat, maakt me droefgeestig en drukt me neer, en belet me te werken. O, ik wou, Lief, dat ik altijd met je spreken kon, want ik heb geen macht over mijn gedachten, en jij zou me leeren ze in bedwang te houden. O, Willem, Lief, ik vind 't zoo goddelijk-zalig, dat ik altijd bij je mag komen om hulp en raad, - o, je geeft me alles wat ik verlang, - jij bènt mijn Trooster, mijn Sterker, mijn toevlucht-in-leed, mijn levenssteun! En daarom heb ik je lief, moet ik je liefhebben, met alles wat in mij is, en daarom zal ik je liefhebben tot aan het einde der eindeloosheid! -
Met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne
| |
Maandagavond
Goede Liefste,
Zooeven ontving ik den ring, den knoop, je verzen en je brief. Ik ben een beetje geschrokken door je brief, het kwam mij voor, dat hij wat ‘down’ was. Of verbeeld ik me dat maar?
O, Jeanne, lieve Jeanne, toe, probeer eens heel even te glimlachen. Alles is nu immers op den goeden weg? Hoeveel beter ziet alles er niet uit eigenlijk, dan toen jij in Bussum was! Kom, Lief! alles zal goed gaan; en als ik eenmaal voor goed in den Haag ben, dan wordt alles natuurlijk heelemaal anders voor je, dan het nú nog is. We gaan dan veel lachen en pret maken en allerlei aardige en gezellige dingen doen. Heusch, dan wordt je heele leven anders, - anders dan het nog ooit geweest is. En hoe betrekkelijk kort duurt dat nu nog maar! En in Augustus kom je hoogstwaarschijnlijk ook al weer hier.
| |
| |
O, zoo'n ring, lieve Jeanne, daar zit toch wel iets aardigs in, vind je óók niet? 't Is net of je dichter bij mij bent, nu ik hem aan heb. Ik zal hem ook altijd dragen: dat verlevendigt mij, merk ik, het innige bewustzijn, dat ik aan jou verbonden ben voor goed. Toe, Jeanne, probeer het nu nog maar een kort tijdje uit te houden in kalme gelijkmoedigheid, dan komt opeens de verandering, en wordt je heele leven totaal verschillend van wat het nu is. O, Lief, jij bent alles voor me, en de gedachte aan jou maakt al het andere dragelijk en goed. Toe, Lief, probeer eens jezelf wat op te beuren: ik doe nu zoo mijn best ervoor, en als ik bij je was, dan zou het wel lukken, om je in een andere stemming te brengen. Houd het dan nog maar een paar maanden uit, dan kom ik immers zeker, dan gaan we wandelen, en lachen, en praten, en lezen. Kijk nu eens, nu maak je mij vroolijk en opgewekt, eenvoudig door het feit, dat jij bestaat, en ik ben niet eens bij machte om dat te doen bij jou, al schrijf ik nog zooveel! Je antwoordt ook heelemaal niet, op geen van mijn brieven, die ik gisteren stuurde. Kom, Lief! je zult er heusch nooit den minsten spijt van hebben, dat je je lot aan het mijne verbonden hebt: ik zal je altijd opwekken, en troosten en sterken; je zult met mij altijd zijn als in 't paradijs: want hoe ik ook gestemd ben, en wat voor narigheden ik op 't oogenblik mocht hebben, als ik jóu zie, dan zal ik altijd opgewekt worden en uit de sfeer der verdrieten raken in die der blij-voelende menschelijkheid.
Denk daar maar om, dat je een ander zoo'n kracht geeft, dan krijgt je leven voor jezelf meer beteekenis. Je zit nu nog wel in jezelf, - maar die eenzaamheid duurt nu toch nog maar kort, nietwaar? O, span je fantasie eens wat in, Lief! Verplaats je eens in de toekomst, die al zóó nabij is. Dan krijg je een heel ander geestelijk leven, veel ruimer en rijker en bezielder, dan nu je alleen met jezelf bent. Houd moed, Lief, houd toch in Godsnaam moed! Als ik in den Haag woon, dan zal ik wel tegen je zeggen: Probeer eens dit of dat of dát te doen, en dan zal ik net zoolang met je praten, tot je daar vanzelf lust in krijgt. O, dan zal alles zoo anders worden, want ik kan wel eens suggestief ten goede op anderen werken, door mijn krachtigen inwendigen wil. Nu, Lief, nu gaat deze weg: houd je sterk: de tijd vliegt voort en weldra woon ik voor goed in den Haag.
Met een innigen kus geheel jouw eigen Willem
| |
| |
| |
Bussum.
Liefste, laat ik je eens wat zeggen: jij, 'n andere individualiteit dan ik, opgegroeid in 'n-beetje-andere tijden, andere omstandigheden en tusschen andere menschen en gebeurtenissen in, jij leeft toch uit jezelf hetzelfde inwendige leven, dat ook ik heb doorgemaakt met mezelf, dat ik nog ten deele bezig was door te maken, toen ik jou ontmoeten mocht. Ik ben er natuurlijk verder in dan jij, omdat ik wat ouder ben: ik heb door mijn eigen onbewuste kracht veel leeren bedwingen en terug-drijven en tot harmonie brengen, en daarom weet ik zoo, dat ik jou helpen kan, om alles in jou ook tot hooge kalmte te brengen. Dat zal natuurlijk niet dadelijk gaan en niet alles tegelijk, maar langzaam-aan en 't een na 't ander. Maar eenmaal komt zeker en stellig over jou de hooge levensvrede, de wijde, kalme vreugde algeheel. Ik voel dien al in mijzelf een beetje, nog wel als omsluierd, als achter wolken, maar hij komt toch, hij is er al en eens zal ik als van aangezicht tot aangezicht met hem staan. En dan ben jij naast mij, en jij zult hem óók zien, den heiligen, hoogen, onschendbaren Vrede, en je zult zacht met je hoofd aan mijn borst zinken en zeggen: ‘Willem, ik ben gelukkig, en, gebeure er wat er kan, dat blijf ik nu altijd.’ Jeanne, goddelijke Jeanne, jij openbaart mijn diepste ziel aan mijzelf: jij maakt mijn onbewustheid wakker, doordat je doet, zooals je doet, doordat je bent wat je bent. Jeanne, voel je nu niet, hoe ik je liefheb, ook nog buiten al kussen en aardig-doen om?
Neen, Jeanne, jij zult nooit meer alleen zijn, en ik ook nooit meer! O, dat maakt me zoo diep gelukkig! En zie: wij passen precies bij elkaar: jij hebt meer rede en meer geestelijke kracht dan de meeste vrouwen, en mijn geestelijk Zijn is teerder en fijner dan dat van de meeste andere mannen is. Mijn kracht is niet minder sterk en niet minder constant dan die van mijn geslachtsgenooten, maar zij is wel het tegenovergestelde van bruut; ik geloof, dat ik meer een ‘mensch’ ben dan de meeste mannen dat kunnen zijn; en zoo ben jij ook wel een echte vrouw, evenals ik een echte man ben, maar je mist gelukkig heelemaal het boterachtig-weeke, het onberedeneerd-onlogische, het schemerachtig-vage, waar men dikwijls ‘wee’ van wordt, als men er al te veel op letten gaat, of er al te ver in wil doordringen. Ik kan ieder woord en iedere daad van jou begrijpen, of tenminste sympathiek meevoelen, bij jou heb ik vasten
| |
| |
grond onder mijn voeten, terwijl de woorden en dingen van andere vrouwen dikwijls op mij den indruk maakten van glanzende, veerkleurige spinnewebben over een ledigen afgrond heen. Als ik dat voelende merkte, dacht ik bij mijzelf: ‘Jongen, vertrouw je daar niet aan toe, 't is prachtig om te zien, maar houd je op een afstand. Als je 't voor een werklijkheid gingt aanzien, dan zou je in den afgrond vallen, en dan moet je maar zien, hoe je weer naar boven klautert en dan mag je blij zijn, als je weer net zoo veilig komt te staan als nu’. - Vrouwen, wil ik maar zeggen, spelen over 't algemeen veel te veel met schijn. Maar daar heb ik bij jou nu juist nooit iets van gemerkt, wel het tegenovergestelde ervan. Achter al jouw woorden en dingen zit een gemoedsaandoening of een andere, werkelijk in jou bestaande geestestoestand, die door die woorden precies wordt uitgedrukt. Jij zegt nooit Z. terwijl je inwendig eigenlijk nog pas aan de A. bent.
Liefste, ik zeg hier dingen, die mij ook pas door jou duidelijk zijn geworden: ik heb ze nog nooit zoo kunnen uitdrukken, zelfs niet voor mij zelf. Voel je mij, begrijp je mij?
O, 't is zoo onuitsprekelijk-heerlijk, dat ik juist jou heb mogen ontmoeten. En je begrijpt nu misschien ook beter, want tot dusverre had je 't hoogstens kunnen voelen, wat ik bedoel met de expressie, dat ik je ziel lief heb, is 't niet, lieve Lief?
Innig kust je
jouw eigen Willem
| |
Bussum, 17 Juli '99
Allerliefste,
Na het ontbijt ben ik uitgegaan om mijn brief, dien ik gisteravond schreef, op de post te brengen. Nu zit ik bij Koderitsch, en lees je brieven nog eens over. O, die heerlijke verklaring van je, dat je den werkelijken mensch Willem liefhebt, en niet de abstractie in je hersens, waar je in mij slechts den aardschen weerschijn van zag. Je hebt je nu met je gevoel aan den mensch gehecht, die objectief bezien buiten jou bestaat, terwijl je vroeger in de eerste plaats, je eigen hersenmaaksel liefhad, dat je Willem noemde, en in de tweede en mindere plaats slechts mijn werklijkheid. Ik ken die nuance van
| |
| |
gevoel wel, want zóó had ik ook natuurlijk jou lief, voordat ik je gezien had, en zelfs nog, toen ik je vroeg, en je, nietwaar? nog slechts een paar uur lang persoonlijk kende. O, ik ben zoo diep verheugd, want nu kan de omgang tusschen ons zooveel geestelijkinniger en gevoeliger worden. O, nu ik dát van je weet, dat je gevoel waarachtiglijk is geworden gevoel-voor-een-mensch, en niet voor een idee, nu dringt mijn innerlijk gevoel voor je nog veel meer naar buiten, 't wordt nóg levender, nog meer geheel mijn Zelf innemend, dan het al was, en ik zeg je nogmaals, maar met nog inniger devotie dan vroeger, dat ik je aanbid, waarachtig aanbid, zooals men dat noemt ‘in geest en in waarheid’. 't Is net of voor mijn diepste bewustzijn, 't laatste irreëele, wat nog voor mij aan jou mocht zijn, absoluut, zonder terugkeer, weg-gaat; jij was al geheel en al een werkelijk mensch voor me, maar nu is het eenigszins, waarachtig, of je het nog méér wordt, terwijl ik tevens de goddelijkheid van je diepste wezen, sterker nog dan vroeger, gevoel. Ik heb je opperst-lief, o, Jeanne, in eeuwigheid, zonder bedenking, zonder terugval. En dat gevoel voor jou maakt mij niet alleen gelukkig, neen, het maakt mij ook zoo sterk, zoo ontzettend geestelijk-krachtig, zonder hardheid of zelfgenoegzaamheid.
Ik was, zoover gekomen, van Koderitsch weg-gegaan, omdat het koffie-tijd was. Nu zit ik weer op mijn kamer, en schrijf nog even door.
Je hebt nu de brieven, die ik gisteren schreef, al ontvangen, en ik hoop zoo, dat ze je pleizier zullen doen. Denk daar ook altijd om: ik schrijf alles precies op, zooals ik het meen; galante complimenten, daar doe ik niet aan, en daar houd je ook niet van, daar ben je te verstandig voor. Maar terwijl ik dit schrijf, schiet me er een te binnen, waar je, hoop ik, om lachen zult. Jeanne, je bent wel beschouwd, veel mooier nog dan de Venus van Milo, want die heeft geen armen en jij wel. Vind je me nu niet ontzettend flauw? Dat komt omdat ik zoo blij ben met je brieven, en alles wat je daarin zegt. O, ik voel me nu zoo energiek en veerkrachtig door mijn heele Zijn, omdat ik gelooven kan, dat je werkelijk houdt van mij. - -
Verster gaat met October óók van Parkzicht vandaan; dat is nu zeker. Hij gaat naar Amsterdam verhuizen, daar heeft hij een betrekking gekregen; ik ben erg blij voor hem, want zijn toekomst zag er anders wel een beetje donker uit.
| |
| |
Nu, Lief, 't is nu na de koffie en kwart over éénen; ik ga nu deze nog even naar de post brengen; dan krijg je hem waarschijnlijk vanavond nog.
Zacht kust je je onveranderlijk getrouwe
eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Liefste, Zooeven ontving ik je brief, dien je vanmorgen bij Koderitsch schreef. O, Lief, ze zijn me zoo'n onuitsprekelijke weelde, je brieven, zoo'n zalig-makend, altijd-durend genot! O, Willem, ik voel me zoo goddelijk-rustig en goddelijk-blij, - o, ik zou wel altijd maar aan je door willen schrijven en dan àl maar herhalen: ‘Je maakt me gelukkig, je maakt me gelukkig!’ O, te weten, dat jij houdt van mij, en dat mijn gevoel voor jou nu zoo volmaaktzuiver en zoo prachtig-menschelijk is, - dat is een onnoembare, hemelsche zaligheid! Willem, Willem, ik heb je lief, ik heb je lief, zoo diep, zoo innig-mooi, zóó waarachtig-volkomen, als ik niet wist, dat ik liefhebben kon! Ja, ik heb jou noodig, - het is een trotsche bekentenis, die ik je doe, - ik heb jou noodig om te worden, waartoe ik-alleen geen krachten zou hebben gehad. Jij zult me maken: harmonisch-verstandig-gevoelig; jij zult me leeren in het juiste midden te blijven, waar ik nu altijd tot uitersten verval. Nu ben ik: òf overgevoelig, week, - òf al te krachtig-verstandig, hard. En door die ongelukkige disharmonie in me, lijd ik zèlf het meest. Begrijp je nu, Lief, dat je, als je mij naar jouw verlangen vormt, in de eerste plaats mij gelukkig maakt, en dan pas jezèlf? O, Lief, neem dit als een klare waarheid aan: dat ik niet meer zonder je leven kan, dat ik zonder jou absoluut niet weten zou zelfs, hoe ik leven moest! Jij hebt, geheel onbewust, mijn liefde tot volmaking gebracht; jij hebt, door je doen en je woorden gemaakt, dat ik in de eerste plaats den menschelijken mensch liefhebben moest, en niet in de eerste plaats het beeld-van-mijn-geest. O, Lief, Lief! 't is zoo goddelijk-zalig je lief te hebben, je zóó lief te hebben, - zóó, alsof ons beider liefde maar één gevoel was, een eenig gevoel! Nu begrijp je wel, wat ik hiermee
bedoel, niet, Allerliefste?
Liefste, ik was ook zoo blij met wat je over mijn lieve Moeder schreef. Die eenvoudige handeling van haar nam dadelijk zooveel
| |
| |
van 't vreemde weg, is 't niet? En ik geloof, dat die enkele woorden Mama en jou veel nader tot elkander hebben gebracht, dan mogelijk geweest zou zijn bij de langste bestudeerde redeneering, is 't niet zoo?
O, ja, ik ben blij, dat je me geschreven hebt, dat Neerland's Weekblad heeft opgehouden te bestaan. Want ik had het al in een paar weken niet gekregen, hoewel er juist een feuilletonnetje van mij in liep. Nu ga ik natuurlijk de rest der copie vragen, of anders om het honorarium. Heel veel moeite doe ik er niet voor.
Dag, lieve Lief. Een innigen zoen
van jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
17 Juli '99
O, liefste Jeanne, je moet me niet uitlachen, maar ik ben kinderlijkblij met dien ring. Ik had er nog nooit in mijn leven een gedragen, en buitendien heb ik er het land aan om uiterlijk door iets in het oog te loopen, dat heb je zeker wel eens van me gemerkt, en zoo had ik er in den beginne diep-inwendig wel een beetje tegen opgezien, om voortdurend met zoo'n ding aan mijn vinger te loopen, maar nu ik hem eenmaal aanheb, vind ik het zoo leuk. Je zult misschien lachen om mijn kinderlijke ziel, maar ik heb net een gevoel, of ik nu nóg meer geëngageerd ben dan vóór dien tijd. Ik zit nu, terwijl ik alleen op mijn kamer ben, en dezen brief schrijf, hem van tijd tot tijd te bekijken, en hem dan plotseling om mijn vinger heen en weer te draaien, met een gelukkigen, maar eenigszins schertsenden glimlach. Heusch, Lief, 't is me net, of we nú pas in waarheid zijn geëngageerd. Want zoo'n ding doe je toch heusch niet aan voor de aardigheid van die gouden blinking alleen! Zoo redeneer ik in mezelf, en ga dan door: ‘Dáár moet toch heusch iets serieus' achter zitten’, en dan droom ik onwillekeurig verder, zooals het zijn zal in latere jaren, als wij altijd tezamen zijn, steeds, ieder van ons, met diezelfde fonkeling om onzen vinger, die al onze vreugde, och! en het klein beetje leed daarneven, samen met ons heeft doorgemaakt. O, Jeanne, lieve Jeanne, ik ben zoo innig-blij, dat ik met je geëngageerd ben. Niet om het geëngageerd zijn in 't algemeen, natuurlijk. Want, och, als je absoluut geëngageerd wil wezen, en
| |
| |
't kan je heelemaal niet schelen met wie, dan is er altijd wel wat te vinden. Er zijn, geloof ik, meer vrouwen dan mannen op de wereld. Neen, maar dat ik geëngageerd ben met jou, o, liefste Lief! Want buiten nu, dat je zus bent en zóó, alles precies zooals ik je graag wou hebben, zooals de vrouw moet wezen, die mij gelukkig maken kan, - buiten dat alles, zeg ik, krijg ik nu nog een roeping te vervullen, waar ik altijd aan werken zal. En die roeping zal zijn, om jou, o, lieve Jeanne, van je melancholie te verlossen, door scherts en ernst, door liefde en teederheid, door geestelijke opwekking en hartstochtelijk geluk. Want melancholie, o, Jeanne, dat is jouw groote kwaal. Dáár zijn ook al die kleine kwesties door gekomen, die er wel eens tusschen ons geweest zijn. Jij bent dus wat neergedrukt en zwaar in jezelf, en dan is er altijd wel in 't een of ander een zoogenaamd vast punt te vinden, een invallende gedachte, waar je in gewone stemming dadelijk het subjectieve of irreëele van zou inzien, maar waar je dan, in je kalme droefgeestigheid, aan blijft hangen, en waar je dan op doorgaat, en die je uitwerkt, het omscheppend tot oogenschijnlijk positieve dingen, maar die toch, bij later inzien, niets anders blijken te zijn dan grillige slagschaduwen van je somberheid. Maar over die alles donker-makende geestesneiging van je hoef je je heusch niet ernstig ongerust te maken. Je bent nog jong, en met de jaren, gaat het hoe langer hoe beter, vooral als je zielsomstandigheden wat beter en wat werkelijk vreugde-gevender zijn. Want ik heb er vroeger óók zoo aan geleden, en ik heb ook wel tijden gekend, dat ik alles donker, en, schijnbaar-logisch en op goede gronden, aaklig aanzag, maar hoe meer men het toppunt van zijn leven nadert, hoe vaster en sterker en zekerder-van-zichzelf men wordt. Ik weet precies wat melancholie is, en ik lach er natuurlijk allesbehalve mee als
ik haar jou zie hebben, maar ik weet ook, dat het, hoe diep het ook voor je gevoel moge zitten, het toch niets dan stemmingen, - hoor je 't, Lief, stemmingen zijn, die met de jaren hoe langer hoe minder worden, om eindelijk geheel-en-al te verdwijnen voor een hooge, inwendige rust. Houd dus moed, Lief! ik verzeker je, dat gaat langzamerhand heelemaal over. En jij hebt bovendien dit nog voor, boven anderen, die er ook aan lijden, dat je mij altijd naast je zult hebben, die 't precies kent, en die 't door alle mogelijke middelen zal weten te neutraliseeren en te verjagen, nog eer dan 't geheel uit zichzelf weg-gaat.
En merk je ook wel uit den kalmen toon, waarop dit alles, wat
| |
| |
ik hier gezegd heb, spontaan-weg uit mij voortkomt, Lief! dat ik dit niet zeg om je gerust te stellen, of alleen om je op te wekken, maar dat het de werkelijke waarheid is? Houd dus maar moed, Lief! en vertrouw maar op mij. Het Leven op zichzelf is noch mooi, noch leelijk, noch prettig, noch onaangenaam, het Leven is alleen dát, wat je er zelf in ziet, wat je er zelf van maakt. En ik zal altijd zorgen, want daar ben ik voor, en daar voel ik de kracht en den blijden wil toe, om het je zoo prettig mogelijk te doen zien. Dat doe jij immers ook aan mij, misschien zonder dat je 't zelf heelemaal bewust bent. Maar je doet het toch, dat verzeker ik je, o, onvergelijkelijk lieve vrouw! Want, vóór dat ik jou kende, vond ik het heusch een ellendigen boel. Ik was er wel doorheen gekomen, zonder dat de levensmoed mij langer dan voor een oogenblik was ontzonken, want ik voel me inwendig heel sterk en zelfgerust. Maar toch was de ware vreugde er nooit in gekomen, als ik jou niet ontmoet had en je niet mèt mij had willen zijn.
Geeft je dat nu niet een klein beetje opwekking, een gerust pleizier, nu je dat weet, o, liefste Jeanne, omdat ik het je zeg? Heusch, alles zal goed gaan tusschen ons en mèt ons, daar ben ik zoo blij-zeker van, o, 't zal hoe langer hoe beter gaan!
Herinner je je wel, Lief, dat ik eens gezegd heb, in een van de verzen, die ik tot dusverre voor je schreef:
‘En 'k zal mijn sterkende gedachten breiden,
Alsof er vleugelen der liefde gaan,
Over de lokken, die zoo glanzend glijden,
Liggend zoo rustig, waar mijn schoudren staan.’
Die schieten me opeens te binnen, en ik ben nu zoo blij, want ik zie thans, dat mijn onbewustheid waarheid heeft gesproken.
Toe, als je je beroerd voelt, terwijl je bijv. op je kamertje zit, denk er dan eens aan, dat je
een ander mensch, om wien je toch wat geeft, zóó gelukkig weet te maken, alleen omdat je er bent,
en bent zooals je bent. Buiten je artiest-zijn om vervul je waarachtig nog een andere roeping op
de wereld, je maakt een mensch diep-gelukkig, die zonder jou ellendig zou zijn. Richt je lieve leest dan omhoog, o, Jeanne, geëlanceerd door het trotsche bewustzijn, dat je het geluk op de wereld zoo vermeerdert 1e door [d]e kunst, 2e doordat je een mensch gelukkig weet te maken, die, voordat hij jou kende, waarachtig niet aan overmaat van levenslust leed.
| |
| |
Voel je nu niet iets trillen in je van trotsche voldoening, dat jij die macht hebt, die waarachtig geen ander zou kunnen hebben, over en voor en in dien mensch?
Kom, lieve Jeanne, hef dan je hoofd omhoog, terwijl je voor je bureau zit, want alles in je en met je komt wel langzaam, maar toch zeker terecht. O, ik voel zoo innig de kracht en de macht en de heerlijkheid, die van jouw onbewustheid uit de verte naar mij heengaat, - moge er dan uit mijn bewuste woorden van blijde wèlwetendheid, die spontaan uit mijn onbewustheid naar jou heenvliegen met dezen brief, ook wat geluk neerdalen in jouw ziel!
Innig kust je met eeuwig-getrouwe teederheid
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Liefste, liefste Willem, ik moet nu dadelijk weer aan je schrijven, want, o, ik heb je nog zóóveel te zeggen. Ik sloot mijn vorige maar om dien een goed geheel te laten blijven, maar nu begin ik weer. O, innig-lieve, lieve, goede Lief! ik wou, dat ik je volkomen-duidelijk zeggen kon, hoe elk van je woorden me verrukt en me een blijvende vreugde geeft! O, Willem, je brieven maken me zoo eindeloos-blij! Al mijn weemoedige stemmingen of minder-prettige gewaarwordingen verdwijnen er eensklaps door, - en rustig en stil-zalig gelukkig voel ik me dan.
O, Willem, in één van je brieven heb je zoo'n goddelijken zin geschreven, dien ik, geloof ik, altijd, als een soort van tooverformule bij me houden zal. Het is dit:
‘... en later zullen wij, samen-zittend, vreeselijk moeten lachen om alle kleine moeiten en zorgen van het verledene, dat nú het tegenwoordige is...’ - O, zie je, - ik ben iemand, die dadelijk, door alles terneer geslagen is, die hevig huilt om kleinigheden, waarover ik me schamen moest dàt ik huil, - maar als nu (wanneer er weer zoo iets is) de plotselinge gedachte door mijn hersens schiet: dàt heeft Willem gezegd, - dan weet ik zeker, dat ik daar kracht door krijg en dat het mijn weerstandsvermogen versterkt. O, lieve Lief, zie je wel, dat je me op alle mogelijke manieren, zelfs soms zonder het te weten, troost geeft en steun en een heerlijken, berustenden moed?
| |
| |
O, Willem, ik moet heusch lachen als je zoo over mijn uiterlijk spreekt, als je wel eens doet. Natuurlijk vind ik het heel prettig, dat je me zóó ziet, - omdat dit het eenige is, wat jij van me gewaar kunt worden, - want mijn ziel kan wel stralend-mooi zijn, zonder dat je er iets van bespeurt, en wat heb je er dan aan? Maar, Liefste, nu zonder gekheid; dit weet je toch wel van me: ik zou 't ellendig-afschuwelijk vinden, als je zóó tegen me sprak, zonder er dadelijk bij te voegen: ‘dat je mijn uiterlijk lief hebt òm mijn ziel’. En dan vind ik het heerlijk, verrukkend-heerlijk zelfs, éénig Lief!
Ik kan maar niet eindigen, en ik moet toch zoo noodig aan 't copieeren gaan. Want Woensdag moet ik naar Veenstra, en ik geloof nooit, dat ik dan klaar ermee ben. (Ik heb mijn bezoek al eens uitgesteld.)
O, mijn Liefste, Liefste! Ik sluit mijn armen om je hals, en, mijn wang tegen jouw wang geleund, fluister ik aan je oor, dat ik altijd, altijd de jouwe zal zijn, door mijn hééle leven en alle eeuwigheden heen, jusqu'à la fin des fins!
Met een warmen, zachten zoen van volkomen-schoone liefde,
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
18 Juli '99
O, Lief! Schat-van-een-Lief!
Ik wou, dat je hier was, dan zou ik niets doen dan naar je kijken, en zacht met je hand spelen, totdat ik opeens, haar vurig kussende, 't uit mij voelde jubelen met een klare stem, dat jij de eenige bent, die ooit geweest is, dat jij de eenige altijd zult zijn. O, Jeanne, Jeanne, waarom ben je nog niet hier!
Ik heb den heelen dag zitten werken, maar nu ik mijn werk eindelijk heb terzij geschoven, en op het eten zit te wachten, voel ik me een beetje week-mijmerig en droomerig. Het doet mij zoo'n ontzettend pleizier, o, Jeanne, als je aldoor zegt, dat je van mij houdt, en dat je altijd bij mij wilt blijven.
Ik heb nu gegeten en thee gedronken, en ga nog wat aan je schrijven. Wat je in een van je brieven schrijft over die éénheid-van-gevoel,
| |
| |
dat zie ik zóó, Lief! Kijk eens, jij en ik zijn twee menschen, twee afgescheiden, individueele wezens dus. Maar als ik nu jou een zoen mag geven, dan komt daardoor plotseling een trilling van geluk door mijn heele lichaam. Dan zijn jij en ik op dat oogenblik feitelijk één. Door jouw gedachten kan je daar heel veel aan doen. Want als ik bijv. jou kus, dan gaat er nooit het eerst door mijn hoofd: nu kus ik dien rooden mond, die zoo gevormd is, maar altijd het eerste, dat door al het latere heen blijft: Nu kus ik Jeanne, en ik zou geen enkle andre willen kussen, al kon ik er de eeuwige zaligheid mee krijgen. Liever met háár in de hel dan met een andre in den hemel! - Je moet niet boos zijn, dat ik de kwestie zóó opvat, Lief! Maar ik weet niet, hoe het komt, ik kan het niet helpen, maar ik verlang, den heelen dag al, zoo verschrikkelijk naar een kus van jou! En het eenige, dat me troost, is, dat ik er later zóóveel zal mogen nemen, en dat ook werkelijk zal doen, dat je dikwijls zult zeggen: O, Willem, ik word er zoo moe van: houd er eventjes mee op!...
O, Lief, ik kan het heusch niet helpen, zal je niet boos zijn, Lief?
O, dat zitten in zoo'n soort hôtel-huis als dit, kan me soms zoo embêteeren. Als bijv. juffr. Linn uren lang beneden op de piano zit te spelen en daarbij te zingen, moet ik al dien tijd mijn werk opschorten, want zeg ik er iets van, dan antwoordt ze: Mijnheer, ik moet studeeren!...
Tot morgen. Ik ga nu deze weg-brengen.
Jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Willem, o, éénig-goede en liefste Lief! Wat hebben je brieven me zalig-veel goed gedaan! Het was waar, wat je vermoedde: dat ik een beetje down ben geweest. O, Willem, je moet dat intuïtief hebben gevoeld, want ik weet wel niet precies meer, wat ik in mijn brief van Maandagmorgen schreef, maar toch geloof ik niet, dat ik er op gezinspeeld heb. Het was niet erg, - een beetje innerlijke gedruktheid maar, - en dit moet je van me gelooven, Liefste! dat, als er een mij bewuste oorzaak voor is, ik je die altijd zeggen zal, en je niet zal laten gissen en raden, - wat zoo onaangenaam is, omdat je toch de reden niet weten kan. Dat vind je immers goed, lieve Lief? Je weet 't wel, hoe goddelijk graag ik bij jou kom om hulp. Maar er zijn wel eens droevige stemmingen in me, waarvan
| |
| |
ik zelf 't waarom niet weet, en waar ik juist dáárom niets aan kan doen. Ik laat ze dan maar hun uitwerking hebben, en onderwerp me lijdelijk aan dien geest-verloomenden invloed, als tenminste niets wat van buiten komt, mij verlost. En dat is nu juist 't goddelijkzalige van jouw brieven, Lief, - met één tooverslag genezen ze mijn zwaarmoedigheid. O, 't is onbegrijpelijk, haast ongelooflijk, hoe snel er dan een omkeering plaats grijpt in mijn Ziel. Lief! weet je wel, dat je me nú al zooveel beter hebt gemaakt? O, Lief, jij hebt ze nooit gekend, die radeloos-wanhopige stemmingen van me, waarin alles in me smachtte naar dood, dóód, - en ik in de uitvoering van dat verlangen alleen door lafheid verhinderd werd, - zoo lang ik met jou ben geëngageerd heb ik ze nóóit meer gehad, die oogenblikken van krankzinnige, woedende droefheid, - die momenten van afschuw en walging van het leven, die me folterden met onontkoombare ellende. Ik sidder bij 't herdenken daaraan, - o, Lief, Lief, ik geloof, dat 't waarachtige waarheid is, dat jij, jij me gered hebt. Want jij, Liefste, hebt me ineens boven mijn inwendige smart gesteld, jij hebt me de eigenlijk-niet-bestaanbaarheid er van aangetoond, - o, jij, jij, jij bent mijn redder, Lief, mijn leven-gever, de brenger van al het mooie, goede en lieve aan mijn lot. Jij zal mij heelemaal van mijn zielsziekte genezen, want jij hebt de geestelijke macht en de bekwaamheid er toe, jij kan àlles, omdat jij àlles op mij vermag. O, Lief, wat zal ik jou gelukkig kunnen maken, wanneer ik zelf altijd gelukkig ben!...
Weet je, wat 't was, Liefste? Ik was: levenszwak. Het leven was te zwaar voor me: het doodde mijn lichaam niet, maar het zou langzaam mijn ziel hebben gedood. Weet je wel, dat ik eens in een vers heb gezegd:
Ik kan niet leven... en ik durf niet sterven...
Ik heb geen kracht voor leven, noch voor dood...
Lief! ik zou voor je kunnen neervallen en je handen zoenen in hartstochtelijke dankbaarheid, dat je me niet alleen wilt laten in het leven, dat ik altijd op jóu vertrouwen mag. Ach, Lief, het beetje leed, dat ik nú soms nog heb, - de enkele tranen, die ik nú nog vergiet, - dat zijn als 't ware de navallende druppels van een hevigen regen, waardoor de heele hemel is leeg-geweend, en waarover al weer 't prachtig-glanzende zonlicht glijdt. Het kàn niet plotseling heelemáál verdwijnen, is 't wel, Lief? o, 't is al zooveel beter bij
| |
| |
vroeger vergeleken, want nu zijn 't maar korte, niet-hevige opwellingen, die door een enkel woord van jou al verdreven worden.
Liefste, 't geeft me zoo'n heiligen eerbied voor je en zoo'n goddelijk vertrouwen op je kracht, dat ik me door jouw invloed zooveel innerlijk-sterker en veerkrachtiger voel worden. O, Liefste, zeg ik 't wel goed, bewijs ik 't je wel helder en klaar, hoe eindeloos en onuitsprekelijk dankbaar ik je ben? O, neen, neen, ik zeg niet genoeg, maar, ach, woorden zijn ook zoo onhandig en armelijk-zwak, om mijn rijk gevoel in uit te drukken! Lieve Lief, voel mijn blijde dankbaarheid maar, ook al wordt die niet volledig uitgesproken: ik dank je àlles, Lief, àlles, waardoor ik leef, waardoor ik leven kàn. O, ik voel het zoo diep, dat ik besta door jou, door jou-alleen, - en dat ik geestelijk heelemaal en absoluut ineen-zinken zou, als ik zònder jou voort-leven moest. Begrijp je nu, Lief, hoe jouw goddelijke kracht me 't leven doet dragen, hoe jouw zalig-groote invloed-opmij, mijn zwakheid vermindert en eenmaal heelemaal zal doen verdwijnen? Je hebt weer iets in een van je brieven gezegd, dat ik wel in mijn hersens zou willen griffen, om het nooit te vergeten:
‘...ik weet ook, dat, hoe diep het ook voor je gevoel moge zitten, het toch niets dan stemmingen, hoor je 't, Lief? stemmingen zijn, die met de jaren hoe langer hoe minder worden, om eindelijk geheel te verdwijnen voor een hooge inwendige rust.’ -
Willem, als ik zoo dat alles lees, wat je allemaal, in je goedheid, voor mij hebt neergeschreven, en 't me is, of ik je stem hoor, met een overtuigenden toon, - dan voel ik het als een klare zekerheid in me, dat jij mijn goede genius bent, die me opvoert naar de vredige hoogten des levens, waar ik boven alle wereldsche smart zal staan. - En daarom, mijn Liefste, moet je ook nooit meer zeggen, dat je me niet vroolijker en opgewekt kan maken, want je wéét niet, hoe ik vroeger was. Jij, Lief, jij geeft me alle vreugde, alle geluk, die ik ooit in mijn leven had. En als je zegt, dat ik je gelukkig maak, dan word ik zàlig, Lief! Ik eindig nu maar, straks schrijf ik wel weer. O, mijn Lief, de enkele gedachte aan jou, geeft me al troost en veiligheid. O, mijn Liefste, mijn lieve trooster, mijn steun-gever, mijn beschermer, mijn àlles! Met een innigen, teederen zoen
jouw eigen Jeanne
| |
| |
| |
Bussum, Parkzicht
18 Juli '99
Lieve, lieve, lieve Lief!
Ziezoo, ik heb even mijn vorige weg-gebracht naar de post, en nu begin ik maar weer voor morgenochtend te schrijven, dien je dan morgenavond krijgt.
