Liefdesbrieven
(1927)–Willem Kloos, Jeanne Reyneke van Stuwe–
[pagina 145]
| |
Derde periode | |
[pagina 147]
| |
Derde periode
| |
[pagina 148]
| |
gevoel-voor-mij begin. Vind dat niet flauw van me of lach er me niet om uit. Want ik ben, heusch! altijd diep-inwendig zoo'n nederige, bescheiden en eenvoudige jongen. Onthoud dit, bid ik je, want, het is waar, en ik voel zoo, dat het mij nader tot jou brengen zal, als je het werkelijk voelt en weet als een positieve waarheid. - Ik sluit nu deze, want ik moet me klaarmaken voor 't eten. Na den eten breng ik dan deze op de post. Dan krijg je hem misschien morgenochtend al. Vanavond schrijf ik weer. Maar even moet ik je toch nog zeggen, dat ik je innig dank voor je komst. Want je bent nu, nog tienmaal meer dan vroeger, voor mij geworden een levend mensch aan wie ik met diepe teederheid en volkomen overgave en hoopvol vertrouwen voortaan denken mag. Denk zoo ook een beetje aan mij, liefste Schat! Want ik zal je nooit en in niets teleurstellen, en ik zal altijd door de heele toekomst heen, door jou bevonden worden
jouw uitsluitend eigendom en je je teeder-hartstochtelijk liefhebbende Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, lief, toen ik vanmiddag je gezicht niet meer zag, en ik weg-stoomde, alleen, is er zoo'n vreemd, verlaten gevoel over me gekomen, - en o, nu ik hier weer zoo eenzaam op mijn kamertje zit, mis ik zoo heel, heel erg je lieve nabijheid van àl die dagen! En o, nu wil ik me zoo graag herinneren al je woorden van vriendelijken troost, - maar niets is nu bestendig in me, dan alleen het verdriet, dat ik niet meer bij je ben, en je stem niet meet hoor. Ik lees je verzen, en denk aan wat je me gezegd hebt, maar je bent nu zoo ver van me en ik zie je oogen niet, - je bent zoo ver... Ach, lief, wees niet boos, dat ik zoo klaag tegen je, - ik denk, dat ik morgen wel beter zal zijn, maar alles is nu nog zoo oneigen voor me, en ik ben moe. Maar juist dit, wat ik nog nooit gehad heb: het mij in mijn eigen dierbare omgeving ongewoon voelen, is het vast-overtuigend bewijs, dat jij alles voor me bent, voor altijd en altijd, en dat ik van je houd, niet oppervlakkig, maar werkelijk diep en innig en echt! O, ik heb het nog nooit zoo diep in mijn ziel gevoeld, hoe waarachtig-noodzakelijk het besef van | |
[pagina 149]
| |
jouw liefde is voor mijn leven! O, ik ben niets meer, ik kan niets zonder jou! O, waarom is die tijd zoo gauw voorbij gegaan, - die tijd, dien jij voor me gemaakt hebt tot den zaligste, lichtste en zonnigste van heel mijn leven. O, Willem, Willem, waarom kan je nu toch niet bij me zijn! O, als je hoofd lag aan mijn borst, en ik je armen voelde om me heen, dan wist ik 't zoo, dan voelde ik 't zoo heel innig, dat jij van mij was en ik van jou, - dan wou ik niets meer, niet spreken, niet denken zelfs, - niets, niets... Jij moet nu niet bedroefd zijn, lief, want al zal 't je een beetje vreemd zijn in 't eerst, omdat je aan mijn nabij-zijn gewoon was geraakt, - ik ben er toch, als dit bewustzijn misschien iets waard voor je is, en ik denk altijd-door aan je, altijd-door. Ik eindig nu, maar morgenochtend schrijf ik weer. Nu, goeden-nacht, mijn liefste, liefste, - wees niet treurig over me. De ontvangst thuis was innig hartelijk en je moet veel vriendelijke groeten hebben. Ik sla mijn armen om je heen, en zoen je, zoen je.
jouw Jeanne | |
Bussum Parkzicht
| |
[pagina 150]
| |
ik naar je verlang. O, ik wou zoo graag, dat we altijd bij elkaar waren! Ik had je zoo graag een aardigen, opwekkenden brief willen schrijven, maar ik ben nog te veel onder den indruk, dat je weg bent, en ik weet eigenlijk niets te zeggen, er wil niets uit me komen, dan dat ik je liefheb, ontzettend, onuitsprekelijk liefheb, en dat ik naar je verlang, zonder reserve naar je verlang, als de geloovige naar zijn Godheid, als de aarde in de eerste minuten van de zwakke schemering naar het rijzende zonlicht doet. Jij bent het, jij bent mijn Alles, het Licht van mijn Leven, jij bent de eenige, zonder wie ik niet kan bestaan. O, als ik er aan denk, hoe je je handen wel eens legde om mijn hoofd en dan zoo zacht dat hoofd tegen je aandrukte, terwijl je dan bang was, dat je mij pijn zou doen! Je bent zoo verschrikkelijk, goddelijk lief! Ik had je zoo graag een vers willen sturen, maar dat komt morgen hoogstwaarschijnlijk wel, ik voel het al. Nu ben ik veel te geëmotionneerd van alles-door-elkander, van het weten, dat je weg bent, o, zoo ver weg, en daar dan weer door heen het gelukkige besef, dat je iets om mij geeft, en dat ik jouw eigen Willem mag zijn. Ik voel aan mijn oogen, dat, als ik straks in mijn bedje lig, dat er dan tranen uit zullen komen, wel tranen van verdriet, maar toch tegelijkertijd tranen van geluk. Jeanne, ik smeek je, twijfel toch nooit aan me, want ik zweer je, mijn liefde-voor-jou is onvergankelijk en je kunt over mij beschikken, geheel en al. Heusch, lief, zeg, zal je nooit aan me twijfelen gaan? Ik vraag je dit, omdat je wel eens iets van twijfel tegen me geuit hebt. Doe dat toch nooit meer, dat twijfelen, ik smeek het je, want ik ben heusch een zichzelf kennend en zichzelf tot in zijn diepste diepte doorvoelend man. Als er dus reden-tot-twijfelen aan mijn constantheid was, dan zou ik die weten, want zelf het eerst in mijzelf moeten vinden, en ik zweer je, dat hoe ik mezelf ook onderzoek, hoe ik mijn heele voelen en denken naga en op de subtielste weegschaal weeg, dat ik, zeg ik, in mijzelf niets, absoluut niets kan vinden, dat je twijfel aan mijn standvastigheid ook maar in de verste verte zou rechtvaardigen. Ik heb je lief geheel-en-al, ik heb het je, geloof ik, al wel honderdmaal gezegd, maar ik voel toch telkens weer den onweerstaanbaren drang, om het je nogmaals en nogmaals te zeggen, aldoor duidelijker en vaster en verzekerder, terwijl er toch eigenlijk maar dat ééne arme woord voor bestaat, dat, helaas! zoo dikwijls door anderen | |
[pagina 151]
| |
misbruikt wordt, en waar ik alleen de beteekenis van voel. O, ik smeek je, geef toch nooit meer toe aan je martelenden twijfel, door te vragen waarom ik van je houd, door te beweren, dat je niet begrijpt, waarom ik van je houd, en jezelf dan op alle mogelijke manieren te declineeren. O, Lief, ik voel het, ik ben diep-gelukkig en sterk en hoopvol geworden door jou! Ik zie nu het leven heel anders in, dan ooit te voren, ik vind het leven nu heerlijk en hemelsch, en dat komt alleen omdat jij bestaat en niet onverschillig voor mij wilt zijn. Ik, die overal tegen kan, die me door niets liet verschrikken of overweldigen, ik voel me als een speelbal in jouw handen, en dat bewustzijn, dat ik nu toch eindelijk mijn meesteres, mijn vorstin, mijn Al gevonden heb, maakt mij wonderlijk-zalig en blij. Eén ding hindert mij maar, maar dát is dan ook verschrikkelijk, dat ik soms denken moet, dat ik jou door mijn liefde niet zoo gelukkig maak, als jij mij door jouw groote genadigheid doet. Jeanne, Lief, Bron-van-Genade, Eindelooze Schat, zeg me toch eindelijk wàt ik voor je kan doen? O, ik wou, dat je me toestond mijzelf te vernietigen, als ik maar de zekerheid kreeg, dat dat dienen zou voor jouw geluk. Ik wou heusch, dat je me pijn deed, als jij er maar bij voelde en uitriep, dat ik het hoorde: ‘Wat geeft mij dat een pleizier!’ Voel je nu, Jeanne, dat ik je aanbid? Daar slaat het één uur, ik moet naar bed.
Innig-teeder gekust door
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, vanmorgen was er al een brief van je, en o, daar ben ik zoo innig blij mee en er je zoo dankbaar voor. Want er is nog altijd zoo'n vreemd en leeg en kil gevoel over me, dat eerst langzamerhand weer weg kan gaan, als het bewustzijn, dat ik in de omgeving ben, waar ik behoor, me weer heelemaal helder geworden is. Al die vijf weken, schijnt 't me, heb ik geleefd in een mooie, zalige onwerkelijkheid, en nu ik terug ben in het ware-bestaande, moet ik weer trachten gewoon te worden aan 't geen me omgeeft, zoodat de daaglijksche dingen weer voorwerpen van interesse voor me zijn. Dat is nu nog zoo niet: ik droom nog wat voort, en laat de lieve | |
[pagina 152]
| |
herinneringen mijn verbeelding streelen. O, lief, ik dank je, ik dank je, dat je mij dien tijd zoo goddelijk-mooi hebt gemaakt, - zóó, dat ik er met een diep, verrukkend en zalig genot aan terugdenken kan, zóó, dat mijn heele verleden verlicht wordt door die zonnige dagen. O, beter en vaster en volkomener waardeer ik je nu, dan ik tot dusver kon doen, en dieper en zaliger vertrouw ik je, en inniger en heiliger heb ik je lief! O, soms als ik bij je was, en je sprak tegen me, en ik zag in je oogen je eerlijkheid en je waarachtige goedheid en je trouw, o, dan kwam er soms een onweerstaanbare drang in me op, je vast te klemmen in mijn armen, en je toe te roepen met hartstocht en innige teederheid: ‘Willem, ik heb je lief, jou alleen en voor altijd, omdat jij me leven leert, en mijn lot licht voor me maakt, omdat ik je nobel weet en goed en zacht, omdat jij houdt van mij...’ O, waarom deed ik 't niet? Wat hield me terug? 't Was niet alleen de angstige gedachte, dat jij 't misschien niet aangenaam vinden zou, want dat kan ik niet goed aannemen, lief, - maar ook en nog veel meer, de onmacht, om mijn diepste voelen uit te spreken, het te zwak zijn, om mij volkomen-klaar te kunnen uiten... Maar je weet 't toch wel, lief, nietwaar, al heb ik 't niet gezegd in duidelijke woorden, dat jij mijn alles bent, en dat mijn leven nog minder dan waardeloos zou zijn, als ik jou niet had, en dat ik de toekomst alleen verdragen kan, in 't veiligend, rustigend weten, dat jij er altijd zal zijn, en me steunen en helpen zult. Nu eindig ik, lief, straks schrijf ik weer, bedaarder en kalmer dan. O, ik streel je dierbare hoofd, ik zoen je handen, je voorhoofd, je wangen. jouw Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 153]
| |
Hierbij sluit ik een vers in, dat zoo even kwam. Zoo meteen krijg ik bezoek, dus daarom eindig ik, maar vanavond schrijf ik weer. Geheel-en-al tot in de fijnste spriet en vezel van mijn bestaan,
jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 154]
| |
bent het, je bent zoo'n goeje jongen, en ik heb je zoo lief!’ O, Jeanne, als ik denk aan de jaren die komen, als wij altijd bij elkaar zullen zijn, als ik jouw zoete, lieve jongetje zal wezen, altijd-zonder-ophouden-door! Maakt dat vooruitzicht je ook niet een beetje rustig, lief? Het leven is vaak ellendig en moeilijk en bruut, maar, o, als wij samen zijn, altijd samen, en heelemaal leven voor elkaar, dan vliegt het Leven op, boven op het hoogvlak der Volmaakte Liefde, en dan zal er geen schijn in je overblijven van een verlangen naar iets anders dan je hebt. Want je zal vergaan van geluk en diepe weelde en altijd-durende, hooge vreugd. Merk je nu, Jeanne, dat jouw komst in Bussum een hemel voor mij is geweest? Ik houd nu nog honderdmaal meer van je dan vroeger, niet in onbewuste diepte, maar omdat ik nu beter weet, hoe je bent, hoe mooi in alles en hoe overweldigend-lief. En ik dank je zeer diep, met totale en definitieve vernietiging van mijn inwenaigen trots voor jou, dat je zoo onuitsprekelijk goed voor me bent. Jeanne! mag ik nu voortaan, altijd-door-maar, jouw flinke en ferme en tegen-iedereen-sterke, maar voor jou alleen lieve en zachte en teedere en altijd-aangename jongetje zijn? Jeanne, sterke, trotsche, ontzettend-lieve, houd je een beetje van me? O, zeg het me. Lief!
Jouw eigendom Willem | |
[Ongedateerd]O, Willem, je brief, die om half vijf kwam, heeft me zoo blij en wonder-gelukkig gemaakt! Want, o, lief, je zal wel zeggen, dat ik klaag en zeur, maar ik voel me nog zoo droevig, vereenzaamd en vreemd, en daardoor mis ik je zoo! O, ik heb je, geloof ik, wel koel geschenen, vóór ik weg-ging, is 't niet, lief? behalve op 't afscheidsmoment, toen de tranen uit mijn oogen vielen, maar, o, de scheiding heeft me wel erg ontroerd, dat ik het nu, na anderhalven dag, nog zóó hevig voel. Ik kan me tot niets bepalen, want mijn gedachten zwerven aldoor naar jou en naar dien lieven tijd, dien heerlijkmooien en lichten tijd, die nu al weer zoo ver van me af schijnt te zijn. O, als ik terug-zie naar vergane jaren, die nu in mijn verleden liggen als een kleurlooze en eentonige reeks, - wat is mijn leven dan wonderbaar veranderd tot iets lichtends en moois, nu ik weet, dat het waarde heeft voor een ander, voor jou, voor jou, mijn lief! O, ik geloof je, ik vertrouw je, ik twijfel niet meer, o, Willem, | |
[pagina 155]
| |
versta je me? Ik heb je lief met een volkomen geloof en een diep, onwankelbaar vertrouwen. Ik heb je lief met een machtige, oneindige liefde, die één is met mijn leven. Ik zend je een paar verzen hierbij, die allemaal in mijn hoofd kwamen vannacht, toen ik niet slapen kon. Je hoeft 't heelemaal niet te doen, als 't je moeite geeft, lief, maar is dat zoo niet, wil je ze dan bewaren, want zelf heb ik ze niet. Morgen, denk ik, zal ik je nog wat verzen zenden. Denk je er om me gauw het bericht te sturen van Mevr. van Gogh? O, ik wou, dat het een paar dagen verder was! Mis jij me nu ook nog een beetje, lief? Als ik in een betere stemming ben, dan zal ik je een lieven brief schrijven, zonder klagerijen, waar jij niets aan hebt. Daarom eindig ik nu deze, lief, - o, ik kan me niet begrijpen, dat ik je gisteren zèlf nog zag! Ik zend je veel lieve en teedere zoenen, adieu, tot morgen, lief! jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 156]
| |
natuurlijk wel een man kunnen krijgen (als je er een had willen hebben) omdat je er zoo aardig en superieur-mooi uitziet, maar toch was het er waarschijnlijk een geweest, die heelemaal niets van je voelde of begreep. Maar ik voel je, Lief! geloof me toch! jou en je innerlijke zijn tot diep in mijn ziel. O, daar ben ik zoo blip om, dat, hoe meer ik je leer kennen, mijn intuïtie over jou niet alleen heelemaal uitkomt, maar dat de werkelijkheid zelfs nóg mooier is. Ik val inderdaad op mijn knieën voor je neer, niet omdat je mijn aanstaande bent, en dat dan zoo gebruikelijk is, maar omdat jij bent, heelemaal zooals je bent. Ik geef mij waarachtiglijk geheel aan je over: doe met mij wat je wil en waar je pleizier van hebt. Want ik wil alles doen voor jouw pleizier! O, Jeanne, we zullen zoo'n ontzettend pleizier hebben samen. We zullen lachen en spelen en werken en pret maken. We zullen beurtelings zijn vroolijk-schertsend of diep-gemoedelijk, beurtelings lief-wild of innig-teer. O, dat ik jou mag hebben, en dat je mij niet versmaadt! We zullen zijn als twee onschuldig-dartele, maar ook als twee diep-voelende en overal-het-mooie ziende kinderen met elkaar! Wil je zoo met mij zijn, liefste Schat? Daar komt van Meurs! Tot straks. Ja, hij vraagt, of ik mee thee ga drinken. Ik sluit nu maar, en breng dan deze meteen op de post.
Met meer kussen dan je wilt jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 157]
| |
geweest, nu ben je het pas heelemaal voor me geworden, in de eigenlijke werkelijkheid, in de volle beteekenis van de uitdrukking. En ik moet je zeggen, dat ik je nu beter en liever en mooier en grooter en hooger vind, dan mijn gedachte, die toch heel vèr ging, ooit had durven droomen tot dusver. Ik sta je nu nader door onzen omgang, dan ooit door brieven mogelijk was geweest, en ik zeg je stil, terwijl mijn stem zacht klinkt door geluk, terwijl mijn oogen je innig-teeder en vast en zacht-diep, met een schittering van zalige zekerheid aanzien, dat ik aan jou geheel toebehoor. Voel je nu, dat ik je waarachtig liefheb, nu ik zoo spreek, met mijn volle bewustheid, maar toch uit de diepste diepte mijner ziel, in een heerlijke verrukking, omdat ik zoo spreken kan en je mij toestaat het te doen? O, Jeanne, vertrouw op mij geheel en al, ik smeek er je om, want dat vertrouwen maakt mij zoo sterk en zeker van mezelf, omdat ik dan voel, dat ik niet alleen voor mezelf leef. Zie, ik ben hartstochtelijk verliefd op je, en de gedachte, dat ik lief tegen je mag doen, zonder dat je je boos van mij afwendt, maakt mij zoo dikwijls dol van geluk. Maar dat is toch nog volstrekt niet alles; daar zit nog zooveel meer en grooters achter: de blijde wil en de kracht, die ik voel, om je te helpen en te steunen in alles, om je nooit in de moeiten des levens alleen te laten, om je met heel mijn ziel en lichaam te helpen en te steunen en te sterken altoos. Wil je mij zoo aannemen, Jeanne, eenig Lief?... Het is half één 's nachts. Ik ga nu naar bed. Morgenochtend doe ik dezen op de post. Dan heb je zeker al den brief ontvangen, dien ik vanavond om half negen op de bus deed. Maar dit moet ik je nog zeggen. Je maakt mij zoo diep-gelukkig, doordat je mij laat merken, dat er zoo iemand, als jij bent, bestaat.
Teeder kust je, met geheele overgave, jouw eigen Willem Donderdagmorgen. Straks zal ik naar Mevr. v. Gogh gaan. | |
[pagina 158]
| |
met weemoedige vreugde terug-denkt aan die vijf weken, dat wij samen waren, voel je niet, Jeanne, dat dit mij, door al mijn smartelijke sympathie heen, toch zoo rustig maakt, dat je 't moet zeggen? Want, kijk eens! de toestand, waarin je nu verkeert, is wel het tegenovergestelde van prettig na die vijf weken van samenzijn (en ik zal er ook zoo gauw mogelijk, o, het zal zoo lang niet duren, een eind aan maken door weer eens in den Haag te komen) maar, o, Lief, denk maar eens aan de toekomst, als wij altijd tezamen zullen zijn, als wij met elkaar zullen omgaan als ziele-tweelingen, als je je kracht zult voelen verdubbelen, wanneer ik je in alles help en raad geef, alsof het voor mezelf was, en ook van jou die raad en hulp in alle dingen krijg. Kan het je geen troost geven en lust en draagkracht, als je aan al die ware dingen denkt? O, en het geeft me zoo'n kracht en zoo'n moed en zoo'n innigen levenslust, dat je in alle dingen op mij vertrouwt. Want ik zweer je, je vertrouwen zal niet op een zandgrond zijn gebouwd! Zie, ik zet mij heelemaal voor jou open en ik vertrouw ook op jou geheel! Ik zit den heelen dag in moeilijkheden en kwesties: ik heb ze een beetje op zij gezet, zoolang jij er was. Want de tijd met jou was het idyllische tusschenstation in mijn leven, waar ik wel een poosje uit mocht rusten om weer kracht en aandrang te verzamelen voor later. Maar nu komen ze van alle kanten op mij aanstormen, en ik sta ze allemaal, als een 't wèl- en ernstig-meenend volwassen man. Denk nu, in Godsnaam, niet, dat ik me verhef of dat ik het binnen-in zoo pleizierig heb. Want dan zou je me verkeerd beoordeelen. Ik ben inwendig (ik hoop, dat je er iets van gemerkt hebt; ik laat het jou alleen merken) eigenlijk teer en heelemaal geen bruut, - maar soms, precies mijn zwaai berekenend, sla ik de vlieg precies op den kop. Dat is mij meer dan eens in mijn leven heerlijk gelukt. En dan kruipen de aanvallers woedend in hun schulp en houden zich verder bangelijk stil. Maar, zooals ik zei, ik ben heelemaal geen druktemaker, of iemand die steeds klaar staat met getrokken zwaard, doch veeleer een kalm-beschouwend, rustigglimlachend en onverwrikbaar-op-zijn-plaats blijvend mensch. Daarom weet ik zoo zeker, o, ziel-van-mijn-ziel, dat wij gelukkig samen zullen zijn. Want jij ook, je bent wel sterk-van-wil en vast en zeker, net als ik, maar je bent toch heelemaal niet dwingerig, of om een klein ding het groote voorbijziend of eigenzinnig en al die dingen meer. | |
[pagina 159]
| |
Ik merk, dat hier de tranen in mijn oogen beginnen te komen van blijde aandoening, en ik eindig dus maar voorloopig. Na den eten begin ik weer, maar over iets anders, wat mij zoo te binnen schiet en breng dan dezen vanavond nog op de post.
O, Lief! ik ben opgestaan, om uit te gaan, maar toen voelde ik me zoo eenzaam zonder jou. Zoo ben ik maar weer gaan zitten en schrijf nu nog wat door. Want nu dezelfde wegen te loopen, waar wij zoo dikwijls samen liepen, ik kan het heusch vandaag niet doen! Waarom zit ik eigenlijk hier, waarom ben ik niet bij je, waarom ben ik je niet nagereisd naar den Haag? 't Is eigenlijk vreeselijk mal, dat jij nu op jouw kamer zit, en ik op de mijne, met zoo'n vreeselijken afstand tusschen die twee. Vind je 't óók niet? Ik ben zoo aan je altijd-aangename nabijheid gewend, en ik kan me er nog niet goed over heen zetten, dat het niet meer zoo is. Enfin, den Haag is nog bereikbaar tenminste! Maar ik durf niet altijd te komen, als ik lust heb, anders zat ik al lang op de spoor. Maar 't staat een beetje mal voor de menschen, is 't niet? En we zien elkander toch gauw weer, en voor een heelen tijd waarschijnlijk, als je met je Ma en zuster in Bussum komt. Laat ik maar wat gaan babbelen! Ik weet niet precies meer, of je er bij was, toen ik hoorde, dat Hein Boeken en Dientje Coorengel in Augustus gaan trouwen. Zij heet eigenlijk Adrienne en dat staat ook op haar kaartjes. Maar Dientje is haar familjare naam. In den huiselijken kring wordt ze ook wel eens op zijn Indisch ‘Sidin’ genoemd. Hein is een beste, zuivere jongen, een beetje droomerig soms, maar superieur intelligent en nobel. Hij is een soort van jongere broer van me in mijn sentiment. Ik ken hem al negentien jaar. Hij is gewoonlijk nog al zwaar-stil, maar als hij opgewekt is, kan hij heel grappig zijn en kinderlijk-vroolijk. Weet je wát, Lief? Ik eindig nu maar, en breng dezen naar de post. Dan begin ik vanavond wel een andere aan je. Geloof, bid ik je, altijd in de onwankelbare vastheid van mijn heele gevoel-voor-jou Jouw eigen Willem
Mijn vers heb je nu toch zeker gekregen? Dank je wel voor jouw mooie, lieve, en mij vreugde-gevende verzen! | |
[pagina 160]
| |
[Ongedateerd]Lief, Hierbij zend ik je het stuk uit den Spectator, dat ik voor je heb overgeschreven. Heb ik nu geen gelijk te zeggen, dat van Nouhuys is een lieve, goede, trouwhartige oude heer? En had je dit wel van hem verwacht? Ik wou je iets vragen, iets, wat ik tot mijn grooten spijt heelemaal vergeten heb, toen ik in Bussum was. Ik had dat vertaalde vers van jou in de 1e afl. van De jonge Gids, je weet wel: ‘Les cloches sonnent, sonnent ma fin...’ door ‘Un lâche anonyme’ zoo graag willen overschrijven. Wil jij 't nu voor me doen, als je eens tijd hebt, alsjebelieft, Lief? Hopelijk en waarschijnlijk zal je bijgaand stuk wel kunnen lezen, is 't niet? Ook herinner ik me opeens, dat je me vroeg, of dit fragment in Okeanos stond: ‘Zeus zag 't en stond en op zijn oogen viel
En op zijn ziel de half-geheven slip...’ enz.
en dat ik toen zei: ‘ja’. En nu zie ik, dat het in den tweeden bundel is gepubliceerd, vandaar dat ik het kende. En dan wou ik je ook voor de aardigheid zeggen, als je soms De Heer van de State leest, dat de daarin beschreven State eigenlijk is Huize ter Meer te Maarssen, waar wij zelf hebben gewoond. O, Lief, wat maak je me toch eindeloos-gelukkig en rustigtevreden door je brieven. O, als ik die niet had, dan zou ik nergens meer belang in stellen, en maar stilletjes leven voor mij heen, treurend en terug-getrokken. O, het is zoo goed van je en zoo lief, me zooveel te schrijven. O, ik heb het zoo noodig, Lief! Al komt je geschreven woord niet zoo onmiddellijk tot me als het gesprokene, het is me zoo dierbaar, omdat jij het zendt, en het geeft me zoo'n troost en bemoedigt me zoo! Ik ben nòg niet in evenwicht met mijzelf; de gewoonten en het daaglijksche doen van thuis zijn nóg niet volkomen, als zoo-behoorend, tot me doorgedrongen; het is me of ik jaren ben weg-geweest, en in dien tijd heel anders ben geworden. Telkens zie ik weer iets, dat me een lichte verbazing geeft, en wat ik vroeger heel-natuurlijk vond, - tenminste ik merkte 't niet. Ben ik dan zoo veranderd? En is dat goed of niet? O, dat denken, dat denken over mijzelf! Immers, ik kan toch nooit tot klaarheid komen...
Vanmiddag onder het eten kwam je brief met spoedbestelling. Ik ben toen weg-gegaan, en heb hem op mijn kamertje gelezen. | |
[pagina 161]
| |
O, Lief! mijn goede, trouwe, mijn eenige! O, kon ik nu mijn hoofd zacht aan je schouder steunen, en schreien daar van diepe dankbaarheid en van mijn groot geluk! Willem, eenige-van-wien-ik-houden-kàn-en-zal, liefste van-allen, ik heb je lief!
jouw Jeanne | |
[Ongedateerd]O, Lief! Ik houd van je, zoo diep en onuitsprekelijk-veel, als ik niet had gedacht, dat ik met mijn inwendige koelheid van iemand houden kon! Ik houd van je, omdat je superieur bent aan alle andere mannen, omdat je nobel bent en groot en zonder-terughoudinggoed, omdat je mij vertrouwt, en ook vooral omdat jij zegt, mij lief te hebben. Ik geef je mijn gedachten, mijn wil, mijn gevoel, ik wil, dat er niets in mijn ziel zal zijn, wat jij niet kent. O, ik zou altijd wel bij je willen zijn, veilig en trouw-beschermd, - van alles ver, van alles onwetend zelfs, en dan sprakeloos je staren in je oogen, die mij je liefde zeggen, totdat ik weg-zwijm in vreugde. O, Lief, zeg me, geloof je me nu? O, Willem, Heve Willem, weet je 't nu, dat ik zonder jou niet meer leven kan, niet meer zou willen leven? Al mijn denken en doen is van jou vervuld, ik weet niets meer, ik wil niets meer wat buiten je is, - en ik ben zalig, dat mijn hooge trots zich breken laat voor jou, voor jou alleen, en dat mijn fiere ziel voor jou ootmoedig buigt. O, zeg, zeg me, Lief, heb ik je heusch in niets teleurgesteld? O, ben ik wel zoo geweest als ik wezen moest, om je te overtuigen, dat er voor mij op aarde niets belangrijks bestaat dan jij-alleen, en dat ik mijn leven verachtend weg-werpen zou, als ik niet wist, dat het voor jou een klein beetje waarde had? Willem, o, geloof me toch, dat jij me geluk geeft, zoo wonder-mooi en groot, als ik niet had vermoed, dat er met mijn veel-eischende en weinig-apprecieerende natuur bestaan kon voor mij. O, ik weet het nu zoo, ik voel het zoo diep, omdat ik, sedert ik van je weg ben gegaan, zoo rusteloos ben en onverschillig-voor-alles-om-me-heen, en naar je bijzijn verlang als ik nog nooit naar iets heb verlangd. O, ik dank je zoo lief voor je mooie en lieve vers, het maakt me zoo innig-dankbaar en diep-gelukkig en blij. Het was LXXVIII; ik zeg dit even, omdat je er LXXVII had boven gezet. | |
[pagina 162]
| |
O, die goddelijk-zalige en rustige, gelukkige tijd, dat ik in Bussum was! O, jij hebt die dagen voor me gemaakt tot een onafgebroken reeks van verrukkende, vreugdige en zalig-blijde momenten, - in mijn heele leven is geen zoo zonnige tijd. En daarom dank ik je, lief, heel, heel innig en oprecht, en dit zijn geen banale, uiterlijke woorden van dank, want diep in mijn ziel voel ik de goddelijke erkentelijkheid, dat ik dit alles jou danken mag. O, de herinnering aan al je goedheid en liefheid troost me zoo en wekt me zoo op, als alles me tegenstaat en verveelt. O, lief, ik heb je zoo lief, ik wou, dat ik je zoenen kon, je zoenen mocht, nu op dit oogenblik!
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 163]
| |
komt alleen, doordat hij niet intuïtief uit je wijs worden kan, en hij voelt, dat je hem te sterk bent. En dat stemde mij, zooals vanzelf spreekt, zóó pleizierig, dat ik nu telkens bij die gedachte, je portret lief-teeder toeknik en je zoo graag in mijn armen wou sluiten met de woorden: ‘O, Lief-van-mijn-Ziel.’ Van E. heeft inwendig het land aan mij, en mij dat meermalen getoond. En nu ziet hij ineens naast mij gerezen, hij begrijpt heelemaal niet vanwaar (hij heeft, toen iemand hem vertelde, dat ik met jou geëngageerd was, nijdig uitgeroepen: ‘Hoe komt Kloos aan dat meisje?’) een ander mensch, waar hij heelemaal niet bij kan, en waardoor mijn heele Zijn wordt verdubbeld in kracht. En nu is het zoo curieus, dat jij eveneens met een minder prettigen indruk van hem vandaan ging, zonder dat er iets feitelijks was gebeurd. Zij hebben ons ook niet te eten gevraagd, zooals oorspronkelijk wel hun plan was, heeft hij ook nog gezegd. Toe, lief, vertel me eens, wat je van dit alles vindt, wil je? Nu, Lief, ik zal dezen niet erg lang maken, want als ik hem nu weg breng, krijg je hem misschien vanavond nog. Hij gaat voor tweeën op de post. Schrijf mij eens, als je er om denkt, hoe laat je dezen gekregen hebt. Voor morgenochtend schrijf ik strak wel weer een andere. Ik blijf zoo graag met je in voortdurende zielsgemeenschap, omdat ik je zoo innig en diep-zalig liefheb en vereer.
Voor eeuwig
jouw eigen Willem
Ik lees je brief nog eens over. O, Lief, wees rustig en tracht blij te worden; ik denk zonder ophouden aan jou. | |
[pagina 164]
| |
gemaakt. Ik heb hem nu voor den tweeden keer stilletjes-langzaam doorgelezen, en daardoor ben ik zoo gelukkig geworden, als ik nog nooit in mijn leven ben geweest. Jij bent de eerste en eenige mensch, die werkelijk iets voor mij kan voelen. En, - ik heb het je nog al eens gezegd, - dat komt, geloof ik, door een gelijkenis van temperament. Jij kan zijn, als je je eens heelemaal wilt laten gaan, volkomen-open en diep-eerlijk, zonder achtergedachte. En door al wat je zegt, ben ik heelemaal niet trotsch of verwaand geworden, doch alleen maar hoog- en ontzettend-blij en nederig-dankbaar-aanjou, liefste mensch! Maar, ik hoef 't je waarschijnlijk niet te zeggen, maar toon je nooit zoo aan andere menschen. Ik deed het in mijn eerste jeugd wel, voor zoover een soort van pudeur natuurlijk, die jij trouwens óok sterk hebt, mij niet weerhield. Want het leven is zóó gecompliceerd en de zielen der meeste menschen zijn door dat leven zóó bedorven, of ze zijn door hun eigen essentie al zoo, dat er van zoo'n opene en klare en gevoelige geheel-uiting als zij eenmaal den mond is uitgevlogen, niets overblijft dan wat er overblijft van een mooie bloem, die men in een modderpoel gooit. Men wordt er om bespot, of er wordt misbruik van gemaakt. De echte, diep-menschelijke waarheid van het verhaal der Christus-figuur is, als het ware, het symbool van wat ik hier zeg. Zoo is de abstracte conclusie mijner ervaring. - - De persoonlijke indruk van je brief was er een van ontzettende vreugd, omdat ik precies voor jou voel uit mijzelf, sinds je verblijf hier, als jij zegt het voor mij te doen. En ik beloof je, dat je nooit in mij teleur zult worden gesteld. Ik zou den zoom van je kleed willen kussen in eerbied, ik zou je willen toeroepen, met gevoelige, maar vaste stem: ‘O, Jeanne, neem mij aan, en laat mij nooit alleen!’ Maar je moet nu niet van me denken, dat ik door zoo over de menschen te spreken als ik hierboven deed, een menschenhater zou zijn. Menschenhater behoeft men nooit te wezen als men maar veel begrijpt en alles goed doorvoelt. Menschenhaters zijn meestal kinderlijk-pedant. De menschen, zooals ze zijn, zijn maar zelden complete tooneelschurken, en men zeilt er wel doorheen, in harmonie met de meesten en tot eigen bevrediging, als men het roer maar goed in eigen handen houdt, en goed op iederen windstroom let. Daar wou ik je zoo graag altijd in helpen, o, mijn eindeloosdierbare, wijze en goede Lief! Mag ik dat? | |
[pagina 165]
| |
Hè, wat is deze brief zwaar geworden, vind je niet? Maar je weet wel, dat ik maar zelden zoo ben. Je brengt mij mijn diepste binnenste tot klaar bewustzijn door je goddelijk-mooie en zuivere brieven. Tot morgen. Het is kwart vóór eenen.
Innig kust je
jouw onveranderlijke Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 166]
| |
[Ongedateerd]O, lief, 't spijt me zoo, dat ik maar aldoor zoo treurig schrijf. Want je zal er wel een beetje bedroefd om zijn, ben ik bang. O, wees niet boos op me. Lief, toe, wees niet boos, ik kan het niet helpen, ik kan het heusch niet helpen, dat ik me zoo zwak en machteloos voel. O, dat is zoo iets radeloos-wanhopigs: niet heelemaal gelukkig te zijn en niet te weten waarom, omdat er geen positieve redenen tot òngelukkig zijn bestaan. O, Lief, ik heb het je, geloof ik, wel eens gezegd, hoe ik dacht, dat er aan het samenstel van mijn ziel een factor ontbrak, waardoor ik nooit, zooals andere menschen, volkómen van iets genieten kan. Begrijp je me, Lief? O, Willem, maak toch, dat ik diep en vast en zeker weet, wéét, dat ik iets ben in je leven, - o, geef me de overtuiging, de onomstootelijke, onwankelbare overtuiging, dat mijn bestaan een noodzaak is voor het jouwe. Dat zal me kracht tot leven geven, - ik zal 't leven liefhebben zelfs, om jouwentwil! Want nu denk ik wel eens, dat, wat jij mijn sterkte noemt, misschien maar ongevoeligheid of zwakheid is, omdat ik diep in me voor mezelf geen steun kan vinden. O, Lief, Lief, jij dacht me wilskrachtig en ferm, en nu blijk ik maar een week en slap wezentje, die jou smeekt om hulp, - is dat niet vreeselijk, vreeselijk? O, zeg me, zeg me, zeg me, ik bid je er om, ik smeek 't je uit 't diepst van mijn ziel, - dat ik moet leven voor jou, dat mijn bestaan voor jou van waarde is! Dan zal ik mijn leven mooi gaan zien, dan zal er voor mijn zijn-op-aarde een reden wezen. O, Lief, Eenige, tot wien ik zoo spreken durf, zeg, dat je er niet boos om ben, dat ik zóó met mijn klachten en treurnissen tot je kom. Want, o, ik mis je zoo! Je armen zijn niet meer om me heen, en ik zie je oogen niet, en geen direct-gesproken woord kan nu meer tot me komen. En dit is de oorzaak misschien van mijn bedroefdheid van al deze dagen: ik heb zoo het gevoel, of je weer heel ver weg van me ben, en onze verhouding schijnt me weer zoo oneigenlijk-vreemd, als in het héél-eerste begin. O, als ik je brieven niet had, dan werd ik heelemaal in mezelf gekeerd en stil en droef, en geloofde alles een droom. O, alles wat er met me gebeurd is in den laatsten tijd: het plotseling worden geleid in het lichtste licht van het leven, juist toen ik mijn oogen gesloten had, en dacht, dat het altijd donker zou zijn, - dat heeft mijn kalm, gelijkmatig zenuwgestel zóó in zijn diepste diepte doorschokt, dat ik voel, hoe het nog altijd ongeëquilibreerd is gebleven sindsdien. O, Lief, vergeef me maar; jij bent de Eenige, tot wien ik komen | |
[pagina 167]
| |
kan en wil, aan wien ik alles zeggen durf met een volkomen en zalig vertrouwen. En over een paar dagen zal ik wel weer heelemaal beter zijn, heusch. Ik had aan de koffie vanmorgen ook al een huilbui gehad, na een opmerking, dat ik er zoo bleek en betrokken uitzag, omdat ik zoo'n angst had, dat dit aan een verkeerde reden zou worden toegeschreven, terwijl het alleen is het verdriet, dat ik nu niet meer met je spreken kan. Ben je niet boos, Willem, en vooral, ben je niet bedroefd om me, Lief?... Wat je over de van Eeden's schreef, ja, prettig vind ik dat niet. Maar 't zal wel zoo zijn als je zegt, want ik ben toch niet stroef of strak of onvriendelijk geweest, tenminste niet zoo, dat ze er een beleefdheid om moesten verzuimen, dat ten eten vragen, bedoel ik. (Niet dat ik er op gesteld zou zijn geweest, dat weet je wel van me.) Alleen herinner ik me, dat je me vroeg, me een beetje van van Eeden terug te houden en me niet te veel te uiten. Dat is dan zeker niet in zijn smaak gevallen. O, Lief, Lief, Lief! O, ik wou zoo oneindig graag, dat je mij nog eens pijn deed voor de grap, me in mijn vinger beet, of me kneep in mijn arm! En ik wou, dat ik je nu zoenen kon, Lief, omdat het me zoo kalm en van-een-druk-verlicht heeft gemaakt, dat ik me tegen jou heb mogen uitspreken. Lief! O, ik heb je lief, jou, jou alleen, en voor altijd jou! jouw eigen Jeanne
Morgenochtend een opgeruimden brief. | |
[Ongedateerd]O, lief, help me toch, help me! Waarom ben ik niet gelukkig? Ik wil gelukkig zijn, ik wil, - en ik kan niet! Ik heb geen verdriet, en toch stroomen al maar door de tranen uit mijn oogen, ik verlang, en ik weet niet waarnaar, ik heb leed, en ik weet niet waarom. O, geef me toch rust, die veilige, tevredene rust, die ik geloof, dat jij hebt, o, laat er toch iets positiefs zijn, waarop ik voor altijd steunen kan! Mijn eigen krachten zijn weg, nu smeek ik jòu om sterking, om troost. O, help me, Willem, Willem!
jouw Jeanne | |
[pagina 168]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 169]
| |
jezelf volkomen bewust wordt van het groote geluk, dat jij mij geeft? Denk er toch maar eens om, dat ik altijd bij je zal zijn, altijd met je, altijd voor je, heelemaal zonder dat ook maar één van mijn gedachten zich van je afwendt.
Met gloeiend-teedere, innig-lieve kussen
jouw eigen Willem-voor-altijd | |
[Ongedateerd]Liefste-en-beste-van-allemaal, Vanmorgen vond ik je brief, je heerlijken, lieven, opbeurenden, moed-gevenden brief. O, Lief, als je wist, hoe blij en verrukt ik daarmee ben! Ik dank je heel-innig er voor, hij heeft me aangedaan met een teer-stil, intiem gevoel van vreugd, en gaf me een heerlijke, vredige rust. O, Lief, ik ben je zoo dankbaar, zoo werkelijk-innig en diep, omdat je me zóó schrijft, als je doet. O, Lief, Liefste, geloof dit nu van me, dat ik van jou ben, dat ik absoluut en onvoorwaardelijk aan jou toebehoor, met den wil-van-mijn-verstand en met den wil-van-mijn-gevoel, - dat ik niets bèn, niets kàn zijn zonder jou, dat ik alleen blijf bestaan en het leven zelfs aangenaam vinden zal, omdat ik iets zijn kan voor jou. Ik houd van je, ik heb je lief, nú met mijn volle bewustzijn, omdat jij alles ben en nog véél meer, dan wat ik hoopte en droomde, - ik heb je lief, zooals ik niet dacht, dat ik liefhebben kon, omdat ik inwendig hard en koud en onverschillig ben. Maar nu gaat dat alles langzaam-aan weg door mijn heerlijke liefde voor jou, en ook mijn stroeve terug-getrokkenheid verdwijnt, en mijn trots, en alles in me wordt zacht en gevoelig en teer, en ik ga houden van mezelf, omdat jij van me houdt, - met een innig begeeren mezelf mooi en goed en zacht en vriendelijk te maken voor jou. Willem, ik heb je lief, ik zeg het je, eerlijk, oprecht en zonder terughouding, - ik heb je lief, jou-alleen en voor altijd, ik geef mijn heele Zijn aan je over, omdat ik niet meer alleen van mezelf wil wezen, omdat het me zalig maakt zoo te doen. O, jij Lief, die me helpen wil en raden-in-alles, o, zeg me, Lief, wat kan ik doen voor jou? O, noem iets, verzin iets, waarin ik je bijstaan kan! Toe, doe je het, Lief? o, het zou me zoo gelukkig maken, als ik positief-zeker wist, dat | |
[pagina 170]
| |
ik je echt ergens in hielp. En dan ook, ik wou zoo graag iets hebben, waaraan ik me wijden kon, dat mijn gedachten afleiding gaf. Zal ik Latijn gaan leeren? Maar ik wou zoo heel graag, dat jij, als je 't wilde, en je had tijd ervoor, 't me leerde, later. Of zal ik nú al beginnen? Dan is 't misschien ook niet zoo vervelend voor jou, als ik over den aanvang heen ben. Of zal ik weer aan een nieuwen roman beginnen? Maar ik ben bang, dat dat niet zal gaan, omdat ik veel te weinig bestendigheid in me heb op 't oogenblik. En dan ook wou ik liever afwachten, hoe deze ontvangen wordt. Zal ik iets gaan vertalen, iets moois, iets groots? Of wat zal ik toch doen? Toe, help me eens, Lief, en schrijf me dan, wat je denkt. Wil je dat doen? Nu zal ik dezen maar sluiten, want ik zal dadelijk om te koffiedrinken worden geroepen. Dag, eenige Lief, aller-eenigste, die ooit voor mij kan bestaan!
Altijd jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 171]
| |
Zie je wel, dat ik weer schertsen ga? Dat komt, omdat ik zoo voel de goddelijke, gezonde levenskracht, die diep in je woont, evenals in mij, en die mij zoo wonderlijk gelukkig maakt, omdat zij ons toekomstig samenzijn zoo mooi zal maken, als er nooit een was. O, Lief! ik heb je lief, jou alleen en voor altijd, en ik val voor je neer, want ik voel je diepte, je waarheid, je echtheid. Jij maakt mij goed, en gelukkig, en sterk, - eenvoudig en alleen door het feit, dat je er bent. Want vroeger zat ik te kniezen en mezelf te verdommen, (excuseer de expressie!) en te vragen, wat ik toch eigenlijk op de wereld deed. Maar nú weet ik dat ik er voor jou ben, en dat jij er ook wel voor mij wilt zijn. Straks ga ik naar mevrouw van Gogh en zal je dan vertellen, wat daar is verhandeld. O, ik verlang altijd zóó naar je brieven, die zijn zoo heerlijk, die zijn zoo echt!
Lief, ik ben bij Mevr. v. Gogh geweest. Ze was heel aardig, ze sprak heel aardig, heel hartelijk over je, en verontschuldigde zich bij mij, dat ze je niet als logée kon beschouwen, zooals ze 't graag had gewild. En ze deed mij verhalen van teleurstellingen, door menschen, die gekomen zouden zijn, als niet een plotselinge kinkhoest van Vincent... Enfin, je begrijpt 't wel, 't was heel lief gevoeld. Ze zal rekenen twee gulden per dag en je bent er precies veertien dagen geweest. Ik vind, dat ze het nogal redelijk maakt, vind je ook niet, Lief? Nu moet ik eindigen, 't is half elf. Tot morgen dus, lieve Lief! Jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, Liefste, mijn Eenige! O, vergeef 't me toch, dat ik zoo heb geklaagd en je lastig-gevallen met mijn verdriet, terwijl jij zóóveel meer te dragen hebt door de onaangenaamheid van je vreemde omgeving en je positieve zorgen. O, ik had natuurlijk niet kunnen schertsen of grappig zijn, maar wel had ik opbeurend, of tenminste kalm moeten schrijven, in plaats van in opgewondenheid dadelijk aan je te vertellen, wat er opkwam in me. Denk er niet meer over, Lief, - wat er gebeurd is, is feitelijk niets erg en zelfs | |
[pagina 172]
| |
heel gewoon (ons niet meer bij elkaar zijn, bedoel ik) maar o, 't lijkt me, of ik plotseling met geweld van je weg ben gevoerd, en je nu heel in de verte zie, vaag en vreemd als in een nevel. Zoo is 't natuurlijk niet, en je brieven overtuigen me wel van het tegendeel, maar toch, er is zóó eensklaps een einde gekomen aan onzen intiem-vertrouwelijken omgang, dat ik nu éérst weer wennen moet aan een gedachtenwisseling per brief. Er staan nu een paar portretten van je op mijn bureau, en soms, als ik droevig ben, en in gedachten vóór mij zie, dan plotseling kijken ze me aan, je diepe, ernstige oogen, met hun wondere licht, en dan voel ik me weer zoo eigen met je en zoo kalm-gelukkig en veilig in het je-liefde-weten. O, Lief, Lief! Je bent alles voor me, - ik houd van je, zonder restrictie, zonder eind, en met een algeheele zielsovergave. En nu ik er heel lang over heb gedacht, nu weet ik misschien, hoe 't komt, dat ik zoo weinig voor je kan zijn, zoo weinig je de toewijdende, zichzelf-vergetende, waarachtig-menschelijke hulp kan geven, die jij van me zou kunnen verwachten, - het komt, geloof ik, omdat ik niet altijd heelemaal een echt mensch ben. Ik bedoel dit: heel dikwijls is 't, dat ik mijzelf niet voel als mensch die is, die leeft, die bestaat, maar dat ik mij zie, volkomen objectief, als interessante persoonlijkheid uit een historie, die ik gebeuren zie. Begrijp je me, begrijp je dat, Lief? Ik ben mijzelf dan een voorwerp, dat bruikbaar en bestudeerbaar is voor een psychologische analyse, en ik zou met mijzelf wel allerlei proeven willen nemen, om te zien, wat de resultaten zijn; in één woord, ik ben soms mijn eigen model, en dikwijls zonder het zelf te weten. Verveelt je die beschouwing over mezelf, of vindt je 't vreemd, dat ik zoo denk en voel? Als het niet goed is, niet natuurlijk, niet normaal, ach, help me dan te veranderen, Lief? Vraag ik te veel? Ach, Lief, ik maak toch geen misbruik van je innige goedheid voor mij? O, je weet niet, hoe vreemd mijn geest soms aan 't dwalen is, ik heb zoo weinig vastheid in mij zelf. Nu moet deze naar de post: een innig-teedere zoen van
jouw eigen Jeanne
Hierbij een bankbiljet van ƒ 25,- voor mevrouw van Gogh en ƒ 3,- in postzegels, vind je dat goed? anders moest ik je een postwissel sturen. Prettig, dat ze hartelijk over me sprak. | |
[pagina 173]
| |
Bussum, ParkzichtO, lief, hemelsch, onwaardeerbaar Lief,
Zoo even heb ik, bij Koderitsch zittend, en langzaam-aan drie koppen koffie innemend, een vers geschreven, dat ik hierbij voeg. Toen ben ik naar huis gegaan, en stil op mijn bed gaan liggen, aan jou denkend zonder ophouden. O, Lief, ik kan het niet uitdrukken, hoe graag ik wou, dat ik bij je was! Nu je weg bent, merk ik pas volkomen bewust, hoe diep mijn-liefde-voor-je in mij zit. Ik heb je ziel lief en je lichaam tot in je fijnste inwendige beweging en tot in het fijnste haartje wat aan je is. Want je bent zoo nameloos-goed en lief. Ik heb je lief, geheel, niet om een abstractie of om een ding, dat ik van je maak in mijzelf, neen, om je Zelf, je eigenlijke Zelf, je waarachtige menschelijke Zelf heb ik je lief! Zie, en daarom wil ik met je omgaan mijn heele leven door, zooals jijzelf met jezelf omgaat, maar veel vriendelijker, beter en inniger en gelukkig-makender, dan jij met jezelf omgaan kunt en wilt. Jij kunt op mij vertrouwen, in alles, dat zweer ik je, en ik wil alles voor je wezen en alles voor je doen, wat je ook maar van mij verlangen mocht. Voel je nu, dat ik je liefheb, en wat ik, o, liefste daarmee bedoel? Mijn ziel ligt voor je, onschuldig-naakt als een pasgeboren kind en lacht je toe met zachtglinsterende oogen en uitgestoken armpjes, en roept je toe met vleiend geluid: ‘O, Lief, vergeet je verdriet, door te denken aan de liefde, die ik zoo diep en waarachtig voor je voel!’ Ga op in mij, zooals ik het in jou doe, geheel en al, wanneer ik mij uit mijn praktische, dagelijksche zorgen terug-trek, en me in jou verdiep! Voel toch, Lief, dat niet alleen mijn daaglijksche Zelf je liefheeft, dat met je sprak, en schertste, en lief deed, maar ook mijn dieper Zelf daarachter, hoe ver je er ook in door mocht dringen, altijd door. En dat ik je dus nooit zàl want kàn alleen laten, daar mijn dieper Zelf, dat mijn daaglijksch Zijn bestuurt, mij naar je heenstuwt onbedwingbaar, en mijn daaglijksch Zelf aan je overlevert met zijn volle toestemming, om erover te beschikken naar je welgevallen. Voel je nu, dat ik me geef aan je, dat ik niet stand houd in mijzelf, om over je te heerschen of je te dwingen naar mijn wil, maar dat ik niets anders wil zijn, als je teedere, eeuwig trouwe, | |
[pagina 174]
| |
je mooi-menschelijke en door mijn liefde-voor-jou gezaligde, nimmer veranderende, je ware Lief? Teeder-zacht kust je jouw eigen Willem | |
ParkzichtLiefste,
Laat me je toch zeggen, dat ik ontzettend naar je verlang! Ik mis je zoo, en ik zou niet buiten je kunnen, nooit! Geloof je dat van me, Lief? Houd die waarheid toch altijd in je gedachten, als de levensweemoed je weer eens mocht overvallen. Wij zullen samen alle mogelijke levensellende wel weg-jagen, hoor! Ik zit voortdurend in allerlei narigheid, zaken-bisbilles en dergelijke, maar ik vind 't zoo leuk, die gevallen zouden me vroeger allersomberst gestemd hebben, maar nu ik jouw ‘verloofde’ (wat een vreemd woord is dat eigenlijk!) ben, nu vind ik de kwesties wel allervervelendst, maar ze drukken me toch lang niet zoo neer, als ze vroeger zouden hebben gedaan. Ik zit aldoor te denken aan de toekomst, die zich nu zoo heerlijk laat aanzien, terwijl het tegenwoordige ook al zoo verheugend is. O, lief, weet het toch wel, ik heb, behalve mijn liefde nog zoo'n gevoel van diepe dankbaarheid voor jou. Ik verzeker je, al was je minder mooi geweest, dan had ik je toch gevraagd, zooals ik 't jou deed; ik was wel misschien een klein tikje minder verliefd geweest, en had je gezicht, zooals 't opkomt in mijn verbeelding, niet zoo gepassionneerd bekeken als ik nú doe, maar ik had toch zielsveel van je gehouden en was even eigen en trouw tegen je geweest. Begrijp je nu, Lief, hoe ik van je houd? Ik eindig nu; vanmiddag kreeg ik de ƒ 28, fiere Schoone! En vanavond, dat is nú, ga ik Mevr. van Gogh betalen voor die 14 dagen, dat je nog bij haar bent geweest, na mevr. B., en zal haar je vriendel. groeten doen. O, ik wil je gelukkig maken en groot en sterk en de superieurste vrouw van 't land! Want je hebt alles in je, om het te worden, en buitendien nog ben je een hoog-goed mensch. Je zal gezegend worden door al de dagen van je leven, en je naam zal klinken als een bazuin door 't land. | |
[pagina 175]
| |
Vind je niet, dat ik hoogdravend werd, Lief! Maar ik meende de essentie ervan toch heusch! Ik dank je voor alles, wijl ik je verlof vraag voor een kus, ik dank je voor al je goedheid en lieve uiting. Tot morgen! Jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, lieve, beste Willem, o, lieve, beste, goede Lief! Nu is die Zondag gelukkig alweer bijna bij zijn vaderen verzameld, en is de vervelende, eindeloos-uitgerekte visite-middag voorbij. Er zijn niet veel menschen geweest: Jo Aalbersberg, een vriendin van mijn zuster, Generaal Scheidler List, een jongmensch Weenink, en mijn neef Willem Gerdes Oosterbeek, - maar ze bleven zoo lang. Lief, je moet er niet om lachen, maar na die vijf weken van volkomen vrij-zijn, heb ik bepaald moeite weer een maatschappelijk mensch te worden d.i. om een behoorlijk gesprek te voeren over onbeduidende banaliteiten, zonder dat mijn gedachten afdwalen en ik onwaar beweren moet: Ja, ja, ik luister wel. O, Lief, die tijd! Ik zucht diep, nu ik daarover denk; ach, alles gaat voorbij, maar onze bedroefdheid ook, dus mogen we niet klagen. Maar o, Lief, 't was toch zóó'n groot contrast met den vorigen Zondag! En terwijl ik daarover aan 't peinzen was, kwam dit vers in me op, - je moet 't niet mal of aanstellerig vinden, dat ik 't je zend, zal je niet, Lief! O, ik kan toch soms zoo naar je verlangen. Zoo heel erg, om even je vingers om mijn hand te voelen in een bemoedigenden druk, of om een lief woordje te hooren, dat je tegen me zegt, of om als een moe kindje aan je schouder uit te huilen. Vind je me flauw of kinderachtig, Lief? Neen, hè? Ik verlang zoo naar je! Nu goede, beste Lief, ik sluit deze nu maar. Ik sla mijn armen om je heen, en zoen je heel hartelijk en lief, want ik heb zoo'n medelijden met je, dat jij heel-alleen voor allerlei narigheden zit, en ik er niets aan kan doen. Dag, Allerbeste,
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 176]
| |
toch flauw en week en kinderachtig, om zoo dikwijls zoo te klagen, - te klagen over niets, maar ik kan 't heusch niet helpen, Lief! Ik kan en wil 't immers aan niemand anders zeggen, - jij bent de eenige, aan wien ik 't toonen mag, - want al de anderen zouden me niet begrijpen, of, waar ik zoo bang voor ben, denken, dat ik niet gelukkig was. Er wordt toch al veel te veel over mijn bleekheid en slecht-uitzien gepraat. En nu ik weet, dat 't niet zoo is, kan ik 't je wel zeggen, Lief, ik heb óók werkelijk gedacht, dat ik ziek worden zou. Want ik begreep niet, dat dat matte, bedroefde, lusteloos-onverschillige gevoel zóó lang aanhouden kon, als 't niet in 't physieke een oorzaak had. Maar ik ben heelemaal gezond gebleven en 't is dus een geestelijk leed, een zieleverdriet, dat me zoo slap en zwak en onveerkrachtig maakt. En ik geloof, dat 't dit is: ik heb niets te doen, en de lust ontbreekt me totaal, om iets aan te vatten, om me ergens voor te interesseeren zelfs. Dat zal natuurlijk wel weer komen, maar op 't oogenblik is 't toch heel vervelend, 't maakt me huilerig en stil, en doet me nare brieven schrijven aan jou. Arme Lief! Nu ga ik toch nog een beetje lief tegen je zijn, liefste, eenige Schat, beste, goede Lief, mijn Lief, - dacht je heusch, dat 't me moeilijk viel te zeggen, dat je mijn snoes ben? Dat ben je, en nog véél meer, waarvoor ik de namen in mijn hoofd heb, maar waar je erg om lachen zou als ik ze zei. O, Lief, ik houd toch zoo van je! zoo innig, zoo ontzettend en onuitsprekelijk veel. O, als ik jou niet had, wat werd er dan van mij? Waar zou ik wezen, nú, als jij me niet had gered? Want ‘de wereld is mooi als men liefheeft’, nietwaar, en het leven is goed en rijk en veel-belovend en levenswaard, wanneer men niet meer staat heel-alleen. O, Lief, ik wou, dat ik je een bewijs geven kon, een onomstootelijk en jou 't geloof gevend bewijs, dat ik je liefheb, diep en innig en waarachtig, jou alleen en voor mijn heele leven, - o, Lief, ik zweer je, als jij het wilde, dat ik mijn werk dan prijs-geven zou, en daarvan, daardoor heb ik toch geleefd, al de jaren, dat ik alleen bestond voor mijzelf. En ik zeg dit niet, omdat ik wel weet, dat jij dit nooit zal eischen, omdat je juist dáatom van me houdt, maar omdat ik 't heilig en oprecht meen, en dit 't hoogste, 't waardevolste is, wat ik bezit, en dat ik daarom jou offeren wil. O, ik wou, dat je me in mijn oogen kon zien, dat je de twijfellooze waarheid begreep, dat je in je diepste ziel voelde, hoe ècht mijn bedoeling is. Geloof je me, geloof je me, | |
[pagina 177]
| |
Lief? O, ik heb je zoo lief, ik heb je zóó lief, - ik zou 't je in een zoen willen zeggen! jouw eigen Jeanne | |
Bussum, 10 Juni '99Allerliefste, werkelijk-beste,
Vanmiddag heb ik veel te doen, en deze brief zal dus niet erg lang worden. Maar ik voel toch een onweerstaanbare behoefte, om je even te schrijven. Ik verlang zoo naar je! Maar dat zeg ik niet, omdat, als je bij mij ben, ik je kussen mag. Want dat is goddelijkheerlijk, maar het is toch maar éen kant van mijn gevoel, een opperste uiting, en symbool van mijn gevoel, maar die dat gevoel toch niet heelemaal uitdrukt. O, ik wou zoo graag bij je zitten met je hand in de mijne, en stil met je praten over allerlei dingen, je heel dikwijis aanziend, altijd met zacht-gevoelig, onbevangen oog. O, zullen we dat later dikwijls doen, als we voor goed bij elkaar zijn? Want je moet het niet vervelend vinden, maar ik moet je nogmaals zeggen, dat ik je liefheb, met de fijnste versprietingen van mijn gedachten, met de subtielste bewegingen van mijn gevoel, overal ben je, overal zit je in, overal merk ik je. Als ik nu eens niet met je geëngageerd was, dan zou mijn zielsgevoel voor je een obsessie worden, iets, dat overal met me meeging, zonder dat ik het ontvluchten kon. Maar nu, o, onbeschrijfelijke zaligheid, weet ik, dat ons van-elkander-verwijderd-zijn alleen maar een tijdelijke kwestie is.