Ik voel me vanavond zoo verschrikkelijk sentimenteel. Ik wou, dat je hier was, want dan weet ik zeker, zou je mij niet uitlachen, maar je zou stil bij mij komen zitten en je hoofd tegen mijn schouder leggen, en dan zou je zeggen: Kom, Willem, laat het nu maar stil zijn daar binnen bij je, want ik heb je werkelijk lief! En dan zou ik wel weer opknappen en gaan glimlachen en praten.
Het kan best zijn, dat het door dien ring komt, dat ik me zoo sentimenteel voel vandaag. Die ring brengt het aldoor zoo tot mijn bewustzijn, dat jij bestaat, en dat je toch niet bij me bent: o, ik mis je zoo verschrikkelijk, Lief! Verleden week om dezen tijd, toen was ik nog in den Haag, en toen had ik nog den volgenden dag voor me van heerlijk samenzijn met je. Ja, ik zal er maar rond voor uitkomen, want ik kan niet anders: ik kan niet meer buiten je, en ik wil ook niet meer buiten je: ik zou wel altijd bij je willen zijn. Daar zit ook heelemaal niets geks in voor een geëngageerd mensch, om zóó te voelen en het te uiten tegen háár, bedenk ik me daar. Ja, ik geloof zelfs, ik hoop tenminste, dat het je pleizier zal doen, dat ik het zeg. Als je me plotseling zei, dat je niets meer met me te maken wou hebben, want dat je je vergist had, dan zou ik niets anders kunnen doen, dan mij zoo gauw mogelijk van kant te maken, op hoe'n manier? och, de eerste de beste, die dan in mijn hoofd kwam. Voel je nu niet, Lief! dat ik heelemaal in jouw macht ben, dat je mij kunt maken en breken? En wat je zegt over den invloed, dien mijn nabijheid heeft op jou, dat is precies hetzelfde, wat jouw nabijheid, jouw heerlijke nabijheid is voor mij. Houd je toch altijd daar diep van overtuigd, prent het in je, en leer het voelen, als een noodzakelijkheid waar niets aan is te veranderen, maar die altijd zal dienen tot jouw geluk; dat ik je liefheb en lief blijf hebben, zonder einde, en dat ik onafscheidbaar met je wil samen zijn.
Maar, Lief! als jij nu weet, dat ik zóó voor je voel, en jij voelt ook zoo'n beetje zóó voor me, dan kunnen wij immers samen zoo'n heerlijk leven voor ons opbouwen, een leven, dat geen
| |
| |
droom is en geen illusie, maar dat in werklijkheid bestaat en bestaan blijft, totdat de laatste adem ons begeeft? Ik zal je waarachtig helpen, in alles en zonder ophouden helpen, ik zal je nooit overlaten aan jezelf; ik zal je troost geven, als je verdrietig mocht zijn; ik zal je opbeuren, als je neerslachtig mocht wezen; ik zal je bezig houden, als je je ooit mocht komen te vervelen; ik zal je doen lachen, als je wilt vroolijk zijn, tot uitgelatenheid toe, als je je uitgelaten voelt, en ernstig met je spreken, als je naar ernst verlangt. Je zult door mij heelemaal vergeten, wat de ellende van eenzaamheid is, want ik zal je met liefdevolle blikken en woorden en daden en gebaren uit je eenzaamheid ophalen, als die je naar beneden wil trekken in haar donker, ik zal je verrukken en bedwelmen en bezaligen, totdat je uitroept: ‘Het leven is heerlijk! O, Willem, ik ben zoo blij, dat ik leef!’ Want ik ben sterk, o, Liefste, en vast, maar al mijn sterkte en vastheid is voor jou, om je te doen krijgen en behouden van het leven, àl wat je van het leven verlangt.
Lief! 't is al weer bij half één, en ik ga dus maar naar bed. Maar ik moet je toch nog even zeggen: Je zult géén ding door mij moeten missen, en je zult alles krijgen, wat je nú nog niet hebt. Ik heb je lief zonder grens of ophouden; ik geloof in jou, o, mijn Jeanne, geloof jij in mij!
Met een innigen kus
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, dit moet ik je toch óók nog zeggen: dat ik nu door jòu de toekomst zoo blij en vertrouwensvol in durf zien. O, dat troostelooze leven lag vóor me, zoo vreemd en eenzaam en leeg, dat ik weg-kromp van medelijden met mijzelf, hoe ik er doorkomen zou. Maar nu, o, Lief, nu is dat zoo goddelijk-zalig veranderd. Ik zie en voel overal jouw steunende en opbeurende kracht, - ik weet zoo zalig zeker en vast, dat ik nóóit meer alleen zal zijn. O, Liefste, als ik dááraan denk, zou ik wel een kreet willen geven van diepe, overweldigende vreugd. O, Lief, soms heb ik zoo'n innig, onbeheerschbaar verlangen naar jou, om mijn armen om je heen te slaan, en je toe te roepen: ‘Willem, ik geloof als in een evangelie in al je woorden, - je maakt me gelukkig, - ik heb je lief!’
O, Willem, Liefste, ja, ik geloof 't, ik weet 't zeker, ik ben er
| |
| |
van overtuigd, dat jij mijn melancholie zult doen verdwijnen, die mijn geluk ondermijnt, - ik voel dat zoo vast, omdat jij haar zelf zoo goed kent, en dus zelf de waarheid ondervonden hebt van 't geen je zegt. Ik vertrouw me absoluut en voor altijd aan je toe! -
O, Liefste, ik vind dat allemaal zoo heerlijk-prettig, wat je schrijft van dien ring. 't Ging mij precies zoo als jou: eerst was hij me een beetje vreemd, maar nu vind ik 't zoo'n aardig, gezellig denkbeeld, dat wij beiden iets dragen, dat een bewijs is van onze vereeniging. Vind je dat ook niet, Lief? En ik kijk er telkens naar met zoo'n intiem pleizier, - méér nog dan eerst, nu jij er zóo over geschreven hebt.
Lief, je zegt, dat ik in mijn brief van Maandagmorgen je niets antwoordde op je brieven, maar die had ik toen nog niet ontvangen. Je hebt nu in elk geval de antwoorden al.
Vandaag kreeg ik om één uur een brief van je en een om half vijf. Lief, geloof altijd maar, dat
je met je brieven een zegenrijke weldaad doet. Want je spreekt daarin je innerlijk wezen en je gevoel-voor-mij zoo heerlijk-helder uit, dat 't me is, alsof je bij me zit en ik je spreken hoor. Dag, lieve, lieve, goede, éénige Lief! Met een innigen zoen van groote dankbaarheid en diepe, teedere, oneindbare liefde
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum
O, Lief, ik ben zoo blij, dat je zoo standvastig bent. Het eerst is mij die konsekwentie van jou heerlijk-duidelijk en prachtigvoelbaar geworden, toen ik je dien brief uit Ede had geschreven, en ik ten antwoord kreeg van je: ‘Ik zal komen’. Toen ben ik zoo diep-blij geworden, want toen wist ik opeens, toen sloeg het plotseling bij mij in, dat ik in jou niet te doen kreeg met een capricieuse vrouw, maar met een waarlijk-compleet mensch, een mensch, die handelde logisch-gevoeld. En daarom, Jeanne, heb ik ook zoo'n echt respect voor je, voel je dat? Mijn respect voor jou is geen lyrische opwinding, geen schijn, waar au fond niets anders achter zou zitten dan mijn verliefdheid op jou, - neen, mijn respect voor jou bestaat als iets echts en constants en wat op deugdelijke gronden rust. Dat je er bijv. tusschenbeiden toe bent kunnen komen om
| |
| |
te zeggen: Ja, ik ben toen wel een beetje haastig in mijn oordeel, een beetje te oogenblikkelijk-lyrisch geweest, - dat geeft mij zoo'n waarachtigen eerbied voor je, want dat toont, dat je de essentiëele en ware kern der dingen stelt boven den uiterlijken schijn van gelijkhebberij, dien je natuurlijk door wat handige redenatie en gevoelig-aardig-doen makkelijk had kunnen krijgen, als je 't gewild had, en dien ik wel niet met mijn diepste verstandsbewustzijn had kunnen accepteeren, maar waarin ik dan toch uit liefde voor jou berust zou hebben met een gelaten glimlach. O, Jeanne, ik voel het: wij zullen geestelijk zóó na bij elkander kunnen komen langzamerhand als nog maar zelden twee menschen op de wereld zijn geweest. Jij wordt voor mij, hoe meer ik je leer kennen, de incarnatie van het vlekkeloos-zuiver menschelijke in den mensch.
Dit wou ik je nog even zeggen; nu moet ik weer aan het werk.
Innig kust je
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Verleden Woensdag was je nog hier, Willem, weet je nog wel? Ach, hoe heerlijk was alles toen! Lief, zullen die mooie dagen terugkomen, zooals ze nu heen zijn gegaan? O, 't lijkt me al weer zoo lang geleden dat je hier was en tegen me lachte en sprak! Voortdurend lees ik die twee brieven van je over, die je eergisteravond schreef, die brieven, die je zoo goed en lief was, zóó te schrijven, ofschoon je niet zeker wist, dat ik zwaarmoedig was en dat alleen maar dacht. O, Lief, dat geeft me zoo'n goddelijk gevoel van veiligheid, dat je zóó overtuigend tegen me zegt, dat mijn melancholie eenmaal over zal gaan. Want o, ik vertrouw zoo volkomen op je sterkende kracht, - ik weet 't, ik zou haar alléén nooit, nóóit overwinnen, ik zou in die worsteling òndergaan. Want nu nog voel ik me dikwijls ellendig-angstig en bang voor mezelf als ik verdriet heb zonder dat ik verdriet heb. Ik vind dat zoo iets onrustgevends, zonderlings, zoo iets benauwend-vreemds. En daarom, Lief, steunt en troost 't me zoo, als jij zegt, dat ik er me niet beangst over hoef te maken.
Wil ik je eens wat zeggen, Lief? Ik voel, dat ik heelemaal in jouw macht ben, absoluut, volkomen en voor-altijd. Want als er géén
| |
| |
brief van jou is, dan ben ik dadelijk diep-gedrukt en aldoor schreiensbereid, - maar is er wèl een, dan voel ik me zoo luchtig en vroolijk en juichend-blij. Heb je 't nooit eens gemerkt, Lief, dat de brieven, die ik je schrijf, als antwoord op de jouwe, veel levendiger en opgewekter zijn dan die ik je schrijven moet, als ik géén brief van je ontvangen heb? Nu had ik ook zoo gehoopt, dat er vanmorgen een brief zou zijn, omdat ik er gisteravond ook geen kreeg, wat toch meestal gebeurt, maar waarschijnlijk wordt er nu wel een om één uur gebracht. Ik moest er niet over spreken, want 't is niet aan te nemen, wel, Lief, dat de post met mijn verlangen rekening houdt. Misschien verveel ik je ook wel een beetje met mijn gejeremieer, - maar, Lief, 't moet je toch wel een satisfactie zijn, dat je goedheid om mij te schrijven zóó wordt geapprecieerd, dat het een hevige, echte-smart-gevende teleurstelling is, als er eens geen brief van je komt. En ik zou heusch nóóit meer klagen, Lief, al schreef je ook minder, wanneer ik er maar op rekenen kon met een bepaalde post een brief van jou te krijgen. Maar dat schijnt, helaas, niet te gaan in Bussum, want nu is het elken dag anders. Ik zou vandaag naar Veenstra zijn gegaan, maar ik heb geen lust. Ik geloof eigenlijk, dat ik een beetje overspannen ben; ik kan niet goed tegen haasten met mijn werk: ik had Veenstra mijn werk niet zoo gauw moeten beloven. Maar als er straks een brief van je komt, is alles weer goed. Als er nu om één uur een brief van je komt, dan zend ik je een opgewekten expresse, om te toonen, dat 't wáár is, wat ik zeg: dat je brieven me altijd beter maken!
Arme, lieve Willem, soms heb ik zoo'n medelijden met je, omdat ik met mijzelf zoo'n verschrikkelijk medelijden hebben moet. O, ik wou, dat ik eens, ééns aan je schouder uithuilen kon, totdat mijn hééle ziel was leeg-geschreid, en ik voor altijd volkomen was bevrijd van mijn onbewuste smart, - want nu, ach, nu snik ik maar in het ijle, - niemand hoort me, niemand ziet mijn tranen, niemand màg ze zien. En dus moet ik me zèlf maar weer opwekken, wat ik niet kan, niet kan. Ach, ik geloof, dat geluk niet bestaat, dat verdriet niet bestaat, dat ze in elk geval ondefinieerbaar zijn, - want ik heb geluk en ik heb geen geluk, ik heb geen verdriet, en ik heb verdriet, - ach, ik begrijp het niet, ik begrijp het niet!...
Wees er maar niet boos om, Lief, ik kan 't heusch niet helpen, sla er maar geen acht op, het zal wel stil en vanzelf weer verdwijnen. O, ik weet zeker, als je nu bij me was, dat ik plotseling mijn eigen
| |
| |
stemming niet meer begrijpen zou. Zoo was 't ook verleden week: ik had je van mijn verdriet willen vertellen, dat ik zoo dikwijls heb, - maar ik kon niet, ik wist niet meer, wat het was geweest. Ik kon me alleen maar ontzettend verbazen, dat ik me wèrkelijk had verbeeld, verdriet te hebben. Maar we zullen nu toch gauw veel samen kunnen zijn, hè, Lief, en dan zal je nooit meer, dat verzeker ik je, de treurige ervaring krijgen, dat je woorden schijnbaar geen indruk op me maken, want er wordt een vasten grond erdoor gelegd in mijn ziel, waarop ons toekomstig geluk veilig kan worden gebouwd.
Met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, mijn eenige Liefste, wat was ik diep en onuitsprekelijk blij met je brief! Want je schrijft me, Lief, dat jij je óók wat stildroefgeestig hebt gevoeld (jij noemt 't sentimenteel en dat klinkt lang zoo akelig niet) en nu geloof ik, neen, ik wéét dat wij beiden hetzelfde onbewuste verdriet hebben gehad, maar dat zich bij mij, omdat ik weeker ben, direct uit in tranen en klachten om een wèl gevoeld, maar niet begrepen leed. Het is verlangen, - nu is het me klaar bewust geworden, een altijd-durend, rusteloos verlangen naar jou. Nu weet ik tot mijn heerlijk-groote blijdschap, dat mijn vreemd en onrust-gevend verdriet niets anders is dan de smart om jouw afwezigheid. Ja, ik zeg ‘blijdschap’, Lief, want dit verlangen is een bewijs te meer voor mijn ernstige, diepe liefde voor jou, en eenmaal zal er toch voor goed een eind aan mijn verlaten-voelen komen. O, Lief, als wij maar altijd samen waren! O, wat zou het zalige weten van je nabijheid me sterk en flink en krachtig-rustig maken! O, Lief, Lief, was je maar hier! O, ik verlang zoo onuitsprekelijk erg naar je, - o, nu ken ik, nu begrijp ik mijn onbewuste smart: het was verlangen, verlangen, - dat deed me klagen en jammeren en huilen-om-niets, - dat deed zich als een moeheid, als een onmacht voelen, die in een physieke walging van het leven overging. Ja, zóó erg was het geworden, Lief, zonder dat ik wist, wat het was, en nu heb jij me met één enkel woord in je brief van gisteravond tot de erkentenis gebracht van mijn verlangen naar jou. En daar ben ik zoo diep-blij door geworden, Willem, want nu weet ik, dat
| |
| |
mijn verdriet niet onoverwinnelijk is en niet hopeloos. O, Liefste, Liefste, Liefste! O, jij die vreugd en droefheid voor me kunt bepalen, die mijn hééle leven kunt richten naar jouw machtigen wil, - Liefste, ik heb je lief, o, lief, lief, lief! met mijn hééle mensch-zijn, met al de samenstellingen van lichaam, ziel en geest. Ik heb je volkomen lief, omdat jij in alles volmaakt-prachtig bent, zoowel in je menschelijke handelingen, als in de bestrevingen van je ziel. Willem, ik heb je lief met een liefde, die mijn ziel doet trillen en mijn hart doet kloppen van vreugd, - een liefde, die mijn leven is, - waarzonder ik niet kan bestaan, - ja, erger vernietigd zou zijn dan als ik nooit had geleefd. O, Liefste, geloof je 't nu voor altijd en altijd, dat ik van je houden moet, totdat de laatste sprank van mijn verstand vergloord zal zijn? O, weet je 't nu, Lief, dat ik voor eeuwig en onvoorwaardelijk aan jou toebehoor? O, ik wil niets anders, ik kan niets anders meer dan jou liefhebben, jou, jou, - ik zie niet, ik weet niets, ik erken niets, dan jou, jou-alleen. O, de pracht van mijn liefde voor jou, mijn diepe, teedere, eindelooze liefde voor jou! Ik heb je lief! ik heb je lief! Ik lééf van mijn liefde, die geeft me wilslust en moed en levenskracht, en een blij toekomstgeloof! Dag, Liefste, mijn Lief, ik kus je handen, die mij zoo dierbaar zijn,
tot in eeuwigheid
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
19 Juli '99
Lief, laat ik beginnen met je wat te zeggen. Morgen, Donderdag, kom ik waarschijnlijk pas om half elf 's avonds terug uit Amsterdam, waar bij de Coorengels huiselijk diner is, ter gelegenheid van Hein en Dientjes ondertrouw. Waarschijnlijk krijg je dus Vrijdagmorgen geen langen brief: als 't eenigszins kan, zal ik zien, dat ik, bij Hein op de kamer of zoo, een kort en aardig briefje schrijf en dat gooi ik dan in Amsterdam in de bus. Maar als er nu eens heelemaal niets mocht komen, wat ik zal trachten te verhoeden echter, zooveel ik kan, - maak je dan niet zenuwachtig, Lief! want dan komt het omdat ik geen gelegenheid heb gehad.
Hè, ik wou, dat ik al in den Haag woonde! Mag ik eens over- | |
| |
moedig zijn, Lief? Kom dan: ik weet zoo zeker, dat ik je voor mijn heele leven heb en dat maakt mij inwendig zoo dol-blij. Want zie nu eens: alles om ons heen verandert, nietwaar? en over tien jaar bijv. ziet alles er heel anders uit dan nu: omstandigheden, menschen, positie, etc. etc. 't wisselt allemaal, 't gaat weg, of 't wordt grooter, ruimer, vrijer, beter. Wat zullen we ons dan in het tegenwoordige opsluiten, als het soms drukt? Als de bestanddeelen er maar zijn, waaruit een betere toekomst rijzen kan, dan moeten en kunnen wij ons van tijd tot tijd, als we ons wat gedrukt voelen, maar eens uit het tegenwoordige verplaatsen in de toekomst, met onze gedachten. Wat zien we dan? Dat alles wisselt, ja, maar één ding niet. En dat ééne ding, Jeanne, is mijn liefde voor jou! Denk bijv. maar eens vooruit, en zie maar eens naar je zelf, zooals je zult zijn over een jaar of tien, om maar een heelen tijd te noemen. Dan zijn wij al lang getrouwd, en jij bent een heele dame met een goede positie in de Hollandsche literatuur. Dat is geen fantasie, maar komende werkelijkheid, Lief! Denk daar maar eens aan, als je eenzaam op je kamertje zit!
De meeste dingen gaan geleidelijk in het leven, dat moet je ook altijd maar bedenken. Maar alles beweegt zich toch in de goede richting. Wie had nu bijv. gedacht, toen jij in Mei in Bussum was, dat nu al de weg zou openstaan, om mijn voortdurend zijn in den Haag tot een werklijkheid te maken? En dan komt er o, zoo'n andere tijd, zoowel voor jou als voor mij, lieve Lief! Want verdriet door mij zal je heusch niet hebben, daarvoor heb je te grandioos je zuiverheid en gevoeligheid aan mij geopenbaard. Jij hebt mij aan het leven terug-gegeven! Kan jou dat dan niet een beetje zelfvoldoening geven, Lief? Kan je daar niet trotsch op zijn en je zelfbewustzijn voelen verhoogen?
Verster is nog even bij mij geweest en 't is nu bij half één. Ik voel me een beetje slaperig worden.
Goeden nacht, Lief! houd maar moed!
Geheel jouw Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Willem, ik ben toch zóó blij, dat ik nu wéét, wat mijn onbewuste droefheid was. Want, o, Liefste, ik begreep mijzelf niet meer, - ik voelde me zoo vreemd en angstig omdat ik verdriet had,
| |
| |
zonder dat er een positieve reden voor bestond. Maar 't is juist zoo iets gewoons en begrijpelijks, is 't niet, Lief, dat ik naar je verlang, hevig, ontzettend, onbeschrijflijk naar je verlang, - omdat ik me zoo heel anders, zoo veel beter voel, wanneer jij bij me bent. 't Is of je zelfs mijn gedachten steunt, - je zal niet goed begrijpen misschien, wat ik hiermee bedoel, - maar ik kan het toch niet veel duidelijker uitleggen, Lief. Ik wil ermee zeggen, dat, bij jou, de nare, hinderende gedachten, die me in eenzaamheid zoo vreeselijk kwellen, in 't geheel niet in me opkomen zelfs! En nu wordt 't opeens ook zoo klaar voor mijn geest, hoe 't komt, dat ik bij jou niet eens meer weet te vertellen, wát voor verdriet ik heb gehad en waarom, terwijl 't me, toen ik alleen was, zóó belangrijk scheen. Lief, als je van me houdt, en dat weet ik nu wel, dan is mijn verdriet juist een vreugde voor jou, want het is niets dan verlangen! En dat is immers het onomstootlijk bewijs van mijn diepe, waarachtige liefde voor jou, dat 't me down en droefgeestig maakt, als je niet bij me ben, terwijl ik vroeger me altijd 't zaligst alléén voelde. O, Lief, je zal er wel om lachen, maar als ik er vroeger eens aan dacht, hoe 't zou zijn als ik geëngageerd was, dan kon me dat zoo verschrikkelijk beangstigen en benauwen dat ik niet wist, hoe gauw ik die voorstellingen wegdenken zou. En nu, Liefste, nu gruw ik van mijn eenzaamheid, nu krimp ik sidderend samen als ik aan mijn momenten van alleen-zijn denk. En daarom is 't me zoo'n moed-gevende troost, dat jij me, mijn Lief, nooit aan mezelf zal overlaten. O, Liefste, ik zeg je, met verwerping van alle terughouding en allen trots, dat ik zonder jou absoluut niet meer leven kan. Jij laat me leven, en dat niet alleen: jij maakt mijn leven ook heerlijk en levenswaard. Ik heb je lief, en mijn liefde zal zich steeds verbreeden en verdiepen en verinnigen, zoodat zij ook eenmaal
jou wáárlijk gelukkig maken kan.
Dag, Liefste! Liefste! Liefste! met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne
Hierbij gaan alle verzen aan je terug!
| |
Bussum, 20 Juli '99
Lieve Jeanne, Zooeven kwam je brief, en die maakte mij zoo blij weer, na je sombere uitingen van gisteren. Ik zit nu bij Kode- | |
| |
ritsch, want met dit warme weer is het op mijn kamer, waar den heelen dag de zon op staat, niet uit te houden. Ik ga nu deze hier schrijven en neem hem mee naar Amsterdam, waar ik hem dan op de post breng. Dan weet ik zeker, dat je morgenochtend (Vrijdag) toch een brief krijgt.
Je zegt, dat je mij liefhebt, - maar, Lief! wees blij! -
Ik houd toch veel meer van jou, dan jij van mij.
Hier ligt een leelijke koffie-vlek,
Maar dat komt, mijn lepeltje was zeker een beetje lek,
En als het niet lek is, dan is er toch een druppel afgegleden,
En die geeft nu relief aan mijn teederheden.
O, Jeanne, ik word hoe langer hoe meer verliefd op mijn ring! Die ring is mijn talisman, en daar houd ik jou aan vast.
En als je ooit later van me weg wilt loopen naar Ruysch of naar Verster,
Dan laat ik je dien ring maar zien en dan kom je niet ver.
Vind je mij nu niet flauw? Maar ik ben ook zoo kinderlijk blij. Want nu weet ik, waarom je zoo triest was.
En die reden, Jeanne, kan mij niet anders dan streelen en vleien, -
Want ook ik, liefste Lief, wil nooit in der eeuwigheid van jou scheien!
Wat zou je er van zeggen, als ik deze verzen óók in de N.G. opnam?
Dan zou 't heele publiek in de handen gaan klappen van pleizier,
En ieder zou zeggen: O, die Willem vergoodt zijn Jeanne schier!
Vind je deze twee laatste regels niet echt zoo'n volksliedje, dat bij de orgels gezongen wordt? Daar komt ook dikwijls op 't eind van een regel een woord, dat den heelen zin eigenlijk bederft, en dat er alleen staat om te rijmen!
't Is goed, dat ik vandaag dien brief van je gekregen heb, want, zooals je weet, moet ik vandaag naar Amsterdam toe, om Hein te helpen ‘aanteekenen,’ en nu ben ik zoo blij.
| |
| |
O, Jeanne, als ik geheel door jouw armen lag omsloten,
Dan voelde ik me liggen als in boeien van bewegelijk fluweel,
En als er dan soms een paar tranen van vreugde uit mijn oogen vloten,
Dan zouden ze op die boeien stralen blijven als edelsteenen in flonkerend gespeel.
O, Jeanne, zouden deze vier regels eigenlijk niet dienen kunnen als staaltje van de poezië van Gorter in zijn Verzen?
Merk je nu wel, Jeanne, hoe ik door je laatsten brief geworden ben? O, je weet eigenlijk absoluut niet, hoeveel ik van je houd, hoe erg ik je liefheb! En ik wist het zelf óók nog niet heelemaal, 't was nog te onbewust, maar nu weet ik het wel. Ik ben als speelgoed in je handen en dat wil ik zijn, want de heele wereld kan mij eigenlijk niets schelen, behalve jij! Mijn hartstocht voor jou is geen opwinding, maar een blijvende en mij bezaligende kracht, omdat je 't aangenaam vindt, dat ik naar je bijzijn verlangen moet. Dit is de eerste keer van mijn leven, dat ik waarachtig liefheb en dat ik mij heelemaal laat gaan op mijn gevoel; mijn liefde voor jou is geen lyriek maar werkelijkheid. Ja, ik geloof ook, dat er een mystisch geestelijk verband tusschen ons bestaat, dat wij niet begrijpen, maar wel sterk voelen.
Maar daar begint waarachtig mijn ‘dicht-ader’ weer te springen, zoo dol als een jong veulen in de wei:
O, Jeanne, 't eenige, wat ik kan zeggen, is, dat ik jou bemin
En dat ik daarom zoo gauw mogelijk weg wil van de familie Linn.
Met zijn tweëen bij elkaar,
Dan loopen wij samen mijmrend door de Scheveningsche bosschen,
Of gaan daar als twee dichters op onzen Pegasus hossen.
En als dan de boschwachter zegt: Mijnheer en Juffrouw, wat doe je daar,
Dan presenteer ik hem eerst een sigaar,
En daarna gaan wij hem met klagende stem onze verzen toefluisteren,
| |
| |
Waarop hij het hazepad kiest, zonder verder te willen luisteren.
En dan roepen de kwinkeleerende vogeltjes hem na:
Neen, neen, zoo iets is heelemaal niets voor jou, Papa;
Want die twee jongeluidjes
Spelen op zúlke mooie fluitjes,
Dat wij-vogeltjes-alleen dat kunnen apprécieeren,
Wanneer wij er naar zitten te luisteren met voor die gelegenheid opgestrekene veeren.
Ziezoo, Liefste, nu heb ik hierboven opeens 38 versregels op je geïmproviseerd:
Ja, Jeanne, dat komt er van als je je engageert met een dichter, want
Nog vóórdat je er iets van merkt, sta je al in de krant.
Zoodat nog in de 25e eeuw de naneef zeggen zal:
‘Die Jeanne en die Willem indertijd, die waren óók niet mal;
Want als die eens geen sonnet konden maken,
Dan wisten ze toch in een Pindarische ode in verrukking te raken;
En dan rijmden ze met zooveel zwier en gloed,
Dat ik, naneef, het nu nog lezen moet,
Als ik tenminste, als hoogere-burger-scholier,
Over wil gaan naar een hoogere klasse. O, goddelijke lier,
Die in de negentiende eeuw van uit Parkzicht over de wereld donderde,
En zelfs de kleinste kinderen in hun wiegen verwonderde,
Over de kracht en macht van het zingende hart
Van dien Amsterdamschen, later Bussumschen, en nog later Haagschen bard,
Die er zijn heele leven naar gesmacht heeft om te huwen
Met zijne verrukkelijke Jeanne Reyneke van Stuwe,
Dan: zoolang je geëngageerd bent, blijf je tenminste vrij,
| |
| |
Ziezoo, lieve Jeanne, nu heb je in 't geheel 60 versregels van me; ik hoop, dat je er een beetje om lachen zal.
Voel je nu niet, Jeanne, hoe ik door al die scherts heen en daarachter je gloeiend liefheb, opperst-sterk en onverbrekelijk, voor altijd en altijd, met mijn heele Ziel, mijn heele Zijn? O, Jeanne, lieve Jeanne, hoe diep ik ook in mijzelf terug-ga en alles onderzoek, ik weet niets anders dan liefde voor jou, zonder aarzeling, zonder bedenking, liefde-alleen, volkomen en absoluut.
Ik ga nu zoo meteen naar spoor. Halverwege dezen brief ben ik van Koderitsch heen gegaan om thuis koffie te drinken, en ik zit nu al geruimen tijd op mijn kamer er aan te schrijven. Geloof en vertrouw, Jeanne, met blijde zekerheid, want ik zweer je, alles zal uitkomen, zooals jij 't verlangt, omdat ik zelf geen andren wensch zelfs heb.
Zonder-einde-geheel-en-al
jouw eigen Willem
| |
Bussum, 21 Juli '99
Lieve Jeanne,
Ik had vanmorgen willen schrijven, maar wat nog nooit gebeurd is, er is geen brief van je gekomen met de post van 9 uur. Ik zit mij nu ongerust te maken, dat je ziek bent of zoo iets.
Hein Boeken vroeg mij gisteren, of ik dacht, dat jij bij zijn trouwen zou willen overkomen. Dan is er natuurlijk een soort dinertje of zoo iets. Ik heb hem aangespoord jouzelf dat te vragen, en hoef je niet te zeggen, dat, als je kunt komen, je mij een almachtig groot pleizier er mee zult doen. Het is op 3 Augustus.
Hij heeft mij gevraagd om getuige bij zijn huwelijk te zijn tezamen met zijn broer Piet, en dat heb ik natuurlijk aangenomen.
Lief! ik ga dezen nu maar weg-brengen als spoedbestelling: ik hoop zoo, dat er tenminste om 1 uur een brief komt.
Jouw eigen Willem
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
Lieve Willem, Nu, als dàt niet toevallig is! Juist heb ik mijn verzen-vollen brief aan jou verzonden, en daar komt de jouwe, die eigenlijk één poetische uiting is! O, wat heb ik er om moeten lachen, - zal ik deze verzen óók in het verzamel-cahier schrijven, Willem? Aardig van je, dat je den brief nog in Amsterdam postte, - nu kreeg ik toch mijn morgen-brief en wat een heerlijken!
Daar juist komt je spoed-brief. Ja, Willem, ik heb toch heusch op den gewonen tijd geschreven, en begrijp heelemaal niet, hoe het komt, dat je mijn brief nog niet gekregen hebt. 't Is nog nooit gebeurd, dat ik verzuimd heb je te schrijven, en ziek ben ik nooit. In elk geval moet je mijn brief nu om 1 uur hebben ontvangen.
Ja, zeker wil ik voor H's en D's bruiloft overkomen, heel graag zelfs, omdat ik 't heerlijk vind jou weer te zien. Maar vind jij 't heusch ook wel prettig, Willem? Het antwoord, dat hierop past, is natuurlijk: Moet je dat nog vragen? Maar ik vraag het toch, omdat je spoed-brief zoo allerverschrikkelijkst koel was. Maar ik bedenk me daar, dat je hem natuurlijk in haast geschreven hebt, en 't misschien een beetje vervelend vond, dat er, afwijkend van de vaste gewoonte, geen brief van me was. Je moet nu niet zuchten of triest gaan kijken, maar 't valt me zoo op, omdat ik zelf jou altijd zulke alles-zeggende, opgewonden brieven schrijf. En ik hoot 't zoo graag, als je ‘Lief’ of ‘Liefste’ tegen me zegt. Ja, noem me nu maar flauw en kinderachtig, Lief, daar heb je groot gelijk aan, - maar ik heb niets anders dan je brieven, en daarom dringt ieder woord ervan zoo diep tot me door. Ach, Willem, ik wou, dat ik je eens even zag lachen; in je brief heb ik heelemaal je stem niet gehoord, en ik verbeeld 't me zoo graag, dat je, me vriendelijk aanziend, werkelijk tegen me spreekt. Ik doe ook altijd zoo, alsof ik tegen je praat, - ik heb me nog nooit als ik aan jou schreef, inwendig-koud tegen je gevoeld. Willem, al je daden, al je woorden maken zoo een diepen indruk op me, omdat ik volkomen en absoluut in jouw macht ben, - zonder jou ben ik veel krachteloozer, ja, onmachtiger tegenover alles, waarin ik wil en moed noodig heb, - dan ik vroeger ooit ben geweest. Begrijp je dat niet? Ik heb mezelf niet meer, - als jij me niet steunt en helpt, zink ik weerloos ineen. Maar àls je naast me staat met je raad en je kracht, dan voel ik me inwendig sterk. Ach, je weet dit alles wel, ik heb het al zoo dikwijls gezegd zonder éénige terughouding, met uitspreking van alle gedachten, die in me waren, met
| |
| |
voorbij-zien van allen meisjesachtigen schroom. Maar ach, wat hielp 't, of ik 't verborg? Het is immers zoo, en je moet het noodzakelijk merken, ook al zei ik niets. Mijn geest gaat met àl jouw stemmingen mee: ben je vroolijk in je brieven, dan juich ik inwendig; ben je down, dan word ik schreiensbedroefd, ben je koel, dan versteen ik een beetje. Ik heb als 't ware geen eigen gevoel, geen eigen gedachten meer, - jouw wil is de mijne, jouw kracht ondersteunt mijn kracht, jouw geestelijk wezen suggereert het mijne. En zoolang je lief tegen me bent en zegt van me te houden, is dat afhankelijkzijn een zalige toestand voor me. O, Lief, jij zegt wel eens, dat jij in mijn macht bent, maar waar bewijst zich dat door? Zie, als ik nu eens plotseling kwam te sterven, dan zou jij toch wel voort kunnen leven, al had je er ook een oogenblikkelijk verdriet van, ja, laat ik zeggen, wat misschien wel waar zou zijn: een hevige smart. Maar ik, - ik zou met jou mee-sterven, Lief, - niet omdat de smart me zou dooden, wat, geloof ik, in werkelijkheid nooit gebeurt, - niet omdat ik de hand aan mezelf zou slaan, wat niet noodig zou blijken, - maar omdat mijn levenskracht, mijn wil, mijn weerstandsvermogen volkomen méé zou verdwijnen. Willem, jouw bestaan is een absolute noodzakelijkheid voor het mijne geworden, ik kán niet meer leven zonder je liefde. Ik heb je wel eens gezegd, dat, als jouw liefde me niet had gered, ik waarschijnlijk gauw zou hebben opgehouden te bestaan. Willem, zeg me, zeg me, zèg me, dat mijn leven ook een beetje waarde heeft voor het jouwe, je wéét niet, hoe diep je me daarmee verrukt, je wéét niet, hoe een groote, inwendige kracht je me daardoor geeft. Toe, lieve Lief, vergeef 't me maar, dat ik een beetje zwaar-op-de-hand ben geworden, doe je? Je weet, dat word ik gauw, en je weet óok, dat ik veel van dergelijke redenaties houd.