Maar nu heb ik je iets over je zelf te vragen. Mevr. Linn kwam mij gisteren aan de koffie opeens verrassen met de mededeeling, dat ze menschen gesproken had, die jou kenden (wie, heeft ze er niet bij verteld) en die hadden haar verteld, dat jij soms in huis zoo vroolijk kon zijn, zoo lachen en dansen. Is dat zoo, Lief? Ik zou het heel aardig vinden als het zoo was, maar als het niet zoo is, is het mij natuurlijk ook heel goed. Het Fransche vers (die vertaling) heb ik uitgeknipt en zend ik je hierbij. Ik heb van De Jonge Gids maar die ééne aflevering, dus is het praktischer, om je het vers maar op die manier te sturen. Wat je mij vertelt over je zelf vermoedde ik al wel eenigszins, | |
[pagina 178]
| |
maar ik vind 't altijd superbe-heerlijk als je mij zoo schrijft. Je hoeft heusch nooit bang te zijn, dat ik zal probeeren je mijn ‘onderdaan’ te doen zijn. Ik ben zeker, dat we nooit serieuse kwesties met elkaar zullen krijgen, want we zullen alles gevoeld met elkaar bespreken. Zie, liefste Jeanne, ik leg mijn handen zacht over je schouder, en zeg, mij voorover buigend, terwijl ik je diep aanzie: Onwaardeerbare Schat, ik wil één met je zijn in alles en ik zal nooit-in-der-eeuwigheid hard tegen je zijn of koud: waarachtige Liefde lost alle kwesties op in harmonie; er zit absoluut geen valschheid of gemeenheid in mij, zoomin als in jou, dat weet ik, dus alles zal goed gaan. Wil ik je ten slotte eens wat zeggen, wat je misschien aardig zal vinden? Ik voel mij tegenwoordig zoo jong en jolig, door al mijn ledematen als een gezonde jongen van in de twintig, en inwendig voel ik mij net als een kind, maar met de beproefde wijsheid van een volwassen man. Vind je dat nu niet erg pedant van me? Ik eindig nu maar, ik schrijf toch gauw weer. Ik ben zoo goddelijk blij, dat je mij hebt willen hebben! Mag ik je een zoen geven?
Jouw altijd-getrouwe, eigen Willem | |
[Ongedateerd]Lieve Lief, ik denk zoo dikwijls, hoe verschrikkelijk 't is, dat jij in zoo veel moeilijkheden zit, en dat ik er niets aan kan doen. O, ik wou, dat ik je helpen kon, dat ik iets wist, om al die narigheden minder erg te maken voor je. O, je weet niet wat een verdriet me mijn machteloosheid doet. O, weet je, wat ik zoo heel graag wou? Dat ik àl je zorgen weg-nemen kon; want ik ben sterk, heusch sterk daar tegenover, en ze zouden me niet hinderen of moeite geven, want alleen tegenover ònwerkelijke dingen ben ik zwak. En ik zeg dit heusch niet, omdat ik wel weet, dat 't tóch niet gebeuren kan, ik meen het, ik meen het eerlijk, Lief, en ik zou het zoo heerlijk vinden, áls er soms eens iets was, waarin ik je misschien helpen kon, dat je dan niet dacht: ‘Ze zal 't niet kunnen’, of: ‘Ze zal 't naar vinden’, of zoo iets, maar het me in elk geval vroeg. Zal je dat doen. Lief? Wil je me dat beloven? Wat moest ik lachen om dat beweersel van Mevr. Linn over mij! Nu, ik vind 't allesbehalve naar, dat er zóó over me gepraat wordt, want ik was bang, dat er héél andere verhalen van me de rondte | |
[pagina 179]
| |
deden. Je begrijpt wel, dat ik niet altijd zat te kniezen, of een norsch gezicht zette; ik was ook wel eens uiterlijk-vroolijk, zooals jij me ook wel eens hebt gezien, maar meestal kwam daar als ik alleen was, de reactie op. Ik heb ook wel eens kinderlijk-dol gestoeid met mijn broer of met onze goeie Puck. O, ik heb over jou ook al zooveel vertelsels moeten hooren. Iedereen kent je, iedereen weet alles van je af, iedereen is op de hoogte van al je intieme kwesties. Maar ik luister er maar niet naar, of zeg dadelijk bij 't beginnen al, koel en een beetje uit de hoogte: ‘Ik geloof, dat ik dat nu wel 't beste weten zal’, of: ‘Ik geloof, dat ik daar nu wel 't beste over oordeelen kan’, en dan zwijgen ze natuurlijk, een beetje boos, dat hun zoo'n mooie gelegenheid tot nieuwsgierigheidsbevrediging ontnomen wordt. Vervelend, hè, dat eeuwige en eeuwig-onzinnige gepraat, waar dient het voor! - - Als je mij zou vragen, of mijn innerlijk zijn, of dat eigenlijk koel of hartstochtelijk is: het is moeilijk daarover te schrijven, spreken zou veel gemakkelijker zijn, omdat je 't dan dadelijk zou kunnen zeggen, als je me niet begreep. En ik weet ook niet goed, hoe ik 't uitleggen zal. Dit is 't, geloof ik, dat ik lichàmelijk-koel ben, maar gééstelijk soms heel hartstochtelijk kan zijn. Ik geloof eigenlijk niet, dat die twee toestanden zoo absoluut scheidbaar of liever zoo volkomen-tegenovergesteld-zijn aan elkaar, als ik dat nu zoo voorstel, maar ik kan 't niet beter zeggen. Er zijn twee menschen in me: de een is de zichtbaar-levende, de alledaagsche mensch, die de dingen koel en hard bekijkt, en zelfzuchtig-onverschillig is voor alles, wat haar niet heel intiem raakt; de andere is de voor-anderenniet bestaande, de hooge, de superieure, de zielemensch, die heel gevoelig is en heel licht ontroerd, die volkomen-mooi is en vlekkeloos zuiver, en die zichzelve tot den hoogsten hartstocht opvoeren kan. Dit is de mensch in me, die alleen jij, Lief, nauwkeurig kent, dit is de mensch in me, die mijn verzen en proza schrijft. Ik heb je dikwijls opgewonden brieven geschreven, en ook uit sommige van mijn verzen weet je 't, en later als je mijn roman leest, zal je merken, dat ik heel gepassionneerd schrijven kan. Vertel je me eens, of je me begrepen hebt? Ik zou zoo graag weten, of ik duidelijk genoeg ben geweest. Ach, je bent toch zoo'n lieve, goede! Ik houd zoo van je! Voor altijd en altijd jouw eigen Jeanne | |
[pagina 180]
| |
Bij 't nalezen merk ik, dat ik mezelf heel naïef en alsof 't heel natuurlijk was aan 't ophemelen ben geweest. Maar je moet dat maar niet ijdel van me vinden, Lief! Ik praat soms net over me, alsof ik een vreemde ben. | |
[Ongedateerd]Liefste, Aller-beste, Gelukkig, mijn vorige brief is nog kunnen weg-gaan met de post van één uur, maar ik begin nu dadelijk weer, want ik heb je nog allerlei dingen te zeggen. Eerst dank ik je hartelijk voor je uitgeknipte vers, waar ik heel blij mee ben. Lief, je moet nu maar niet te gauw weer verzen van mij in de N.G. publiceeren (ik weet natuurlijk heelemaal niet, of je dat van plan was) want er wordt nú al in de Avondpost gezegd ‘De Nieuwe Gids zit boordevol met verzen van Kloos en zijn aanstaande.’ 't Kan me wel niet veel schelen, maar 't is net, of ik zoo opdringerig ben, vind je ook niet, Lief? Vlak tegenover ons is een straatnaam-bordje aangeslagen, en daarop staat Reinkenstraat; ik zet er dus alleen maar een c te veel in. O, Lief, weet je nog onzen laatsten Zondag? Toen was 't zulk mooi weer, en we wandelden ver op de hei, en de lucht was zoo verrukkelijk: karmozijn en donker violet. En nu zat ik thuis en moest visite ontvangen, en vriendelijk zijn en vermoeiend veel praten... O, Lief, wat maakt 't me gelukkig, als je zoo zegt, dat je je jong en gezond en krachtig voelt tegenwoordig! Ik ben dan Loch we iets voor je, ik kan dus onbewust wel iets voor je zijn, ook al blijf ik er zelf onwetend van, hòe en waardóor? En ik vind 't ook altijd zoo heerlijk, als je zegt, dat je niet alleen om mijn gezicht van me houdt. O, Lief, je schrijft, dat jouw gevoel-voor mij, als we niet verloofd waren, je als een onontkoombare obsessie zou zijn, - en dat is wel 't goddelijkste, wat je me zeggen kan, want dat is 't bewijs van de diepte en echtheid van je gevoel, is 't niet? Lief, zeg me eens, als ik 't nu eens uitmaakte tusschen ons, zou je dan opeens niet meer van me houden? Of tóch nog wel? Dit is mijn derde brief; er bestaat groote kans, dat je ze alle drie tegelijk krijgt, ofschoon ze verzonden zijn om één, drie en tien uur n.m. | |
[pagina 181]
| |
Ik heb Mevr. v. Gogh voor Vincent een boek gestuurd, dat heeft ze zeker wel aardig gevonden.
Jouw eigen Jeanne.
Lief, Lief, Allerliefste-beste, met die malle vraag van me, zooeven, was 't heusch mijn bedoeling niet een naar ding te zeggen, of je verdriet te doen. Dat begrijp je toch wel? Je wéét 't immers als iets onomstootelijk-waars, dat ik nóóit uit mezelf tot breken komen zàl of komen kan, dat daartoe jouw wil noodzakelijk is, en dat je bovendien me dien wil volkomen klaar zeggen moet, rond-uit zeggen moet (zooals je me ook heilig en vast hebt beloofd), want anders zou ik het niet begrijpen, het niet kunnen, niet willen begrijpen. Is 't nu weer goed, nu weer in orde, Lief, en ben je niet boos op me, Lief?
Een zoen van Jeanne | |
Bussum, ParkzichtLiefste, eenige Harteschat,
O, je maakt me zoo gelukkig! Weet je, wát je voor me doen kan? Altijd zoo blijven, als je nu bent. Ik bedoel: je niet meer in koelte terug-trekken na een korte poos. Ik zweer je: ik zal altijd voor jou blijven voelen zooals ik nú doe, maar nóg dieper, nóg sterker, zoo 't mogelijk is. Maar wend je dan ook nooit van me af, - deed je dat, ik zou van de wereld verdwijnen, rustig en stilzwijgend, zonder vloek zelfs of klacht. En van jou zou ik alleen denken: ‘Ze was wankel en voelde niet echt.’ Deze gedachte kwam vanzelf in mij op, toen ik je heerlijke brieven las, die tegelijk kwamen, en die mij zeer gelukkig maakten. Aan jouw kant is het Licht en naar het Licht wil ik heen, en zonder jou omvangt mij de nacht, de eeuwige nacht. O, Jeanne, ik heb nog nooit zoo tegen iemand gesproken, 't is nooit in me opgekomen, al wat ik hier zeg. Het komt nú zoo spontaan-weg, zonder dat ik er eerst over gedacht heb, uit mijn diepste onbewustheid, en dat ik het zoo zeggen moet, omdat ik het voel, bewijst voor mij, dat jij bent de mensch, de vrouw, de eenige, met | |
[pagina 182]
| |
wie het prachtig is, dat ik samen mag zijn, voor haar eigen geluk en voor het mijne. Voel je nu, Jeanne, dat ik, na je verblijf in Bussum, niet nóg waarachtiger, maar wèl nòg dieper en nog meer bewust en nog meer onafwendbaar je-liefhebben-moetend van je houd dan voor dien tijd? Daarom ook zal ik, zonder ophouden, iedere gedachte en elk gevoel van mij met de jouwe vergelijkend en in harmonie brengend een twee-eenheid met je worden in de toekomst, zooals er nog nooit een op de wereld was. Want ik, hoewel niet minder wilskrachtig en sterk, kan toch, - ik zeg het, zonder er eenigszins trotsch op te wezen, - gevoeliger en teer-begrijpender dan de meeste mannen zijn, en daarom geloof ik juist degene te wezen, die bij jou past. Met vertrouwen en liefdevolle sympathie kust je
jouw eigen Willem
Ik vergeet vaak de vriendelijke complimenten te doen aan je Ma en zuster. Doe ze maar altijd, al voeg ik ze er niet bij! | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 183]
| |
wel terug van van Looy’. Ik nam ze natuurlijk dankbaar aan, en Hein inviteerde mij toen tegelijkertijd te eten bij de Coorengels, die vanmiddag Indische rijsttafel hadden. Zoo ging ik met hem mee, en we hadden er een heel gezelligen middag. Jacques en Hugo, de twee jongste broers, zaten samen te praten, en Jeanne, een oudere zuster van 35 jaar, die ik nog weinig zag, trof mij door iets zachtopgewekts, met een melancholischen achtergrond, die haar nog al sympathiek maakte in mijn oog.
Weet je, Jeanne, wat ik o.a. zoo bijzonder van je vind? dat je zoo'n sterk intuïtief gevoel hebt soms van de sombere realiteit, die er liggen kan onder den uiterlijk-aangenamen schijn van de alledaagsche dingen. Dit geeft mij den moed je een intieme confidentie te doen, en je daarover een vraag te stellen. Ik heb altijd lust gehad, om in later jaren heel kalm en objectief het spiritisme te gaan onderzoeken, om te weten, wat er van waar is. Zou jij, in principe, er iets op tegen hebben, om dat gezamenlijk met mij te doen? Spreek maar ronduit, en zeg niet ‘ja’, om mij te pleizieren, want, als jij er geen zin in hebt, doe ik het toch waarschijnlijk alleen, en deel je dan later de resultaten mee. Maar natuurlijk alleen, als je er niets op tegen hebt, dat ik het doe. Je hoeft ook niet bang te zijn, dat ik me door zulke dingen in zal laten palmen, want mijn hoofd is eer te sterk dan te zwak, en eer te ontkennend, dan te goedgeloovig in alle dingen. Ik heb zelfs bij vele menschen den naam, dat ik al te wantrouwend ben. Ofschoon de ondervinding mij juist geleerd heeft, dat ik dikwijls te vertrouwensvol en veel te veel naïef-goedgeloofsch ben geweest. Nu, lieve snoes, nu ga ik naar bed. Ik zal je maar geen zoen geven, want daar houd je niets van. Of neen, ik geef er je toch een, als hij je niet bevalt, dan geef je hem maar terug.
Jouw eigen Willem | |
[pagina 184]
| |
omdat ik je geheel en absoluut en zonder voorbehoud mijn gansche Zielszijn geven wil, omdat ik je liefheb, - Lief, Lief! Bij alles wat ik doe, wat ik denk, wat ik zeg, komt de gedachte aan jou naar voren, - mijn heele gevoelsleven wordt door jou beheerscht. En ik vind het zalig, niet langer vrij te zijn, om al mijn voelen en denken niet meer te houden voor mij alleen, maar ze op te dragen aan jou! O, Lief, hoe komt het toch, dat ik alles schrijven durf en altijd te spreken schroom? Waarom zeg ik toch nooit alles wat ik zoo heel graag wou, - o, zeg, wat weerhoudt me dan? Je had 't misschien zoo graag van me gehoord, dat ik je in lieve woorden mijn liefde zei. Lief, nietwaar? O, àlles was in me, om 't te doen: een groote liefde en een groote teederheid, alleen de kràcht ontbrak. Maar je wist 't, je voelde 't, je merkte 't toch wel, Lief, al kon ik ook niets zeggen, o, jij mijn alles, mijn liefste, mijn eenige. O, 't is zoo wáár, wat je schrijft, dat jij de man ben, het meest voor me geschikt. Ja, 't samenzijn met jou zal me een heerlijkheid zijn, veel heerlijker dan mijn eenzaamheid zelfs; terwijl als ik daar vroeger ooit over dacht, 't me benauwend, beangstigend leek, onmogelijk-om-te verdragen, iets, dat ik afweren moest. En nu, o, Lief, altijd met je te kunnen spreken en om raad te kunnen vragen, altijd je oogen met vriendelijke teederheid op me gericht te zien, - en te hopen dan, dat je, door 't besef van iemand zóó gelukkig te maken, zelf óók gelukkig wordt. O, ik houd van je, ik houd van je, o, Lief, hoor je 't nu? hóór je 't nu? Ik schrijf deze woorden niet, ik zèg ze, ik spreek ze uit! En zeg me: is 't waar, dat mijn liefde je krachtig maakt en gezond en gelukkig? Nu, net als toen we nog samen waren, neem ik je lieve hoofd in mijn armen, en kus het, en streel het zacht, en druk het innig en vast aan mijn borst, zooals tòen. Voor altijd, met mijn wil-en-gevoel-en-verstand jouw eigen Jeanne | |
[pagina 185]
| |
bedoelt, dan wat ik mijn dubbele persoonlijkheid zou kunnen noemen, en wat niets anders is, als wat ieder mensch, geloof ik, heeft, een uiterlijken mensch, dien iedereen ziet, met lichte nuances, al naar de menschen zijn, met wie men op het oogenblik samen is, en een innerlijken mensch, dien ik zelf slechts ken, en die met zichzelf omgaat, zacht-eenvoudig en welmeenend-vriendelijk, zonder overdrijving. Van den laatste wou ik zoo graag, dat je later een beetje houden kon. Je kent hem nog weinig natuurlijk, maar toch wel een beetje, want, zonder dat ik 't mezelf voorneem, breekt hij, bewogen door mijn gevoel voor jou, halverwege naar buiten in mijn omgang met jou, en geeft een beetje dieper leven aan de daden en woorden van den uiterlijken mensch, zoodat jij gerust kunt zeggen, dat jij mij ziet, zooals geen ander mij ziet, en dat ik mij tegenover jou anders toon, dan tegenover alle anderen. Hoe die innerlijke mensch nu is, ik kan er zoo moeilijk over praten, vooral niet in een brief. Maar dit beloof ik je, omdat jij Jeanne en mijn Eenige bent, als wij weer tezamen zijn, mag je mij alle mogelijke vragen doen over den aard van dat innerlijk Wezen, die ik je allen naar waarheid zal beantwoorden. Maar dit kan ik je nu wel alvast er van zeggen, dat hij, met liefhebbende vriendelijkheid behandeld, goedig en zacht en aangenaam is, behulpzaam, troostgevend, goedgeefsch en gelaten. Ik heb dikwijls gewild, dat ik anders was. Want door mijn eenzaamheid met mijzelf en het contrast, dat ik voelde tusschen mij en de wereld, ben ik wel eens in oogenblikkelijke wanhoop, als de boel daarbuiten mij te veel verdrukte, omgeslagen in bitteren spot en trotsche smading en een ziedenden verdelgingslust. Het was alleen mijn getergde kracht, die zich baan brak, als ik het kalm-brutale doen der menschen daarbuiten te lang had geduld. Want in den grond van mijn wezen, als het niet aanhoudend en vermoeiend is geprovoceerd, ben ik heelemaal geen satyricus, maar veeleer gemoedelijk meditatief. Ik schrijf je dit allemaal, opdat je mij beter zult begrijpen. Och, lieve Jeanne, ik heb je eigenlijk maar één ding te vragen: Word nooit op den duur inwendig koel tegen mij. Zie eens, er zullen natuurlijk in ons latere leven wel eens kleine kwesties tusschen ons komen, net zooals in het leven van andere menschen. Ernstige kwesties, dat zweer ik je, zal je van mij nooit te vreezen hebben. Maar als er dan zoo'n kleine kwestie eens mocht komen, och, als wij dan allebei maar voelen: Hij is mijn Willem en zij is mijn Jeanne, | |
[pagina 186]
| |
en de rest van de menschen zijn als een schouwburgvertooning om ons heen, waar wij midden-in zitten, dan zien we elkander aan en glimlachen en worden het eens. Ik verzeker je: spot is heelemaal niet mijn daaglijksch brood, maar alleen een specerij, die soms voor den dag komt, als ik lang en bitter ben gegriefd; en hardheid heb ik alleen, waar ik hardheid ontmoet, maar dan is de mijne ook van ijzer. Vind je nu iets naars of iets antipathieks in wat ik hierover mezelf gezegd heb, zeg het dan, bid ik je, open en ronduit. Ik zal er heusch niet boos om worden, maar nagaan, wat ik aan mezelf veranderen kan, om tot een betere harmonie met jou te komen.
Met een zoen op je hand
jouw Willem-voor-altijd | |
[Ongedateerd]Liefste, ik was een brief aan je begonnen, een niet-aardigen, voorgewend-vroolijken brief, maar bij 't overlezen trof me zelf de gemaakte en daardoor harde toon, en ik stuur hem je dus niet! Ach, Lief, wat is het toch moeilijk te leven! Wat doe ik hier op de wereld, wat ben ik, waarvoor besta ik toch! Ach, ja, jij bent nu wel zoo goed te zeggen, dat ik noodig ben voor jou, maar, ach, dat is eigenlijk maar een gedachte, een meening, een schijn. Want hoe lang heb je geleefd, heb je kùnnen leven, zonder mij, zonder dat je wist, dat ik bestond! En waarom zou ik dan nú opeens iets onmisbaars voor je zijn? Waarom houd je van me? Of liever: waarom dénk je, dat je van me houdt? Weet je, wat liefde is? Weet je, wat geluk is? Ach, 't zijn immers maar woorden. 't Zijn immers maar klanken, maar namen voor begrippen, die nooit iets anders dan ónbestaanbaarheid zijn. O, ik weet niet, wat ik wil, - wat ik zóu willen zelfs! Soms komt er een wilde drang in me op, om je te smeeken: ‘Laat me toch gaan! Verplicht me toch niet tot leven!’... Verbeeld je toch niet, dat je om me treuren zou, - ach, je zou me zóó gauw vergeten! Ik ben maar zoo'n onbeduidend onderdeel van je bestaan, - ach, eigenlijk heelemaal niets! En o, het leven is zoo bruut en zoo wanhopig-banaal en zoo vermoeiend, vermoeiend, o! O, waarom gaan we toch niet samen weg! Waarom slepen we onze zware dagen maar voort, gedwee, en slaafsch, en onderworpen, | |
[pagina 187]
| |
terwijl mij niets aan het leven hecht, en jij zooveel ellenden hebt! O, Lief, samen, sámen, - ach, zeg toch niet, dat het naar is, hierover te spreken! Ik denk hier altijd aan als aan iets heel moois, iets teers, iets van sublieme zuiverheid! O, zalig, zalig, zóó mijn leven te beëindigen! Ik ben een beetje onrustig en gejaagd en hoofdpijnachtig en moe, en houd me daarom minder in, dan ik moest. Maar eens heb je me gevraagd dat toch tegenover jou vooral niet te doen, en dus zal ik dezen toch maar zenden. Morgen schrijf ik beter, bedaarder, ik ga nu gauw naar bed. Dag, Lief! jouw Jeanne
Ik denk, dat mijn droefgeestige stemming voornamelijk komt, doordat ik jou zoo in moeilijkheden weet. Arme Lief! | |
[Ongedateerd]Ja, Lief, ik zal het je maar ronduit zeggen: ik voel 't hoe langer hoe meer, en 't wordt mij iedren dag bewuster, dat jouw bestaan absoluut noodzakelijk is voor het mijne, en ik zou niet buiten je kunnen, nu niet en nooit. En ik zeg dat niet, om je iets aardigs te zeggen, bij wijze van streeling, zooals menschen in ‘minnebrieven’ wel plegen te doen, als ze in een vlaag van passie zijn. Neen, wat ik tegen je zei, dat zeg ik voortdurend in mijzelf met mijn eigen ikheid alleen, kalm maar gelukkig, omdat je niet onverschillig tegen mij bent en mij wilt zien als de inwendig-goede mensch, die ik heusch ben. Mijn grootste fout is wel wat droomerigheid en dat ik meestal meer nadenkend dan handelend ben. Je ziet, dat ik niets voor je verzwijg. Maar dat neemt niet weg, dat ik, als de nood aan den man is, me opricht en handelend optreed, met een accurate preciesheid en een den-spijker-op-den-kop-slaande raakheid, die alles weer in orde brengt. Dat is mij meer dan eens in mijn leven gebeurd. In het daaglijksche leven heb ik den naam van soms nogal naïef te zijn, en je zal dus later wel eens om me moeten lachen, denk ik. Ook ben ik, wat men noemt, een beetje slordig, heelemaal niet het type van een kantoorman. O, Lief, het doet mij eigenlijk voor mijzelf zoo'n pleizier, dat je wel eens naar mij verlangt, al vind ik het treurig voor jou. Maar je kan toch niet sterker verlangen naar mij, dan ik dit naar jou doe. | |
[pagina 188]
| |
Ik wou, dat je hier was, ik heb zulke vervelende dingen, en die maken me vandaag een beetje triest. Ik deed misschien beter met erover te zwijgen, maar dan denk ik weer: zij is niet alleen een gevoelig maar ook een verstandig meisje, en 't is beter, dat ze alles van me weet. Zij zal er toch niet heelemaal door neergeslagen worden. O, Jeanne, ik kan je niet zeggen, hoeveel ik van je houd, hoe diep en innig ik je menschelijk Zijn liefheb, hoe jij een heele wereld voor mij bent. Jij bent voor mij als een open, een zonnige plek in een grauwen nevel, waar ik na veel geworstel eindelijk aan zal landen, en waar ik altijd zal mogen blijven zonder groote of ernstige smart. Maar ik wou, o, zoo graag, dat ik voor jou ook wat mocht, zijn, dat jij mij ook een beetje kon zien in je toekomstige leven als iets vasts en onveranderlijks in wil en gevoel, waar je geheel en al op kunt vertrouwen, en dat alles voor je wil zijn, wat je ook maar verlangen mocht. Ik zou nu deze heele bladzij wel willen volschrijven met niets anders dan: ‘Ik verlang naar je, ik verlang naar je’, en dat zou wel mijn innerlijk Zijn weergeven, maar voor jou was het toch vervelend, om niets anders te zien, en het gaf mij tóch niets. Vanavond schrijf ik hoogstwaarschijnlijk wel weer. Nu moet ik eten. Jouw altijd liefhebbende Willem | |
[Ongedateerd]Lieve, beste, goede Lief, Zooeven vond ik je heerlijken, lieven brief, waar ik o, zoo blij mee ben, omdat hij wel een antwoord schijnt te zijn op den droevigen brief, dien ik je gisteravond zond. Je zal je dien wel niet hebben aangetrokken, want ik sprak ook wel eens zoo, maar je zal er toch wel niet aangenaam door gestemd zijn geworden. En is dat nu niet vreeselijk toevallig, Lief? Jouw brief is afgestempeld 8-9 n.m., dus op denzelfden tijd ongeveer schreef ik aan jou, dat ik op aarde eigenlijk overbodig was, en jij aan mij: ‘jouw bestaan is absoluut noodzakelijk voor het mijne’. Ik kan je niet zeggen, hoeveel goed me dat heeft gedaan, vooral omdat ik na elkaar drie nogal koele, redeneerende brieven van je ontving. En nu beloof ik je, Willem, dat ik mijzelf eens flink aanpakken zal, en jou voortaan niet dadelijk bij elken zweem van geestelijke malaise daarvan op de hoogte brengen zal, ik beloof het | |
[pagina 189]
| |
je, vàst. Het komt ook veel, omdat ik maar aldoor zit niets te doen; daarom zal ik vanmiddag eens uitgaan, en dan een abonnement nemen op de bibliotheek, om overstelpend-veel te kunnen lezen, rijp en groen, door elkaar, als het mijn denken maar overheerscht. Ook zal ik dan een bezoek aan den heer Veenstra gaan brengen. O, Lief, weet je, wat ik nu zoo heel duidelijk voel? Dat je, vóór mijn logeeren in Bussum eigenlijk alleen een abstractie voor me was. En als wij elkaar nu eens nooit meer zagen (en toch geëngageerd bleven, als die toestand bestaanbaar was) dan zou je dat wéér voor me worden, dat voel ik. Ik zou mij wel in den toestand blijven indenken en je altijd alles zeggen, maar ik zou toch niet zoozeer spreken tot den werkelijken mensch, als wel tot een beeld van mijn phantasie, en ik zou me daar niet eens bewust van zijn, net zoo min, als ik dat vroeger was. Maar ik merk het nu zoo sterk, omdat ik weer, net als in 't heel-eerste begin, je uitsluitend over mezelf aan 't schrijven ben, alsof 't geen correspondentie tusschen levende menschen is maar een briefwisseling uit een verhaal. Begrijp je me, Lief? Of ben ik duister? Ik vind 't heerlijk, dat je door de lieve, vriendelijke hulp van Hein, weer ten deele uit de moeilijkheden ben, en ook, dat je verder zoo'n prettigen, gezelligen dag hebt gehad, dat heeft je tenminste tijdelijk een beetje aan je zorgen onttrokken, hè, Lief? O, ik wou toch zóó graag, dat ik je eens ernstig ergens aan helpen kon, maar ik sta in de verte en ben machteloos! En nu je vraag over het Spiritisme. Er is een tijd geweest, dat ik er me vreeselijk voor interesseerde, allerlei werken las op dat gebied en zelfs een spiritistisch tijdschrift, maar 't greep me te veel aan, ik kon 't niet meer uithouden op 't laatst, en eindigde er mee. Maar jij bent natuurlijk geestelijk veel sterker dan ik, en onder goede leiding zou ik er waarschijnlijk ook beter tegen kunnen, dan toen ik aan mijn eigen oordeel overgelaten was. Denk je dat ook niet, Lief? Ach, Willem, zeg toch nooit, dat je eigenlijk, wat je hindert, voor me verzwijgen moet. Het is waar, ik heb je heelemaal geen moed ingesproken of je opgebeurd, en ben zelf integendeel lamentabele brieven aan je gaan schrijven, maar daar moet je maar niet boos of bedroefd om zijn, Liefste, zal je niet? Ik beloof je, dat ik me niet meer zoo erg door mijn stemmingen zal laten beïnvloeden, als ze weer eens komen, - wat de hemel verhoede! | |
[pagina 190]
| |
Ik begin nu weer wat aan mijn thuis gewoon te raken, - ik had in 't begin een gevoel, of ik nú uit logeeren was, en voelde me zoo vreemd en ongewend. Maar dat gaat langzamerhand weer over, ik raak weer in den daaglijkschen sleur. Vanmiddag of zoo schrijf ik je weer. Dag, Liefste, Beste! Met een zoen
jouw eigen Jeanne
Dit wou ik je nog even vragen, Lief, en je moet het niet bête, onnoozel, flauw of kinderachtig of onaardig vinden, hoor, zal je niet? Vind je 't wel prettig, dat ik je zooveel schrijf? Gisteravond kreeg ik opeens de gedachte: Schrijf niet zoo veel, 't verveelt hem een beetje. Is dat zoo, Lief? Toe, zeg 't me eerlijk, wil je? | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 191]
| |
Voel je nu, weet je nu, liefste, dat je niet iets, maar alles in mijn leven beteekent? Voel je nu, dat er kracht van je uitgaat ten goede, die opwekt tot leven, die levensmoed geeft? Want die levensmoed, dien ik kreeg, werd niet veroorzaakt, - dit moet je er bij weten, - door de gedachte, dat ik een meisje had, maar alleen door de gedachte, dat dat meisje Jeanne R.v.S. was, zooals ik haar ken. Geloof me, Jeanne, ik heb je niet alleen lief als vrouw, als zielssterke, heerlijk-aangename, lieve vrouw, maar ook heb ik je diep-lief als mensch.
Geheel en voor altijd
jouw eigen Willem | |
13 Juni '99Allerliefste, Eenige,
Verster heeft wat bij mij zitten praten, en toen was ik heel kalm en gewoon met hem. Maar nu hij weg is, bevangt de emotie mij weer. Want ik heb je treurigen brief gekregen. Lief, droeve Lief, mag ik even tegen je redeneeren? Zie eens. Het Leven, de Werkelijkheid in zijn geheel op zichzelf is natuurlijk noch vroolijk, noch treurig, noch ellendig, noch mooi. 't Is objectief gezien niets als een combinatie van dingen, toestanden en gebeurtenissen. Het wordt alleen naar of prettig, doordat de menschen het zus of zoo zien. En dat komt geheel door de menschen zelf, hun temperament of hunne omstandigheden. Want het leven op zichzelf is noch naar, noch prettig, het wordt zoo alleen door het zien. Of hoe is het anders mogelijk, dat Goethe b.v. het prettig vond, een uiterlijk rustig en kalm man, die toch waarachtig niet in een roes van zelfverbliding leefde. Daarom, o, Jeanne, houd moed. Als wij later altijd samen zijn, dan zal ik natuurlijk veel met je praten en je langzaam-aan mijn levensgevoel geven, waardoor je in je trieste oogenblikken gelaten-berustend, in je vroolijke des te vroolijker wordt. Ik smeek je, Jeanne, geloof in mijn kracht en goeden wil, en houd je aan dat geloof als een anker vast, wanneer de levensweemoed je bevangt. Beloof je dat? En daarom, Jeanne, vraag ik je, tracht wat van mij te houden, probeer of je mij misschien wat | |
[pagina 192]
| |
liefhebben kunt. Want ik houd zoo van je, ik heb je lief. En vraag nu niet waarom, de liefde is geen rekenvraagstuk, maar een gevoel. En dat gevoel wordt veroorzaakt door alles wat je bent, wat er in en aan je is. Dat maakt op mij den indruk, die de ontroering is, die men liefde noemt. De mensch is een complex van geestesbijzonderheden en lichaamsbijzonderheden. Kan ik er nu één uitnemen, en zeggen: ‘Dáárom heb ik je lief?’ Zeker kan ik dat, maar dan zou ik er toch dadelijk bij moeten voegen: Niet alleen hierom, maar ook om al de overige heb ik je óok lief. O, Jeanne, ik heb je lief als geheel. O, Jeanne, ik vraag het je zoo vriendelijk en ernstig: Laat het je wat kracht geven, dat ik je zóó liefheb, en hoop, ik smeek het je, op de toekomst, die, dat zweer ik je, heerlijk zal zijn. Nu moet ik naar Amsterdam voor de zaak met van Looy.
Innig kust je met zachte oogen en de armen teeder om je heen
jouw, je eeuwig liefhebbende
Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, ik ben zoo innig, innig blij met je brief van zooeven. Je moet mijn brief, je weet wel, nu maar heelemaal uit je geheugen zetten, Lief. Het is altijd verkeerd te schrijven, als men onder den indruk van een oogenblikkelijke stemming verkeert, en ik zal dat ook nooit meer doen. Lastig is 't, hè, Lief, zoo'n meisje te hebben, dat zich volstrekt niet beheerschen kan en ieder oogenblik van stemming verandert. Maar je zal zien, als 't weer een poosje verder is, dat ik dan weer heel bestendig en gelijkmatig zal zijn en altijd kalm. O, lieve, beste, aller-liefste, die je ben, om zóó te zeggen, dat mijn-gevoel-voor-jou je moed geeft en levenslust en kracht. O, Lief, moet je je verbéélden, dat ik van je houd? Weet je het dan niet, vast en overtuigd en onwankelbaar-zeker? En een béétje meer om je geven dan om de andere menschen op de wereld? O, Lief! Jij bestaat voor mij heel-alleen, - jij bent de eenige, van wien ik met een altijd blijvende liefde houden kan, naar wien mijn heele leven | |
[pagina t.o. 192]
| |
![]() BRIEF WILLEM KLOOS
| |
[pagina 193]
| |
zich geregeld heeft, aan wien mijn wil, mijn gevoel, mijn verstand zalig-gaarne en in vol bewust-zijn zich overgeven! Weet je 't nu, Willem, goed en voor-altijd: dat ik van je houd met alles wat in mij is, en dat dit nooit, nooit veranderen kan? O, Lief, wat zou ik graag, nu die moeilijke zaak nog niet is opgelost, bij je zijn, en tegen je zeggen: ‘Kom maar hier, in mijn armen en leun je hoofd aan mijn borst! Ik kan je troosten en ik zàl dat doen, door je het vast en veilig gevoel te geven, dat je nóóit meer op de wereld alléén zal zijn, dat er altijd-en-altijd iemand wezen zal, die mèt je en vóór je voelt, die je haar vreugd zal laten meegenieten, die jouw leed als het háre beschouwen zal...’ O, zou je dat steunen en sterken, Lief? Stel 't je dan voor, alsof 't in werkelijkheid gebeurde, voel dan mijn streelen over je haar, en hoor mijn stem.
Nu over heel andere en gewoon-practische dingen. Ik ben bij den heer Veenstra geweest. 't Zal nog wel minstens een maand duren, voor mijn boek klaar is. Alle schuld ligt bij de drukkerij, en hij kan 't er niet vandaan halen, omdat 't geen hand- maar machine-zetwerk is. Ik ben blij, dat ik hem gesproken heb; hij was heel geschikt en vriendelijk, en vroeg om mijn tweeden verzenbundel, dien hij graag al in Augustus zou willen hebben. Bij Noordhoff in Groningen geeft de heer Meerkerk een werkje uit over de Hollandsche literatuur, en nu heeft hij verlof gevraagd, ook een vers uit Impressies te mogen overnemen. En ook werd aan den heer Veenstra een recensie-ex. van Impressies gevraagd, door iemand, die een overzicht van de Hollandsche literatuur moest geven voor een Londensche club. Vind je dat geen aardige dingen? Maar 't mooiste komt nog. Je moet er niet boos om zijn, hoor, (of vind je 't aardig, dat ik zoo word gefêteerd?) maar je hebt me in een van je vorige brieven je sympathie voor Jeanne Coorengel ook wel meegedeeld, dus zal ik je dit geval ook maar opbiechten. Er is namelijk weer iemand op me gecharmeerd geraakt, die me in het vers, dat ik je hiernevens zend, de blijken van zijn gevoelens geeft. Hij adoreert mijn ziel, - ik heb een ‘mooie, teere, vrome, zijën ziel’, - vind je dat eigenlijk niet een beetje gevaarlijk, Willem? Je weet, hoe gevoelig ik voor zielegenegenheid ben. Maar je bent in 't geheel niet jaloersch, is 't wel? Tenminste lang zoo erg niet als ik. Maar ik houd ook meer van jou dan jij van mij, dat weet je. Als je eens in den Haag komt, | |
[pagina 194]
| |
zal ik je het handschriftGa naar voetnoot1) laten zien, en je misschien zeggen, wie het is. Het is dezelfde, die in het Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage een aardige recensie over mij, ik wil zeggen over Impressies geschreven heeft. Maar je moet me heusch, heusch zeggen, hoe jij dit comieke zaakje vindt. Zal je, Lief? Ik zou nog haast het grappigste vergeten: ik ken dien mijnheer Wijnandus persoonlijk niet. Ik denk, dat ik je straks weer schrijven zal. Dag, mijn Beste, Lieve, Goede!
Voor altijd
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Beste, lieve Willem, Nu heb ik je antwoord ontvangen op mijn droevigen brief. En ik dank je er voor. Het was zoo kalm-opbeurend en troostgevend-rustig, o, 't heeft me zoo heel-aangenaam aangedaan. Maar, Lief, je zegt, dat het, 't leven mooi of leelijk zien alleen voortkomt uit den mensch zelf, nietwaar? en dat het leven eigenlijk alleen datgene is, wat de mensch er van maakt. Heb je dat | |
[pagina 195]
| |
zoo niet bedoeld? Maar ik geloof, dat dit alleen wáár zou zijn, als de menschen vrije, op zichzelf staande individuën waren, als het lot en de omstandigheden van ànderen niet zoo overheerschend en diep-ingrijpend op hun eigen leven inwerkten. Wèl geloof ik, dat de eene mensch veel teerder van sentiment is dan de andere en daardoor dieper lijdt zoowel als grooter vreugde heeft, - maar het leven dwingen naar eigen wil, zou, dunkt mij, alleen mogelijk wezen bij volslagen onafhankelijkheid. Zeg me eens. Lief, of ik dit alles verkeerd inzie? Maar nu moet ik je iets vragen, dat me onrustig maakte, en dat me een heel onaangenaam gevoel gegeven heeft. Luister, Willem, ik vertrouw jóu volkomen en onvoorwaardelijk; er is niemand, die over mijn Zijn oordeelen kan, behalve jij, zeg jij me dus ronduit en zonder eenige terughouding, ik smeek je er om, - waarom of je ieder keer tegen me zegt, dat ik niet van je houd. In dezen brief: ‘En daarom, Jeanne, vraag ik je: tracht wat van mij te houden, probeer of je mij misschien wat liefhebben kunt.’ Willem, houd ik dan niet van je, heb ik je dan niet lief? Ik begrijp het niet, ik begrijp het niet! Ik waande mij zoo heel zeker van mijzelf, maar jij maakt mijn twijfel wakker. Wat is liefhebben dan? Wat is dat dan? O, zeg 't me toch, ik smeek je. Als ze waarheid bevat, je bewering, hoe komt het dan, dat die tijd in Bussum zoo rustig en vredig voor me was en vol geluk, - dat ik me daarna niet eens meer thuis voelde in mijn eigen lieve omgeving, dat het dagen en dagen heeft geduurd, eer ik me over de scheiding had heen-gezet, en me misschien zelfs een beetje belachelijk aanstelde, - dat ik bij jou kom om steun en raad, - dat ik jou, jou-alleen alles uit mijn in- en uitwendig leven heb verteld, - hoe komt dat dan? Ik vereer, ik bewonder, ik hoogacht je, om je karakter, je doen, je zijn, - zijn dit geen factoren van liefde? Maak 't me helder, leg 't me uit, Willem, - ik smeek er je om, want ik begrijp het niet! Dit alleen is 't, wat ik je zeggen kan: als jij je niet had ontfermd over mijn lot, dan zou àl mijn energie en levenskracht zijn vergaan, totdat ik levend-dood was geworden, - òf den moed had gehad tot zelf-verlossing. En als jij nu stierf of mij verliet, dan zou ik oogenblikkelijk den dood ingaan, zonder leed, zonder vrees en met bewusten wil. Wat is dan het gevoel, dat ik heb voor jou, - dat ik voor niemand ooit heb gehad dan voor jou heel-alleen, - is het géén liefde? Ik denk en denk over al dat vreemde, maar ik kan niet tot | |
[pagina 196]
| |
klaarheid komen. Zeg me, zèg me dan, wat liefde is! Ik wil het weten, ik moet het weten, van jou, Willem, van jou, omdat ik in jouw woorden als in een evangelie geloof. Zeg me, ik bid je, ik smeek je, zeg me nu eindelijk, eindelijk, waarom je aldoor dat grievende tegen me zegt, en welke, werkelijk-bestaande reden je ervoor opgeven kunt. Zie, ik ben heelemaal kalm, ik put me niet uit in liefdesbetuigingen, waar je toch maar heel weinig waarde aan hecht, omdat je niet gelooft, dat ze gevoeld zijn en echt. O, waarom wil je het niet van me gelooven, Willem, waaròm toch niet! Ik zie mijzelf als een 't eerlijk-meenend, goed-bedoelend en zuiver mensch, - waarom zie jij, Willem, die zegt van me te houden, mij ook niet zoo? Willem, mag ik je nu eens zeggen, wat ik denk? En ik geloof, dat ik hier de waarheid raak: Ik heb den leeftijd, waarop men volwassen is, - ik ben voor mijn eigen gevoel zelfs ouder en levenswijzer dan heel veel vrouwen, die tien of twintig jaar meer tellen dan ik, - en toch geloof ik, dat ik in jouw oogen nog niet genoeg een vrouw ben, nog te veel een meisje, een kind. En daarom, omdat jij nu toevallig ouder bent, geloof je dat meisje, dat kind, nog niet tot een groot gevoel in staat, geloof je niet, dat zij den man liefhebben kan. Is het dit? Dan zal ik er niet meer bedroefd om zijn, want dan is het maar een gedachte, een waan, een meening van je, die vanzelf wel verdwijnen zal. Maar zijn er andere, positiever redenen, ik sméék je, zeg ze me dan en ik zal ze weerleggen. Ik eindig nu voor vanavond. Adieu, mijn lieve, lieve, - o, ik houd wèl van je, ik weet het, ik voel het. O, mijn Lief, mijn arme, lieve, twijfelende Lief! jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 197]
| |
met hem gesproken over de zaak-van Looy, daarna bij de familie Coorengel thee gedronken, en ten slotte hebben ze mij met zijn vieren naar het Centraal Station gebracht, waar ik natuurlijk zeer gevleid door was. Mevrouw is tweeënzestig jaar,
En Willem heeft een goed oogje op haar.
Vind je niet, dat ik mal doe? Dat komt, omdat ze allemaal zoo hartelijk waren, en hartelijkheid heb ik niet al te veel in mijn leven gehad. O, Jeanne, snoes, hartedief, bedenk dat wel terdege, en zeg daarom nooit meer, dat je mij eigenlijk te veel schrijft, door mij te vragen, of ik dat niet vind. Want jouw brieven zijn mij oasen in de woestijn van mijn daaglijksche leven, waar ik doorheen trek met de kameelen, die mijn huisgenooten zijn. Ik loop er heel gedwee naast, en ik ben 't niet, die de kameelen aan de leidsels houd en ze doe loopen, neen, ze mennen mij integendeel, en laten mij draven of galoppeeren, naar het hùn belieft. Want niets is ongeregelder dan dit huishouden, en daar heb ik mij naar te voegen natuurlijk in alle opzichten, of er zou ruzie komen, en ruzie, daar houd ik heelemaal niet van. Ik laat veel liever alles maar over mijn kant gaan, en doe precies, of ik er tevreden mee ben. Want dat ligt nu eenmaal zoo in mijn aard. Heusch, Jeanne, je zult later merken, dat ik heelemaal niet grillig ben, en mij heel goed kan schikken naar de invallen van een ander, als die invallen maar níét zijn: opzettelijk kwaad-bedoeld. Ik ben, geloof ik, wat men noemt, in het dagelijksch leven, een makkelijk mensch. Morgen schrijf ik je wel over de zaak, want ik ben nú een beetje zaken-moe. Over 't geheel waren de resultaten, met Hein, nogal voldoende. Hij is een beste, en wat meer zegt, een goede en een zuiver-eerlijke vent. O, die Coorengel-optocht naar het station. Ik voelde me, toen ik zoo liep, op het Damrak o.a. nog net als een kind, alleen veel sterker, en (lach niet)! wijzer. Dat gevoel van een wijs en gelukkig kind te zijn, heb ik tegenwoordig zoo dikwijls, Lief! En dat komt, o, mijn aangebeden schattebout (excuseer weet het woord s.v.p.) heelemaal alleen door jou en je goddelijke brieven, die mij voeren, als een vlucht zachte duiven-wieken, door de tuinen van je zielsleven rond. Daar zijn wel donkere boschjes en lanen, waar soms een wielewaal melancholisch fluit, maar, och, Lief, 't is toch jouw | |
[pagina 198]
| |
tuin, en alles daarin is mij even lief! Want je moet nooit denken, dat ik een zoogenaamd ‘serieus’ man ben, met dogma's of vooropzettingen, of standpunten of principes. Ik ben niets meer, maar ook niets minder dan een waarachtig-levend mensch, met alleen een paar onwankelbaar vaste dingen, mijn liefde voor jou en mijn gevoel voor wat zuiver en billijk is. Hè, wat heb ik hier veel over me zelf gepraat! Dit moet je het zekerste bewijs zijn, dat ik ontzettend veel van je houd, want dat heb ik nog nooit tegen een ander gedaan. ‘Pleizierig voor mij,’ zal je zeggen, met een pruillip, waar ik heel brutaal een zoen op geef. Word je daarom boos op jouw Willempje? | |
Bussum, 14 Juni '99Liefste,
Je vraagt mij weer, wat liefhebben is. Maar begrijp je nu niet, Lief! dat je met die vraag de dingen op een heel ander vlak, dan waarop ze eigenlijk behooren, overbrengt, en wel, ze van de sfeer der gevoelde dingen naar die der beredeneerde verplaatst? Mijzelf had ik die vraag nog nooit gesteld, en als je mij gevraagd had: heb je mijn neus lief of mijn oogen of mijn gevoel of mijn verstand? dan had ik op alle vier die vragen geantwoord: ‘Ja’. Maar toch heb ik je niet óm die vier dingen lief. Want het zijn slechts een paar van de ontelbare facetten van den edelsteen van het zuiverste water, dien ik mijn liefde voor jou voel te zijn. Neen, 't eenige antwoord, dat eenigszins de waarheid benadert, is, dat ik je liefheb òm de essentie van je totale, volledige Zijn. Ik heb nu zoo nuchter en begrijpelijk mogelijk de reden van mijn gevoel voor jou onder woorden trachten te brengen. Maar nu ook nog dat gevoel zèlf te definieeren! Kan men een kleur, een geur, of een geluid definieeren? Neen, ik kan alleen zeggen, hoe dat gevoel mij tegenover jou maakt. Mijn gevoel drijft mij aan, om altijd dicht bij je te zijn, en zacht en vriendelijk, open en aangenaam, helpend en steunend, en geheel onbaatzuchtig te zijn, zooals ieder mensch, krachtens de hem ingeboren neiging, dat voor zijn eigen ikheid is. Zie, ik heb het je, geloof ik, nog wel eens geschreven: voor mij ben je feitelijk geen ander dan ikzelf. Als je b.v. op je kamertje zit, en het land hebt | |
[pagina 199]
| |
aan je eenzaamheid, weet dan maar heel goed, want het is de waarheid, dat ik die eenzaamheid van jou meevoel uit de verte, en er evenzeer als jij over treur. Ikzelf voel me óók eenzaam, en zit, zooals je weet, in lastige kwesties. Maar ik weet nu, sinds 5 April, door jouw goedheid, dat die eenzaamheid maar een tijdelijke is, en dat ik later, o, heerlijkheid! nooit meer eenzaam zal zijn, want wij zullen samen door het leven gaan, altijd goed en lief en mooi en open en onbevangen jegens elkander voelend en handelend en sprekend; heusch, Liefste, voel dat toch van me: ik ben in het diepst van mijn inwendige heelemaal niet hard of streng of norsch, en met dat diepste van mijn inwendige heb jij alleen te maken. Ik ben onder menschen gewoonlijk nogal strak-bedaard of kalm-hautain (bij sommigen heb ik daarom den naam van ‘trotsch’ te zijn) of nuchter-leuk, maar dat is niets dan een spontaan masker, dat mijn natuur mij spontaan aan de hand doet, om niet door de menschen uit elkaar getrokken of idioot voor den mal gehouden te worden. Want zooals ik diep-inwendig ben, ben ik voor het werkelijke leven eigenlijk een veel te gevoelige, naïeve natuur. Ik heb het nu weer druk over mezelf gehad, maar ik vind het prettig en goed, als je alles weet. Als je er mij maar niet aaklig om vindt! Maar dat doe je niet, wel, liefste? En als ik denk, dat je nog niet zooveel van me houdt, och, Lief! dat komt zoo wel eens in me op, als je klaagt, dat je niet gelukkig bent. Mijn liefde maakt mij toch wèl gelukkig, denk ik dan. Maar alles gaat later beter, als we altijd samen zijn! Je vraagt me, of ik niets voor je weet te doen. Ja, wil je met Latijn beginnen uit jezelf, koop dan zoo'n leercursus, van Servaas de Bruin, geloof ik. Want om met zoo'n gewone grammatica heelemaal in je eentje te beginnen, zou, geloof ik, een beetje ondoenlijk zijn. Zoo'n antieke taal is zoo geheel anders in bouw en vormen dan onze moderne. Als je zoo'n leercursus nam, dan zou ik in onze correspondentie je natuurlijk hier en daar opheldering kunnen geven, waar je die aan me vraagt. Zeg, is dat vers misschien een grap van jezelf? Nu, Jeanne, mooie engel, ík heb je lief zonder grens en verlang zoo verschrikkelijk naar je.