Nu moet ik je nog iets serieus' vragen, Lief. Gisteren gaf Veenstra me het eerste deel van mijn roman, dat al gebonden was; het tweede is ook klaar op inbinden na, dus 't zal niet meer zoo heel lang duren, of 't heele werk is ‘all right’. Maar luister nu eens. Lief: Zal jij er tegen kunnen, weet je, dat jij er tegen kan, dat ik, je meisje, een boek heb geschreven, dat nu wel niet ‘onzedelijk’ is, zooals je 't wel eens schertsend-veronderstellend noemde, als ik er over sprak, maar waarvan toch heel waarschijnlijk ‘la fille en défendra la lecture à sa mère’. Ik zeg je, dat het absoluut geen slecht boek kan zijn, omdat
| |
| |
dergelijke verachtelijkheden alleen worden voortgebracht om eigen en publiek genoegen, - terwijl dit verhaal een historie is, voorgevallen in mijn geest, en dáár even logisch en natuurlijk gebeurend als in de werkelijkheid. Alle toestanden zijn voortgekomen uit den loop der dingen, uit den aard der omstandigheden: ik wist zelf den gang niet vooruit. Dit werk is, langzaam-vorderend in mijn verbeelding, het groot geheel geworden, dat dáár geëindigd was op hetzelfde oogenblik dat ik de laatste woorden schreef. Begrijp je me? Als iemand, mij bezig wetende, had gevraagd: ‘Hoe gaat het verder? Hoe loopt het af?’ dan had ik moeten zeggen: ‘Ik kan niet in de toekomst zien.’ En daarom, Willem, of de wereld het goed of slecht beoordeelen zal, - dit boek is juist zoo geworden als het volgens de wetten der logica worden moest, - zooals in het werkelijke leven óók alles gebeurt naar des noodlots onveranderlijken wil.
Willem, ik vraag je nog eens: kan je het verdragen, dat ik een boek geschreven heb, waarover de laag-zieligen kleingeestige bedenkingen zullen hebben? O, ik bid je, al geloof ik ook, dat je er boven verheven bent, zeg 't me dan in oprechte eerlijkheid. Dan zal ik je dringend, dringend verzoeken, zooveel in je vermogen is, de persoon der schrijfster tijdens je lectuur te vergeten, - het werk uitsluitend als werk te beschouwen, en niet bij elke mannelijkachtige uitdrukking of beschrijving aan den naam te denken, die op het titelblad staat. Willem, je weet, dat dit het werk van mijn leven is, - dat ik dit maken moest, genoodzaakt door een inwendigen dwang, - ik geloof nu wel, dat je het begrijpt, en dat je voelt, hoe ik dit alles bedoel.
Maar, toe, Lief, toe, schrijf er me iets over, vóór ik het je geef, - wil je dat alsjebelieft doen? -
Als ik een uitnoodiging van de Coorengels gekregen en aangenomen heb, dan zullen we er nog wel eens over spreken, hè, Lief, hoe alles gedaan moet worden. Ja, Willem, ik geloof toch wel, dat jij het óók pleizierig zal vinden, als ik kom, - ik zal tenminste maar zoo ijdel zijn, het te denken, want dat maakt me inwendig zoo blij. Ik vind het verrukkelijk, het denkbeeld, dat er zoo'n onverwachte gelegenheid is gekomen, om elkaar weer eens terug te zien. En hoe gauw is het al! O, Willem, hoe meer ik er over denk, in hoe een prettiger stemming ik er door kom. Maar als je nu eens héél lief wilt zijn, zeg jij me dan ook eens, dat je 't prettig vindt, lieve Lief? want dan word ik heelemaal in verrukking gebracht. Toe, leg je hand eens
| |
| |
eventjes op mijn voorhoofd, Lief, en laat ik je nog eens hooren zeggen: ‘Ik houd heusch van je, geloof dat maar vast.’ O, Willem, dan zou je eens zien, hoe rustig en stil-zalig blij ik werd!
jouw eigen Jeanne
Hemel, wat is dit een schrikwekkend lange brief geworden. Hoe kom je er dóor, arme Lief!
| |
Bussum, Parkzicht
21 Juli '99
O, Liefste, één ding moet je van mij aannemen, dat jij niet meer van mij kunt houden, dan ik van jou doe, dat jij niet meer naar mij kunt verlangen, dan ik doe naar jou. Ik merk het zoo duidelijk, nu ik vanmorgen geen brief van je heb gekregen, zooals anders toch altijd gebeurt. Want het komt mij nu plotseling zoo sterk in mijn bewustzijn, wat ik al wel voelde en wist, maar toch nog niet zoo klaar als nu: O, ik merk het nu zoo, ik weet het nu zoo, dat ik zonder jou absoluut niet meer zou kunnen zijn. Als je eenigszins kans ziet, maak dan toch, smeek ik je, dat je bij het trouwen van Hein Boeken kunt komen. Dan kan je 's avonds weer naar den Haag terug met den laatsten trein, als je absoluut wilt. Maar dan zien we elkaar tenminste dien éénen dag. Ik zal hier maar weer een spoedbestelling van maken, opdat je hem vanavond zeker nog krijgt. Ik voel, dat ik heelemaal tot aan mijn grondvesten om 't zoo te noemen, geëmotionneerd ben, door het onverwachte weg-blijven van je ochtendbrief vanmorgen. Ik heb toch nog weten te zorgen, dat jij vanmorgen wèl een brief van me kreeg, dat zal je gemerkt hebben.
Het was gisteren bij Coorengel nogal gezellig. Ik heb natuurlijk onder 't eten een speech moeten houden op bruid en bruidegom en heb het er goed afgebracht, gelukkig, en kranig-kort. Ik zat aan tafel tusschen Mevrouw in en Mathilde, een getrouwde zuster, die ik nauwelijks ken. 't Is een verschrikkelijk groot huishouden, met ontelbare broers en zusters, waarvan ik enkele namen hier even zal opnoemen: Jacques, Hugo, Ernst, Nico, Mathilde, Jeanne, Dientje en Truus. Dan was er nog een jongmensch von Faber, een neef van Mevrouw Coorengel.
| |
| |
Enfin, Lief, toe, zie dat je kan overkomen voor dien dag. Ik moet er natuurlijk bij zijn als getuige, maar alles is het tegenovergestelde van officieël, en wij zullen het met zijn beiden wel prettig hebben.
Ik ben naar beneden geweest om koffie te drinken, maar de post van 1 uur heeft ook niets gebracht. Ik zal maar berusten, ofschoon ik 't niet begrijp, en...
O, God, Jeanne, terwijl ik dit schreef, riep Mevr. Linn mij, omdat er een brief voor mij gekomen was, de jouwe. De post kwam dit keer later dan hij anders altijd komt, want dan is hij er wel eens om half één. Dat komt, zooals Mevr. Linn zegt, omdat de facteur, die nu de rondte heeft, zoo mooi is, en dan krijgt hij bij al de dienstmeisjes in de buurt kopjes koffie, en blijft dan wat met hen praten, waardoor hij natuurlijk overal te laat komt.
Hè, wat ben ik nu weer heerlijk gerust. 't Dringt pas langzamerhand bij mij door, dat alles in den Haag in orde is. Maar ik weet het nu toch, en ik word o, zoo blij. Je hebt nu ook mijn brief uit Amsterdam met die 70 versregels ontvangen, en die zal wel, nu je weer opgewekt bent, ‘in goeden grond’ zijn gevallen met zijn barok gerijm.
Dag, Lief, tot vanavond, dan schrijf ik weer voor morgenochtend. (Ik bedoel, dat je hem morgenochtend krijgt.)
Een innig-teedere zoen van
jouw dankbaar slaafje Willem
| |
Bussum, Parkzicht
21 Juli '99
Ja, liefste Lief, eigenlijk ben ik achteraf gezien blij, dat er vanmorgen op het gewone uur geen brief van je was. Want nu heb ik pas heelemaal gemerkt, hóevéél ik van je houd, hoe ieder teeken van leven, dat je geeft me als een stem-uit-de-hemelen in een droom klinkt, hoe ik je liefheb absoluut en zonder einde, voor mijn heele volgende leven. O, leven, dat nu komt, dat zoo heel anders zal zijn dan al het vorige, wat eigenlijk altijd eenzaam was en triest en verlaten, en dat ik ook voor jou zoo heel anders zal maken, zooveel gelukkiger en rustiger en breed-hoog-opbloeiender, dan alles wat je
| |
| |
tot dusverre hebt gehad. Want ik weet, Lief, dat ik je liefde niet onwaardig zal zijn; ik voel, dat ik je heelemaal gelukkig zal kunnen maken, en dat je tot het eind van je leven zult blijven zeggen: ‘Willem is een goed en diep-zuiver mensch.’ Want ga nu maar eens na: ik heb indertijd, een poosje achter elkaar, weinig anders gedaan dan zoogenaamde satiren schrijven, 't is nu al bijna zes jaar geleden. En dat hebben ze me een tijdlang voor de voeten geworpen, in de pers, zoowel als in particuliere gesprekken. Maar je begrijpt wel, Lief! - je kent mij nu wel een beetje, - dat ik in mijn gewone doen heelemaal niet satiriek of hatelijk ben, en veeleer te gevoelig, te gemoedelijk en te teer. Die satirieke tijd was niets anders dan een vlaag, een noodzakelijke en logische uitbarsting op daaraan vooraf gegane provocatie's, provocatie's, waarvan het publiek nooit iets heeft kunnen merken, omdat zij geschiedden in 't private leven, met gluipende bedaardheid en stil-krachtigen verdelgingslust.
O, Lief, nu ik je brief gekregen heb, ben ik zoo diep-blij dat je weer wat rustiger en gelukkiger bent. Houd nu maar moed! Als ik in den Haag woon, zal ik van uit de zachte maar sterk-gevoelige diepte mijner zuivere onbewustheid, je vroolijkheid-gevende, vredebrengende dokter zijn. Ik voel, dat ik dat zal kunnen, want, zooals ik je, geloof ik, al eens schreef, je maakt mijn diepste onbewustheid wakker in mijzelf, en ik vind daarin niets als eindelooze liefde en hemelschen vrede en harmonieus zich uitenden krachtigen wil om jou zóó gelukkig te maken, als maar ooit een mensch op aarde kon zijn. Jij vertrouwt mij, Lief! en ik vertrouw jou! O, nu ik hier op mijn stoel zit, en naar buiten kijkend, onder het schrijven door, van tijd tot tijd zie, hoe de stille namiddagzon daar buiten op de boomen ligt, nu is het mij of door al dat wederzijdsche, gerechtvaardigde vertrouwen de hemelen zich openen, en ik in een andere wereld leef dan op dees wisselingvolle aarde der smart. Ja, wij zullen en kunnen de smart overwinnen, Lief, in je verdere leven! Och, ik ben inwendig eigenlijk zoo'n gemoedelijk mensch. Je mag er gerust om lachen, dat ik dat zoo zeg, want ik begrijp wel, dat je lach er niet een zal wezen van harteloozen spot.
Zoo meteen kwam de avondpost en bracht je grooten brief. Ik heb dien even vluchtig doorgezien. Heb je mijn grappigen brief nog niet ontvangen, dien ik in A. op de post heb gedaan?
| |
| |
Ik ga nu dezen weg-brengen en dan je brief aandachtig lezen. Volkomen en in alles jouw eigen
Willem
Daar merk ik, dat je den rijm-brief toch wèl hebt ontvangen!
| |
[Ongedateerd]
O, Willem, Liefste! nu jij eens bij toeval geen brief van me had, en daardoor wat onrustig was, kan je 't nu ook een beetje beter begrijpen, hoe ik me voelde, als de postbode ons huis voorbijging? O, Willem, ik, die lang zoo sterk niet ben als jij, natuurlijk, snikte 't dan uit van plotseling verdriet, en bleef dan doorhuilen (heusch niet overdreven!) tot de volgende post. En als daarmee dan je brief kwam, juichte ik 't eensklaps weer uit van vreugd. O, ik ben zoo'n gek kind, Willem! Elken keer vermaan ik me zelf: ‘Zie je nu, dat je tranen onnoodig waren? Wees er dan een volgend maal niet zoo haastig mee!’ En ik speld briefjes in mijn bureau, om me er zichtbaar aan te herinneren, dat een dergelijke flauwiteit zich niet meet herhalen mag. Maar jawel... den volgenden keer is 't weer alles gelijk. O, als je er eens bij was, Lief! Je zou misschien wel lachen om mijn kinderachtigheid, maar vooral, denk ik, zou je medelijden hebben, omdat ik me zoo slecht beheerschen kan. Ik schrijf je dit alles in antwoord op je tweeden spoed-brief, waar ik gòddelijk blij mee ben! Ik vroeg je in mijn vorige, of je graag had, dat ik 3 Augustus naar Amsterdam kwam, - maar nu je me daar uit jezelf zóó over schrijft, nu zeg ik je, dat ik dolgraag, dolgraag, dòlgraag komen wil! O, Willem, Lief! je weer eens even te zien, weer even met je te spreken, je stem weer te hooren! O, Lief, wil ik je nu eens iets zeggen? Ik heb er eigenlijk stil in mijzelf op gehoopt, dat ik een invitatie zou krijgen, al lang, vóórdat jij er over schreef. Hoe vind je dat, Lief? en hoe vind je 't, dat ik 't je vertel? Daar ik niemand, behalve Dientje, van de familie Coorengel ken, behoef ik je zeker niet te zeggen, waarom ik zoo graag een uitnoodiging kreeg, is 't wel, lieve Lief?
Dat ik je vorigen brief zoo koel vond, ja, dat was weer eens een oogenblikkelijke stemming van Jeanne, Willem! die ze maar gauw weer aan jou overbracht. O, o, heb je ooit wel eens zoo iemand gezien!...
| |
| |
Weet je, wat ik zoo prettig vind, Lief? Dat ik een brief kreeg, dien je denzelfden dag hebt geschreven, dus dat ik nu je vandaagstemming ken. O, Willem, ik moet nog aldoor in mezelf lachen om je rilm-brief van gisteren. Van tijd tot tijd schieten me weer regels te binnen, die me doen schateren. B.v. die naneef, die als hoogere burger-scholier niet in een hoogere klasse kan overgaan, als hij de zwier- en gloed-volle rumen niet gelezen heeft... en dan dat zeggen van mij: ‘Zoolang je geëngageerd bent, blijf je tenminste vrij...’ o, Willem, alsof ik 't ooit om die reden zou hebben gezegd!
O, Willem, Liefste, je zegt, dat ik niet méér houd van jou, dan jij van mij, - maar laat ons dan zeggen ‘gelijk’, want ik minder, dat kan in geen geval, absoluut niet, Lief! Want ik voel me nu zoo blij-gelukkig met het heerlijke vooruitzicht, dat ik je gauw terug zal zien. O, Willem, ik vind 't verrukkelijk, zie je! Maar laat ik er nu nog maar niet te veel van zeggen, vóor ik de uitnoodiging heb. Je zegt: ‘Je kan weer met den laatsten trein naar den Haag gaan, als je absoluut wilt.’ Maar, Lief, wat zou ik anders moeten doen? Er is niet aan te denken, dat de C's plaats voor me hebben, en dan, we zijn elkaar immers volkomen vreemd, ze zouden me dus toch niet vragen. Maar in elk geval hebben we toch één heerlijken dag, hè, Lief?
Een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
Ik kreeg de huwelijksaankondiging van H. en D., ik zal hun een hartelijk felicitatie-briefje schrijven.
| |
[Ongedateerd]
Liefste, Ik heb H. en D. een aardig briefje geschreven. Was 't in Amsterdam niet vreeselijk warm? 't Was aardig van je, dat je me eerst waarschuwde, hoe er misschien geen brief van je zou komen, en dubbel aardig, dat ik er toen tóch een kreeg. Maar Lief, heusch, ik zal niet meer klagen en zeuren over je brieven: ik weet immers wel, dat je altijd alle moeite doet, om me een teleurstelling te besparen. Ik zal, ik beloof 't je, voortaan heel geduldig afwachten, wat de post over me gelieft te beschikken. Want 't is zoo verschrikkelijk vervelend voor je, telkens geklaag te hooren over dingen, waar je toch absoluut niets aan veranderen kan. Lief, ik
| |
| |
ben zoo onuitsprekelijk blij met je brieven van gisteren. Ja, Willem, jij, jij bent de uitsluitend-eenige, die mijn ziel kent en méér nog, haar begrijpt. O, ik vind alles nu zoo heerlijk en licht en mooi, - jij-alleen hebt de macht alles om me heen te verhelderen en te verheerlijken. Jij bent de eenige, die me niet bizar vindt en onnatuurlijk, - en ik voel instinctmatig, dat iedereen me dat wèl zou vinden als ik me heelemaal had geopenbaard, jij bent de eenige, met wien ik volkomen-geestelijk één kan zijn. O, Liefste, dat ik met jou den levensvrede bereiken zal. Levensvrede! bestaat er op de wereld een mooier woord?
Ik ben bij Veenstra geweest, en heb hem mijn bundel gebracht. O, hij was zóó verrukt, dat ik hem toestemming gaf, om daarin mijn portret te plaatsen!
Dag, goede, eenige lieve Schat! Met een innig-hartelijken zoen
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
22 Juli '99
O, wat vind ik het verrukkelijk, dat je werkelijk komt! Jij bent het, waar alles in mij naar verlangt, voortdurend. Zeg toch niet, lieve Jeanne, dat jij in mijn macht bent, want ik ben veel meer in de jouwe, en dat vind ik juist zoo'n goddelijk-prettig gevoel. Een man moet in het leven altijd nauwkeurig weten, wat hij doet: hij kan wel eens iets spontaans doen, als zijn daad maar altijd het gevolg blijft van een inzicht, dat natuurlijk ook wel eens spontaan kan zijn. Maar bij jou, Lief, kan ik mij zoo heerlijk laten gaan! ik doe en spreek niet overdacht, ik doe en spreek gevoeld tegen jou, zooals het in 't oogenblik zelf bij mij opkomt, maar dat zijn daarom toch geen oogenblikkelijke stemmingen, die een moment later weer verdwijnen of veranderen, want achter al wat ik zeg en doe tegen jou zit het groote, constante gevoel van mijn liefde, die aan al die uitingen de eenheid geeft en ze doet zijn tot absoluut-noodzakelijke levensmomenten, die in de diepte van mijn ziel hun rechtvaardiging vinden en hun logische en onveranderlijke reden van bestaan. Wat ben ik zwaar, hè, Lief? En dat op zoo'n warmen dag! Och, nog twaalf dagen, vóór dat ik je werklijk zie! Maar laat ik mij maar
| |
| |
trachten te troosten met de wetenschap dat het nu toch niet zoo heel lang meer duren zal, dat ik je iederen dag kan zien. Ofschoon ik weet al, hoe dat zal gaan! 's Morgens sta ik op, en denk: 't Is zoo prachtig weer, ik ga vragen, of Jeanne wat mee wandelen gaat in het Bosch. Ik loop naar de Reinkenstraat, schel aan; de meid zegt: ‘Gaat u maar naar boven’, en ik klop aan het kamertje aan, waar al mijn heil in schuilt. Van binnen wordt de deur dan opengedraaid, en een lief gezicht kijkt even om den hoek, en zegt: ‘Ja, Willem, ik kan je vandaag niet goed gebruiken, ik zit te schrijven aan den literairen luitenant’. En Willem gaat de trap weer af, en trekt naar Scheveningen, waar bij, boven op een duin gezeten, aan de wolken zijn weemoed klaagt.
O, Jeanne, ik wou zoo graag, dat je al bij mij was. Dan zou ik je zacht op mijn knieën trekken, en mijn armen om je heen slaan, en met mijn hoofd tegen je aangeleund, zeggen: ‘Lief, Lief, ik heb je zoo lief, onuitbluschbaar en grenzenloos lief!’
O, Lief, dát ik je zoo liefheb, dat is geen stemming van me en heelemaal geen opwinding, neen, Lief! dat voel ik diep-inwendig, altijd-door. O, te mogen lezen in je oogen, dat je mij liefhebt, niet als een abstractie in je hoofd, of als een letterkundige, maar als levend mensch. O, als je ooit weer mocht gaan huilen, waar ik bij ben, dan zal ik de tranen weg-kussen uit je oogen als dronk ik ze op, tot je weer gaat glimlachen, en met je eene oog schuins in de hoogte naar mij, terwijl ik aan 't andere bezig ben, zachtjes zegt: ‘Hè, Willem, dat is prettig, en ik vind je lief!’ Heusch, Lief! je zal nooit meer lang hoeven te huilen, als ik in den Haag woon. Als je soms droevig mocht opstaan 's morgens, dan stuur je maar dadelijk een boodschap naar mij toe, en dan weet ik 't wel in 99 gevallen van de 100 zóó te schikken, dat ik mijn heelen boel kan laten liggen en onmiddellijk bij je kom. En je moet je, heusch! nooit daarin laten weerhouden, - want zoo bèn je! - door de gedachte, dat ik eigenlijk liever wel eens niet zou willen komen, want ik houd veel te veel en te diep van je, om je alleen te kunnen laten, als je huilt. En wat dat onbestemde verdriet van je is zonder bepaalde reden, dat voel ik allemaal precies, want dat heb ik vroeger zelf ook zoo dikwijls gehad, en ik voel het nú nog wel eens, maar heel uit de verte en zonder tranen.
En als je je nu zwakker meent te voelen dan je vroeger was, daar hoef je je heusch niet ongerust over te maken. Want ten eerste heb je mij, die je in alles krachtdadig zal helpen, maar buitendien
| |
| |
kan je nog zeker zijn, dat je inwendig niet eigenlijk gezegd zwakker bent geworden, maar alleen wat gevoeliger en minder strak dan je vroeger, natuurlijkerwijze, was, toen je je altijd sterk opsloot in jezelf. Maar je staat nu nooit meer alleen, en je zal ook zien, dat dat gevoel van zwakte heelemaal bij je overgaat, als wij maar veel, of, zooals later, altijd tezamen zijn. Want mijn kracht zal de jouwe worden zooals ook mijn hand heelemaal van jou zal zijn.
O, Jeanne, ik houd zoo dol-veel van je; stel je voor, dat je eens met je vuistjes op mijn gezicht trommelde, - je zou er toch niet mee kunnen doorgaan, want ik zou ze dan opeens zoo vurig gaan kussen, tot ze in zachte gelatenheid hun eigen vingers los-lieten, en stil, vlak-uit op mijn gezicht gingen liggen, terwijl je oogen vaag weg-droomden in de verte, zonder te weten waarheen...
O, je bent zoo'n goddelijke snoes, je bent een hartstochtelijk, ademend ideaal!
Ik ben vreeselijk verlangend naar je roman. Je wil dit eerste deel natuurlijk nog niet sturen, maar als je 't wil, doe 't dan alsjeblieft! Een boek is alleen ‘onzedelijk’, als het geschreven is met de bedoeling om onzedelijk te zijn. Je hoeft dus heusch niet bang te wezen, dat ik zal geërgerd of bedroefd worden. Al liet je een dronken officier achterste voren op zijn paard klimmen, zoodat zijn rug tegen den kop van het paard aanlag, en je liet hem dan zingen van:
't Zal wel gaan, 't zal wel gaan,
Want wij gaan naar de Maliebaan!
Kom, stuur het maar, wil je? Jij bent Jeanne, die heelemaal een zuiver mensch is, en wat jij doet, kan dus niet onzedelijk zijn. Onzedelijkheid is niet iets absoluuts en positiefs: onzedelijkheid ligt alleen in de bedoeling, in de geestelijke intentie.
Je geeft zeker dat portret voor je bundel, dat op mijn schoorsteen staat?
O, Jeanne, lieve Jeanne, je bent net een donkerroode bloem, die van binnen naar achter-in heel teer rose wordt. Dat rose nu met zijn honderden fijne nuances, mag alleen ik, gelukkige! zien. Ik hoef het je eigenlijk niet te zeggen, want je doet al zoo; maar ik wou je anders zeggen: houd je voor de wereld, Lief! altijd maar kalm-purper, statig-donkerrood. Je zoudt er stellig geen pleizier van hebben, als ze je teere rose binnenste zagen anders dan in je werk of in een enkle stille daad hier of daar. De wereld is een bruut
| |
| |
met vele koppen, die allen door elkaar schuiven en geen die iets echts zegt, of waars of moois.
Laat dus maar gerust dat portret van je zien: dan krijgen ze respect voor je. 't Is juist zoo goed, dat de fotograaf al het teermenschelijke er uit heeft gewreven. Wat een pessimistische bui, hè? Ja, maar zoo ben ik nog nooit tegen jou geweest, en kan dat ook nooit worden, want daarvoor ben je te magnifiek van menschelijkheid.
Dag, Lief, van uit de diepte zijner ziel kust je innig
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, lieve, lieve Lief, wat maakt het vooruitzicht me toch heerlijkblij, dat we elkaar al zóó gauw weer eens terug zullen zien! Vind jij 't óók zoo verrukkelijk, Lief? Als ik nu maar de invitatie krijg, dan kunnen we verder alles afspreken.
Morgen of overmorgen begin ik aan Walden; gisteren kreeg ik het pas terug van het aanteekenen.
O, ja, Willem, in mijn brief van gisteravond heb ik heelemaal vergeten iets te zeggen over die allervleiendste vergelijking van mijn armen met ‘boeien van bewegelijk fluweel’, - o, Lief, die woorden vind ik om in een lijstje te zetten, zoo lief en mooi.
Ik ga nu eerst alle verzen, die ik nog niet ingeschreven heb van je, copieeren; dan kan je ze dadelijk krijgen, als je ze voor de N.G. noodig hebt. En hierbij ingesloten vind je nog eenige nieuwe verzen van mij voor jou. Je wilt ze wel hebben, hè, Lief?
O, lieve, lieve Goede, ik vind 't zoo heerlijk, dat ik je nu weer eens gauw spreken zal, al is 't ook maar even en in groot gezelschap. O, dat vooruitzicht verheugt me zoo! 't Maakt me zoo luchtig en opgeruimd, vooràl om 't besef, dat 't voor jou óók een genoegen is. O, Willem, zijn Hein en Dientje erg gelukkig? Ik dacht wel, dat jij tot getuige zou worden gekozen. Moet je nu 3 Aug. ook weer speechen en denk je, dat wij óók zullen worden betoast? Zouden er veel menschen zijn, of niet? Ik ben er verlangend naar te weten, hoe alles zal gaan.
Een hartelijk-innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
Weet je, wat ik wel eens gedacht heb, Willem? dat ik dikwijls
| |
| |
zoo zeur en klaag, omdat ik zoo'n heel gevoelig hersenstelsel heb, en dat het zoo gevoelig is, omdat ik aan schrijven doe. Want ik geloof wel, dat dit de zenuwen méér overspant dan éénig ander werk. Geloof je dat óók niet, Lief?
Nu ga ik dezen voor de tweede maal beëindigen. Liefste, met nòg een zoen,
jouw Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
O, liefste Lief, ik heb mijn vorige naar de post gebracht, in de hoop, dat je hem morgenochtend vroeg krijgt. Nu begin ik weer, want ik heb nu de verzen, die je me zond, aandachtig gelezen, - o, Lief, je moet me niet kinderachtig vinden, maar toen ik die verzen las, voelde ik: ‘dit is het gelukkigste oogenblik van mijn heele leven!’ Ik voel me als bedwelmd, maar toch tegelijkertijd houd ik de macht over mijzelf, om boven die bedwelming te blijven staan en haar proevende te voelen, er tusschenbeiden in onder te duiken met een zalige half-bewustheid, en dan er weer plotseling boven uit te zweven, zonder toch iets te verliezen van het innige genot, dat je verzen mij aldoor geven, Lief!
Je zegt mij, Lief, dat ik de eenige ben, die je ziel begrijpt. Ik geloof eigenlijk, - vergeef de stoutmoedigheid van mijn zeggen - dat onze temperamenten meer op elkander gelijken dan op dat van eenig ander mensch op aard. Alles in jou is voor mij zoo innigsympathiek, ook zelfs buiten alle liefde om. En zelfs, al hield ik niet zoo zielsveel van je, als ik nu, tot mijn verrukking mag doen, dan zou ik je toch een bijzonder-sympathische en te vereerene vrouw vinden, voor wier bestaan ik zou willen vechten, omdat ze, zooals ik voelde, meer dan waard was, dat mijn kracht en inzicht haar hielp. Voel je nu niet daaruit, dat mijn gevoel voor jou veel meer nog is dan teedere liefde, veel breeder en dieper en hooger-vanaard?
Nu, Lief, zal ik dezen nog even weg-brengen. Het is kwart over tienen.
Met een eerbiedig-teederen kus
jouw eigen Willem
| |
[pagina t.o. 448]
[p. t.o. 448] | |
JEANNE REYNEKE VAN STUWE IN 1899
| |
| |
Of neen, ik ga nog je verzen weer overlezen. Je krijgt morgenochtend toch een brief. Dan gaat deze morgenochtend weg.
O, lieve Lief, Verster is even bij mij geweest, en die ging om half twaalf naar bed. Maar ik kan nog niet naar bed gaan, ik moet nog even wat tegen je praten. Ik ben, nu ik méér aan het dragen gewend ben, toch zoo blij met dien ring; 't is net, of ik een stukje van je zelf hier heb; je zult het mal vinden, maar 't gevoel van dien ring aan mijn vinger is precies, of jouw vinger voortdurend den mijne aanraakt: 't is zoo iets verschrikkelijk vertrouwds en liefs! Als ik aan je denk ook, - dus eigenlijk voortdurend, - dan is het ook net, of ik je al heel lang ken en je toch telkens weer zie als nieuw, en weer met een andere nuance van ziel, 't is precies of we, in een vorig bestaan, elkander al kenden, en heel goed en innig en lief met elkaar zijn geweest.
Ik heb Hein vanmiddag een brief geschreven, om hem te helpen herinneren aan zijn voorgenomen schrijven aan jou. Hij en Wim Witsen behooren tot mijn allerbeste vrienden, en dat zal mijn heele leven zoo blijven. Neem ze dus op in je gebeden, Liefste! zooals de geloovige Christen zegt. Als je werkelijk, zooals ik hoop, op 3 Augustus bij de Coorengels komt, zal je ook kennis maken met Arthur van Schendel. Hij is op het punt examen middelbaar Engelsch te doen. Ken je zijn Drogon? Als je 't nog niet gelezen hebt, zal ik 't je sturen. Dat moet je dan eerst eens lezen, als je wilt. 't Is klein van omvang, maar heel eigenaardig en interessant.
Nu, Lief, 't is middernacht, en ik ga nu naar bed. Goeden nacht, eenig-allerliefste! O, ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben met je verzen!
Klaagt, dat hij dat slechts uit de verte kan doen.
O, ik zit nu stil-gelukkig op mijn stoel te lachen, dat je werkelijk zult komen. De menschen, die er zullen wezen, zijn allemaal jong, behalve de oude Mevrouw. Ze zijn meest allemaal in Indië geboren. De oude Mevrouw zit dikwijls met mij te praten, ze is heel aardig
| |
| |
en curieus. Wees maar heel gewoon, ze zijn heelemaal niet stijfvormelijk.
Nu, Liefste, eindig ik. O, ik ben zoo blij, dat je komt!
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, wat ben ik verschrikkelijk blij, dat ik je die verzen heb gestuurd, omdat je er me zóó op geantwoord hebt! O, Liefste, één heerlijke verrukking was je brief me weer! Want zie je, dat jij het óók prettig vindt, als ik kom, daar wordt mijn pleizier minstens door vertiendubbeld! O, ja, Willem, ik zal zeker zoo gewoon en aardig zijn als ik kan, want, nietwaar, 't is heel lief van de familie mij te vragen, waarmee ze ons beiden (dat durf ik nú wel te zeggen) zoo'n groot genoegen doen, terwijl er voor hen niets aan is, om een totaal-vreemde in hun familiekring te ontvangen. (Jij bent een broer van Hein.) Ik zal dus al mijn krachten inspannen zoo lieftallig mogelijk te zijn. (Nu hoop ik maar, dat ik wèrkelijk een invitatie krijg, maar dat zal wel, dunkt me, vooral omdat jij óok nog eens geschreven hebt.)
Morgen ga ik aan Walden beginnen: een gewichtige dag! Heerlijk vind ik 't, dat ik er me nu zoo rustig aan zal kunnen wijden, want ik heb niets anders te doen, dan schetsen en dames-rubrieken voor De Hofstad te schrijven, en dat doe ik elke week wel in één dag.
De pres.exx. van mijn boek Hartstocht krijg ik verguld-op-snee. De band van mijn boek is nogal aardig: wit met gestyleerde lila violen. (Het lila is de kleur van een toiletje van mij, dat ik in mijn ‘uitgaanstijd’ droeg!) Mijn dichtbundel komt op oud-Hollandsch papier; ik heb het staal van het papier zelf mogen uitzoeken. Veenstra geeft me de Revue Parisienne voor de lezeressen-kolom in De Hofstad, een heel aardig maandschrift.
Willem, verbeeld je eens, dat 't wáár was, dat we elkaar ook al in een mogelijk-vorig bestaan hadden ontmoet? Weet je wàt daarvoor zou kunnen pleiten? Dat we soms dikwijls eigenschappen en hoedanigheden in elkaar ‘herkennen’. En weet je, wat ik met dat herkennen bedoel? Dat we telkens moeten denken (ik tenminste): ‘o, dat gevoel ken ik ook’, ‘die gedachten heb ik óók gehad’, - vind je niet, Lief, dat zoo'n indruk de gewaarwording van herkennen geeft aan den geest? Als je je eigen intieme gedachten
| |
| |
en je eigen intiem gevoel, dat je natuurlijk individuee bij jóuw persoonlijkheid meende, terug-vindt bij een ander? O, ik vind 't zoo'n heerlijk, vertrouwelijk idee, dat we dikwijls hetzelfde denken, dikwijls hetzelfde zeggen; is dat geen werkelijk bewijs van tusschen ons bestaande zielsgemeenschap, Lief?
O, ja, Willem, mijn ring is mij óók zoo lief en eigen geworden! 't Is zoo'n prettige, altijd vóortdurende herinnering aan mooie dingen, en aan nóg prettiger tijden, die komen!
Ja, ik ken Drogon en ook De schoone Jacht en ik vind A.v.S. heel interessant daardoor. Zijn moeder logeert wel eens bij de schoonmoeder van mijn oudste zuster, Mevr. Oosthout de Vree op Villa Delborgo te Ubbergen.
Zoodra ik de invitatie heb, zal ik 't je dadelijk schrijven, Lief, dan hoor ik wel van jou, hoe laat ik komen moet, en waar, etc.
Dag, lieve Allerliefste!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
Lieve, lieve, lieve Schat,
Ik begin 't eigenlijk hoe langer hoe maller te vinden, dat ik in Bussum woon en jij in den Haag. Ik heb niets wat me bindt aan Bussum, het dorp en de omstreken zijn me nog feitelijk-vreemd: dat verspreide kreupelhout en sparrengedoe, die laantjes van grint, waar je van tijd tot tijd op klinkers moet trappen, lijkt me precies een kerkhof in een droom, waar de begraafplaatsen vergeten zijn, en dus de lijken, die er nergens een rustplaats konden vinden je overal achterna-loopen als burgerlijk-deftige heeren in pandjesjassen, die hun grof-neuzige levensgezellinnen, met hun pafferige, schommelende kaartlegsters-tailles in den breed-stevigen arm met zich voort-sleuren, om dan ten slotte weer sloffend te verdwijnen in de monster-gevaartetjes van pagoden-wansmaak, die ze hun ‘viella's’ noemen met beursheeren-trots.
Hoe vind je dit staaltje van lyrisch realisme, Lief? Het is eigenlijk een prozaïstische paraphrase op mijn verzen op Bussum, die je wel kent.
| |
| |
Ik denk niet, dat ik toasten zal, want als jij er bij bent, ben ik altijd te inwendig-gepreoccupeerd met jou. Jij weet niet, welk een plaats je inneemt in mijn innerlijk leven. Als ik aan iets denk in de toekomst, breng ik het, zonder het bewust te willen, expres te willen, altijd in verband met jou. Dat vind ik juist zoo'n leuk idee. Wat ik niet zie, zal jij soms zien en zoo omgekeerd ook. Zoo zullen wij elkander helpen, en elk van ons dubbel zoo sterk zijn, als hij vroeger alléén was. O, ik voel zoo. Lief, dat wij samen gelukkig zullen zijn.
Je ontmoet 3 Aug. natuurlijk ook Piet Boeken, dat is Hein zijn broer. Hij houdt een kantoor van levensverzekering en is zoowat vijftig jaar. Hij is mijn mede-getuige, maar ik weet eigenlijk niet, of hij meedoet met de feestelijkheden, want hij heeft zelf een vrouw en kinderen, en zal dus wel niet lang van huis weg-blijven. Als ten minste de overige familie van Hein ook niet mee-doet, wat ik niet weet. O, Jeanne, ik verlang zoo erg, om je weer te zien!
Ik heb vandaag een korte kroniek geschreven over Joh. W. Broedelet.
Ik sluit nu maar. Ik heb het vreeselijk druk op het oogenblik, maar vanavond schrijf ik weer.
Geheel en al
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Liefste, dat gevoel, dat jij zegt te hebben, als je door Bussum loopt, heb ik ook zoo dikwijls gehad, als ik alleen liep te wandelen. Dan was 't me net, of ik eigenlijk hier niet op aarde thuis-hoorde, en er alleen maar toevallig op rond-liep. En al die vreemde, onverschillige menschen om me heen, waar ik heel-eenzaam tusschendoor bleef gaan, - ik kón 't me haast niet voorstellen, dat die allen ook een eigen leven leefden zooals ik.
Ach, ja, ik denk wel, dat ik een uitnoodiging zal krijgen; al dachten ze niet eens dat ik accepteeren zou, dan zouden ze me er toch wel een uit beleefdheid sturen, niet? Maar er is ook nog tijd genoeg, misschien worden de uitnoodigingen niet zoo vroeg rondgezonden.
Dit moet je van me gelooven, Lief: ik heb nóóit door die satirische verzen, die ik natuurlijk, lang vóórdat ik je persoonlijk kende,
| |
| |
gelezen had, van je gedacht, dat je hard was of scherp, want altijd was ik ervan overtuigd: hij zal daartoe wel zijn reden hebben gehad. Anders, Lief, zou ik je toch wel eens hebben gevraagd, is 't niet? ‘Hoe ben je daartoe kunnen komen?’
Wat ik je wel eens schreef over dat phlegmatisch-koele van me, dat is, geloof ik dit: mijn diepste Wezen, mijn Ziel voel ik ongebreideld-hartstochtelijk, terwijl mijn physiek bijna altijd passief en koel-onbewogen is. Mijn physiek nu, wordt alleen door de menschen gezien (de mij volkomen-vreemden dan altijd) en daar ik mij nooit anders dan kalm en koel kan bewegen, omdat mijn ziel zich tegenover die vreemden nooit in daden of woorden uit, ziet men mij nooit anders dan koud-bloedig en traag-onverschillig. (Op de H.B.S. werd ik ‘het wassen beeld’ genoemd.)
Zeg, lieve Lief? je begrijpt deze redeneering wel, niet?
Een zoen van Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
23 Juli '99
O, Allerliefste, ik ben zoo rustig-blij, dat mijn Kroniek nu klaar is. Ik zie daar altijd tegen op, want er bewust over te zitten denken, gaat niet en geeft niet. Meestal moet ik, door aandachtig op mezelf te letten, terwijl ik mid doodstil houd, uit mijn onbewustheid halen, wat er, voor mijzelf nog verborgen, in zit. En ik krijg dan altijd zoo'n beetje het gevoel, net zooals men dat bij verzen óók heeft, of een ander in mij bezig was met denken, en zijn resultaat nu, terwijl ik schrijf, langzamerhand in mijn bewustzijn gooit. Daarom moet ik altijd zoo onbedaarlijk lachen, of maak er mij ook wel eens een enkel keer boos om, al naar mijn stemming is, als ik zoo den een of andren recensent op stelligen toon hoor beweren, wat hij met zijn kleine verstandje van de dingen vindt. Dat maakt op mij gewoonlijk denzelfden indruk, alsof ik op Zaterdagavond, nadat zij haar geld ontvangen heeft, een eerzame schoonmaakster met de meiden een napraatje hoor houden over een politieke gebeurtenis van den dag. Ik geloof dan ook, dat ik het in mijn Kronieken altijd precies bij het rechte eind heb, en ik zeg dit zonder zelfverheffing, omdat ik, die hier op mijn stoel zit, eigenlijk niet de persoon ben, die ze schrijft. Nu ja, maar dat is dan toch je dieper Ik, zegt de moderne psycholoog
| |
| |
misschien. En ik antwoord dan: ‘Je kunt best gelijk hebben, maar dat blijft toch een woordenkwestie, en je verplaatst de moeilijkheid alleen. Want ik heb dat dieper Ik nooit van aangezicht tot aangezicht gezien.’ Zoo blijf je aldoor om de zaak heendraaien, en het rechte begrip ervan krijg je nooit.
Wat je zegt over je uiterlijk phlegma en je innerlijken hartstocht, dat is, geloof ik, heelemaal juist. En zoo is 't óók met mij: ik word heel zelden aan de oppervlakte ontroerd, maar toch voel ik dikwijls diep-inwendig, dat ik wel degelijk ontroerd ben, al verraadt zich dat niet door uiterlijke dingen en het allerminst door gebaar of woord. Denk maar eens aan dien dag, toen ik je vroeg. Toen ben ik, geloof ik, uiterlijk ook heel bedaard gebleven, en toch voelde ik achter in mijn ziel, of het daar voortdurend stormde en jaagde. Maar tot mijn eigenlijk bewustzijn kwam slechts, dat jij het moest wezen of anders géén. En zie, dat intuïtieve gevoel, dat ik toen had, dat jij het moest wezen, dat is nu, tot in de kleinste dingen, uitgekomen voor mijn nuchterste verstand, als de klaarste waarheid te zijn.
Ik ben zoo verrukt, dat je dat gezegd hebt van die satirische verzen van mij. Want ik ben au fond heelemaal geen satirieke natuur, veeleer ben ik een beetje gemoedelijk en naïef. Maar 't was toen mijn eenige verdedigingswapen, het kwam spontaan in mij op om het te gebruiken; een tijdlang heeft iedereen mij daar hard om gevallen, zonder te vragen, hoe ik toen zoo, bij uitzondering, kwam te zijn.
Wat Hein betreft, ik heb hem vanavond weer geschreven, om jou een invitatie te sturen. Hij zal het nu zeer druk hebben, maar de invitatie kómt natuurlijk, anders begrijpen ze wel, dat ik óok niet verschijn. De familie C. is overigens eenvoudig-hartelijk en goed. Mevrouw is, geloof ik van origine een Duitsche freule, ze sprak tenminste wel eens over een neef, die Freiherr von Faber is. Zij noemt mij Willem, ook de meisjes doen dat. Als wij er een paar oogenblikken zijn, zal ik maar zeggen, dat jij en de meisjes elkander ook maar bij den naam moeten noemen. Vind je ook niet? Want Adrienne, in de wandeling ‘Dientje’, wordt toch je compagnon mettertijd.
Nacht, Lief, ik begin een beetje slaap te krijgen, en 't is toch pas twaalf uur.
Jouw eigen Willem,
die nu slaap heeft als vier.
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, wat heeft je brief me zalig verrukt. Hij kwam al met de eerste post, en nu ben ik voor den heelen dag zoo prettig en opgewekt gestemd! O, Willem, ik vind 't ook zóó heerlijk om te komen; ik kan je niet zeggen, hoe ik ernaar verlang, dat je me eens even aankijkt, eens even tot me spreekt... wat zal 't eenig-goddelijk zijn, als je hier woont in den Haag! want je hoeft heusch nooit te denken, dat ik een gesprek met jou niet véél belangrijker vinden zal, dan het schrijven aan tien literaire luitenants! Neen, Lief, ik zal natuurlijk nooit jets plotseling-pressants te doen hebben, dus ik zal 't je altijd vooruit zeggen, zooals ik ook wel eens in Bussum deed, weet je wel, als ik brieven moest schrijven. En zoo zal jij ook altijd zeggen: ‘Jeanne, ik kan niet komen, omda...’ is 't niet, Lief? En als we dat altijd doen, zal alles uitstekend gaan.
Lief, ik geef je toch maar liever de beide deelen van mijn roman tegelijk, vind je goed? Want ik wou zoo graag, dat je 't ineens achter elkaar las; je raakt zoo uit de stemming, als je op de tweede helft zoo lang moet wachten. O, Willem, je hebt precies gezegd, wat ik bedoelde, toen je schreef: ‘onzedelijkheid ligt alleen in de bedoeling, de geestelijke intentie.’ Je zal zien, dat alles wat in mijn verhaal gebeurt, uit den logischen loop der omstandigheden is voortgekomen, en misschien zelfs zal je, omdat je mij haast even goed kent als ik mijzelve ken, kunnen inzien, zoo scherp en helder als ik het zie, dat elk voorval vanzelf uit het voorgaande volgt. Want ik heb je al meet gezegd, dat dit geen gewoon-bedacht boek is, zooals ik vroeger wel verhaaltjes schreef, het is een waar-gebeurde geschiedenis, al is die dan ook maar alleen in mijn geest voorgevallen. Wel zal je, omdat het absoluut geen fantasieën, maar allemaal werkelijkheden zijn, soms denken bij jezelf: ‘Hoe weet ze dat toch? hoe kan ze dat toch weten?’ maar daar kan ik je alleen op antwoorden: daar ben ik een Haagsch meisje voor, dat veel gehoord, gezien, onthouden, en bovendien uitbundig-veel gelezen heeft. En wil ik je nu eens een aardig voorbeeld geven, hoe werkelijk-echt mijn boek me schijnt? Toen ik het nu weer overlas, deed ik dat, schijnt het, zóó objectief, dat ik een paar maal een sterk gevoel van ontroering kreeg, en dan plotseling tegen mezelf zei: ‘Maar, Jeanne, en je hebt 't zèlf geschreven!’
O, Lief, ik ben toch zóó verlangend te weten, hoe jij er over oordeelen zal!
En weet je, wat ik ook zoo goddelijk vind, dat je tegen me hebt
| |
| |
gezegd? Dat ik inwendig niet eigenlijk-gezegd zwàkker ben geworden, maar alleen gevoeliger en minder strak. Dàt is 't, dat móet 't zijn, Willem, - o, ik kan je mijn verrukking niet zeggen, dat je me zóó begrijpt, en zóó mijn gemoedsstemmingen voor mijzelf weet te verklaren. O, Lief, - wat zou er van me worden, als ik jóu niet had? Ik weet ook zoo zeker, dat, als ik altijd het beveiligend bewustzijn van jouw dichte nabijheid heb, dat ik dan langzamerhand mijn droefgeestigheid heelemaal zal verliezen. Weet je, wàt je doet, Lief? je brengt me tot besef van mijn geluk, - en daar heb ik me zelf nooit volkomen toe kunnen brengen. Straks schrijf ik je weer, - tot zoolang, allerliefste Liefste, adieu. O, Lief, nu over elf dagen drukken we elkaar weer de hand!
Heb je 't ook zoo allerverschrikkelijkst warm, al vier dagen lang?
Een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
Lief! ik kan maar niet uitscheiden; ik moet alweer schrijven. Weet je, wat ik zoo heerlijk van je vind? Ik geloof, dat jij vaster en positiever bent dan andere vrouwen, meer standvastig, meer, in groote dingen wetend wat je eigenlijk wil. Daardoor voel ik je niet, ook niet achteraf in mij, eigenlijk onder mij staand, zooals de mannen meestal de vrouwen doen: ik voel, dat ik aan jou volkomen zal hebben, dat ik in jou zal vinden, waardoor mijn eigen geestelijk bestaan tot volmaking komt. Voel je nu, Lief, dat je onmisbaar voor me bent, en dat je een roeping vervult door van me te houden, zooals je doet? En voel je ook niet, - o, voel het toch, Jeanne! - dat ik van jou houd, zoo onbedwingbaar, als ik zelf niet had geweten, dat ik van een mensch houden kòn? O, ik voel mij soms, als waar ik de zee, die aldoor weer, met dezelfde forsch-gedragene, en toch zacht uitglijdende beweging neer komt donzen op het wijde strand. Ik heb haar lief! ik heb haar lief! ik heb haar lief! zoo hoor ik het binnen-in mij voortdurend galmen. Maar je bent niet bij me, en het eenige wat me troost geeft, is, dat jij je niet van mij afwendt, mij vriendelijk aanziet, en zegt, dat je ook van mij houden wilt. Geloof me, Jeanne, we zullen gelukkig zijn. Want ik voel mijn jeugd, die heelemaal niet weg was,
| |
| |
maar die ten onder dreigde te gaan door mijn droevige gedachten, weer opgegolfd tot zijn eerste kracht van doen en denken, de kracht, die bij mijn leeftijd past. Ik voel zoo, dat ik nog niet op mijn toppunt sta; dat zal pas wezen over een jaar of vijf, en dan zullen we ons voelen als een paar zalige god-menschen, één-van-wil, die een combinatie is van ons beider willen, één van voelen en één van geluk. Jij kept mij nog niet, ik kende mijzelf nog niet, - ik leer mij, dat merk is, pas kennen door jou. Ik heb je lief! ik heb je lief! ik heb je lief! Ik heb het nog nooit zoo sterk, zoo wetend en bewust gevoeld, als ik het nú voel, en dat komt door je brieven en door alles, dat komt door jou!
Lief! ik moet nu aan 't werk. Dezen brief breng ik vanavond op de post, zoodat je hem morgenochtend krijgt. Hè, ik zal zoo blij zijn, als ik in den Haag woon. Ik zit hier als onder de Zuidzee-eilanders: de stemmen klinken zoo hard en onbeschaafd, de praatjes, die worden verkocht, zijn zoo insipide, en de muziek, die ik telkens aan te hooren krijg, is precies als het disharmonisch getingeltangel op een Australisch kannibalen-feest.
Geheel-en-al
jouw Willem-voor-altijd
| |
[Ongedateerd]
Liefste, We ontvangen vandaag niet, en dus heb ik een heerlijkrustigen middag voor me. Ik ga nu eerst een beetje aan jou schrijven, en dan begin ik aan Walden. O, Lief, ik geloof, dat jij even verlangend ben te weten, hoe ik het eraf brengen zal als ikzelf, - is 't niet? Maar met een beetje wil en veel vlijtige volharding, zal ik de moeilijkheden wel overwinnen.
Ja, Lief, dàt portret wou ik geven: ik heb 't nog niet gedaan, omdat ik bang ben, dat ik 't misschien niet terug krijg van V.; hij moet maar aan den photograaf om het negatief gaan vragen. Hij wou 't in Berlijn laten reproduceeren, maar ik heb gezegd, dat 't niet mocht worden gepubliceerd in den bundel, als ik 't niet eerst had goed-gekeurd. Ik geloof ook wel, Lief, dat dit een geschikt portret is, ik zie er zoo'n beetje koel en kalm-trotsch op uit, en dat is, dunkt me, juist goed tegenover het groote publiek.
O, lieve Lief! nu heb ik ook al je verzen in het cahier over- | |
| |
geschreven. Morgen stuur ik je de mijne, die je nog niet hebt.
Ik schreef je in mijn vorige, dat jij, Lief, me tot het besef van mijn geluk had gebracht; ik bedoelde tot de erkenning, tot de appreciatie ervan. Want door den verzwarenden, versomberenden invloed van mijn gedachten, zie ik het soms overdonkerd door schaduwen, die door de zon van jouw liefde en zachte teederheid onmiddellijk worden weg-geschenen. Jij bent zoo onuitsprekelijk goed voor me, veel beter dan ik voor mezelf kan zijn, ondanks mijn groote eigenliefde. En zoo zie ik dus aan mezelf, dat zelfzucht toch niet gelukkig maakt. O, Lief, was ik maar eens vrij van alle egoïsme, wat zou ik dan door mijn zelf-geluk jou een geluk kunnen geven! Want daar niemand me feitelijk noodig had, heb ik maar aldoor aan mezelf gedacht en voor mezèlf gezorgd. Maar nu, Lief, als jij zegt, dat ik noodig ben voor jou, dan zal ik het wel afwennen, mij zelf aldoor op den voorgrond te plaatsen, mij zelf altijd het eerst in aanmerking te nemen!
Nu, lieve Lief, beëindig ik deze maar. Een lief-teederen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
Liefste, ik ga nu nog een beetje door met je te schrijven, maar sluit dezen brief morgen pas; dan is er misschien wel een brief van je gekomen, waar ik iets op antwoorden kan.
Lief, weet je, wat ik eens zal doen, als je hier woont in den Haag? Dan zal ik je uit mijn dagboeken, die ik bijhield van mijn veertiende tot mijn negentiende jaar, stukjes voorlezen, die aardig voor je zijn om te weten. Zal ik dat doen, Lief? En dan kan ik ze daarna wel vernietigen, vind ik.
Maandag
Er kwam vanmorgen een brief van mijn broer aan Ma, waarin hij iets over mij schrijft, dat je misschien prettig zult vinden, Lief.
‘Na een langen tijd zwijgens’ (de tijd, dat ik in Bussum was) ‘weer de gewone wekelijksche van Jean. Nu, om zoo'n brief te krijgen, wil ik wel een tijdje vasten. Niet zoozeer de woorden, die ze schrijft, treffen me zoo, maar de toon van schrijven, de ziel van den brief geeft me de sensatie van ernstig en diep geluk, te groot haast voor openbaring, te evenmatig voor sterke uitingen als lachen of schreien.
| |
| |
De laatste aflevering van de N.G. bevat betere verzen van Jean, dan ik ooit van haar las. Een zwaarder sentiment en minder onzuiverheden.’
Lief, er zijn me een paar dingen in de gedachten gekomen, die wij wel niet tegelijk hebben gezegd, maar die, geheel onafhankelijk van elkaar in ons hoofd ontstaan, veel overeenkomst hebben. In een van je vroegere verzen schrijf je ‘donker raadsel,’ en ik zei ergens ‘het donkre raadsel van mijn toekomst.’ Ik heb het adjectief donker anders nog nooit met het woord raadsel gecombineerd gezien. Jij vergeleek eens, in een van je brieven mijn mond met een bloem, en ik vind toevallig in mijn roman ook: ta bouche, fraîche comme une fleur. En nu nog dit: in no. 84 van je verzen voor mij, zeg je: ‘O, Ziel, die zijt de al-eenig magnifieke afglans gevallen van God's aangezicht,’ en ik schreef in het vijfde Fragment uit Het Boek van mijn Leven ‘... omdat hij door zijn prachtig Zielezijn gelijk een magnifieke god is...’
En is dit ook niet toevallig: Jij zei, dat ik net was als een donkerroode bloem, - en er is een tijd geweest, dat donkerroode rozen mijn lievelingsbloemen waren, zoodat ik ze altijd droeg, tot in October toe.
O, ik hoop, dat ik om 1 uur een brief van je krijg, maar daar is toch wel een beetje kans op, dus misschien gebeurt 't wel.
Ik zend je hierbij het schrift met de overige verzen en fragmenten; er zijn nog een paar verzen voor jou bij, Lief, maar die zal je er wel uitvinden. Dag, lieve Lief!
Een innig-lief-gemeenden zoen
van jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
24 Juli '99
Liefste, zooeven bracht ik een brief voor je naar de post, die is bij negenen 's avonds in de bus gekomen, en ik hoop nu, dat je hem morgenochtend nog krijgt. Maar ik begrijp niet, dat je Maandagmorgen geen brief van me hebt ontvangen. Ik heb Zondag toch in den loop van den dag er een op de post gedaan.
Lief, ik heb even in je schrift met verzen gekeken en vond een vers op een ring. Als ik je raden mag, moet je 't heusch niet publi- | |
| |
ceeren. De Hollanders zijn zoo'n hard-nuchter volk, en zouden er een ‘sneer’ op kunnen geven. Ook het vers, waarin voorkomt dat ‘lieve leden’ zou ik liever achterhouden. Ik ben van temperament eigenlijk maar ten deele Hollander, en de Hollanders vonden mijn werk in den beginne dan ook verschrikkelijk antipathiek. En weet je, wat het land was, waar ik mij het meeste thuis heb gevoeld? Dat was Zuid-Duitschland, waar ik door-reisde, toen ik terug-kwam van Italië in 1893. Zooals de menschen daar deden en spraken en zich bewogen, dat vond ik allemaal verschrikkelijk aangenaam: ik voelde me daar thuis. De brute, onbeschaafde verwaandheid van sommige Hollanders kan ik zoo moeilijk uitstaan. Vele van onze heeren doen als kellners, die een prijs hebben getrokken uit de staatsloterij. De schuld ligt ten deele natuurlijk in onze achterlijkheid van beschaving. Maar dat is het toch niet alleen. De Zuid-Duitschers bijv. zijn ook niet zoo vreeselijk vorm-beschaafd. Maar zij hebben daarentegen een gevoeligheid, die wij bij ons bijna allemaal missen, en die aan al hun bewegingen en intonatie's een bijzonder cachet geeft, dat buitengewoon aangenaam de van buitenaf geleerde beschaving vervangt.
Als ik je raden mag, Lief, verscheur dan nooit oude dagboeken van je. Ik verzeker je, daar zou je in later jaren spijt van hebben. Dat weet ik van mezelf, daar ik het ook heb gedaan. Ik heb in vroeger jaren verschrikkelijk veel verscheurd, dagboeken, meditaties, oude verzen, en ik gaf nu wel een lief ding, om zoo te spreken, als ik ze nog eens vóór me kon zien. Neen, Lief, heusch, doe dat nooit! Verzegel ze, en zet er dan op: ‘na mijn dood ongelezen te verbranden’ of zoo iets, maar verscheur nooit iets. Zal je 't niet doen? Toe!
Ik voel me vanavond een beetje slaperiger dan anders, ik heb den heelen dag druk gewerkt; ik eindig dus nu maar; over je verzen schrijf ik je nog wel.
Je hebt mijn heele hart en dat zal je altijd houden, want altijd blijf ik:
jouw eigen Willem
Nog een vers uit mijn pen:
Jeanne geeft liever kussen op 't papier,
Maar ik wou ze liever in werklijkheid geven;
| |
| |
Want de eerste schenken een denkbeeldig pleizier,
Maar de laatste doen je waarachtig leven.
| |
[Ongedateerd]
Liefste, ik heb nu om één uur je brief, dien je Zaterdagavond schreef, en om half vijf je heerlijken van gisteravond ontvangen. Ik schrijf nu niet lang, want we moeten dadelijk gaan eten, maar vanavond weer als gewoonlijk. O, Lief, ik ben blij voor je, dat je Kroniek af is. Ik heb ook altijd zoo afschuwelijk het land aan verplicht werk, dat op een bepaalden tijd klaar moet zijn. Je hebt zeker over Dorpsroosje geschreven? Vind jij dat goed werk? Ik ben heel benieuwd te weten, wat je er van hebt gezegd.
O, Willem, wat je zegt van dien anderen mensch in je, die je de gedachten ingeeft, om ze neer te schrijven, dat heb ik zoo heel sterk gevoeld met mijn roman. Die is heelemaal door een ander in mijn geest geregeld en afgespeeld; ik luisterde maar en zag toe, hoe of alles gebeurde, en schreef dan het opgemerkte ter neer. Want dat ik, ik, Jeanne, dat boek heb kunnen schrijven, dat lijkt me een absolute onmogelijkheid. Je zal later wel zien, dat de auteur van dat boek een volslagen antipodisch wezen is met de auteur van de verzen. Als ik dit zóó verschillende werk als buitenstaander kon beschouwen, zou ik nooit willen gelooven, dat ze in de ziel van één persoon waren ontstaan.
Ik heb vandaag zitten te vertalen.
Tot straks, lieve Lief!
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
Je zal wel eens denken, Lief, waarom ik toch dikwijls zoo onredelijk klaag en mezelf vervolg en pijnig met verdrietige gedachten, - dat komt omdat ik me zoo heelemaal afhankelijk voel van jou! Ach, Lief, als jij mij nooit had gezien, dan zou je toch wel hebben voort-geleefd, zij 't ook een beetje vreugdeloozer en doelloozer dan nú misschien. Maar ik, - en ik verzeker je, dat dit geen frases zijn, - ik zou zeer zeker niet lang meer hebben bestaan: wat zou mijn nuttelooze en onbelangrijke leven nog verder op aarde doen? En met een onberedeneerd-heftigen angst heb ik áltijd álle liefde uit
| |
| |
mijn lot geweerd, - ik was bang, bang voor een macht, die mijn heele wezen overheerschen zou. Maar nu, - maar nu, - nu heb ik mijzelf niet meer, geen lot meer, geen leven meer, - dat alles is van jou, Willem, van jou... er is geen schijn van een gedachte in me, geen beweging van mijn wil, geen Ahnung zelfs van een gevoel, die niet aan jou zou toebehooren! O, merk je nu wel, Willem, hoe volkomen en absoluut ik me aan je heb overgegeven, - en hoe ik je dat met volmaakte oprechtheid zeggen durf, - met terzijdestelling van alle conventioneele voorschriften, met verbreking van al mijn trots en overwinning van allen meisjesachtigen schroom? Ach, ik kan niet anders, ik kan niet anders dan 't zeggen, dan 't zóó zeggen, als ik doe. Jij laat me bestaan, jij doet me leven; mijn heele inwendige Zijn is veranderd, omdat het tot-nu-toe-verborgene zich voor jou heeft ontvouwd! Ik heb geen eigen wil, geen eigen gevoel, geen eigen gedachten meer, en daarom, Lief, dáárom hecht ik zooveel gewicht aan al wat je zegt. O, als je wist, hoe ik je brieven lees, lees, ze overdenk en bepeins, totdat de heele beteekenis der woorden me helder is geworden, en je bedoeling achterblijft in mijn hoofd!
Ik denk niet, Lief, dat je het naar vindt, als ik me zoo openhartig uitspreek. Als ik het niet doe, voel ik me zoo gedrukt en neerslachtig, dat ik je haast niet kan schrijven, - en nu ben ik wèl geëmotionneerd, maar toch luchtig, kalm. Lief, geloof je niet, dat, als jij dikwijls tegen me spreekt, ik dan eindelijk wel heelemaal genezen zal? Ik wou, dat ik een soort van zielsoperatie kon ondergaan, dat alle twijfel-zucht, zelf-zucht, klaag-zucht er uit kon worden genomen, - dan zou ik heelemaal-volmaakt gelukkig kunnen zijn! Maar als je hier woont, Lief, dan word ik toch óok wel beter, je zal 't zien!
Maar, Lief, toe spreek er nooit van, dat je me ‘dankbaar’ ben. Dat vind ik zoo akelig, 't is of je je ‘verplicht’ voelt van me te houden... Je vindt me toch niet vervelend, dat ik me weer eens heb laten gaan? Ach, Lief, waar moet ik anders kracht en steun vinden, als 't niet is bij jou? Jij bent mijn àlles, Lief, ik ben zoo hulpeloos en zwak zonder jou, jij bent mijn alles, mijn alles!
Altijd, altijd, jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, daar krijg ik juist dit bijgaande briefje van Hein. O, ik ben opeens zoo opgeruimd-blij geworden, want nu is 't net, Lief, of
| |
| |
dat heerlijke vooruitzicht van jou te zullen zien, al bijna werkelijkheid is geworden. O, die paar dagen zijn gauw genoeg om! O, wat is 't verrukkelijk, verrukkelijk, dat ik je zoo ongedacht-gauw weer terug zal zien! O, ik ben zoo innig-blij, zoo echt-heerlijk-verheugd! Vind jij 't ook prettig, Lief?
jouw eigen Jeanne
Ik zal aan Hein schrijven, dat ik kom, en hem vragen me bij Mevr. Coorengel te excuseeren, dat ik haar niet eerst een visite kom maken. Wij spreken dan samen wel verder af, hè, Lief?
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, nu zal 't toch heerlijke waarheid worden, dat we elkaar gauw weer zien! Het is nog wel tijd genoeg eigenlijk, om er over te praten, maar ik zou het toch prettiger vinden, Lief, te weten, hoe ik moet doen. Waar ik jou zal zien, met welken trein ik moet komen, en zooal meer. Wil je me daar eens over schrijven, Lief? We moeten Hein en Dientje wel een cadeau geven, wil jij daarvoor zorgen, of zal ik het doen? Vergeet je niet me hier gauw op te antwoorden, Lief? Straks ga ik aan Hein schrijven.
O, Liefste, ik ben zoo blij, dat je mijn avondbrief al hebt ontvangen. Ach, merk je het wel, dat ik telkens en telkens weer een crisis in mijzelf doormaken moet? Ach, wanneer ik toch eens eindelijk geëquilibreerd zal zijn! O, lieve Lief, heb maar een beetje geduld met me, - het zal allemaal wel beter gaan, langzamerhand.
Wat Walden betreft, daar zal ik best doorheen komen, Lief. Nu ik door het eerste begin heen ben, raak ik er al een beetje in. Die Thoreau is een soort van philosophischen socialist, niet? Ik vind 't werkelijk niet zoo'n vervelend en moeilijk werk, als waar ik eerst bang voor was. Maar ik geloof heusch, dat de schrijver 't jammer vindt een beetje wit op de bladzijden over te laten; wáár het maar kan, staat een woord, nooit eens gesprekjes, haast nooit een nieuwe alinea. Enfin, - het resultaat zal alle inspanning ruimschoots bekronen!
Neen, Lief, die twee bedoelde verzen worden niet gepubliceerd, en ook nog meer anderen niet, die bij de verzen zijn, welke ik je heb terug-gestuurd. Er komen soms wel eens dingen in mij op, die ik dan neerschrijf, om ze beter te kunnen onthouden voor mijzelf.
Nu zal ik 't je even van de brieven uitleggen: wanneer je er
| |
| |
's avonds een na acht uur op de bus doet, krijg ik dien den volgenden dag om één uur. Doe je er een op de post na twee uur 'sm. tot 's avonds acht uur, dan krijg ik hem den volgenden morgen met de eerste bezorging. Verzend je er een na tienen 's morgens tot twee uur 's middags, dan krijg ik hem dienzelfden dag 's avonds; en zend je er een 's morgens voor tienen, dan krijg ik hem dienzelfden middag om half vijf. Maar 's Zondags schijnt het anders te zijn: dan krijg ik een brief, dien je voor tweeën verstuurt, den volgenden morgen met de eerste post, maar na tweeën, dan ontvang ik hem den volgenden morgen om één uur. Ziezoo, dat is een heele uitrekening geweest, nu kan je eens zien, lieve Lief, hoe'n studie ik er van heb gemaakt!
3 Aug. trouwt ook een kennis van ons, Jacqueline Noordhoek Hegt met den zeeofficier Mathol, 31 Juli is 't receptie.
O, Lief, wat geven je brieven me toch een innige vreugd! Je moet 't niet kinderachtig van me vinden, maar als ik een brief van jou gekregen heb, dan trillen mijn vingers zóó, dat ik wachten moet, en niet dadelijk doorschrijven kan, zoo sterk ben ik dan ontroerd. Dat komt ook, omdat ik altijd naar den postbode zit uit te kijken, als hij komen moet, en wachten maakt zoo vreeselijk nerveus. Als hij werkelijk een brief van jou brengt, heb ik dikwijls lust hem om den hals te vliegen. Ben ik flauw, Lief? Of vind je 't misschien een beetje prettig, dat ik zóó, zóó van je houd? O, Lief, lieve Lief!
Het is alweer eindigenstijd; deze moet nu weg. Dag Allerliefste, liefste, lieve Lief!
Met eindloos innige teederheid
jouw eigen Jeanne
Wat een grappig vers onderaan je brief!
| |
[Ongedateerd]
Jeanne, Jeanne, wat ben je toch een redeneerend hoofdje! Heb ik je dan ooit gezegd, dat ik je liefheb, omdat ik je dankbaar ben? Hoe kom je er bij? Hoor eens: ik heb je zoo lief, o, Lief-van-mijn-leven, omdat je aardig bent en lief en grappig, omdat je diep-gevoelig bent en klaar-verstandig, omdat je vol talent zit, zonder dat je 't zelf weet, en omdat je een verrukkelijk-prettig en mij heelemaal veroverend gezicht hebt. En daar komt dan nog de dankbaarheid bij.
| |
| |
Maar die is toch heelemaal niet de oorzaak van mijn liefde. Want ik ben je veeleer dankbaar, dat ik je lief mag hebben, dan dat ik je liefheb, omdat ik je dankbaar ben. Redeneeren is heel goed, Lief! maar dan moet het ook uitgaan van onbetwistbare grondslagen, en daarop voortbouwen, onwrikbaar-logisch. Maar jij haalt een beetje je gevoel door je redeneering heen, en daarmee kan je tot elke conclusie komen, waar je stemming van 't oogenblik je toe drijft. Voel je niet een beetje, Lief, dat redeneeren alleen helpt, als het werkelijk streng-zuiver redeneeren is?
Het zal mij benieuwen, of Hein je nu geschreven heeft. Je hoeft niet bang te zijn voor een officiëele uitnoodiging, want er zal niets officiëels aan de heele bruiloft wezen, en de familie zelf is zooals je weet, al zóó uitgebreid, dat er van verdere invitatie wel geen sprake zal zijn.
Nu, Lief, moet ik weer aan 't werk; dezen schrijf ik na het eten verder en breng hem dan op de post.
't Is half vijf nu; o, altijd als ik zoo opeens als wakker word uit mijn werk, waar ik natuurlijk heelemaal in zat, zonder aan iets anders te denken, dan dringt er plotseling in mijn bewustzijn deze ééne gedachte: ‘Jeanne, Jeanne’, en dan verlang ik zóó ontzettend naar je, net zoo als nu op dit oogenblik. O, Jeanne, dat jij leeft, dat jij er bent, en dat je altijd bij mij wilt blijven! O, Jeanne, als je deze nu leest, zie dan even naar je hand, en zeg dan tegen je zelf: Dat heeft Willem lief, en wijs dan op je hoofd, en zeg dan: Dat ook, - en ga dan door: Hij heeft alles van me lief, alles, alles, zonder eenige uitzondering, omdat het van mij, van Jeanne is.
O, mijn liefde voor jou is een zalig weten, een klaar-tot-mijn-bewustzijn-komen van mijn diepste ziel. Voel je nu niet, Jeanne, dat ik jou liefheb volkomen, met een oppersten, sterk-ingehouden hartstocht, die alleen wil bestaan voor jouw geluk? En voel je, dat je door mij gelukkig worden kan? O, ik heb je gloeiend lief! Ik heb niets in mij, aan mij, van mij, wat niet van jou is en voor jou, geheel! Want jij bent een zichtbare godheid-in-een-mensch, en mijn heele leven zal gewijd zijn aan jouw geluk!
O, mijn liefde voor jou heeft honderden phasen, honderden stemmingen, maar die allemaal liefde zijn.
O, nog maar acht en een halve dag, gelukkig, dan zal ik je weer zien!
| |
| |
Ja, Lief, nu heb ik gegeten, en nu begin ik weer.
Weet je, hoe dat versje onder mijn brief waarschijnlijk in me op is gekomen? In een vorigen brief schreef je: als ik je zie, dan krijg je een hand van me. Maar je eindigde je brief: met een... zoen. Ik keek daar eerst wel een beetje treurig over, over die ‘hand’, maar al gauw begreep ik, dat ons wederzien waarschijnlijk in tegenwoordigheid van anderen zou geschieden.
Neen, Jeanne, ik beloof je, of laat ik maar liever zeggen: ik dreig je, dat ik, zoodra ik de kans schoon zie, je ergens apart neem, en je zóó'n zoen geef, dat hij je lang heugt, zóó sterk en lang.
Ik had dat eigenlijk niet moeten zeggen, want nu zal je mij wel weten te ontsnappen.
O, Jeanne, ik ben vandaag zoo dol-verliefd op je: ik bedoel, het komt zoo tot mijn bewustzijn, dat ik ook zoo dol-veel van je uiterlijk houd. Ja, ik voel iets, alsof er inwendig in me gedanst wordt, omdat ik je altijd zal mogen kussen. En dat ik dat zal mogen doen, zonder dat je je erover kunt beklagen bij den commissaris van politie, dat wordt mij verteld voortdurend door mijn ring.