Geheel en al jouw eigen Willem zonder einde | |
[pagina 200]
| |
14 Juni '99Allerliefste Schat,
Ik hoop, dat je mij niet saai hebt gevonden in mijn vorige. Laat ik nu maar wat lichter zijn. Verster is net zoo van mijn kamer gegaan, en voor ik nu naar mijn bed ga, wou ik graag nog wat schrijven voor morgenmiddag. Ik breng dan deze morgen om een uur of half tien op de post. Maar nu moet ik je over iets gerust stellen. Je vraagt me wel eens niet ‘boos’ op je te zijn. Hoe komt de gedachte in je lieve hoofd, dat ik wel eens boos zou kunnen zijn op jòu? Ik ben nog heelemaal nooit boos op je geweest, en ik voel heel innig, dat ik dat nooit zal kunnen worden. Want om boos op iemand te worden, daarvoor moet men, in zijn gedachten, apart van hem gaan staan. En apart in mijn gedachten sta ik nooit van jou. Wees daar toch altijd gerust over, Jeanne. Ik vertrouw je zóó, als ik niet had gedacht, dat ik iemand zou kunnen vertrouwen. En dat maakt mij zoo gelukkig en doet mij het leven heel anders inzien dan tot dusver. Jij bent voor mij de werkelijkheid, en die zal voor ons beiden hoe langer hoe mooier worden, en ik neem alles van je in nederige dankbaarheid aan en in breed-gevoelde verteedering. Want wat was ik zonder jou? Een eenzaam vaartuig op een wilde zee: 't was wel goed-gebouwd en had stevige flanken, zoodat het nog menigen storm kon weerstaan, maar de golven sloegen er toch wild om heen. En nu is het plotseling door jouw wilsmoed in een nooit-vermoede haven des geluks geloopen, waar het nu statig voor anker ligt. Nu ga ik naar bed, het is half twee. Nog even dit: een klein karakteristiekje van je. Je voelt wel krachtig, maar de reflectie volgt onmiddellijk daarop, en je blijft niet naïef en kinderlijk vervuld van je gevoel. Ik heb dat ook een beetje, maar het gevoel behoudt bij mij toch ten slotte de overhand. Mocht het bij jou óók zoo zijn! O, ik wou, dat ik bij je was, dan kwam je van binnen wel in orde waarschijnlijk, door wat ik je zeggen zou. Want dan zou je voelen wat ik zei. Maar op papier staat alles zoo nuchter en koel, omdat de stem ontbreekt.
Jouw liefhebbende Willem. | |
[pagina 201]
| |
[Ongedateerd]Lieve, goede Lief, Om vier uur kreeg ik den brief, dien je gisteravond geschreven, en vanmorgen per spoedbestelling verzonden hebt. Ik ben blij, dat je nogal opgeruimd schreef over je Amsterdamschen tocht. Gelukkig schreef je me, dat het resultaat van de zaak vrij bevredigend was. Die Coorengel-expeditie naar het station moet comiek zijn geweest; dat zal je niet dikwijls overkomen zijn, zoo door engelen te worden begeleid. Nu moet je hierop een fijn en echt-Haagsch complimentje laten volgen, en zeggen: ‘Toch wel: altijd als ik met jou wandelde’, of zoo iets. Of kan je dat niet? Met de lieve, zelf-verzonnen namen in je brief ben ik erg in mijn schik; ik wou, dat je dat meer voor me deed, want ik vind het zoo aardig en aangenaam. Ik eindig nu maar; ik had eigenlijk niets bizonders te zeggen, maar 't zou misschien een beetje vreemd voor je zijn, als er morgenochtend geen brief van me voor je was. O, Lief, ik wou, dat ik rustig werd, en me nooit meer angstig voelde en gejaagd. Ik heb zoo lang gedacht, wat dit toch wezen kon, en nu geloof ik, dat ik het weet. Zie, vroeger was ik vrij, volkomen, - in àl mijn willen en handelen vrij, en ik liet me leven, alleen omdat ik de geruststellende zekerheid had, dat ik heen-gaan kon, dat ik heen-gaan mocht, zoodra ik voelde dat te móeten, en mijn wil krachtig genoeg, mijn moed volkomen was geworden. Maar nu heb ik dat vrede- en moed-gevend bewustzijn, waardoor ik alles verdragen kon, niet meer; nu voel ik me, als 't ware, verplicht tot leven, en dat drukt me zoo, dat slaat me zoo neer. Want nu ben ik niet langer vrij-van-wil; ik moet bestaan, ik moet mijn leven dragen, omdat jij me tracht te doen gelooven, dat mijn dood je een leed zou zijn. Maar luister nu, Lief, naar deze mij, door haar nooit tot een uitslag komen, martelende, afschuwelijke tegenstrijdigheid: ik smacht er naar de vrije heerscheresse te zijn over dood en leven, - en toch, als jij zei: ‘Gá, als je wil, ik zal er geen verdriet van hebben’, dan zou ik rampzalig, radeloos, krankzinnig van ellende zijn. Begrijp je dit alles nu, Lief? Ach toe, zeg me, of je er iets van begrijpt. Ik raak zoo dikwijls in mijn eigen gedachten verward, - ach, toe, Lief, help jij je kleine een beetje?
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 202]
| |
14 Juni '99Ja, Lief! daar begin ik al weer. Ik heb mijn vorige weg-gebracht, en ben toen bij Koderitsch gegaan, aan hetzelfde tafeltje, achter in de zaal, waar wij altijd ons kopje koffie dronken, en houd nu nog een napraatje met je. Wil ik je eens wat zeggen, Lief? Zoodra ik de tweehonderd gulden van Versluys in handen heb voor den 2en druk van mijn 1en Bundel, kom ik in den Haag wonen. Alleen: wanneer zal dat zijn? Moge het heel gauw wezen! Kijk eens, Lief, ik vind het zoo heerlijk voor mijn gevoel en voor mijn bewustzijn, dat jij zooveel dingen met mij gemeen hebt. Ik heb geen enkel ding in je gevonden, waar ik vreemd tegenover sta. En ik ben mij niet bewust, dingen in mij te hebben, waar jij je met je zielszijn van afwenden moet. Of heb jij ze misschien wèl bij mij gevonden? Zeg ze dan gerust vrij-uit, niet in een stemming van een oogenblik, waardoor je de dingen niet geheel objectief ziet, maar met de vaste overtuiging, dat er zoo iets is, en dat je dat hindert. Want ik heb mij zelf heelemaal in mijn macht, en kan op den duur alles aan mij veranderen, wat ik wil, als ik maar zie, dat het noodzakelijk is. En noodzakelijk wordt een verandering voor mij, als jij die serieus verlangt. O, ik wil zoo graag van je overnemen en leeren om des te bruikbaarder en dragelijker te worden voor jou. Want ik wil je gelukkig maken, en jij bezorgt mij de grootste vreugde, die ik ooit gehad heb, dat je mij toestaat om dat te doen.
Zonder terughouding jouw eigen Willem voor altijd
Nog liever wou ik, dat ik nog eens wat te vertalen kreeg, zooals bijvoorbeeld Cyrano. Doch daar is niet veel kans op. Zou Veenstra niet eens wat voor me te vertalen hebben? Dan zou ik des te eer naar den Haag kunnen komen! | |
[pagina 203]
| |
bid ik je, niet jezelf gaan beschuldigen en denken, dat je misschien lastig voor me bent door al die vragen. Want hoor nu eens goed: Ik heb je niet lief om een paar uiterlijkheden, ofschoon ik die liefheb: ik heb je lief om je inwendige mensch-zijn. Je uiterlijk vind ik verrukkelijk-aangenaam, maar daarom heb ik je toch niet in de eerste plaats lief. Zóó zelfs, dat, als je bijv. door de een of andere ziekte plotseling een bochel kreeg (excuseer de gedachte!) dan zou ik dat natuurlijk niets pleizierig vinden, maar ik zou je toch geenszins daarom verlaten, en het zou niet in mij opkomen om te denken: ‘Ik wou maar liever, dat ik haar nooit had ontmoet’. Je ziet, ik zeg dat nu, heel kras en onomschreven, maar ik wou zoo graag duidelijk zijn, zoodat je je niet in mijn gevoel kunt vergissen. En nu moet je ook heelemaal niet denken, dat ik aan jouw gevoel serieus twijfel. Als je niet voor mij voelde, dan had je immers onmogelijk voortdurend zoo kunnen blijven doen, als je gedaan hebt. En als ik mij wat gematigd uitdruk over dat gevoel van jou voor mij, dan is dat niets anders als een soort bescheidenheid. Als ik bijv. schreef: ‘Dat je mij zoo liefhebt’, dan zou ik om mijzelf spontaan gaan glimlachen, want dan sloeg ik een gek figuur in mijn eigen oog. Kijk eens, ik praat hier heel intiem met je over mijn fijnste, halfbewuste gewaarwordingen; dat heb ik nog nooit tegen iemand gedaan, maar jij mag ze weten, en daarom wou ik zoo graag, dat je het voelen ging. Maar nu moet je toch niet denken, dat ik mij inwendig zwak of onzeker voel. Als ik iets voel, niet in opgewondenheid, maar kalm en rustig, dan staat het voor mij vast, en dan is het ook later altijd door de werkelijkheid bewezen en gestaafd. Mijn zoogenaamd intuïtief vermogen is in de meeste gevallen vrij groot. Ik ken je genoeg, om te weten, dat je hier niet met anderen over praat. En daarom durf ik het hier op te schrijven en stuur het jou. Neen, Jeanne, heusch: wees hiervan altijd ten volle verzekerd: Ik geloof in jou. Ik geloof in je vastheid en niet-wispelturigheid; ik geloof, dat je mij een zuiver en goed mensch vindt, zooals ik van mijzelf, heel gewoon, kalm, zonder eenige ijdelheid weet, dat ik dat ben. Ik scheid nu maar uit, want we gaan eten. Dit was niets als een naschrift op mijn vorige. Ik vind het eenigszins onaangenaam, om tot zoo'n praten over mijzelf te komen, zonder dat ik er nu juist in de stemming voor ben. | |
[pagina 204]
| |
O, Jeanne, ik wou, dat ik bij je was! Ik ben vandaag bij oogenblikken een beetje ontstemd, als ik aan het volgende denk. Verbeeld je, wat er gebeurd is. Boven mijn schrijftafel, die naast het raam staat, hingen twee portretten van Boeken, zooals je weet. Nu is één ervan, terwijl ik naar Amsterdam was, verdwenen, zoodat er dus nu nog maar één hangt, dat, wat ik in de plaats hing van het portret van mij, wat ik jou gaf. Hoe is dat mogelijk, zal je vragen. Ik begrijp het óók niet.
Innig zacht kust je
jouw liefh. Willem | |
14 Juni '99Liefste, ik voel mij vanavond een beetje triest. Dat is gekomen na den eten, want daarvóór was ik heel rustig en gewoon. De oorzaak zal wel een physische zijn, want er is in dien tijd niets bijzonders gebeurd, dat mij zoo kan maken. Nu weet ik zeker, dat, als ik in den Haag woonde, en met jou dus nu wandelde of zat, dat ik mij dan niet zoo zou voelen, maar kalm en rustig worden, onder schertsend of lief gepraat. O, Jeanne, ik voel het zoo: mijn diepste onbewustheid heeft jou oppermachtig lief! En de eenige, maar wondergroote troost, die mij belet moedeloos in mijzelf weg te zinken, is de gedachte, dat je je niet onverschillig voor mij voelt, dat je mij liefhebt, ('t komt er nu tóch uit!) en dat je samen met mij door 't leven wilt gaan. Je kunt hieruit afleiden, dat ik, als jij die droevige stemmingen hebt, diep met je sympathiseer, en je volstrekt niet kinderachtig of hinderlijk vind. Want zie! dit moet je goed van mij weten: ik heb je volstrekt niet gevraagd, in de hoop om altijd met je of door je pleizier te hebben. Want zie eens, Jeanne, gooi eens alles van je weg, zoodat je geestelijk-naakt voor mij staat en er niets anders van je is overgebleven als de mensch diep-in-je, die nu eens met zacht-peinzende, dan weer met trotsch-sterke aandoening zegt: ‘Ik, ik, wie ben ik toch, wat doe ik hier toch?’ - welnu, die Ik, die dat zegt, die heb ik lief, tot die voel ik me wonderbaar-sterk aangetrokken, met die wil ik samen zijn in vreugde en verdriet, die wil ik troosten en sterken en verblijden, zooals ik hoop en weet, | |
[pagina 205]
| |
dat ook mijn eenzaam Ik het door jóu zal worden. O, voel het toch! Ik tracht door den wisselenden schijn, dien men werkelijkheid noemt, heen te dringen en te naderen je eigenlijke Ik dat meestal verborgen is, zelfs voor jezelf, en daar zeg ik tegen: ‘Onbekende grootheid, die zit binnen-in alles wat ik van Jeanne merk, maar die ik zelf niet kan bemerken, die ik slechts kan vermoeden als te zijn de levende kracht, die achter al haar woorden en gedachten en daden en aandoeningen zit en die ze drijft, Onbekende Macht, jou heb ik lief met gevoelde en toch bewuste overgave van mijn diepste Zijn, jou zal ik helpen en steunen en vreugde geven met alles wat er uit mij maar kan voortkomen’. En ik zweer je, je kunt mij geheel en absoluut en ten allen tijde vertrouwen, zooals ik het jou ook volkomen doe. Zeg me eens openhartig, lieve Jeanne, vind je mij nu zwaar of vervelend of onbegrijpelijk, nu ik zóó tot je spreek? Ik voel en meen het heel sterk, al wat ik gezegd heb. Maar nu keer ik weer meer tot de oppervlakte der dingen terug. Ik heb nog nooit zoo tegen iemand gesproken, maar nu doe ik het tegen jou, omdat mijn onbewustheid het mij doet zeggen en omdat zelfs mijn nuchterste verstand het beaamt. Jeanne, wil je hebben, dat ik zóó van je houd? Ik wou zoo graag met je omgaan, zooals ik met mezelf doe. En dat zal je misschien goed vinden, als ik je verzeker, dat ik mezelf ook nooit iets wijs maak, mezelf nooit vlei, maar alleen er soms medelijden mee heb. Het land aan mezelf hoef ik gelukkig nooit te hebben; alleen zou ik natuurlijk veel liever en inniger en hartelijker tegen jou zijn, dan het ooit in me opkomt tegen mezelf te wezen. Zou je dat goed vinden, liefste? Och, Lief! ik verlang zoo naar jou! Ik heb zoo'n behoefte, dat voel ik, aan je verstandig-troostende woorden en je bemoedigenden blik. Ik wou zoo graag, dat je je hand op mijn schouder legde, en met je andere de mijne nam, en dan zacht zei: Willem, Willem, 't is immers niets van belang, en over een poos ben je dat allemaal vergeten en lacht er in de herinnering zelf om.
Jouw eigen Willem-voor-altijd | |
[pagina 206]
| |
mee vergenoegen, Lief! Je weet, dat ik nooit anders kan zijn dan ik ben, dat ik nooit anders kan doen, dan ik doe, - en heusch, ik wéét, dat alles wat ik zeg, goed-gemeend is en oprecht-gevoeld. Ach, neen, Lief, er is niets, absoluut niets in je, wat ik graag anders zou zien, je bent heelemaal, met àlles, wat je denkt en voelt en doet en zegt, zooals ik het 't liefste had, dat je was. En ik zou het ontzettend vreeselijk en ónverdragelijk vinden, als je veranderen ging. O, ik vind het goddelijk, dat je zoo over jezelf schrijft als je doet; het zijn allemaal dingen, die ik wel vermoedde van je, en die nu door jezelf bevestigd worden. En ik kan je niet zeggen, hoe onbeschrijflijk-heerlijk ik het vind, als je spreekt over jouw gevoel voor mij, dat dat niet alleen uiterlijk is. Want ik zou het afschuwelijk en onuitstaanbaar en haast een reden om niet van jou te houden vinden, als jij alleen maar van me hield om mijn gezicht of mij uiterlijke doen, en heelemaal niets gaf om het innerlijk blijvende-mooie. Zie je, Lief, dat maakt me zoo kalm-blij en rustig-gelukkig, dat je zóó van me houdt. Ik eindig nu maar. Dag, mijn lieve, beste, mijn goede Lief! Een hartelijken zoen van jouw eigen Jeanne
O, ja, met dat Latijn leeren bedoelde ik niet, dat ik zelf met een grammatica wou gaan tobben. Want voor zoo iets, waar alles alleen op jezelf aankomt, voel ik me heusch niet in staat. Maar of ik les er in zou gaan nemen, bedoelde ik. Wat denk je er van, Lief? Zal ik? | |
Bussum, Villa ParkzichtJa, Lief, daar begin ik al weer, nauwelijks van de post gekomen. Maar het is wel een beetje je eigen schuld. Want je hebt me geschreven, dat je mijn brieven prettig vindt, en nu ga ik maar door, ofschoon ik het tegenovergestelde van een praat-graag ben, en me bijna nooit tegen iemand uit, dan alleen voor de allernoodigste dingen. Nog eerst eens over dat Latijn: als je Latijnsche les wil gaan nemen, ik zal 't je niet afraden, ik zou het zelfs heel goed vinden, maar ik weet niet, of je 't volhouden zou. Als je 't goed vindt voor afleiding van je gedachten, om je een uur of drie bijv. per dag | |
[pagina 207]
| |
in de moeielijke grammatische beginselen te verdiepen, die zoo veel verschillen van die van alle moderne talen, dan zou ik willen zeggen: Probeer het maar eens. Je krijgt er misschien wat inwendige rust door, als je je wilskracht daarop richt. Als ik wist, dat je 't deed, dan zou je er mij natuurlijk heel veel pleizier mee doen, en prachtige resultaten voor een nog volmaaktere zielsuiting van je zelf, zou je er op den duur zeker óok van hebben, maar het eerste begin, vóordat je er aan gewend bent, zal je misschien verbazen door zijn ongedachte moeielijkheid, die een heel andere is dan bij moderne talen, en je misschien zou afschrikken om door te gaan. Je ziet: ik verberg je er niets over en stel het je niet van de gunstigste zijde voor. Maar, zooals ik je zeg, als je zin hebt, probeer het eens, een drie maanden bijvoorbeeld. Maar er is wilskracht toe noodig en doorzettingsvermogen, want de eigenlijk-gezegde aesthetische resultaten, waar je 't om doen wilt, zijn in den beginne zoo goed als niets. Nu wou ik je even een intieme vraag doen, waar je misschien om lachen zult. Lief, houd je van de zee? De zee is voor mij het zichtbare mysterie, dat juist, doordat het gezien wordt, mysterie is. Ik ben er stil-dol op, en als ik in den Haag woon, kan je er zeker van zijn, ben ik dikwijls aan 't strand. De zee maakt mij, als ik er ben, weemoedig en grootsch en stil-diep-innig; ik vind er iets van mijn eigen ziel in, en als ik zoo aan 't strand loop, verbeeld ik mij dikwijls te zijn een aan land gespoelde, en daar in de boeien van overhemd en handschoenen en manchetten vast-gelegde zeemeerman. De zee is net als het gevoel der liefde, dat begrijpen we ook niet, daar kunnen we ook niet over redeneeren, en voor den banale is het heel banaal, maar als men de liefde echt voelt, dan wordt zij net, als wanneer men gevoelig naar de zee ziet, onbegrijpelijk-grandioos en wonderbaar.
Verster is bij me geweest. Hij had ontelbaar veel grappen. Hij gaat waarschijnlijk, met October, ook van Parkzicht weg naar Amsterdam, waar hij een goede betrekking heeft gekregen. Wat duurt dat vreeselijk lang met je nieuwen roman. Aan De Heer van de State ben ik nog niet eens kunnen beginner. Ik ben zoo verschrikkelijk gepreoccpeerd door de zaak v. Looy en door de nog bestaande onzekerheid over mijn spoedig gaan naar den Haag.
Jouw Willem | |
[pagina 208]
| |
[Ongedateerd]Liefste, Ik heb je vannacht een brief geschreven. Maar tot mijn groote blijdschap vond ik hem vanmorgen nog, want ik wou je hem liever niet zenden, omdat hij zoo opgewonden en zoo hartstochtelijk is. Later, als ik je eens persoonlijk zie, zal ik je hem geven, je mag hem dan als een lyrisch prozastuk beschouwen en er om lachen als je er lust in hebt. Nu zou je er misschien minder prettig door worden aangedaan, als ik er niet was, om er dadelijk mondeling iets op te laten volgen, begrijp je? Maar nu over je brief, dien je bij Koderitsch schreef. Jij hier in den Haag komen wonen, o, zalig! Je schrijft: of Veenstra niet iets voor je te vertalen heeft. Maar, Lief!... als ik hem eens iets voorstelde te vertalen, en je het honorarium gaf als voorschot op de tweehonderd gld. die je voor dien herdruk krijgt. Dan waren we beiden geholpen. Ik omdat ik snak naar werk (voor Haagsche schetsen en dames-rubrieken voor de Hofstad, waar Veenstra me voortdurend om vraagt, heb ik, sinds mijn engagement geen equilibre genoeg, om serieus te kunnen werken, maar vertalen, dat zou, dunkt me, wel gaan; den mij door Nederland gevraagden roman kan ik nu toch niet schrijven.) En jij zou eerder in den Haag kunnen komen, want wie weet, wanneer die herdruk verschijnt.Ga naar voetnoot1) Wat denk je van deze oplossing? Wat je schrijft over het portret van Boeken, dat kan toch niet zijn weg-genomen. Kan 't niet zijn, dat 't los-geraakt is, en onder je papieren gekomen? Ik zeg dit, omdat 't juist 't portret is, dat je er hing in de plaats van dat van jezelf, en je 't dien middag misschien niet zoo heel stevig bevestigd hebt. Ja, Lief, ik vind 't wel erg vleiend, dat je me voor zoo geestig houdt, om dat vers zelf als grap te verzinnen, maar 't is toch, op mijn woord van eer, een echte, mij gebrachte ‘hulde’. Ik denk, dat ik vanmiddag weer schrijven zal. Een zoen van
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 209]
| |
mijner woorden, dan zou je je wel langzaam-aan anders gaan voelen en je zou eindigen met te zeggen: ‘O, Willem, ik ben weer gerust.’ Maar je kunt nu zoo weinig voelen, dat ik je liefheb: brieven zijn zoo'n gebrekkig middel van uiting, de stem doet veel meer... Als ik nu niet zelf zoo in de kwesties zat, die je weet, dan kwam ik een dagje over naar den Haag. Als die kwestie nu maar eenmaal uit de wereld is, dan doe ik het toch. Wat dacht je dan, Jeanne, dat ik niet popel om naar je toe te komen en met je te praten, en je de overtuiging te geven, die ik nu schrijven ga? Zie, je moet absoluut nooit denken, dat ik je klagerig of zeurderig of kinderachtig vind. De meeste mannen zijn betrekkelijk-grove potentaten, en zouden 't mogelijk wel even denken. Maar ik ben gelukkig teerder en fijner georganiseerd dan de meesten. Dat grof-potentaterige nu hindert jou, en zoo heb je in een gedeelte van je ziel een beetje antipathie tegen den omgang met een man. Maar nu ben ik door mijn bijzonder temperament juist zóó, dat de antipathie voor een man, die jij soms hebt, heelemaal kan verdwijnen en 't ook zàl, als je mij maar beter kent. Want ik kan, waar 't noodig is, hard en onwrikbaar als steen zijn tegen mannen, en dan wordt niemand mij op den duur de baas. Tenminste tot dusverre is het niet gebeurd, en dat zal nu des te minder gebeuren, nu ik in de volle kracht van mijn leven sta. Maar aan den anderen kant ben ik, hoewel niet week of slap (weekheid is ook meer een impressionabiliteit voor gevoelsindrukken dan een waarachtige gevoeligheid) toch zoo menschelijk-gevoelig als ik meen, dat weinig andere mannen zijn. Daarom geloof ik, als wij voortdurend samen zijn, zullen die gedachtenconflicten nooit meer bij je opkomen. Je zal meer sympathie voor mij krijgen, dan je nu bij mogelijkheid kunt hebben, en je zult niet in de eerste plaats den man in mij zien, maar den mensch, den vriendelijken, aangenamen, ook naar 't inwendige, den menschelijken mensch. Als je dien eenmaal kent, dan zullen je gedachten zich heel anders richten en regelen, en je zult zeggen: ‘Ik wil leven voor hèm, zooals hij 't voor mij doet, wij maken elkaar gelukkig, wat komen dan al die andere dingen er op aan?’ Want, zie eens, Jeanne, ik laat mij immers net zoo goed aan banden leggen als jij dat doet? Als men tenminste banden kan noemen de dingen, voortkomende uit onzen eigen innerlijken zieledrang, die mij net zoo goed naar jou heeft heen gedreven als jou naar mij! | |
[pagina 210]
| |
Ik kan en mag óók niet meer beschikken over mijn eigen leven en dood. Maar wat kan mij dat schelen? Ik heb de liefde, en die houdt mij in 't leven, zoolang ik die liefde, de groote en goede, in mij voel. De liefde bezielt al mijn woorden en daden en gedachten, die met jou in betrekking staan, en daardoor ook nog een beetje al de andere, die niet direct met jou te maken hebben. Wat kan mij dan eigenlijk au fond de kwestie schelen, of ik niet meer vrij ben in den vroegeren zin des woords? Is dan dat dilemma, waarvoor je staat, niet een beetje een koel gedachten-dilemma, veroorzaakt doordat ik zoo ver van je weg ben, en je mij niet meer zóó levend voelt, als in die heerlijke vijf weken, dat je met mij was? Zeg mij toch, ja, dat smeek ik je, welken indruk deze brief op je nalaat. Het is geen berekend gedachten-werk: hij kwam zoo in mij op, toen ik de jouwe gelezen had. Eerst wou het er niet goed bij mij uitkomen. Maar nu staat het er toch, goddank!
Jouw eigen
Willem | |
[Ongedateerd]Lieve, beste Willem, Vandaag heb ik vijf brieven van je ontvangen, maar gisteren maar één; er waren drie brieven tegelijk van je vanmorgen, van drie, vijf en acht uur. Wat spijt 't me, dat die zaak nog altijd niet in orde is, wat zal dat je vermoeien en agiteeren! Ach, Lief, ik wou, dat ik je echt wat troost kon geven, wat opbeuring en wat moed, en ik doe niets anders dan je hinderen en lastig vallen met bepeinzingen over mijzelf! Maar ik kan 't heusch niet helpen, ik kom er zoo vanzelf toe, alles aan jou te klagen, en bij jou te komen om steun. O, Lief! alles wat je zegt, is zoo begrijpelijk voor me en zoo heerlijk helder en zoo dóór-dringend tot mijn diepste Zelf! Er is nooit iemand geweest, die zóó tot me gesproken heeft, in zóó klare woorden, die voortkwamen uit 't diepst van zijn ziel! En ik ben er je zoo dankbaar voor. Want al meer en meer valt alle terughouding van me weg, en ik toon mij aan je, geheel, zooals niemand weet dat ik ben, dan ik zelf heel-alleen en dat nog maar half-bewust. O, Lief, je zegt, dat ik reflectief-gevoelig ben, - is dát de onvolkomenheid, die ik wéét, dat in me bestaat, en waar ik al zóó | |
[pagina 211]
| |
lang naar zoek? Is het dit: dat mijn gevoel wordt geleid door mijn verstand, en dat mijn gevoel wèl hevig is, maar ook snel weer voorbij door de overheersching van mijn verstand, dat ik meer denkster dan droomster ben? Willem, wat zijn brieven toch nare, onvolmaakte middelen tot het doel: het onderhouden van een volledige gedachten-wisseling! Het zijn maar kleine, niet-geregeld-aan-elkaar-passende stukjes van ons zieleleven, - onaf en dikwijls onbegrijpelijk daardoor. Brieven zeggen veel te weinig, óf veel te veel, omdat alles moet worden saam-gewrongen in een beknopten vorm; men krijgt er niet onmiddellijk antwoord op, zoodat dáár weer een direct gezegde op volgen kan, - en kómt het antwoord eindelijk, dan is het van veel minder belang, dan het oogenblikkelijk zou zijn geweest, omdat in dien tusschentijd weer heel andere onderwerpen zijn geëntameerd. Ik houd niets van brieven, tenminste nú niet meer, nu ik de waarde ken van het gesproken woord; ik kan er niet goed meer aan wennen, nu ik aan je gesprekken gewoon ben geraakt. En jij bent in je brieven veel koeler en meer-op-een-afstand, dan je dat ooit in werkelijkheid was. En dan ben je me zoo vreemd en lijkt zóó ver van me verwijderd, dat ik allerlei gezegden en daden van je in mijn geheugen moet oproepen, om te weten, dat jij de mensch bent, dien ik eeniglijk liefheb met alles wat in mij is, en die óók zegt te houden van mij, - de mensch, die mij van alle andere menschen op de heele wereld het naast is, het állernaast. Als ik aan je denk, is 't soms net, of je twee verschillende mannen ben; de eene was 't, die met levende lippen mijn handen kuste, die mij liet gelooven, dat ik hem gelukkig maakte, en die soms opeens, een beetje weemoedig, zeggen kon: ‘Je wéét niet, hoeveel ik van je houd’. De andere staat van me af, en praat tegen me, heel vriendelijk en welwillend, soms ook een beetje kalm-verstandig en koel, over allerlei kwesties van gevoel en verstand, - hij geeft mij practischen raad, en helpt me, waar hij kan; hij is geen minnaar, maar een hartelijk vriend, - hij zegt wel eens gevoelde dingen, maar meestal zijn ze beredeneerd. De eerste man is de man van het ongesproken woord, dat vermoed en gevoeld moet worden - de tweede is de man van het uitgesprokene. En daar sta ik soms een beetje vreemd tegenover, - hij is mij niet zoo na, ik ben niet zoo eigen met hem. Begrijp je dit, Lief, alles wat ik hier heb gezegd? Of heb ik me weer, op Jeanne's manier, heel dwaas aangesteld? Ach, toe, ver- | |
[pagina 212]
| |
geef 't me maar! Ik vind 't zoo heerlijk, dat ik mijn gedachten voor jou heelemaal niet hoef in te houden, en dat je ze lezen en er met me over spreken wilt. O, Lief! Lief! ik kan soms zoo ontzettend verlangen naar zoo'n avond-wandeling met jou! Mis je me ook nog een beetje, Lief? of is alles weer gewoon zooals vroeger bij jou? ben je al weer aan mijn weg-zijn gewend? Toe, zeg eens van neen! Dag, liefste, beste!
Voor altijd
jouw Jeanne | |
Bussum, 15 Juni '99O, Lief, houd toch een beetje moed! Jouw treurigheid is er eene van gedachten-kwesties, maar de mijne is er een van de realiteit. De zaak met v. Looy is nog niet afgeloopen. Je hoeft er je heusch niet naar over te maken, 't zal wel weer met een ‘sisser’ eindigen; en ik vertel het je maar, in de hoop, dat het je een beetje aan je eigen gedachte-dingen onttrekt. O, Jeanne, ik wou, dat je één oogenblik in mij kon zitten, dat je mij kon wezen, dan zou je weten, hoe opperst-mooi en zuiver ik voor je voel. Geeft je dat dan niet een gerust gevoel? Zie, ik heb tegenwoordig twee levens apart in mij: mijn liefde voor jou en de reëele moeilijkheden. Die kunnen wel eenigszins op elkander inwerken, maar het blijven toch gescheiden machten, die naast elkander staan. O, Jeanne, je zou 't zoo heerlijk vinden, en je zou zelf gelukkig zijn, als je mijn-liefde-voor-jou kon voelen! en je zou gaan lachen als een blij, onbevangen kind. En je zou het leven aannemen, als een bloem doet, die óók zonneschijn en dauw en alles aanneemt, zonder zich te verdiepen in eigenlijk onvruchtbare kwesties. Ik geloof trouwhartig en oprecht, dat je van me houdt, en ik weet van mij zelf, dat ik jou met mijn geheele Zijn aanbid. Waarom laat je je dan niet op dat dubbele bewustzijn van je wiegen (want jij bent je die twee dingen nu toch óók bewust) en noopt op de toekomst, die je aan al je tegenwoordige innerlijke ellende zal ontheffen, en je leven zal maken, wonderheerlijk en mooi en groot? O, Jeanne, als ik nu bij je was, dan weet ik, dat ik door een half uur met je te spreken, gevoelig-verstandig en groot-open-mooi, je de over- | |
[pagina 213]
| |
tuiging kon geven en het zalige bewustzijn, dat je eigenlijk gelukkig was, en dat al je ongeluk niets anders is dan een hersenschim. Daarom vind ik je vertaal-plan zoo goddelijk-grandioos, - maar mag ik dat van je vergen? Nu moet ik eindigen. En ik wou haast zeggen, zooals de Katholieken doen: Bid voor mij, want de zaak spant nu heel erg.
Je liefhebbende
Willem | |
[Ongedateerd]Liefste, Allerliefste, Ik voel, dat 't werkelijk waar is: al mijn ontevreden-zijn, mijn leed, mijn levensweeheid komt alleen uit mijzèlf, en niet uit omstandigheden, uit natuurlijke oorzaken. Maar... o, Lief, daardoor drukken ze zoo! Begrijp je dat niet? dat juist dat vreemde, zwevende, eigenlijk niet-bestaande me aangrijpt en verontrust? 't Is zoo'n ongelukkig psychologisch verschijnsel in me, dat ik mijn geluk niet waardeeren kan, en als 't ware per se verdriet hebben wil. Heusch, Lief, je zal 't niet gelooven van me, maar soms zou ik werkelijk wenschen iets reëels te hebben, waartegen ik strijden en dat ik overwinnen moest. Want aan de toevallig in mijn leven voorkomende kwesties heb ik gemerkt, dat zoo iets me juist geestelijk-sterk en krachtig-in-staat-tot-handelen maakt. Maar dit gezochte, gemaakte, neen, eigenlijk vanzelf-in-mij-ontstaande verdriet, dit maakt me angstig en zwak, en ontneemt me mijn weerstandsvermogen. Je zal wel niet veel begrepen hebben van die plotselinge ontboezeming in een vorige over die twee verschillende mannen in je. Ach, ze zijn eigenlijk precies dezelfden, volkomen aan elkaar gelijk: alleen, ik zag den een, den ander zie ik niet, dat is het verschil. Zie je, dáárom haat ik brieven zoo, omdat alles er zoo duidelijk, zoo afgepast en zoo juist-omschrijvend in moet worden gezegd, waar een klank-van-de-stem, een hand-beweging, een wenk-van-het-oog voldoende om elkaar te begrijpen zou zijn geweest. En ik voel, dat ik niet meer zoo onbevangen en open en natuurlijk schrijven kan als vóór 4 Mei, toen ik nog eigenlijk je mensch-zijn niet kende en alleen omging met je geestelijk-zijn. Nu is er onbewust aldoor de gedachte in me: wat zal hij hiervan denken? welke gewaarwording | |
[pagina 214]
| |
zal dit hem geven? En ik schrijf je nu óók wel alles, wat er in me opkomt en omgaat, maar 't is niet meer zoo spontaan, zoo naïef, zoo onwillekeurig, als tóen. Ik denk, dat het wel weer beter zal gaan, als we maar eerst weer een langere poos hebben gecorrespondeerd, als ik daar weer heelemaal aan gewend ben geraakt. O, Lief, wat ben je toch goed en lief voor me en vriendelijk en zacht, door me zóó te antwoorden op al mijn je hinderend en vervelend geklaag. O, Lief, ik houd van je, ik houd-van-je-door-alles-heen, en ik geloof het nu vast, ik vòel het nu, dat jij me gelukkig kan maken. En Willem, - ik sméék je me te gelooven: ik zeg dit niet in het blijde gevoel van bevredigd egoïsme, maar omdat ik wéét, omdat ik er in 't diepst van mijn ziel van ben overtuigd, dat ik, wanneer ik me krachtig en vrij-van-leed, en dus wèrkelijk gelukkig voel, voor jou alles kan zijn, o, alles, wat je verlangen mocht, en dat ik jou dan 't geluk kan geven, dat je van mijn liefde verwacht, ja, dat je, als een je toekomend recht eischen mag!
Voor altijd-en-altijd
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 215]
| |
Maar nu begint de ernst, die in den vorm ook ernst is, want, Jeanne, lieve Jeanne, ik heb je een heel ernstige vraag te doen, die jij mij ook zoo dikwijls hebt gesteld: Jeanne, weet jij wat de Liefde is? Ik heb over die vraag gewetensvol nagedacht en ben tot de volgende conclusie gekomen: Liefde is het voortdurend verlangen om altijd heel dicht bij je meisje te zijn. Nu ja, zal je zeggen, dat wou je alleen maar, om me veel te kunnen zoenen. En dan antwoord ik daar weer op: Nu ja, nu ja, daar kan wel wat van aan zijn, want dat doe ik jou vreeselijk graag, zóó graag, dat ik het wel den heelen dag zou willen doen, altijd maar door, zonder ooit op te houden. Maar zoenen is toch niet de heele liefde, want, weet je, wat ik ook zoo verrukkelijk zou vinden? Als je den heelen avond bijv. tegenover me zat, en je deed dan, wat je toevallig te doen had, en ik, van mijn kant, werkte naar hartelust, en keek maar alleen naar je van tijd tot tijd, naar waar je zat, aan den overkant van de tafel, en wisselde, ook van tijd tot tijd, een paar aangename woorden met je, vragend bijv.: ‘Heb je misschien nog een kopje thee?’ Nu weet ik, wat je denkt: ‘Wat is die Willem toch eigenlijk saai, om zulke fantasietjes in zijn hoofd te halen! Is dàt nu een dichter? Hij lijkt veel meer op den directeur van een levensverzekeringmaatschappij. Die zitten ook met hun gerespecteerde gades thee te drinken uit den treure, en lezen daarbij, onder langzaam omslaan, De Nieuwe Rotterdammer of Het Handelsblad’. Maar ik zeg maar: Ja, Jeanne, dat komt er van, als een meisje luistert naar het aanzoek van een veertigjarig man.
Je zal dit zeker wel een raren brief vinden, en ik had je eigenlijk alleen maar willen zeggen, dat ik zoo vreeselijk véél van huiselijkheid houd. Nu is mijn papier vol en 't is één-uur-in-den-nacht. Ik voelde behoefte, even in-den-geest tenminste met je om te gaan. Nu kus ik je goeden nacht, met lief-ziende oogen, en ga naar mijn bedje, dat al lang op mij wacht.
Geheel jouw eigendom Willem
Ik ben nog vol van je prachtige plan, zoo lief en subtiel bedacht. Ik ben je zeer dankbaar, als ik dat zeggen mag? Weet je al wat je kan opgeven als vertaalwerk voor jou aan Veenstra? | |
[pagina 216]
| |
16 Juni '99Liefste schat, eenig-lieve en -ware en -goede,
Juist toen ik mijn vorige op de post had gebracht, kwam er een pakket uit Antwerpen voor me met vijftien overdrukken van mijn portret, dat ik voor de Vlaamsche School had afgestaan. Ik stuur je hierbij twee exemplaren op verschillende soorten Japansch papier, per postpakket, heden voor tweeën in Bussum op de post gedaan. O, Jeanne, je vraagt me, of ik je mis, en betreur het, dat mijn brieven zoo ‘koel’ zijn. Maar o, liefste, engel, eenige, heb ik me dan werkelijk zóó sterk kunnen inhouden, dat ik den indruk op je heb gemaakt van ‘koel’? Binnen-in-me, o, mijn lief Alles, raast het en ziedt het van verlangen naar jou, van smart, dat ik je niet meer zie, niet meer hoor, niet met je praten kan. Inwendig ben ik diep-ongelukkig, omdat jij weg bent; ik voel me geheel verlaten. En mijn eenige hoop is, dat het gaat van dat vertalen; (als ik daaraan denk, voel ik mij opeens een heel ander mensch,) - zoodat ik dan de zekerheid heb, dat ik dan gauw zal kunnen verhuizen en bij jou komen. Ik geloof in jou, Jeanne, geheel en absoluut; o, geloof ook in mij, dat ik nooit kan veranderen, dat ik altijd zóó, ik bedoel nooit minder, voor je zal voelen dan nu. Ik bèn niet aan je weg-zijn gewoon, en zal dat ook niet worden; ik zal je blijven missen, o, God, aldoor missen. Ik eindig nu maar tot vanavond. Het doet mij zoo'n verdriet, dat mijn schijnbare teruggetrokkenheid zoo'n geheel verkeerden indruk op jou heeft gemaakt. Ik liet me niet te veel gaan, om je niet nog meer te emotionneeren, daar je inwendig toch al niet te rustig bent. Jeanne, liefste, heerlijkste, hoogste, ik heb je hartstochtelijk lief voor altijd.
Jouw eigendom Willem
Van Latijn leeren zal dan nu wel niet komen. Trouwens, daar les in te gaan nemen bij een gewonen leeraar, daar behoort veel volhardingsvermogen toe, omdat je eerst zoo laat de resultaten kan merken. Ik wou het later zelf met je probeeren. Nu Lief, nu moet deze weg. je Willem | |
[pagina 217]
| |
[Ongedateerd]Lieve, beste, Vanavond schrijf ik weer, dus wordt dit maar een kort briefje. Ik heb zoo juist een proef van den band van mijn nieuwen roman gekregen; hij is nogal mooi, vind ik: een licht-crème fond met gestyleerde violen in lila kleur. Zoo had ik het uitgekozen. Weet je, wat ik zoo heerlijk, o, verrukkelijk vind, Lief? Dat den Haag tóch een attractie voor je heeft, die geen enkele andere stad voor je hebben kan, namelijk: de zee! De zee heeft een heel groote aantrekkingskracht voor me, een angst-gevende en toch onweerstaanbare bekoorlijkheid. Ik ben er bang voor, inwendig-bang en juist daarom houd ik zoo van haar. Begrijp je dat? Zooals ik ook eigenlijk inwendig-bang voor de liefde ben, en me tóch onderwerp aan haar macht...
Dag, goede, lieve, beste, tot straks!
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, Lief, wat ben ik verschrikkelijk blij met die portretten van je, die ik zooeven ontving! Hartelijk, innig-hartelijk dank ervoor! Wat vind ik het lief van je, dat je ze me hebt gestuurd, ik ben er vreeselijk blij mee, dank je, dank je wel, hoor, Lief! Het schijnt, dat ze niet in den handel worden gebracht; aardig, dat ze je ze dan toch gezonden hebben, hè? O, lieve, lieve Schat, wat zijn je brieven me toch een goddelijke, zalige heerlijkheid. O, je bent zoo goed, zoo oneindig-goed, dat je me niet aan mezelf overlaat, maar zoo zacht en geduldig over alles met me spreken wil. O, ik houd van je! En nu zeg ik dat, uit 't diepst van mijn zelfzuchtige ziel, omdat jij me troost en steunt en krachtig maakt en resignatie leert. - Tweemaal ben ik in je laatste brieven sterk getroffen door een toevallige gelijkheid in uiting van jou en mij. In twee brieven van mij herinner ik me te hebben gesproken over de onvolkomenheid van een verkeer in brieven, en jij schreef ook juist: ‘... brieven zijn zoo'n gebrekkig middel van uiting, de stem doet veel meer...’ En verder schreef ik je, dat ik je nu veel verder en vreemder voelde, dan in de dagen, dat we samen waren, en jij zegt tegen mij: | |
[pagina 218]
| |
‘Is dat dilemma, waarvoor je staat, niet een beetje een koel gedachtendilemma, veroorzaakt doordat ik zoo ver van je weg ben, en je mij niet meer zóó levend voelt, als in die heerlijke vijf weken, dat je mèt mij was...?’ Zeg eens, is dat niet merkwaardig toevallig, Lief? Bijna op hetzelfde oogenblik schreven wij zóó aan elkaar. O, Lief, 't is zoo'n goddelijk genot voor me, dat je me zoo begrijpt, en 't zijn allemaal zulke heerlijk-ware en heerlijk-om-te-hooren-dingen, die je tegen me zegt. Ja, ja, ik vind àlles in jou, wat ik verlang, en wat ik, o, zoo noodig heb; jij heft me op uit mijn me-laag-houdende gedachten, jij leidt ze af en in de goede richting, jij geeft me hulp en raad, - en altijd ben je bereid-tot-steun en onvermoeid-in-het-geven-van-troost! Jij bent de liefste, de beste, die ooit heeft bestaan, die ooit kàn bestaan! En daarom houd ik van je, met een absolute overgave van alles wat in mij is. Ik geef je alles wat ik denk, wat ik voel, wat ik vermag, met een vertrouwensvollen wil en een ernstig-diep, eindeloos geloof-in-jou, omdat ik je liefheb, liefheb, ik heb je lief! Willem, ik smeek je, vergeef mij nu die verstandsvragen en al dat koele onderzoeken van kwesties-van-gevoel. Ik houd van je voor-altijd-en-altijd en ik ben van jou, - zoo lang jij 't wil, zal ik zijn
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Allerheerlijkste en verrukkendste,
O, je brieven, je brieven! die maken mij zoo magnifiek-blij! Wees toch nooit bang, Lief, heusch nooit bang, dat ik kan denken: Zij zanikt of klaagt te veel, of is te opgewonden. Ik vind alles wat je schrijft, glorieus en wèldoend, bedwelmend en weer-opwekkend, lief-ontroerend of grandioos. Ik had nooit durven denken, dat er zoo'n mensch, zoo'n vrouw werkelijk levend op de wereld bestond. Al de anderen zijn daar flauw en aaklig, vervelend of ónwaar bij! O, ik zweer je, ik voel in me den zuiveren wil, de krachtige goedheid, de prachtige macht, om je leven, je nu komende leven, te maken als tot een hemelsch paradijs op de aard. Want je bent precies, tot in de minste dingen, zooals ik vroeger wel eens gehoopt had een vrouw te ontmoeten, tot ik eindelijk was gaan denken: Ze is er | |
[pagina 219]
| |
niet! En toen ben je me opeens verschenen. En ik voelde dadelijk, dat je anders was dan al de anderen, en dat je was, zooals ik graag had. En nu, hoe meer ik je leer kennen, hoe meer ik ook ga merken, dat jij precies bent, zooals ik in 't diepst van mijn ziel mij de vrouw heb gedroomd, die mij gelukkig kon maken. Daarom is er in mijn gevoel voor jou ook niets oppervlakkigs, en er kan absoluut niets aan veranderen, omdat mijn gevoel voor jou geen oogenblikkelijke opwinding is, maar het waarachtige, diepe gevoel. Morgen-ochtend ga ik weer naar Boeken, en dan zullen we zien, of we de zaak niet wat verder kunnen brengen. Ik sluit nu deze en doe er een vers bij, dat vanmiddag kwam. Is dat niet No. 80? In de twee laatste regels plaag ik je, natuurlijk. Lach er maar om, Lief. Zal je?
Mag ik je even zoenen? O, Jeanne, ik heb je lief!
jouw eigen Willem,
voor altijd, geheel | |
[Ongedateerd]O, Lief, wat ben ik toch blij met die portretten van jou. En wat vond ik 't lief van je, dat je me er twee gezonden hebt. Ze zijn heel mooi uitgevoerd, hè? mooi van druk en papier. Ik zou er wel graag een aan mijn broer zenden, Lief, vind je 't goed? Ik hoop zoo, dat 't lukt met die vertaling. Want je begrijpt toch wel, dat 't een heerlijk genot voor me zal zijn, als je hier woont in den Haag, zoodat ik altijd met je spreken en alles aan je vragen kan, - o, wat zal dat een rustig-kalme en vreugdige tijd voor ons zijn, als we niet meer het agiteerend bewustzijn hebben, dat ons samenzijn maar een korte poos duurt. En dan zou dat nare, toch maar de helft zeggende en aanleiding tot misverstanden gevende brieven-schrijven ook uit zijn, voor goed. Denk jij er ook niet zoo over, lieve Lief? Ik ben gisteren begonnen mijn boekenkastje in orde te brengen en telkens, als ik die namen en jaartallen zag op de boeken van jou, die je zoo innig lief en goed ben geweest, me mee te geven, dacht ik, Lief, hoe goed jij toch bent, om al die boeken, waar voor jou zóóveel herinneringen aan verbonden zijn, en die je zóólang in je bezit | |
[pagina 220]
| |
hebt gehad, aan mij af te staan. Ja, Lief, ze zijn niet weg, natuutlijk, maar je hebt ze toch niet meer bij je, en dat moet een gemis voor je zijn, ook al zeg je van neen tegen mij. Goede, beste Lief! Je hebt zulke innig-lieve attenties voor me, zulke aardig-verzonnen en liefgevoelde, en vriendelijke bedenkseltjes voor me... weet je nog dien grooten bouquet, waarmee je den eersten keer bij me kwam bij mevr. B. in Bussum? O, ik wou, dat ik ook zoo onzelfzuchtig en diep-inwendig-goed was als jij, zoodat ook eens zoo iets gevoelig-spontaans in me opkomen kon! Deze brief moet nu weg, ik schrijf vandaag toch nog weer. Dag, lieve, beste, lieve, goede Lief!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Lieve, goede, allerbeste, Vanmiddag kwam je brief met het vers, waar ik héérlijk-innig-zalig blij mee ben. Ik dánk je, Lief, en zoen er je heel hartelijk voor. Ja, het was, zooals je dacht, en er boven hebt geschreven, nr. 80. Lief, onder aan dien vorige schreef je: Weet je al, wat jij kan opgeven als vertaalwerk voor jou?... Bedoel je daarmee, of ik al een werk om te vertalen op het oog heb? Neen, dat heb ik heelemaal niet; kan jij me niet aan iets helpen? Als jij iets noemt, dan zal ik er wel mee naar Veenstra gaan en er hem wonderen van vertellen, totdat hij het aanneemt, en dan spreek ik meteen over de condities. Ik vind het heerlijk, dat je mijn plan hebt goed-gekeurd. O, Lief, ik wou toch maar veel liever, dat je me ‘liefste’ noemde, dan dat deftige, afgemetene, koele ‘Lieve’, dat je boven je brief hebt gezet. Heusch, dan vind ik ‘lieveling’ zelfs nog beter, het woord, waar jij niet van houdt. ‘Lieve’ klinkt in mijn ooren juist als het ‘ma chère’, dat de Franschman tegen iedereen zegt, tegen zijn zuster, zijn vrouw, zijn dochter of zijn nicht. En, ach, wat geeft het, ook al vind je nog zooveel andere meisjes ‘lief’, (dat vind je immers tóch, goede, lieve, beste Willem, dat kan niet anders) als je mij maar ‘de’ liefste vindt en vinden blijft. Zoo vind ik ook, zooals je weet, een heeleboel andere mannen aardig-om-mee-te-praten, of geestig, of om iets anders aantrekkelijk, maar jij bent immers de echte, de eenige, de ware. | |
[pagina 221]
| |
O, Lief, in werkelijkheid geloof je héélemaal niet, dat ik je ‘saai’ zal vinden, om wat je schreef over dat stil tegenover je zitten en zoo, - o, dat rustig-intieme, dat veiligheid-gevende vredige, - een ideaal is het, een heerlijk ideaal! Zóó zou ik bij je willen zijn, gelukkig al door het besef van je tegenwoordigheid-alleen, in een zalige sfeer van kalmte en tevredenheid. O, rust! rust! O, wat een beeld riep je op. Zal het wel óóit zoo zijn?... Om aan het gevaar van sentimenteel te worden te ontsnappen, eindig ik nu maar. Vanavond schrijf ik denkelijk wel weer. Dag, lieve, lieve, goede, allerbeste Lief!
jouw eigen Jeanne
O, ja, jij moet ook altijd de vriendelijke groeten van allen hebben, zelfs van mijn tante, die je in Bussum hebt gezien. | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 222]
| |
Edw. B. Koster 1. Dus je ziet, ik kan er nog best een missen. Vind je dus goed, dat ik er je nog een bijstuur voor je broer? Ik zeg dit alles natuurlijk alleen voor het geval, dat je jouw exemplaren liever allebei houdt. Maar 't kon natuurlijk óók zijn, dat je er wel een kwijt wou wezen vanwege de plaatsruimte, die zij innemen of zoo iets. Bijv. dat je bang bent, als je er een weg bergs, dat het dan door vocht of stof bederft. Schrijf mij dus even, wat je verkieslijk vindt: 't is mij beiden goed. Nu wil ik je even nog wat vertellen over die menschen, die ik je zooeven noemde, en die je nog niet allemaal kent. G.C.v. 't Hoog is de poëet, dien je misschien wel eenigszins kent. Hij logeert op 't oogenblik in Bussum met zijn vrouw, die een zuster is van Willem Royaards, den bekenden acteur. Hij was toevallig bij mij, toen de portretten met de post kwamen. Toen heb ik hem uit beleefdheid een aangeboden, omdat ik wel eens bij hem gedineerd heb, en hij was er heel blij mee. Je zult hem later wel eens leeren kennen. Hij is circa 28 jaar. J. Reddingius is een beste jongen, dien ik een paar maal ontmoet heb. Hij had me door Verster laten zeggen, dat hij er zoo graag een hebben wou. A. Ising is een heel oude kennis van me. Hij was een vriend van Jacques Perk en bij dezen aan huis, in 1880, heb ik hem voor het eerst ontmoet. Hij is ook vrienden met Witsen en een heel zuiver en aangenaam mensch. Ik mag hem graag. Hij is circa 43 jaar. Nu, Lief, ga ik dezen nog even wegbrengen naar de post, dan krijg je hem morgen waarschijnlijk nog.