Ik had diep-in zoo'n innigen schik, dat je broer aan den toon van je schrijven je ‘verloofdheid’ had kunnen merken.
O, Jeanne, ik voel net voor je als een naïef en onbevangen kind! Ik voel me inwendig geïdentificeerd met het jongetje, dat ik was van 6-10 jaar, en zoo gaat het in mij door met alle verdere leeftijden van mij. En met al die leeftijden, die ik in mij voel herleven, heb ik jou lief!
Met een hartelijken zoen van liefde en toewijding,
jouw eigen Willem
Daar komt je briefje, met Hein's ingesloten. Je komt dus. Hoera!
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, je brief, die vanmorgen kwam, heeft me zoo zaligdiep verrukt, zoo innig, innig gelukkig gemaakt. Want Lief, ik had er aldoor over gedacht, omdat die brief het antwoord op den mijne moest zijn, waarin ik weer een beetje ‘over de schreef’ ging. En daarom lag ik vanmorgen vroeg te luisteren, of er ook een brief
| |
| |
op mijn kamertje zou worden gebracht. Om half acht belde de post; ik hoorde werkelijk de meid naar mijn kamertje gaan, en toen ben ik stilletjes naar beneden geslopen, om mijn brief te genieten. O, Willem, Willem, wat ben ik toch vreeselijk, vreeselijk blij, dat je me zóó geschreven hebt! Want o, ik ben altijd in zoo'n erge spanning, als ik soms in een brief weer eens ‘zoo iets’ heb gezegd, - wie weet, Willem, of dàt niet al het bewijs is van mijn ongelijk, dat ik onbewust voel?
O, Liefste wat ik schreef van dat handen-geven (ik schreef: drukken we elkaar weer de hand) dat was natuurlijk omdat we elkaar waarschijnlijk in 't geheel niet onder vier oogen zullen zien, maar als dat wèl zoo is, wat ik haast niet denk, dat gebeuren zal, dan zal ik je zelf een zoen geven, Willem, ikzèlf, - onthoud 't maar, dat ik 't gezegd heb.
O, Willem, ik kan je niet zeggen, met wat een lust en pleizier ik aan Walden bezig ben, en hoeveel goed me dat werken doet. Ze zullen wèl verbaasd zijn mijn naam met dat boek verbonden te zien. Want die socialistisch-economische theorieën zijn absoluut niet de mijne, - wie weet, of ze dat nu niet gaan denken! Maar, enfin, als het doel maar bereikt wordt, hè, Lief!
O, je hebt in dezen laatste van je zoo iets goddelijks geschreven, het állerheerlijkste, geloof ik, dat je nog ooit tegen me gezegd hebt, Lief!... ‘ik voel me inwendig geïdentificeerd met het jongetje, dat ik was van 6-10 jaar, en zoo gaat het in mij door met alle verdere leeftijden van mij. En met al die leeftijden, die ik in mij voel herleven, heb ik jou lief!’... O, Willem, begrijp je niet, dat dit zeggen van jou me zoo gelukkig maakt, me zoo wonder-gelukkig maken moet? - O, ja, ja, Lief, ik geloof het, ik weet het, ik voel het, dat jij me gelukkig maken zal. Het is een bewuste overtuiging in me, dat jij den wil en de kracht daartoe bezit, en bovendien de macht om alles in me, wat mij gelukkig te zijn belet, te verdrijven voor goed.
O, Lief, met zulk een opperst-zalig vertrouwen geef ik mij aan je leiding over. Want door jou, Lief, die de uitsluitend-eenige is, die me geestelijk-intiem mag naderen, door jou wil ik worden verbeterd en genezen, waardoor ons beider geluk bevorderd wordt.
O, ik kan je niet zeggen, hoe ik altijd aan je denk, hoe ik altijd in alles de gedachte aan jou moet mengen. Mijn geest is als 't ware met de essentie van jouw geest gedrenkt, zoodat alles wat ik doe
| |
| |
of denk, zelfs de allerkleinste kleinigheid, van jou is vervuld. O, Lief, lieve Lief, ik houd toch zoo innig, zoo innig veel van je!
Voor mijn hééle leven
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
O, Lief, het verrukkelijke bericht, dat je nu werkelijk komt! Nu ik weet, dat mijn brieven je pleizier doen, en dat je ze dikwijls leest, nu schrijf ik maar aldoor, nu moet ik schrijven, en zal ik schrijven, want ik wil en zal je pleizier doen zonder ophouden.
En ik roep je toe uit mijn kamer, door de lucht heen tot waar je zit, dat ik je liefheb, je liefheb, jou, jou, omdat jij, jij bent, en daarom alleen! Zet toch elken twijfel uit je hersens, Jeanne, - je kùnt het doen, omdat ik je zweer, dat ik jou liefheb, uitsluitend om jezelf, je heerlijke Zelf, je goddelijk innerlijk en je verrukkelijk uiterlijk, om alles en alles tot in eeuwigheid.
O, Jeanne, ik beloof je, we zullen later leven als in 't paradijs! Je zult krachtig worden en prachtig en machtig, - ik zie beter in jezelf, dan jij in jezelf kan zien!
Hoor eens, lieve Jeanne, jij had een soort muur opgetrokken tusschen jou en de menschen, en hetzelfde had ik voor mijzelf gedaan. Nu zullen en kunnen wij die muren laten staan, alleen den muur, die òns zou kunnen scheiden, sla ik stuk, omdat jij dat óok goed vindt, en zoo kunnen wij bij elkander komen en één worden voor altoos. Eén wand van de cel, waarin ik zat, heb ik weggebroken, en daardoor heen vlieg ik op naar jou, en blijf liggen op den vloer met mijn hoofd op je lieve voeten, die ik met teedere verrukking kus. Want ik wil je laten voelen, dat ik je absolute eigendom ben.
Ik heb nog nooit aan een andre behoord, maar van jou zal ik wezen, maar voor jou zal ik wezen jouw ander ik, zooals jij zijn wilt mijn ander ik. O, ik zal binnen onze ondoordringbare omheining je ziel en je lichaam doen opgaan in verrukking, je heele Zijn ontspannen in wijd geluk, totdat je uitroept, weg-zinkend in diepe zaligheid: O, Willem, ik wil niet meer zeggen: Ik! maar Jij! waarop ik je dan naar waarheid zal antwoorden: ‘Jeanne, lieve Jeanne, dat
| |
| |
heb ik al lang gezegd, want ook ik wil geen ander wezen dan jij!’
Voel je nu, dat ik je liefheb, Liefste! Voel je nu, dat ik je waarachtiglijk en eeniglijk, zonder grens en zonder ophouden, zonder vermindering liefhebben zal?
Verster is even bij mij geweest, en heeft wat gezellig zitten te praten. 't Is nu middernacht, maar ik wil toch nog wat doorschrijven. Jij ligt nu zeker al lang in de rust. Mijn raamdeuren staan open, en in de verte hoor ik nog wagens, goederenwagens, denk ik, over de spoorbaan gaan. Ik vind het zoo'n heerlijkheid, dat wij later altijd dezelfde dingen zullen zien en hooren, door dezelfde dingen zullen geëmotionneerd worden, hetzelfde gevoel en dezelfde gedachten, dezelfde wenschen en dezelfde hoop, hetzelfde leven zullen hebben. De liefde neemt niets weg, maar voegt altijd toe, en als zij iets krijgt, geeft zij 't dubbel terug. O, 't geluk zal voor ons komen, Jeanne, geloof dat toch! Ik voel het al zoo heerlijk in mij ontkiemen, en als ik nu terug-denk aan die vroegere tijden, toen ik zoo droef-eenzaam zat en zelfs niet vermoeden kon, dat jij bestond!
Ik wou, dat ik je al jaren vroeger had gekend, want dan zou ik je bewaard hebben voor veel verdriet. O, we zullen later lachen en van alles pleizier hebben, en buiten al het daagsche en praktische om, bouwen een stuk leven voor ons beiden, waarin wij rondzwieren als in een paradijs. Geloof toch, Jeanne, dat ik je nooit flauw of vervelend vind. Je vraagt het, en daarom kom ik er toe, erover te spreken. Alles interesseert mij, wat je zegt, en je droefheid. Lief, die mij natuurlijk óók droevig maakt, die zal langzamerhand geheel verdwijnen, terug-gaand in 't onbewuste gedeelte van je geest en vervangen worden door stil-jubelend geluk.
Het is nu kwart voor éénen, en ik ga naar bed. Goeden nacht, Lief, slaap maar rustig door. Van uit de verte kus ik je op je lieve haren, zonder dat je wakker wordt, want ik doe het, o, zoo zacht...
Met innige liefde
jouw eigen Willem
| |
| |
| |
Bussum, Parkzicht
Ja, liefste Snoes, Engel, Schat, ik heb met Juffr. Linn afgesproken, dat ze voortaan 's morgens-alleen naar hartelust zal musiceeren. Dan kan ik tenminste 's middags en 's avonds werken. 's Ochtends zoek ik dan maar mijn toevlucht bij Herman. Zoodra hij mij ziet, begint hij zijn blikken smachtend te slaan naar de hangende lampen boven 't biljart, want door mijn tegenwoordigheid wordt de gedachte aan jou bij hem verlevendigd, en hij doet dan net als een eenvoudige herdersknaap, die, terwijl hij zijn kudden (in dit geval de klanten bij Koderitsch) weidde, een wondermooie prinses heeft zien passeeren in een landauer door de negen Muzen getrokken.
Ik ben erg blij, dat je mij al die uren hebt opgegeven; ik zal nu dikwijls beter kunnen zorgen, dat je een brief krijgt op een bepaald uur, en buitendien vind ik het prettig voor mezelf, dat ik van tijd tot tijd kan denken: nu op 't oogenblik zit Jeanne mijn brief waarschijnlijk te lezen.
Vanavond zal ik je opgeven, hoe 't met de treinen zal gaan. En wat het cadeautje betreft: wil jij soms wat uitzoeken? Dan rekenen we later wel af. Maar ik weet heelemaal niet, wat ze hebben willen; zal ik Hein eens schrijven daarover? Want als we iets geven, waar ze niets aan hebben, of wat ze op die manier dubbel krijgen, dan zijn we er nog even ver mee.
Ik ben net zoo ‘flauw’, waar 't jouw brieven betreft, hoor, Lief. Ik houd me alleen altijd in, omdat de menschen, waar ik tusschen zit, me anders uitlachen. Je zal wel, zooals je 't noemt, heelemaal ‘geëquilibreerd’ worden, als wij in den Haag geregeld elkander spreken. Want je bent, permitteer, net als ik. Je houdt van de eenzaamheid, omdat je met het gros der menschen geen harmonie kunt vinden. Maar op den duur bezwaart die eenzaamheid je wel wat. Nu, zoo is 't met mij precies ook. En als wij maar eenmaal samen zijn, dan beloof ik je, zal alles goed gaan en zal je kalm en blij-sterk het omringende leven in de oogen gaan zien. Nu, Lief, nu moet ik naar huis, om koffie te drinken.
Met een teederen kus van overgave
jouw eigen Willem
Ik schrijf hier na de koffie op mijn kamer nog even bij, dat ik
| |
| |
je liefheb, en dat ik onuitsprekelijk naar je verlang. Houd dat bewustzijn vast in je, Jeanne, en zie, of dat je geen kracht geven kan.
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, lieve Lief, wat maak je me toch voortdurend inniggelukkig en blij met je brieven. O, werkelijk te mogen gelooven, dat je van me houdt om mezelf, alleen om mijzelf, - en dat dit altijd zoo blijven zal, altijd, altijd, - o, dat zalig besef doet me inwendig trillen van diepe vreugd, dat ontroert me tot in mijn diepste Ziel met een aanvoeling van het zuiverst, het hoogst geluk. Willem, o, Willem, al het verharde en verstrakte en niet-mooie, dat in me was, heb jij vermilderd en verliefelijkt en verzacht; al meer en meer zal mijn karakter zijn scherpte en hoekigheid verliezen en worden het goede, het pure, het mooie, dat het zijn moet, om zich jouw liefde waardig te gelooven. O, Lief, ik voel me, als iemand, die in verwaanden, belachelijken trots zichzelf op een voetstukje van uitstekendheid en onfeilbaarheid had gezet, en wiens door liefde verhelderde oogen hem nu plotseling doen zien, dat hij niets is, niets hééft, om zich ook maar bij mogelijkheid op te kunnen beroemen. Zoo is het, Lief, en je zal me wel niet pedant vinden, dat ik 't nu zeg: ik voelde me werkelijk verheven hoven zoowat iedereen: ik vond mezelf héél superieur. En nu, - héélemaal uit mezelf, en zonder dat jij, Lief, ook maar éénmaal tegen me hebt gezegd: Jeanne, dat is niet goed in je, tracht dat te veranderen, verbeter dat, - héélemaal uit mezelf dus, - alleen door mijn innerlijke vergelijking van mijzelf met jou, ben ik tot het ware en klare besef gekomen van wat ik ben. O, Lief, als ik jouw bestendige goedheid zie, jouw kalme kracht, jouw vaste-inzicht-in-alle-dingen, jouw zachtmoedigheid, jouw zelfbeheersching, jouw altijd-gelijk-blijven, de durend-zachte gevoeligheid van je stemmingen, - en ik zie dan, hoe ikzelf ben: zoo weifelachtig, zoo zwak en toch soms zoo heftig, zoo prikkelbaar en zonder zelfbedwang, - dan voel ik opeens een sterken, onbuigzamen wil in me, die mij, met
jouw krachtdadige hulp, zal maken tot wat ik wil zijn. O, als eenmaal mijn hinderende, elkaar verdringende, vanzelf vermeerderende, mij heftig-kwellende gedachten, die nooit rustig zijn, - die nu eens hoog stuiven als golven bij storm, of dan weer schokkend-omhoog slaan onder de drukking van plotsen wind, - genivelleerd zullen zijn tot het kalme,
| |
| |
onberoerbare oppervlak van verstandsrust, van zielevrede, - dàn zal mijn liefde volkomen zijn, - dan zal hij wezen het groote gevoelsen gedachten-geheel, dat jou, wien het gewijd is, waarachtig geluk kan geven.
Lieve, lieve, lieve Lief, ik eindig nu, want ik ben bang, dat je morgenochtend anders geen brief van me krijgt. Dag, eenige, éénige, lieve Liefste, ik zoen je met heel mijn hart, en blijf tot aan het eind der tijden
jouw eigen Jeanne
O, ja, 't is goed, dat je even aan Hein vraagt, wat ze graag willen hebben. Zeg je 't me dan gauw, als je 't weet? dan zal ik er wel verder werk van maken. Dag, Lief!
| |
[Ongedateerd]
Liefste, hoe verrukkelijk lief van je, om te maken, dat er vanmorgen weer een brief voor me was. Ik kan je niet zeggen, hoe blij en gelukkig me dat maakt voor den héélen dag! Ik krijg er opeens zoo'n lust en opgewektheid door, om heel veel te doen, en voel dan, dat alles waar ik mee begin, goed zal gaan. 't Is zoo'n prettig, intiem-heerlijk gevoel, ik kan 't niet anders beschrijven.
O, je doet alles voor me, wat ik graag heb, wat ik maar wenschen kan. Jij geeft me een zoo groot, zoo machtig geluk, als ik nooit had gedacht, dat een mensch mij kon geven; je maakt mijn leven draagbaar, zelfs licht, zoodat ik zijn zwaarte bijna niet voel, - je doet me weer belang stellen in de menschelijke dingen, die al lang geen belang meer voor me hadden, - je verheft mij boven mezelf, - je maakt mijn levensangst en mijn zwaarmoedigheid weg! Jij geeft me kracht en levenslust en moed, je maakt me tot een ander, een beter mensch dan ik was. Ik kan alles tegen je uitspreken, ik màg alles tegen je zeggen, en ik ben daartoe in staat, ik durf dat doen, omdat ik weet, dat je me begrijpt; omdat ik ondervonden heb, dat je me nooit terug-stoot, me niet afwijst, - zelfs niet als ik aankom met dingen, die je verdriet moeten geven. O, begrijp je niet, dat 't zalig voor me is, te kunnen, te mogen uiten, wat ik altijd maar in mezelf moest trachten te verklaren, - omdat zooveel onbegrepen bleef, wat ik alleen niet doorvorschen kón? Willem, weet je nu, dat je me gelukkig maakt in de goddelijke beteekenis van het woord,
| |
| |
dat vroeger maar een letter-samenstel, een klank voor me was, omdat ik te geestelijk zwak was, mezelf het te geven? O, Lief, geloof je 't nu, geloof je 't nú, eenig Lief, dat ik je liefheb, je liefhebben moet, dat al mijn gedachten, al mijn bepeinzingen, al mijn gevoelige mijmeringen zijn geworden één groot gedachten-geheel, éen eenig begrip: ‘Ik heb hem lief!’... O, Willem, Willem, en voel je nu, dat dit alles geen phrases zijn, maar werkelijke dingen, omdat diep in mij mijn liefde ze me ingeeft? Ik heb je lief! ik heb je lief! Het jubelt in me, terwijl ik dit schrijf, - ik heb je lief met alles wat in mij is, jij bent 't, dien ik noodig heb, om mijn leven te vervolmaken, jij bent 't, die mijn tekortkomingen aanvult en ze verdwijnen doet daardoor, jij, Lief, bent mijn eigen, maar grooter, maar beter, maar nobeler Ik!
O, ja, Lief, het briefje van Hein bewaar je wel voor me, hè? Ik schreef je gisteravond al over het cadeau. Als ze nu maar gauw zeggen, wat ze willen hebben, dan kan ik er voor zorgen.
Heerlijk voor je, dat verdrag van jou met juffrouw Linn, nu heb je tenminste eens bij tusschenpoozen rust!
O, Lief! Lief! als ik jou niet had, wat zou mijn leven dan onnut en leeg en waardeloos zijn, - o, maar nu jij zegt, dat ik iets kan zijn, dat ik iets ben in jouw leven, nu voel ik al mijn langzaam-aan verlamde krachten zich weer ontwikkelen en sterker en machtiger worden dan zij ooit konden zijn. En al die heerlijke, groote, omvangrijke krachten zullen werken aan jouw geluk, Liefste, aan jouw blijvend geluk!
Een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
26 Juli '99
O, Lief! ik heb een gevoel, alsof dit mijn leven niets anders is eigenlijk dan een groote fabriek. De machines werken, je hoort de raderen rollen, en de stemmen der menschen herhalen zonder ophouden hun banale of stereotype praatjes; en ik zelf sta ook aan mijn rad, en draai maar, draai maar: schrijven, corrigeeren, corri- | |
| |
geeren, schrijven en daar tusschendoor van tijd tot tijd een zakenbrief: o, die machine, die nu al twintig jaar zoo draait! Wat er komt, wisselt van tijd tot tijd wel eens, maar 't blijft toch altijd maar een machine, die niet meer geeft, dan een machine geven kan... O, God, wat licht, wat liefde, wat leven! o, laat de machine plotseling even ophouden: laat ik hooren een levende, een waarachtig levende, een menschelijke stem. O, Jeanne, en dan sla ik maar weer een van je laatste brieven op, die ik altijd bij mij heb, en plotseling kom ik in een andere sfeer. Het mechanische, dat niets doet als fabriceeren, en waar ik in mee moest gaan, omdat ik, omdat ik, ja, omdat ik moest, het mechanische verlaat me, en ik word weer een mensch, die lacht en weent en denkt en liefheeft. O, Jeanne, je geeft mij aan 't leven terug, aan het levende leven door je brieven; o, Jeanne, jij bent de quintessens van 't leven, en daarom heb ik je hartstochtelijk-diep-lief. Al het andere is dood, regelmatig, werktuigelijk, maar van-binnen dood. Jij alleen leeft, bent het eenige, het supreme, het waarachtige leven, en daarom kom ik bij je, omdat ook ik me voel leven, een brandend, een fel, een eindeloos leven. Jij staat geïsoleerd op de wereld, en ik sta geïsoleerd, alleen met ons inwendige, nog door niemand gekende leven, o, laten we ons leven dan maken, als tot één! Jeanne, Jeanne, ik heb je zoo lief!
Jeanne, je zult wel langzamerhand gaan merken, dat alle menschen me eigenlijk diep-in vreemd zijn behalve jij. Ik was er langzamerhand toe gekomen, niet expres en plotseling, maar door den loop der omstandigheden, om mij inwendig geheel af te scheiden van alle menschen, en ik was stellig besloten (ik geloof, dat ik je dit nog eens heb bekend), om als ik de middelen er toe gekregen had, mij ergens in een vreemd land te vestigen, daar eenzaam te leven, en nooit meer iets in mijn eigen land van mij te laten hooren. Mijn toekomstige verzen had ik dan vender voor mezelf bewaard, zonder ze ooit uit te geven; want och, het pleizier, dat je zelf hebt van je uitgaven is nul, en het pleizier, dat je anderen bezorgt, is, geloof ik, grootendeels imaginair en bestaat alleen in je eigen gedachte. Ik deel je dit allemaal mee, precies zooals het is, om je duidelijk te maken, wat jij voor mij bent, in de hoop, dat je daardoor een beetje geluk in je zelf mag gaan voelen en tevreden zult leeren zijn met jezelf. Want doordat jij in mijn leven gekomen bent, daardoor, en daardoor alleen, heb ik mijn daadkracht en levensenergie terug-gekregen (terwijl ik anders waarschijnlijk langzaam-aan was gekristalliseerd
| |
| |
tot een van buiten koel-rustige mummie, die van binnen vol gelatene wanhoop zat.)
Voel je nu niet, Lief, dat jij het bent, dat jouw komst noodzakelijk was in mijn leven? Wees dus rustig, wat ik je bidden mag, en vertrouw, want alles komt terecht.
Ik voel me zoo zalig-gerust als ik denk aan de toekomst. Want ik weet, Jeanne, dat wij nooit, wat men noemt ‘ruzie’ zullen krijgen. Mondeling heb ik, in mijn heele leven nog nooit een bepaalde ruzie gehad. Uitwendig-driftig ben ik bijna nooit geweest, maar den enkelen keer, dat ik het was, was mijn gebaar en mijn woord altijd zoo spontaan en heftig, dat de menschen van schrik rechtsomkeer maakten, en alles dadelijk uit was. Maar zulke drift-accessen zijn mij alleen overkomen tegenover menschen, voor wie ik diep-inwendig geenerlei sympathie gevoelde. Voel ik voor menschen groote sympathie, dan maakt hun heftigheid mij stil-droefgeestig, en antwoord ik niets dan een paar zachte woorden.
Ik begin zwaar te worden op den laten avond, begin ik te begrijpen en daarom eindig ik nu maar.
O, Jeanne, jij bent het rustpunt voor mijn gedachten, de oase voor mij in de woestijn der wereld, de blauwe hemel boven de stormige zee.
Ik heb je lief! Ik kan het niet genoeg zeggen voor mezelf, en als 't jou niet verveelt, zooals je me verzekert, dan zal je 't heel veel van mij moeten hooren: want o, Jeanne, als ik weet, dat het jou pleizier doet om het te hooren, dan zou ik het je willen toeroepen op honderd manieren, want ik heb je ontzettend lief zonder eind! Denk toch nooit, dat ik koel of suf of kalm ben, want dan ken je mij niet!
Goedennacht, Allerliefste!
Je zal lachen, als je dit leest, want dan ben je klaar wakker,
En denkt er nog niet aan,
Och, een stem uit de verte klinkt altijd veel zwakker,
En komt dikwijls na 't vliegen langs de ijzeren baan,
Op een ongelegen oogenblik in je ooren slaan!
geheel en al jouw eigen Willem
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, ik had 't den heelen dag druk gehad; ik moest een schets en een dames-rubriek schrijven, en daarna heb ik vertaald. En nu zoo juist dacht ik een prettige verpoozing te hebben aan je brief. Maar, o, ik ben opeens zoo sterk onder den indruk gekomen over wat je schrijft: ‘het leven als een fabriek’. O, toen kreeg ik opeens de duidelijke visie van mijzelf, zooals ik daar ook al zoo lang heb gestaan, automatisch, beseffeloos, dof, - en ik dacht hoe alles nu toch veranderd is: hoe de benauwenis van het leven van mij is weg-genomen, dat ik niet langer hopeloos, troosteloos, doelloos mijn leven doorgà. O, Willem, jij, jij, die dat alles in mijn lot hebt bewerkt, - o, zeg me, heb ik ook niet zoo een beetje zóó iets voor jóu kunnen doen? O, dat plotselinge visioen van jouw treurige leven, - o, Lief, dat heeft me zoo droevig bezwaard, o, zeg me toch, ik smeek je, dat ik je lot wat verlicht, dat ik niet meer zoo nutteloos in de wereld ben, als toen ik nog leefde voor mijzelf alleen. Ja, zeg me, dat je van me houdt, zeg 't me, telkens en telkens weer, zoodat het besef van je liefde nooit in me verflauwen kan, want daar leef ik van, daar leef ik voor, dat doet me ademen, bewegen en werken. Lief, Lief, o, dat mijn liefde jou een even groote steun ware, - dat ik je helpen kon, zoo krachtdadig en echt als jij mij helpt met de kracht van je geest! Misschien later, later zal dat gebeuren, Lief, als ik sterk ben geworden en machtig en groot, en jou meer nabij ben gekomen, want ik heb je lief, - ik heb je lief, ik zou jouw leven willen maken tot dezelfde heerlijkheid, waartoe jij het mijne maakt, - o, ik zou alles voor je willen doen, je alles geven, - om te weten, te weten, te weten, dat jij gelukkig was, gelukkig door mij! Straks schrijf ik weer, als de hevige impressie, die ik kreeg, door dezen brief van jou, zal zijn verkalmd, - tot zoolang, Lief, neem ik afscheid van je.
Voor àltijd jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
Het is nu half negen, lieve Lief, en ik begin nu maar weer aan je te schrijven, omdat de bezwarende indruk van je brief nu bijna over is; o, Lief, ik werd er zoo hevig door geimpressioneerd, omdat ik plotseling met een schok, 't in me voelde dringen: zóó is 't, - zóó is 't leven. En daardoor kreeg ik, een oogwenk, weer al de benauwende walging terug, die ik vroeger zoo dikwijls had: een weeë,
| |
| |
een kwellende angst voor het leven, dat ontorschbaar zwaar ons verloomend op de leden ligt. Maar nu is 't weer zoo goed als over, - alleen dat jij 't zei, die mij altijd weet steun te geven en op te beuren, dat heeft me zoo diep getroffen, Lief. Ach, ik wou, dat je hier was, dan zou ik je zeggen, heel-teeder maar vast, dat ik je liefheb, - diep en onuitsprekelijk lief, - dat ik je noodig heb om voort te kunnen leven, en dat je me gelukkig maakt, zóó heerlijk gelukkig, als ik niet dacht, dat ik ooit op aarde zou zijn. En dan zou ik je vragen, met mijn armen zacht om je hals, of dat jou óók niet een beetje stil geluk kon geven: het zeker besef, dat je mijn leven zóó mooi hebt gemaakt, het zóó vergelukkigd hebt. Ach, Lief, zeg me, vind je 't prettig, dat ik van je houd, dat ik zóó van je houd als ik doe?
Je moet nu niet denken, Liefste, dat ik triest ben of zoo, want dat is zoo niet. 't Was van jou misschien een oogenblikkelijke stemming, die nu ook plotseling op mij is overgegaan. Maar als jij me morgen weer wat luchtiger schrijft, word ik ook weer zoo.
Ik wou, dat ik geregeld aan 't vertalen kon blijven, dan zou ik er hoe langer hoe meer in komen, maar ik moet er telkens andere dingen tusschendoor doen. Allerlei brieven schrijven, en, zooals vandaag, die dingen voor De Hofstad, en dan moet ik plotseling weer een ‘allernoodzakelijkste’ visite gaan brengen aan mijn tante van Valkenburg-Baart de la Faille, die in den Haag op de Koning-innegracht is gelogeerd. Maar ik neem ieder oogenblik waar, en zoo zullen we er wel komen!
O, ja, Lief, als je hier woont, zal ik je toch eens voor de aardigheid een boek laten zien, dat ik op mijn zeventiende jaar begonnen ben, maar nooit heb afgemaakt: Het Boek van den Weemoed heet het, en het begint: ‘Maria Dolorata, dus is mijn naam, en mij gewerd, wat deze mij voorbeschikte.’ Hierdoor kan je al zoo'n beetje merken, van welk genre het is, - ach, ik moet er nu wel een beetje om lachen, maar ik heb toch eigenlijk medelijden met mezelf, omdat het zoo aandoenlijk is, dat ik, nog zóó jong, al zoo treurig dacht. Je zal zeggen: ‘dat is juist aan jonge menschen eigen, - maar ik zou ook geen medelijden met mezelf hebben, als het later was overgegaan, in plaats van veel erger geworden. Dat boek dan zou in drie onder-afdeelingen worden gesplitst: Melancholie - Waanzin - Resignatie.
En dan zal ik je ook wat van mijn toenmalige dagboeken voor- | |
| |
lezen; tot zóólang zal ik ze bewaren, maar, dan, Lief, dunkt me, moest ik ze toch maar vernietigen, al weet ik ook zeker, dat ik er later, - als ik ze tenminste lang overleef, - spijt van zal hebben. Want je herinnert je wel, Lief, dat je eens tegen me zei, toen ik je vertelde op allerlei dingen ‘ongelezen te verbranden’ te willen zetten, - ‘O, dat doen ze toch niet.’ En daar wil ik mijn intimiteiten niet aan riskeeren, Lief, - die waren voor mijzelf heel-alleen, en nu, als je wilt, ook voor jou. Ik heb mezelf weer normaal gepraat; ik ben nu veel lichter, dan toen ik begon met schrijven. Dag, allerliefste Lief! Met een zoen van teedere, toewijdende liefde,
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
Allerliefste, Eenige,
Ik heb den heelen dag zitten te werken; het is nu vijf uur en ik zal nu maar uitscheiden, en liever jou schrijven, dan komt deze vanavond om 8 uur op de post. Vanavond laat schrijf ik toch weer voor morgenochtend, dien ik dan dadelijk na 't ontbijt ga wegbrengen.
O, Lief, ik had niet gedacht, dat er zoo'n meisje als jij in Holland zou zijn. Want vele Hollandsche dames zijn een beetje slap-zielig, vind je 't ook niet, Jean? Of, wat ouder, worden ze week-hard als een rauwe boon. Maar jij, jij, lieve, heerlijke, eenige schat, jij bent een gevoelig-levend mensch, waar alles in beweegt, maar die toch, als het noodig mocht zijn, een kracht kan ontwikkelen, vast en gestadig, waar ieder Hollandsch meisje het, geloof ik, tegen afleggen zou. O, ik aanbid je, Jeanne! ik zweer je bij mijn ziel, dat ik jou aanbid! Ik wou, dat ik iets wist, wat ik voor jou doen kon, - niet om je iets terug te geven, o, blijf toch luisteren! - maar omdat mijn diepste ziel er mij toe drijft. Aan jou te denken ontroert mij, zooals mij de vlammende uchtendstond ontroert. Jeanne, je maakt mij gelukkig, zelfs nu je nog in de verte bent. O, ik beloof zoo ernstig: mijn heele leven wil ik leven voor jou! Mijn strakheid, die niet de mijne is, maar die het leven als een bescherming om mij had gelegd, langzaam aan, mijn strakheid smelt los onder den mij teeder-maar sterk-tegen-ademenden gloed van je ziel. Ik hield al van je, voordat
| |
| |
ik je gezien had, en, toen ik je zag, was dat oogenblik beslissend, maar nu, - o, het wordt hoe langer hoe heviger! - nu, schoon niemand iets aan mij kan merken, als alleen dat ik wat levendiger dan anders ben in gebaar en in oogopslag, nu, o, Jeanne, is 't me, of mijn ziel een zee is van vuur. 't Is allemaal maar beeldspraak, maar ik weet door geen beter beeld 't gevoel te benaderen, dat binnen-in mij leeft. Ik heb je lief! ik heb je lief! ik heb je lief! O, en te weten, o, dat heerlijke bewustzijn, dat je zoo gauw al weer komt! O, goddank! zal de tijd eenmaal aanbreken, dat ik nooit meer van je vandaan hoef te gaan! O, nu te voelen, dat jij ook van mij houdt, en dat ik mij op mijn gevoel kan laten gaan, dat ik het tegen je uit kan spreken, zonder dat je er om lacht! O, je bent mijn Licht, mijn Leven, mijn Alles, en zonder jou was ik niets als een werk-machine, die zijn zooveel vel copie per jaar uit zijn hersens haalt. Maar jij maakt mij weer tot een waarachtig-levend mensch.
Ik zou niet meer buiten je kunnen, nooit meer!
Ik eindig nu maar, want anders komt deze niet meer met de goede lichting weg.
Tot vanavond dus!
Teeder omhelsd door
jouw eigen Willem
| |
Bussum, Parkzicht
Ja, Lief, ik heb den heelen middag weer druk zitten te werken Aan Hein heb ik geschreven en hem gevraagd om spoedig antwoord. Ik moet je rond-uit zeggen, Jeanne, ik vind 't verrukkelijk, dat je mij zoo helpt met het vertalen van dat boek. Niet alleen om het practische van de hulp. Maar het idee alleen, het weten, dat je zoo iets doet, dat maakt mij mijn zaligheid zoo bewust, dat ik niet meer alleen sta in 't leven. En 't is ook zoo heerlijk, dat ik mijzelf niet bezwaard voel over die hulp; ik zou er uit mezelf natuurlijk nooit toe gekomen zijn, jou zoo iets te vragen; 't is heelemaal uit jezelf gekomen. Maar nu je 't doet, nu denk ik, o, ze doet 't ook eigenlijk voor ons beiden tezaam, en niet voor mij zelf alleen maar. Dus ik kan je hulp met zoo'n prettig gevoel aannemen, zonder al te egoïstisch te lijken in eigen oog.
O, ik verlang nu al weer zoo naar een brief van vanavond van
| |
| |
jou! Ik begin nu al aan den mijne, dien je dan morgenochtend ontvangt, volgens die post-uitlegging van jou. Maar, Lief, weet je wel, dat ik de brieven van jou, die 10-12 's nachts in den Haag afgestempeld zijn, 's morgens al met de eerste post ontvang? En als ik 's avonds om dien tijd een brief op de post doe, schrijf je, dat je hem pas 's middags om 1 uur ontvangt.
Ik kan je niet zeggen, hoe ik naar 3 Augustus verlang. Ik heb ook aan Hein gevraagd, hoe laat ik in Amsterdam moet wezen voor het huwelijk. Als ik dat weet, zal ik je schrijven, met welken trein jij het beste kunt gaan, zoodat ik je af kan komen halen en bijv. naar de Coorengels brengen.
Wat je zegt over jezelf in vergelijking met mij, och, Lief, trek je toch heusch niets aan. Toen ik zoo oud was als jij, was ik ook wel een beetje anders inwendig dan ik nu ben; maar ik heb, na dien tijd, zoo verschrikkelijk veel geleden, en het lijden verdiept den mensch; het ontdekt je diepste zelf aan jezelf, zoodat je dan verder alle oppervlakkige bevliegingen zóó leert te bedwingen, dat ze zelfs voor je zelf niet meer schijnen te bestaan, laat staan voor anderen.
Nu, Lief, vanavond schrijf ik weer; ik hoop dan weer wat van je gehoord te hebben met de post van 8 uur.