Geheel jouw Willempje | |
[Ongedateerd]Allerliefste, verstandigste en meest goede,
Ik heb je gevraagd, of je al wist, wat je als vertaalwerk opgeven kon. We doen natuurlijk 't best, iets te bedenken, waar Veenstra niet al te verstomd over kan wezen, dat juist jij 't vertalen wilt. Ik heb er al over gedacht. Eerst schoot mij natuurlijk te binnen: Aurora Leigh. Maar dit is al, in proza, vertaald door Hélène Mercier, en in verzen door M. van Walcheren. Weet jij nu misschien iets anders, waar jij bij Veenstra mee voor den dag kunt komen, zonder dat hij denkt: ‘Hé, hoe zonderling, dat Jeanne R.v.S. juist dat | |
[pagina 223]
| |
wil gaan vertalen. Hoe komt ze daartoe?’ De mogelijkheid bestaat ook, dat hij over het te vertalen werk, dat jij hem voorstelt, iets in het midden brengt, of er iets over vraagt. Dan dien je er toch iets van te weten. Vind je mij nu niet een erg praktischen jongen? Je plan heeft mij, door al mijn moeilijkheden heen, zoo heerlijk opgeruimd gemaakt, vandaag. Want ik ben nu plotseling licht gaan zien in de 't eerst-op-handen-zijnde toekomst. Verbeeld je, dat ik tegen den winter al voor goed naar den Haag kon gaan! Met 1 Oct. a.s. bijv.! Dit zijn nu natuurlijk nog wel droomen, maar absoluut hersenschimmig is het toch niet meer. Ik vind het natuurlijk veel prettiger om bij jou te wezen, dan jij om bij mij te zijn, maar, geloof me, ik zal je het leven zoo heerlijk-gezellig en rustig-aangenaam maken, dat je eindelijk gaat denken: ‘Ik geef den brui aan mijn alleen-zijn, want het is veel aangenamer voor me, om met Willem te zijn’. Heusch, we zullen met elkaar omgaan als twee jonge goden, en praten en lachen en wandelen en trammen, en lezen en schrijven, droomen over de toekomst, en al je moeiten en kwellingen samen bespreken, terwijl ik vóór je zal staan als een open boek, waar je in mag lezen, wanneer je maar wil. Dan zal je het leven, denk ik, wel wat anders in gaan zien: er zal weer een lach op je lippen komen, zooals er nu reeds een om de mijne speelt, als ik aan al 't geluk denkt, dat jij mij geeft. O, Lief! je bent zoo'n lieve, eindelooze schat! Vind jij 't misschien ook een beetje heerlijk, om samen met mij door de wereld te gaan, kalm-vriendelijk naar buiten, met vast gelaat, maar tusschen ons, ons eigen leven, waar niemand iets van weet, van vriendelijken ernst en vroolijk pleizier, van willen en werken, van zachtheid en goedheid, waarin wij niet zullen zijn als twee, maar als één, waarin jij den last van je leven op mij zult werpen, en ik de kracht zal putten uit je vriendelijk-glanzend oog? Geloof me, het leven zal heerlijk en wonderbaar worden voor jou zoowel als voor mij! O, als je eenzaam op je kamertje zit, en je voelt je soms treurig worden, zonder dat je zelf goed weet waarom, zooals je schrijft, denk er dan maar eens aan, dat er een mensch op de wereld leeft, de mensch, die je het naaste staat door je eigen vrijen wil, en dat die mensch tienmaal meer om jou geeft, dan om zijn eigen ik, omdat jij zijn leven zóó heerlijk mooi hebt gemaakt, als hij niet had gedacht, dat het worden kon. O, Lief, het zou een beetje banaal lijken, als ik weer zei: ‘Ik | |
[pagina 224]
| |
aanbid je, en ik val dus voor je neer.’ Daarom wil ik alleen maar heel positief zeggen: ‘Jeanne, jij bent de supreemste menschenziel, die er bestaat!’: zóó is het.
Geheel en voor altijd jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Liefste,
Wat zou je zeggen van het vertalen van: Walden door Thoreau? Het boek is te krijgen in de zoogenaamde: Scott's Library, uitgegeven door Walter Scott 24 Warwick Lane, London. Het boekje kost 1 s. 6. d. dus ƒ 0,90 Hollandsch. Misschien kan je het boekje in den Haag wel krijgen. Vanavond schrijf ik.
Jouw Willem
Dit is het boek, dat aanleiding heeft gegeven tot het kolonieplan van van Eeden. Het zal zeker heel veel verkocht worden. | |
[Ongedateerd]Lieve Lief, Ben je nu weer bij Boeken geweest, en is de zaak een beetje verder gekomen? O, ik hoop het zoo voor je. Ik hoop zoo innig, dat er nu gauw een einde aan komt! O, Lief, als je tegen me zegt, dat ik zoo anders ben dan andere vrouwen, dan voel ik heel goed, dat het waar is, wat je zegt, omdat ik me geestelijk totaal afgescheiden weet van al wie er méér bestaat. Maar de groote kwestie is nu, of ik beter of minder-goed dan de anderen ben. Zal mijn vreemdheid, mijn ongewoon-zijn, mijn denken-aan-waar-een-ander-niet-over-denkt, mijn voelen-wat-een-ander-niet-voelt je niet gaan hinderen op den duur? Ik geloof zeker, dat een andere man me onverdraaglijk zou gaan vinden, of minstens een beetje boos of ongeduldig worden zou, als ik weer met een gedachten-uiting begon. Maar dat is dan ook de reden, dat 't me absoluut onmogelijk zou zijn van een anderen man te houden dan van jou-alleen, - van jou, Lief, die me tracht te begrijpen en een uitleg voor mijn vreemde problemen zoekt, die | |
[pagina 225]
| |
me gerust stelt en troost. O, Lief, weet je, wat ik zoo goddelijk vind? dat je niet van me houden zou, als ik niet dat kleine beetje artistieken aanleg had. Want, zie je, als ik zoo luister naar al die mooie dingen in mijn hoofd, die nu nog dwalend en onzeker zijn, maar die zich àl meer en meer zullen bestendigen, en eindelijk, volgroeid, ook voor anderen mooi zullen zijn, dan voel ik in me zoo'n heel-groot, stil-intiem geluk, omdat ik daardoor het besef krijg, het zalig besef, dat ik, wanneer ik kracht zal hebben en levensduur en energie, om te volbrengen, waartoe ik ben bestemd, - dat ik jou dan eenmaal volkòmen waardig zal zijn! - Ben ik trotsch, Lief? Maar, heusch, 't is geen ijdele zelf-ingenomenheid, ik denk zóó dikwijls voor mijzelf, - maar altijd in verband met jou. Dag Willem, lieve, beste, goede, ik ga dezen zelf even wegbrengen, ik verlang zoo naar de donkere, koele lucht.
Met een zoen jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, liefste, beste, wat heerlijk, dat je dat bedacht hebt van Walden. Veenstra zal dat allernatuurlijkst vinden, omdat ik pas in Bussum ben geweest, dat dit in me opgekomen is. En denk je, dat ik als conditie tweehonderd gulden stellen kan? Ik weet de voorwaarden wel altijd voor mijn eigen werk, maar nu is 't een ander geval. O, Lief, denk je, dat 't voor mij ook niet heerlijk zal zijn, als je woont in den Haag? O, vrij te zijn, vrij, om elkaar altijd te zien, en alles met elkaar te bepraten en troost en hulp en raad te geven aan elkaar! Want, Lief, dat laatste kan ik jou nu nog wel niet, maar, geloof je niet, Willem, dat ik, als ik directer den invloed ondervind van jouw bemoediging en opbeuring en troost, ook zenuwsterker, geesteskrachtiger worden zal, en daardoor beter in staat, iets positiefs voor jou te zijn? Goede, lieve, beste Lief, ik wou zoo graag, dat ik de innige, onwankelbare overtuiging had, dat ik werkelijk je zware leven wat lichter maakte, dat je door mij wat vreugde had, die je, als ik niet bestond, niet hebben zou, - maar ik voel heelemaal geen kracht in me, die iets uitricht ten goede: ik ben zoo onmachtig, zoo daadloos, | |
[pagina 226]
| |
in één woord zoo negatief! Ik geloof, dat, als iemand mij objectief bezag, en eerlijk genoeg was om het te zeggen, hij tot deze conclusie komen moest: zij is alleen maar in staat, om gelukkig gemaakt te worden, niet om zèlf gelukkig te maken. Is dat nu niet treurig, Lief? En de reden zal wel deze zijn: dat ik mij zóó in mijzelf heb verdiept en zóó volkomen-voor-mijzelf-alleen mijn eigen leven leef, dat ik wel nooit mijzelf anders zal zien, dan als het voor mij belangrijkste individu, dat op de hééle wereld bestaat. En nu zal je zegen: dat is een best te overwinnen, leelijk egoïsme, waar je nooit tegen gestreden hebt en dat je nu geheel overheerscht. Maar, Lief, om dat totaal en voor goed onder te brengen, daarvoor ben ik nu al te oud. Het is weer zoo'n vervelende Zondag vandaag, en warm, o! Tot vanavond, Willem, dan schrijf ik weer. Met een heel hartelijken zoen jouw eigen Jeanne
Walden zal ik de volgende week bestellen. Mr. Veenstra heeft me om een oordeel gevraagd over een gedicht, dat hem ter uitgave was aangeboden. 't Heet: ‘Van geluk, dat waan is’, en wend vervaardigd door den heer Fritz van der Pijl. (Mijn dichter Wijnandus, ik zal 't je nu tóch maar vertellen.) 't Is wel goed-bedoeld, maar als kunst-geheel, geloof ik, niet veel waard. Wel vleiend, dat men mij om een literair oordeel vragen komt, vind je niet, Lief? | |
[Ongedateerd]Lieve Willem (staat dat er nu niet een beetje stijf? Je hebt me eens gezegd, dat je 't héél prettig zou vinden, als ik je zoo noemde!) Ik ben heerlijk aan den visite-middag ontsnapt, door het beetje hoofdpijn, dat ik gelukkig heb. Ja, weet je, ik geloof eigenlijk, dat mijn zenuwen me tegenwoordig een beetje de baas zijn, maar dat is niets, ik zal ze wel weer meester worden, als ik eerst maar weer geregeld aan het werk kan zijn. Als mijn plan met het vertalen lukt, is dat tenminste een begin van zelfverbetering, je zal 't zien. Ik heb je wel eens gezegd, Lief, dat ik geestelijk zoo sterk ben en overal tegen bestand, en jij hebt dat zeker niet kunnen gelooven, omdat je mij zoo dikwijls overgevoelig zag en gauw-met-tranen- | |
[pagina 227]
| |
klaar, maar het is toch heusch wáár, hoor, Lief, en ik denk, dat je het later zelf ook wel merken zal. Dat overgevoelige van me in den laatsten tijd kwam alleen maar door de groote, de wondergroote verandering, die alles in me heeft ondergaan. Wanneer dat heelemaal iets gewoons voor me geworden is, dan zal ik weer de oude, - ik geloof niet hàrde, maar wel krachtige en energieke Jeanne zijn. En zoo heel lang zal dat niet meer duren, Lief, ik voel het. O, dolgraag wil ik nog een portret van je hebben voor mijn broer; ik vind het verschrikkelijk lief van je, dat je er me nog een geven wil. Aardig dat je me zoo over de portret-verdeeling schrijft. Van 't Hoog's bundel ‘Geluk’ heb ik in mijn bezit. Is Reddingius geëngageerd met Juffr. van Harlingen? Arnold Ising zond mij ook een kaartje als engagementsfelicitatie. 't Is lief van je, dat je dien goeden ouden Koster er ook een sturen zal. - Ja, ik vind 't óók zoo goddelijk, dat ik jou alles zeggen mag, en voor mijzelf ook, dat ik 't kán doen, begrijp je me, Lief? Dat ik er bij jou zoo natuurlijk en vanzelf toe kom, om me te uiten, bedoel ik, terwijl ik vroeger alles altijd in de diepste diepte van mijn ziel besloten hield. Ach, je bent zoo'n lieve, goede, beste, trouwe! Ik houd zoo van je! jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Ja, liefste Jeanne, daar begin ik al weer. Ik moet altijd stil in mijzelf lachen, als jij zoo spreekt van je ‘egoïsme’. Want ga nu maar eens na: wat ben ik zelf anders dan een egoïst? Dacht je dan soms, dat ik die boeken, waar je van spreekt, aan een ander dan jou zou geven? Neen, ik gaf ze aan jou, omdat het mij pleizier deed ze aan jou te geven, en nu ik er aan denk, hoe ze zoo op jouw kamertje staan, en hoe je er in kijkt, en dat dit jou pleizier doet, nu raak ik nog méér dan toen ik ze gaf in mijn schik. Geloof me, ik heb ze je gegeven uit puur egoïsme. En ook het in den Haag komen wonen is voor mij het tegenovergestelde van een zelfopoffering, dus ook alweer niets dan egoïsme van me. Zelfs dat ik je liefheb is erg egoïstisch, want dat ik je liefheb, vind ik ontzettend-heerlijk, en ik zou je heusch niet liefhebben, als dat iets onpleizierigs voor me was. | |
[pagina 228]
| |
Neen, weet je, wanneer ik alleen niet-egoïstisch zou zijn? Als jij bijv. niets om mij gaf en ik deed dan tóch het weinige, dat ik nú doe, zonder eenige bedoeling en zonder eenige hoop, alleen en uitsluitend om jou te pleizieren. Als ik wat voor je doe, dan doe ik het alleen, omdat het mij aangenaam aandoet als jou iets verheugt. Of dacht je soms, dat ik nèt zoo tegen je tante zou kunnen doen? Je moet mij toch eens schrijven, hoe het gaat met je Ma. Wordt ze wat beter, en is ze nogal in haar schik met jou? Doe haar vooral eens mijn vriendelijke groeten, en zeg haar, dat haar dochter een engel is. Je hebt nog vergeten dien blauwen Shelley mee te nemen, of liever ik heb vergeten, hem je mee te geven, maar daar ik nu toch in den Haag kom, houd ik hem nog maar bij me zoo lang, omdat het zoo'n last met verzenden geeft. Ook al weer egoïsme van me, merk je wel? In 't begin van Juli moet ik paranimf zijn bij Hein z'n promotie, en kort daarop gaan ze als twee hazen trouwen, (de hazin is Dientje) en gaan dan een driekamerig paradijsje van 350 gulden maken in een met de straat gelijkvloersch benedenhuisje op de stille zij van de Vijzelgracht. (Dat is de gracht, waarop uitloopt het straatje van Hein, waar wij samen geweest zijn.) Als je 't probeert, zal je bepaald veel van Hein kunnen gaan houden, want hij is een goed en eerlijk en nobel-naïef mensch. Ik hoop zeer, dat het hem met Dientje goed moge gaan. Hoe vind je het 80e vers, dat ik je stuurde? Er komen er niet heel veel tegenwoordig, ik ben te gepreoccupeerd, dat zal je wel begrijpen. Ik spring een beetje van den hak op den tak in dezen brief. Als ik in den Haag woon, dan koop ik een aardig boek, en dan zal 'k daarin alle verzen netjes voor je overschrijven, dan heb je ze allemaal prettig bij elkaar. En dan kan ik de lateren, die er nu nog niet zijn, er telkens achtervoegen. Nu, Lief, ik begin een beetje slaap te krijgen, merk ik. En ook: Mijn hart loopt over, maar mijn papier schiet te kort. Zacht kust je op je beide wangetjes je liefhebbende Willempje-voor-altijd
Deze doe ik morgen in Amsterdam op de post. | |
[pagina 229]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[Ongedateerd]Lieve, beste, Wat heb je mij een aardigen, prettigen brief geschreven. (Niet dat niet àl je brieven aardig en prettig zijn, maar deze heeft me zoo opgeruimd gestemd.) O, Lief, als je zóó gaat spreken, dan zijn immers àl onze daden egoïsme? Want ik geloof, dat er niemand vriendelijk of lief of hulpvaardig is tegen zijn zin, en zoo zouden dus al die mooie dingen niet voortkomen uit een zuiver gevoel, maar uit zelfzucht, die waarschijnlijk onbewust, maar toch zelfzucht is. Of zeg je 't maar alleen, omdat ik niet zoo sterk voelen zal, hoe weinig ik maar ben voor jou? Mama gaat gelukkig vooruit, de dokter is nogal tevreden. Ik heb haar je groeten gegeven (ik heb gezegd, dat die àltijd zijn ingesloten) maar toen ik haar overbracht ‘dat haar dochter een engel is’, vroeg zij, aangezien zij vier dochters heeft: ‘Welke?’ Ik vermoedde wel zoo'n beetje, wie er door jou bedoeld werd (je weet, ik ben goed op de hoogte van mijn innerlijke persoonlijkheid, - | |
[pagina 230]
| |
van de uiterlijke kan hier geen sprake zijn) maar bescheidenheidshalve zei ik toch, dat ik het je eens vragen zou. Met je vers, het 80e ben ik erg, erg blij, maar heusch, die dreiging in de twee laatste regels zal ik eens werkelijk en uitvoer brengen. Heeft Rensburg al iets van mijn verzen in de G.A. gezegd? Zoo ja, wil je me dan even het nr. van de Amsterdammer opgeven? Anderen vinden ze ‘geregeld’, ‘ordelijk’, en ‘krachtig, misschien wat àl te krachtig’. Ja, dat vind ik een heerlijk idee, dat je al je verzen voor me in een boek verzamelen wilt. Ik begrijp zoo goed. Liefste, dat je zaken je terughouden, om nu rustig ‘naar verzen te luisteren’. Ik heb er toch al zoo heerlijk veel, ik heb ze nog niet eens allemaal overgeschreven. Ik zou Hein en Dientje wel eens in hun huisje willen zien. Nu, lieve, beste, goede, eenige, echte, ware, ik eindig weer tot vanavond. Dan is er, hoop ik, weer een brief van jou gekomen. Dag, Lief! jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, Lief, wat is het heerlijk, dat de zaak zich nu wat gunstiger aan laat zien. Als het nu maar gauw heelemaal in orde komt! Ik ben onrustig en een beetje melancholiek vandaag; dat komt, omdat ik iets in mijn hoofd heb, dat heel langzaam, bij stukjes en regels te voorschijn komt, daar ik te rusteloos ben, om in alle kalmte naar mijzelf te luisteren. O, als ik lang-na-elkaar en heel-stil voortwerken kon, - geabsorbeerd als 't ware door mijn werk, wat goddelijk, goddelijk zou dat zijn! Zal ik 't je zenden, Lief, vóór 't ter perse gaat, maar misschien lees je 't liever in druk. Ik kan er je wel eens fragmenten van sturen. O, als je eens wist, Lief, hoe machtig veel ik in mij voel! Hoe krachtig en energisch-sterk mijn geest is, en hoe vol van mooie dingen! O, als het lot mij niet belet te worden, wat ik worden wil, dan zal de heele wereld mij eenmaal zien, zooals ik nu nog maar alleen mijzelf kan zien! En altijd, altijd zal ik blijven schrijven onder eigen naam, want alles wil ik te danken hebben aan mijzelf-alleen, uitsluitend aan mijzelf. Je zal zeggen, dat ik trotsch ben, en dat ben ik ook, op dat punt tenminste, - maar ik weet, dat je dit zeer goed begrijpen en billijken zal. | |
[pagina 231]
| |
De kennissen zeggen, dat ik mager en bleek geworden ben, en dat vind ik verbazend onaangenaam, want dat maakt me nog leelijker dan ik al ben. (Ik zeg daar zoo naïef-weg, dat het me spijt, zou ik heusch ijdel beginnen te worden?) Maar ik wéét, als ik maar eerst weer heerlijk werken kan, dan word ik gelukkig en kalm-opgeruimd en voel ik me door-en-door gezond. Zóó was het verleden jaar, toen ik den heelen zomer en herfst en een deel van den winter heb gewerkt; o, heelemaal in mijn werk te zijn, dat is zalig! Lief, als je nu een beetje uit al die vervelende zaken ben, zou je mij dan een ontzettend, een verschrikkelijk-groot pleizier willen doen? Zou je dan alle verzen, die je van me hebt, eens willen nazien, welke geschikt zijn om in een bundel te plaatsen en die aanstrepen? Als je ze me dan stuurde (de beide schriften en de losse blaadjes, die je hebt) dan kon ik ze copieeren, en als je er op gesteld was, kreeg je ze zeker terug. De verzen, die je mogelijk nog plaatsen wilt in de N.G. kon je me opgeven; dan schrijf ik ze voor je over. Lief, als 't je heusch niet te veel moeite is, zou je dit dan alsjeblieft eens voor me willen doen? Altijd jouw eigen Jeanne | |
Hôtel Vlietlaan BussumLiefste, Ik vind het zoo aardig, dat je er een klein beetje ingeloopen bent met dat ‘Lieve’. Ik had een schertsenden glimlach om mijn lippen, toen ik het schreef. Nu, ik zal je heusch niet meer ‘Lieve’ noemen, maar weer Honnieponnie, Aangebedene, Juweelen Tempel voor mijn ziel, Onvergelijkelijk Schatteboutje, en alles wat er verder in me op mocht komen, als ik mijn gevoel voor jou precies tracht te benaderen in woorden. Ik ben zoo blij, dat je het goedvindt van Thoreau's Walden. Maar ik kan je onmogelijk zeggen, hoeveel je moet vragen, voordat ik weet, hoe groot het ongeveer is. Want ik zelf heb het werk nooit gezien. Zie het dus eerst als je wil, en schrijf mij dan, hoe groot het ongeveer is. Dat je anders bent dan andere vrouwen, daar hoef je je heusch niet ongerust over te maken, noch angstig over de mooglijkheid, | |
[pagina 232]
| |
dat mij dat niet zou bevallen. Als je een vrouw was, zooals de meesten, dan zou ik je wel heel aardig en lief kunnen vinden, en veel van je houden, maar dan zou ik toch niet je zóó innig kunnen liefhebben, als ik dat nu, gelukkig, doe. Je hebt iets gevoelig-positiefs, wat mij verschrikkelijk aantrekt, en ik voel, dat ik altijd wat aan jou zal hebben door raad en verstandig-gevoelde opbeuring bijv., zoo goed als ik weet, dat jij altijd veel aan mij hebben kunt, omdat ik voel en door ervaring weet, dat ik verschil van de meeste andere mannen, en veel minder ruw en grof ben, zonder dat ik toch, als het er op aan komt minder cordaat en flink-handelend ben. Daarom, geloof ik, passen juist jij en ik zoo goed bij elkaar, en zouden we allebei, ieder naast een ander mensch, ons minder dan met ons beiden zooals nu, op ons gemak voelen. Wat een wijsheid! zal je misschien lachend zeggen, maar, heusch. Lief, 't is geen wijsheid, uit in de lucht hangende abstracties gehaald, maar uit mijn ondervinding van mezelf en het leven. Daar sta jij nu aan bloot, dat heb je er van, als je een veertigjarig man neemt! Nu zie ik je even lachen...
Met mijn heele ziel voor altijd de jouwe
Willem | |
[Ongedateerd]Beste Willem, Vanmiddag was ik in mijn boekenkastje bezig, om een beetje orde te brengen in een chaos van papieren. Toen vond ik bijgaande Holl. Lelie, las het stukje: Mijn eerste bal in de Residentie nog eens over, vond het erg leuk en zend het je hierbij. Maar bewaar het alsjeblieft goed, want ik heb er geen ander nr. van. Het zal je wat afleiding geven, en je zal er wel om moeten lachen, denk ik. Zooeven kwam je brief, dien je vanmorgen bij Koderitsch geschreven hebt, en waar ik heel blij mee ben. Over een paar dagen ga ik Walden bestellen. Willem, je moet heusch niet boos op me zijn, dat ik het je zoo ronduit zeg, maar alles wat ik zóó tegen je zeg, is een bewijs van vertrouwen te méér. Soms komt 't met een plotselingen schok in me op, hoe onmogelijk vreemd en onbegrijpelijk 't toch eigenlijk is, dat ik | |
[pagina 233]
| |
‘Willem’ tegen je zeg, of ‘Lief’ of ‘jij en jou’, en dat ik hard-op tegen jou mijn gedachten zeg, die ik tot dusver als kostbare geheimen bewaarde diep in mijn ziel. Jij zal zeggen: Dat komt omdat je nog niet heelemaal in den toestand bent, maar waarom ben ik dat niet? Hoe komt dat toch? Waarom ben ik altijd anders, waarom voel ik altijd anders dan andere menschen? Willem, help me! Ik smeek er je om: help me! Er komt heelemaal niets van me terecht, ik zal heelemaal óndergaan in den maalstroom van mijn eigen gedachten, als jij me niet helpt! Ik hoor je zuchten, ik vrees, dat je wee zal worden van al mijn geklaag, - maar, Willem, laat dit je een heel kleine troost wezen: dat ik mezelf nog oneindig meer tot last ben, dan ik jou bij mogelijkheid ooit kan zijn. Je zal wel eens denken bij jezelf: ‘Nu meende ik haar heelemaal tot bedaren te hebben gebracht, en daar begint ze opnieuw’, - maar er komen ook telkens en telkens weer andere dingen in me op. Heb maar een beetje geduld met me, Willem, lieve, lieve, - want, heusch, ik hóud tóch van je! Ik vind het zalig zelfs, dat ik mijzelf aan jou heb weg-gegeven!
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Willem, wil ik je nu eens iets heel schandelijks vertellen? Ik heb je dat verhaal van dien zeeofficier alleen gestuurd, in de hoop, dat je jaloersch worden zou. Want zie je, dat zou ik eenig-heerlijk, verrukkelijk, góddelijk vinden, als jij eens jaloersch op me werd. En je bent het nooit! Zeg me nu eens, Willem, of jaloerschheid een leelijke eigenschap is, die overwonnen moet worden, of dat het een bewijs is van liefde? Ik geloof, neen, ik ben overtuigd van het laatste. Als je 't met me eens bent, dan ben ik blij voor mezelf, dat ik dat zoo goed voel. Toe, zeg me eens, of jaloerschheid een ondeugd is of een deugd. Willem, hoe meer ik over mezelf nadenk, weet je wat ik geloof? Dat ik, door mijn meer-weten, meer-voelen, meer-begrijpen dan andere vrouwen precies op de grens sta van goed en kwaad. Ik bedoel dit: dat ik onder een verstandig-gevoelige leiding zou kunnen worden een zuiver-goede en wel-doende vrouw en edel-denkend zelfs, - maar ik geloof ook, dat ik, als ik den weg ten kwade ga, | |
[pagina 234]
| |
een demonisch-gevaarlijke vrouw worden zal. En nu smeek ik jou, Willem, ik bid je er om, of jij me helpen wilt, om het eerste te zijn. Je kan nu nog alles van me maken, jij vermag alles op mij, - mijn toekomstig karakter ligt bijna geheel in jouw handen! Alleengelaten, zou ik worden, waartoe toevallige omstandigheden mij hadden gevoerd, - misschien goed, - maar misschien ook slecht. Ik kom zoo vanzelf tot deze bekentenis, omdat ik 't een beetje klein vond van mezelf, eerst om dat bal-avontuurtje aardig te vinden, en dan om het te gebruiken om jou jaloersch te maken. Maar dat ik het je zoo eerlijk vertel, is dat niet het bewijs, dat ik er eigenlijk boven sta? Zeg me nu eens, Willem, of je me door al deze dingen onsympathiek bent gaan vinden? Zeg het me eens oprecht? Ik scheid nu uit, want 't is al bar laat. Maar dat niet mooie-doen van me drukte me een beetje, begrijp je? Dag, lieve Lief!
jouw Jeanne | |
BussumAllerliefste,
Wachtend op het Handelsblad, dat maar niet kwam, haalde ik een brief van jou uit mijn zak en las dien nog eens aandachtig over, en barstte toen opeens in lachen uit. Verbeeld je waarover! Er staat een uitdrukking in, waar ik de vorige keeren een beetje onnadenkend overheen geloopen was. Je schrijft n.l. ‘dien goeden ouden Koster’. Edward Koster nu is 2 jaar jonger dan ik! Onweerstaanbaar beving de lach me, toen het plots tot mijn bewustzijn kwam, hoe oud je mij dus eigenlijk wel moest vinden. Bij nader inzien, toen de lachbui was bedaard, vond ik het geval natuurlijk niet zoo komiek, en ik wist mij alleen te troosten met de ijdele gedachte, dat ik, als ik Koster ontmoette, mij altijd veel jonger dan hij voelde doen. Heusch, Jeanne, ik voel me heelemaal niet als een oude heer, en buitendien heb ik pas mijn haar laten knippen, en iedereen zegt nu, dat ik er veel jonger uitzie. O, wat een grappige ijdeltuit ben ik toch. Vind je óók niet? Dan is er nóg iets. Vanmiddag zat ik stil in mijn kamer aan jou te denken, toen er plotseling op mijn deur werd geklopt. Toen | |
[pagina 235]
| |
kwam Verster binnen met een groote papaverbloem, die hij van een tuinman had gekregen, waar hij toevallig wezen moest. Ik zette de bloem in een vaasje op mijn schoorsteen; Verster ging weer weg, en toen kwam plotseling het bijgaande vers.Ga naar voetnoot1) Hoe vind je het? 't Kwam spontaan bij mij op, zóó was ik geimpressionneerd door de plotselinge en onverwachte aanwezigheid van die groote, vreemde roode bloem in mijn kamer. Ik sluit dezen nu maar, dan ga ik hem even wegbrengen. Zoo meteen komt Verster wat bij me praten, heeft hij gezegd. Met innige teederheid teeken ik mij je onveranderlijke jongetje Willem | |
Bussum, ParkzichtAllerverrukkelijkste engel-snoes!
Dit kwam er uit, spontaan-weg en zoo maar, toen ik in mijn hoofd naar een lief woord voor je zocht. Je moet er niet boos om worden, hoor, Lief! Want buitendien ben je ook mijn honnieponnie en andere hooge eerbiedigheidjes meer. Weet je, wat ik zoo heerlijk vind? Dat je mij altijd je zielsbezwaren en pijnlijke overwegingen mee wilt deelen, en op mij vertrouwt, dat ik ze weg kan charmeeren, als ik tegen jou mijn gevoelde overtuiging of overtuigd gevoel daarover uit. Deze brief zal niet heel lang worden, want ik ben werkelijk gepreoccupeerd door de zaak met v. Looy. Maar vanmiddag heb ik toch van de Muze een vers gekregen, het 81e dus, dat ik je hierbij stuur. Je ziet er uit, hoe het bewustzijn, dat ik je lief mag hebben, mij sterkt... Nadat ik dit schreef, heb ik weer een vers geschreven; maar daar komen eenige lugubere regels in voor, en ik wil je impressie van het hier ingeslotene liever niet bederven. Dat krijg je dus later.
Dag, lieve Liefste, Jouw eigen Willem (Gepost in Amsterdam) | |
[pagina 236]
| |
[Ongedateerd]O, Lief, ik ben een beetje droevig vandaag om al die dingen van gisteren. Je zal me wel langzamerhand onuitstaanbaar vervelend beginnen te vinden, niet? En dan heb ik bovendien nog de zekerheid, dat ik dat zelf veroorzaakt heb. Ik wou dat ik de manier had, die aan bijna alle andere meisjes eigen is, om aardige, onderhoudende babbel-briefjes te kunnen schrijven, - maar ik ben daar onmogelijk toe in staat. Ik kan niet anders zijn dan ernstig en vermoeiend-zwaar, of gewild-grappig en kinderachtig-flauw. Maar, heusch, ik kan het niet helpen, Lief! Ik heb heelemaal niet die natuurlijke vroolijkheid, die andere menschen met een ‘mens sana’ bezitten. Ik moet altijd véél meer vreugde en geluk en voorspoed hebben, dan een ander mensch noodig heeft, en dan ben ik nóg niet tevreden. Ja, ik heb een erbarmelijk-naar-in-elkaar-gezette inwendige gesteldheid. Maar daar is, helaas, niets aan te doen. Omdat ik nu eenmaal leef, moet ik alles maar lijdzaam meedragen, wat ik bij mijn geboorte gekregen heb, en wat verder door de omstandigheden in mij is ontstaan. Ik eindig nu, want ik volg mijn eeuwige gewoonte, om over mijzelf te spreken, weer. Waardoor ik die ellendige hebbelijkheid toch eens afleeren zal! Ach, wees alsjebelieft maar niet boos op me, heb maar een beetje medelijden, Willem! jouw Jeanne
Ik denk, dat als er vandaag een brief van je komt, die me wel een beetje beter maken zal. Dag, Lief! | |
[Ongedateerd]Lief, ik weet heelemaal niet, of je boos bent geworden om mijn vorige brieven, - misschien wel niet, want je bent zoo geduldig en zoo goed, maar ik moet je toch nog even schrijven en je smeeken, smeeken, er niet verder om te denken, en o, niet boos te zijn. Ik weet niet alles meer, wat ik geschreven heb, maar er waren dingen bij, die ik niet had moeten schrijven, - ach, ik zeg alles maar, zooals 't opkomt tegen je! Ach, Lief, het is wel heel onlief en lastig van me, dat ik je, juist nu je zelf zoo in moeilijkheden zit, met klagerijen bezig houd, maar, vergeef 't me, Lief, vergeef 't me, ik ben ziek. Ja, dat is 't, ik ben ziek-in-mijn-hoofd, - het is dadelijk vreemd- | |
[pagina 237]
| |
leeg en hol, als ik maar even praat of me te veel beweeg. Het is niets, maar ik ben zoo moe, zoo moe, - o, ik zou 't kunnen uitsnikken van verlangen naar rust. Willem, zeg me, word ik je te veel met al die dingen van me? Zeg me, zeg me, zeg me, zou je verdriet er van hebben als je me verloor? - Je antwoord zal me misschien weer een beetje kracht geven voor een tijd, - maar zeg in elk geval de waarheid, de waarheid, beloof je me dat? En zeg me ook, Lief, toe, zeg me ook, dat je werkelijk niet boos op me ben, - en dat je tóch nog van me houdt, toch nog een beetje van me houdt, - ach, toe, Lief? Ik ga nu naar bed, en sluit deze dus. Ik zal morgen weer schrijven. Geef je er iets om als ik zeg ‘jouw eigen’
Jeanne?
Lief, hoor eens, je zal wel niet ongerust zijn, maar ik wil je toch nog even zeggen, dat ik eigenlijk absoluut niets mankeer. Ik ben heelemaal gezond. 't Is alléén maar in mijn hoofd. Je hebt me ook wel eens zoo gezien, en weet dus, dat 't vanzelf overgaat. Als ik maar slaap. Nu, Lief, tot morgen. O, ik hoop, ik hoop, dat er dan een brief van je is! | |
Bussum, 20 Juni '99Hoor eens, Liefste, dit moet je goed van mij weten, dat ik je nooit vervelend vind. Nog nooit is het in mij opgekomen om te denken, als ik een van je brieven lees: nu zeurt ze eigenlijk een beetje! Dat ik nu je brieven altijd interessant vind, waarover je 't ook hebt, komt eenvoudig, dat jouw woorden geen woorden zijn, maar de uitdrukking van iets levend-reëels. Je kent mij, hoop ik, genoeg, om te weten, dat dit geen compliment is, dat ik je maak, maar een waarheid, die ik blij ben je te kunnen zeggen. O, Jeanne, wil ik je eens ronduit wat zeggen? Ik ben heelemaal in je macht! Je kunt me wonderlijk-gelukkig of absoluut-ongelukkig maken, precies naar jouw wondere wil verkiest. Maar om mij gelukkig te laten blijven, heb je niets anders te doen, dan juist zóó te blijven, als je bent. Ik had nooit durven hopen, dat er een mensch als jij op de wereld bestond en dat die mensch dan altijd samen | |
[pagina 238]
| |
met mij zou willen zijn. Ben ik nu duidelijk? Ik geloof werkelijk, dat je er je nu heelemaal niet in vergissen kunt, hoe ik mij, door het geëngageerd-zijn-met-je voel. En dit kan je, geloof ik, ook wel merken aan den bedaarden toon, waarop ik dit zeg, dat ik hier niet spreek in een lyrische, oogenblikkelijke verheffing, maar dat het de vaste overtuiging van een mensch is, die precies meent, wat hij zegt. Deze brief zal niet lang worden, want het is al half één 's nachts. Ik ben vandaag, Dinsdag, in Amsterdam geweest bij Hein. Hij was heel hartelijk, evenals Dientje. Maar op één ding moet ik je de hoop ontnemen. Hierop n.l. dat ik jaloersch worden zal. Want ten eerste ben ik, in het geheel genomen, heelemaal geen jaloersche natuur, eer het tegenovergestelde ervan, en ten andere, als ik ooit merkte, dat ik bij jou reden tot jaloerschheid kon hebben, dan zou ik mijzelf alleen een beetje sarkastisch gaan uitlachen en van jou zou ik denken: Nu ja, zoo zijn de menschen allemaal, zonder zelfs die enkele uitzondering, en buitendien, wat verbeeld ik mij wel van mijzelf, als ik verlangde, dat haar gevoel voor mij langer dan den schijn van een oogenblik kon duren? Je ziet, Liefste, ik begin net als jij te doen, en meer en meer over mezelf te praten. Maar is dat zoo verkeerd? Daar is niemand, die zoo goed zich bewust is, hoe ik ben, als ik zelf dat weet, en bij jou zal dat natuurlijk ook wel zoo wezen. Dus is dat praten over zichzelf zonder aanstellerij een ding van praktisch belang voor onze toekomst. Want wij staan nu bij elkaar als twee menschen, die op den duur toch alleen met elkander hebben te maken, en minder met de rest der menschen om ons heen. Maar, Lief! nu krijg ik slaap, en ik eindig dus. Ik houd van je om alles en algeheel, en dat kan nooit veranderen. Ik heb je waarachtig en zonder verzwakking lief! Jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Jeanne, ik ben eigenlijk zoo blij, dat je mij dat alles tóch geschreven hebt, en je niet hebt laten weerhouden. Want zooals je eenigszins vermoedde, ik heb van tijd tot tijd in je laatste brieven iets gemerkt dat ik niet begreep. Ik wou er niet over gaan denken, want ik voelde, dat ik er toch niet achter zou komen, dus hield ik | |
[pagina 239]
| |
me vanbinnen maar doodstil op dat punt. Maar het maakte mij toch wel een beetje beroerd natuurlijk. Maar nu heb je 't gelukkig losgelaten en ik kan er je dus op antwoorden. Toe, Jeanne, Liefste, ga nu eens stil op je kamertje zitten, en probeer dan, of je je niet wat aan jezelf kunt onttrekken en in je gedachten naar mij toe gaan. Dacht je dan soms, dat ik dat niet deed? Zie, als ik daaglijksche moeilijkheden heb, zooals natuurlijk dikwijls gebeurt, dan verplaats ik me in mijn gedachten naar den Haag: ik zie je voor je bureau zitten en denk dan: daar zit Zij, de liefste, beste, mooiste, aardigste, de eenige mensch, die ik ooit waarachtig heb kunnen liefhebben, en die ik nu altijd liefhebben zal. En met haar mag ik altijd samen zijn: o, wat een heerlijk, onuitsprekelijk geluk! En dan lach ik stilgelukkig, en zet me over al mijn moeiten en zorgen heen. Kan jij nu ook niet een rustig gedachtenleven krijgen, als je denkt aan mijn brieven, en mijn persoonlijken omgang, die beiden toch lief en zacht zijn geweest, en precies weergaven, wat er in mijn binnenste omging? Ten tweede: Leg een vasten, objectieven grond in je ziel door lectuur, die je een klein beetje roert of amuseert, of, nog beter, onderricht. Dat zal je eigen kwellende gedachten-spelingen voor goed naar je onbewustheid terug-dringen, en je een ander gedachtenleven geven, waar je objectief in meegaat, en waar je niets dan pleizier en nut van hebt. Ten derde: Bedenk altijd, dat Willem nu werkelijk, door jouw verstandige goedheid, in den Haag komt wonen, en dat hij je grondeloos lief heeft, en dat dit iedren dag sterker en vaster en gelukkiger-bewust bij hem wordt. Want mijn liefde voor jou is geen oppervlakkige jongensverliefdheid, maar een echte, een vaste mannenliefde, die niet veranderen kàn. Dus als ik in den Haag ben, dan krijgen we een prachtigen tijd te zamen, waarin ik door degelijk, gevoeld spreken, door schertsend of gemoedelijk of hartstochtelijk (o, jé, zegt Jeanne) lief zijn, door raad en troost en grappigdoen je heele levensopvatting zal zien te verwisselen voor die van een gelukkig, blij, en tevreden, volwassen jong meisje. Jeanne, ik heb je hartstochtelijk lief, niet voor een maand, of een jaar, of tien jaar, maar altijd door. Voor altijd jouw eigen Willem | |
[pagina 240]
| |
(Zonder brief)
| |
Lees dit eerstWillem, heb je wel eens op een brief gewacht, totdat je dacht, ziek te worden van verlangen, zoo brandend-ellendig als je van binnen was? Dan kan je je een beetje voorstellen, hoe diep-dankbaar-blij ik was met den jouwe, dien ik zooeven ontving. Vind het niet flauw of kinderachtig van me, maar ik heb vandaag zooveel tranen geweend, als om een groot, werkelijk leed. Ik zal je nooit meer, nooit meer zoo schrijven, Lief, ik beloof het je, als in mijn vorige brieven. Eerst had ik je dezen brief nu maar niet meer willen sturen, maar er staan toch dingen in, die je weten moet, en ik ben eigenlijk te moe, om hem over te schrijven. Wat ben je toch goed, innig en eindeloos goed, om me zóó te antwoorden op alles wat ik geschreven heb. Ik kan niets anders zeggen dan: ik dank je, - maar ik meen het héél-diep en oprecht.
Voor altijd jouw eigen Jeanne | |
[pagina 241]
| |
Lief, toen er vanmorgen géén brief van je was, waar ik zóó op had gehoopt, (ik wist, hòe erg, toen ik zag, dat er géén was) heb ik gehuild, gehuild, tot ik niet meer kon van moeheid, en eindelijk zoo verstandig was, eens te gaan kijken naar het postmerk van je laatsten brief, waarop stond: Amsterdam. En toen begreep ik, dat je niet had kunnen schrijven, en zelfs niet eens nog al mijn brieven ontvangen had. Maar, Lief, ach, Lief, waarom zeg je 't me niet even, als je weer naar Amsterdam gaat? Dan verwacht ik immers geen brief. Want o, zooals 't nú is, kan ik 't niet langer uithouden. Dat afmattende en soms vergeefsche afwachten van post na post doet alles aan me trillen van zenuwachtigheid. Lief, zou je me niet geregeld willen schrijven, zóó b.v. dat ik je brieven altijd met dezelfde post ontvang? Want zóó is 't vreeselijk, - ik kan den heelen dag bijna niets uitvoeren, ik wacht, ik wacht maar alleen. Ik heb 't je, geloof ik, al eens gezegd, toen ik nog in Bussum was. En o, Lief, als er dan eens géén brief voor me is, zooals vanmorgen nu weer, dan krijg ik opeens zoo'n ellendig verlaten gevoel, dat ik niets anders kan doen dan stil en wanhopig schreien. O, Lief, je weet 't toch, je wéét 't toch, dat ik zóó lang getwijfeld heb, en aldoor maar niet gelooven kon, dat je van me hield, of ja, ja, dàt wel, maar niet, dat je blijvend van me houden zou, - en dat jij toen alles hebt gedaan, om me het vertrouwen in je te geven, dat ik nu eindelijk heb. - O, Lief, zal ik je eens iets geks van mezelf vertellen? Ik heb zoo'n medelijden met mezelf, zoo'n verschrikkelijk medelijden, omdat ik zoo zwak en zoo machteloos ben, ik, die nog wel in de familie den bijnaam heb van de ‘flinke, verstandige Jeanne’! - Ach, wat zou ik uitgelachen worden en een beetje geminacht misschien, als ze dàt nu eens van me wisten! Ik wou, dat ik maar eens goed ziek werd, heelemaal ziek, inplaats van schijnbaar gezond te zijn, met dat aaklige, weeë gevoel in mijn hoofd; maar een werkelijke ziekte overkomt mij nooit. Het is niets anders dan een zenuwoverspanning, dat weet ik heel goed, en 't gaat dus vanzelf weer weg, maar als je 't hebt, is 't voor 't oogenblik enorm ellendig. Ik wou wel eens een tijdje absolute rust hebben, - als dat kon, in een klooster b.v. waar ik heel alleen was, en dan nergens van weten, en den heelen dag rusten, rusten, rusten. Maar dat gaat niet. Ik heb je al wel zes brieven geschreven, waar ik nog antwoord op hebben moet; maar ik zal me een beetje matigen, het gaat je waarschijnlijk vervelen. | |
[pagina 242]
| |
O, ik weet zeker, als ik gewoon was geëngageerd, ik bedoel met den eerste den beste, dat ik dan heel kalm en dood-gewoon zou gebleven zijn en dat er eigenlijk innerlijk niets aan me veranderd zou wezen, maar dit plotselinge, nooit-gedroomde, altijd natuurlijk onbereikbaar gedachte heeft mijn geheele zijn overweldigd, en als 't ware een ander mensch van me gemaakt. En nu is 't zoo vreemd, zoo benauwend-vreemd, dat ik je liefde heelemaal niet als werkelijkheid voel, - ja, je schrijft 't me wel eens, maar dat zijn maar woorden, woorden, - en die tijd in Bussum is al zoo lang geleden, zoo lang, dat was in mijn vorig leven, schijnt 't me toe. En ikzelf voel mijn liefde voor jou alleen als een brandend verlangen, als een rusteloos, knagend verlangen naar iets, dat me vrede kan geven en steun en troost en bemoediging, dat me opwekt tot heil zien in mijn lot en levenskracht in me giet. O, Lief, wat ben ik toch een hopeloos-zwak en erbarmelijk-week en overgevoelig wezen! Ach, heb maar medelijden met me en wat geduld! Weet je wel, dat de laatste acht of negen brieven van je allemaal even kort en koel waren? Ik zeg dit heelemaal niet, Lief, dat moet je goed begrijpen, opdat je me lieve din en zeggen zal, die je niet meent, of waartoe je misschien niet in de stemming bent. Bovendien, ik weet, dat je erg gepreoccupeerd ben met je taken, - ik zeg het alleen om een reden te zoeken voor mijn vermoeiende, neerdrukkende melancholie. Ik schrijf dezen brief bij tusschenpoozen, aldoor wachtende op een brief van jou. Er zijn al drie posten voorbij gegaan. Ik laat mij soms beloven, niet te zullen huilen, als er geen brief van je komt, maar ik houd die belofte nooit. Er is ook niets dat meer enerveert dan wachten, wachten en dan nog wel vergeefs. Ik dank je wel voor je mooie en lieve vers, waar ik heel, heel blij mee ben. Je zegt, dat in het volgende lugubere regels voorkomen; ben je ook zoo droevig gestemd? Dan zullen mijn brieven je wel niet beter maken, arme Lief! Het vers op die bloem vind ik magnifiek-mooi, zoo heerlijk prachtig-sterk. Lief, hoe kom je er nu bij, dat ik jou ‘oud’ zou vinden, omdat ik dat van Koster heb gezegd? Ik wist natuurlijk heelemaal niet, hoe oud hij was, en ik heb hem immers nooit gezien. Ik vond alleen maar zijn doen tegenover jou en mij zoo typisch-oudeheerachtig- | |
[pagina 243]
| |
goedig. Ik vind jou heelemaal niet oud, absoluut niet, in geen enkel opzicht, juist 't tegendeel ervan, en het is natuurlijk niet ijdel van je, want het is niets dan de wáárheid. O, ik hóóp nu, dat er om half vijf een brief van je komt, want hoe ik dat wachten nóg langer verdragen zal, ik weet het niet! | |
Bussum, 21 Juni 1899Liefste,
Weet je, wat ik zoo goddelijk van je vind? Dat je zoo verschrikkelijk precies en klaar bent, en dat ik dus altijd kan begrijpen, waarover je 't eigenlijk hebt. Daardoor verschil je van de meeste vrouwen. Je bent niet tevreden met wat vage woorden, waar men intuïtief naar de beteekenis moet raden, of naar de portée (is dat een goed woord? ik heb het wel gehoord, maar nooit geschreven gezien) die dan gewoonlijk nog niet veel belang heeft, als men er eindelijk zoo wat achter is. Jij bent met al je subtiliteit en ruimte, toch zoo'n verschrikkelijk expressieve natuur, en dat is een van de vele dingen, die mijn diepste sympathieke gevoel treffen en mij maken tot je onvoorwaardelijk-getrouwen slaaf. En daarom kan ik ook zoo goed begrijpen, dat je jezelf vindt ‘het belangrijkste individu, dat op de wereld bestaat’, zooals je 't ergens zegt. Maar als je nu merkt, dat ik zooveel met je gemeen heb, zal je mij dan ook niet wat belangrijker gaan vinden dan je op 't oogenblik kan? Of vind je mij al net zoo belangrijk als Jan Bosmans of Christiaan of Frits van der Pijl? Deze twee laatste zinnen zijn natuurlijk maar een flauwe scherts. Maar nu komt er iets ernstigs. Weet je, wat ik zoo prettig zou vinden, als je 't deed, zoodra ik in den Haag ben? Dat je mij daar dan zoo'n beetje den weg leerde, door veel samen te wandelen. Want dien weet ik nog heelemaal niet. Vanavond zal ik al je geschrevene verzen nog eens overlezen, die ik van je te bewaren of te houden heb gekregen. Dan schrijf ik meteen over, wat mij goed voor je bundel dunkt te zijn, en stuur je die. Je vraagt wel om jouw handschriften er van, en als je 't nog eens verlangt, zal ik ze ook sturen. Maar, och, Liefste, 't is misschien kinderachtig van me, maar ik ben zoo bang, dat ze op de Bussumsche post soms zoek raken. De Bussumsche post staat bekend als een beetje nonchalant, en zelf heb ik daar ook wel eens | |
[pagina 244]
| |
last van gehad. Want de boel gaat hier veel minder machinaal geregeld, dan in een groote stad, zooals den Haag b.v. En dan wou ik ze zelf ook zoo graag hier houden, zoolang ik jou niet dichtbij mij heb. Maar als je zegt, hoe je 't wilt, dan zal ik dat doen, natuurlijk. Maar op één ding moet ik je ernstig tegenspreken. Je zegt, dat je alleen maar in staat bent, om gelukkig gemaakt te worden, niet om gelukkig te maken. Maar hoe komt het dan, dat je mij gelukkig maakt? Geloof me, Lief, we zullen samen zoo'n heerlijk leventje hebben in den Haag, dat je eindelijk gaat uitroepen: ‘O, Willem, het leven is prachtig mooi!’ Want je zal heusch zien, als je mij nog beter kent, dat ik ben een doodgoeie jongen, vriendelijk en zacht, behulpzaam en mededeelzaam, die zijn kracht en wildheid en strakke ongenaakbaarheid alleen in den ernstigen strijd des levens laat te voorschijn komen. Maar voor jou zal ik altijd zijn als een mooie zomermorgenhemel, met hoogstens nog hier en daar een ster van verbleekende mijmering, en aan de kim, goud in rose, de rijzende zon van mijn liefde-voor-jou. Nu, allerliefste mensch en vrouw en godheid (wat is de menschelijke taal toch gebrekkig, om je gevoel juist uit te drukken!) ik kus je in gedachten en blijf je onveranderlijke jongetje Willem | |
21 Juni '99Ja, Liefste, daar begin ik al weer. Neem mij de pedanterie niet kwalijk, Liefste, maar je lijkt zoo op mij. Jouw zielszijn is ongeveer net zoo ingericht als het mijne, en al die dingen, die je zegt, - die, of tenminste iets wat er op lijkt, heb ik zelf óók doorgemaakt. En door al mijn meegevoel heen, doet het mij tusschenbeiden een beetje intiem pleizier, dat je bent zoo als je bent, omdat ik nu zeker weet, dat ik mijn zusterziel heb ontmoet, die ik kan en mag helpen en vrij en blij maken met den door mij zuur-verdienden troost van mijn gevoelsweten en geweten gevoel. En ook is het mij zoo'n verrukking om te weten, dat, al mocht ik later eens, voor een oogenblik, ter neder zinken in stil-sombere ellende, dat jij dan maar een paar woorden zal hebben te zeggen en dat je ze zal zeggen uit | |
[pagina 245]
| |
je diepste weten en je zuivere gevoel, om mij weer te brengen op de oude hoogte, waar ik gewoonlijk rustig op sta. Ik vind het zoo heerlijk, wat je zegt over dat staan van je op de grens van goed en kwaad. Want dat bewijst, dat, als iemand je gegronde reden tot kwaad-zijn geeft, hij het hard tegen je te verantwoorden zal hebben. Je bent niet gemakkelijk als het op je weg ligt om óngemakkelijk te zijn. En zoo ben ik nu ook precies. Ik ben heelemaal niet lichtgeraakt, of kleinigheden zwaar opnemend, ik laat veel over mijn kant gaan, maar als ik langen tijd in koelen bloede was gesard of getergd, of onrechtvaardig behandeld, dan heb ik altijd plotseling, op de juiste plaats, met vaste, kalme kracht er op los geslagen, zoodat het mannetje angstig in een hoek kroop, en verder zijn mond hield, omdat hij 't moest. Ik zal je daarvan wel eens wat vertellen, als wij, later, altijd samen zijn. Bedoel je niet iets overeenkomstigs, op jouw manier natuurlijk, met jouw ‘kwaad’? O, dat je dat ‘demonische’, zooals je 't noemt, wat ik ook heb, en ik geloof wel, iedereen, - in je voelt, daarover ben ik zaligrustig. Want ik hoef er niet bang voor te zijn, dat het zich ooit tegen mij zal keeren, want ik weet, dat ik daar nooit aanleiding toe geven kan, noch zal, omdat ik te veel en te diep voor jou voel. Maar de onzegbare heerlijkheid is, dat er zóó iemand naast mij komt te staan, die ik begrijpen kan, en die mij ook begrijpen zal, als ik soms in den harden strijd des levens mij met ijzeren vuist verweer. Jeanne, lieve Jeanne, ik leg mijn hoofd op je schoot; strijk maar even, toe! met je handje over mijn haren, zooals je wel eens meer deed, want ik zweer je, ik zal maken, dat je goed blijft, en ik zal je verdedigen met alles wat in mij is, tegen alles wat jou kwaad wil, ik zal alles doen, wat in mijn macht is, om je te maken een gelukkig en rustig-blij mensch! En je kunt er zoo zalig-zeker van zijn, dat als je bij me ‘biecht’, zooals je 't noemt, het mij even heilig is, als mijn eigen diepste gedachten dat zijn, en waarvan de menschen niets weten. Vanmorgen kreeg ik alleen je vers. Arm, Lief! Schrijf mij eens, of deze brief met zijn bedaard-krachtige, ernstige gevoeldheid je wat heeft opgebeurd.
Teeder kust je op je mooie voorhoofd en oogen, je je altijd liefhebbende Willem | |
[pagina 246]
| |
Bij Koderitsch
| |
[pagina 247]
| |
heerlijk worden, als je goed in je ziel blijft voelen, dat iemand, die alles doorleden heeft, tot in het diepst van zijn ziel je liefheeft. Houd moed, Liefste, houd moed! Ik moet nu naar huis, om koffie te drinken. Vandaag schrijf ik nog wel weer. (Die verzen: dat op dien Papaver, en dat van ‘Liefde’, (81 geloof ik) heb je toch ontvangen?)
Met opperste toewijding
jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 248]
| |
soms op niets in mijn brieven reflecteert; 't wil me soms voorkomen, of je ze nauwelijks leest, dat je te veel in jezelf verdiept bent. Want als je mijn brieven inderdaad ontving, of ze ontvangende, ook werkelijk las, dan zou je moeten merken, dat ik zelfs niet ongeduldig word, over wat jij noemt je ‘klagen’. Ik vind het alleen heel treurig, dat je je zoo voelen moet, en als ik in den Haag woon, zal ik er alles aan doen, dat beloof ik je. Om nu zeker te zijn, dat deze je bereikt, wat ik af kan leiden uit het positieve, feitelijke antwoord, dat je er op moet laten volgen (over de ontvangst van mijn brieven, bedoel ik) zal ik van dezen brief copy houden, en antwoord jij er dan s.v.p. dadelijk op. Nu eindig ik, want deze moet ik nog overschrijven en dan naar de bus brengen.
Met heel mijn hart, liefste Lief
jouw eigen Willem
Excuseer de inktvlakken, dat komt door de haast van het overschrijven. Het is reeds over tienen 's avonds. | |
[Ongedateerd]Liefste, Liefste, ik moet je nog even zeggen, hoe hartstochtelijk en diep-gevoeld dankbaar ik je ben voor je brieven, - vooral voor dien, dien je bij Koderitsch schreef. Ik heb nu niet veel woorden tot mijn beschikking, maar, Willem, je hebt er een weldaad mee gedaan! Je hebt intuïtief gevoeld, hoe vreeselijk ellendig ik was, en juist gezegd, wat ik noodig had. Ik wou, dat je een koele hand op mijn brandende oogen lei, en me even aankeek, even, - en dat ik dan weg-zonk, wèg-zonk, in een diepen, diepen, droomloozen slaap, waaruit ik weer heelemaal beter zou wakker worden. O, eenige, liefste Schat, - jij, die me alles geeft, wat ik noodig heb, - die mijn alles bent, mijn alles-op-de-wereld, ik zoen je handen, je wangen, je mond, want ik heb je lief, ik heb je voor eeuwig lief, en tot aan het einde van mijn leven zal ik je dankbaar zijn! O, Lief! Lief! mijn goede, lieve trooster, mijn Schat!
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 249]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 250]
| |
ziel, waarvan mijn liefde voor jou een groot deel is, zelf eerst moeten verdwijnen-in-'t-niet. O, Liefste, geloof me, ik denk altijd aan jou, als de eenvoudige, zuiver-gevoelige mensch, die ik in mijn diepste binnenst ben. En als wij altijd samen waren, of tenminste in elkaar's nabijheid (och, mocht dit laatste nu toch spoedig gebeuren) dan zou je dit ook merken. Ben ik dan wel eens vreemd of stug of onaangenaam tegen je geweest, zoolang je in Bussum was? O, die zalige tijd! Ik denk er zoo dikwijls met zaligen weemoed aan, als ik mer eenzaam op mijn kamer zit. Die weemoed is wel droevig, zooals alle weemoed, maar hij is toch ook een beetje zalig, omdat ik weet, door je verzekering ervan, dat je niet heelemaal teleurgesteld in me bent geworden, en ik dus de hoop mag blijven houden op een wondergelukkige toekomst. O, Liefste, mijn diepste Zelf dringt hier naar boven, terwijl ik dit schrijf, en het kan wel gebeuren, dat ik dat ook soms te veel ónderhoud, omdat ik, zonder 't me bewust te zijn, denk, dat je mij te sentimenteel en te flauw zult vinden, als het te veel naar boven komt. O, Lief, diep-inwendig, en voor mijzelf meestal verborgen, ben ik eigenlijk zoo sentimenteel, niet sentimenteel in den zin van teemerig of kinderachtig, maar in dien van diepgevoelig. Ik laat dit nu los van mezelf, en als je 't vervelend vindt, dan kan ik het best ónderhouden weer, voortaan, zooals het leven mij geleerd heeft en gedwongen, het geheel latent te houden. Maar vanmiddag is het toch wakker geworden door je laatste lieve briefje, dat je gisteravond achterna geschreven hebt. Ik heb je zielslief, teeder-hartstochtelijk, grenzenloos lief; ik wou voor je liggen met mijn hoofd voorover op den vloer, en je voetje voelen, hoe het door mijn haren woelde, en ik wou je dan hooren zeggen: ‘Ik heersch over je, en dat wil ik ook, maar ik zal altijd goed voor je zijn, en aardig, en je nooit verlaten. Maar zweer dat tegen mij dan óok.’ En dan zou ik mijn arm van den vloer heffen, en zeggen met bewogen stem, maar vast en duidelijk: ‘Jeanne, Liefste, Eenige, Altijd durende, ik zweer, dat ik jou ook nooit verlaten zal, en nooit naar tegen je worden, of zelfs maar koel. Ik zal altijd alles doen, wat je wilt, en je leven zoo heerlijk maken als tot een paradijs-op-aard’. Vind je mij nu kinderachtig, Liefste? Je weet heel goed: ik kom zoo niet altijd naar buiten, en in den dagelijkschen omgang zit ik zoo niet te praten, want dan zou het zeuren wezen. Maar als wij dikwijls samen waren, dan zou ik toch soms wel heel ge- | |
[pagina 251]
| |
voelig worden, zacht-eenvoudig, zonder exuberantie van woorden. Nu, Allerliefste, ik ga dezen maar weer weg-brengen. Ik dank je nogmaals heel innig voor je briefje. Ik heb je eindeloos en onvergankelijk lief! Jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Ja, goede, lieve, beste, ik heb altijd àl je brieven ontvangen, blijkens de postmerken. Maar, Lief, je zegt zoo'n beetje verwijtend: ‘'t Wil me soms voorkomen, dat je mijn brieven nauwelijks leest, omdat je te veel in jezelf verdiept ben’. O, Lief, ik doe den héélen dag niets anders dan je brieven lezen en herlezen omdat ze me zoo'n steun geven en zoo'n troost. En dat wéét je wel, want ik heb 't je herhaaldelijk geschreven, dat ik 't zoo vreeselijk goed en lief van je vond, en dat ik er je zoo innig dankbaar voor was. En dat ik, zooals je zegt, op niets uit je brieven reflecteer, dat is alleen schijnbaar zoo, omdat onze brieven elkaar voortdurend kruisen. Het lijkt mij ook soms toe, of ik geen antwoord op vragen krijg, maar later komt het dan tóch. Het kan ook niet anders, waar we elkaar soms drie of vier brieven schrijven per dag! En dat ik zoo vroeg om een brief, komt hierdoor, omdat je me den dag dat je in Amsterdam was, maar één brief geschreven hebt, dien ik pas den volgenden dag om half vijf kreeg. Dat trof dus heel toevallig zoo, toen ik juist erg naar bericht verlangde. En, Liefste, dat ik telkens vraag of je boos bent, of dat ik je verveel, dat zijn allemaal verontschuldigingen van me, omdat ik me bezwaard voel, dat ik je zoo lastig val. Maar 't zal nooit weer gebeuren, hoor, Allerliefste en Bovenste beste! Straks schrijf ik weer. Dag, Schat! jouw eigen Jeanne
Deze brief komt er tot mijn spijt van avond niet meer, zelfs al maak ik er een spoedbrief van. Die moet om drie uur weg, dan gaat het nog. Ik heb er naar laten vragen. Dag, goede, lieve Lief! | |
[pagina 252]
| |
niet, hoe het kwam, ik weet niet waarom, maar ik voelde me in de laatste dagen en vooral gisteren, zoo diep melancholiek en ellendig. Ik heb je al geschreven, dat ik zoo raar was in mijn hoofd, en daar zal 't zeker van gekomen zijn, want ik had in 't geheel geen positieve reden. Ik ben nu nóg een beetje hoofdpijnachtig en onrustig, maar, o, je lieve goedheid heeft me zoo opgebeurd, en me zoo'n moed gegeven. Ik begrijp niet, lieve, goede, hoe je nog altijd weer troostende, bemoedigende woorden hebt, en altijd even zacht bent, en nooit ongeduldig wordt. Zooals jij bestaat er géén man op de heele wereld! En juist omdat je zoo goed bent, zoo innig, onzegbaar en eindeloos goed, ben ik wel eens een beetje bang, komt soms ineens met een hard zelfverwijt tot me de gedachte: dat ik wel eens misbruik van je maak. O, eenig-goede, liefste, beste, zeg me, of dat zoo is? Dan moet je maar, als ik weer eens begin, ferm tegen me zeggen: ‘Nou ophouwen, hoor! Ik heb waarachtig wel wat beters te doen, dan naar jouw ongegrond geklaag en gezanik te luisteren!’... Ach, lieve Lief, ik glimlach, nu ik dit schrijf, want ik geloof eigenlijk niet, dat je het ooit zal doen, maar, heusch, het zou wel eens goed voor me zijn. En vooral ook voor jou! want ik zou me dan een beetje gaan schamen, en mijn zelfzuchtige bepeinzingen probeeren in te houden. Wil ik je eens wat zeggen, Lief? Ja, 't is waar, ik heb in mijn vroeger leven wel eens gedacht, dat ik ‘het belangrijkste individu van de heele wereld’ was, maar nu ik jóu ken, nu wéét ik, vasten-zeker, dat jij 't ben, en dat ik zelfs heelemaal niets ben bij jou vergeleken. Met dat op de grens staan van goed en kwaad bedoelde ik eigenlijk iets heel anders, Lief! Want een rechtmatige verdediging kan soms absoluut nootzakelijk wezen voor het behoud van je Zijn. Neen, ik bedoelde dit: ik heb iets in me, ik voel, dat ik iets in me heb, dat me onderscheidt van alle andere menschen. En als nu die kracht, dat gevoel, of wat het is, door omstandigheden, niet in de, volgens de bestaande begrippen ‘goede’ richting zich ontwikkelen kon, dan geloof ik, dat ik een geniaal slechte vrouw worden zou. (Wat heb ik een hooge begrippen van me zelf, vind je niet? zelfs het kwade wordt, als ik dit woord op mezelf toepassen moet ‘geniaal’!) Is alles nu weer goed, mijn Liefste? Mag ik je nu weer een zoen geven? Het is al over twaalven, maar ik ga dezen brief toch nog | |
[pagina 253]
| |
maar eventjes weg-brengen. Dat is niets erg: ik ben een volwassen mensch èn verloofd, dus ik ben alleen aansprakelijk voor mijn daden, wat jij? En bovendien, 't is nu zoo verlaten en stil op straat, als in een kerk ná den dienst.
Voor altijd
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Juni, '99O, lieve engel, ik begrijp wel, dat je een beetje in de zenuwachtigheid moest zitten, maar ik kon het, waarachtig! niet helpen! Ik heb je nu in de 14 dagen, dat je weg bent, gemiddeld drie brieven per dag geschreven tusschen al mijn zorgen en bezigheden door. Nu moest ik een morgen en middag in Amsterdam zijn, want van Looy hield mijn salaris in. Ik heb daarover toen met Hein moeten spreken en die heeft het zaakje toen voor mij in orde gebracht. Buitendien schijnt het niets te geven door de malle inrichting van de post, of ik mijn brieven al op een bepaald uur op de bus doe, opdat je 's morgens een brief zult kunnen hebben. Daar werk ik altijd op, maar het geeft niet, blijkt het. Ik kreeg eens een brief van je 14 uur nadat hij afgestempeld was, je kunt dus zelf begrijpen, hoe gek de post soms werkt. O, ik was zoo innig blij met je tweede briefje van vanmorgen. Want ik was gisteravond naar bed gegaan met de gedachte: Alles is uit. En als ik vanmorgen geen brief van je gekregen had, was ik, alles wat ik te doen heb, in den steek latende, op de spoor gaan zitten, en naar den Haag gekomen. Ik had je willen opbeuren, of als je daar niet van gediend was geweest, mijn noodlot uit je mond zelf willen vernemen. O, Jeanne, ik verlang zoo verschrikkelijk om voor goed in den Haag te zijn! Dan is al die zenuwachtigheid van de brieven voor goed uit. Het staat voor mij even vast, dat ik jou alleen en voor altijd liefheb als dat ik zelf Willem heet. Mijn liefde voor jou staat zoo vast als een rots! Ik heb, gisteren, zulke angsten uitgestaan. Nu eens sidderde ik bij de gedachte, dat je een eind wou maken aan ons engagement, | |
[pagina 254]
| |
dan weer, dat je ziek zou worden, maar ik hield me toch staande en schreef je al die brieven. Heb je ‘Walden’ al besteld? Doe het toch gauw, Lief, wil je? en ga dan naar Veenstra toe. Ik ben vandaag een beetje zenuwachtig door al de agitatie van gisteren en vannacht. Maar dat zal wel overgaan! Ik dank je, dank je voor dat tweede briefje van vanmorgen! Ik lees het aldoor over: 't is het eenige, wat mij kracht kan geven. Er komen 22 pagina's vers op jou in de aflevering. Vanmorgen ontving ik de proef. Ik heb je schriften nog niet kunnen nazien; ik was te veel geemotionneerd. Ik ga nu dezen weg-brengen, en meteen wat broomnatrium halen. Dat zal me wel kalmeeren. Ik heb je diep-lief en ik verlang ontzettend naar je! Niets is in staat mij diep te schokken, behalve jij-alleen. Ik maak hier een expres van.
Geheel-en-al
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, Liefste! Nu ik zoo juist je spoedbrief gelezen heb, nu verwijt ik 't me zelf zoo vreeselijk, dat ik je zóó geschreven heb! O, Lief, geloof me toch, dat ik er zoo'n diep berouw van heb, en dat 't me zoo ontzettend spijt! O, Lief, Lief, heusch, ik heb 't niet expres gedaan, om je naar en angstig te maken, wat er het ongelukkig gevolg van is geweest, - of neen, dat hoef ik niet eens te zeggen, dat weet je wel van me, Willem, is 't niet? Ik weet 't zelf niet, wat me heeft bezield, maar er was een physieke oorzaak voor, o, als je dat gevoel-in-mijn-hoofd kende, dan zou je weten, dat 't me wanhopig maakt door zijn weeheid, en zwaarmoedig en triest. Maar ik had 't jou niet zoo mogen laten merken, lieve, lieve Lief! O, Liefste, Beste, Schat, mijn éénig Lief! Je hebt toch niet in ernst gedacht, dat ik ooit een einde zou kunnen maken aan ons engagement? O, ik wou, dat ik úu bij je was, - dan zou ik mijn armen om je hals heen-slaan, en je hoofd heel teeder houden aan mijn borst, en je dan zeggen, zoo, dat je 't voor altijd waarheid wist, dat 't nóóit, nóóit-in-der-eeuwigheid in mij kan opkomen, om te willen breken, - dat: jij daartoe de aanleiding geven moet, en dat | |
[pagina 255]
| |
als jij 't wenscht, je 't me rond-uit zeggen moet, zooals je me hebt beloofd en bezworen. En, o, Lief, je moet nooit denken, dat ik ziek zal zijn; echt-ziek word ik nooit, denk daar maar om. O, ja, ja, lieve, eenige Schat, je hebt me heel veel geschreven, maar ik zeg je nog eens, het trof zoo toevallig, omdat je juist in Amsterdam moest zijn, dien dag, dat ik zoo verlangend uitzag naar bericht. Hoe staat 't nu met de zaak van Looy? Toe, Lief, Lief, zal je 't me dadelijk schrijven, als je iets naders weet? Wat veel is dat: 22 p's vers! Lief, als je de revisie hebt gehad, zou ik dan weer de proef mogen hebben? Toe, wil je die dan wel voor me bewaren? Ik heb Walden al besteld, maar nog niet ontvangen, ik zal je dadelijk een ex. zenden als ik het heb; ik heb n.l. 2 exx. besteld. Neen, Willem, 't zou veel te veel moeite voor je zijn, al die verzen van mij over te schrijven, dat wil ik niet. Als je ze me even stuurde, had je ze na een dag al terug. Ik zou het al zoo ontzettendgoddelijk vinden, als je de opneembare even voor me aanstrepen wou. Misschien zijn er bij de losse blaadjes, die ik je gaf, ook nog wel eenige; de liefde-verzen, als ze goed genoeg zijn tenminste, kunnen wel in een bundel, vind je niet? Maak ik 't je heel erg moeilijk, Lief? Ik vind 't zoo verrukkelijk en zoo allerverschrikkelijkst lief van je, dat je ze voor me na wilt zien. Ik hoop, dat er morgenochtend een brief van je is, waarin je zegt, dat je een beetje beter bent. Want, o, arme, goede, lieve Lief, ik moet er maar aldoor aan denken, dat ik jou zoo treurig heb gemaakt! O, Willem, lieve, lieve, ik heb jou lief met alles wat in me is, - ik heb je lief met een liefde, die standvastig is en eindeloos, met een liefde onveranderbaar en onverminderbaar door tijd, afwezigheid of welken invloed ook! Ik heb je lief voor altijd-en-altijd, door-alles-heen, met een heerlijk-mooie, oppermachtig-groote liefde, - die alles, álles trotseert, een liefde, die méér dan menschelijk is en dus ónsterfelijk! Met mijn beide armen zacht om je hals en mijn wang tegen de jouwe jouw eigen, eigen, eigen Jeanne | |
[pagina 256]
| |
[Ongedateerd]O, Allerliefste, je brief, dien ik vanavond kreeg, heeft mij zoo'n allervreeselijkst pleizier gedaan. Ik zal je wel helpen, om die donkere machten in je voor goed te bedwingen en te overwinnen. Maar wat je zegt van iets ‘slechts’ in je, daarvan heb ik nog nooit iets gemerkt. Je hebt, van den beginne af, zoo mooi en nobel tegen mij gedaan, zoo echt-vrouwelijk-gevoelig en soms ook wel zoo flink-menschelijk-beraden, dat de macht van het Booze, om het zoo nu maar eens te noemen, al mocht zij ergens in een hoekje bij je schuilen, zooals zij in ieder mensch waarschijnlijk zit, toch nooit bij jou de overhand zal krijgen en dus oppermachtige bestuurster van je gedachten en daden zijn. Want dan zou ikzelf eerst ‘slecht’ tegen jou moeten gaan doen. En dat kan in mij tegen jou niet opkomen, niet omdat ik eerbied voor je heb, al voel ik dien ook diep, of om een andere meer-uiterlijke reden, die het beletten zou, maar alleen en uitsluitend, omdat ik je innerlijke wezen, wat men gewoonlijk ‘ziel’ noemt, liefheb, en ik dus altijd alles zal doen, wat die ‘ziel’ gelukkiger en beter maakt, als er iets aan beter te maken viel. Ja, ik heb de quintessens van je heele zijn, ik heb je ziel lief, om het zoo maar te noemen. Je uiterlijk trekt mij verschrikkelijk aan, en ik zou niet graag willen, dat je er anders uitzag dan je doet; maar als je niets anders was dan dat uiterlijk, of dingen in je had, die ik antipathiek vond een beetje, dan zou ik misschien wel een poosje met je kunnen lachen en spelen en schertsen, maar ik zou niet voor je kunnen voelen, al dat wát ik voel, dan zou ik niet zóó je kunnen liefhebben, zoo je innerlijke wezen kunnen vereeren en er mee sympathiseeren als ik doe. Want, hoor eens, toen ik je vroeg op den 5 en April, toen kende ik je uit je werk en je brieven, en je uiterlijk was bovendien juist zóó, als ik 't graag wou, ik voelde liefde voor je, maar mijn gevoel-voor-je was toch niet zoo bewust en mijzelven klaar, en gerechtvaardigd door mijn heele bewustzijn, als het is geworden, nu je die vijf weken in Bussum bent geweest. Want door dat samenzijn dag aan dag met mij, in allerlei omstandigheden en stemmingen en kleine voorvallen, heb ik je eigenlijk eerst voor goed en waarachtig en diep-in liefgekregen. Want ik heb toen dag aan dag gemerkt, hoe langer hoe meer, dat je wèl verstandig en sterk, maar toch niet hard of ongevoelig bent, en wèl opperst-gevoelig, maar toch niet week of slap als half-vloeibare was. Er is juist bij jou zoo'n harmonie tusschen de verschillende factoren van den mensch, die je verrukkelijk aangenaam maakt. En | |
[pagina t.o. 256]
| |
![]() WILLEM KLOOS IN 1890
| |
[pagina 257]
| |
weet je wat ik ook zoo heerlijk van je vind? Dat je zoo eerlijk bent. Ik heb nog nooit een jokken van je gemerkt en dat vind ik onbeschrijflijk sympathiek. Want serieus jokken, daar heb ik, zooals men 't noemt, een broertje aan dood. Liegen, om het juiste woord te gebruiken, is niets dan het bouwen van een schijn-paviljoentje, dat toch door het minste windje ineenstort, en waar men dan veel leelijker dan men was, uit te voorschijn moet komen. O, wat word ik weer wijs en zwaar! Daarom ga ik nu maar naar bed, want het is reeds 10 minuten over éénen. Nacht, goede, prettige, heerlijke Lief! tot morgen!
Geheel jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Willem, ik aanbid je! O, mijn Liefste, mijn Eenige, mijn Schat, mijn Alles! Ik heb je lief met mijn denken, mijn voelen, mijn willen, met alles, alles! Ik houd van je, o, Willem, Liefste, met mijn verstand, met mijn ziel, met mijn hééle Zijn! Ik ben van jou, ik geef je mijn Zelf volkomen, ik ben jouw eeuwig, onvervreemdbaar eigendom! Ik vertrouw je, ik geloof in jou met een heilig, vast en opperst vertrouwen. O, na deze laatste droeve dagen weet ik het zekerder en zuiverder dan óóit te voren, dat mijn liefde voor jou is onverbrekelijk en onvergankelijk en zelfs onwànkelbaar! En daarom aanvaard ik de jouwe met een blijde, diepe en innige dankbaarheid, omdat ik weet, dat ik ook eenmaal jóu gelukkig maken kan, door mijn standvastig-trouwe, óneindbare liefde en door mijn staege teederheid en door mijn vroom, volkomen geloof in jou. O, de zachte, teere, eindeloos-groote goedheid van jou heeft me hevig, maar zalig ontroerd, - nu weet ik voor mijn-hééle-leven, dat ik jou liefheb, jóu uitsluitend-en-alleen en voor áltijd, en dat dat nooit veranderen kan of zal, omdat ik niets anders wil, niets anders willen kàn, dan jou te lieven uit de diepste diepte van mijn ziel, omdat álles in me dat eischt, dat verlangt, dat wil. Willem, ik zeg dit alles niet in een mooie, maar vluchtige opwelling van hartstochtelijkheid, maar in de waarachtige overtuiging van de wáárheid van mijn woorden en héél-nauwkeurig wetend wat ik zeg. O, 't verrukt me diep, 't is me een onuitsprekelijke weelde, dat ik dit zeggen mag en dat je het aanhooren wilt. O, mijn Lief, mijn liefste, mijn goede, mijn beste Lief! Mijn armen wou ik teeder | |
[pagina 258]
| |
leggen om je heen, en je dierbare hoofd heel vast en innig houden aan mijn hart, en dan met mijn mond aan je oor het nóg eens zeggen, zacht, maar onuitsprekelijk teer, dat ik je liefheb, liefheb! En dat je me zalig-rustig en tevreden en wonderlijk-gelukkig maakt. Ik heb je lief met mijn Heden, met mijn Toekomst, met mijn gansche bestaan.
Tot aan het eind van mijn leven
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Lieve Schat,
O, je brieven, je brieven! Ik leef in een voortdurende bedwelming door je brieven! Maar daar doorheen zie ik toch in vaste, klare lijnen het leven, dat nu voor mij naderen gaat, waarin ik zal staan, zoo sterk en gelukkig, en jij naast me op hetzelfde plan, omwademd door de onvergankelijke atmosfeer mijner liefde, die ik staag om je zal blijven breiden in teedere zorgen, lieven hartstocht en innig verkeer. Je gelooft het misschien niet, en denkt: och, dat zegt-i nu maar zoo in de opwinding van een oogenblik, maar ik geef je toch de verzekering, de plechtige verzekering (en ik weet wat ik zeg) dat ik je aanbid, dat ik geheel aan je overgeleverd ben met mijn diepste toestemming en dat je met mij doen mag, wat je wil. Zie, ik voel me jong en flink en bruisend, alsof ik twintig jaar was, maar natuurlijk ben ik veel constanter en sta vaster in mijn schoenen dan een jongen van twintig jaar. En al ben jij zooveel jonger, ik voel nu als iets zekers, dat jij ook, in je diepte, onwankelbaar bent, en dat je mij ziet, door al je stemmingen heen, als een mensch, die je gelukkig kan maken en dien je dus bij je houden wilt. En ik zal je gelukkig maken, Jeanne! dat zweer ik je positief! Mijn hartstocht voor jou brandt hoog-op in mij als een heilige vlam, die alle egoïstische gedachten-in-mij verterend, voor jou wil wezen een weldoende warmte en een menschelijke mooiheid, waar je door moet uitroepen: Het leven is mooi! en ik vind het heerlijk om te leven naast Willem, omdat hij ook het leven naast mij heerlijk vindt, en mij blij maakt met de eindelooze zachtheid en teedere trouw van zijn gloeiende ziel. O, Jeanne, ik kan niet anders voelen, als: Ik heb je onnoemelijk, onuitsprekelijk lief! En ik zal goed voor je zijn, zaligmakend-goed | |
[pagina 259]
| |
en eindeloos-verblijdend, zoodat het je zal lijken, of je niet meer op de donkere aarde maar in den lichten hemel leeft. Ik smeek je, jaag allen twijfel weg uit je ziel! Ik ben nog nooit zoo in mijn leven geweest, ik heb nooit zoo gesproken, ik heb nooit zoo gevoeld, nog nooit en voor niemand. Jij bent de eerste mensch in mijn leven en je zult altijd de eenige blijven, die mij breed en diep heeft weten te schokken met heilige passie en zuiver gevoel. Ik wou je in opperste vervoering zacht aan mijn hart drukken, mijn lievende armen stil om je heen en je troost inspreken en moed en kracht geven. O, en als jij je dan rustig-gelukkig voelt, dán met je rond te dansen door de kamer, tot wij beiden op stoelen neervielen, en ik, je handen in de mijne houdend, je aldoor mocht aanzien in je blijde oogen, en ze van tijd tot tijd kussend, zooals men een bloem kust, je mocht zeggen: ‘Jeanne, heerlijke, hemelsche, diep-menschelijke Jeanne, jij bent het ideaal verwerkelijkt, jij bent mijn droomen tot waarheid geworden, jij bent de godheid-in-een-mensch!’ Voel je je nu een beetje beter, Jeanne, liefste Jeanne: o, houd maar moed, want alles in je leven komt terecht.
Met een innigen kus
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, mijn goede, lieve, lieve, beste Lief, wat een verrukking zijn me je brieven toch! Je weet niet, o, je wéét 't niet, wat een goddelijk genot ze me zijn! Ze heffen me op uit mijn toestand van melancholisch-in-mezelf-gekeerd-zijn, - o, ze maken me weer beter, heelemaal, heelemaal, als ik soms dat vreemde verdriet heb, dat, ik weet niet waardoor, ontstaat. O, Liefste, Eenige, mijn liefste Schat, ik ben, je zoo ben er je zoo héél erg dankbaar voor! O, ik wou, dat ik je het werkelijk eens kon toonen, hoe gelukkig je er me mee maakt en hoe diep-innig-blij! O, Liefste, wil je nu niet gelooven, dat je mijn Alles bent, die elk dreigend, angst-gevend donker voor mij kan omtooveren in licht? Ik heb je lief, innig en onuitsprekelijk lief, en 't is mij een zalige verrukking, je dat te kùnnen, je dat te mògen zeggen. O, Willem, geloof je me nú en voor-altijd? O, ik vind het ook zoo verrukkend-zalig als je spreekt over je | |
[pagina 260]
| |
gevoel voor mij, want, weet je wel, ik heb soms geklaagd, dat je ‘koel’ was. Maar dit was een schandelijke bewering van me, want je bent àltijd even goed en lief en innig-hartelijk voor me geweest, en ik had moeten begrijpen, dat al je beslommeringen je bezig hielden. Ik had moeten zeggen, dat je brieven vluchtig of haastig geschreven waren, maar dan nóg zou het niet mooi van me zijn geweest, als ik er iets van had gezegd, omdat jij. Lief, lieve Lief, alles doet, wat in je vermogen is, om mij maar aangenaam te zijn. Willem, ik beloof je, ik beloof 't je op mijn woord van eer, dat ik probeeren zal te maken, dat je nooit meer, nooit meer verdriet van me hebt. Goede, lieve, geloof je dat van me? Geloof je, dat ik dit ernstig en heilig meen? O, ik houd zoo van je! ik houd zoo van je! O, hoe graag zou ik je wat troost in je zorgen geven, hoe heerlijk zou ik 't vinden, als ik tegen je zeggen kon: ‘Ach, Liefste, geef er niet om, alles zal gauw weer in orde zijn!’ O, als ik dát kon doen! - O, Liefste, kan jij 't je begrijpen, dat 't nu nog maar een klein beetje meer dan veertien dagen is, dat we elkaar niet hebben gezien? 't Lijkt me zoo veel, zoo eindeloos veel langer toe! Ik moet nu uitscheiden. Lief, want ik moet nog aan mijn broer schrijven; vandaag gaat de Transvaalsche mail. Dag, Liefste, Beste, Eenig-goede, mijn innig-goede, lieve, lieve Lief!
Met een hartelijken zoen
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Liefste, Liefste! O, ik wou, dat je wist, dat je eens voor een oogenblik zag, hoe dol-dolblij en hoe innig-gelukkig ik met je brieven ben. O, Willem, Willem, hoe lief en aardig en vreeselijk-goed ben je toch! Daar heb ik je nu geplaagd en onaangenaam gestemd door mijn vorige brieven (al kon ik 't ook niet heelemaal helpen, dat ik zoo deed, door mijn eigen vervelende stemming) en toch blijf je altijd even goed en lief en innig-zacht, - o, ik bewonder je geduld en je berustend verdragen! Maar laat ik er nu maar niet meer over spreken, dat is nu heelemaal voorbij, hè, Lief? O, weet je, wanneer ik slecht zou worden, in de allerergste beteekenis, die men aan het woord geven kan, en ònherroepelijk te | |
[pagina 261]
| |
gronde zou gaan? Als ik absoluut-ongelukkig werd, en dat overleefde. Begrijp je me, Lief? Dan zou ik krankzinnig-misdadig zijn. Maar nu, - o, Lief, Lief, mijn Schat! jij maakt me gelukkig, o, je maakt me gelukkig en daardoor: goel! O, Liefste, 't is me zoo'n goddelijk-zalige gerustheid, dat ik heelemaal op jou steunen mag en je altijd om raad vragen en alles aan je toevertrouwen mag! En dat je zegt dat ik eerlijk ben, ja, Lief, dat durf ik wel te zeggen, dat zoo is. Opzettelijk lieg ik nooit, en ik vind 't altijd naar, als ik wel eens maatschappelijk jokken moet; soms is dat wel eens noodig, dat zal jou ook wel eens overkomen zijn, zoo'n omstandigheid, is 't niet, Lief? 't Eenige waarom men mij wel eens (4 × wel eens!) van onoprechtheid zou kunnen verdenken, is, omdat ik te gesloten ben, en niet dadelijk alles vertel, wat de menschen graag willen weten. En dat vinden de meesten onaangenaam, maar ik zelf kan er niets verkeerds in zien. Lief, als ik een brief ná de laatste lichting op de post doe, moet je dien den volgenden dag om één uur ontvangen, nietwaar? Ik zal er je nog eens zoo een zenden, om te zien, of het waar is. Want als je hem pas 's avonds (tegelijk met den brief, dien ik 's middags om één uur verzend) ontvangt, kan ik hem even goed met de laatste post laten gaan, zoodat je hem dan bij 't ontbijt 's ochtends krijgt. Als ik een brief om drie, zeven of tien uur op de post doe, krijg je hem 's morgens, en dien ik om één uur verzend, krijg je 's avonds, is 't niet? Als jij een brief verstuurt 3-4, 4-5, 5-6, 7-8, 8-9 n.m. krijg ik hem altijd 's morgens (wat ik verrukkelijk vind) 6-7 v.m. krijg ik om één uur, 10-11 v.m. krijg ik om half vijf en 2-3 n.m. krijg ik om half acht 's avonds. Dag, Allerliefste, lieve, beste Lief! Ik denk, dat ik je straks weer schrijven ga.
Voor altijd en altijd
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 262]
| |
dan niet doen, nu je mij, gelukkig! hebt geschreven, dat je 't prettig vindt? Ik stuur je hierbij nog wat kaartjes van ons engagement, die wij bij mij op tafel hadden laten liggen; ik haalde ze vandaag onder wat boeken en papieren vandaan, die ik toevallig opnam. Het portret voor je broer krijg je gauw; het moet voor de post zorgvuldig ingepakt wezen, en Verster, die verstand van zulke dingen heeft, heeft mij beloofd, mij er aan te helpen. Maar hij zit druk wapens te teekenen en reist dikwijls heen en weer naar Amsterdam, waar hij tegenwoordig zaken heeft. Vanavond zal ik echter zien hem er voor te pressen. Hierbij sluit ik ook in, het vers dat ik een dag of wat geleden maakte en dat ik toen niet wou sturen om een paar lugubere regels. Zoo heel erg is het trouwens eigenlijk niet, merk ik, nu ik door je laatste brieven in een heel andere stemming ben. Hoor eens, Lief! ik wou je wel eens wat vragen. Als je weer eens treurig mocht worden, zonder dat je duidelijk weet waarom, kan het je dan niet een beetje opbeuren, als je eens aan mid gaat denken, of liever aan het leven, dat ik je bezorgen kan en wil? Want, waarachtig! Lief, ik zal altijd alles doen, wat in mijn macht is, om je te doen lachen en pleizier-hebben, en je te doen genieten van al het mooie, dat er op de wereld en in het leven is. Want waarom heb je mij ook eigenlijk genomen? Omdat je vertrouwde op mijn binnenste, nietwaar? Welnu, en daar kan je ook absoluut op rekenen, daar kan je op bouwen als op vasten grond. Want ik ben heelemaal geen vlinder, maar binnen-in een diepe en vaste en gevoelig-serieuse natuur; en al mijn woorden tegen jou, die ernstig klinken, zijn ook ernstig- en waarachtig-gemeend. Als je later weer in mijn armen gaat liggen, die ik innig-zacht en breed om je heenbreid, dan kan je heusch denken, dat je ligt als in een Indisch woud, waar absoluut geen slangen zijn, en waar je je laat wiegen op sterke takken en weeldrige blaren, tot je in sluimer valt en niets meer weet. Zie, ik ben hartstochtelijk-verliefd op je, maar daar hoef je ook heelemaal niet bang voor te zijn. Want mijn hartstocht is niet bruut-egoïstisch en hij wil niets anders als jou gelukkig-maken en je al aardsche ellende doen vergeten. Ik zál je heerlijk-gelukkig maken, Jeanne, vertrouw daar gerust op. O, wat zal dat heerlijk zijn, als ik in den Haag woon, vind je ook niet? Altijd alles samen bespreken en je nooit in ellende laten, maar | |
[pagina 263]
| |
je met alles helpen. O, ik tril nu al van pleizier, als ik daaraan denk. En om je ten slotte even te laten glimlachen: ik heb al een liefje bedacht om je mee te plagen. 't Is Mevr. Clant van der Myll, die schrijft als ‘Holda’. Ze is, denk ik, nu zoowat 76 jaar. Ik heb haar weliswaar nooit gezien, maar haar naam schiet me zoo toevallig te binnen. Oude dames vind ik altijd het aardigst, want die houden het niet lang meer uit en dan neem je weer een andere, dat geeft afwisseling. Geheel jouw eigen Willem
Die kaartjes krijg je morgen en dat vers ook! Ik hoop, dat je dezen vanavond nog krijgt! | |
Bussum, 23 Juni '99O, allerliefste ziels-snoes,
Ik moet er zelf eigenlijk een beetje om lachen, maar 't lijkt wel of ik mal ben vandaag: ik moet maar aldoor aan je schrijven, mijn diepste ziel dringt blijkbaar naar je heen. Ik kan je vandaag ook heelemaal niet aanspreken als godin of vorstelijke vrouw, want zoo voel ik me nu niet: ik voel me zoo innig-menschelijk met je; ik zit aldoor zacht-vroolijk te kijken naar den zonneschijn, die zoo vriendelijk op de boomen voor mijn balcon-raam ligt, en ik wou, dat ik er wat van in mijn brief kon sluiten, zoodat haar kamertje, als ze de envelop open brak, plotseling verlicht werd en in gloed gezet door dezelfde zon, die mij nu zoo vroolijk maakt. Dan zou ze ook meteen met haar oogen kunnen zien, hoe 't er op 't oogenblik vanbinnen bij mij uitziet. Want o, mijn ziel is vandaag vol zon! En dat komt door je brief van vanmorgen. Want o, liefhebben is wel heel prettig, als 't maar niet heelemaal hopeloos is, maar te hooren van je, dat je mijn liefde aanneemt, dat je die goed voor je vindt en prettig, o, allerliefste, dat maakt mij wezenlijk dol van vreugd. Want ik kan en mag nu mijn gevoel, dat ik vroeger uitsluitend bewaarde voor blauwe lucht en mooie natuur en het denkenen-voelen van de grooten in kunst, dat mag ik nu allemaal op een mensch overdragen, op den eenigen mensch, waar ik alles van goed kan vinden, en die ik liefheb en bewonder met innig-warme en diepe sympathie. | |
[pagina 264]
| |
Ik zit nu letterlijk te dansen op mijn stoel, want niemand kan mij zien, en er mij om uitlachen, te dansen van delicaat pleizier en geluk. O, ik voel mij zoo jong en sterk en vol bruisenden levenslust als een huppelende bergstroom over de rotsen, opschietend tot diamanten door den zonneschijn. Strek je mooie lichaam er maar lang op uit, als de heerlijke fee, die je bent: ik zal je brengen in koele grotten, waar de zonneschijn door een spleet invalt, waar de waterval melodisch-kletterend nederplast: ik zal je voeren langs koele hellingen, waar je van tijd tot tijd kunt uitrusten, weeldrig sluimrend op het donzige mos; ik zal je dartel-intiem doen lachen, als de zachte golfjes kussen je bloote, blanke voetjes; voel je 't wel, al zie je 't niet, dat het eigenlijk mijn zuivere mond is, die ze met lievende streeling kust? Voel je nu niet, mijn Jeanne, dat ik dol ben van geluk? O, er is geen ander, geen enkel ander meisje op de wereld zooals jij! Heusch, mijn gevoel voor jou is geen zinnelijke opwinding, omdat jij nu toevallig een vrouw bent en ik een man. Want al zette je nu honderd andere meisjes om me heen, dan zou ik ze vriendelijkschertsend aanzien, en mijn hoed afnemen, en met een lichte buiging verder gaan. Ik verschil hierin van de meeste mannen en ben precies het tegenovergestelde van een polygaam. Mijn hart, dat jij nu heelemaal voor goed in je macht hebt, is absoluut een ondeelbare eenheid. De eenige vrouw, die ooit mijn Zelf zal hebben is de trotsche Jeanne Reyneke van Stuwe, voor wie ik mijn hoofd, in blijden deemoed, voor eeuwig buig. O, ik wou, dat ik op den grond lag, lang recht-uit, en dat je dan op mij liep en danste en dartelde met je lieve voetjes, - natuurlijk, - lach je nu niet? - zonder je laarsjes aan, en dat je dan uitriep: ‘O, ik ben zoo blij! Want nu zie ik, dat die mensch, mijn mensch, mijn eigen Willem voor mij-alleen is, en dat ik alles met hem mag doen, als mij dat pleizier geeft, als ik wil. Het eenige waar ik bij hem bang voor ben, is, dat hij zoo meteen plotseling op zal vliegen en mij in zijn armen zal sluiten, en mij overal, aloveral kussen, tot ik van verlegenheid niet meer weer, waar ik blijf. Maar dadelijk daarop gaat hij toch weer verzen maken met een dood-onschuldig, verheerlijkt gezicht. Kom, ik ga dus nog maar eens op dat lange lichaam een Spaanschen Fandango dansen, bij het klapperen der castagnetten, met een wilde, zonderling-zoete melodie. Want zijn lichaam is een veel zachter en elastischer dansvloer voor mijn gevoelige voetjes dan de harde grond er om heen.’ | |
[pagina 265]
| |
O, Liefste, Allerliefste, merk je nu wel, dat ik een mensch ben, een levend mensch en geen houten paal met een kastoren hoed op en een lakensche jas er om heen? En heb je wel ooit zoo'n raren Hollander gezien als ik? De Hollanders zijn allemaal beste menschen, maar ze zijn dikwijls een beetje van bordpapier. Vind je dat óók niet? Het naïeve, het spontane, het weelderig-gepassionneerde ontbreekt hun te veel. En innigheid, daar lachen ze, in hun bêtise, mee. Apropos, Liefste, schrijf mij eens, of je Bilderdijk kent. Dat was, geloof ik, een heel bijzonder mensch, die niet maar met één oogopslag doorgrond wordt, zooals Multatuli heeft willen doen. Dien Multatuli vind ik eigenlijk als oordeelend hersen-organisme, zoo'n inferieur mensch. Want hij stond feitelijk beneden de dingen, waarover hij sprak, maar hij wist te oreeren met een nobelen zwier en een klank van overtuiging in zijn geluid, die de menschen, die er even weinig van wisten als hij, verrast deed opzien en luisteren en ja zeggen. Hij was, wat men noemt, een kranige rhetor, met veel spontaneïteit en gevoeligheid en humor, maar die zich te veel op een standpunt plaatste van eigen ingebeelde grootheid en wijsheid, zonder de onderwerpen, waarover hij redeneerde, eerst wat grondig te hebben onderzocht en ze in hun juiste waarde gekend. De gemengde indruk, dien ik krijg door de lectuur zijner geschriften, doet mij dikwijls denken aan den eveneens gemengden indruk, ontvangen bij het hooren van plebejers-op-straat. Daar hoort men ook, onder heel veel onzin, dikwijls plotseling een treffend-heldere of tant-soit-peu geestige bewering, waarin een merkwaardige, nooit vroeger geziene waarheid schuilt, een waarheid, waar de meer bevoegde denkers, met hun meer schoolsche en afgepaste hersenbewegingen nooit aan hadden geraakt tot dusver. Multatuli's stralenkrans lag voor de zuiver-menschelijk-voelenden voor een deel in de gemeene praatjes, die over zijn private leven werden verspreid. ‘Wat bliksem’, moest wel iedereen zeggen, die zich uit fatsoensgevoel hield buiten die laffe Hollandsche kletskliek, ‘als men het leven van die schijnheilige lasteraars zelf eens op den keper beschouwde, zou er dan nog niet heel wat anders voor den dag komen, bedreven door hen in harde stugheid, dan men nu den gevoeligen Douwes Dekker verwijt’. Multatuli was geen heilige, hij was een mensch, en alléen wie zelf zonder vlek is, werpe op hem den eersten steen. Multatuli was een geniaal journalist, maar van een groot denker of wijsgeer had hij niets. | |
[pagina 266]
| |
Nu, allerdierste genadige van mijn ziel, hier is je brief voor Zaterdagochtend.
Eindelooze schat, innig kust je
jouw Willem | |
[Ongedateerd]Wil ik je eens wat zeggen, Willem? Je betoovert me, je betoovert me met je fantasieën over groene hellingen en koele grotten en klaterend water en wijd-zich-strekkende wouden... O, als ik ze lees, komt er zoo'n wondere bekoring over me, dan zink ik in een weelde weg, waarin ik mijn mensch-zijn niet meer voel, en maar één wensch in mijn bewustheid heb: voor jóu gelijk een sprookje of een mooie droom te zijn, - zóó, dat ik mij naar willekeur vervormen kan, om jou een altijd-wisselende, maar nooit-verminderende vreugd te zijn: een zonnestraal, die glanzend over je handen glijdt, een helder-stralende, aanbiddelijk-mooie ster, een kalme, breedlijk-deinende, majestueuze golf, een teere bloem, een vogeltje, een kleurige kapel! O, Lief, dat alles wou ik zijn, en nog meer, méér, o, alles wat je verlangen kon! Want ik heb je lief als man, ik vereer je als mensch, ik aanbid je als god! Je mag alles van me vragen, wat mijn ziel je geven kan, - je vermag alles op me, - ik geef mij over aan de macht van jòuw verstand! Je wou me zon zenden, maar dat heb je gedaan, mijn Liefste, Liefste, mijn Eenige! Elk van je woorden is zon, - elk van je gedachten en elk van je gevoelens is zon, zón! En dáárom heb ik je lief, dáárom aanbid ik je, omdat je de zon bent van mijn ziel, de zon van mijn leven! En daarom kan ik zónder jou niet meer bestaan, omdat je mij levenskracht en licht en warmte geeft en nameloos geluk, zooals de wèrkelijke zon dat doet aan een bloem. Ik heb je lief!
Voor eeuwig-en-eeuwig
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 267]
| |
en o, ellendig in mijn hoofd. Dat is nu bijna weg. O, je brieven hebben me zoo onuitsprekelijk veel goed gedaan, ik wou, dat je wist, hoeveel. O, Liefste, ik ben er je ook zoo eindeloos dankbaar voor. O, ja, Lief, het zal goddelijk, goddelijk zijn, als je woont in den Haag. O, altijd alles direct met je te kunnen bepraten en raad te vragen, en jou ook eens misschien met 't een of 't ander te kunnen helpen! Maar weet je, wat ik zoo graag zou willen, Lief? Dat je eerst eens een paar dagen hier in de stad kwam logeeren, om te zien, of je dacht, dat 't je in den Haag bevallen zou. En ik zal je overal den weg leeren vinden, net zoo goed als ik dien zelf overal weet. Wat ben je toch een grappige Lief, om me te willen plagen met die oude dame (is het de moeder van Mevr. Snijder van Wissekerke?) Je houdt zoo van oude dames, zeg je, en neemt nu ook maar aan, dat ze van jòu houden, - maar als je er bij zegt, dat je ze alleen neemt, om ze eens te kunnen ‘verwisselen’, dan zullen ze dat zeker niet van jou doen. Ik waarschuw je maar. Maar nu moet ik je, zonder gekheid, nog eens iets over jaloerschheid vragen. Jij zei laatst, dat jij ‘eerder 't tegenovergestelde’ daarvan ben. Maar wat is 't tegenovergestelde van jaloerschheid? 't Kan even goed een ‘goed vertrouwen’ als ‘onverschilligheid’ zijn. En als ik er niets om gaf, dat jij lief tegen andere vrouwen was, dan zou ik mijzelf toch moeten bekennen, dat mijn gevoel-voor-jou vrij koel en oppervlakkig was. En daarom kan ik me niet goed begrijpen, dat zoo iets jou niets schelen kan. Natuurlijk zou ik jou nooit een positieve aanleiding kunnen geven, zoo min als jij mij dat zou kunnen doen, maar zou je er heelemaal niets om geven, als andere mannen me 't hof maakten, of aardig tegen me waren en toonden op me verliefd te zijn? Dat was dan wel heel gemakkelijk voor me, maar ik zou 't absoluut niet prettig vinden, ik had veel liever, dat je niet velen kon, dat een andere man me aankeek zelfs, dan nu je vindt, dat dat er heelemaal niets op aankomt. Zie je, ik was er vroeger van overtuigd, dat ik nóóit jaloersch zou kunnen zijn, maar nu merk ik, dat ik 't verschrikkelijk ben. Toe, antwoord me hier eens op, zal je, Lief? Zeg, Lief, vind je niet, dat dit scheurkalender-rijmpje goed op mij van toepassing is: Dein Auge kann die Welt trüb oder hell dir machen.
Wie du sie ansiehst wird sie weinen oder lachen.
| |
[pagina 268]
| |
O, ja, lieve Lief, stuur me mijn schriften en losse blaadjes nu maar (als je zoo allerliefst wil zijn de geschikte verzen aan te strepen) je krijgt ze heusch dadelijk weer terug. En dan wou ik je vragen, of ik je nog meer verzen ter lezing mag sturen, vóór ze in den bundel gaan? Ik ben vreeselijk verlangend naar je vers, ik ben een beetje bang, dat het somber zal zijn. Je moet je niet expres haasten met dat portret voor mijn broer, hoor, Lief!
Dag, Liefste, Allerbeste! Met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 269]
| |
noodig is. En het type van de menschen is er zoo onvergetelijk, eenig-prachtig. Een massa koetsiers en dienstmeisjes en kellners en dergelijke lui, zou men, door ze even in betere kleeren te steken, veranderen in even aristokratische typen als onze netste salonheeren en dames zijn, niet alleen wat hun lichaamsvorm en hunne gezichten, maar ook wat hunne manieren betreft. Probeer dat met onze hulpvaardigen eens! Je moet bijv. niet denken, dat de reizende Engelschen, zooals we ze hier wel te zien krijgen, en die bij ons soms den lachlust wekken, de echte types van hun natie zijn. Zulke menschen, als ze door Londen loopen, wekken daar, even goed als hier, een glimlach telkens van de voorbijgangers, maar de Engelschen, altijd correct, glimlachen met de oogen, niet met den mond. Ik geloof, dat Londen feitelijk een fijn-beschaafder stad is dan Parijs. En dit is zeker: de Engelschen zijn veel intelligenter dan de Franschen, ze zijn veel echter, en weten veel beter, wat ze doen of laten. De Franschen zijn, bij hèn vergeleken, niet veel meer dan opgeschoten knapen.
Hoe kwam ik daar zoo opeens in Engeland verzeild? Och, dat komt, ik spreek maar, zonder mij in te houden, tegen jou uit, wat in mij leeft. Ik had dezen brief eerst vanavond nog weg willen brengen, maar ik maak hem nu maar dubbel zoo lang, dan houd ik morgenochtend vrij voor andere dingen. En bovendien krijg je morgenochtend al dien brief van 8 zijdjes, dien ik zoo even op de post heb gebracht. Wil ik je eens wat zeggen, Lief, wat je misschien niet onaangenaam vinden zal? Je weet wel, dat ik heelemaal geen bluffer ben, en daarom durf ik je te zeggen, zonder mij aan te stellen met valsche nederigheid: Ik geloof nu, dat je van mij houdt, en ik zweer je, dat ik je liefde altijd waardig zal wezen, en haar met dubbele liefde beantwoorden zal, niet omdat ik dat wil en het redelijk vind, al vind ik het ook noodzakelijk en redelijk en al doe ik het graag, maar alleen omdat mijn diepste ziel mij gebiedt om je lief te hebben, zooals ik nog nooit iemand heb kunnen liefhebben, zooals ik mij niet bewust was, dat ik kon doen. O, ik zal je overstorten met vreugde, zoodat je je armen juichend opheft naar de lucht, ik zal je verrukken, je bedwelmen, ik zal alles, alles doen, wat je wil, | |
[pagina 270]
| |
vóórdat je eigenlijk nog weet wàt je wil. Ik zal je leven maken tot een glorieuse, altijd-durende, hemelsche zaligheid, ik zal je leven grandioos-zalig en heerlijk-schoon maken, ik zal je doen genieten, al wat er maar valt te bedenken van genieten voor een nobele en prachtige vrouw. Je zult je nooit in mij vergist hebben, dat zweer ik je vast en ferm en zeker, en je leven zal dobberen in eindeloos verblijden tusschen stille weelde en wilde vreugd. En alle leed zal je gaan lijken een bange droom uit vroegere tijden, waar je, als was het een misplaatste, maar goed-afgeloopene scherts geweest, thans in dronkene jubeling om lacht. Jeanne, voel je nu, geloof je nu, dat ik je eeuwig liefheb, voel je 't nu zoo zeker als ik het zeker weet? O, laat mij mijn hoofd verbergen op je schoot, veel teederder voelend dan ik ooit, zelfs voor jou heb gedaan. Ik, de zichzelf in zijn macht hebbende, sterke, diep-doorvoelende en denkende man, ik geef de macht, die ik over mezelf heb, aan jou over, aan jou alleen, doe met me, al wat in je op mag komen, bind mij, knijp mij, sla mij, alles wat van jou komt is voor mij pleizier, als ik maar weet, dat jij er pleizier van hebt. Voel je 't nu, weet je 't nu, dat jij de Eenige, de Aleenige bent, die ooit is geweest, die is, en die altijd zijn zal, en dat ik zal blijven tot het eind van mijn lange, wijl krachtige leven, en als er onsterfelijkheid is, nog daarover, door alle eindelooze tijden heen, jouw, geheel aan je toebehoorend onvervreemdbaar eigendom
Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, Schat, wat ben ik blij-verrukt met je heerlijk-mooie, magnifieke vers, dat ik vanmiddag van je kreeg. Ik kan niet zeggen, hoe mooi ik het vind, en ik dank je heel innig, dat je 't me hebt gezonden. Ach, Lief, je maakt me toch zoo gelukkig met je brieven, en met alles, àlles, wat je schrijft. O, elk van je woorden is een weelde voor me, elk van je gedachten is een genot. En hier bedoel ik niet alleen mee je spreken over je gevoel voor mij, - hoewel ik dát natuurlijk het allergoddelijkste vind, maar alles, alles wat je aanroert, wat je met me bepraat, waar je je oordeel over zegt! Ik zeg je: het is een exquise genieting voor me, dat ik naar je luisteren mag! - | |
[pagina 271]
| |
Ik geloof wel, dat, wat je zegt over Multatuli scherp-juist is en héél-helder gezien, maar hij was toch een kranige, kránige man! En de omstándigheden zijn de oorzaak geweest, dat hij niet alles heeft ten uitvoer gebracht, wat hij had kunnen doen. Hij was, denk ik, dikwijls niet voldoende op de hoogte van de dingen, die hij beredeneerde, of er genoeg in doorgedrongen, om er met een breede, overtuigde wijsheid over te kunnen spreken, maar hij heeft toch een hééleboel ware dingen gezegd, die niemand toen op de gedachte kwam, om te zeggen, en die in dien tijd zelfs niet begrepen werden. Zeg, Lief, ben ik nu pedant? Bilderdijk ken ik heelemaal niet, behalve natuurlijk de fragmenten, die men wel eens in chrestomathieën aantreft. Ja, ik geloof wel, wat je zegt, dat de Engelschen een prachtig ras zijn. De enkele Engelschen, die ik wel eens in gezelschappen heb ontmoet, waren zoo aangenaam-kalm en hoffelijk-beleefd en voorkomend, met een correctheid, die absoluut niets stijfs of aangeleerds had.