In gedachten gekust door
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Lieve, lieve Lief, Toe zeg me, is er iets wat je hindert? In je vorigen brief was al zoo'n zwaarmoedige toon en in je brief van vanmorgen duurt die stemming nog voort, niet zoo geprononceerd, maar toch merkbaar. Ach, liefste, als er werkelijk iets is, wat wou ik dan graag bij je zijn, om je een beetje moed in te spreken en lief tegen je te zijn, en je daardoor een beetje te troosten misschien; o, ik zou met mijn hand zoo zacht over je haren strijken, en dan zeggen: ‘Lief, denk er maar niet meer aan; ik ben hier bij je, en ik heb je lief’. O, Lief, ik zou 't zoo goddelijk-heerlijk vinden, als ik jou ook eens een beetje hulp kon geven in je verdriet, zooals jij mij dat al zoo dikwijls hebt gedaan. 't Is nu gelukkig nog maar heel kort, hè, Liefste; o, ik zou 't verrukkelijk vinden, als je me af kon komen halen, om dan samen met jou naar de C's te gaan, dan kom ik daar niet zoo vreemd aan.
| |
| |
Goed, dat je aan Hein geschreven hebt; zoodra je antwoord hebt, en ik 't weet, zal ik voor een cadeau zorgen.
Liefste, wil ik je nu eens wat zeggen? Dat ik dat doe van Walden moet je maar heel gewoon opvatten, hoor! en er je nooit bezwaard over voelen! Want weet je wel, dat ik een poosje geleden zoo smachtte naar geregeld werk, om mijn gedachten van mijzelf af te leiden, weet je nog wel? Ik wou toen Latijn gaan leeren, om een ernstige bezigheid te hebben, en toen is zoo allerheerlijkst dit in mijn hoofd gekomen. En dan nog het verrukkelijk vooruitzicht, dat, als het eind-doel bereikt is, ik mijn trooster, mijn lieve beschermer altijd bij mij zal hebben!
Werk deze warme dagen maar niet te hard, lieve Lief, dat mat zoo af in de warmte, en daardoor word je misschien ook wel een beetje gedrukt. O, ja, dank je wel voor de proef van je verzen, waar ik heel blij mee ben.
Weet je, hoe het komt, dat ik je brieven, die je ná 8 uur verzendt, pas den volgenden morgen om 1 uur ontvang? Omdat in Bussum de laatste lichting is om acht uur; in den Haag om tien uur, en dan schijnt er nog een trein naar Amsterdam te gaan. Ik vind 't zóó heerlijk, om 's morgens een brief van je te krijgen!
Weet je, wat me zoo prettig aandeed, Lief? Dat je in een van je brieven ‘Jean’ tegen me hebt gezegd, dat vind ik zoo'n vertrouwelijk-lieve verkorting van mijn naam.
O, ik hoop zoo, dat ik vandaag een brief van je krijg, die wat opgewekter is. Dag, lieve, lieve Lief! een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
O, liefste Schat, Je bent een beetje naar geworden door dat beeld van me, van die machine. Het spijt me zoo; als ik het geweten had, dan had ik het natuurlijk wel vóór me gehouden. Maar weet je, wat je maar moet denken? De machine is wel heel naar, maar de Liefde zal de stoom zijn, als we maar eenmaal bij elkander zijn, die haar drijft. Dan gaat de machine vanzelf, en we hebben onze liefde maar zoo prettig en makkelijk mogelijk in te richten, door wederzijdsch goed-zijn en aardig-wezen, dan merken wij niet eens meer, dat het een machine is.
| |
| |
Wil ik je eens met een beeld zeggen, wat je ziel is, Lief? Je ziel is een vogel, die zich heelemaal warmpjes heeft ingewerkt in een nestje van eigen maaksel, dat haar nu van alle kanten omringt. Maar, zooals in ieder nestje, zitten daar natuurlijk rietjes en halmpjes en strootjes, die, een beetje naar binnen toe, er uitsteken, en die het beestje nu prikkelen en plagen, als het zich maar even omdraait in zijn schuilplaats. O, ik wou, dat je er eens uitvloog en in de hoogte, in zonneschijn en blauwe lucht, om ver in de verte naar de toekomst te zien, die toch langzaam-aan nadert en die zoo heel anders zal wezen dan het ‘nu’. Wat dacht je dan, Lief, dat ik dat niet doe? Zonder jou was ik niets als een doodstille tobber, die wel een heeleboel dingen in de wereld nogal aardig vond, maar die toch om geen van allen in de diepte van zijn Zijn waarachtiglijk gaf. Maar nu ben jij in mijn leven gekomen voor-altijd, en nu is mijn inwendige hartstocht weer ontwaakt; ik kan weer voelen, verlangen en hopen door jou. Ik voel zonder ophouden, diep in, een algeweldig smachten naar jou; o, als je zoo schrijft, dat je je armen om me heen-slaat, dan voel ik mijn oogen fonkelen van diepe vreugd, omdat ik dan de innigheid van je vertrouwen voel, en weet, dat ik dat vertrouwen tot in de kleinste dingen waard ben, want dat ik, met mijn heele zijn, aan jou toebehoor voor eeuwig, en dat er nooit de minste gedachte in mij kan opkomen, die ook maar eenigszins met die overgave strijdt.
Ja, dat verdrag met Juffr. Linn, waar ik je over schreef! Ik dacht het ook, maar 't is nu half twee 's middags, en nu zit ze toch al weer een kwartier te tjingelen, en wie weet, hoe lang het nog doorgaat! Ik zal nu maar stil blijven wachten en dezen brief bij stukjes en beetjes verder schrijven, ik doe hem dan vanavond op de post. Werken kan ik natuurlijk toch niet, daar heb ik te veel mijn kalme denkkracht en bedaarde oplettendheid bij noodig. -
Ja, wil ik je nog eens wat zeggen? Kijk eens, je hebt een verrukkelijk, een machtiglijk-aantrekkend gezicht, en daar kan je alles mee van me gedaan krijgen, - maar als datzelfde gezicht nu aan een ander meisje behoorde, dan zou ik het wel aardig vinden, maar dan zou het mij toch eigenlijk niets kunnen schelen, en ik zou volstrekt geen verlangen hebben, om het te kussen, zooals ik nu zoo verschrikkelijk heb omdat dat gezicht van jou is. Voel je nu, begrijp je nu, Lief, hoe ik van je houd, en waarom ik ook zooveel van je gezicht houd? Ik heb je gezicht lief, maar niet omdat het een mooi meisjes- | |
| |
gezicht is, neen, alleen omdat dat mooie meisjes-gezicht van jou is.
Ja, Jeanne, vind je 't nu geen aardig idee, dat je zoo'n langen jongen hebt, en dat je hem zou mogen kriebelen en knijpen, zonder dat hij iets anders terug zou doen dan lachen, en roepen: ‘O, lieve Jeanne, ik heb je zóó lief!’ Maar als het hem eindelijk een beetje te erg werd, dan zou hij zich misschien wel eens plotseling omdraaien en zijn arm om je heenslaan, en je naar zich toe-trekken; en dan zou hij je gaan zoenen, zóó verschrikkelijk, dat je eindelijk uitriep, moe van het je verdedigen: ‘Nu, nare jongen, scheid nù maar uit, nu heb ik er heusch genoeg van, want je maakt mij zoo moe, en ik houd ook niets van zoenen, en buitendien mogen dat alleen doen mijn Ma en Jacq.’
Maar, Jeanne! o, jou een zoen te mogen geven, dat vind ik veel heerlijker, dan welk ander ding op de wereld ook, en als je later iets van me gedaan wilt krijgen, bijv. een onwilligen uitgever op zijn geestelijke teenen trappen, - ik noem maar het eerste, wat mij invalt, dan moet je mij maar opeens geweldig gaan zoenen, - dan verbeeld je je maar, dat het een literaire luitenant is, - en dan kan je mij tot alles krijgen wat je wil.
O, je oogen, als ik die vóór me haal, hoe ze me vriendelijk lachend aankijken, dan word ik als bedwelmd. Daar zijn geen andere oogen op de wereld, waar het gevoel en de gedachte zóó door elkander zitten en zoo duidelijk uit spreken allebei.
Ja, waarom zou ik er niet voor uitkomen, dat ik zoo verliefd ben op jou. Want ik zou wel eens willen zien, dat je eigen meisje je bedankte, omdat je ronduit bekende, ontzettend verliefd op haar te zijn. Zal je me hiermee nu niet gaan plagen, Lief? Toe. Want ik heb zoo'n idee, ik weet zelf niet waarom, dat je wel eens plotseling, in scherts, kon gaan schrijven, dat je er over dacht, om mij te bedanken. En al wist ik, dat het scherts was, het zou me toch een beetje bedroeven.
Nu, Liefste, het is over drieën, en de piano is sinds een kwartier opgehouden; ik denk nu wel, dat ze niet nog eens zal beginnen. Dus nu ga ik nog maar wat aan 't werk. Vanavond schrijf ik, natuurlijk, voor morgenochtend, dien je dan morgenavond krijgt.
Met een lief-teederen kus
jouw eigen Willem
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, ik heb den heelen middag zitten te vertalen tot vier uur, toen ben ik naar den postbode gaan zitten uitkijken, dien ik al heel in de verte zag, maar hij bracht niets voor mij van jou. Ja, ik hoopte zoo op een brief van jou, omdat het nu al eenige dagen na elkaar is gebeurd, dat ik er om dezen tijd een kreeg, en ook omdat je in je brief, dien je gisteren schreef, zei: ‘Vanavond schrijf ik weer’. Ach, Lief, Lief, ik weet wel, 't is heel dwaas van me, me dat zoo aan te trekken, maar je twee vorige brieven waren zoo triest, dat ik zoo bang, zoo vreeselijk bang ben, dat je ziek ben, Lief! Ach, toe, schrijf 't me toch maar, want o, Lief, als je me eens zien kon in die afschuwelijke momenten van spanning en afwachting, dan zou je zeker wel begrijpen, dat ik onzekerheid niet verdragen kan. O, ik vind ze nu al zoo ellendig, die uren van half vijf tot half acht, als er weer een post komt, dat ik haast niet weet, hoe ze door te komen. O, ik hoop 't zoo, zoo innig, zoo vurig, dat er dan een brief van je komt, want als dat niet zoo is, dan zal ik moeten gelooven, dat je ziek bent. Lief, o, God, God, hoe zal ik 't dan uithouden tot morgen, hoe zal ik me dan beheerschen, zooals ik me nu voortdurend beheersch om niet te huilen, te huilen, tot ik niet meer kan. Maar er zal een brief komen, nietwaar, Willem, o, ja, ja, er zàl een brief komen, want anders zou 't te ellendig zijn. Ach, vind me niet flauw of kinderachtig, Lief! jouw brieven zijn mijn alles, mijn alles, ik kan er niet meer buiten, ik leef er op. Ik eindig nu maar, want ik doe niets dan klagen, zonder reden misschien, o, God geve, dat het zonder reden is. Als er nu een brief van je komt om half acht, o, wat zal ik je dan juichend-blij en dankbaar schrijven, Lief, - o, ik beef van angst, dat er geen zal zijn, o, maar dat zal wel, het moet.
Dag, lieve Lief, een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
Allerliefste,
Ik zal je iets vertellen, waar je om lachen zal moeten. In sommige kringetjes schijnt beweerd te worden, dat ons engagement verbroken is. En de zegsman van dat bericht moet André Jolles zijn. Hoe vind je zoo iets?
| |
| |
Vandaag kreeg ik een briefje van Hein, waar ik nog niet veel aan had. Hij schrijft mij, dat hij mij met rijtuig van spoor zal komen halen, en dat hij mij later wel zal opgeven, wanneer, met welken trein. Ik heb hem natuurlijk terug-geschreven, - die brief is nu al weg, - dat ik jou eerst van den trein moest halen, dat hij daar wel om denken mocht, dus dat hij 't een beetje anders moest regelen. Die Hein is zoo'n magnifieke, onpraktische jongen. Onpraktisch is hij soms nog meer dan ik. En dat wil heel wat zeggen...
O, Lief! onze toekomst zal zoo heerlijk zijn! Als we maar één ding afspreken: we moeten ons nooit tegen elkaar gaan verschansen in onszelf. Onze naturen lijken meer op elkander, geloof ik, dan op die van andere menschen, en daar kan een prachtige harmonie uit komen, als wij die waarheid ons maar altijd voor oogen houden, en blijven voelen, dat er, door alle moeilijkheden heen, in ons leeft een wederzijdsche sympathie, die maar even, door een kleinigheid, in trilling behoeft gebracht te worden, om het leven weer even mooi te maken, als het vóór de moeilijkheid was. Reden tot ernstige droefheid, dat verzeker ik je, zal je van mij nooit in je leven krijgen. Een polygame natuur bijv, ben ik heelemaal niet; ik ben geen mensch, die verliefd wordt op een neus of een oogopslag of iets dergelijks; ik heb je innerlijk lief, o, mijn Liefste, mijn Schat, en ik weet heel goed, niet in een bui van voorbij-gaande opwinding, maar met in mijn onbewustheid wortelend bewustzijn, dat geen andere vrouw op de wereld zoo'n innerlijk heeft.
Nu, Lief, 't is kwart over twaalven, en ik ga nu maar naar bed. Geloof in de altijd-durende liefde van jouw eigen
Willem
O, Lief, nu is 't weer morgen. Elise Linn is nog niet begonnen, en ik neem het oogenblik nu nog even waar, om wat bij mijn brief van gisteravond te schrijven. Straks, als het orkest begint, moet ik toch de deur uit, dus werken kan ik vanmorgen niet.
Weet je, wat zoo leuk van je is? Dat je al het onaangename (zooals wat ik zei van die machine) dadelijk op je zelf betrekt. Leuk, zei ik, maar dat is een oppervlakkig woord ervoor, nu ik er dieper over denk, begrijp ik, hoe beroerd dat voor jóuzelf is. Arm Lief! maar ik weet zoo zeker, dat we later zullen lachen om al die somberheden, als wij maar bij elkander zijn. Je bent zoo'n lieve pessimist: maar dat komt later allemaal in orde, als wij maar bij elkander zijn.
| |
| |
Want ik heb er ook zoo erg aan geleden. Dat pessimisme is een gevolg van eigen innerlijke gevoeligheid, die nergens onder de menschen, wat de Duitschers noemen: Anklang vindt. Maar ik verzeker je, Lief! dien zal je bij mij wèl vinden: misschien zal ik er niet altijd onmiddellijk in kunnen komen, je niet dadelijk begrijpen, of met je mee kunnen voelen, omdat ik natuurlijk ook in mijn eigen dingen zit, maar, och! als je jezelf dan maar altijd zoo precies mogelijk uitdrukt, zonder veel lyrischen ‘Schwung’, dan zal het, heusch! wel gaan en dan kan ik je raad geven, of met je redeneeren of je afleiden en zoo al meet. Ik heb stellig tienmaal meer beroerdigheid in mijn leven gehad, dan jij bij mogelijkheid hebt kunnen hebben, dus dat zal wel Los-loopen! Dit bijv. kan ik je nú al zeggen: jij bent zeer gevoelig, maar je moet nooit gevoel van de menschen verwachten; doe je dat niet, dan zal ieder gevoel, dat je er merkt, en dat, heusch, wel eens voorkomt, je veel meer en dieper en weldadiger treffen. De menschen zijn over 't algemeen bij lange na niet zoo gevoelig als jij of ik. Waar die menschen, de gewone menschen, zich eigenlijk voortdurend mee bezig houden inwendig, is mij nog nooit recht duidelijk geworden, - ik geloof dat het hunzelf ook niet recht duidelijk is. Hun inwendig leven komt hun niet zoo klaar tot bewustzijn, als het jouwe jou of het mijne mij. Maar daarom kan je ze toch wel aardig vinden, als ze je maar niet te druk om de ooren gonzen. Een mensch als wij heeft in het leven veel te verdragen, maar, och, als hij maar het inwendige licht heeft, dan komt hij overal over heen. En dat inwendige licht heb ik nu door jou, - ik wou zoo graag, dat jij het ook een beetje door mij kon krijgen.
Maar dat zal langzamerhand hoogstwaarschijnlijk wel komen, als je maar aldoor je bewust blijft, als je maar altijd blijft weten en voelen, dat ik jou liefheb, zóó grenzenloos, zóó alles-omvattend en zóó zonder-ophouden, als jij nog in de verste verte niet vermoedt.
O, lieve Lief! kan je dat nu misschien een beetje kalmeeren? Deze moet nu weg; hij komt om elf uur op de post; dus vanavond krijg je hem om half acht.
Voor altijd met mijn heele hart
jouw eigen Willem
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste! Liefste! O, ik kan 't niet zeggen, ik kan 't niet zeggen, hoe onuitsprekelijk-blij ik ben met je brief van zooeven, en hoe diep, diep dankbaar ik je daarvoor ben. Willem, ik smeek je, vind me niet kinderachtig, dat ik je dien vorigen brief geschreven heb, - o. Lief, je ziet me niet, je ziet me nooit, en weet dus niet, hoe een diep en waarachtig verdriet ik heb, als 't is, zooals vanmiddag bijvoorbeeld. Ik was zoo bang, dat je ziek zou zijn, en dat dit de oorzaak van je somberheid was, - want, Lief, als je je alleen maar niet erg wel voelde, zou je 't me, denk ik, niet geschreven hebben, dus kon 't wel zoo erg geworden zijn, dat je niet schrijven kon. Ja, Lief, nu 't niet zoo is, vind ik mijzelf óók heel dwaas om mijn angst, en je hebt gelijk, als je je een beetje wrevelig of ongeduldig voelt over mijn opgewondenheid, - maar ach, toe, lieve Lief, ik vraag 't je zoo héél dringend en vriendelijk: toe, vergeet het maar weer, want, heusch, heusch, ik zal verstandiger worden, ik heb voor mijzelf een gelofte afgelegd, dat ik geen verdriet meer zelf zal maken, dat ik geduld zal leeren, dat ik wachten zal met huilen, totdat de smart werkelijk gekomen is. O, Willem, Willem, telkens denk ik weer, dat ik beter ben, en telkens krijg ik weer een nieuwen aanval, dien ik zelf veroorzaak nog wel. Liefste, liefste! Ach, ik heb me zelf weer zoo noodeloos zitten opwinden en nerveus gemaakt; o, ik ben woedend op mezelf, ik zou mezelf wel kunnen slaan, dat ik aldoor maar al het denkbare en ondenkbare naars samen-schraap en mijzelf dan toegooi, en zeg: ‘Dat is voor jou’. Begrijp je me, Lief? O, moet ik mijn Ik dat zóó maar laten doen? - waar is dan mijn kracht, mijn wil?
Het zal veranderen.
Willem, Liefste, iemand, tegen wien ik zoo sprak, zou minstens denken, dat ik zenuwziek was, maar jij begrijpt me wel, is 't niet? Ach, toe, Lief, ik smeek je: zeg ja!
Willem, dit is mijn laatste uiting van zelfzucht geweest, van praten over mijzelf. Ik beloof 't je, zóó ernstig en plechtig beloof ik 't je, dat je me waarachtig gelooven kan: ik zal mij leeren beheerschen, ik zal een gewoon mensch gaan worden.
Liefste, als ik je zóó vast verzeker, dat dit de laatste maal is geweest, toe, zal je je dan hiervan alsjebelieft, alsjebelieft, niets aantrekken, Lief? Ik schrijf je morgenochtend een langen, kalmen brief, - vind je 't dan goed, dat ik nu maar niet verder schrijf? Ach,
| |
| |
Lief, Lief, als ik door die dingen van me, zèlf alleen maar verdriet had, dan was dat mijn verdiende loon, maar ik ben zoo ellendig om er jou alles van te laten merken, en je dus onaangenaam te stemmen. Vergeef je me?
En wat nog 't ergste is: ik vind 't juist zoo goddelijk om 's avonds een brief van je te krijgen, omdat je dien denzelfden morgen geschreven hebt, en nu bedierf ik mijn eigen genot. O, Lief, lieve, lieve Lief, ik weet wel, dat ik dit alles tegenover jou niet ongedaan kan maken, maar, heusch, heusch, ik zal probeeren, of ik 't niet een beetje goed maken kan!
Tot morgen, Liefste, Liefste!
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
28 Juli '99
Lieve Schat,
Ik weet niet, hoe het komt, maar mijn gevoel voor jou wordt hoe langer hoe sterker. Ik had gedacht, dat het niet sterker kon worden, dat ik vreeselijk veel van je hield; je hartstochtelijk liefhad, - en toch, iederen dag voel ik, dat het sterker is geworden, dan het den vorige was. Je weet niet, wat een inwendig geluk je mij geeft, door het bewustzijn, dat jij mijn meisje bent. -
Zoover was ik, daar kwam de post van 8 uur, die tegenwoordig altijd om bij half negen komt. Zoo kreeg ik dus nu je brief in handen. En ik moet je ronduit zeggen, Jeanne! nu begrijp ik er niets meer van! Ik heb absoluut geen zwaarmoedige brieven geschreven: er is niets wat mij hindert, als dat jij niet bij mij bent. Mien heele ziel is vol liefde voor jou, voortdurend. Het eenige wat ik kan vermoeden is, dat ik door de drukte van mijn werk misschien niet zoo opgewekt ben geweest, als ik anders wel eens was. Maar een bepaalde reden, waarover ik verdrietig zou zijn, bestaat er heelemaal niet op 't oogenblik. Weet je wat, Lief! Als je 3 Aug. komt, breng dan die brieven, die volgens jou, een beetje zwaarmoedig zijn, mee. Dan kan ik begrijpen, wat je bedoelt, en dan kunnen we er over spreken. Zal je dat doen, Lief?
Tegelijk met den jouwe kreeg ik ook antwoord van Hein. Hij schrijft, dat ze zeer gaarne een ontbijt-serviesje, ook wel genaamd
| |
| |
‘tête à tête’ zouden hebben. Verder schrijft hij, dat hij jou en mij met rijtuig van het station zal laten halen. Dan rijden wij naar de familie Coorengel. Daar wil jij dan zeker wel zoo lang blijven, en dan rijd ik naar 't Stadhuis, om Hein en Dientje in te zegenen. Ik maak uit Hein zijn brief op, dat we eigenlijk zoowat den heelen dag voor ons tweeën zullen hebben, behalve even een officiëel koffiedrinken, dat natuurlijk gauw afgeloopen is. Hein schrijft ook nog, dat hij en Dien van het Stadhuis af dadelijk op reis gaan. Daar zijn ze ‘na lang delibereeren’ toe besloten, schrijft Hein. Hij vraagt, of jij om tien uur in Amsterdam kan zijn. Als jij nu 8.48 dit is: 8 minuten over negenen uit den Haag kan gaan, dan ben je met een sneltrein, die nergens ophoudt, om 9.39 dus 1 minuut voor tienen in Amsterdam. Ik ben dan al om 8.40 dus precies 9 uur in A. gekomen en kom je dan afhalen. Is dat goed, Jean? (Als je 't prettig vindt, dat ik je zoo noem, dan wil ik dat heel graag doen. Mag ik? Want in dat ‘ne’ zit voor mij iets vaag-kwijnends, wat jij heelemaal niet hebt. Dan moest je eigenlijk een lichte blondine zijn. Voel je 't?)
Neen, ik verzeker je, ik kan absoluut niet begrijpen, wat je kan bedoelen met die ‘zwaarmoedigheid’ van mijn laatste brieven, - wáár dat op slaan kan. - Ik heb wel mijn gewone zorgen en beslommeringen, maar die drukken mij toch niet neer. Ik had juist zoo gedacht, dat je door den brief, dien ik gisteravond op de post deed, erg blij zou geworden zijn. Wat staat er dan toch in 's hemelsnaam in, waaruit je afleidt, dat ik treurig ben? Schrijf het mij dan maar eens, Lief!
O, ik verlang zoo hartstochtelijk naar je, - ik heb nog nooit zoo iets gevoeld, mijn heele leven niet; je hebt werkelijk een magische macht over mij. Ik heb geen wil en geen gevoel en geen gedachte en geen wensch, die niet vervuld is van jou, waarin jij niet de allereerste plaats inneemt, - ik wil en zal en moet altijd bij je zijn, en als jij van mij weg-ging, dan zou ik het licht van de zon niet meer willen zien, dan zou ik niet meer kunnen leven.
O, als je toch eens wist, hoe er niet de kleinste, de vluchtigste gedachte door mijn hoofd gaat, die zich ook maar eenigszins van je afwendt. Wat zijn brieven toch blijkbaar een onvoldoend middel van communicatie! Vind je ook niet? Weet je wàt, Jean? Als ik in den Haag ben, en je mocht mij dan soms plotseling noodig hebben, dan stuur je maar even 'n briefje naar mij toe: dan zal ik altijd dadelijk bij je komen, om je te helpen, zoo veel je verlangt.
| |
| |
Je hoeft heusch nooit bang te zijn, dat ik daar kriegelig of ongeduldig door zal worden, want die eigenschappen heb ik heelemaal niet. Al had ik het nog zoo druk, ik zou tóch komen. En je hoeft ook nooit te denken, dat ik je ergens in af zal vallen, tenminste, als je geen dingen wou doen, die je zelf in 't ongeluk zouden storten, want dan zou je me later moeten verwijten: waarom ben jij niet verstandiger geweest? Maar voor de wereld zullen wij altijd één zijn: reken daarop. Ik zeg hier misschien banaliteiten, maar ik wou zoo graag, dat je dit wist.
Apropos van Jolles. Zooeven maakte ik een brief van Ising open (den acteur v/h Ned. Tooneel, zoon van den overleden redacteur van den Spectator). De schilder Marius Bauer, die hier woont in Bussum had het praatje over ons aan Verster verteld, er bijvoegende, dat hij het van Jolles had, die het weer van Ising had gehoord. Ik heb toen een briefje aan Ising geschreven, om hem opheldering te vragen. Ising, een zeer nobel en vertrouwbaar man, deelt mij nu mede, dat hij Jolles in geen jaren gesproken heeft, en dat hij absoluut buiten dit alles staat. Jolles heeft dus zijn bewering koud-weg verzonnen. Kan jij daar bij, bij zoo iets?
Nu, Lief, ik eindig deze. Hoe kan ik je toch duidelijk maken, dat je mij gelukkig maakt?
Morgenochtend duurt het nog maar 5 × 24 = 120 uur, en dan zie ik je, goddank!
Dag, lieve Jean, al verzet je je, ik kus je honderd malen, en blijf altijd en in alles,
jouw eigen Willem
Ja, Lief, ik kan waarachtig niet altijd zorgen, dat er om half vijf een brief is, maar half acht is toch ook goed, niet?
| |
Bussum, Koderitsch
Liefste, ik ben op straat gestuurd, omdat mijn kamer gedaan moest worden. Ik ben maar bij Koderitsch gaan zitten, en ga maar weer aan je schrijven.
Lief, ik kan het heusch niet helpen, als je niet om half vijf een brief krijgt, maar om half acht 's avonds. Zoo bijv. vanmorgen: ga nu eens na. Om negen uur werd ik geroepen. Dan moet ik
| |
| |
opstaan, wasschen, kleeden, en naar beneden gaan om te ontbijten. Daar kwamen jouw twee brieven; ik naar mijn kamer weer, die gelezen, en toen naar de post, die, zooals je weet, een kwartier loopens is. Ik kwam daar even over tienen aan. Geloof me toch, ik kan het niet helpen, als de brief pas om half acht komt. Ik ben niet ziek, ik ben niet somber, maar ik ben, zooals altijd gebeurt, op het eind van de maand, en vooral nu op het eind van den jaargang N.G. met allerlei dingen een beetje gepreoccupeerd. 't Is geen verwijt, wat ik je nu ga doen, heusch niet, Lief, maar je moet altijd een beetje bedenken, hoe 'n ander leven ik heb dan jij. Jij hebt aan niets anders te denken als aan je eigen dingen, je werk, mij, enzoovoort. Maar ik heb buiten dat mijn zaken: de N.G. met al den rompslomp daarvan, mijn financiëele aangelegenheden etc.; ik kan feitelijk geen kwartier op een dag achter mekaar aan mezelf zitten te denken; feitelijk tijd over houd ik nooit. Dan nog de brieven aan jou, - mijn eenige eigenlijke pleizier op een dag, - ik schrijf je tegenwoordig toch wel dikwijls 16 bladzijdjes op een dag. Hoe kan je je nu zoo naar maken, arme Lief? Als je nu eens 's avonds heelemaal geen brief had gekregen, en je moest zóó den nacht ingaan, dan zou ik het nog begrijpen. Over ziekte van mij hoef je je heusch nooit ongerust te maken; de laatste maal, dat ik ernstig ziek was, was in '92.
En laat ik je nu eens iets zeggen, Lief! Zulke stemmingen, die geen redelijken grond in de werkelijkheid hebben, die moet je niet voor mij verborgen houden, maar voor je zelf. Dat is eerst de echte zelfbeheersching, waardoor je gelukkig wordt. Want of jij ze nu al niet merken liet aan mij, en jij hebt ze toch achteraf, die treurigheden, om eigenlijk niets, is 't niet? daar blijven jij en ik even ver mee, als dat je ze wèl aan mij vertelt. Ik zou het tóch merken, en bovendien miste dan je donkere wolk haar gewonen, sterken en veiligen bliksemafleider, en de bliksem zou dan misschien op jezelf terug-slaan, en je veel ellendiger maken dan je al was. Als je moet klagen, klaag dan maar vrij-uit tegen mij, maar het verstandigste en gelukkig-makendste voor jezelf doe je, als je heelemaal niet klaagt, ook niet en vooral niet in jezelf. Want kijk nu eens: ik heb jou diep en echt lief, en jij voelt je ook tot mij aangetrokken, welnu, wat is er dan zekerder dan jouw en mijn, dan ónze toekomst? Wat ik zoo meteen zei van financiëele moeilijkheden, ga je daar nu toch ook weer niets over wijs maken, wat ik je bidden mag; ik had alleen
| |
| |
mijn financiëele positie aan de N.G. voor het volgend jaar wat willen omroeren, om te zien of er verbetering in kon komen, maar v. Looy heeft er nog heelemaal niet op geantwoord; dat doet me nu niet den moed verliezen, maar het preoccupeert mij toch een beetje, natuurlijk. Je moet heusch niet denken. Lief! dat ik je naar vind om je klagen, 't is alleen maar zoo ongelukkig voor jezelf. Geloof me, Lief! ik sta heelemaal open voor je, zonder de minste achtergedachte zelfs, en zóó zeg ik je: ik heb jou lief! jou geheel en jou alleen; ik ben gezond en sterk, en heelemaal niet, wat men ‘somber’ noemt, maar alleen gepreoccupeerd met dingen, die een beetje hangende zijn, en die niet zoo vlot gaan nog, als ik dat wel wenschte. Maar ik voel me toch in alle opzichten, veel flinker en rustiger dan vóór ik met jou was geëngageerd. En dat wordt veroorzaakt, alleen door 't bewustzijn, dat ik jou heb, en ik mij aan jou mag geven, wat ik dan ook heelemaal doe, zoover mijn praktische zaken het mij veroorloven. Ieder oogenblik, dat ik kan nemen, zelfs tusschen mijn bezigheden in, zit ik aan jou te schrijven of te denken, omdat mij dat prettig stemt: als ik aan jou denk, dan valt alle redeneering en bedenking en ontevredenheid en lusteloosheid en alle smart-gevoel weg. Wil ik je eens wat zeggen, Lief? Maar je moet er niet boos om worden. Ik geloof, dat ik tienmaal meer van jou houd dan jij van mij. Nu vind ik dat heel natuurlijk, want ik begrijp heel best, dat een ander mensch niet zoo heel veel bijzonders aan mij vindt. Heusch, Lief! 't is geen verwijt, in de verste verte zelfs niet, want ik ben dolblij, dat ik van jou mag houden. Maar, o, Lief, je jaagt jezelf zoo aan, en heelemaal om niets. Ik zou zoo graag zien, dat mijn liefde je een beetje geluk gaf! Dat zou ik zoo dolgraag willen! Ik wou jou zoo graag een beetje van mijn innerlijke vastheid geven, van
mijn overtuiging, van mijn zekerheid, die toch grootendeels in mij zijn wakker geroepen door jouw liefde alleen, door jouw goedheid en zachtheid en vriendelijkheid. Jij bent alles voor mij, want het bewustzijn, dat jij bestaat, en dat jij samen wilt wezen met mij, dat maakt mij tienmaal levenskrachtiger, dan ik ooit vóór dien tijd nog was. Kon ik dan maar de helft van die levenskracht op jou overbrengen! Maar dat zal dan, denk ik wel gaan, als ik in den Haag woon. Heusch, Lief, als ik in den Haag ben voor goed, dan komt alles terecht; dan vertel je mij maar altijd al je innerlijke moeilijkheden, en dan zullen we daar wel een eind aan maken, door ernst en grappige scherts, door
| |
| |
liefheid en goedheid, door geestelijke opwekking, en gezonde beweging in de buitenlucht. Je zit nu maar dag in, dag uit op je kamertje, maar o, als ik er ben, dan wordt je leven zoo heel anders, zoo veel meer vol afwisseling, door hartelijk lachen en gevoeligen ernst, dan word je zoo afgeleid, van je zelf af, en dan sta ik altijd tegenover dat Zelf van je met troost en kracht en moed en bezieling, en dan zullen we dat wel heelemaal in orde maken voor goed. Heusch, Lief, ondanks al die klaagbrieven van je, is het toch net, of ik een soort van electrischen stroom van jou uit voel overgaan op mij, die mij opwekt en moed geeft en levenslust en kracht. O, dat mijn latent vermogen óók niet zóó kan overgaan op jou! O, ik wou, dat ik mijn lippen vast en lang kon drukken op je hand, die ik omhoog in de mijne, zacht, hield, dan zou ik je, terwijl ik dat deed, diep en teeder kijken in je oogen, kalm-klaar-ontroerd en toch blij-zeker, tot die oogen hun treurende, naar-binnen-gekeerde uitdrukking verloren, en zacht naar-buiten begonnen te lachen, omdat je diep-inwendig voelde, als een altijd-durende zekerheid: ‘Willem is sterk en goed; hij hoort absoluut neelemaal van mij, van mij, mij, Jeanne. Hij zal mij altijd sterken, steunen en gelukkig maken; hij zal mij helpen in alles: zijn hoofd en zijn arm en zijn alles is van mij.’
Jeanne, hoor eens: jij bent alles voor mij, en daar buiten bestaat niets. Want jij bent de helft van mijn leven en de andere helft is mijn werk. En zelfs dáár ontbreek je niet geheel; omdat het bewustzijn, dat jij er bent, mij de kracht geeft, om alle dingen veel beter en vaster en zekerder te doen, dan ik dat vroeger, alleen-staande, vermocht; wat zal het dan wezen, als je je langzamerhand geheel uit jezelf weet te ontwarren, en naast mij komt te staan, wel jezelf blijvend, maar voelend, dat je één bent met mij, omdat je je beroerdigheden op mij hebt mogen gooien, en alleen dat van jezelf hebt overgehouden, wat jou en mij gelukkig maakt! Waarachtig, Jeanne, 't wordt mij hoe langer hoe meer bewust, dat jij en ik precies bij elkaar hooren. O, je kan niet begrijpen, hoe je mij geestelijk aantrekt; ik verraste mijzelf opeens zooeven, omdat ik een brief van je opnam, en dien vurig begon te kussen, daar waar je naam staat, niet uit een gewone, banale verliefdheid, neen, met een zielsverliefdheid, kan ik wel zeggen: jij bent honderdmaal meer voor mij dan een vrouw, die ik graag kus, omdat ze een aardig gezicht heeft of zoo; neen, je weet heel goed, je bent innerlijk een heel
| |
| |
andere vrouw dan de andere vrouwen, en dáárom, omdat je zoo bent, inwendig, dáárom heb ik je zoo diep, zoo zielslief, o, mijn Lief! je bent, ook inwendig, een vrouw, maar je bent een zeer bijzondere vrouw, niet omdat je talent hebt of zoo iets, maar omdat je een zoo eigenaardig temperament hebt, dat je juist sympathiek maakt voor mijn ziel. Ik heb in de vrouwen, die ik in mijn leven mocht ontmoeten altijd iets ‘wee's’, iets vaags, iets ‘indécis’ gevonden, waar zij zelf, geloof ik, ook niet goed wijs uit konden worden; maar jij hebt iets inwendig klaar-verstaanbaar's voor me; ik begrijp en voel ieder woord dat je zegt, al kan ik ook niet altijd 't er heelemaal mee eens zijn; maar je weet, wat je zegt, en dat weten de meeste vrouwen, geloof ik, niet altijd. Daar gaat een soort logische gang door je Zijn. 't Eerst heeft mij dat in Ede getroffen, toen je mij terug-schreef: ‘Ik zal komen’. En toch ben je heelemaal het tegenovergestelde van een mannelijke vrouw, wier heele inwendige Zijn antipathiek aandoet in de hoogste mate. Jij bent, geloof ik, in essentie een vrouw, zooals de vrouwen over een jaar of vijfhonderd misschien zullen zijn.