Met een teederen, innigen zoen
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, Jeanne, je bent superbe, splendide! Ga nu niet denken, dat ik dit zeg, als aesthetisch beschouwer, die je houding apprecieert, ik spreek hier als mensch, alleen als mensch, die jou liefheeft, absoluut, zonder vergelijking, zonder einde, en die jou nu vóór zich ziet staan, hetzelfde zeggend, wat hij in zichzelf voor jou voelt, met dezelfde kracht en overtuiging, waarmede hij zijn eigene liefde voor jou in zijn diepste binnenst voelt spreken! Weet je wel, Jeanne, dat je, door zóó tegen me te spreken, mij niet alleen een eindeloos geluk geeft, maar ook een eindelooze, rustige kracht? Mijn leven is, zooals je wel weet, niet al te gemakkelijk, en als ik nu nog alleen op de wereld stond, dan weet ik zeker, dat ik onder al mijn handelen door, toch somtijds op mijn stoel zou zitten, in onbeweeglijkstrakke melancholie, mij vragend, waartoe dit leven met zijn herrie diende, en of het eigenlijk niet beter was, er uit te gaan. Ik zou mij dan uit mijn wanhoop wel weer weten te verheffen, - ik spreek hier uit ondervinding, - en weer de handen flink aan 't werk slaan, want ondanks al mijn teedere gevoeligheid, ben ik in andere oogen- | |
[pagina 272]
| |
blikken toch weer vanbinnen onwrikbaar als staal. Maar ik zou toch die allerberoerdste uren van depressie en stille wanhoop niet kunnen bezweren, zoodra ze op kwamen en moest ze laten uitwerken tot langzaam-aan weer de opwekkende terugslag kwam. Maar nu jij naast me staat, zooals je staat, met je wilskracht en troost, nu, merk ik, kan mijn melancholie heelemaal niet opkomen, en zij blijft heelemaal in mijn onbewustheid terug-gedrongen, door het hoog-verheugend bewustzijn, dat jij, Jeanne, bent zooals je bent, en dat jij goed en sterk voor mij wilt zijn door je kracht-gevende sympathie. Zie, Allerliefste, Eenige, hier sta ik, een mensch, in de eerste volle kracht van zijn leven, en ik geef mijzelf geheel-en-al aan jou, zonder eenige houding of trots, of achtergedachte: beschik over mij geheel-en-al, want ik voel en weet, dat jij mij nooit met je willen eenig kwaad zal doen. En geloof ook van mij, - ik zweer het je, - dat ik jou ten allen tijde zal bijstaan, met raad en daad, met zachtheid en teerheid, met troost en lieve zorgen, in alles en alles, zonder vermindering, zonder eind. O, Jeanne, heerlijke schat van een Jeanne, ik weet zoo zeker, ik weet het zoo vast, wij gaan samen, omdat wij zijn, zooals wij zijn een onveranderlijke toekomst vol heerlijke zaligheid tegemoet. Mijn liefde voor jou is grenzenloos. Nu iets heel merkwaardigs. Je hebt mij eens geschreven, dat wij op hetzelfde oogenblik, blijkens onze brieven, hetzelfde hadden gedacht. Welnu, dat heb ik nu ook gemerkt: nu is er weer iets dergelijks gebeurd. In jouw brief, die het poststempel draagt 10-12 n.m. den Haag, schreef je: ‘Ik ben jouw eeuwig, onvervreemdbaar eigendom’. En ongeveer tezelfdertijd, dat jij dat schreef, noemde ik mij in een brief van mij: ‘jouw onvervreemdbaar eigendom Willem.’ Merk je nu wel, dat, wat ik, in een vorige schreef, over psychische gemeenschap uit de verte tusschen ons, volstrekt geen fantastische beeldspraak is, maar dat er hoogstwaarschijnlijk een echte kern van werkelijkheid in schuilt? Nu moet ik dezen wegbrengen, dan komt hij om half drie 's middags op de post.
Voor altijd en geheel en al
jouw eigen Willem
Nog even dit: zeg niet, dat ik zeur, maar ik moet je nog even zeggen, dat ik zoo verschrikkelijk naar je verlang! Ik merk het hoe | |
[pagina 273]
| |
langer hoe sterker, dat ik het op den duur niet zou kunnen uithouden van jou gescheiden te zijn. Op dit oogenblik bijv. is dat gevoel van verlatenheid plotseling zoo sterk in mij opgekomen, zoo heftig, zoo overweldigend, dat ik onmogelijk iets anders zou weten te zeggen dan maar aldoor: ‘Ik verlang naar je, ik smacht naar je!’ Ik eindig dus maar. Hoe kan je denken, dat den Haag me niet zou bevallen! Jij bent er immers? Al woonde je, ik weet niet waar, dan zou ik daar toch willen zijn! Bovendien, Bussum is mij volstrekt niet bovenst-best sympathiek. De eenige positief-aangename herinnering, die ik er achterlaat, is dat ik er jou heb kunnen vragen, en er dus den eersten grondsteen heb kunnen leggen van mijn levensgeluk. O, ja, wat ik onder het tegenovergestelde van jaloerschheid versta? Wel, daar bedoel ik dit mee. Dat ik niet iemand ben, om eens anders gangen en bewegingen te bespieden, en gesteld bijv. ik was getrouwd, en ik vond dan onverwacht, bij toeval, mijn vrouw in de armen van een ander, dan zou ik niets anders doen, dan haar één seconde somber-vast aankijken, en mij dan plotseling afwenden met een kort: ‘Adieu’. Maar geen van beiden zou ik een haar krenken, want dát doen, vind ik, slechts kleine en enge, inferieure geesten, menschen, die geen hoogte en breedte in hun eigen gedachten hebben. Als iemand 't echter mijn vrouw lastig maakte, zonder dat ze daarvan gediend was, dan zou ik dien man natuurlijk te woord staan, maar dat is een heel ander geval, dat zou geen jaloerschheid zijn, maar verdediging van je vrouw. Nu, Liefste, ik ga dezen wegbrengen. Wil je mij verzen sturen, dolgraag! Dan zal ik je er over schrijven. Geheel en al jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, Liefste, wat ben ik verschrikkelijk blij met je brief. Ik hoorde, dat hij op mijn kamertje werd gelegd, en ik zat daar midden-in een grooten visite-kring, en kon niet weg! Maar toen ik iemand een pas de conduite geven moest, heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt, en ben naar mijn brief gevlogen. O, Liefste, juist dat toevallig tegelijk gebruiken van een woord had ik ook opgemerkt, en het je ook willen schrijven, als een bewijs van onze ‘Seelenverwandtschaft’! O, wát zou dat onwaardeerbaar, ver- | |
[pagina 274]
| |
rukkend, goddelijk zijn, als er werkelijk zoo jets tusschen ons bestond! O, Liefste, je maakt me zalig-gelukkig, als je zegt, dat je door mij je melancholie verminderen voelt. Ik geef je dus wel een beetje positieve steun en kracht en levenslust, zooals jij mij zoo overvloedig geeft? O, je bent mijn Allerliefste, mijn éénig Lief! Je zegt, dat je naar me verlangt, maar ik dan naar jou, - o, altijd-door, altijd-door! Er zijn telkens dingen, waarover ik, o, zoo graag mondeling met je spreken wou, omdat het in de correspondentie haast ondoenlijk is, - en dan weer zou ik je plotseling iets willen zeggen, iets liefs of iets grappigs, zooals het opkwam, in me, en dan zou je me aanzien, en me antwoorden, en mij weer iets vragen, en zoo zou het doorgaan, tot we eindelijk beiden bleven zwijgen, genoeg hebbend aan elkaars tegenwoordigheid allen. O, Lief, zou je niet eens in den Haag kunnen komen, tenminste als je zaken geregeld zijn? Eén uur van mondelinge samen-spreking geldt meer dan honderd brieven, omdat men soms pas antwoord krijgt, als men de vraag al half-vergeten is, - of omdat soms over een sentiment wordt dóórgepraat, als de ander al lang weer uit die stemming is. Heusch, Lief, er móet iets waars zijn in die geheime geestelijke gemeenschap, die er mogelijk tusschen ons bestaat, want telkens en telkens weer heb ik gedachten in me, waar jij, hoewel ik ze niet heb uitgesproken, me antwoord op geeft. O, 't is opmerkelijk, hoe dikwijls dat gebeurt, en dat maakt me zoo rùtstig en innig-zalig gelukkig! O, Willem, wat zou het toch verrukkelijk-heerlijk zijn, als je hier kon komen wonen! 't Is voor jou natuurlijk lang niet zoo goddelijk als voor mij, dat kan 't niet zijn, omdat ik er zoo gewend ben, en jij je er in 't eerst wel vreemd zal voelen, maar als je er aan gewoon ben, zal je 't ook wel een goede stad gaan vinden, denk ik, Lief! O, wat een zalige tijd zal het zijn! Dag, Allerbeste, Allerliefste, innig-goede, innig-lieve Lief! Met een hartelijken zoen jouw eigen, eigen Jeanne | |
[pagina 275]
| |
op mijn wandelingetjes, bij Koderitsch, overal en altijd voel ik zoo dat ik je mis. 't Is, waarachtig! precies, of ik de helft van mijn eigen zijn heb verloren, en nu met de overgebleven helft geen raad weet. En bij gebrek aan je bijzijn, zit ik en loop ik maar aldoor aan je te denken, of je brieven te lezen, het eenige, wat mij van je rest. Naar die chique fotografie kijk ik weinig meer, want die geeft heelemaal je gezicht niet weerom: ik vind je werkelijk gezicht veel beter en liever. Alleen je kinderportretjes, die je goede Ma zoo vriendelijk was mij te sturen, neem ik nog eens op van tijd tot tijd; ik blijf er vreeselijk blij mee, dat ik die mag houden, mijn heele leven lang, maar ze geven je natuurlijk toch alleen maar heel uit de verte terug, omdat je toen nog maar een klein kindje was. Neen, Jeanne, heusch, 't wordt mij iederen dag, dat je weg bent, bewuster, dat ik absoluut niet meer buiten je kan. En de eenige, maar dan ook groote troost, die mij blijft, is, dat ik over eenigen tijd misschien in den Haag kan komen te wonen, als maar dat vertaalplannetje slaagt. Lief, weet je, wat je tegen jezelf moet zeggen, als je soms weer eens verdriet hebt, zooals laatst? Dan moet je zeggen tegen je-zelf: ‘Stil maar, Jeanne! Later, later, dan komt dat allemaal in orde. Want dan ben ik niet meer alleen, en samen kan je alles dragen, en gedeeld verdriet is eigenlijk geen verdriet meer, maar een kalm-peinzende en alleen maar een beetje weemoedige rust’. Ja, want ik geef je de verzekering, Liefste, ik zal je in je leven nooit alleen laten. Maar nu moet je daarom niet denken, dat ik mij voortdurend bij je in zal gaan dringen, en telkens zal trachten, mij te gaan bemoeien met het minste of geringste van wat je doet. Want zoo iets ligt juist heelemaal niet in mijn aard, en je zult wel gaan merken, dat ik heelemaal niet ben, wat men noemt: nieuwsgierig. Ik zal je absoluut in alles je vrijen gang laten gaan, omdat ik volkomen in je vertrouw; maar zoodra je voelt, dat je mij noodig hebt, spreek dan maar onbevangen, vrij-uit, dan zal ik je bijstaan met mijn gevoel en verstand en alles, alsof ik niet W.K. maar J.R.v.S. heette. En mocht je soms niets kunnen zeggen, omdat je te veel in jezelf zit, dan zou ik dat natuurlijk uit mijzelf gaan merken en begrijpen, dat je iets onaangenaams hadt. En dan zou ik door zachte vriendelijkheid en teedere belangstelling je zoetjes dwingen je voor mij open te stellen, en te bekennen, wat je hindert of ontbreekt. Zoo ik tegenover jou, maar nu jij tegenover mij. | |
[pagina 276]
| |
Je hoeft heusch nooit bang te zijn, dat ik geheimen voor je zal hebben behalve op je verjaardag of St. Nicolaas. Maar als ik wat te produceeren heb, dan heb ik dat heelemaal in mezelf te doen. Trouwens, zoo zal het met jou ook wel zijn. Maar voor de rest heb je mij slechts, wat je weten wil, te vragen, als ik er toevallig soms niet toe mocht komen, om het uit mezelf te vertellen, en dan zal ik je altijd naar waarheid antwoorden, precies zooals het is. Want ik meen zeker te weten, dat je heelemaal niet praatziek bent, dus dat ik niet bang behoef te zijn, dat je iets aan de groote klok zult hangen, wat alleen aan mij zelf, en dientengevolge ook aan jou bekend mag zijn. Vind je nu niet, Liefste, dat ik dit alles goed heb uiteen gezet? Want ik wou je zoo graag over niets in 't onzekere laten, wat je in de toekomst met mij te wachten staat.
Innig kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, als ik nú bij je was, dan zou ik je beide handen in de mijne nemen en ze kussen, - dan zou ik mijn arm slaan om je hals, en je hoofd heel-teeder houden aan mijn borst, en je zóó doen weten, dat er iemand bij je was, die méér-dan-van-zichzelf van je houdt, en dat die iemand altijd bij je wezen zal, áltijd, nu, en door de heele toekomst been, - dat haar moed en kracht en flinkheid en energie voor jóu zullen zijn, wanneer je ze noodig hebt, - dat zij nóóit gedachten hebben zal, die jij niet weten mag, - en dat zij ónveranderlijk je liefhebben zal met het gevoel-van-haar-ziel, met den wil-van-haar-verstand, met haar gehééle Zijn! O, ik verlang zoo naar je, - naar je stem, je lach, - naar 't rust-gevend weten van je nabij-me-zijn! O, ik kan smachten naar den tijd, dat je hier wonen zal, - want o, jij kan me zoo groot en goed en gelukkig maken als je wilt, - jij kan mijn levensweeheid volkomen doen overgaan door me heelemaal te onttrekken aan mijzelf, - jij kan mijn leven dragelijk maken, en 't me zelfs móó doen zien! En, o, Lief, als dát gebeurt, dan weet ik zoo, dan voel ik zoo, dat ik jou ook gelukkig zal doen zijn, - want dat ik dan álles wezen zal, wát je verlangen kan! O, ik mis jou ook zoo, je vriendelijke woorden, je ernst, je grappigheid, je vroolijk spreken, je zwijgend me aan- | |
[pagina 277]
| |
zien, je lachen, je schertsen, je treurigheid, - alles mis ik, alles van je, àlles, wat bij je is, van je is, - alles, àlles! En ik verlang naar je, ontzettend, onuitsprekelijk, met een durend heimwee-gevoel, dat door niets wordt verdoofd! O, Lief, ik wéét 't wel, dat geen enkel ander meisje dit zoo ronduit zeggen zou, - maar ik wil niets voor je verbergen, Lief! - ik zou 't ook niet kunnen, - maar waarom zou ik ook? Mág je 't dan niet weten, dat ik naar je verlang, altijd naar je verlang, dat ik je noodig heb in mijn leven, en dat je liefde me zoo wonderzalig gelukkig maakt? Lief, het zal je misschien opgevallen zijn, dat ik niet telkens zeg: ‘Als jij dat ook prettig vindt’, of ‘als ik dat tenminste zeggen mag’ en dergelijke dingen; maar dat zou toch allemaal maar voorgewende nederigheid wezen, en eigenlijk een uitlokken van allerlei betuigingen van jouw kant. Is 't niet zoo? En ik mag nú toch wel aannemen, dat 't wáár is, als je zegt, dat je van me houdt, niet, Lief? O, ja, Liefste, ik zal je altijd alles zeggen, - je altijd alles toevertrouwen en van jou raad vragen en steun en troost en hulp! Ik zal altijd bij je komen met al mijn leed en al mijn vreugde, met al mijn moeiten en bezwaren, genoegens en verdrietelijkheden. En ik hoop, Lief, dat jij me nóóit in je zorgen te gering of te ongeschikt zal vinden, om ze misschien een beetje te kunnen verlichten, of anders je op te beuren en je te bemoedigen en je berusting te geven en nieuwe kracht. Dát hoop ik met mijn heele ziel, en ik beloof je plechtig, Lief, dat ik alles zal doen, wat ook maar eenigszins in mijn vermogen is, om je te helpen en te steunen, overal, waarin je mijn hulp en mijn steun zal willen aannemen, Lief! O, Lief, je weet, dat er niets in mijn hééle leven is, wat jij niet weten mag, - dus, als ik eens, bij toeval, iets niet uit mijzelf vertel, vráág 't me dan, want ik zal 't heerlijk vinden, als je dat doet! Nu, mijn Allerliefste, mijn Eenige, nu ga ik weer afscheid van je nemen. Dag, lieve, lieve Willem, Liefste, Beste, eenige Schat!
Voor altijd en altijd, door-alle-eeuwen
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 278]
| |
Bussum, 24 Juni '99Jeanne, Liefste, weet je, wat ik zoo heerlijk zou vinden? Dat je je ten allen tijde zeker van mij ging gevoelen, en dat je onze verbintenis beschouwde als iets, dat zóó uit den aard der dingen voortvloeide, dat zóó natuurlijk was, en zóó heelemaal van zelf sprak als dat tweemaal twee vier is, en dat de zon altijd weer opkomt in het Oost. Want zie nu eens je brieven; ze waren niet allemaal even heerlijk, dat weet je zelf wel, maar er is toch niet één bij, dien ik nooit meer over zou willen lezen. Want in geen van je brieven heb je ergens getoond den een of anderen kwaden wil. Want als die er was geweest, hoe gering ook van omvang of intensiteit, dan had ik, als mensch, die opperst-gevoelig is voor zielsindrukken, toch zeker, al was 't maar voor een oogenblik, een beetje verkoeling in mezelf moeten merken. Maar verkoeling, dat verzeker ik je, is door geen van je brieven bij mij te voorschijn gebracht, zelfs niet voor een enkele minuut. Ik werd alleen soms een beetje verdrietig, verdrietigheid, die zich uitte in meegevoel voor jou. O, als ik in den Haag ben, dan krijgen we een heerlijk leventje met ons beiden, gezellig en vroolijk en verstandig en gevoelig, - o, daar verheug ik me nu al, bij de enkele gedachte, zoo vreeselijk op! Dan word je luchtiger en lustiger, en je krijgt meer pleizier in allerlei dingen, omdat je als gedragen wordt op mijn bijna altijd goed humeur. Ik zal natuurlijk wel eens stiller zijn den eenen keer dan den andere, maar wreveligheid of nukkigheid of zulke dingen, die hoef je van mij absoluut niet te verwachten en ook geen ongedurigheid. O, ik zeg je, je wordt een heel ander wezen, heel andere dingen van je, die nu nog maar half-bewust zijn of erg sporadisch, komen dan naar de oppervlakte, en worden je zoo gewoon als het brood, dat je eet. Je zal je eigen ik op het laatst heelemaal niet meer kennen, zooals het dan, ik zeg niet: verandert, maar zich breeder ontwikkelt, en je wordt van een eenzaam-peinzend meisje een gelukkig-werkend en blij-denkend mensch. Nu, lieve Allerliefste, het is één uur 's nachts en ik spring nu maar in mijn bedje, in de hoop, dat ik straks wat moois van je droom. Wat ben ik toch eigenlijk een saaie Piet, vind je óók niet?
Jouw eigen Willem | |
[pagina 279]
| |
Bussum, ParkzichtJa, Liefste, wat je zegt van Multatuli: ‘Hij was een kranige man’, ik geloof dat dat komt, omdat je nog onder den suggestieven invloed van zijn manier van zeggen verkeert. Ik heb daar zelf onder geleefd, toen ik een jaar of 17, 18 was. Toen was Multatuli voor mij een soort bijbel; ik las zijn Ideeën telkens en telkens, en dweepte met hem als was hij een god: ik maakte zelfs plannen om hem brieven te gaan schrijven en hield hem voor een der eerste mannen van de negentiende eeuw. Maar toen ik een paar jaar ouder was, en zelf begon te denken en te werken en weten, toen werd ik mij al heel gauw klaar-bewust, hoe oppervlakkig en ondiep die Dekker was. Later in den Haag, zullen wij, als je 't wilt, 't nog wel eens over hem hebben met zijn Ideeën vóór ons. Heusch, zijn frissche, krachtige, mooi-spontane manier-van-zeggen, daar leef je onder den indruk van, maar, heusch! zijn fond is even banaal en goedkoop en in veel, zeer veel opzichten even onjuist als een geanimeerde conversatie tusschen intelligente en buitendien verliefde huisknechts, of als de sonore wijsheid van een zeekapitein, als hij, zijn gevaarlijk element voor een poos ontweken, bij een borrel in het café onder de landrotten zit. Dat Multatuli wel eens iets goeds zegt, waar een ander niet zoo gáuw op komt, nu ja, maar dat doet zoo'n zeekapitein, dat verzeker ik je, ook. Maar de laatste laat zich daar niets op voorstaan, terwijl Multatuli poseerde voor allerlei dingen, die hij toch in de verste verte niet was, wijsgeer, staatsman, taalkenner, kunstcriticus, historicus. Heusch, Liefste, neem eens zijn suggestieven, overredenden stijl weg, en zet dan eens al zijn beweringen nuchter-naakt en koelpositief onder elkaar, dan zal je er, als je ze dan overleest, eer toe komen om te zeggen: Die man was een eigenwijze domoor, dan: die man was geniaal. Multatuli's merkwaardige hoofdeigenschap is zijn zelf-overtuiging in alles, en de flink-klinkende manier, waarop hij die aldoor uitte in woord. Lieve Lief! hoor eens, je moet heusch niet denken, dat ik aldoor zoo zwaar zit te oreeren, dat heb je trouwens misschien wel gemerkt, toen je hier in Bussum was. Maar ik weet niet, hoe het komt: tegen jou in deze brieven, laat ik mij soms los over dingen, die ikzelf | |
[pagina 280]
| |
nooit zoo klaar tegen mezelf gezegd had. Ik had er het gevoel wel van, maar niet het bewustzijn. En, Liefste, je vraagt, of je mij levensmoed geeft. Och, dat weet je nog niet, maar ik zat en liep vroeger meestal treurig te peinzen. Eerzuchtig ben ik heelemaal niet, en ik verbeeld mij niets van mijzelf dan dat ik heelemaal geen dom of slecht of ongevoelig mensch ben. Eigenlijken levenslust had ik niet veel, en alleen maar wat wil en moed om het uit te houden, omdat ik de positie van te leven een beetje curieus vond. Maar nu heb ik opeens door jou een toekomst voor me gekregen, die heerlijk zal zijn, waarin ik sympathie kan krijgen en geven, waarin ik jou mag verheugen met liefde en hulp in altijd aangenaam of sterkend verkeer. Want niet ben ik zoo blij, dat ik nu, in 't algemeen gesproken, een meisje heb, want och, meisjes zijn er wel 600 millioen op de wereld, en je kunt er dus wel altijd eentje krijgen, als 't je minder kan schelen, wie je krijgt. Neen, maar dat ik jou juist heb gekregen, de verrukkelijkste, de meest goede, de verstandigste en gevoeligste, de echtste, kortom van alle meisjes, dàt maakt mij gelukkig, omdat ik nu een levensdoel heb gekregen: jou even gelukkig te maken, als je 't mij hebt gemaakt. Nu, Liefste, met een kus van volmaakte toewijding, blijf ik, zooals altijd, in heden en toekomst,
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Liefste, Vanavond, als ik je vandaag tenminste nog twee brieven schrijf, zal ik er één om 7 of 10 uur (dien je dan bij het ontbijt krijgt) en één na de laatste lichting weg laten gaan, om te zien, of je dien dan om één uur krijgt. Schrijf 't me even, of dat niet zoo is. Want ik heb liever, dat je met elke post een brief krijgt dan twee tegelijk. Willem, je moet 't niet kinderachtig van me vinden, hoor, maar als er 's morgens een brief van je is, dan begin ik den dag zoo heerlijk-opgewekt. Je brieven maken me zoo gelukkig, ze geven me altijd alles, wat ik noodig heb: je raad, je steun, je opbeuring, je troost, - en telkens en telkens en telkens weer, als ik eens droefgeestig of zwaarmoedig ben, wekken ze mijn kracht en energie weer op. O, 't is volkomen waar, wat je zegt, dat ik, als ik altijddoor jouw ten goede werkenden invloed ondervind, veranderen | |
[pagina 281]
| |
zal, verbeteren is eigenlijk het woord. Want ik ben alleen te onmachtig, om 't goede in me te voorschijn te brengen, maar door jouw hulp zal 't zich waarschijnlijk wel kunnen ontwikkelen, zoodat ik niet alleen voor mezèlf gelukkiger zal zijn (je moet eens opletten: ik praat altijd 't eerst over mezelf) maar ook beter in staat zal zijn, jou gelukkiger te maken. Lief, ik heb 't, meen ik, wel eens meer gezegd, maar zou men ‘gelukkig’ eigenlijk niet synoniem kunnen noemen met ‘goed’? O, Lief, - dat onbestemde verdriet, dien weemoed, voortkomend-uit-mezelf, is altijd in me geweest, zoo lang ik me herinneren kan. Ik lees het in oude dagboeken van me, dat ik dikwijls huilde, als ik alleen was, zonder te weten waarom, dat ik een onverklaarbare vrees voelde voor allerlei dingen, die ik niet begreep, en waar ik niemand naar durfde vragen. Toch kon ik uiterlijk wel vroolijk zijn en praten en vriendelijk lachen, zonder dat mijn diepste zelf er deel aan had. Willem, jij bent de eenige, aan wien ik mijn innig Ik heb kunnen openbaren, omdat je me begrijpt en altijd even zacht en lief voor me bent, waar een ander licht boos of minstens ongeduldig zou zijn geweest. Jij bent de éénige, die genoeg belang in me stelt, om vreemde dingen van me voor zichzelf te verklaren, en die altijd bereid is tot het geven van bemoediging, wanneer ik die noodig heb. O, lieve, goede, goede Lief!
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, ParkzichtLiefste, eenig-zuivere en goede,
O, je brieven van den laatsten tijd zijn mij een voortdurende, wilde verrukking. Ik wou zoo graag naar je toe! Och, Lief, maak je toch nooit bezorgd, of ik den Haag wel prettig zal vinden. Den Haag zal, als iedre plaats, wel zijn voor en tegen hebben, maar 't is de plaats, waar jij woont en dat maakt alles goed. En buitendien heb ik in Bussum altijd zoo'n beetje gezeten als een kat in een vreemd pakhuis. O, ik wou, dat ik kon uitdrukken, hoe verschrikkelijk ik je liefheb! En 't geeft mij zoo'n wondere kracht, dat jij zegt ook mij lief | |
[pagina 282]
| |
te hebben. En geloof dit van, mij: als ik op een andere manier even intiem je innerlijk had kunnen leeren kennen als door ons engagement, dan zou ik er uit mezelf ook toe gekomen zijn om even veel en sterk van je te houden, als ik nú doe. Jij bent geen ander dan ik en ik wil ook geen ander zijn dan jij. En dat kan heel goed, als wij elkander maar altijd blijven voelen, als geen van ons beiden gaat zeggen: ‘Ik’, maar altijd blijft voelen: ‘jij en Ik.’. Dan komt er een volkomen harmonische vereeniging, waarin ieder van ons dubbel zoo sterk als vroeger is. Lief, luister eens: ik beloof je: in 't begin van Augustus dan zal ik een paar dagen komen. Niet om te kijken of den Haag mij bevalt, want al woonde je op de Mookerhei, dan zou ik daar toch willen zijn, als ik maar bij jou was. Neen, ik kom om wat met je te praten en te lachen en je een paar kussen te brengen, minder dan ik graag wou, maar meer dan je trotsche verlegenheid verdragen kan. O, Lief, weet je, wat ik zoo graag wou? Ik wou, dat ik me heel klein kon maken, zóó klein, dat je mij heelemaal kon verbergen in een lok van je lieve haar, zoodat ik dat overal voelde en er den heerlijken, intiemen geur van indronk, en dat je mij dan deed in een, aan den binnenkant open medaillonnetje, en mij dan zoo aan een kettinkje op je borst droeg altijd-maar-door. Word je je nu een beetje bewust, voel je 't als een klare waarheid, dat ik je innig en onuitsprekelijk, dat ik je meer dan mezelf liefheb, en dat dit nooit veranderen kan? Ik kus je dierbare lippen, die mij een der schoonste deelen van mijn aardsch paradijs zijn en blijf zonder einde en altijd dezelfde, jouw je teeder-hartstochtelijk, vriendlijk-verlangend, gehoorzame en liefhebbende jongetje
Willem | |
[Ongedateerd]O, Allerliefste, Beste, Eenig-goede, wat geef je me toch een eindeloos-groot geluk door je brieven. O, ik heb het je al meer gezegd, het is precies, of je intuïtief weet, wat ik behoef, en me dat juist weet te zeggen, op het rechte oogenblik. O, 't is een wonder, dat je me altijd weet te geven, wat ik verlang of noodig heb; o, 't is zoo onbeschrijflijk-heerlijk en troostvol en vrede-gevend, dat je me zoo begrijpt, dat je me niet verward of vreemd of te-gevoelig vindt! O, Lief, kom je werkelijk in Augustus hier? O, Lief! wat heb ik | |
[pagina 283]
| |
je dan veel te vragen, en veel te bespreken met je, wat ik nú allemaal niet kan doen, omdat in brieven alles toch maar half is, en men zich aldoor beperken moet! O, wat zal alles anders zijn, als ik weer met je praten kan, je stem weer hoor en je oogen weer zie! Maar nu ik weet, dat dit toch gauw gebeuren zal, nu kan ik ook wel geduldig wachten, en in dien tijd allerlei dingen en onderwerpen waar ik 't graag met je over hebben wil, opzamelen en onthouden, om toch maar zooveel mogelijk van je hier-zijn te profiteeren. Ja, Lief, ik ben 't zoo gewoon geworden, je voortdurend in mijn gedachten te raadplegen en om je oordeel te vragen, dat ik absoluut niets meer kan doen, zonder er jou in gekend te hebben, en je meening er over te weten. En dus, bereid je maar voor op een chaos van vragen en informaties, als je komt! Wat ben je toch een goede, grappige Lief, om zoo te praten over jezelf in een medaillon en zoo al meer! Ja, als ik maar zoo'n klein portretje had, dan zou ik 't zeker doen, zelfs heel graag, maar zoo een is er zeker niet van je? O, Lieve, Liefste, je brieven zijn me een altijd-durende, altijdnog-grooter-wordende, onbeschrijflijke heerlijkheid! Ik genit er van, o!... het meest als ik ze krijg, maar ook nog zoo lang, zoo heel lang daarna! En nu, mijn Liefste, sluit ik dezen weer. Even kust je, jouw-altijd-in-gedachten-bij-je-zijnde, je-altijd-door-lievende
eigen, eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Ja, Lief, 't kan best zijn, dat ik nog onder de suggestie van Multatuli's manier van zeggen verkeer. Hè, toe, ja, laten we er nog eens over praten, als je in den Haag bent, Lief? Zeg, Willem, weet je wel, dat dit een van de eerste dingen was, die je me vroeg 5 April: hoe ik over Multatuli dacht? We liepen toen heen en weer voor Jan Tabak, om op het rijtuig te, wachten. O, Lief, ik weet alles, alles nog van dien dag, alles wat je zei en wat je deed, - veel beter dan ik 't van mezèlf herinner, wat ik heb gezegd en gedaan. En het zal ook nooit, nooit uit mijn geheugen kunnen gaan. Nooit, zoo lang ik leef! Liefste, je zegt, naar aanleiding van je praten over Multatuli: ‘Je moet niet denken, dat ik aldoor zoo zwaar zit te oreeren’, - maar, | |
[pagina 284]
| |
Lief, ik vind het juist zoo eenig-goddelijk als je dat doet! Ik bedoel natuurlijk niet ‘zwaar oreeren’, maar ergens serieus met me over spreken, zooals je nú hebt gedaan. Ik vind het heerlijk, dat ik je mijn overige verzen ook mag laten lezen, ik zal ze je over een poosje allemaal tegelijk sturen; ik ben vreeselijk verlangend naar je oordeel er over. O, Lief, wat is 't toch zalig en rust-gevend voor me, dat ik altijd alles aan je vragen mag, dat je altijd naar me luisteren wilt, en mij altijd je, voor mij zooveel waarde hebbend oordeel wilt geven en je raad. Wat ben je toch altijd vriendelijk en lief en zoo verschrikkelijk goed om te zeggen, dat ik je gelukkig maak. O, lieve, lieve Lief, misschien, dat dit nog eenmaal waarheid wordt, want ik beloof je, dat ik zal probeeren, heelemaal zoo te worden, als jij graag hebt, dat ik ben. Ik zal nooit in mijn gedachten van je af gaan staan, of inwendig koel tegen je worden, nooit, nooit! Mijn liefde voor jou zal altijd het mooiste en hoogste in mijn leven zijn, en blijven voortduren, onverkoeld en onverflauwd. En eindelijk, als ik zelf ben overtuigd, dat ik jou geluk heb gebracht, dan zal ik zelf volkomen gelukkig zijn! Adieu, mijn liefste, beste Lief, tot morgen.
Door-alle-tijden-heen
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, ParkzichtAllerliefste,
Je zult er om moeten lachen, om wat ik nú ga zeggen, en ik lach er zelf óók om, want ik zie mijzelf ineens staan als een man, die met een vreeselijk ernstig gezicht, en niet zonder ophef, een waarheid als een koe zegt. Maar ik wil het je toch zeggen even, al lachen we allebei, omdat het eenigszins klinkt als de gewichtige maar bekende waarheid, dat: tweemaal twee is vier. Jeanne, schat van een Jeanne, mijn meisje en mijn engel, mijn snoes en mijn godin, ik ben zoo verschrikkelijk, zoo ontzettend, zoo onnoemelijk, zoo onuitsprekelijk blij, dat ik met je geëngageerd ben! Houd je handje nu maar even voor je lieven mond, en zeg dan, als je uitgeproest bent: ‘Die malle jongen! Merkt hij dat nú pas? Want dát wist ik | |
[pagina 285]
| |
‘van hem al lang!’ Ja, lieve Jeanne, dat wist je ook diep-inwendig al lang, al wou je het, met je beminnelijke bescheidenheid, jezelf niet al te erg bewust maken. O, God, Jeanne, als ik daaraan denk, dat ik door de heele toekomst altijd onafscheidelijk met je samen mag zijn, terwijl jijzelf dat wil, dan weet ik, dat ik, als ik niet op huurkamers woonde, en dus vrij van nieuwsgierige ooren was, dat ik dan wild door de kamer zou gaan dansen en in mijn handen klappen en luid uitjubelen: Jeanne is van mij, en ik ben heelemaal van Jeanne, en wij zullen altijd samen blijven en elkaar zonder ophouden zóó gelukkig maken, als twee menschen samen maar kunnen zijn. Want, ja, lieve, liefste, allerliefste Jeanne! ik heb je eindeloos-hartstochtelijk lief! Maar mijn hartstocht is niet egoïstischdonker, maar sympathiseerend en teeder en zich-gevend, niet vragend naar mijn geluk, maar naar dat, wat ons beiden gelukkig maakt. O, ik zie ons al zitten, kijkend uit ons venster naar de menschen op straat, wetend, dat wij geestelijk één zijn, schoon twee en dat geen enkle van de menschen der buitenwereld eenig recht kan laten gelden op een van ons, als niet die eene en ook de andere dat goed vinden, dat dat recht, dat soi-disant recht, zich gelden laat. O, Jeanne, ik vind het zoo goddelijk, dat ik eens één met je zal mogen zijn!
O, dat gevoel van levensweemoed, waarover je schrijft, dat begrijp ik zoo goed. Toen ik een kind was, voelde ik 't heel sterk, en zat óók soms in mijn eentje te huilen, zonder dat ik eigenlijk wist waaròm. Door de jaren, en omdat ik een man ben, is het wel langzamerhand minder geworden, en als het nog wel eens bovenkomt, uit het zich niet meer in tranen natuurlijk, maar in een denkenden weemoed, die zwijgt. Daarom als ik in den Haag woon, moet je mij die stemmingen nooit trachten te verbergen, want dan zou je het misschien veel erger terug-krijgen, als je op je kamertje bent of in je bed. Je hoeft heusch niet bang te zijn mij er mee te vervelen of te ergeren, want omdat ik het zelf ken, heb ik er een diepe sympathie mee, en zal door teerheid en gevoelig verstand altijd alles doen, om het bij je weg te maken, zooals ik het ook in mezelf heb leeren bedwingen. Want, o, Jeanne, ik wil je gelukkig maken, - geloof dat toch van me, door medevoelen en troostend steunen, en ik geloof, dat ik wel eenigszins daartoe in staat ben, omdat ik niet zoo'n egoïst als de meeste mannen ben. | |
[pagina 286]
| |
Als kind was ik overgevoelig en gestadig-peinzend, stil-voor-mij-heen, en ik geloof, dat mij als man daar iets van bij is gebleven, en dat mijn liefde-voor-een-vrouw sympathievoller dan die van vele andere mannen is. Er zal misschien even een gedachte bij je opkomen, dat ik mij nu een beetje mooi zit te maken voor je, doch ik hoop, dat de toekomst mij bij je rechtvaardigen zal. Nu, liefste Lief, het is één uur 's nachts. Mijn lamp gaat uit en ik ga slapen. Innig kust je uit volledige liefde,
jouw eigen Willem | |
Bussum, ParkzichtJa, Jeanne, ik kan het nu niet langer verbergen: 't komt uit mijn diepste ziel op, om het je te zeggen met een alles-overweldigenden drang: want ik voel, dat je er mij niet om uit zult lachen, maar dat je lieve arm zich misschien even een klein eindje zal bewegen naar omhoog, terwijl je dit, voor je schrijftafel zittend, leest. O, Jeanne, ik wou je zeggen, dat ik absoluut aan je toebehoor, dat ik mij geheel en al aan je weg-geef, en dat je maar hebt te bevelen, wat je wilt. En houd dit nu niet voor een oogenblikkelijke opwinding, als ik zoo spreek, o, engel van een mensch! Want ik voel nu, dat je ook van mij houdt, och, last ik maar zeggen, dat je mij liefhebt, en ik zweer je, eenig-liefste, je zult van je liefde nooit berouw hebben, maar altijd zalig-blij zijn, dat je mij die liefde hebt willen geven. En dat je je niet in jezelf terug-trekt, maar ronduit durft zeggen, wat je voelt, daar hoef je je niet een beetje over te bedenken, want daardoor juist rijs je in mijn oogen tot nog een hoogere en mooiere dan je al was. Jouw temperament is niet heelemaal Hollandsch, en dat is het mijne evenmin. Ik heb van de Hollanders alleen de standvastigheid en het consequente doorgaan naar het eensgestelde doel. En mijn doel ben jij, het onafscheidelijk, altijd-durend samenzijn met jou. Ik mag dat zeggen, ik durf dat zeggen, omdat jij mij er heerlijk genadig verlof toe geeft. Ik zweer je, - en ik zweer nu niet, om mijzelf te binden, of om jou een overtuiging te geven, want, buiten eeden om, zou ik even goed gebonden zijn, en je hebt die overtuiging, hoop ik, toch al kunnen krijgen uit alles wat je van me gemerkt hebt, - neen, ik zweer je, omdat mijn ziel er mij toe | |
[pagina 287]
| |
drijft, zonder dat ik precies weet waarom, - ik zweer je, dat onze wegen in de toekomst altijd tezamen zullen gaan, dat je alles van mij kunt verlangen, dat je in alles op mij kunt rekenen, dat ik je altijd en overal pleizier zal doen eindeloos, je helpen zonder ophouden en sterken met mijn heele Zijn; dat ik met je lachen zal en schertsen; ernstig mèt je en vóor je zijn; dat ik voor je zorgen en je oppassen en bij je waken zal, als je ooit ziek mocht worden; dat ik je zal opbeuren en troosten, als je weemoedig mocht wezen, en dat de goedheid, die ik weet, dat in mij is, in de eerste plaats allemaal voor jou zal zijn. Voel je nu, Liefste, dat ik je liefheb, en dat je me sterkt en me steunt en gelukkig maakt? En dat de beloften, die ik je doe, niet de lyrische opwinding van een oogenblik zijn, maar de gewetene overtuiging van een ernstig mensch? Je zegt, - en ik trilde van geluk, toen ik 't las, - dat je naar mij verlangt, maar je kunt toch niet zóó naar mij verlangen, als ik naar jou. Waarachtig! ik overdrijf niet, maar dat voel je, hoop ik wel, uit den toon van mijn brieven, - waarachtig, zeg ik, ik smacht naar je, ik smacht er naar, om voor je neer te liggen op mijn knieën, terwijl je op een stoel zit, en dan je eene hand op mijn hoofd te voelen, en de andere zacht en innig aan mijn lippen te drukken en te roepen, terwijl je oogen naar beneden mij aanzien, waar ik lig: Jeanne, jou en jou-alleen heb ik lief, onveranderlijk, onuitbluschbaar, en dat zal zoo blijven zonder vermindering, tot aan het eind van mijn leven, en als er onsterflijkheid is, ook nog in het leven hiernamaals door alle eeuwigheden heen! O, ik wou dat ik voor je neerlag, en dat je dan een schoen en een kous uittrok, want die twee dingen ben jij toch eigenlijk niet, en dat je mij dan zachtjes streek met je bloote voetje langs mijn wangen en mijn voorhoofd en mijn oogen en mijn neus en mijn mond, als met een innige liefkoozing, en dat je daardoor in jezelf het gevoel kreeg dat je bent mijn rechtmatige vorstin. Want je bènt mijn vorstin en ik ben, o, zoo gelukkig, dat ik nu mijn vorstin toch eindelijk gevonden heb, die niet enkel mijn vorstin is door haar oogen of haar mond of haar haren of iets anders lichamelijks, ofschoon zij toch daardoor ook mijn vorstin is, maar een vorstin, die voor altijd mijn vorstin is, ook door haar ziel. Want je ziel heb ik lief, onuitsprekelijk-innig, maar omdat ik liefheb je prachtige ziel, daarom, Jeanne, heb ik ook je lieve lichaam lief. Je weet wel, Jeanne, lief, toen je een middag bij mij op de kamer zat, en ik mijn zachte hand, langs je open hals heen, op je rug durfde | |
[pagina 288]
| |
leggen, toen was je een beetje gepiqueerd daardoor. En het speet mij toen, dat ik dat zoo maar, zonder te denken, gedaan had en ik vond mijzelf wel verschrikkelijk brutaal. Maar toch wist ik en voelde ik, dat ik alleen zoo gedaan had uit een heel mooi en sterk gevoel, om een oogenblik dichter bij de echte, de werkelijke Jeanne te zijn. De meest echte en werkelijke Jeanne nu is je ziel, en als ik die kon gewaar worden, op zichzelf bestaand, dan zou mijn ziel haar naderen en omvangen, en lief tegen haar zijn op de manier, die aan zielen eigen is. Maar zooals de dingen in deze wereld zijn, het eenige waardoor ik je ziel kan naderen, dat is je lichaam, en daarom heb ik je lichaam boven alles lief, daarom zoen ik je graag en ben graag dicht bij je, en daarom alleen. Want gesteld nu, er kwam een vrouw tot mij, zoo heerlijk-mooi en onvergelijkelijkprachtig over haar heele lichaam, als er nog nooit een op de wereld was geweest, en die wou mij een zoen geven, wat dacht je dan dat ik doen zou? Ik zou eenvoudig zeggen met een buiging: Neen, dank u beleefd, u is Jeanne niet, en door een ander dan Jeanne gezoend te worden, daar bedank ik allerhartelijkst voor. Voel je nu, Jeanne, liefste, hoe ik je liefheb, en hoe ik het met je meen? Ik verlang uitsluitend om jou te zoenen en de zoen van iedere andere vrouw zou mij eer onaangenaam dan aangenaam zijn. Vrij-uit gezegd, ik zou er een heel klein beetje vies van zijn. Je hoeft dus niet bang te zijn, dat ik aan den zoen van een andere vrouw ook maar zou denken met een klein beetje welgevallen. Jij bent de eenige van alle menschen van wie ik een zoen een heerlijkheid vind en tot aan het eind van mijn leven vinden zal. Ik ben een beetje bang, dat je in dat praten over zoenen iets hinderlijks vindt. Vergeef het mij dan, maar ik wou je zoo graag precies doen weten, hoe ik er in mijn ziel over denk.
Geheel en al
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, mijn Liefste, mijn Eenige, wat zou ik nu graag allerlei lieve en vriendelijke dingen tegen je zeggen, die je blij zouden maken en echt-verheugd, omdat je voelde, hoe ze voortkwamen uit de diepste diepte van mijn ziel! O, mijn Lief, als ik nu bij je was, dan zou mijn mond wel zwijgend kunnen blijven, want mijn oogen | |
[pagina 289]
| |
zouden je zeggen, alles, waarvoor ik nu geen woorden vind. Of ik zou je handen nemen, en ze even houden aan mijn wang, en ze kussen zacht, met teere lippen. Of ik zou het liefkoozend streeden, je hoofd, als het lag aan mijn borst, en het dan even oplichten soms, om je aan te zien, stil, - totdat je me vast in je armen sloot en me kuste, - omdat je 't nu voor altijd voelde en wist, dat ik je liefheb boven àl at op de wereld is, en liever dan mijn eigen trotsch bestaan. O, Willem, ik weet het wel, ik heb je al veel van liefde gesproken, - maar wat ik nú voor je voel, dat is het waarachtig-ware, het eeuwig-echte, het opperst-zuivere gevoel, dat eeniglijk liefde heeten mag. O, Willem, ik wist het niet, ik dacht in volle eerlijkheid, dat ik je toen, toen vroeger, al liefhad, toen 't nog maar een vage, teere en onbestemde aandoening was, die ik voor jou en mijzelve helder trachtte te maken en geloofde liefde te zijn. Maar o, wat is die zwakke, kernlooze gewaarwording, vergeleken bij het warme, rijke, machtige en alles-overheerschende gevoel, dat mij nú voor je bezielt! O, Willem, weet je nog, hoe je, ondanks al mijn verzekeringen en al mijn liefde-woorden (die ook voor mijzelf mijn voelen wáár moesten maken) nog dikwijls zei: ‘Je hebt me eigenlijk niet lief?’ En nu, o, godlijk-zalige vreugde, - nú geloof je in de waarheid van mijn beweringen, in de oprechtheid van mijn woord, - nu weet je, voel je, doorgrond je de onmiskenbare, waarachtige eerlijkheid van alles wat ik zeg. O, Lief, ik heb je lief! Jij bent 't, die Harmonie en Licht en Schoonheid in mijn leven brengt, - die mij den zegen van berusting-in-het-leven geeft! Ik heb je lief met een durend, smachtend verlangen, om altijd bij je te zijn, om altijd weer van jou te hooren, dat je óók van me houdt. Er is niets in mijn verstand, gevoel of wil, dat zich niet aldoor om de gedachte-aan-jou heen-beweegt; jouw geest schijnt met den mijne saam-geweven, en bestuurt zoo, zonder dat ik het weet, mijn denken en mijn daden. Ik houd van je, mijn Lief, met alles wat in me is, en met den opperst-mooien wil, - die door mijn liefde uitvoeringskracht zal krijgen, - om jouw leven te verlichten met den luister van het mijne, om je smarten te verzachten, om altijd teeder-goed en lief en trouw voor je te zijn!
Met alles-van-mijn-geheele-Zijn en voor-altijd
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 290]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 291]
| |
Ik zal nog maar even doorschrijven, want het eten is nog niet klaar. Lief, weet je, waar je mij zoo'n pleizier mee zou kunnen doen? Als je nooit meer declineerend over je uiterlijk sprak, zooals je, dat weet je, wel eens gedaan hebt, en als je zelfs, op wat ik nú ga zeggen, heelemaal niet antwoordt, maar 't eenvoudig accepteert. Want zie, je uiterlijk, dat vind ik verrukkelijk, - precies zooals ik 't graag hebben wou, en ik houd er zóóveel van, dat, als ik er aan denk, dan ga ik stil op mijn stoel zitten en tracht me alles er van voor te stellen met deze ééne gedachte: ‘Waarom is ze nu zoo ver weg? O, God, was ze nu maar hier!’ Maar zie, hoewel het mij zóó treft, heb ik je toch niet lief óm je uiterlijk maar mét je uiterlijk, en dat uiterlijk zou mij heel weinig kunnen schelen, als je een ander innerlijk had, evenals je innerlijk mij niet zoo zou interesseeren, indien je een ander uiterlijk had. Want ik heb je lief om je heele Zijn, innerlijk zoowel als uiterlijk, uiterlijk zoowel als innerlijk, ik heb lief de dubbelvoudige eenheid van beiden, die jij, Jeanne, zelf bent. Zal je er mij nu nooit meer mee plagen, Lief?
Je je eeuwig-liefhebbende Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 292]
| |
egaal-mooie kleur met stil-droomenden kelk omhoog in je lieve ziel. Maar wil ik je eens wat zeggen, Lief? Ik schaam mij een beetje voor je zuivere onbaatzuchtigheid, en ik zeg je met teedere toewijding: als ik ooit anders voor jou mocht gaan voelen, dan jij hier voor mij doet, verwijt het mij dan maar met een diep-zachten, maar ernstigen blik. Ik verzeker je, dan zal ik tot inkeer komen. Van het vers, dat ik hierbij zend, weet ik niet precies het nr. Ik heb er 83 boven gezet, maar het is misschien 82. Dat kijk je wel even na? Het doet mij zoo prettig aan, dat mijn brieven je pleizier doen. Want, luister eens: ik heb heusch nog nooit zoo tegen iemand geschreven. Ik ben altijd verschrikkelijk terug-getrokken geweest, niet uit een bewust vooropgezette houding, neen, ik weet niet, hoe het kwam. Men noemde mij vroeger wel eens: ‘Willem de Zwijger’. O, Jeanne, ik voel het zoo door heel mijn geestelijk wezen, door al mijn denken, voelen en verbeelden heen, dat ik je liefheb, en ik voel het ook door mijn lichaam heen, als een soort electrische stroom, die mij veerkracht geeft, die mij flinker doet loopen, die de trekken van mijn gezicht ontspant en opwekt, die alles aan mij, als 't ware, eerst echt bezielt. Nu ga ik dezen gauw wegbrengen.
Geheel en voor altijd
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Lieve, beste Lief, Hier zend ik je Walden; heerlijk, hè, dat het gekomen is. Schrijf je me nu eens gauw, of het is, zooals je 't zoo ongeveer had gedacht, en wat ik er voor vragen zal? Dan zal ik er mee naar Veenstra gaan; hij mòet en zàl het aannemen. Dit kan geen lange brief worden, want het boek moet naar het postkantoor gebracht worden. En vandaag zal er wel een brief van je komen, dan schrijf ik vanavond langer. Ik schrijf mijn verzen voor je over in een cahier, van de kladjes, die ik zelf houd, dan kan je me, als je zoo lief wilt zijn, ze critisch te lezen, de titels opgeven van degenen, die plaatsbaar zijn. Maar ik ben er nog niet mee klaar; ik wou eerst graag weten, hoeveel verzen er geschikt zijn, bij degenen, die jij nog hebt. Wat bezorg ik je toch een moeite en overlast, hè, Lief? | |
[pagina 293]
| |
O, wat zal alles toch veel heerlijker zijn, als je werkelijk hier woont. Nu moet alles gaan door middel van die onvolkomen briefwisseling, terwijl één direct woord véél beter alles in orde zou maken. En dan dat nare, vermoeiende wachten van post op post, of er ook soms een brief komt, is dan ook heelemaal uit, hè, Lief? Tot vanavond, lieve, beste, dan schrijf ik een langeren brief dan nu.
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Ik wou je graag nog eens iets zeggen. Lief. Je zegt, dat je, als je mijn lichaam nadert, mijn ziel daardoor óók nader komt. Maar ik geloof precies het tegenovergestelde daarvan. Ik geloof, dat onze lichamen niet de middelaars, maar juist de grootste hinderpalen tusschen ons en onze zielen zijn. Ik geloof, dat onze ziel feitelijk geen lichaam behoeft, om te kunnen bestaan, en als de wijsheid der spiritisten waarheid bevat, dan zou dit dááruit blijken. Ik geloof, dat kussen en andere aanrakingen uitsluitend uiterlijkheden zijn, gehoorgevingen aan den lichaamswil en het volgen van een gewoonte, die toevallig nu eenmaal bestaat. Ik geloof, dat onze zielen nóóit de drijfveer zijn tot daden, die zoowel door den geestelijk hoogstontwikkelde als door den laagst-beschaafde worden gepleegd. Ik geloof, dat onze ziel haar zetel heeft in het verstand, en dat ‘ziel’ en gevoel verschillende namen zijn voor eenzelfde begrip. Toe, Lief, als ik hier heelemaal ongelijk in heb, overtuig me dan van het tegendeel?
Zooeven wordt me een brief van je gebracht, en daar staat iets in, wat ik eerst niet goed begreep, en dat me daarná een beetje bedroefd heeft gemaakt. Je hebt me zoo dikwijls verzekerd, dat jouw gevoel voor mij nooit kan veranderen, en me overtuigd van de standvastigheid en onvergankelijkheid-zelfs ervan, - en nu, Lief, schrijf je me ineens: ‘... als ik ooit anders voor jou mocht gaan voelen, dan jij hier voor mij doet, verwijt het mij dan maar met een diep-zachten, maar ernstigen blik. Ik verzeker je, dan zal ik tot inkeer komen.’ Maar dit moet ik je zeggen, Lief: dat zal ik nooit doen, nooit van mijn leven. Want ik wil niets van je hebben, niets, niets, wat | |
[pagina 294]
| |
je me niet uit jezèlf geven kan, wat je doet, omdat je meent ertoe ‘verplicht’ te zijn, of omdat je denkt, dat ik 't ‘verwacht’. Ik wil niet, dat je van me houden zal, omdat je weet, dat ik houd van jou, - ik kan 't niet verdragen, dat je lief tegen me bent uit goedhartigheid of vriendelijkheid alleen! En daarom zal ik je nooit iets verwijten, en nooit beproeven je liefde terug te winnen, als die verminderen gaat, - dat kan ik niet, dat verbiedt me mijn hééle Zijn. O, ik wil liever sterven dan liefde te ontvangen, die geen liefde meer is, maar medelijden met toegenegenheid vermengd. Als jij me niet meer liefhebt, - wat je me bezworen hebt, rond-uit te zullen zeggen, omdat ik 't uit mijzelf niet gelooven zou, niet zou kunnen gelooven, - dan zal ik onmiddellijk uit je leven gaan, en jij hoeft er je nóóit om te bekommeren, wat er dan van me worden zal en nóóit door vrees daardoor je laten weerhouden, - want de dood is een zalige hemel, vergeleken bij de ellende-hel, die mij zou zijn: 't verdragen-moeten van je liefde, die alleen nog maar bestond, omdat zij door zelf-dwang onderhouden werd. O, Lief, nog nooit, in géén van al je brieven heb je iets gezegd, wat me zóó pijnlijk heeft aangedaan. Want o, ik was zoo goddelijk-blij nu eindelijk twijfelloos in je te kunnen gelooven en eindelijk zuiver en volmaakt te weten, dat mijn vertrouwen in jou gegrond was geweest. O, Lief, ik word al bedroefder en bedroefder, nu ik dit allemaal schrijf. Maar heusch, ik kan 't niet voor je verborgen houden, en ik geloof ook, dat 't nóg naarder voor je zou zijn, als je iets in mijn brieven merkte, en heelemaal niet wist, waardoor ik gehinderd werd. Ook schrijf je: ‘Ik schaam me een beetje voor je zuivere onbaatzuchtigheid’, - maar, Lief, hoe kan jij dat nu zeggen. Jij, die nooit en in niets je zelf het eerst hebt gezocht, en altijd het eerste denkt aan mijn belang? - O, Lief, ik weet het zeker: als je nu bij me was, dat je dan in een oogenblik mijn angst en twijfel zou hebben weg-gepraat. O, in al die dingen, waarop ik direct geen antwoord krijgen kan, voel ik mijn alleen-zijn zoo. Het liefste wou ik, dat ik hoorde, hoe je me stilletjes uit zat te lachen, omdat ik heel dwaas ben geweest, me dat, waarschijnlijk-niet-zoo-bedoelde-zinnetje, zoo erg aan te trekken, - o, wat zou me dat een wondere geruststelling zijn! Schrijf je me gauw? Ach, toe, mijn Liefste, Liefste, - voel maar, hoe innig ik naar een troostwoord verlang, of naar een grappige scherts, - als ik heusch een beetje dwaas ben geweest!... | |
[pagina 295]
| |
Ik dank je, Lief, voor je heerlijk-mooie en lieve vers, waar ik o, zoo innig-blij mee ben. Ik zag het dadelijk, bij het openvouwen van je brief en las het 't eerst. 't Is, zooals je er boven schreef: nr. 83. En nu mijn lieve, allerliefste Lief, als ik dezen brief nu niet eindig, dan krijg je hem morgen niet meer met de eerste post, en krijg ik er dus zooveel te later antwoord op. Dag, lieve, goede, beste! Ach, toe, je schrijft me gauw, hè, Lief?
Altijd jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, Lief, wat heb je me goddelijk-gelukkig gemaakt met je brief, waarin je me over mijn verzen schrijft. En dat je 't zóó hebt gezegd, dat ik niet twijfelen kan, of je hebt 't gemeend, en 't niet alleen uit liefheid gedaan. Ik dank je, Lief, dat je 't hebt willen zeggen, want ik ben er zoo heerlijk, zoo verrukkelijk-blij door geworden. Ik vind het zoo eenig-zalig, dat je door mijn werk tenminste niet wordt teleurgesteld, - en je begrijpt wel, Lief, dat je woorden van appreciatie me kracht en durf geven om door te gaan, nu ik weet, dat al mijn denken en werken toch niet voor niets is geweest. O, Lief, ik kan je niet zeggen, hoe ontzettend-dankbaar ik je ben, dat je zóó tegen me hebt willen spreken. Want, Lief, dat zeg ik niet, omdat jij als criticus het hoogste staat, en jouw lof mij dus het meest van allen verheugen moet, - maar omdat jij bent de man, dien ik liefheb, méer dan ik houd van mezelf, en in wiens oogen ik dus, het liefst van al, wat waarde hebben wil. Begrijp je me, Lief? lieve, lieve, állerliefste Lief? Gisteravond schreef ik je een brief, waarin weer een staaltje van mijn hinderlijke subtiliteit. Arme Lief! Ach, je zal 't, vrees ik, nog wel eens meer van me merken, dat, waar-een-ander-niet-overdenken-zou, mij hevig schokt en plotseling weer down en neergedrukt en ellendig maakt. Maar misschien zal ik langzamerhand die overgevoeligheid verliezen, als jij me, Lief, wat je me eens hebt beloofd, nooit aan mezelf overlaat, me heelemaal aan mezelf onttrekt, en me belet, aldoor alleen aan mezelf te denken. O, geloof me, Lief, als je dát doet, dan zal ik ook zooveel aangenamer zijn voor jou, en véél meer waard, dat je van me houdt! Ik ben nieuwsgierig, hoe je Walden vindt. En ook, hoe ik 't er bij Veenstra afbrengen zal. Ik denk wel van goed, omdat ik meestal mijn | |
[pagina 296]
| |
wil weet door te zetten, wanneer ik dien eenmaal ergens op heb gesteld. Je hebt mij zooveel pleizier gedaan met je gezegde: Je uiterlijk zou mij heel weinig kunnen schelen, als je een ander innerlijk had. Zie je, dat vind ik goddelijk. Want, nietwaar, Lief, onze lichamen zijn toch maar de toevallige dragers van onze zielen, en nu moet ik nog even doorgaan op het thema, waar ik het gisteren ook over had. Ik geloof, dat voor onze ijle zielen de stoffelijkheid onzer lichamen het groote beletsel is, om tot een volkomen vereeniging van ziel met ziel te geraken, en dat daarom op deze aarde een ideale zielsverbintenis een onmogelijkheid is. Je zei eens: Als ik je ziel gewaar kon worden. Maar die wordt je gewaar door mijn woorden, door mijn onbewuste daden, door mijn gedachten, die ik je vertel. En ik geloof volstrekt niet, dat kussen enz. een uiting van een zielsdrang is, maar uitsluitend de uiting van een lichaamsdrang. En dat geloof ik, omdat zij, die weinig ontwikkelde zielen hebben, de zielszieken en de krankzinnigen zelfs, dien aandrang even goed ondervinden. Ik herinner me een romannetje: ‘Chair’, van Eugène Montfort, waarin twee geliefden in een extatisch moment elkander toeroepen: ‘Mais approches donc, approches! Ah, pourquoi n'approches-tu pas!’ Maar de lichamen beletten, zonder dat zij de reden begrijpen, de zielenadering. Ik denk, dat dit voor oppervlakkige menschen nogal belachelijk klinkt, maar ik geloof, dat het in waarheid, allesbehalve belachelijk is. Zoo is er ook een sonnet van Hélène Swarth, dat ik hier bijschrijven zal, omdat het precies mijn gedachten weergeeft. Lief, zeg me nu eens, of je vindt, dat ik ongenietbaar-zwaar ben door zoo te redeneeren, of heb ik een beetje gelijk? Of vind je 't vervelend, om er nog meer over te spreken, Lief? Ik dank je nog eens heel innig en hartelijk, Lief, voor al de moeite, die je zoo allerliefst en vriendelijk voor me neemt, wat mijn verzen betreft. Ik ben er je zoo onuitsprekelijk dankbaar voor. Ontvang in gedachten een innig-erkentelijken zoen van haar, die is en tot in eindelooze tijden blijven zal
jouw eigen Jeanne Wanneer een ziel met ingespannen krachten,
Gedreven door geheime sympathie,
Streeft naar een ziel, die haar bemint, en die
Reeds jaren lang op haar is blijven wachten,
| |
[pagina 297]
| |
Wanneer hun lot, beslist door hooger machten,
Hen samen brengt en smelt in harmonie,
En: 'k Heb u lief!’ weerklinkt als melodie,
Dan wordt het al één lijden en één smachten.
Vereenigd zijn! - De stof houdt hen gescheiden.
Vereenigd zijn! - Onmooglijk! Tusschen beiden
Verheft zich wreed een eeuwge hinderpaal.
O, 't ware zoet, daar men 't geluk moet derven,
Jong, hand in hand, en hart aan hart te sterven,
Getroffen door eenzelfden bliksemstraal!...
Hélène Swarth.
(Uit: ‘Eenzame Bloemen’.)
| |
Bussum, 27 Juni '99Liefste,
Zooeven met de avondpost kreeg ik Walden. Ik haast mij daarom je nog even te schrijven. Het boek heeft twintig en een half vel druks en de bladzijden zijn, door het formaat, wel kleiner dan die van de N.G. maar er staat toch niet minder op, ongeveer evenveel regels op een bladzij en ongeveer evenveel letters op een regel. Ik zou dus zeggen 10 gld. per vel, dat maakt ongeveer ƒ 200, -. Maar de mogelijkheid bestaat altijd, dat Veenstra uit zichzelf iets meer komt te bieden. Misschien kan je hem eerst laten uitpakken en zien waartoe hij komt. Ik ben wel bang, dat je in handelszaakjes geen erg bolleboosje bent, evenmin als ik. Maar je bent een vrouw, en vrouwen zijn dikwijls, als ze een bepaald doel op het oog hebben, praktischer dan een man, vooral dan een utopist, zooals ik meestal ben. Denk maar eens aan het rijmpje: Eén vrouw is duizend mannen te erg:
O, eeuwige eer van Reygersbergh!
Maar zorg, dat je tenminste eerst de Inleiding een beetje leest, en het boekje even doorkijkt. Want anders zou Veenstra 't misschien een beetje vreemd vinden, als je er héélemaal niets van wist. | |
[pagina 298]
| |
Dus, Lief, ƒ 200 moet je, dunkt me, vragen, en wil Veenstra méér geven, zooveel te beter voor jou. De 200 gld. die jij mij dan voorschiet, krijg je terug, zooals je weet, als Versluys dien tweeden druk laat verschijnen. Zie hem dus eerst eens uit te hooren; zijn zijn offertes nu verschrikkelijk laag, dan zou je 150 gld. kunnen accepteeren, want dat bedrag zal ik minstens noodig hebben. Ik moet natuurlijk rekenen 1e op mijn verhuiskosten van Bussum naar den Haag voor mijn heelen inboedel; 2e. wat nieuwe kleeren en wat onderkleeren. Want in den Haag moet ik een klein beetje meer mijn ‘fatsoen’ ophouden. Lach nu niet, Lief! Je weet heusch wel van me, dat ik geen aanleg heb om een dandy te worden. Ik wou alleen een klein beetje meer correct worden dan ik ben. Dat drukt dan een beetje de ‘belangstellende’ praatjes den kop in. Nu, Schat, ik ben benieuwd, wat Veenstra zal zeggen. Ik ga dezen nu wegbrengen. Ik zie je trouw aan en leg zacht mijn rechterhand om je lieve hoofd heen.
Met een stillen zoen op de bloem, die je mond heet,
jouw eigen Willem, die o, zoo dankbaar is! | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 299]
| |
ik heb het nooit geschreven gezien) geweest. Maar ik was altijd zoo'n verschrikkelijke slodderfoks, en nu vind ik het zoo onaangenaam voor jou, als daar geen verandering in komt bij mij. Ik heb nog nooit langer dan veertien dagen er eenigszins correct uit kunnen zien, want dan zat alles weer in de war. Daar moet ik nu een beetje meer op gaan letten in den Haag bij mijzelf. 't Zal me wel niet heelemaal lukken op den duur, maar een klein beetje kan ik er toch voor gaan zorgen. Dat is vooral voor jou pleizieriger. Het is nu over half een 's nachts, maar ik schrijf toch nog maar even door. In de N.G. van Juli komt een stuk van Adriaan van Oordt, den schrijver van Irmenlo. Het heet: Een Pleiziervaart, en 't zal me benieuwen, wat je er van zegt. Willem van Meurs en familie gaan naar Laren verhuizen. Ik geloof, dat je de meeste verzen, die in die 2 schriften zijn, met het grootste recht kunt publiceeren. Ik ben zoo innig blij met je geregelde brieven: je blijft daardoor voortdurend voor mij een levend wezen en geen ding van mijn gedachten alleen. Ik denk nú bijv. weer, zooals altijd 's avonds aan den brief van je, die morgen-ochtend komt, en denk: Wat zal er in staan? Wat voor nieuws? wat voor aardigs? Ik leef in gedachten altijd met je mee. Nu, lieve snoes, 't is één uur, en ik moet eindigen. Maar even wil ik je nog wat grappigs vertellen. Vandaag is hier uit huis een mevrouw vertrokken, van 74 jaar. Die zat aldoor op haar kamer halve fleschjes hier te drinken, zoodat, toen ze weg was, er een heel regiment leege beugelfleschjes uit haar kast te voorschijn is gekomen. Maar nu ga ik naar bed. Jij slaapt zeker nu al. Daarom zeg ik je heel zachtjes, want anders word je wakker: Goeden nacht, goeden nacht, eenig Lief!
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Lieve, lieve, goede, beste, Ik ben zoo blij nu te weten, dat je Walden ontvangen hebt. Ik zal vanavond laten vragen, of Veenstra me morgen ontvangen kan, en je dan dadelijk de resultaten melden. Ja, ik geloof ook, dat het boek eigenlijk grooter is, dan het zoo oppervlakkig lijkt, omdat de letter zoo klein is. Maar ik denk | |
[pagina 300]
| |
toch in géén geval, dat Veenstra er meer dan ƒ 200, - voor geven wil, omdat vertaalwerk altijd zoo laag mogelijk wordt gehonoreerd, maar ik zal toch àl mijn best doen, dat 't in elk geval niet minder is. Als hij 't nu maar neemt, dan zijn we al een heel eind ver. Maar aan mijn welbespraaktheid zal 't niet liggen, vertrouw daar maar op, Lief. Willem, ik ben bang, dat je me in dien brief van gisteren een beetje onaangenaam-kleingeestig hebt gevonden. Maar, ach, toe, Lief! vergeef 't me maar weer. Want ik begrijp nu wel, dat je er natuurlijk niets mee hadt bedoeld, en 't was veel beter geweest, als ik er niet dadelijk op terug-geschreven had, maar eerst mijn gedachten tot bedaren had laten komen. Maar zoo ben ik nu: van alles wil ik altijd dadelijk een verklaring hebben. 't Heeft je toch niet gehinderd, Allerliefste? Ach, Lief, ik vind het eigenlijk zoo aandoenlijk lief, als je zoo over je kleeren spreekt. Want je doet het voor mij, dat weet ik heel goed, en je zou er je waarschijnlijk niet eens aan storen, als ik zei, dat het niet noodig was. Je bent zoo verschrikkelijk, je-zelfvergetend goed! Ik sluit dezen nu maar, ik schrijf vanavond waarschijnlijk toch wel weer. Dag eenig-lieve, goede! Een hartelijken zoen van
jouw meisje Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 301]
| |
fantasie van gaan maken: je minder liefhebbend, je heelemaal niet liefhebbend. Maar, lieve Schat, lees dan toch eens precies, wat ik geschreven heb, dat heb ik heelemaal niet geschreven en ook niet bedoeld en er zelfs niet aan gedacht. Ik heb toch niet geschreven: als ik ooit niet meer van je mocht houden, of iets dergelijks: ik heb alleen geschreven, precies zooals ik bedoelde: ‘als ik ooit eens (niet-zoo-mezelf-wegcijferend) mocht gaan voelen voor jou, als jij 't hier voor mij doet’. Hoor eens, Lief, ik ben er een beetje triest door, want het bewijst, dat ik je nóg niet voelbaar heb kunnen maken, hoeveel ik van je houd. Want als je mijn liefde-voor-je heelemaal als een feitelijkheid voelde, dan zou je niet er toe kunnen gekomen zijn, om zoo'n, absoluut door geen enkel mijner woorden in dien brief gerechtvaardigden uitleg te geven, aan wat ik daar schreef. En bedenk dan ook eens, Lief! ik heb in de drie weken, dat je weg bent, minstens drie brieven per dag geschreven, dat zijn er dus over de 60, waarvan de meeste van 4 zijdjes en enkele nog meer. Dat zijn dus geen bestudeerde stijl-oefeningen, ik schrijf mijn brieven spontaan-weg zóó maar op. Maar nu moet je niet gaan denken, dat ik boos ben op je; ik ben alleen maar een beetje verdrietig, omdat ik zoo'n medelijden met je heb. Jij ziet altijd en overal het donkere waar het niet is. Denk nu niet, dat ik je daarom een greintje minder sympathiek zou vinden, want ik ben zelf ook eenigszins zoo. Maar als ik nu in den Haag woonde, dan zouden zulke dingen nooit kunnen voorkomen, want in de conversatie begrijp je elkaar ook wel eens niet, maar dan kan je 't dadelijk uitleggen. Als ik nu in den Haag was, dan zou ik zacht je in mijn armen nemen en je teer langs je wangen streelen en zeggen, dat mijn totale gevoel voor jou altijd goed en lief is geweest, en dit ook altijd zal blijven, omdat ik je liefheb absoluut. Het is nu elf uur 's morgens, ik ga dezen nu weer weg-brengen vóór de koffie; misschien krijg je hem tegelijk met den vorige, maar in alle gevallen vandaag.
Met een innigen kus van toewijding
geheel en al jouw eigen Willem | |
[pagina 302]
| |
Bussum, 28 Juni '99Beste Lief,
Ik was eerst een beetje bang om weer zoo onbestudeerd te gaan schrijven, als ik altijd tegen je doe. Maar och, ik begrijp het nu wel: je hebt het zelf wel eens geschreven: ik begin langzamerhand weer voor je te worden, door het niet-bij-je-zijn, een ding van je verbeelding, en geen levend, geen werkelijk mensch. Want anders had je toch wel, Lief! toen je zoo'n indruk, als je schreef, kreeg van dien volzin, - je plotseling bedacht en moeten voelen: Neen, dat kan Willem zóó niet bedoelen, als ik het nu opvat. Laat ik het daarom nog eens overlezen en precies nagaan, wat hij eigenlijk zegt. Want wat jij daar uit mijn woorden haalde, wat jij er in zoekt, dat zou immers lijnrecht indruischen tegen al mijn andere gezegden en verzekeringen? En wat zou ik dan, eigenlijk gezegd, een lammeling moeten zijn als ik nu al of ooit, in mijn gedachten kon krijgen het vermoeden, dat mijn liefde voor jou eens ophouden zou, en als ik dan bovendien nog jou voor oogen ging houden, dat die mogelijkheid altijd bleef bestaan! Laat ik het je daarom eens voor goed zeggen, liefste Jeanne, en geloof ook van me, dat ik precies weet, wat ik zeg, en dat ik het diep-ernstig meen: Ik heb je lief, dat weet je nu, geloof ik, wel. Maar ik heb je niet lief voor een paar oogenblikken; mijn liefde voor jou is geen gril, geen toevallige opwelling, die morgen weer weg kan zijn: neen, ik heb je lief, nú en morgen en overmorgen en zoo alle verdere dagen van de toekomst door, met dezelfde passie en dezelfde teerheid en dezelfde sympathie, met hetzelfde verlangen en streven en handelen, om goed voor je te zijn, en aardig en opbeurend en geluk-gevend en gezellig, met dezelfde blijdschap, als ik je een zoen mag geven, en denzelfden aandrang om gevoeligverstandig met je te praten, om je te helpen, als je hulp noodig hebt, om je raad te geven, als je dien zelf niet weet, om met je te lachen en je te amuseeren, om altijd zacht jegens jou te zijn, maar sterk óók ten behoeve van jou, om je pleizier te geven en behagelijkheid, werkkracht en lust in allerlei dingen, - kortom, om je leven te maken tot een heel ander leven, dan het tot nú is geweest. En houd al deze verzekeringen van me nu niet voor een opgewonden, zelfopofferende bui! Want ik ken je nu genoeg, om van je te weten, dat jij ook mijn leven kunt en wilt maken tot een ver- | |
[pagina 303]
| |
werklijkt paradijs-op-aard. Ben je nu een beetje gerustgesteld, lieve Schat? Dit is mijn derde brief, dien ik vandaag verzend. Den eerste ervan schreef ik vannacht, den tweede vanmorgen vóór de koffie. Vanavond schrijf ik weer, voor morgenochtend. Ik bedoel daarmee: ik breng dien brief dan ook vanavond nog op de post, zoodat je hem morgenochtend krijgt. Ben je nu heelemaal gerustgesteld, Lief? nu je precies de volle waarheid hebt gehoord? Waarachtig, Liefste, ik smacht naar je tegenwoordigheid. In Walden heb ik al wat gelezen.
Teeder kust je met smeekende oogen
jouw eigen-jongetje-voor-altijd
Willem | |
[Ongedateerd]O, Allerliefste, ik moet je iets dwaas' vertellen. Ik was door je brief van vanmorgen over dat misverstand inwendig hevig-geemotionneerd geworden. Ik heb je toen twee brieven geschreven, ben tweemaal heen en weer naar de post geloopen, en toen ten slotte voor goed thuis-gekomen, zat ik in mijn stoel, dien je kent, en waar jij altijd in zat, ook toen ik je vroeg, en hoewel mijn gezicht onbewegelijk-strak stond (ik bedwing mijzelf altijd, ook als ik alleen ben) hoorde ik het binnen in mij klagen en jammeren, dat ik verkeerd begrepen was, terwijl ik toch heelemaal niets miszegd had, en ik dacht aan jou, en voelde me zoo ellendig, dat je nu misschien verdriet hadt en ik niet bij je was, om je met de stukken in de hand alles op te helderen en uit te leggen. Ik ging toen plotseling op mijn bed liggen, boven op de bruine sprei, die het bed zelf bedekt, en viel kort daarop (wat mij nooit anders gebeurt, want ik kan overdag nooit slapen) mijn emotie aldoor met ijzeren hand bedwingend, in een droomenvollen slaap, die twee uur geduurd heeft. Ik ben nu wakker geworden en zit weer op mijn stoel, en voel mij ontzettend gevoelig, en verlangend naar jou! O, ik wou, dat je bij mij was! Dan zou ik je lieve handje nemen, en het met kussen bedekken, terwijl ik je dikwijls aanzag, teeder, maar een beetje droevig, en ik zou je vragen: Maar Jeanne, weet je 't dan nog niet, voel je 't dan nog niet, dat ik je grenzenloos liefheb, voor altijd en altijd? Zie eens, ik ben niet wat men noemt | |
[pagina 304]
| |
‘gewoon-verliefd’ op, je, zoo'n ding, wat vele anderen wel hebben, en wat drie dagen of weken duurt. Want zoo'n verliefdheid komt niet in mij op, die strijdt absoluut met mijn eigenaardig temperament. Ik ben verliefd op jou, hartstochtelijk verliefd, zóó zelfs, dat je mij zou mogen slaan als je er lust in hadt, en dan zou ik daardoor alleen maar droevig gaan kijken, - maar die verliefdheid van mij is geen oppervlakkig, uiterlijk gevoel, maar komt voort uit mijn geestelijke liefde voor jou, die een mengeling is van bewondering en teederheid en vertrouwen, opperst vertrouwen, en mij-aan-jeweg-gevende innigheid! O, Jeanne, ik aanbid je waarachtig! ik smacht naar je, ik hoop op je, ik verlang naar je ontzettend-sterk en eindeloos-diep. Ik haal mij aldoor je gezicht voor den geest, en word dan inwendig dol van geluk, omdat je mij toegestaan hebt te denken, dat dat gezicht niet alleen van jou is maar ook van mij, dat ik het altijd zal mogen aanzien, en het van tijd tot tijd een kus geven, en er al je wenschen in lezen om die te vervullen. O, ik weet zoo diep in mijzelf en dat vind ik zoo hemelsch: jouw gezicht zal mij altijd vriendelijk en goed en met genegenheid aanzien, omdat ik weet, dat ik niets heb tot in de diepste diepte van mijn ziel, waar je je van of zou moeten wenden of waardoor je zou kunnen verkoelen. Jeanne, laat ik mij toch heelemaal uitspreken: ik ben waarachtig jouw eigendom, geheel-en-al en voor-altijd, met alles wat ik heb, wat ik ben, wat ik kan krijgen of zal worden in de toekomst. Geloof je nu, Jeanne, geloof je 't nu, weet je 't nu, dat ik je liefheb, en dat dit altijd zoo zal blijven en nooit-in-der-eeuwigheid veranderen zal?
Geheel en al jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, goede, lieve Liefste, die je bent! Ja, je hebt gelijk, volkomen, volkomen gelijk, ik had dat niet moeten denken van je, en je er tenminste niet dadelijk over schrijven. Ja, ik zie mijn ongelijk heelemaal in, en ik kan niets anders doen, Lief, dan dat nederig en met diep-gevoelden spijt erkennen. Ik weet wel, je hebt hier niet veel aan, want je bent toch al triest en naar geworden door mij, maar, ach, toe, lieve Lief, ik kan 't heusch niet helpen, dat ik zoo impressionabel en alles-donker-inziende ben. Geloof je niet, zeg, Willem, Liefste, dat ik daardoor véél minder pleizier van alles | |
[pagina 305]
| |
heb, dan ik er eigenlijk van had kunnen hebben? En dat ik daardoor ook nooit zoo gelukkig ben, als de omstandigheden me toelaten te zijn? En daarom vind ik 't zoo goddelijk-lief van je, dat je er niet met boosheid tegen ingaat, maar medelijden met me hebt, want dat bewijst, dat je me begrijpt, en er me langzaam over heen helpen wilt. Het is een gebrek in me, een onvolkomenheid, ik heb 't je, geloof ik, al meer gezegd, en wat het ergste is, niet alleen hinderlijk voor mij zelf-alleen, maar bijna even erg voor anderen. Arme, arme Lief! Je bent zoo verschrikkelijk, ontzettend, onuitsprekelijk goed voor me, en ik vergeld je zóó! Ik hoef 't natuurlijk heelemaal niet te zeggen, dat ik niet zoo was met een opzettelijke bedoeling, want, Lief, ik denk, dat ik zelf nog veel verdrietiger dan jij ben geweest, maar heusch, 't spijt me toch zoo, omdat je 't zoo goed en lief bedoelde en ik 't als 't tegenovergestelde opnam. Ach, wat ben je toch eenig goed, wat ben je vreeselijk lief en goed, om me zoo terug te schrijven; ik dank je, ik dank je, heel innig en diep ervoor. Voel nu mijn armen heel vast om je hals en mijn zoenen van warme dankbaarheid op je heele gezicht, - want o, ik houd zoo van je, ik houd zoo van je, en ik ben je zoo dankbaar, Lief, lieve Lief!
Voor altijd-en-altijd
jouw eigen Jeanne
Wat ben ik ontzettend-blij geweest met je spoedbrief, dien ik vóór den eerste ontving. Ik heb toen gewacht, tot de post dien ook had gebracht, eer ik aan je begon te schrijven. O, Willem, Willem, wat ben je toch eindeloos goed en zacht en vriendelijk en geduldig en lief tegen me, altijd-maar-door! O, Lief! Lief! ik zal je tot in eindelooze tijden daar dankbaar voor zijn! | |
Bussum, ParkzichtO, Lief, wat ben ik blij met je brief. Ik hoop nu maar, dat het achteraf óók zoo bij je is, en dat je niet doorgegaan bent op je droefheid. Want waarachtig, je hebt dien zin van mij verkeerd opgevat, en er iets uit gehaald, wat er heelemaal niet in stond. Want geloof mij toch, mijn gevoel-voor-jou is onwrikbaar-constant. | |
[pagina 306]
| |
Want dat is geen oppervlakkige, uiterlijke opwinding, omdat je een aangenaam uiterlijk hebt. Ik hoor heelemaal niet tot de mannen, die gedurig naar de meisjes kijken om de een of andere uiterlijke bekoorlijkheid, en buitendien vind ik zulke mannen een beetje grof en idioot. Maar al zegt uiterlijke bekoorlijkheid op zichzelf genomen, mij niet bijzonder veel, toch ben ik er heelemaal niet ongevoelig voor. Als jij, Jeanne, bijv. uiterlijk, permitteer! een monster was, dan zou ik je onmogelijk kunnen liefhebben, en al had je ook hetzelfde innerlijk, dan zou ik toch slechts hartelijke toegenegenheid voor je kunnen voelen en niets meer. Maar nu: oprecht en bedaard gezegd, ik vind dat je mooi bent, niet omdat je ùiterlijk overeen komt met het een of andere type van schoonheid, maar omdat 1e alles in je gezicht mij aangenaam aandoet en 2e omdat ik er de expressie in voel van je innerlijk, van je ziel. En daarom verrukt je uiterlijk mij, daarom ben ik dol gelukkig, dat het altijd bij mij blijven en nooit als een vreemde tegenover mij zal gaan staan. En ik zou waarachtig niet graag hebben, dat je er eenigszins anders uitzag in vorm en expressie dan je doet. Ziezoo, nu is deze zaak van je uiterlijk voor goed tusschen ons afgehandeld, hoop ik. Beloof je me dat, Lief? Want kijk eens, het eenige, wat je zou kunnen doen, is de indrukken, die jijzelf van je gezicht krijgt, als je voor den spiegel staat, opstellen als de eenigware, de objectieve, en die mij aan opdringen om ze aan te nemen in plaats van mijn eigen indrukken. Maar 1e kan iemand zijn eigen gezicht nooit zoo goed zien, als een ander dat doet; ten 2e heb ik, een beetje ruw gezegd, absoluut niets met jouw oordeel over je uiterlijk te maken, want ik blijf toch altijd, wat er ook gebeurt, door mijn eigen oogen zien, en met mijn eigen appreciatie-vermogen het geziene beoordeelen. Dus ten slotte: ik vind, dat je bent, wat men gewoonlijk noemt ‘mooi’. En daar ben ik heel blij en dankbaar mee. Maar nu je innerlijk, Lief! Dat vind ik gewoon goddelijk. Want je bent heel gevoelig en toch niet aaklig-week; je bent wel sterk, maar toch niet hard, je bent verstandig, en toch niet nuchter, je hebt een flinken wil en bent toch niet dwingerig; je maakt je zelf niet heelemaal weg, en bent toch niet ijdel, je bent niet afkeerig van pretmaken en lachen, en toch niet oppervlakkig-luchtig, je weet, wat levensweemoed is, maar gaat er toch niet altijd onder gebukt, je bent een heel bijzonder artiest, maar je gaat toch niet alles artistiekerig doen en laten en bespreken, zooals, ongelukkig, | |
[pagina 307]
| |
veel andere artiesten doen. Je bent, kortom, een mensch, wier verschillende kwaliteiten zich harmonisch verhouden en juist op de normale hoogte blijven. Ik heb dit allemaal nu uiteen-gezet, niet om je te vleien, want dat doe ik liever niet, en daar zou jij, geloof ik, ook niet van gediend zijn, neen, ik heb het je gezegd, om je een duidelijk begrip te geven, wat ik van je vind, en daardoor de overtuiging bij je op te wekken, dat mijn gevoel voor jou iets waarachtig-constants is, omdat het gerechtvaardigd is ook voor mijn begrijpende verstand. En nu, Lief, eindig ik maar weer, en blijf altijd
geheel jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 308]
| |
het geëngageerd zijn en van het trouwen natuurlijk ook? Wat ik het eigenlijk-prettige er van vind? Luister eens; de menschen op de wereld zijn allen individuën, eenlingen, wereldjes op zichzelf, die tot zichzelf beperkt zijn en in zichzelf opgesloten, die allemaal onderling wel soms goed voor elkander zijn, maar toch veel vaker kwaad, en in de allermeeste gevallen geheel onverschillig en neutraal bij elkander staan. Maar als nu twee individuën elkander lief krijgen: ik bedoel niet met een uiterlijke, oppervlakkige zinnenliefde, die niet tegelijk iets anders is, deze blijft toch op den duur heelemaal niet bestaan, neen, als twee individuën elkander liefkrijgen, omdat hun geestelijk Zijn zich onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken gevoelt, zooals dat van mij naar jou het geval is, en zooals ik hoop, en waag aan te nemen, ook wel van jou naar mij zal zijn, dan komt er een heerlijke en beiden gelukkig makende harmonie, de scherpe en harde en hoekige kanten, die ieder wezen tusschenbeiden heeft, worden en blijven zacht en willig tegen elkander van weerskanten, hun atmosferen, om zoo te spreken, vloeien ineen en worden tot één enkele atmosfeer om hen beiden, waarin zij, samen zich voortbewegend en elkander dikwijls in de oogen ziend, veel aangenamer zich voelen en veel kalmer en blij der en voorzien van meer rustige kracht om hun werk te doen, dan zij hadden, toen ieder apart nog stond. Kan je daar niet een beetje inkomen, Lief? Of heb je daar zelf, met half bewustzijn, ook misschien wel eens zoo over gedacht? Zie, Lief, ik wou je zoo graag wat innerlijke gerustheid geven, en daarom spreek ik zoo tegen je uit, wat ik inwendig voel en voor zeker houd. Want ik ken je genoeg om te weten, dat je een gevoeligserieuse vrouw bent, en dat je dus niet mijn diepste gedachten, die ik mij nu bewust maak, schertsend zult gaan uitlachen of ze houden voor een spel van mijn fantasie. En merk je nu niet, Lief, dat mijn gevoel voor jou heel iets anders is en veel meer dan een oppervlakkige verliefdheid of zoo iets? En voel je nu niet, Lief, dat ik inwendig geen kwaad mensch ben, al heb ik mij in verzen van jaren geleden, als antwoord op spot en wreedheid in 't private leven wel eens bitter en scherp tegen anderen geuit? En buitendien, ik heb je lief, zooals ik nog nooit iemand heb kunnen liefhebben, zooals ik zelf niet wist, met mijn bewustzijn, dat ik liefde in mij had. Die hooge en zuivere liefde heb jij bij mij weten op te wekken, en het kan je nu toch wel een vreugd en een voldoening en een | |
[pagina 309]
| |
tevredene blijdschap met jezelf zijn, dat jij dat gevoel in mij hebt wakker gemaakt, dat ik nog nooit voor iemand gehad heb, dat ik maar half-bewust vermoedde, dat wel eens in mij zou kunnen ontstaan.
Nu, eenig-lieve, zacht zoent je
je liefhebbende Willem | |
[Ongedateerd]O, Willem, Willem, als ik zoo al die lieve brieven van je lees, waarin je aldoor zoo goed en zacht en vriendelijk en geduldig blijft, terwijl ik dat heelemaal niet verdiende voor mijn dwaze aanstellerij, o, dan voel ik 't zoo als een onbetwistbare zekerheid, hoe diep-goed je inwendig bent. Willem, lieve Willem, ik vraag je nog eens, met innig en oprecht gemeend berouw, of je er nu niet langer aan denken wil, dat ik een gedachte van mijzelf toeschreef aan jou, en veel te haastig was in het opheldering vragen, zoodat ik jou iets vroeg, wat ik best zelf had kunnen weten. En of je er nu, alsjebelieft, niet meer boos of bedroefd om wil zijn, want o, je kan niet weten, hoe verschrikkelijk 't me spijt. Ik zie volkomen in, dat je met dat gezegde niet kon bedoeld hebben, wat ik er van maakte, en vraag je nog eens, heel vriendelijk en dringend, of je mij mijn oppervlakkigheid vergeven wil. Willem, goede, lieve, ach, toe, vergeet je 't nu weer? Het was afschuwelijk-leelijk van me, zoo iets van jou te denken, die nooit, nooit iets gezegd hebt of gedaan, om die gedachte te rechtvaardigen, en ik heb er een vreeselijk verdriet van, dat 't ook maar één seconde in mijn hoofd is kunnen komen, - Lief, geloof je dat van me? En dit moet ik je ook nog zeggen, misschien heb je 't zelf ook wel eens van me gemerkt, dat ik wèl plotseling-heftig met iets voor den dag kan komen, maar mij toch ook laat overtuigen, en nooit wrokkend-wantrouwig op mijn eigen gedachten door blijf gaan. Heusch, Lief, dat is iets, wat ik nooit doe, en waar ik gruwelijk het land aan heb: boudeeren. Ik geloof wel, dat ik dikwijls iets verkeerd opvat, en ergens soms wel eens een andere bedoeling aan geef dan de oorspronkelijke, maar ik ben toch niet stokstijf en door-alles-heen vasthoudend aan mijn eigen meening, maar heusch wel vatbaar voor het oordeel van een ander, en dan redelijk genoeg om mijn ongelijk te erkennen. | |
[pagina 310]
| |
Zeg, Lief, zeg me eens, vind je 't niet beter, als ik eens iets niet begrijp, dat ik 't rond-uit aan je vraag, dan dat ik het, aldoor-er-over-denkend en het dus langzamerhand in mijn verbeelding al erger makend dan het was, in mijzelf besloten houd? (Ik bedoel hier natuurlijk geen dingen mee, die mij na een nauwkeurige lezing of peinzen erover vanzelf helder zouden zijn geworden, zooals hier 't geval was, want dan is 't, zooals nú, een noodeloos jou en mijzelf verdrietig maken.) Liefste, Beste, toe, zeg me, is 't nu weer heelemaal goed? En zal je er dan niet verder om denken, Lief, dat ik je verdriet heb aangedaan? Ik zal heusch, heusch mijn best doen in 't vervolg niet meer zoo onaardig tegen je te zijn. Met een innigen zoen van berouw, belofte-tot-beterschap en vergeving-vragen
jouw eigen, eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 311]
| |
Weet je, wat ik ook zoo heerlijk van je vind: dat je een positieven kant aan je hebt, zooals uit je succes met Veenstra nu weer blijkt. Je hebt niets van de vaagheid, waar zooveel andere vrouwen je wel een oogenblik mee kunnen charmeeren, maar op den duur je toch vervelen gaan. Ik moet nu gaan eten, en wacht dan op de post van 8 uur, of er misschien een brief van je is. Maar ik denk, dat die over Veenstra pas morgenochtend kan arriveeren. In allen gevalle schrijf ik dan toch deze verder en breng hem vanavond nog op de post, zoodat je hem morgenochtend krijgt.
Ziezoo, liefste Schat, het eten is afgeloopen, en nu schrijf ik nog maar even door. Ik ben zóó verschrikkelijk blij, want nu is de vaste grondslag gelegd, waarop kan worden voort-gebouwd, om mijn gaan naar den Haag tot een werklijkheid te maken. Mijn definitief vertrek uit Bussum, mijn komen bij jou, hangt nu niet meer in de lucht als een wensch, neen, 't zal een feit worden, dat alleen nog maar een kwestie is van tijd en van werk. God, liefste Jeanne, wat ben je toch een kranig meisje, dat je dat zoo netjes hebt klaargespeeld! Nu komt eigenlijk de tijd pas aan, dat wij, niet alleen in onze eigen gedachten en officiëel voor de wereld, maar in werklijkheid zullen zijn: geëngageerd. Want ons engagement is nu ook wel volkomen een feit, maar toch tegelijkertijd een soort van abstract ding, en nu pas kan het en gaat het een werklijkheid worden, die, dat beloof ik je plechtig, ons beiden gelukkig maakt. O, lieve Lief, lach nu maar eens stil voor je heen, terwijl je alleen op je kamertje zit, en denk dan maar eens: ‘Nu komt de mooie tijd pas aan; nu gaan al mijn zorgen en kwellingen als tevreden kinderen krijgertje spelen en touwtje springen, zichzelf vergetend in de vreugd van het spel. Want Willem kan mij nu in alles gaan helpen, en altijd zal hij lief en gezellig voor mij zijn. En ik krijg de vrije beschikking over al zijn boeken, want alles wat hij heeft, hoort natuurlijk net zoo goed van mij, als van hem. Och, en dan zal hij mij van tijd tot tijd wel een kus geven, maar wat heb ik mij dat aan te trekken? Hij is toch niet iedereen, en ik weet zeker, dat het hem gelukkig maakt, als hij mij tusschenbeiden kussen mag, dus daar zal ik wel aan gewend raken, en niets naars meer in zien op den duur. Jongens houden nu eenmaal | |
[pagina 312]
| |
veel van zoenen, en wat steekt er ook eigenlijk voor kwaads in, en ik weet ook zeker, dat hij nooit lust zal krijgen, om er een aan een ander meisje te geven. O, wat zal dat een heerlijk leventje zijn!’. Hoe vind je nu deze alleenspraak, Jeanne, die ik je zoo à l'improviste liet houden? Kom, lieve kind, schat, engel, snoes! alles komt terecht. Want nu is het zeker, dat Willem in den Haag komt wonen, en dan heb je een uitstekende afvoerbuis voor al je zorgen en verdrieten, en je mag dan als op een klavier op me spelen, om er alle mogelijke mooie tonen aan te ontlokken. O, Jeanne, hoe meer ik er met mijn gedachten in kom, dat mijn gaan wonen in den Haag nu een werklijkheid kan worden, hoe opgewondener en voller ik diep inwendig word van vreugd. Ziezoo, het eerste velletje postpapier is vol; ik zal nu niet doorschrijven want de post kan nu dadelijk komen, en als er dan soms een brief van je is, dan ga ik door; anders stuur ik deze maar weg; dan krijg ik je brief morgenochtend zeker. Maar iets moet ik je toch nog zeggen. In mijn vorige heb ik geschreven, dat je zuiver, open etc. bent in je ‘diepste diepte’. Nu ben ik een beetje beangst, dat je je daar weer een beetje beroerd over zult maken, en zeggen: Hè, vindt hij me dat dan aan de oppervlakte óók niet? Daarom schrijf ik je nu nog even na, dat ik me in der haast wat slordig heb uitgedrukt en dat ik bedoelde te zeggen ‘tot in je diepste diepte’. Ben je nu weer gerust, goddelijk Lief? Ziezoo, nu wacht ik even op de post; het is 8 uur 's avonds, en hij zal dus wel dadelijk komen. De post is geweest, terwijl ik beneden zat thee te drinken. Hij bracht je brief. Och, goede, zachte, gevoelige Lief, trek je nu toch niets meer daar van aan! Ik zelf ben het al lang vergeten en heb je vanmorgen juist geschreven, zooals het is, dat ik nog nooit iets onaangenaams over je heb gevoeld. Nu komt er plotseling een vriend van me, Hol, (A.v. Breull uit de N.G.) Ik sluit dus maar tot morgen.
Met liefde en dankbaarheid
Jouw eigen Willem | |
[pagina 313]
| |
[Ongedateerd]O, Willem, Liefste! Liefste! Wat ben ik hemelsch blij, dat ik je dat telegram heb kunnen sturen! O, ik juich letterlijk in mijzelf, dat alles zoo goed is gegaan! Vanavond schrijf ik je haarfijn alle details; nu dit maar even: dat Veenstra Walden heeft geaccepteerd op conditie van tweehonderd gulden honorarium; de betaling direct na ontvangst der copie van de vertaling. O, Willem, Schat, eenig Lief! Heb ik nu geen prijsje verdiend? O, o, wat heeft 't een ontzaglijke moeite gekost, eer hij toestemde, zonder zelfs den inhoud van het boek te kennen. Want dàt wou hij maar aldoor: het boek eerst lezen, of tenminste de vertaling, als die klaar was (het verzoek was eigenlijk heel billijk) maar ik dacht, dan kon hij het wel eens niet nemen, dus dat wou ik niet toestaan. En eindelijk, eindelijk, na eindelooze redenaties en argumentaties van mijn kant, heeft hij jà gezegd. Ik geloof niet, dat ik het je heb laten merken in mijn brief van vanmorgen, maar, o, Lief, ik was eigenlijk zoo vreeselijk zenuwachtig en zat in doodelijken angst, dat Veenstra eens weigeren zou. Ik heb daar maar niet over gesproken, want als ik niet zou zijn geslaagd, dan zou ik je dat toch pas hebben geschreven, als ik meteen met een ander plannetje voor den dag had kunnen komen. Maar als ik er aan dacht, dat ik wel eens onverrichter zake zou kunnen terugkomen, dan zette ik mijn tanden op elkaar, en zei in mijzelf: ‘Hij zàl’. En ik heb 't dan ook gedaan gekregen, dus tel ik de moeite niet meer. O, Lief, Lief, 't allergoddelijkste vind ik toch, dat ik je nu eindelijk toch eens positief van dienst zal kunnen zijn! Met duizend zoenen
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 314]
| |
links omslaat naar Parkzicht. Ik was daar niet meer geweest, sinds jij weg bent, en al wandelend langzaam met den gauw vermoeiden Hol, kwam de herinnering heel sterk bij mij boven aan allerlei heerlijke oogenblikken, die ik daar met jou heb doorgebracht. Vooral toen wij gingen langs de villa van Mevr. Bosmans, kwam de herinnering heel sterk bij mij op, hoe ik daar iederen avond den voortuin inliep en aanschelde, wachtend dan met opgewekte ziel in de blijde verwachting der zekerheid dat ik over een paar minuten jou zou zien. Die heerlijke tijd is nu wel voorbij, maar nu komt er nog een veel blijdere, Lief! O, dat goddelijk gevoel als ik in den Haag woon, dat ik je ieder oogenblik zal kunnen zien als ik wil, op ieder uur van elken dag. Maar schrik nu daarom niet, Liefste! Je moet nu niet gaan denken, dat ik telkens zal gaan hangen met mijn heele gewicht aan de schel van nr. 14 Reinkenstraat! 't Zal misschien wel eens kunnen gebeuren, dat ik mijn verlangen naïef-weg volgend, onverwacht kom. Maar in 't algemeen is het toch beter en rustiger voor jou, dat we altijd afspreken, wanneer ik je mag zien. Als je maar altijd bedenkt, dat, hoe meer ik je mag zien, hoe liever het mij is. O, samen aan het strand en in de duinen te wandelen, niet zoo bij de hôtels, maar wat verder-op, dat zal een hemelsche heerlijkheid zijn! Je hebt, geloof ik, een soort van vrees voor de zee; ik merkte dat, weet je wel, toen wij in April ook samen langs het strand liepen. Maar toen voelde je je ook nog een beetje vreemd met mij, en je plotseling engagement was je nog zoo'n ongewone positie. Maar in den Haag zal ik je wel hoe langer hoe bekender en vertrouwder gaan voorkomen, en dat zal je langzamerhand kracht geven, om, arm in arm met mij, den mysterieusen indruk van de zee op je onbewustheid te gaan voelen als een breedzacht-deinende stemming, waar je je gelukkig en gelaten aan overgeeft, en waar je, zoo lang je er bent, aangenaam-breed en -ruim op leeft. O, ik houd van de zee met een diepe, geheimzinnige adoratie, zooals de geloovigen, denk ik, moeten voelen voor hun god. In '88 heb ik een zomer doorgebracht aan het strand te Katwijk, en ik nam daar toen een zeebad iederen dag. Dat werkt zoo verschrikkelijk krachtgevend op je zenuwen en maakt je ten slotte een heel ander mensch. Daarna ben ik in Londen gaan wonen, vijf maanden lang, en toen was de indruk, dien de zee een half jaar vroeger op mij gemaakt had, nog zóó sterk, dat dat sonnet kwam, dat je wel zult kennen: De zee, de zee klotst voort, enz. | |
[pagina 315]
| |
Had ik je dat wel eens verteld van mijn wonen in Londen? In Brussel heb ik ook gewoond; drie maanden in '82 en negen maanden in '84 en '85. Als ik aan dien tijd terugdenk, dan ligt er voor mij iets magisch' in, duidelijker kan ik het niet zeggen. Ik heb er achtereenvolgens op verschillende kamers gewoond in de Rue Veydt, Rue Fayder, Rue Tasson Snel, en het laatst en langst in de Rue Souveraine No. 5, allemaal straten in het zoogenaamde Quartier Louise. We moeten, later natuurlijk, toch eens samen naar Brussel gaan. Ik zou zoo graag, samen met jou, eens al die plaatsen terugzien, al die straten en pleinen en het Bois de la Cambre, waar ik heb loopen droomen en zorgenvol de toekomst inkijken, heelemaal niet wetend, wat zij brengen zou. Ik heb zeker nooit gedacht, dat het zoo heerlijk worden zou, als het er nu uitziet. O, ja, dat vergat ik je te schrijven; die Hol is een zoon van Richard Hol, den musicus. Hij blijft drie weken bij Mevr. v. Gogh, en kwam mij nu feliciteeren. Ik maakte hem excuses, dat ik vergeten had hem kaartjes te sturen. Nu, Lief, het is twaalf uur en ik ga zoo langzamerhand naar bed. Eerst nog even je brieven weer overlezen. Ik val voor je neer; zet je voet maar op mijn hoofd en zeg met een triomfanten glimlach: Ik heb hem en hij komt in der eeuwigheid niet meer vrij.
Omdat je dat doen wilt, noem ik mij met innige blijdschap,
jouw-eigen-Willem-voor-altijd-maar-zoo-mogelijk-steeds-meer-liefhebbend-dan-nu. | |
[Ongedateerd]Lieve, lieve Allerbeste en Eenig-goede! Nu ik een beetje kalmer ben dan straks, ga ik je eens bedaard-aan alles vertellen. Want je hebt een paar maal gezegd: ‘Als dat vertaalplannetje nu maar lukt’, zoodat ik wel denk, dat je nu ook blij bent, Lief. Ik heb Veenstra natuurlijk wel een beetje in mijn macht door mijn ander werk, en nogal invloed op hem, omdat hij erg bang is, me te verliezen, maar toch heb ik twee en een half uur onvermoeid moeten zitten redeneeren, eer hij me mijn zin gaf. Ik merkte vandaag, dat hij veel slimmer is, dan hij er uitziet, maar, zonder mezelf te glorifiëeren, dat ben ik óók, dus stond ik hem te woord. | |
[pagina 316]
| |
Het begon zoo: Ik liet hem het boekje zien, zei, dat ik het zou gaan vertalen, en vroeg, of hij het wou hebben. Ja, hij wou alles wel hebben, wat van mid kwam, maar hier wou hij toch wel eerst iets meer van weten. Ik vertelde hem er het een en ander van, en zei, dat ik er ƒ 200, - voor moest hebben. Maar dat was veel te veel voor vertaalwerk natuurlijk. Ik zei eenvoudig, dat ik het niet voor minder deed, dat het niets te veel was voor een zoo compres gedrukt boek, en dat hij wel bedenken moest, dat ik niet alleen met vertaalwerk naar een anderen uitgever wou gaan, en dien dus ook mijn nieuwen dichtbundel zou beloven. Hij wou 't boekje toch wel eens eerst graag lezen. Ik beweerde, dat dit niet noodig was, omdat ik hem al zoo'n beetje den inhoud had verteld. Nu, dan in elk geval de vertaling. Maar daar kon heelemaal niets van inkomen: als de vertaling kant en klaar was, kon hij wel eens voor de eer van uitgeven bedanken, en dan was alle moeite vergeefsch. Ik zei, dat dit onmogelijk kon, omdat ik pas met vertalen zou beginnen, als ik zekerheid had, dat deze zou worden uitgegeven. Maar of ik al praatte en praatte en praatte, hij wou er maar niet aan. Hij vond het een veel te groote risico. Want het was eigenlijk, wat men noemt ‘een kat in den zak koopen’, en hoewel hij er wel een beetje vertrouwen in had, omdat ik de kat in den zak had gedaan, hij kon toch onmogelijk een uitgave op zich nemen, waarvan hij zóó weinig op de hoogte was. Maar ik had me voorgenomen, dat hij toestemmen moest; ik verdubbelde mijn welsprekendheid, beloofde hem, dat ik voor mijn tweeden bundel niet meer zou vragen dan voor Impressies, n.l. 10 gld. per vel (dat was ik tòch niet van plan geweest, maar dat wist hij natuurlijk niet) en eindelijk, eindelijk kreeg ik van hem het compliment, dat ik een uitstekend advocaat was en tegelijk... mijn zin. Toen maakte ik ten slotte nog de conditie, dat het betalen van het honorarium onmiddellijk bij overhandiging van de vertaling moest plaats hebben (zijn manier is anders altijd: binnen acht dagen na het afdrukken van het laatste vel, maar dat kan wel December zijn) en in orde was de zaak. Toen ben ik dadelijk naar het postkantoor gegaan, om te telegrafeeren, want voor een spoedbrief was het te laat, dien kreeg je vandaag toch niet meet, en ik wou, dat je het heugelijk nieuws zoo gauw mogelijk wist. Lief, lieve Lief, ik geloof wel, dat ik te opgewonden ben en veel | |
[pagina 317]
| |
te veel ophef maak van zoo iets gewoons, maar ik ben ook zoo innig-blij, dat 't zoo goed is gegaan, zonder brute doordrijverij, maar alleen door bedaarde redeneering. Ik hoop nu alleen maar, dat jij 't ook prettig vindt. 't Vertaalrecht moet aangeteekend worden bij Vincent van Gogh in Amsterdam. (Jij weet dat zeker wel.) ‘Misschien kan meneer Kloos het wel voor u doen’, zei V. Maar omdat je daar dan, geloof ik, een boek laten moet, kan je het exemplaar, dat ik je zond, daarvoor gebruiken. Ik ben vreeselijk blij met je brief, dien ik vanmiddag kreeg. Ik zal er je morgen méér over schrijven, nu moet deze noodzakelijk weg, anders krijg je hem niet meer morgen bij het ontbijt. Dag, Lief-van-mijn-leven!