Nu, Lief, ik ben over dezen brief den heelen morgen en den heelen middag thuis bezig geweest; ik hoop, dat hij je een beetje pleizier zal geven. Ik sluit nu maar, 't is half vijf.
Weet, dat jou liefheeft onvoorwaardelijk
jouw eigen Willem
O, Jeanne, ik ga nog maar even door. Want morgenavond met den Zondag kan je niet je gewonen avond-brief krijgen.
Och, Lief, trek je toch niets aan over jezelf: ik weet heel goed, dat je 't niet helpen kan; je hebt mij nu in 't geheel pas 5 weken achter elkaar kunnen zien en spreken, en al de rest is correspondentie geweest. En ik zie door al je klagen wel heen; en dat maakt me weer zoo gerust, als de eerste indruk van verdriet maar eerst weer wat over is. Jij houdt van mij, en ik heb je zoo lief! nu, wat kan er dan verder gebeuren? Alles komt immers ten slotte terecht! Heusch! ik ben nog nooit boos op je geweest, daar kan ik niet toe komen, het komt eenvoudig niet in mij op! ik ben zelfs nooit geprikkeld geweest door je; alleen had ik wel eens verdriet, - maar, och, wat zou dat? Want ik voel zoo goed, dat je 't nooit doet om mij verdriet te doen en dat je 't nooit kwaad bedoelt.
| |
| |
We zullen elkaar hoe langer hoe beter leeren begrijpen, als ik maar eerst in den Haag woon en we elkander waarschijnlijk daaglijks zien. Je hoeft je heusch over mij niets aan te trekken, ik heb wel wat anders ondervonden in mijn vorige leven, van mijn vroegste kindsheid af!
Ik voel 't zoo innig-diep, dat ik je lief heb in mijn ziel; ik voel 't aan mijn oogen, terwijl ik pier eenzaam zit op mijn kamer, dat er een innerlijk licht in brandt van diep geluk, omdat ik den eersten completen, waarachtigen mensch heb ontmoet in mijn leven, en dat die mensch voor mij wil zijn, zooals ik mij heelemaal voor haar voel te wezen.
Houd moed, lieve Lief! alles, alles, alles komt terecht.
Met een teederen kus
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, je goddelijke brief van vanmorgen (Zaterdag.) O, wat ben ik nu weer heerlijk-rustig en blij, - o, ik kan je niet zeggen, hoe heel anders ik me voel dan gisteren den heelen dag. O, lieve, lieve Lief, - ik weet wel, dat ieder ander dan jij misschien zou zeggen, dat 't aanstellerij en overdreven was, maar, Lief, heusch, ik wéét, dat 't dat niet is, - ik voel mijn verdriet, al heb ik dat ook zelf gemaakt, zóó echt, zóó diep, dat ik in mijzelf geloof dat het bestaat. In mijn ziel schijnt een zucht-naar-smart te zijn, een behoefte-aanlijden, die ik op alle mogelijke wijzen zoek te bevredigen, en zoolang ik me herinneren kan, is dat altijd zoo geweest. Want ik heb nooit anders een serieuse smart gehad dan door den dood van mijn Vader, - ik was toen 14 jaar, - de dikwijls heel erge ziekten van mijn lieve Moeder en het vertrek van mijn broer naar Zuid-Afrika. En juist in wat mij het meest ter harte ging: mijn schrijven, heb ik van iedereen aanmoediging gehad en vriendelijkheid ondervonden, - en toch ben ik nooit langer dan een kort moment gelukkig geweest. Zelfs nù nog: omdat ik me nu weer een paar dagen prettig had gevoeld, ging ik me inbeelden, dat er weer iets moest zijn, en begon toen te gelooven, dat je ziek was misschien. En als ik eenmaal zoo iets heb, dan ga ik me zoo stelselmatig opwinden, tot ik eindelijk overtuigd van de waarheid van mijn inzicht ben.
| |
| |
O, Willem, alles, wat je schrijft, vind ik zoo verrukkend-heerlijk. Want het is allemaal zoo wáár, wat je zegt. Dit b.v. dat mijn ziel een vogel is, die in een nestje van eigen maaksel zit, want dát is 't nu juist. O, lieve, lieve Lief, heb je niet wel eens medelijden met je zelf, omdat je dat eigenlijk moet hebben met mij? O, lieve, arme Lief, was ik maar sterker, maar beter, dat ik zèlf voelde, iets voor je te kunnen zijn, - dan nu je 't wel zegt, maar ik 't toch grootendeels je goedheid weet te zijn. Maar alles zal later beter gaan, nietwaar, lieve Lief? als ik directer onder je invloed sta, als ik onmiddellijker je geestelijke kracht ondervind. Want weet je, wat ons contact nù is, Lief? een stroom, die voortdurend onderbroken wordt, en die daardoor natuurlijk niet zoo gunstig-genezend kan werken, als anders het geval zou zijn. Is 't niet zoo?
Wat je schrijft over André Jolles is al weer een bewijs, hoeveel wij bepraat worden. Maar, hemel, wat gaat onze intimiteit de menschen aan! waarom gunnen ze ons niet ons geluk? (Misschien was 't beter geweest, die verzen van mij (in de Juni-afl.) niet te plaatsen; je weet wel, dat ik 't eigenlijk niet wou.) Maar wie is veilig tegen Laster? Bah! laster! dat is voor mij wel het grootste kwaad op aarde!
Wat mijn vertalen betreft, ik doe op een middag niet veel meer dan een bladzij of vier, maar soms werk ik 's morgens en 's avonds ook nog een beetje. Het gaat nu hoe langer hoe beter.
O, ja, dit wou ik je ook nog zeggen, Liefste; als 't je éénige moeite of zorg geeft, om mij 3 Aug. van den trein te halen, of als 't niet overeenkomt met de schikkingen van Hein, dan moet je 't héusch niet doen; geef mij dan maar 't nummer van de Ceintuurbaan op, dan neem ik een rijtuig erheen. Dus, lieve Lief, hoe goddelijk ik 't ook zou vinden, ik zou 't toch liever niet hebben, als 't je last veroorzaakte.
O, Lief, je weet niet, of eigenlijk wèl, hoe innig-goddelijk ik 't vind, als je zóó spreekt over mijn gezicht. Want dat je ervan houdt, dat vind ik natuurlijk verrukkelijk, maar de reden waaròm maakt me zalig.
Nu leg ik mijn armen om je hals en je hoofd tegen mijn borst, en ik zoen je met zoenen van innige teederheid en van berouw, dat ik je weer een beetje verdriet heb gedaan door mijn onredelijk geklaag, en zeg dan, dat ik je liefheb en altijd zal zijn
jouw eigen Jeanne
| |
| |
(Dit heb ik Vrijdagavond nog geschreven.)
Liefste, wil ik je nu eens zeggen, hoe 't kwam, dat ik dien tweeden brief ook nog zoo opgewonden heb geschreven? De avond-post komt altijd tusschen zeven uur en half acht, en daarom ging ik om zeven uur al uitkijken, en wachtte, wachtte, wachtte, met mijn ellebogen op de vensterbank en mijn hoofd in de handen, en zóó moest ik wachten tot bij half negen; toen kwam hij pas, wat nog nóóit is gebeurd. O, hoe ik 't uitgehouden heb, dat roerloos-stille zitten en dat enerveerend gewacht, - o, ik begrijp het niet! En juist toen ik ging denken, dat ik hem niet moest hebben opgemerkt, en dat hij al voorbij was, - toen kwam hij aan. O, Lief, Lief, kan je nu begrijpen, dat ik door dat wachten inwendig zóó naar geworden was, dat ik niet dadelijk weer normaal kon denken en schrijven? O, ik zeg zoo dikwijls tegen mezelf: Ga toch iets doen, verknoei je tijd toch niet zoo, de post belt immers als hij er is, - maar ik kan niet, ik kan niet, Lief, ik ben volslagen machteloos.
Nu heb ik wel gezegd, Lief, dat ik niet meer over mezelf zou schrijven, - maar dit is als 't ware een uitlegging, een kleine zelfverdediging. Ach, kon ik me zelf nu maar eens krachtig aanvatten, en veranderen, zoodat er van mijn oude ik niets meer overbleef! Maar dat zal wel komen, Lief, langzamerhand, door jouw invloed vooral!
| |
Bussum, Parkzicht
29 Juli '99
Liefste Schat, Zooeven ontvang ik je brief van vanmorgen, en die heeft mij zoo diep getroffen, dat ik er maar dadelijk een antwoord op zal beginners, al ontvang je dat ook pas overmorgen-ochtend, Maandag. Want wat je daar zegt van dat ‘zelfmaken van verdriet,’ dat heb ik precies zoo gehad vroeger: 't was of ik een ziels-zelfbeschrijving uit mijn eigen levensboek las, toen ik dat zoo van jou op het papier van je brief zag staan. Als kind vooral had ik het vreeselijk sterk: ik bleef er altijd heel stil onder, en uitte het tegen niemand, want ik merkte al heel gauw, als ik probeeren ging het te uiten, dat het absoluut verkeerd wend begrepen. Jij bent de eerste mensch, dien ik in mijn leven ontmoet, en die het ook heeft. Met de
| |
| |
jaren ben ik het vanzelf meer meester geworden, zoodat ik het niet meer uit in bewuste gedachten. Ik voel net alleen soms achter in mijn ziel als een droefgeestig gevoel, dat geen bepaalden vorm aanneemt. Zoo zal het bij jou ook worden mettertijd, vooral als wij later veel samen zijn. Want het blijft bij jou al geen enkel gevoel: je observeert het reeds en weet het te definieeren, en dat is de eerste stap tot verbetering.
O, Lief! je bent mij zoo vreeselijk sympathiek, in een nóg dieperen zin dan je het reeds was door die openbaring van je zelf, die je mij nu in je brief hebt gedaan. Ik voel mij geestelijk zoo dicht bij je staan, als ik niet had gedacht, dat tusschen een ander en mij ooit mogelijk zou zijn. En ik voel, dat ik je beter zal kunnen maken, dat ik je tenminste op den weg zal kunnen brengen, die langzamerhand naar de beterschap leidt.
Daarom, Lief! moet je niet vragen, of ik niet medelijden heb met mijzelf, omdat ik medelijden moet hebben met jou. Want je bent mij juist zoo sympathiek geworden door die openbaring, voel je 't, voel je 't, voel je 't, Lief?
Ik zal hier nu vanavond niet verder aan schrijven; 't is tien uur, en zoo meteen komt Verster waarschijnlijk nog wat praten.
Ik heb vandaag niet veel kunnen werken; dat komt omdat ik zooveel aan jou geschreven heb; enfin, dan morgen maar des te meer.
Goeden nacht, Lief!
't Is nu Zondagmorgen. G. van Hulzen in het Weekblad keurt Lotte in Woord en Beeld erg af. Ik ben toen je stukje nog eens over gaan lezen, en ik begrijp absoluut niet, waarom hij zoo schrijft. 't Is een heel aardig dingetje, veel beter dan wat men gewoonlijk in dat soort tijdschriften leest. Als hij geschreven had: 't is niet onaardig, 't beteekent niet veel, of zoo iets, enfin! maar om te spreken van ‘moderne lawaai-saus,’ - ik heb jouw schetsje heel aandachtig nog eens overgelezen, iederen zin proevende, maar van ‘moderne lawaai-saus’ heb ik geen druppel gemerkt.
Ik zal nu op de post van half twaalf wachten, de eenige op Zondag. Inwendig heb ik een intiem pleizier op het oogenblik: want 't is over elven, en op het oogenblik zit je nu waarschijnlijk mijn langen brief van 14 zijdjes te lezen, dien ik gisteravond op de post heb gedaan.
O, Jean, je kan heelemaal niet begrijpen, hoe lief ik je heb. 't Is zelfs voor mezelf een heelemaal nieuw en ongekend, een verrukkend
| |
| |
gevoel. En nu het idee, het heerlijke idee, dat ik je Donderdag inderdaad zien zal. Je schreef er nog over, dat je desnoods wel alleen naar Coorengel zou kunnen gaan, als het noodig was. Maar dat is ook allemaal heerlijk geschikt nu, zooals je weet.
Ik moet nu koffiedrinken, maar, neen, 't is Zondag, en dan wil het wel eens één uur worden, voor de Linn's daarmee beginnen. O, dat ongereglementeerde huishouden hier! Ik ben zelf een ongeregeld mensch in het afpassen van de uren van den dag. Daarom heb ik zoo graag een eenigszins geregeld huishouden om me, waaraan ik me vast kan houden bij het indeelen van mijn eigen bezigheden. Maar als ik nu een huishouden om me heb, waar alles even ongeregeld gaat als bij mijzelf, dan hort dat natuurlijk voortdurend tegen elkander aan, waarbij ik, als los raadje in de machine van dit pension, me in alles heb te schikken naar de grillen van de Linn'sche toevalligheid.
Een huishouden, vind ik, moet een beetje als een vleiend-behagelijk maar onwrikbaar-werkend Noodlot zijn. Ik zou daar, geloof ik, wel een vers op kunnen maken. Ofschoon ik met al de drukte er niet toe komen kan, om verzen te schrijven. Ik zeg dit maar even, opdat je je er niet over verwonderen zal.
Nu moet ik aan 't werk. Maar eerst breng ik dezen naar de post. In de hoop, dat je hem morgenochtend vroeg krijgt,
met hart en ziel
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, nu ben ik den heelen dag toch zóó verrukkelijk aan het vertalen geweest, zóó ongestoord-rustig, dat ik 9½ bladzij heb gedaan. Maar morgen zal ik er niet veel aan kunnen doen (ontvangdag) en Maandag ook niet, dan moet ik denkelijk naar Veenstra, dus heb ik het maar vooruit ingehaald. O, Lief, ik kan je niet zeggen, hoe heerlijk-prettig ik 't vind, nu een vaste, geregelde bezigheid te hebben, die, wat nog pleizieriger is, in 't geheel niet doelloos is, maar heerlijke resultaten zal geven.
O, Liefste, ja, nu je me zóó verzekert, dat je niets hinderlijks had, nu moet ik haast wel denken, dat die zwaarmoedigheid over jou in mijn eigen stemming lag, en om je de waarheid te zeggen, vind ik dat natuurlijk véél prettiger. O, Lief, ik was zóó blij te hooren, dat je werkelijk niets had.
| |
| |
O, Lief, wat heb je me alles duidelijk over 3 Aug. geschreven; ja, ik zal dien trein nemen, maar wat moet jij dan lang op mij wachten, arme Lief! Ik vind 't goddelijk, dat 't zoo kan gaan, en vooral ook, dat je zegt, dat we na 't dejeuner niet lang hoeven te blijven, dus verder den middag zullen hebben voor òns.
't Is nogal een bescheiden wensch van Hein en Dientje, hè? zoo'n tête à tête, misschien iets van een gulden of vier, vijf. Ik heb iets anders bedacht: bij Pander kan je zulke keurige fauteuils krijgen en niet al te duur; vierkant van model en bekleed met een donker Turksch dessin, werkelijk heel mooi: zouden ze er zóó een niet willen hebben?
O, ja, Liefste, ik kan je niet zeggen, hoe heerlijk ik 't vind, als je ‘jean’ tegen me zegt, - dat uitgerekte Jeanne is zoo deftig, zoo officiëel, vind je niet? Jean is veel vertrouwelijker, veel eigener. En 't is grappig, maar in de wandeling heette ik altijd bij iedereen ‘Jeantje Reyneke van Stuwe.’
O, wat zal 't heerlijk zijn, je weer zoo gauw te zien en te spreken, een héélen dag!
O, Lief, als ik er aan denk, hoe je later, als je hier woont in den Haag altijd bij me zal zijn, wanneer ik dat graag zal willen, - dan geeft me dat al vooruit zoo'n kracht en zoo'n geduld-om-tewachten, - o, Lief, jij zoo heel dicht in mijn nabijheid met je opbeurenden troost, je zachte goedheid, je vriendelijk woord, - dat besef-alleen zal, dunkt me, mijn melancholie doen verzwakken en eindelijk heelemaal doen verdwijnen. Je hebt door al je handelingen, door al wat je doet tegen mij, zoo'n grooten invloed op me ten goede, en hoeveel sterker zal dat nog worden door een persoonlijken omgang tusschen ons! O, ik kan er soms zóó verschrikkelijk naar verlangen dat die tijd er nú al was! O, in al die droevige dingen, die ik nú maar in mijzelf moet verwerken, kan ik jou dan raad vragen, dien je me, ik weet 't, áltijd zal geven. O, Willem, dat is zoo een vrede-brengend, rust-gevend idee; dat maakt de toekomst zoo helder voor me, zoo licht! O, je zal zeggen, dat ik nu weer alleen aan mij zelf aan 't denken ben, - maar, Lief, ik weet, dat ik, als ik maar eerst van mijn melancholie, die misschien een bizondere vorm van egoïsme is, bevrijd zal zijn, dat ik dan, o, zoo veel voor jou kan wezen, dat ik dan in staat zal zijn, alles voor je te doen, alles voor je te zijn, wat je maar verlangen kan.
Ja, Lief, ik vind het natuurlijk even verrukkelijk om een brief om
| |
| |
half acht, als om er een om half vijf te krijgen; doe dat dus precies zoo, als 't jou 't beste convenieert. Dat was alleen gisteren zoo, omdat ik me weer, zonder reden, eens iets in 't hoofd had gehaald. O, ik!
Dag, lieve, lieve Lief, tot morgen, Zondag. Ik ga nu dezen even weg-brengen met Puck; 't is zulk mooi weer, dat ik 't niet laten kan. Dag Eenig-lieve, die er bestaat!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean
| |
Bussum, Parkzicht
30 Juli '99
Liefste, vind het niet naar, dat ik op zoo'n oud blaadje schrijf, mijn papier was op, en daar het Zondagavond is, kan ik geen ander halen, en moet me hier dus mee vergenoegen.
Een goed idee van dien stoel; maar zouden we er dan niet een serviesje bij geven, want die fauteuil is toch eigenlijk maar alleen voor Hein?
Ik moet je wat vertellen: ik heb aan Verster je Lotte laten lezen en ook de kritiek van van Hulzen er op. En hij kwam uit zichzelf tot hetzelfde resultaat, als waartoe ik was gekomen. Hij zei: Geen van de fel-afkeurende expressies, die hij gebruikt, wordt gerechtvaardigd door het schetsje van je meisje, dat heel-frisch gevoeld is, en aangenaam om te lezen. Nu is Verster iemand, die volstrekt geen ja en amen zegt op alles wat ik beweer; eer doet hij het tegenovergestelde uit een grappigen geest van contradictie, dus zijn oordeel in deze is zuiver objectief. Ik voeg dit er bij, omdat je anders allicht zou kunnen denken: Nu ja, Willem oordeelt nu wel gunstig over Lotte, maar hij wordt beïnvloed door zijn gevoel voor mij. Daar hoef je heusch nooit bang voor te zijn. Als je iets hebt geschreven, Lief! en ik zeg je, dat het goed is, dan is het ook goed. Want mijn literair oordeel wordt nooit beïnfluenceerd door mijn persoonlijk sentiment.
O, Jean, nu duurt het nog maar drie dagen en een nacht, vóór ik je weer mag zien. En als je dezen ontvangt nog maar twee dagen en een nacht.
Jean, ik wou je wel eens iets eens en voor altijd zeggen. Als ik
| |
| |
dingen tegen je zeg, die je een beetje aangenaam aandoen, dan moet je nooit denken, dat
dat galanterieën of complimenten of vleierijen van mij zijn. Ik meen alle dingen heel diep en echt. Bijv. als ik zeg, dat ik zoo'n respect voor je heb. Dan zeg ik dat niet als een opgewonden banaliteit, die in een engagement zoo'n beetje te pas komt, neen, ik voel dat respect en ik kan er ook de redenen voor opgeven. Ik heb respect bijv, voor je om den veerkrachtigen moed, waarmee je van een eens ingenomen standpunt kunt terug-komen, als je ziet, dat een andere opvatting juister is. Dat is zoo prachtig-geruststellend voor me, want dit toont, dat je natuur een waarachtig-diepe is, die zich niet aan een eens-aangehangen schijn behoeft te blijven vastklampen om zich haar waarde bewust te blijven. 't Is jou om de waarlijke essentie der dingen te doen en niet om de opvatting of opwelling van een oogenblik. Je geeft niet toe uit zwakheid, uit goedige meegaandheid, neen, je houding wijzigt zich, omdat je begrijpt, dat, door die wijziging, je dichter komt bij het werkelijk-bestaande. En je kunt altijd zeker zijn, dat ik, o, mijn Lief! precies zóó zal wezen. Want ik kan mij óók wel eens vergissen, nietwaar?
Nu moet je mij eens wat zeggen, Lief! Vind je zulk praten van mij nu een beetje zwaar? Ik spreek niet dikwijls zóó, dat weet je nu óók wel, maar ik kom er van tijd tot tijd toch met jou toe, omdat ik zonder het bewust te willen, alles voor mezelf tot klaarheid te brengen tracht, wat de toekomst met jou mij geven zal. En dat ziet er allemaal, kan ik je vol vreugde zeggen, heerlijk uit, hoe dieper ik er over denk.
Ik moet dezen brief nu eindigen; 't is pas tien uur, maar mijn lamp gaat uit, en dan moet ik mij verder met een van mijn zelf-gekochte kaarsen behelpen.
O, Jean, ik vind het ook zoo heerlijk, dat ik nu naar den Haag zal gaan. O, Lief, altijd bij je te zijn, - altijd tenminste in vergelijking van nú. Zooals het nu is, met dien afstand tusschen ons, is het eigenlijk een beetje een onnatuurlijke toestand, vind je óók niet?
Maar ik zie je nu toch Donderdag, en dan kom je weer gauw met je Ma en Jacq in Bussum, een poosje daarna. Maak als je kan, meteen, dat je Donderdag kunt vertellen, wanneer je zoowat komt. En zal ik dan niet eerst eens een visite gaan afsteken bij Mevr. B. op Villa Luïse?
Met een teederen kus jouw eigen Willem
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, Lief! Zooeven vond ik je goddelijk-heerlijken, verrukkelijk-langen brief, en ik kan je niet zeggen, hoe zalig-blij ik daarmee ben. Ach, Lief, altijd, wanneer mijn oogenblikkelijke droefheid verdwenen is, dan denk ik: Hoe kwam ik er toe? en heb er vreeseslijken spijt van voor jou en mijzelf, - maar dan is er natuurlijk niets meer aan te doen, alleen kan ik berouw toonen en een beetje naklagen. Zeg eens, Lief, had jij ooit gedacht, dat ik zóó hopelooszwak zou zijn, als jij niet bij me bent? Maar merk je 't niet, Lief, dat ik ook altijd dadelijk door een brief van jou weer tot bedaren word gebracht, en dan nooit doorga op mijn verdriet? O, Lief, is dit dan niet 't vast en zeker bewijs, dat jouw levenskracht wèl op mij overgaat, en dat die telkens terug-keerende stemmingen van mij alleen dáárdoor nog vóórkomen, omdat jouw invloed niet gestadig, niet voortdurend op mij inwerken kan, wat wèl het geval zal zijn, als je hier woont in den Haag? O, Lief, als je me vroeger had gekend, zoo onveerkrachtig, zoo weerstandsloos, als ik toen was, dan zou je weten hoeveel inwendig sterker ik nu ben, hoeveel geestkrachtiger! Liefste, je zal zeggen, dat het haast niet erger kan geweest zijn, maar ik zeg je, het was veel erger toen; alleen was er niemand aan wien ik het uiten wou of kon; ik was als 't ware, in mijn eigen-smart verstard. Het was een levensweemoed, die zijn oorsprong vond in mijzelf, in mijn hersens, denk ik, die altijd alles beredeneerden en overdachten, en zóó diep in de dingen doordrongen, dat er niets moois meer aan bleef. Willem, Lief, jij denkt natuurlijk niet, dat ik ijdel ben, als ik je zeg, dat ik geloof, een te wijs, een te verstandig kind te zijn geweest? Ik zou kunnen denken, dat dáárdoor, zoo jong al, in me de
levensafschuw, de levenswalging is ontstaan. Ik was eigenlijk altijd te oud voor mijn jaren. Ik herinner mij op mijn veertiende of vijftiende jaar al doodsgedachten te hebben gehad, en hoe ouder ik werd, hoe heviger mijn smachten werd naar 't niet-meer-zijn. Soms, Willem, was de dag al bepaald, - en ik beken je dit, om je de waarachtige overtuiging te geven, dat jouw liefde me voor het leven behouden heeft, - en liet ik me door niet-eten een poos lang stelselmatig verzwakken, om zeker van den uitslag te kunnen zijn. Maar dan kwam er weer iets, waarop ik wachten wou: werk, dat aangenomen, of geplaatst moest zijn; mijn boek, dat ik eerst gepubliceerd wou hebben, en door dat uitstel verdween mijn moed dan weer, en zoo bleef ik leven tot nú. En nu jij, Lief, mij zegt, dat mijn bestaan waarde heeft voor jou, dat mijn leven noodig is voor het jouwe, nu
| |
| |
ik een doel zie in de toekomst, nu lijkt alles me zoo mooi toe en licht, zooals ik het vroeger nóóit heb gekend; nu vind ik mijn leven levenswaard, nu wil ik, wil ik leven, nu mijn arme, leege lot mooi is en van liefde vervuld!
O, Willem, begrijp je 't nú, o, Lief, geloof je 't nú, dat jij mijn Alles bent, en voel je nu de diepe waarheid ervan, als ik zeg, dat ik zonder jou niet leven kan? O, geloof me toch, al die droeve dingen, waar ik jou en mijzelf mee kwel, dat zijn niets dan overblijfsels van vroeger dagen, de nawerkingen van mijn eenzame ziel, - die, ik weet het, ik voel het, heelemaal zullen verdwijnen, door een directen, persoonlijken omgang met jou. En dan dit ook nog, Lief; ik heb me nog nooit, in mijn heele leven, zóó tegen iemand uitgesproken als tegen jou. En nu ik eindelijk, eindelijk tot uiting kom, ben ik zoo uitbundig, zoo overdreven, zoo alles-zeggend, zoo niets-terughoudend meer. Dat begrijp je, hè, Lief? O, ik geloof eigenlijk, dat het volkomen wáár is, wat ik soms wel eens denk: dat mijn melancholie eigenlijk egoïsme is. Maar dan natuurlijk geen bewust, geen opzettelijk egoïsme, maar eerder een aangeboren schuwheid, geslotenheid, die dikwijls den aard van zelfzucht heeft, - en die mij me altijd in mezelf deed verdiepen.
Willem, je zegt, maar dat is, geloof ik, een oogenblikkelijke stemming, te gelooven, dat jij meer houdt van mij, dan ik van jou, maar dat meen je niet werkelijk, wèl? Ik begrijp, dat je dat vroeger wel eens dacht, - maar nu nog, Lief, nú nóg? na alles wat ik heb gezegd en je verzekerd heb? Neen, Lief, je meent het niet echt, dat kan immers niet? Maar ik begrijp wel eenigszins, waaròm je 't zegt. Jij denkt, is 't niet? dat ik onmogelijk zou kunnen blijven klagen, als ik jou méér liefhad dan mezelf. Maar, Lief, als ik jou niet liefhad, zou ik in 't geheel niet klagen, - ja, dat klinkt wel wat vreemd, - maar ik bedoel, dat ik dan alles wat me benauwde en innerlijk hinderde, dof-zwijgend zou verdragen, zonder één enkel woord!
En nu heb ik wéér niets anders gedaan, dan praten over mezelf! Maar het zijn toch allemaal dingen, die ik graag wou, dat je wist, en misschien vind je 't dus ook wel goed, dat ik je zoo alles geschreven heb, niet?
O, Lief, ik kan je niet zeggen, Welk een inwendige rust me dat geeft, nu ernstig, geregeld werk te hebben. Hoe harder ik werk, hoe gezonder ik word van geest en hoe vreugdiger ik me gestemd gevoel. Ledigheid vooral is 't, die me in mezelf terug-zinken doet, en
| |
| |
die me op den duur ongeschikt zou maken voor alles. En daarom ben ik zoo blij met deze vertaling. Want ik voel me nu tóch nog niet in staat, om iets voor mezelf, iets oorspronkelijks te gaan beginnen. Willen we samen Donderdag een datum vast-stellen, waarop de vertaling àf moet zijn? Dan is ze dat ook. Wil ik je eens een bewijs van mijn wil en werkkracht geven, Lief? Aan mijn roman Hartstocht (die eigenlijk L'enfant chéri heette, maar welke titel op Veenstra's aandringen door mij in Hartstocht veranderd werd) heb ik gewerkt, onafgebroken van 3 Oct. 1898 tot 14 Januari 1899, tien uur per dag! 's Morgens van half elf tot half een; 's middags van half twee tot half zes; 's avonds van half zeven tot half elf, - dikwijls nog later, en ik kan je zeggen, Lief, dat ik me géén tijd in mijn leven daarvóór herinneren kan, dat ik me zóó prettig, zóó flink heb gevoeld. En bij deze vertaling komt nog het heerlijke vooruitzicht, dat als ze klaar is, mijn liefste wensch wordt verwezenlijkt!
O, Liefste, ik moet je toch nog even zeggen, dat ik zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk-veel van je houd, - en dat ik zoo goddelijk blij ben, je zóó gauw al weer te zien!
Een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
[Ongedateerd]
O, lieve Lief! die heerlijke brief van jou, vanmorgen. Ik ben zóó blij ermee. Want, o, begrijp je niet, Liefste, dat ik nu hoe langer hoe meer tegenover jou verliezen zal mijn aarzeling, mijn schroom, om eens iets te zeggen, die wel nooit groot is geweest, maar misschien toch nog een beetje bestond? Heb ik je 't niet al vele malen gezegd, Lief, dat jij de eenige ben, die me volkomen begrijpt, omdat je me volkomen begrijpen kàn? Juist dóór wat je zoo goddelijk hebt genoemd onze gelijksoortigheid van karakter, onze overeenkomst van temperament. Ik vind 't zóó onuitsprekelijk-heerlijk, als je wel eens zoo iets zegt. En ook dit: dat je mij niet als je mindere voelt, en dat wij elkaar geestelijk zoo nabij zijn. Al die dingen geven me zoo'n gerust, zoo'n veilig gevoel-van-vertrouwen, omdat ik weet, Lief, dat mijn leven in jouw handen wèl-bewaard zal zijn, omdat ik voel, hoe, onder jouw leiding, mijn toekomst belooft prachtig te wezen! Lief, - ik geloof, dat ik aldoor nog méér van je houden ga, of neen, dat is 't niet: ik geloof, dat mijn liefde al meer
| |
| |
en meer bewust in me wordt, dat zij volkomen al het abstracte verliest en werkelijkheid wordt, klare, onwankelbare werkelijkheid, die jou misschien wat geluk kan geven, en die mijzèlve zalig maakt! O, lieve, lieve Lief!
Even iets over practische dingen. Ja, Lief, ik vind het heel goed, om er zoo'n tête-à-tête bij te geven, want ik zou wel denken, dat Dientje daar nu zoo'n beetje op gerekend heeft. Dat ga ik dus vanmiddag koopen, en dan zal ik maar tegelijk zoo'n stoel bestellen, - die is toch in elk geval welkom, en er is geen tijd meer, om eerst Hein nog daarover te raadplegen. Ach, dat van Hulzen me zoo doorhaalt, daar trek ik me niet veel van aan: hij schijnt 't niet erg op me begrepen te hebben; mijn werk is voor hem ‘het toppunt van litteraire flirt’ en het ‘rammelt barbaarsch’. Wat deze novelle betreft, - héél veel bizonders is ze niet; je herinnert je zeker nog wel, hoe ik je dat in Bussum ook heb gezegd, omdat ik haar zoo gauw en vluchtig geschreven heb, toen ik een verzoek om een schets van den heer van Nouhuys kreeg.
Arme Lief, ja, ongeregeldheid in huiselijke dingen is iets ellendigs. Ik kan me zoo begrijpen, hoe 't je hindert, hoe je 't haat, - juist omdat je in een pension orde en regel eischen màg, nog veel meer dan in een andere omgeving, omdat je verwachten màg, dat dáár alles op militaire manier toe zal gaan. Maar 't is er nu gauw mee uit, lieve Lief! En dan ga je maar niet meer en pension, maar alleen op kamers, dan ben je veel vrijer in alles.
Nu, tot vanavond, Allerliefste. Ik moet nu vanmiddag naar Veenstra, en dan boodschappen doen, dus kan ik niet anders dan na het eten weer schrijven.
Een hartelijken kus, Lief, van
jouw eigen Jean
| |
Bussum, Villa Parkzicht
Allerliefste, Eenige,
Ik heb me zoo dikwijls bezwaard gevoeld, dat ik je die vertaling liet doen, en nu schrijf je me in je brief, dien ik zoo even open, dat werken juist goed en gezond voor je is, - en waarachtig, Jeanne,
| |
| |
nu voel ik me opeens verplaatst in den tijd van de allereerste Christenen, die ook wel eens zoo jegens elkander gedaan en gesproken zullen hebben. Ik kan dan ook niet anders antwoorden dan met een innig-dankbaren blik. Je bent waarachtig een engel, met het verrukkelijk uiterlijk van een gevoelig, een zeer gevoelig en toch van tijd tot tijd kalm-cordaat mensch. O, Lief, je weet het al lang, maar ik kan het toch niet genoeg zeggen, voor mezelf niet, want het dringt aldoor weer vanzelf van mijn hart naar mijn lippen: Ik heb je lief! ik heb je lief! ik heb je lief! met alles en om alles. Jij bent mijn heelal!
Deze gaat nu gauw op de post, dan krijg je hem vanavond nog.
Met een teederen kus van toewijding
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
Nog maar drie dagen, Lief! En die zullen ook wel gauw om zijn gegaan, en dan kunnen we weer praten en elkaar weer zien. O, Lief, als je eens wist, hoe erg ik daarnaar verlang, want ik voel me zoo heel, heel anders, wanneer ik bij je ben, dan wanneer ik aan mezelf ben overgelaten. Alleen heb ik voortdurend te kampen met tijdelijke stemmingen, met plotseling opkomende, hinderende gedachten, maar jouw nabijheid belet die te ontstaan. Jouw woorden, al wat je doet, verdrijft mijn leed niet-alleen, maar doet me zelfs vergeten, dat het óóit is geweest. Wil ik je eens zeggen, Lief, hoe ik dat bedoel? Als ik zoo zit te denken, te denken, aan komen er soms dingen in me op, die me vreeselijk plagen en kwellen, die me ontzettend bedroefd maken, die mijn ziel pijn doen. Ze alleen weg-maken kan ik niet; ze blijven dus, en voegen zich weer bij andere verdrietelijkheden, totdat eindelijk, door een héél kleinigheidje misschien, de uitbarsting komt. Maar ik herinner me, - en nu moet je eens luisteren naar dit vreemde, maar heerlijke, Lief, - wel eens diezelfde gedachten gehad te hebben, als ik bij je was, maar dan stond ik er zoo koel en onbewogen tegenover, dat ik er absoluut geen verdriet, zelfs geen hinder van had. En dat niet, omdat ik ze je zei, en je ze daardoor weg-praten kon, - neen, Lief, ik zei ze je niet, en ze vervluchtigden vanzelf. En dat is heusch waar. Lief! ik heb er mezelf dikwijls over verwonderd. O, is dat nu niet het bewijs
| |
| |
van den verrukkelijk-goeden invloed, dien je nabijheid op me heeft, lieve Lief? Geloof je niet, dat 't veel, veel heerlijker voor me zou zijn, die gedachten niet te hebben? Maar ik kan 't niet helpen, werkelijk niet, gedachten ontstaan toch vanzelf, is 't niet? O, Lief, was je maar al hier, voor goed! Ik weet 't zoo vast, dat ik dan, na een tijdje, nooit meer behoefte zal hebben aan geklaag, nooit meer een innerlijke reden zal hebben tot verdriet, en dat ik dan, en daardoor, voor jou zal kunnen zijn, Lief! wat je zoo graag hebt, dat ik ben.
Ik ben op 't oogenblik heelemaal alleen thuis; dat gebeurt haast nooit; grappig, hè? Ik eindig nú maar, en ga deze weg-brengen. Ik ben den heelen dag zoo gelukkig geweest door je goddelijke brieven.
Met alles en alles, voor altijd
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, Parkzicht
Ja, liefste Lief, eenig-heerlijke en -verrukkelijke, ik weet niet, hoe het komt, - waartoe ook te definieeren, 't is zaliger om te voelen, - maar jij brengt mijn diepste ziel in verrukking, ik voel mij, alsof ik voor je neer zou kunnen vallen, wanneer je nú voor mij stond, om dan je voetje te kussen met hartstochtelijken, diepgevoelden eerbied, tot je zou zeggen met weeke stem: ‘O, Willem, sta op! want ik verlang zoo, om met mijn hoofd aan je borst te liggen, en zacht in te sluimeren daar, vergetend al mijn inwendige leed.’ O, Jean, ja, terwijl ik vóór je stond, je lieve lichaam te voelen liggen in mijn armen, en te hooren, dat je adem, je hemelsche adem, zoo rustig ging, omdat je voelde, dat je daar veilig was, wijl je in zalig vertrouwen op mijn liefde, je langzaam voelde wegdrijven in 't droomen-rijk! Wil je, Lief, dat ik je mooie droomen verhaal? Neen, geloof me, de werklijkheid, de levende werklijkheid zal veel mooier en heerlijker zijn! O, Jean, de aanraking van je hand alleen doet mij inwendig voelen een zaligheid, die ik niet met woorden zou weten te beschrijven, maar waar ik mij beter en hooger door weet. Jij bent waarachtiglijk mijn Zielsgeliefde, en buiten jou is er niemand en niets! O, je oogen te zien, terwijl zij droomrig in de verte staren, en dan je lieven mond te kussen met teedere lippen is me als een voorsmaak van 't paradijs! Jij bent de
| |
| |
goede, de lieve, de mooie, de zielsmacht, waar ik één mee wil zijn!... O, denk je wel eens, Lief, aan al de jaren, die langzaam naderen, maar zeker komen, en waar je al je smarten zult zien wegvlieden, vervlottende als nevels aan je levenskim? Je kunt zoo'n geheimen wensch niet hebben, die verborgen schuilt in 't diepste van je ziel, of ik zal je hem tot werklijkheid maken, en je zult uitroepen, terwiji je hartstochtelijk je arm om mij heen-slaat, en verrukt naar den blauwen hemel omhoog ziet: O, Willem, het leven is heerlijk! het leven is mooi! Want o, Jean, ik heb je zoo lief! We zullen elkander nu heel gauw weerzien en die gedachte emotionneert mij zoo! Wat geef ik om zorgen, wat geef ik om moeiten, als ik jouw zachte lippen maar mag kussen, en je, je hoofd verbergend in mijn armen, wijl ik den geur van je haren inadem, mij zegt, dat je van me houdt, en dat je mij nooit verlaten zult! O, Jean, liefde, dat is het inwendige voelen, dat je door kussen en omarming alleen geheel en volledig vertolken kunt.
Vind je mij te hartstochtelijk, Lief? Wees toch niet bang! Want ik zal altijd, dat zweer ik je, goed en zacht en lief voor je zijn. Mijn ziel is als een orgel, waar jij de tonen moogt uithalen, die jou het aangenaamst zijn! Jouw dorst naar geluk, want die schuilt in je binnenste, zal ik maken tot een gewetene vreugde van je heele zijn, waardoor je opjubelend met vroolijk geluid, met vaste stem er op zult laten volgen: ‘Dat heb ik en dat houd ik, en daarover zwevend als over een oneindbaar-golvende zee, zal ik werken en mijn hoogste vermogens ontplooien!’ O, Jeanne, Jean, ik heb je zoo lief! O, sla je armen maar omhoog, en roep: Ik heb dien man bedwongen, die nooit werd bedwongen, want ik ben Jeanne, en hij heeft mij lief!
Ja, Lief, in den Haag ga ik stellig niet meer in zoo'n pension wonen; er is daar altijd een eigenaardige disharmonie tusschen den uiterlijk-familiaren omgang, en de inwendige vreemdheid, die men tegen elkander voelt.
Hierbij twee verzen voor je, Lief! ik hoop, dat je er pleizier van hebt!
Altijd en onveranderlijk
jouw eigen Willem
| |
| |
| |
[Ongedateerd]
O, Lief, wat ben ik verschrikkelijk-blij met je verzen! Ach, ik wist natuurlijk wel, dat je het druk had, met allerlei aangelegenheden, maar ik vind het nu toch zoo verrukkelijk deze weer van je te hebben, en ik dank er je heel innig voor.
O, wat zal het goddelijk zijn, als je hier woont in den Haag, want brieven zijn wel heerlijk om te krijgen, en om te schrijven ook wel, - maar ze hebben toch altijd iets halfs en onvolkomens. Bijvoorbeeld: je schrijft iets in een opwelling neer, die, als de ander den brief ontvangen heeft, al weer verdwenen is, maar die dan schijnbaar nog voort-bestaat. Of je zegt eens iets, waarvan je, onmiddellijk nadat de brief weg is, spijt heb gekregen, en dat je tóch niet goed kan maken, vóórdat de ander er misschien al op geantwoord heeft. En toch, geef je niet toe aan den eersten impuls, dan worden je brieven stijf, bedacht en ongevoeld, is 't niet zoo? Ach, en dan, als je soms o, zoo graag een troostend woordje wou hooren, dan moet je wachten op een post, totdat je weeke stemming weer heelemaal is verhard. Of het ander inconvenient, dat de brieven elkander voortdurend kruisen, of dat je ergens direct antwoord op zou moeten hebben, wat natuurlijk niet kan. O, 't zal allemaal zoo anders zijn, als we eerst maar in dezelfde stad wonen, hè?
Ja, Lief, 't is frappant, dat Verster dezelfde opmerking over van Hulzen's oordeel had!
Ik heb een aardig ontbijtstelletje gekocht, het laten emballeeren en verzenden. En ook met een fauteuil ben ik goed geslaagd: de bekleeding in Smyrna-kleuren; dat past overal nogal goed bij.
Nu nog maar 2 × 24 uren, Lief! Of neen, dat is 't eigenlijk morgen pas, maar nu zie je, dat ik ook wel eens optimist kan zijn, lieve Lief!
Daar kwam je avond-brief. Zoo heerlijk vind ik dien altijd, omdat je dien denzelfden dag nog geschreven hebt. Maar, Lief, je maakt me zoo verlegen, als je zegt, dat ik goed ben, of zoo, - dat moet je heusch niet doen, Liefste; o, als ik 't niet zoo heerlijk-prettig vond, degelijk werk, werk met een dòel te hebben, wie weer, of ik dit dan wel had verzonnen! Als ik schijnbaar goed ben, Lief, dan kan je toch altijd den egoïstischen ondergrond ontdekken. Dat is misschien de eenige deugd, die ik werkelijk bezit: zelfkennis!
Maar je zal zeggen: als je je gebreken kent, en ze niet verbetert, dan is 't nog veel erger, dan als je er onbewust van ben. Dat is
| |
| |
zoo, Lief, - maar wat kwam 't er vroeger op aan, of ik me hoog hield of poogde vrij van gebreken te wezen? Wie had me noodig? Niemand vroeg me jets, eischte iets van me, - iedereen is altijd goed voor mij geweest. En dus was alles voor mijzelf: mijn denken, wenschen, hopen, - mijn daden, - alles was voor mijzelf; ik leefde voor mijzelf-alleen. Maar nu dat alles zoo goddelijk-zalig veranderd is, nu weet ik ook, dat al het strakke in mij zich zal ontspannen; dat mijn kleingeestige zorgies en bekommernisjes zich zullen verwijden tot ruimere, mooiere, zuiverder begrippen. Nu wéét ik, dat ik door jou vrij zal worden van zelf-zucht, zelf-toegenegenheid, en zelf-toegevendheid, en dan, door het prachtig geluk, dat ik in mij voel, zal ik jou óók geluk geven, Lief! Want zoolang ik dat nog niet in me heb, dat krachtig, alles-beheerschend, oppermachtig gevoel van geluk, zoolang zal ik mij niet in staat achten, jòu geluk te geven, Lief, een geluk, dat geen inbeelding meer is, geen schijn. Maar eenmaal zal ik zoover gekomen zijn, dat voel ik, dan ben ik goed genoeg, om jou gelukkig te maken. En daarom smeek ik je zoo allerinnigst, Lief: ‘Maak me beter! maak me goed!’ Jij kan 't, jij kan alles; jij kan alles in me, aan me veranderen, me van alle kwaads weerhouden èn bevrijden, want ik geloof in je macht, en geloof is al de halve genezing. En ik geloof in je, omdat ik je zoo liefheb, om alles wat je doet, wat je wilt, wat je bent, - maar ook, en in dit deel van mijn liefde is eerbied en bewondering, - omdat ik zoo volkomen-veilig kan bouwen op je eminente kracht, - omdat ik zoo zalig-rustig op je vertrouwen kan.
Ik ben heelemaal afgedwaald, Lief, merk je wel?
Met het vertalen ben ik nu zóóver, dat ik 't prettig begin te vinden, dat ik naar mijn dagelijksche taak verlang, en nu is dus alles gewonnen. Ik heb nu in 't geheel 31 bladzijden gedaan, maar ik heb er nog geen dagen achter elkaar aan kunnen werken, en ik kreeg het boek pas Vrijdag voor een week van Veenstra terug. Als ik nu in Amsterdam ben geweest, ga ik er bepaald àl mijn tijd aan besteden.
Ik kreeg vanavond ook een briefje van Hein, om te vragen of ik Donderdag kon komen met den trein van 8.12, die 9.29 in Amsterdam komt. Jij noemde me, zooals je weet, den trein van 8.48, die aankomt 9.39, maar nu moet ik den anderen wel nemen, vind je niet, en zal dat Hein ook maar schrijven. Het trouwen is wel vreeselijk vroeg: tien uur. Hein zegt, dat wij met mej. Jeanne C. en den hr. Jacques C.
| |
| |
naar het stadhuis zullen rijden. Onze eerste begroeting zal dus zijn bij totaal vreemden (voor mij althans) maar enfin, dat kan niet anders. Verder schrijft Hein ook, dat ze geen tête-à-tête bedoelden, maar een ontbijt-serviesje, en dat hid zich daarin had vergist. Ik weet het verschil daar niet goed tusschen, maar ik denk toch wel, dat het goed zal zijn, want het is heusch een snoezig serviesje.
O, Lief, wat is deze brief veel langer geworden, dan ik oorspronkelijk had gedacht, maar je zal 't wel niet naar vinden, zoo ik hoop. Dag, lieve Allerliefste!
Een teederen zoen van
jouw eigen Jean
| |
Bussum, Parkzicht
O, Lief, waarom zou ik je niet goed mogen noemen, als je het waarachtig bent, spontaan en naïef, in echte, aanbiddenswaardige onbaatzuchtigheid, die je niet eens bewust is, en die je vergoddelijkt tot een soort van ‘Uebermensch’. Zeg nu niet, Lief! dat ik hier in opgewondenheid spreek: want wat ik hier zeg, zeg ik wèl in ontroering, maar toch diep-in zalig-kalm.
Lief, en wat jij noemt je ‘zwakheid’, dat is heelemaal geen eigenlijke zwakheid; 't is alleen een opperste gevoeligheid voor indrukken. Nu is 't alleen maar de kwestie, of die indrukken, die van buiten-af in je vallen, werkelijk zuiver en onveranderd in je bewustzijn komen, zonder dat je er zelf iets bij doet, of ze wijzigt naar je stemming-van-'t-oogenblik. Je vat wel eens iets heel anders op, dan het rustig-bezien, dan het, objectief-waargenomen, zou wezen, dus dan het werkelijk is. De indrukken van buiten worden wel eens in je zelf, buiten je bewustzijn om, vervormd tot heel iets anders door je subjectieve stemming. Maar die subjectiviteit van jou, waaraan je soms lijdt, is daarom toch niet een van de onverdrijfbare essentiëele elementen van je ziel. Je ziel is zóó ontzettend gecompliceerd, en ieder ding daarin is, evenals het paarlemoer zoo verschillend, naar gelang van het licht, dat het beschijnt, dat je, door zóó over je ikheid te praten, als je wel eens doet, jezelf zeer eenzijdig voorstelt, veel banaler en nuchter-alledaagscher dan je in werkelijkheid bent. En redeneeren doe je gelukkig óók niet altijd! redeneeren is in subtiele zielskwestie's eigenlijk een dom- | |
| |
abstract en grof vermogen, dat de innerlijk-essentiëele, vlekkelooszuivere kern der waarheid maar zelden benadert. O, Lief, verstand is een heeleboel, het koele, droge, om niet te zeggen dorre verstand; en in de exacte wetenschappen, d.i. wetenschappen, die van exacte d.w.z. met je nuchterste, koudste hersenen te pakken, grondbeginselen uitgaan, is dat verstand alles, maar in het leven, het duizendvoudig-wisselende, onnaspeurbaar-subtiele, warme leven kan je met dat verstand wel héél ver komen, maar verkeerd-ver steeds. Heb je wel eens iets gelezen van de moderne sociaal-democraten in ons land? Die doen ook nooit iets anders in hun theorieën, dan koud en
abstract redeneeren, maar al hun redeneerend gedoe is niets dan een hoop dor hout, mathematisch tezaam-gebonden, waar zij het teere, maar sterke aangezicht van het bloeiende, groeiende leven te bloeden mee slaan. Daarom, Lief! wat ik je bidden mag! redeneer niet te veel, redeneer niet overal. Ik durf dat tegen je te zeggen, omdat ik weet, dat je het niet altijd doet, lang niet altijd, en dat er een levende kracht in je zit van gevoelige, spontane intuïtie, waar je dikwijls meer pleizier, maar ook meer waarachtig, werkelijk nut van zult hebben, dan van alle mogelijke abstracties en alle mogelijke logisch geredeneer.
Wat ik verder je schreef, Lief, dat ik geloofde, meer van jou te houden, dan jij van mij, - dat is waarachtig geen negatie van alles wat jij gedaan hebt en nog voor mij doet. Die uitspraak van mij baseert zich voornamelijk hierop. Ik ben waarschijnlijk veel sterkeren dieper-redeneerend pessimist dan jij nog ooit geweest bent, dan jij nog ooit hebt kunnen zijn. En ik heb alle ellenden des levens geproefd, van mijn vroegste jeugd aan, als in merg en nieren. Dit zeg ik nu niet om beklaagd te worden: kom er in godsnaam niet op terug in jouw brief, - want dat is nu, goddank, allemaal voorbij, en dat alleen door jou! En ik was nog lang niet onder den indruk ervan uit, toen jij voor de eerste maal bij mij kwam. Maar sinds jij nu werklijk bent gekomen, nu jij naast mij staat, zooals je bent, nu voel ik een zielsgloed voor jou in mij omhoog-vlammen, waar al mijn smart-van-'t-verledene in wordt verteerd. Ik leef en voel me als zweven door het inwendige gevoel, dat ik heb voor jou. Ik voel mij gelukkig tegenwoordig, - hoe groot ook mijn vroeger ongeluk was, ik voel mij gelukkig, zeg ik, en dat alleen, omdat ik jóu nu liefhebben mag! Jouw levenssmart daarentegen verdwijnt niet heelemaal door jouw liefde voor mij. Ik maak er je geen verwijt
| |
| |
van, totaal niet, begrijp dat toch goed, allergoddelijkst Lief! Het bewijst alleen, en hoe zou het ook anders kunnen, dat er aan jou meer te beminnen valt dan aan mij, veel meer, omdat jij natuurlijk ook honderdmaal lievenswaardiger bent. Ik zeg dit heusch alleen, om je de waarachtige overtuiging te geven van mijn onvergankelijke liefde voor jou!
Innig kust je met volkomen overgave
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste! je weet niet, hoe diep je mij ermee bedroeft, dat jij werkelijk schijnt te gelooven, als hield jij meer van mij dan ik van jou! Want het is niet zoo, Lief, ik wéét, dat het niet zoo is; het is maar een meening, een toevallige opvatting van je, die ik even goed van jou zou kunnen hebben, als jij hetzelfde had, wat ik heb: gebrek aan uitingskracht. Dat schijn ik erg te hebben, want, Lief, nu zeg je wéér, ondanks alles wat er op is gevolgd, hetzelfde, wat me vroeger zoo dikwijls vreeselijk heeft gegriefd. Natuurlijk, Lief, heb ik het absoluut niet als een verwijt opgevat, want als het waar was, als ik in werkelijkheid minder van je hield, dan zou ik dat toch niet kunnen helpen, Lief? liefde hangt toch niet van den wil-tot-liefhebben af? Liefde is immers een noodzaak, een onbewust moeten. Maar, ach, Lief, ik heb wel eens gelezen, dat, zoolang de wereld zal blijven bestaan, ook de klacht zal worden gehoord van vrouw tot man en van man tot vrouw: ‘Jij houdt niet zooveel van mij als ik van jou!’ En dit niet, omdat die klacht waarheid bevat, maar omdat man en vrouw elkanders liefde niet kunnen begrijpen, omdat die ook, door den aard van hun lichaams- en zielsorganisme anders is, - omdat, daar hun naturen niet homogeen zijn, hun liefde dat ook niet kan wezen. Daarom, Liefste, moest 't me eigenlijk geen verdriet doen, als je zoo iets zegt, en het blijft volhouden, - omdat ik voor mijzelf wel een andere overtuiging heb, - maar, toch, ach, Lief, ik kan 't niet helpen, toch maakt 't me bedroefd, zoo bedroefd...
Je baseert je zeggen er op, dat ik niet alle vroegere levenssmart vergetend, argeloos gelukkig ben, zooals jij. Maar, Lief, voel je dan niet het groote verschil tusschen ons? Jij, arme, arme Lief, hebt sinds je kindsheid alle denkbare en ondenkbare leed geleden, en de omstandigheden hebben dus vanzelf je zwaarmoedigheid veroor- | |
| |
zaakt. Maar ik? geboren in de gelukkigste omstandigheden, uit de liefste, best-harmonieerende ouders, altijd door teederheid en liefde omringd, waardoor is mijn melancholie ontstaan? Die is dus met me mee-geboren, die zit in mijn hersens, mijn zenuwen, mijn bloed, - die is veel erger, veel echter dan de jouwe, Lief! En juist, omdat jij het waarachtige lijden kent, en ik alleen maar verbeeldingsleed, daarom ben jij gevoeliger, vatbaarder voor het geluk, daarom heb ik, die altijd zelfzuchtig, ontevreden en meer-begeerend ben, meer, méér noodig dan jij, om dezelfde vreugde te genieten. Zoo is 't; en nu zullen we er niet verder over spreken, Lief! Want je kan niet meer van mij houden dan ik van jou. Ik houd misschien van je op een andere manier, maar minder niet, minder niet, Lief...
Liefste, ik ben zoo innig-blij met je verzen. Ze geven me zoo'n genot, en ik vind het bewijs zoo verrukkelijk, dat je aan me denkt, dat je zóó aan me denkt! De nrs. zijn 89 en 90.
O, ja: ik heb, toen ik je schreef, dat ik zoo'n ‘wijs’ kind ben geweest, heelemaal niet bedoeld te zeggen, natuurlijk niet bedoeld te zeggen, dat ik zoo knap, zoo ontwikkeld was. Ik wou er alleen maar mee zeggen, dat ik, door mijn hebbelijkheid van altijd denken en redeneeren, - o, dat redeneeren van mij! - nooit eens naïefgelukkig was, nooit eens ergens argeloos-onschuldig van genieten kon. Ja, Lief, ik voel heel goed, dat die redeneer-behoefte van mij eigenlijk een leelijk aanwensel, een onaangename gewoonte is, - maar ik kan er toch niets aan doen, Liefste, is 't wel? Is 't voor mijzèlf niet 't allernaarste, dat ik elk gevoel reflectief bekijk, dat ik alle mooie gevoelsdingen beredeneer? Maar hoe ontkom ik aan die manie? Hoe kan ik mezelf het denken beletten? Ik vind het zèlf zoo ongelukkig, omdat men er dikwijls door op verkeerde wegen komt, en, zooals je zegt, eerder van de waarheid afdwaalt, dan haar er door bereikt. En dat men zich dus wèl zelf verdriet doen en ellendig maken, maar er zich geen geluk door geven kan. Dit zal dan zeker ook een der redenen zijn geweest, veronderstel ik nu, dat ik me nooit zuiver gelukkig heb kunnen voelen. Maar ik zeg nog eens, Lief: hoe kan ik het voorkomen, hoe kan ik mezelf van redeneeren terug-houden? Toe, zeg me dat toch, Liefste, zeg me, hoe ik mijn gedachten bedwingen moet, wáárdoor ik ze bedwingen kán. Ik wou, dat ik er eens met je over praten kon, met schrijven moet je met geweld je gedachten bewust maken voor jezelf, en honderd woorden moeten worden samen-gekrompen tot tien.
| |
| |
O, ik denk er ineens aan, dat ik je overmorgen al werkelijk zal zien. Wat maakt me dat opeens vroolijk en innig-blij!
Ik eindig nu maar; vanmiddag moet ik een schets schrijven, en zal dan geen brief aan je kunnen beginnen, maar vanavond schrijf ik natuurlijk weer. Ik moet je toch nog even zeggen, hoe allergoddelijkst ik het vind, dat er tegenwoordig altijd 's morgens een brief voor me is; mijn dagen zijn nu heel anders, dan een klein poosje geleden, merk je dat wel? Dag, lieve Lief, een innigen zoen van
jouw eigen Jeanne
| |
Bussum, 1 Augustus 1899
O, Lief, ik word zoo ingenomen door het gevoel, dat ik je overmorgen werklijk zien zal, dat ik in je nabijheid mag zijn al is het dan ook in gezelschap van anderen. Ja, ik weet zeker, dat, al waren wij niet geëngageerd, al mocht ik en kon ik niets anders doen, dien heelen dag, dan even een buiging voor je maken, terwijl ik mijn hoed van het hoofd lichtte daarbij, dan zou ik tòch komen, om maar even zooveel mogelijk in de jou omringende atmosfeer te vertoeven. Want het is mij precies, of het leven, dat in je woont, en dat zich uit door woorden en daden en dingen, mij aan het leven heeft teruggegeven, waar ik, zonder het zelf geheel te weten, innerlijk eigenlijk al afscheid van had genomen. O, Lief, jij hebt wel eens gevraagd, of jij iets beteekende in mijn leven, en daar bedoelde je, geloof ik, mee, of jij, nog buiten het feit om, dat je een vrouw bent, ook nog in 't algemeen, als levend wezen, noodzakelijk bent voor mijn bestaan. Maar voel je dan niet, Lief, dat je, door te zijn zooals je bent, mij veerkracht, wilskracht, leefkracht geeft? Jij klaagt nu wel eens wat, maar je klachten zijn daarom toch geen leege woorden, zooals dat anders wel eens bij vrouwen is. Daar zit achter je klagen een diepte van gevoel en half-vermoed weten, waar ik krachtens mijn eigen temperament heel erg en innig mee sympathiseer. Ik ben zelfs een heel klein beetje blij, dát je zoo bent, want nu weet ik, waar ik de gecombineerde kracht van mijn menschelijk gevoel en verstand, in de tijden, die komen, voor gebruiken kan, namelijk om jou van de diepte, die je soms achter je duisteren ziet, omhoog te leiden naar de levende vreugd. Jij lijdt wel eens aan depressies,
| |
| |
evenals ik, maar ik weet, dat in de toekomst, maar een paar zachtdoch diep-gevoelde woorden wederzijdsch noodig zullen zijn, om zoo'n depressie terug te voeren tot het normale vlak. Ik heb vroeger, aan zulke depressies in mijzelf, alles gedaan, uit onbewusten drang, wat er bij mogelijkheid maar aan te doen viel, en daardoor voel ik den wil en de kracht, om ook op de jouwe te werken en ze door teederheid-in-liefde en klaar verstand terug te dringen in je onbewustheid, zoodat er je niets anders van overblijft, dan een beetje vage weemoed van tijd tot tijd, dien ik dan ook wel weer zal neutraliseeren.
O, Lief, je weet niet, hoeveel ik voor je voel: je bent geen vrouw met de inquiétante vaagheid van de vrouw, waar je alles en toch eigenlijk weer niets uit of kunt leiden, - jij bent een waarachtigvolledig mensch! En dat voel ik mezelf óók te zijn: daarom ook passen wij zoo goed bij elkaar!
O, Jean, als jij werklijk van mij houdt, dat maakt mij dol van vreugd. Ik word soms zoo geëmotionneerd door de gedachte aan jou, dat ik, mijn pen neerleggend, achterover in mijn stoel ga liggen, en mijn oogen sluit. Geen bepaalde gedachte gaat dan in mijn hoofd om: ik denk zelfs niet, ik wou, dat ik haar een kus kon geven! hoe heerlijk ik dat ook vind. Neen, 't is of je geestelijke Zijn door mijn kamer zweeft; ik kan het natuurlijk niet grijpen, ik zie het zelfs niet, neen, ik voel het alleen. En dat gevoel doet mij wel des te heviger verlangen, om jou werkelijk te ontmoeten, maar ik ben toch eigenlijk zoo blij, dat ik het ondervind. Er bestaat tusschen ons, geloof ik, een soort van mystiek geestelijk verband. O, en de verrukking, dat jij geen waan bent, geen verbeeldingsschijn, door mijn hersens geprojecteerd, maar een objectief-bestaand, een werkelijk-levend mensch!
Vandaag heb ik dat gevoel, dat je tegenwoordig bent in de kamer, al bijzonder sterk. O, en dan kijk ik maar weer op mijn ring, want die geeft mij zoo de gelukkige wetenschap, het vaste bewustzijn, dat Jeanne geen droom, maar een waarheid is. Ik heb ook weer een poos in dat laatste schrift van je zitten te lezen, dat doet mij ook zoo onredbaar naar je verlangen: o, Jeanne, ik heb je zoo onuitsprekelijk lief!
Ik sluit nu maar, vanavond schrijf ik weer voor morgenochtend. Ik sla mijn armen zacht om je heen, en zeg je, terwiji ik je diep in je oogen zie: Ik heb je lief, en blijf altijd
jouw eigen Willem
| |
| |
Hein schreef mij ook over die tête-à-tête. Maar we moeten 't nu maar zoo laten, want anders geeft dat veel te veel heen en weer gestuur. Hij krijgt den stoel er nu toch óók bij. Ik heb het Hein al geschreven.
Jeanne C. is een meisje van 35 jaar. Ze ziet er een heel klein beetje Oostersch uit. Jacques is circa 27 jaar en heeft een echt Oostersch gezicht. Ik zal natuurlijk aan den trein zijn (9.29 dus 11 minuten vóór tienen)
Met mijn gansche hart
jouw eigen Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, ik kan niet anders, ik moet je dadelijk even terugschrijven op dien goddelijken brief van jou, die zooeven kwam! Ik wil je ook nog even zeggen, hoe verrukt ik ben met je verzen; ik vind het zóó heerlijk, als je ze me stuurt, zóó genotvol, - zalig!
O, Willem, Lief, ik smeek je, zeg toch nooit meer, dat ik niet van je houd, o, zeg dat nooit meer, nooit meer, ik smeek het je! Want ik heb je lief, ik weet het, ik voel het, dat ik je lief heb, lief heb, - ik voel het in me als een goddelijke ontroering, die nog nooit, door niets, in me veroorzaakt werd, - ik merk het aan het hevig kloppen van mijn hart, aan het trillen van mijn handen, als ik je brieven lees. O, Lief, Lief, laat de heele wereld om me heen verdwijnen, mèt mijn werk, waarvan, waarvoor ik heb geleefd tot nú, - als ik jouw liefde maar behouden mag! O, ik heb je lief, lief, - ik wou mijn hoofd zalig aan je schouder leggen, en voelen je vaste armen om mij heen, - dan zou ik 't uitsnikken van vreugd, in het zalig, zalig besef, dat ik nu voor eeuwig beveiligd ben tegen alle leed om mij heen, tegen alle leed uit mijzelf! O, Lief, dien ik vertrouw, in wien ik geloof, dien ik aanbid om de macht, die je over mij hebt, die jij, jij-alleen hebt kunnen verkrijgen over mij: omdat jij de uitsluitend-eenige ben, dien ik liefhebben kàn, kàn, - ik vereer je, ik vergood je, ik heb je lief! Twijfel niet meer, ik smeek je, ik smeek je, twijfel niet meer, want de openbaring van mijn waarachtige liefde is tot mij gekomen, en zij zal jou ook, dat weet ik, klaar-bewust worden eenmaal. Ik heb je lief, o, ik bied geen weerstand meer aan mijn zieledrang, zooals ik, geloof ik, onwillekeurig-angstig, een poos heb gedaan; ik kan niet anders, maar ik wil ook niet anders meer,
| |
| |
dan van je houden, met álles-en-álles wat in me is, is geweest, en nog komen zal, - tot aan het eind van mijn leven!
Met teedere zoenen-van-liefde
voor áltijd jouw eigen Jean
Lief, ik vind 't toch zóó heerlijk, dat je aan den trein zal zijn. Denk er maar aan, dat ik heelemaal in 't wit ben, een wit mantelpakje met een Witten hoed met witte anjelieren. Ik zal ook niet dadelijk weg-gaan, als ik je niet direct zie, want nu iedereen mee naar het stadhuis schijnt te gaan, zou ik heusch niet goed weten, waar ik naar toe moest. Maar, Lief, zou je me niet voor alle securiteit het nr. van de Coorengels op de Ceintuurbaan opgeven? Want àls we elkaar onverhoopt eens niet zagen, dan zou 't voor mij toch maar 't beste wezen daarheen te gaan.
Nog een zoen van Jean
| |
Bussum, Parkzicht
Eenig-Lieve,
Dit is de laatste brief, dien je van mij ontvangt nog, vóórdat ik je zie. Want al schreef ik je Woensdagavond nog een brief, dan zou die je waarschijnlijk toch niet meer bereiken, omdat je al zoo vroeg met de spoor vertrekt.
Och, ja, Lief, die kwestie van dat meer of minder houden, daar zouden wij eindeloos over kunnen debatteeren, zonder dat een van beiden iets verder kwam. De liefde is een gevoel, dat in ons zelf leeft. Maar waarmede zal men dat gevoel nu meten? Aan de dingen, waardoor het zich uit? Dat zou een zeer onvolledige en onbetrouwbare maatstaf zijn. Want die uitingen hangen niet alleen van hun eerste oorzaak, de liefde, af, - maar ook van allerlei bijomstandigheden, die met die liefde in geen enkel verband staan, en soms zelfs, zooals men 't noemt, zeer prozaïsch zijn. Elk van ons kan dus zijn gevoel van liefde alleen in hemzelf op zichzelf beschouwen. Maar nu weet ik zeer bewust, dat mijn liefde voor jou zóó sterk is, dat zij de macht zou hebben, om mij, tegen mijn eigen overtuiging, die anders altijd als een rots omhoog staat, in te doen handelen, als ik wist, dat dit jou gelukkig deed zijn. Natuurlijk, ik moest zeker weten,
| |
| |
dat het je werkelijk gelukkig maakte, en dat je niet een oogenblik later weer omkeerde, want anders zou mijn geestelijke zelfontkenning tegelijk een geestelijke zelfmoord zijn.
Voel je nu niet, Lief, dat ik je waarachtiglijk liefheb, en dat mijn liefde voor jou mij eigenlijk boven alles gaat? De betrekkelijkbedaarde toon, waarop ik dit zeg, kan je het bewijs zijn, dat dit geen stemming is, maar dat ik het als een vaste overtuiging diep-in meen.
Wat je verder zegt, Lief, ik geloof ook zeker, dat ik meer vatbaar, meer gevoelig ben voor geluk dan jij. Ik kan, dunkt me, meer waardeeren, dan jij dat kunt, om het contrast dat ik voel, tusschen al de ellende, die ik heb doorgemaakt en mijn onverwacht geluk met jou.
Hoe je jezelf het denken over je gevoel kunt beletten, Lief? Wel, je zult er misschien je neusje over ophalen, over wat ik nu zeggen ga, en denken: ‘hè, die Willem!’ Je kunt jezelf het denken over je gevoel beletten, door niet te willen denken, door alleen maar te willen voelen. Een mensch kan aan de richtingen, waarin hem zijn onbewuste aandrang drijft (bij jou bier het nuttelooze en jezelf kwellende denken) wel wat veranderen door den krachtig-volgehouden wil van zijn bewustzijn. Maar we zullen daar later wel eens over praten als je wil. Redeneeren over dingen van liefde, Liefste, is uit den booze; voelen alleen is goed en mooi. Ikzelf neem bijv. aan, om je in een uitvoerige, redeneerende studie haarfijn te bewijzen, dat jij heelemaal niet van mij, maar van jezelf alleen slechts houdt, zóó dat je schrikte van jezelf als je 't las. Maar zou ik daarom gelijk hebben? Neen! hoor je wel, Liefste, ik zeg van neen. Want het echte gevoel, dat ik weet, dat jij óók hebt, gaat dieper dan elke mogelijke redeneering, het staat en leeft op een heel ander vlak, het beweegt zich in een totaalverschillende sfeer, van de meestal zeer oppervlakkige sfeer van ons redeneerend vermogen. Wat ik je bidden mag, Jeanne, láát het redeneeren; waarachtig ik doe er zelf ook niet aan. Want, zooals een groot dichter, misschien Goethe gezegd heeft (ongeveer)
Gefühl ist Alles. Worte sind
Nur Wolken, umnebelnd Himmels Glut.
Nu, Liefste, ga ik naar bed. Het is middernacht. Nog maar vierendertig uur en dan adem ik, goddank! weer dezelfde lucht in, als jij, O, jij, 't grootste wonder van 't leven op aard!
Met een innig-teederen kus
jouw eigen Willem-voor-altijd
| |
| |
Ik doe hier nog even dit stukje papier in. Ik ben natuurlijk aan den trein, waar je mee komt: 9.29 = 9.49 (11 minuten vóór tienen) en zal je ook zien. Mevr. Coorengel is verhuisd en haar adres weet ik niet.
jouw Willem
| |
[Ongedateerd]
O, Liefste, ik voel me vandaag zoo verrukkelijk-blijmoedig gestemd. O, je heerlijke brief, dien ik zooeven vond, en dan de gedachte aan morgen! O, Lief, wat is het zalig, je weer te zien, met je te kunnen spreken en je stem weer te hooren! O, Lief ik verlang zoo naar je! En jij, je verlangt ook naar mij, is 't niet?
Ik moet je zooveel zeggen, zooveel vragen, zooveel dingen met je bepraten! Wil ik je eens wat zeggen, Lief? als ‘verrassing’ breng ik morgen mijn boek Hartstocht voor je mee. Om de beide gebonden deelen te kunnen bergen, heb ik expres een city-bag gekocht!!
Ik ben zoo opgewonden; ik ben nu niet in staat, mijn gedachten kalm aan te kijken, en ze te vervormen tot woorden. O, Lief, ik zal dus maar niet veel vender schrijven, want er zou, geloof ik, aldoor komen: Ik wou, dat 't al morgen was, ik verlang zoo naar je!
De pen danst een beetje in mijn hand, ik eindig nu maar, want morgen, morgen spreek ik je zelf! O, wat een goddelijke gedachte is dat!
Dag, eenige, éénige Liefste! Innig kust je jouw eigen
Ankie
(Zoo noemde ik me, toen ik drie jaar was.)
|
|