Een innig-hartelijken zoen van
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, lieve, lieve, beste, wat ben ik toch verschrikkelijk verlangend te weten, hoe je vindt, dat ik het er heb afgebracht. Je schreef, dat je er een beetje over in spanning was, ik ben dus maar blij, dat ik je dat telegram heb gestuurd. Maar ik had er in moeten zeggen: brief volgt morgenochtend, want nu rekende je er misschien op, dat de avond-post je een brief brengen zou. Dat kwam natuurlijk door de vreeselijke haast. En, Lief, ik kon er heusch onmogelijk méér voor vragen, omdat hij het zoo op risico nemen moest. En toen ik zei: ‘Rekent u 't dan eens uit’, was 't heelemaal mis. Hij liet me zien, dat zelfs ƒ 200, - veel te veel was, maar ik hield voet bij stuk. O, Lief, ik hoop zoo innig, dat je er blij mee bent. Eén ding verzeker ik je, dat ik je nóóit de boodschap zou hebben gebracht, dat Veenstra niet wou. Wat voor moeite ik ook had moeten doen, ik hàd 't er doorgekregen. O, Lief, lieve Lief, je maakt me toch zóó gelukkig met je brieven. 't Is zoo onuitsprekelijk goed van je, dat je om al die dingen niet boos op me wordt, maar me bedaard en geduldig op mijn ongelijk wijst. Je wéét niet, hoe me dat helpt, en kracht geeft, om te probeeren die nare hebbelijkheid langzamerhand te overwinnen. Want als je er met hardheid tegen in ging, dan zou ik misschien niets meer zeggen, maar in mijzelf zeker lang blijven nadenken en niet overtuigd zijn. | |
[pagina 318]
| |
O, Willem, ik vind 't goddelijk, als je je tegen me uitspreekt, zooals je soms doet. Wat je b.v. zegt over die vermenging van sferen, waardoor een volkomen geestelijke harmonie kan ontstaan, dat vind ik zoo eenig-heerlijk, zoo verrukkend-zalig om van je te hooren, dat ik 't je niet zeggen kan, - omdat mijn eigen intiemste, diepste gedachten van dezelfde dingen waren vervuld. En daarom, Lief, is 't me zoo'n uniek genot, als je daarover met me praten wil en mij er je eigen meening over zegt. Willem, ik geloof, dat ik elken dag meer van je houden ga. Of neen, dat kan natuurlijk niet, want ik heb je zóó lief, als ik nooit had gedacht, dat mijn ziel daarvoor de macht hebben zou; maar ik geloof, dat mijn liefde mij elken dag bewuster wordt, dat mijn liefde elken dag echter, werkelijker, minder verbeeldingsliefde wordt. Lief, kan je begrijpen, hoe ik dit bedoel? O, 't maakt mij zelf zoo wonderlijk blij en gelukkig, dat ik dit zoo merkbaar voel. - O, Liefste, je hebt veel te veel goede en mooie dingen van me gezegd. Als je mijzelf eens den index van mijn qualiteiten op liet maken, dan zou er wel héél iets anders te voorschijn komen! Maar omdat jij zèlf zoo vreeselijk, onbeschrijflijk goed bent, wil je geen leelijke dingen in mij erkennen.
Dag, Allerliefste, eenig-lieve en goede!
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, Lief, wat is het verschrikkelijk lief van je, dat je me zoo dadelijk geantwoord hebt, na ontvangst van het telegram. Ik weet, dus nu, dat je tevreden bent. O, Willem, ik vind 't toch zoo eindeloos-heerlijk, dat je zoo opgeruimd, en het-werkelijk-wenschend over je in den Haag wonen schrijft. Want, zie je, 't is voor mij natuurlijk véél prettiger dan voor jou, omdat den Haag mij van oudsher zoo lief is, terwijl de eenige aantrekkelijkheid, die de stad voor jou heeft, deze is, dat ik er woon. Dat zeg ik natuurlijk niet uit ijdelheid, en ik vind 't wel wat erg, dat ik zoomaar, zonder me te bedenken, jouw woorden herhaal, maar ik zeg 't uitsluitend, om aan te toonen, dat je er uit jezelf nóóit toe zou gekomen zijn, hier je domicilie te kiezen. Maar, ach, Lief, heusch, je zal den Haag wel een goede stad gaan vinden, | |
[pagina 319]
| |
als je er een beetje ben gewend, en je er je dus beter thuis gevoelt. O, 't zal wèrkelijk zoo heerlijk zijn, als je hier woont, omdat we dan nooit meer onze woorden behoeven te kiezen en te overwegen, en onze omvangrijke gedachten moeten dwingen in een beperkten vorm. Dát is 't, wat ik zoo vreeselijk op brieven-schrijven tegen heb, en ook, dat het zoo heel gemakkelijk aanleiding geeft tot misverstand. Wat heerlijk moet 't zijn, om in zulke groote steden te hebben gewoond. Je leert ze dan pas eigenlijk goed kennen. Er logeerende zie je meestal alleen het oppervlak. 't Is méér dan verrukkelijk, dat je de grootere vellen papier even gemakkelijk vol-krijgt als de andere. Want hoe langer ze zijn, je brieven, hoe méér genot ik er van heb, ik zou eigenlijk wel den heelen dag lezende willen blijven, wat je schrijft! Lieve Lief, ik vind 't goddelijk-lief van je, dat je mijn verzen critisch leest. Stuur je me de losse velletjes óók terug? (als er iets bij mocht zijn, wat misschien wel 't geval is, want iets kan nog wel eens eerder in een bundel dan in een tijdschrift, is 't niet?) Je krijgt heusch alles weer terug. Want je hebt gezegd, dat je daarop gesteld bent, en dan doe ik 't natuurlijk, Lief. O, Willem, leer jij mij de zee liefhebben, en er niet meer bang voor zijn, want ik geloof, dat houden-van-de-zee een onbeschrijflijk genot is! Ik verlang erg naar de N.G. Die komt morgen misschien. Dag, goede, lieve Lief, met een hartelijken zoen
jouw eigen Jeanne | |
BussumAllerliefste,
Je zult wel moeten lachen om dit reuzenpostpapier, maar 't is 't laatst van de maand en al mijn papier is op. Morgen wacht ik echter weer wat geld, en dan schrijf ik je weer op aardige velletjes zooals gewoonlijk. Wat heeft je dat eigenlijk een moeite gekost bij Veenstra, arm Lief! Ik blijf je er innig dankbaar voor, en met mijn armen teeder om je heen, kus ik je lief op je heldere voorhoofd, dat zich, als het noodig is, zoo flink weet te weren. | |
[pagina 320]
| |
Weet je, Jeanne, wat ik eigenlijk werkelijk geloof? Dat je een soort van magicienne bent. Ik heb 't je al eens meer geschreven, herinner ik me, en 't is meer dan een gewoon compliment wat ik zeg. Je hebt een groot suggestief vermogen op de menschen, en dat doet mij verschrikkelijk pleizier. Je zult er ook wel eens toe komen, om 't, zonder dat ik 't weet, op mij toe te passen. En daarom zeg ik: Lief, ga gerust je gang, je kunt mij overal toe krijgen waar jij pleizier in hebt, want ik ken je genoeg om zeker te weten, dat je nooit iets onredelijks of onmenschelijks van mij zult vergen. Denk ik hier niet, zooals jij 't graag hebt, en zooals ik 't voor mijzelf óók kan verantwoorden? Weet je, waar ik ook zoo blij om ben? Dat je tegen mij zegt ‘Lief-van-mijn-leven’. Want dat bewijst voor mij, dat jij óók, in je diepste gedachten, vindt dat wij bij elkaar hooren en weet, dat wij altijd bij elkaar zullen blijven. Als dat nu zoo is, - en voor mij, daarvan geef ik je de verzekering, is het zoo, dan worden alle dingen en menschen en voorvallen om jou en mij heen, niets dan een soort fantasmagorieën, die wel een poosje werklijk zijn, maar dan toch weer voor anderen plaats maken, - en in wier midden wij staan, - jij, met je echte gevoel voor mij, ik met mijn alles-omvattende liefde voor jou, die je heele Zijn gelukkig wil maken, die je steunen wil in alles en blij maken en groot, zoodat je na tien jaren bijv. zult zeggen: ‘Nu, ik kan tevreden over mezelf zijn en niet minder over Willem; ik heb volkomen juist en goed voor mezelf en hem gedaan, door hem te nemen, en als ik hem nooit had ontmoet, dan was mijn leven diep-inwendig een beetje leeg geweest’. Zie, Jeanne, want je kunt ook zooveel voor mij zijn, en je bent nú al zoo onuitsprekelijk veel. Want jij verandert mijn heelen blik op de wereld en op de menschen, omdat ik door jou merk, dat de menschen kunnen mooi zijn en goed en edel, als je ze maar beter en dieper kent. Vóór ik jou ontmoet had, was ik eigenlijk een soort van kalm-goedige pessimist, die alles een beetje zacht-ironisch bekeek eigenlijk. Maar jij hebt me door je heele Zijn getoond, dat mijn opvatting, waartoe ik trouwens door het leven was moeten komen, veel te eenzijdig was, en voor verbetering en verfijning vatbaar. Als je wat ik hier schrijf, nu eens vergelijken wilt met mijn verzen op jou, dan zal je veel plaatsen in die verzen misschien | |
[pagina t.o. 320]
| |
![]() BRIEF JEANNE REYNEKE VAN STUWE
| |
[pagina 321]
| |
dieper begrijpen, en dan zal je merken, dat die verzen maar niet een verzameling mooie fantasieën en stemmingen zijn, maar dat zij voortkomen uit mijn onbewustheid, waar de gedachten, die ik hier voor je heb neergeschreven, rustig en onaantastbaar in staan.
Volkomen en in alles
jouw eigen Willem-voor-altijd
Ik stuur je hierbij de proef van de verzen waar je om vroeg. | |
[Ongedateerd]Liefste, beste, Zooeven kreeg ik je brief op het ‘reuzen-postpapier’, waar ik, juist dáárom, verschrikkelijk blij mee ben. Want Lief, als je maar eens één keer kon zien met welk een verrukking ik je brieven ontvang, dat zou een heerlijke voldoening voor je zijn! Lief, nu de zaak zóóver in orde is, kan je ook verder op me vertrouwen. Zoodra het vertaalrecht is aangeteekend, ga ik aan den slag, en gráág, want werken is noodig voor me als brood. Ik geloof warempel, dat 't waar is, wat je zegt over die suggestieve macht in mij. Er zijn in mijn leven een heeleboel dingen en voorvalletjes, die daarop wijzen. Vroeger verwonderde ik er me wel eens over, dat het mij betrekkelijk zoo weinig moeite kostte, de menschen naar mijn hand te zetten, zonder dat ik met heftigheid aandrong, maar eenvoudig door kalm en overtuigend geredeneer. Maar nu weet ik, dat het komt door mijn ontzettend-sterken wil, want bijna alle menschen hebben de onwillekeurige neiging, een wil te volgen, die zich heel krachtig gelden laat. Is 't zoo niet? En daarom, omdat ik bij mijn wil ook doorzettingsvermogen heb, gelukt me bijna alles, wat ik me voorneem, dat gebeuren zàl. (Dit is nu heusch geen naïeve zelf-vleierij, hoor, Liefste, maar enkel 't constateeren van een feit.) En wat je zegt, dat ik dit magisch vermogen misschien ook wel eens op òu toepassen zal, - och, Lief, 't kan zijn, dat ik het, toen ik je nog niet kende, onbewust wel eens heb gedaan, wie weet? je hebt me tenminste vóór 5 April ook wel eens een ‘magicienne’ genoemd. Maar o, Lief, al zou ik het nú ook willen, met alle kracht die in mij is, ik zou het niet kunnen, omdat ik volkomen onder jouw invloed sta. Ik merk dat zoo, omdat ik jou om raad en hulp kom vragen, in allerlei dingen, waarin ik vroeger meende mijzelf | |
[pagina 322]
| |
genoeg te zijn, - omdat ik me, met een gevoel van goddelijke gerustheid aan jouw veilige leiding toevertrouw. Ik verlies tegenover jou heelemaal mijn trots, mijn stugge geslotenheid, mijn stroeve ongenaakbaarheid; jij bent de uitsluitend-eenige, voor wien ik mij niet schaam, me steun-behoevend en afhankelijk-zwak te toonen. Jij bent 't, die al mijn denken en mijn doen beheerscht, en, o, Lief, dat ik dat wéét en het niet weg-denk, maar het erkennen wil, dat is het groote en zekere bewijs, dat ik je liefheb, met een absolute overgave van mijn wil-en-kracht, waar ik zoo fier op ben, - alleen omdat ik weet, dat mijn natuur, als zij volgens jouw verlangen gevormd zal zijn voor jou aantrekkelijker zal worden, en jouwer liefde waardiger dan nu bij mogelijkheid het geval kan wezen. En daarom zal ik ook nooit voor jou hard zijn of trotsch, of ondanks alles mijn wil dóórdrijvend, - ik wil voor jou zijn zacht en goed en lief, àl naar je wensch, en ferm en sterk óók, als het noodig is. En omdat ik dit alles zoo voel, en o, zoozeer hoop, dat 't waarheid mag worden, daardoor weet ik zoo innig en vast en voor altijd, dat ik je liefheb als een standvastig zichzelf-bewuste vrouw, die haar onafhankelijkheid, haar trots, haar vrije denken, en haar wil aan den man-van-haar-leven in vreugdige verrukking ten offer wil geven. En nu, door het groote verschil in diepte van mijn gevoel, nu weet ik ook, dat mijn liefde echt en groot en zuiver is, niet langer wat zij eenmaal was: een schijn, een waan, een zelfbegoocheling. Lief, dat ik dit zoo eerlijk zeg, geeft dat je geen vertrouwen in de waarachtige oprechtheid van mijn liefde voor jou? Mijn liefde van nú is de ware, de eenig-echte, de uitsluitend-mogelijkbestaanbare tusschen een vrouw en den man, die haar heeft uitverkoren om mèt hem door het leven te gaan. O, Lief, zeg me, ik smeek 't je: geloof je nu even onwrikbaar-vast in mijn liefde, als ik zèlf daarin geloof? O, Lief, als je mij zegt, daar onvoorwaardelijk in te gelooven, dan zal jouw liefde misschien ook eenmaal een feitelijkheid zijn voor mijn gevoel. Het is al laat, ik sluit dezen nu maar. O, Willem, lieve, antwoord je me eens op alles wat ik hier schrijf? Adieu, Lief, eenig Lief-van-mijn-leven!
Innig-teer kust je
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 323]
| |
[Ongedateerd]Lieve, lieve, Lief, Ik dank je innig, dat je mij de proef hebt gestuurd. Ik ben er heel blij mee, want ik vind het, zooals je weet, heerlijk om haar te hebben. Lief van je, dat je er aan hebt gedacht. Tot mijn spijt vergat ik in mijn brief van gisteravond er iets van te zeggen. Wat zijn er veel verzen dezen keer! Heb je 33 en 41 toch ook maar geplaatst? Ik denk dat de N.G. vandaag wel komen zal evenals Woord en Beeld. Als hierin mijn novelle staat, zal ik er je een exemplaar van sturen in de veronderstelling, dat je het hebben wilt. Ik zal je eens iets vertellen, Lief. Ik heb al lang het voornemen gehad, om een boek te schrijven, rhythmisch maar rijmloos, dat ‘Het Boek van mijn Leven’ heeten zou. Ik kan het nu nog niet uitgeven; het zal mijn nalatenschap zijn. Maar in mijn bundel wou ik er een paar fragmenten uit publiceeren; ik zal ze je sturen, tegelijk met nog andere verzen, die ik heel graag zou willen, dat je las. Ik kan 't haast niet uithouden van verlangen te weten, wat je van de fragmenten zeggen zal. Ik zou het heerlijk vinden, als er bij de verzen, die je nog hebt en die ik je gauw sturen zal, véél plaatsbare waren, want ik wou zoo graag, dat deze bundel grooter dan Impressies werd, dan kan V. ook meer zorg aan de uitgave besteden. Als ik de verzen van jou krijg, ga ik ze dadelijk schrijven in het cahier voor de drukkerij, terwijl jij de nieuwe leest; V. maakt erge haast. In je brief van gisteravond, schrijf je me, dat ik, als ik jou niet had ontmoet, misschien bij mezelf zou moeten zeggen, dat mijn leven eigenlijk een beetje leeg was geweest. Ach, Lief, 't zou dan immers heelemaal tot niets nut en volkomen waardeloos zijn! Want waarvoor leef ik anders dan voor jou! Wat is er voor aantrekkelijks en belangrijks voor me op de wereld, wanneer jij me niet meer noodig hebt? Dan zou ik immers volslagen lijdzaam en onverschillig op mijn eindelijken dood zitten wachten! Wat zou ik zijn zonder jou! ‘Een slingrend schip op de' oceaan der dagen’!...
Jouw Jeanne | |
[pagina 324]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 325]
| |
die zonder ophouden, hoog omhoog springt, gevoed als zij wordt uit ons onbewust gevoel. Toe, liefste Jeanne, schrijf mij bij gelegenheid eens wat je hiervan vindt. Nu ga ik deze wegbrengen.
Geheel en al jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 326]
| |
jouw vertrouwen in mij zich hoe langer hoe meer, ja, volkomen rechtvaardigen zal, voor je diepste bewustzijn en je klaarste verstand. Alleen voor één ding moet ik je waarschuwen: ik ben wel eens een enklen keer wat men noemt een beetje ‘down’. Dat vage gevoel ken jij immers ook zoo goed. Maar als je 't van mij mocht merken, en je beurt mij dan even op met een paar vriendelijke woorden, dan zal je het meestal opeens, of tenminste langzamerhand zien weg-gaan. En ik beloof het je vast: je kunt er op rekenen, ik zal dat bij jou óók altijd doen, als het je plotseling mocht overvallen, en je nooit met je ellende alleen laten staan. Want, geloof me, lieve Jeanne: samen-gedragen last, dat blijft geen last meer, maar wordt een kalme en vredige vreugd. Je vindt nu toch niet, Lief, dat ik hier zoo'n beetje tegen je spreek als een ouwelijk heer? Maar ik durf zoo tegen je te spreken, omdat jij geestelijk veel rijper bent dan de meeste meisjes van jouw leeftijd zijn. De meeste menschen van jouw leeftijd zijn verschrikkelijk oppervlakkig, en als ze wat ouder zijn, worden ze banaal. Merk je nu wel, hoe ik voel dat je iets heel bijzonders bent? Op één ding pas ik op in mijn brieven, zooveel mogelijk tenminste: dat ik je niet te veel over je uiterlijk zeg, want ik houd mijn hart vast, dat ik dan vreeselijke dingen van jou zal te hooren krijgen, en dat je jezelf uitmaakt voor al wat leelijk is. Maar in den Haag, dat beloof ik je, zal ik je haarfijn gaan uitleggen, dat je mooi bent, als je eens naast mij op je kamertje zit. En dan jij daar tegen-in: dat zal een curieuse conversatie zijn. Maar ik zal het toch altijd van je winnen, dat zeg ik je vooruit, want ik heb gelijk in die kwestie, en niet jij. Nu, Lief, Allerliefste, 't is twaalf uur, en ik moet nu naar bed. Want morgen komt de barbier, en ik vind het zoo naar, als ik dan nog in mijn bed lig.
Geloof mij altijd te zijn
met oprechte bewondering, zonder eenige restrictie, voor je binnen- zoowel als voor je buitenkant
jouw eigen Willem | |
[pagina 327]
| |
BussumLiefste, Wat dat portret voor je broer betreft, ik vergat dat je steeds te schrijven, wil je hem er maar zoolang een van jou geven? je kunt er nog zooveel terug krijgen, als je wilt. Je hoeft nooit bang te zijn, dat ik niet in den Haag zal wennen. Ik ben heelemaal geen dorpsmensch, veeleer een stedeling; ik zou wèl heelemaal in de vrije natuur kunnen leven, dat zou ik zelfs wel heerlijk vinden, maar zoo'n dorp maakt op mij altijd eenigszins den indruk van een rustig kermisveld als de boel pas is opgezet en de kermis nog niet begonnen. Kan je er inkomen, in dat gevoel? Dus wees maar gerust, Schat! Al kende ik, ongelukkig! jou niet, zou ik me toch beter voelen in den Haag dan hier in Bussum, en bovendien laat ik hier niemand achter, waar ik met merkbare aandoening van scheiden zal. Verster is een uitstekende huisgenoot, hulpvaardig en gezellig, maar hij gaat eerlang naar Amsterdam. En verder is er heelemaal niets. Dit is eigenlijk maar een napraatje op mijn brief van gisteravond. Na koffiedrinken breng ik hem op de post, en ga dan aan 't werk voor de N.G. Maar vanavond schrijf ik natuurlijk wéér. Het regent hier voortdurend vandaag; bij jou zeker ook. Met mijn handen zacht om je hoofd, zie ik je diep in je oogen en kus je zacht op je lieve wangen. Ik zal nog even de post van één uur afwachten. - - Ik heb koffie gedronken en 't is nu één uur, maar de post is er heelemaal niet geweest; ik zal deze dus nu maar sluiten.
Geheel en al
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Lieve, beste Lief, Ik ben een beetje triest, - en ik weet niet waarom. Een onbestemde droefheid, die ik moet trachten meester te worden, - die mettertijd misschien vanzelf overgaat. Waarom vertel ik je dit? Mijn verstand zegt me, dat het goed is, omdat je nu voorkomende kleinigheden in mijn brieven niet aan andere oorzaken toeschrijven zal. Ach, Lief, in je onvergelijkelijke goedheid heb je wel eens gezegd, het prettig te vinden, dat ik je meisje was, maar, och, je hebt er toch maar zoo heel weinig vreugde van! Ik heb het | |
[pagina 328]
| |
je wel meer gezegd, dat ik niet in staat ben, geluk te geven, - en dat komt, omdat ik niets, niets geen geluk heb in mijzelf, - en alles wat ik ooit hebben zal van een ander krijgen moet. Ik weet het, ik vòel, zeg ik je, dat ik eenmaal worden kan, àl wat je wenscht, - maar, o, Lief, Lief, ik bid je, ik smeek je, laat me dan ook nóóit alleen, laat me niet over aan mijn lot! Ik heb een heftige, zelfzuchtige, eigenlijk onprettige natuur, maar ik geloof, Lief, neen, ik wéét, dat het geven en ontvangen van een groote liefde me beter, mooier, liever maken zal, - o, Lief, ik smeek je, ik bid je dringend: help me, help me, om gelukkiger te worden, en daardoor aangenamer voor jou! Als je nu hier was, Lief, en je zei, wat ik wel geloof, dat je zou willen zeggen, en je zag me ernstig en bedroefd aan, terwijl je 't zei: ‘Kind, waarom kwel je jezelf toch voortdurend met dien ellendigen twijfel?’ dan zou ik je bezweren, dat ik 't niet helpen kan, dat 't in mijn gestel ligt, of in mijn temperament, en dat ik er jou wel een beetje bedroefdheid door geef, maar toch mijzelf in de eerste plaats wanhopig en ongelukkig maak! O, Lief, Lief, kon ik, kon ik allen toekomst-angst maar wegdringen van me, zoodat alleen het bewustzijn van het heerlijke tegenwoordige overbleef! O, Lief, ik heb al zóóveel noodelooze tranen geschreid en zóóveel noodeloos verdriet gehad! O, beklaag me, beklaag me, Lief, - ach, ik smeek je, help me toch, om sterker, beter, verdraagzamer te worden! In je brieven zeg je wel eens, dat je je nog nooit zoo tegen iemand als nu tegen mij hebt geuit, - o, telkens als je zoo iets zegt, dan geeft me dat wel een plotseling gevoel van vreugdige verrukking, maar o, die indruk is weer zoo gauw voorbij, helaas! Want vreugde, blijdschap of een andere aangename aandoening blijft altijd maar een oogenblik me bij. Ook zeg je zoo dikwijls, dat ik gelooven moet, en niet meer twijfelen, - maar, o, Lief, hoe kan ik dat helpen, dat ik nergens vast in geloof? Is geloof niet een gave? En ik zelf lijd het meest dat mij die gave ontbreekt. Lief, weet je, hoe iedereen me noemen zou, die me zoo spreken hoorde, of me huilen zag? Ze zouden zeggen, dat ik ‘ondankbaar’ ben. Lief, ben ik dat? Bèn ik ondankbaar, Lief? Ach, ik geloof het toch niet! Het eenige is, dat ik zoo weinig in staat tot waardeeren ben! O, Lief, ik kus je portret, en denk dan, dat jij 't ben, - maar, o, die oogen zien me zoo onverschillig-koel en niets-zeggend aan, en | |
[pagina 329]
| |
je gezicht blijft zoo ernstig-strak en onbewogen, als ik in een sentimenteele bui: ‘Hou-je van me?’ vraag. Ach, 't is ook dwaas, - ik moest het niet doen, maar o, ik kan soms zoo smachtend naar je verlangen!... Lief, wat dat vertalen van Walden betreft, weet goed, dat dat niet iets is, waarvoor je me een beetje erkentelijk moet zijn, want ik doe het voor mijzelf, voor het groote, groote genoegen, dat ik jou altijd zal kunnen spreken en zien ten eerste, - en ten tweede, omdat ik snak naar werk, en als mijn dichtbundel ter perse is, niets anders heb te doen dan schetsen en damesrubrieken voor De Hofstad. Dus, Lief, lieve Lief, maak er heelemaal geen bezwaren over, hoor!
Dag, eenig, éénig Lief! Met innig-teedere zoenen
jouw eigen Jeanne | |
Bussum,
| |
[pagina 330]
| |
zal zijn, en dat je dat voelt als een zeker bewustzijn. Toe, lieve Lief, kan je niet probeeren, wat in mij te gelooven? O, Jeanne, jij bent jij, en geen enkel ander kan met jou ook maar in de verte vergeleken worden. Het is waar: ik hèb nog nooit zoo tegen iemand gesproken, laat, Lief! ook dit je een blijde gerustheid zijn. Jij hebt absoluut niets banaals of kleingeestigs, dingen, waar ik vreeselijk gevoelig voor ben, of liever: gevoelig tegen. Zie je, jij bent een vrouw, en je hebt daar alle zachtheid en aangenaamheid van. Maar tegelijk ben je krachtiger en resoluter dan de meeste vrouwen, en dat trekt mij juist zoo in je aan. Want ik weet daaruit, dat ik niet een aardigheid naast mij krijg, die, als ik eens geen lust heb in aardigheid, mij eigenlijk een beetje vervelen zal; peen, ik voel, dat ik naast mij krijg een waarachtig-compleet en gelijkwaardig mensch, voor wie ik niets hoef apart te houden, en die mij in alles raden en helpen kan, zooals ik weet, dat ik háár zal raden en helpen en steunen en opbeuren, met al de kracht en al de goedheid, die ik, zonder eenige zelfverheffing, mij eenvoudig bewust ben, dat in mij zijn. Ik weet, dat jij mij gelukkig kan maken, zooals ik waarachtig weet, dat ik het jou zal doen. Geloof me, Lief ik weet, wat ik zeg! Zie, Lief, al die verzekeringen van gelukkig maken, die zeg ik niet in een lyrische opwelling van verliefdheid of passie, dat merk je zeker ook wel; die zeg ik, en daar krijgen ze des te meer waarde door, omdat ik weet, dat het precies waar is, wat ik zeg. Wees niet bang voor de toekomst, Lief! maar hoop er op met vast vertrouwen, want ik verzeker je: de toekomst zal heerlijk zijn voor jou zoowel als voor mij. Dan zal je al die dingen, die je nu hinderen en kwellen, voor goed heelemaal kwijt zijn: je krijgt rust en tevredenheid niet alleen, maar je krijgt, wat nog beter is, ook geluk. Gelóóf nu eens, Lief! en laat allen twijfel varen, want het is de exacte waarheid, die ik hier zeg!
Innig kust je, met volmaakte liefde,
jouw eigen Willem Zoodra ik mijn geld van Juli heb ga ik naar Amsterdam om het vertaalrecht aan te teekenen. | |
[pagina 331]
| |
[Ongedateerd]O, Liefste, Liefste! Ik moet het je zeggen, dat ik je liefheb, - liefheb boven alles, - zonder maat, zonder einde, - met elke sprank van mijn ziel, met elken drup van mijn bloed, - dat ik je liefheb grenzenloos, met alles wat in mij is, - met mijn verstand en mijn gevoel, met mijn wil en mijn kracht, - met alles, met alles! Lief, ik kan niet meer leven zonder jou: mijn ziel zou sterven, als ik jou niet langer liefhebben mocht. Ik heb je lief met al den gloed van mijn ziel, met al de heldere klaarheid van mijn verstand, met den trotschen hoogmoed van mijn wil, met de prachtige sterkte van mijn kracht. Mijn lot behoort jou, beschik er over naar welgevallen. Mijn fiere onafhankelijkheid leg ik nu voor jouw voeten neer, en ik smeek je mijn liefde te aanvaarden. Ik heb je opperst lief, met een liefde, die mijn leven is, en waardoor mijn armzalig bestaan wordt gezegend en vermooid. O, Willem, zeg me, dat ik altijd van je houden mag, en ik zweer je, dat jij óók eenmaal gelukkig zult worden door mij! 't Is onvrouwelijk, dat ik zoo mijn intiemste ziel uitspreken durf, - maar ik wil, dat je 't weet, zuiver-vast en voor eeuwig, dat ik je waarachtig liefheb, met alle factoren waaruit ik ben samengesteld, - dat ik je liefheb, ondanks al 't leed, dat ik je willeloos heb aangedaan, en dat ik door alle komende jaren heen, je even nameloos en mateloos liefhebben zal! Ik heb dit alles gezegd, omdat ik er onweerstaanbaar toe gedrongen werd, je van de waarheid te overtuigen, dat, als ik tob en treur en je plaag, en klaag, dit niets met mijn liefde, maar alleen met mijn zielig temperament te maken heeft! Alles, wat me soms zoo helsch kan folteren is een uitvloeisel van mijn aangeboren melancholie. Wees nooit droevig om mij, Lief, - als je ooit later treurig om me kijkt, dan zal ik je oogen kussen, tot ze weder stralen van vreugd! Nu zoen ik je handen ten afscheid, je lieve, lieve handen, o, Lief, mijn lieve Lief, mijn Lief!
jouw Jeanne | |
[pagina 332]
| |
me hebben zou. Ach, feitelijk kan je er niets aan doen en ik weet wel, dat 't dus noodeloos is tegen je uit te klagen... maar als ik iets voor je verzwijgen moet, iets, waarvan ik heelemaal ben vervuld, dan zouden mijn brieven onaangenaam-koel en hinderlijkhard worden, en je zou het toch merken, dat er iets was, en het onprettig vinden, dat je de oorzaak niet wist. Ach, Lief, maar als ik je zoo eens iets geschreven heb, wat ik niet inhouden kon, dan is 't wachten op een antwoord van jou zoo martelend en afmattend; o, dat enerveert me zoo, en drukt als een obsessie op me, en belet me iets te doen. Ach, ik weet 't niet, ik weet 't bijna nooit, of ik goed doe of kwaad! Maar als jij soms eens verdriet hebt door mij, bedenk dan maar, dat mijn droefheid veel grooter en dieper is, dan 't voor jou bij mogelijkheid kan wezen. Willem, ik houd van je, ik weet het nu vast en voor altijd; het is me nu volkomen bewust, dat ik je liefheb, zooals men den man-van-zijn-leven liefhebben moet, opdat beider bestaan er door vergelukkigd wordt, - zooals men maar ééns in zijn leven liefhebben kan, met een liefde, die als zij sterft, ziel en lichaam doet medesterven. En nu je het gelooft, dat ik je liefheb, nu weet je ook, dat ik je nooit expres leed heb gedaan, en dat mijn eigen verdriet veel zwaarder en erger was, dan jij ooit vermoeden kon. Dus, Willem, noem het geen gebrek-aan-vertrouwen of kleingeestigheid, als ik klaag, in overdreven sentimentaliteit, want ach, dat alles is het heusch heelemaal niet, - je moet er maar een beetje geduld mee hebben! Ik zal wel leeren tevreden met het heden te zijn. Zeg maar eens tegen me, dat ik dat moet zijn, dat zou me meer en beter helpen, dan de onophoudelijke keeren, dat ik 't mezelf aan 't verstand te brengen tracht. Lief, 't is wel heel erg onaangenaam voor je, dat ik opeens en schijnbaar zonder reden, soms zoo hevig-geëmotionneerd kan zijn. Maar ik geloof, dat jij ook wel eens onderhevig bent aan die plotselinge wisseling van stemmingen, is 't niet, Lief? dus zal je 't misschien ook wel een beetje van mij begrijpen. Lief! ik wou, dat ik anders was. Gelijkmatiger van karakter, niet zoo eensklaps door iets getroffen en daar direct op reageerend zooals nu. Dat zou voor jou zooveel rustiger en prettiger, en voor mijzelf zooveel gelukkiger zijn. O, Lief-van-mijn-Leven! als je mij nu even aanzien wilt, dan | |
[pagina 333]
| |
komt er in mijn droevige oogen weer een helder licht, en dan fluister ik je toe, dat ik je liefheb, liefheb... Mag ik even je haren streelen, zooals ik wel eens deed?
Een innigen zoen van Jeanne | |
2 Juli '99Ja, Allerliefste, ik had vandaag willen werken, maar ik zit te vol van mijn gedachten over jou. Die moeten er eerst uit, en dat hindert ook zoo erg niet, want dan werk ik later wel wat harder en langer. Weet je wat 't is, Liefste? Je wordt gehinderd door je eigen gedachten, die geheel en uitsluitend uit jezelf alleen voortkomen, en waar je op doorgaat, tot je eindelijk op een punt komt, waar je er droevig om moet worden. En het eenige, maar afdoende, wat daartegen te doen is, is, je gedachten af te leiden, bijv. door gestadige lectuur, zoo mogelijk een beetje vriendelijk stemmende, aangename lectuur. Dat onttrekt je aan je eigen binnenwereld en brengt je in een andere sfeer, waar je je met andere, zij 't dan fictieve personen bezig houdt. Want nu, - ontken het maar niet, en maak er je ook niet beroerd over, Lief! - nu, zeg ik, houd je je alleen met jezelf bezig: je denkt je met mij bezig te houden, maar je houdt je hoogstens met een waanbeeld bezig, dat je eigen gedachten je uit mij hebben laten maken. Zie, ik hoop, dat je er om lachen zult, Jeanne, maar daar zit heusch iets waars in. Want toen ik je brief had gelezen was ik eerst heel droevig, maar stil op mijn stoel zittende, kwam er langzaam-aan een vriendelijke glimlach om mijn lippen, want schoot het beeld mij te binnen, dat ik dikwijls als een wijze schoolmeester tegenover je sta, die een kind de levensles leert. Werkelijk, ik zàl je de les leeren, wees maar gerust, en heb maar geduld. Want hoor nu eens, liefste Jeanne! Je hebt mij nú, en je zult mij altijd houden, ja, mij hoe langer hoe meer krijgen, zonder restrictie, absoluut en geheel. En dat niet omdat jij zegt mij lief te hebben, ofschoon ik dat natuurlijk hemelsch vind, neen, geheel uit mijzelf heb ik je lief, volkomen, en zonder vermindering of einde, - en al zou je mij ooit in drift een klap willen geven, - het is maar bij manier van spreken, want ik geloof natuurlijk niet, dat je dat ooit zult willen | |
[pagina 334]
| |
doen, - maar stel het je een oogenblik vóór: dan zou ik je stil-droevig aanzien en mijn hoofd tegen je aanvlijen, en dan zou ik zeggen: ‘Jeanne, ga je gang, al doet het mij verdriet, maar laat mij dan mijn hoofd zoo stil tegen je aanhouden, dan voel ik beter, dat jij 't bent, die zoo doet.’ Geloof je nu, Jeanne, dat ik jou liefheb, onvoorwaardelijk en kan ik het je duidelijker zeggen? En zal je er nu nooit meer aan gaan twijfelen, evenmin als ik aan jou twijfel? Voel je 't nú, begrijp je 't nú, hoe mijn liefde voor jou door mijn heele wezen zit als een electrische stroom, die in zichzelf terug-keert, zoolang je niet bij me bent, maar die overspringt op jou, zoodra ik je zie? Zet toch alle twijfelingen uit je hoofd, want dat zijn niets dan gedachte-processen, die op niets berusten dan op weer andere gedachten van jou, maar die allen grond van waarachtige werklijkheid missen, en die tot niets kunnen leiden dan dat je verdriet krijgt in jezelf en door jezelf. Want ik heb je lief, dat zweer ik je, voor nu en voor altijd! En mijn teerheid-voor-jou, mijn overgave-aan-jou, mijn wil-om-jou-gelukkig-te-maken zijn eindeloos! zoowel eindeloos in tijd als in constante kracht!
Absoluut en zonder eenige terughouding
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ja, ik geloof je nu, - ik wéét, dat ik nu niet meer twijfelen zal. Want na dien goddelijk-rustigen, kalm-overtuigenden brief van jou is het zoo vredig in me geworden, en komen er weer allerlei blij-gelukkige gedachten in me op. Want o, Lief, ik ben véél bedroefder geweest dan ik je geschreven heb; ik heb in mijzelf zoo'n vreeselijk verdriet gehad. Maar nu beloof ik je, op mijn eerewoord, dat ik, zoodra ellendige gedachten me weer beginnen te pijnigen, ze weg-dringen zal met al de krachten, die in me zijn. Want ik besef nu wel, dat 't maar noodeloos jou en mezelf kwellen is, al doe ik het dan ook ondanks mijzelf. Ach, Lief, jij kent immers zelf melancholie, en weet, dat die je besluipen kan op de onverwachtste oogenblikken... Lief, dat aardige beeld, dat je gebruikt, is eigenlijk heelemaal juist, en ik knikte, toen ik 't las. | |
[pagina 335]
| |
O, weet je nog wel, hoe je, toen ik nog in Bussum was, wel eens tegen me zei: ‘Ja, jij haalt altijd allerlei dingen uit de onbestaanbaarheid, en als ik je dan verzeker dat ze onjuist zijn, dan zeg je: Ach, je zou tegen mij tóch niet kunnen zeggen, dat ze wáár zijn, en dus blijf ik gelooven aan wat ik verzin.’ 't Was goed, dat je me 't noodelooze en onzinnige daarvan onder 't oog bracht. Je zei ook: Je maakt met je handen schaduwbeelden op den muur, daar word je dan bang van, en als ik zeg, dat 't absoluut niets is, dan zeg je: maar ze zijn er toch, ik zie ze toch!... Ja, Lief, zoo is 't, en 't is vervelend voor jou, en voor mijzelf een bron van ellende, dat ik die eigenschap bezit. Ach, ik wou zoo graag heelemaal zijn, als je wou dat ik was; toe, Lief, help me, help me zoo te worden, als ik voor jou het aangenaamste ben. O, je kan dat, als je wilt, als je je er maar een beetje moeite voor geeft, want jij vermag alles op me, ik wil alles van je aannemen, en heusch, heusch, ik zal je dankbaar zijn voor elken raad, dien je me geven wilt, voor elke verandering-ten-goede, die je in me aanbrengen zal. Ach, toe, Lief, help je me? Ik heb zoo hartstochtelijk naar een brief van je verlangd, je kan dus begrijpen, hoe zalig-blij ik met dien van vanmorgen was. Ik zal hier een spoedbrief van maken, ik weet niet, misschien hoor jij ook wel graag gauw wat op je brief. Vandaag verstuur ik ook de aflevering van Woord en Beeld. Dag, Willem, éénige Liefste, goede, beste Lief!
jouw eigen, eigen Jeanne
Ik verlang er naar, aan het vertalen te gaan! | |
[Ongedateerd]Liefste, ik wou, dat je wist, wat een onuitsprekelijke, goddelijke vreugde je brieven me gegeven hebben. Ik kan niet zeggen hoe anders ik me voel dan gisteren en de vorige dagen. O, Willem, het is, of er iets, wat me vreeselijk drukte en hinderde, van me is weg-gevallen; o, ik ben zoo prettig, zoo heerlijk-vroolijk gestemd vandaag. Ik ben zoo blij, je maar niets verborgen te hebben gehouden, omdat je 't toch gemerkt zou hebben, en je me nu hebt kunnen raad geven, me vriendelijk op mijn onverstandig denken kon wijzen; o, ik ben een ander, een heel ander mensch dan de Jeanne van | |
[pagina 336]
| |
gisteren, die te lusteloos was en te bedroefd om iets te doen, en 's middags naar bed ging, omdat zij ‘hoofdpijn’ had, - eigenlijk, omdat zij onmogelijk visite-praatjes had kunnen houden. O, Willem, je hebt wel een beetje droefheid om me gehad, maar ik kan er toch geen spijt van hebben, dat ik je zóó heb geschreven. Want je zegt me allemaal dingen, die ik voel dat waar zijn, maar die ik mezelf niet zoo bewust had kunnen maken. O, je hebt volkomen gelijk, dat ik mij altijd met mijzelf-alleen bezig houd, en ik weet ook heel goed, dat ik dat niet moest doen, - maar, o, Lief, mijn heele leven lang, zoo oud als ik ben, heb ik aldoor, aldoor maar aan mezelf zitten denken, mijzelf overpeinsd. En daarom, Lief, - ik zou 't wel heel graag willen! - kan ik die gewoonte niet dadelijk afwennen. Maar ik verzeker je, dat 't beter worden zal; ik verzeker 't je, als jij me maar helpen wilt, Lief, en dat wil je, is 't niet? - mijn zelfzucht te overwinnen. Je spreekt van lectuur, maar het vertalen van Walden zal me meer en beter helpen dan alle mogelijke lectuur, want het doel is zoo heerlijk, dat het werken allerprettigst zal zijn. Dag, goede, eenige Lief. O, ik ben toch zoo goddelijk blij met je brieven!
Met innig-je-in-je-oogen-zien en dankbare zoenen,
voor altijd en altijd jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 337]
| |
uitkomen, maar ik ben het tegenovergestelde van wat men noemen kan los-van-tong, en zoo zal je later wel merken, dat ik mijn gevoel dikwijls meer uit door oogenlicht en stem-toon en dingen van mijn doen, dan door verzekeringen in veelheid van woorden. Toen ik dien brief van je las, liefste Jeanne, was 't mij, of je precies had uitgesproken, wat in mijn binnenste leeft voor jou. Ook ik zou met geen mogelijkheid buiten jou kunnen, en ik smeek je diep-innig: Verlaat mij nooit! Want ik voel, dat ik jou kan gelukkig maken, en ik weet zeker, dat ik door jou gelukkig worden zal. Hoor nu eens, Jeanne! ik heb jou lief en ik heb bijv. ook je gezicht lief, maar ik heb jou niet lief, omdàt ik je gezicht liefheb, neen, ik heb je gezicht lief, omdat ik zoo zielsveel houd van jou. Als wij nu elkander geregeld kunnen ontmoeten, zooals nu toch, na niet al te langen tijd gebeuren zal, dan zal je gaan merken, dat ik wèl sterk ben, - ik spreek hier natuurlijk niet over gewichten-tillen of zoo iets, - maar toch, geloof ik, het tegenovergestelde van een bruut of een ruwe man, zooals er zoovelen zijn. Verster, die au fond zoo'n nobele jongen is, heeft mij aangeboden voor mij bij Vincent van Gogh te informeeren, wat er precies gedaan moet worden voor dat laten aanteekenen. Hij kent n.l. van Gogh persoonlijk. Zooeven heeft hij zijn brief naar de post gebracht. Want als ik onvoorbereid naar Amsterdam ging daarvoor, dan zou ik later misschien nog eens terug moeten komen, en dat neemt zooveel tijd weg. Gisteren is bij het omdraaien de sleutel van mijn muurkast gebroken, waar alles in zit. 't Was Zondag, en dus heb ik de kast nu pas kunnen laten opensteken. Nu, Lief, 't is koffiedrinkenstijd en ik moet dezen brief nog voor eenen op de post brengen. Een beetje in haast, maar altijd geheelde-jouwe
Willem
O, Lief, nog even: maak je toch niet aldoor zoo bedroefd over niets; om je zelfs wil vraag ik het! Ik heb je lief voor altijd, dat zweer ik je plechtig, en ik verlang naar je, ik smacht naar je! Ik ben heusch nooit boos of zelfs maar wrevelig op je geweest; ik kreeg alleen maar verdriet tusschenbeiden door je brieven en een ontzettend verlangen om bij je te zijn, en je hoofd te nemen, mijn handen er zacht om heen leggend, en je dan vriendelijk aan te zien | |
[pagina 338]
| |
en je te verzekeren, dat alles in de nu op handen zijnde toekomst veel beter zal gaan, dat je gelukkig en rustig zult worden en blij dat je bestaat. Deze brief moet nu heusch weg. Vanavond schrijf ik wel weer.
Jouw Willem | |
Bussum, 3 Juli '99Allerliefste,
Vanmiddag heb ik Broedelet bij mij gehad, die in den Haag bekend is, en wiens broer daar woont. Hij heeft mij nu voorgesteld, of hij aan zijn broer mocht schrijven, die zal daar dan tegen October a.s. voor mij naar kamers uitkijken in jouw buurt. Hij beweerde ook, dat ik in den Haag veel beter en minder duur terecht zou kunnen dan bij de Linn's. O, ik ben zoo verschrikkelijk blij en dankbaar, dat je mij zoo helpt door dat boek te vertalen; ik zou het nooit hebben durven aannemen, als je mij niet pertinent verzekerd had, dat je ‘werk noodig had als brood’. Ik laat het je dus in vredesnaam maar doen, afleiding heb je noodig, dat voel ik wel; dus accepteer ik je grandiose opoffering met de innigste erkentelijkheid. O, Lief, weet je, wat ik zoo graag wou? Dat je je zelf een beetje overtuigd wou houden, dat mijn liefde voor jou is het ernstigste ding, dat ik ooit in mijn heele leven gehad heb. Want tusschenbeiden word ik er weemoedig door, door je angstige twijfelingen en vraag mij dan af: Hoe moet ik zijn, wat moet ik doen, om haar uit die onzekerheid te helpen? Maar wat kan ik op zoo'n afstand anders doen dan ik doe? Ik schrijf je nu vier weken lang drie brieven per dag gemiddeld. Hoe zou ik dat nu in Godsnaam kúnnen doen als mijn innerlijke natuur mij niet almachtig naar jou heendrong. Ik zou immers als geëngageerd mensch met één brief per dag een heel goed figuur slaan? Welke reden zou mij dus kunnen drijven, om zooveel te schrijven, dan alleen de echte, diepe Liefde? Nu hoor ik je alweer redeneeren en zeggen: ‘Ja, maar, dat is alleen je goedheid, want je doet het alleen om mij pleizier te doen!’ Maar dan antwoord ik: Wat is die goedheid, zooals je 't noemt, anders dan een deel van mijn liefde, dan een bewijs van mijn liefde? | |
[pagina 339]
| |
Want dacht je dan heusch, dat ik ook nog aan een ander, alleen uit goedheid, een dergelijk aantal brieven schrijven zou of kon? En buitendien schrijf ik je die brieven niet, om je pleizier te doen, want in den beginne wist ik eigenlijk niet of ze je pleizier deden, dat weet ik nú pas; ik schrijf ze alleen, omdat ik er aandrang toe voel, omdat ik er, zonder me iets voor te nemen, vanzelf toe kom. Wil ik je nu eens wat prettigs vertellen? De zaak met van Looy is heelemaal terechtgekomen. Ik zal nu even wachten, of de avondpost iets van je brengt. Zooeven, om tien minuten voor achten, kwam je spoedbrief, waarmee ik zeer blij ben. Maar ik wacht nu toch nog even op de post van 8 uur. De post van 8 uur bracht Woord en Beeld. Dank je, lieve Lief, ik ga je novelle gauw lezen. Ik sluit nu dezen maar; vanavond schrijf ik een brief voor morgenochtend, dien je dan morgen, (Dinsdagmiddag) krijgt.
O, Jeanne, ik heb je zoo lief!
Voor altijd ben ik en blijf ik
jouw Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 340]
| |
is nauw op je neergevallen, of het andere komt er achterop en er bij, en als dat dan zoo'n poosje geduurd heeft, die vloed van onheiltjes, dán komt plotseling weer de ebbe en de zwiepende ongelukjes wijken en alles wordt weer rustig-egaal. 't Verstandigste is, om zich onder zoo'n opstormende rampen-zee altijd maar zoo kalm mogelijk te houden, al lijdt men ook inwendig, want ten slotte komt alles toch weer terecht. Hoor nu eens, Lief, nu kom ik dan toch werkelijk in den Haag te wonen. Maar wil je mij nu één ding beloven? En wel dit: dat je me nooit je gedachten-verdrieten verborgen zult houden? Want ik zou het toch merken, als er zoo iets in je gaande was, en dan zou ik soms ik-weet-niet-wat gaan denken, en me daar dan verschrikkelijk-ellendig over maken, terwijl het toch bij jou inwendig heel iets anders was, dan ik ooit had kunnen denken. Maar ik geloof, of liever, ik hoop wel, dat, als we geregeld tezamen zijn, mijn lach en mijn spreken en mijn lievende belangstelling je op een hoogvlak van stemming zullen kunnen houden, waarvanuit je op je vroegere triestigheden wat verwonderd neerziet, terwijl je bij jezelf zegt: Het leven is toch wel leuk! Want dat merk ik aan mezelf: ik ben volstrekt geen uitwendiguitgelatene, licht langs alles heen glijdende, exuberante, zuidelijke natuur, maar toch, door het blijde bewustzijn van jouw gehechtheid aan mij, voel ik mij bijna altijd leven op een stemmingshoogte, waar al het daagsche gedoe bij terug-zinkt op een verder, een lager plan, zoodat het mij niet zoo erg aan kan pakken als vroeger, doordat ik er nu altijd boven blijf staan. Je leven is nú ook wel een beetje eentonig en in jezelf opgesloten, is 't zoo niet, Lief? Maar nu komt er opeens een nieuw mensch in je leven, die bij je zal blijven voor goed. Tenminste als jij hem houden wilt, natuurlijk, waar, dat beloof ik je, ik al mijn best voor zal doen. Ik hoop dus maar, dat je observatie van dien, nu door jou verjongden oud-gediende des smartenrijken levens je niet al te onvoldaan zal laten. Maar je hoeft heelemaal niet bang te zijn, dat ik jou, van mijn kant, ook zal gaan observeeren; ik observeer bijna nooit in den gewonen zin, waarin dat woord wordt gebruikt. Ik zie alleen maar, zonder het te willen, allerlei dingen plots, die mij heel sterk treffen, maar dan moet ik heel erg oppassen, dat ik daar geen altijd geldende conclusies uit trek. Mijn indrukken van de dingen zijn altijd eenigszins, wat men zou kunnen noemen: intuïtief-gevoelde. Vroeger nu uitte ik die | |
[pagina 341]
| |
indrukken wel eens te gauw en vergiste mij natuurlijk ook wel eens in de preciese, praktische uitlegging ervan. Zoo ben ik er langzamerhand veel meer toe gekomen, om mijn indrukken vóór mij te houden, want doordat mijn uitlegging wel eens niet heelemáál uitkwam, noemden velen mij ‘achterdochtig’. En ik heb ook gemerkt, dat als ik mijn half-bewuste, maar sterke indrukken stil in mijzelf op-at en digereerde, de werkelijkheid, de nuchtere werkelijkheid dan ten slotte altijd vrijwel precies ging sluiten met wat ik intuïtief had gevoeld. Dus nad ik toch alles, zonder bepaald te observeeren, toch heel goed van te voren gezien. De observatie, die ik meen te hebben, is dus een gevoelde, stil gehoudene en niet beredeneerde, en ik durf gerust te zeggen, dat die nooit, in de kern van haar wezen fálikant (ken je dat woord, en zoo ja, spel ik het goed? ik heb het nooit geschreven gezien, maar alleen gehoord) is uitgekomen. Ik ruik, om 't zoo te noemen, veel meer de werklijkheid, dan dat ik haar zie. Zoo ruik ik (vergeef de uitdrukking!) dat jij en ik tezamen gelukkig zullen wezen, zóó gelukkig als menschen kunnen zijn en in zooverre het geheel van henzelf afhangt. De uiterlijke omstandigheden moeten natuurlijk ook wat meewerken, maar wij zijn beiden gezond en wilskrachtig, en ten slotte kunnen de uiterlijke dingen toch nooit de innerlijke kern aantasten, als je maar beiden zuiver en welmeenend bent. Dat nu weet ik zeer zeker van mijzelf en niet minder van jou. Dus het zal wel gaan, o, Liefste en Eenige, als je maar vast wilt gelooven, dat ik blijf door alle tijden heen
je je altijd innig-liefhebbende Willem | |
[Ongedateerd]O, Willem, lieve, goede Lief, ik ben toch werkelijk zoo gelukkig met je brieven. Ik voel me nu zooveel kalmer en rustiger dan in de laatste dagen. Ach, ik wou, dat ik er niet altijd zoo'n onwillekeurige behoefte aan had, me in mezelf te verdiepen en dan allerlei droefgeestige gedachten te voorschijn te roepen. Ach, waarom kan ik toch niet gewoon-gelukkig zijn zooals andere menschen! Waarom geniet ik nooit volkomen, waarom ben ik in mijn gelukkigste oogenblikken toch nog weemoedig gestemd, - waarom ben ik altijd geneigd den donkeren kant van alle dingen te zien? Ik geloof, dat | |
[pagina 342]
| |
het een abnormaliteit in mijn hersenen is, - of denk je, Lief, dat het nog wel eens beter worden kan? Ik vind 't zoo heerlijk, dat je 't goed vindt, dat ik Walden vertaal. Ik begin er dadelijk aan als mijn bundel klaar is; dat moet ik eerst doen, want ik heb hem half Juli aan Veenstra beloofd. Ach, toe, Lief, wil je nu eens zoo verschrikkelijk lief zijn en me mijn verzen zenden? Want ik moet ze allemaal nog overschrijven. Had ik er nu maar kladjes van, dan hoefde je ze me niet eens te sturen, en kon je me alleen de titels van de plaatsbare opgeven. Maar ik heb ze, helaas, geen van allen, behalve één of twee van de állerlaatsten. Toe, Lief, wil je alsjebelieft zoo vriendelijk zijn? Ik ben nu bezig mijn nieuwere verzen en de fragmenten uit het Boek van mijn Leven voor je over te schrijven, als je het tenminste niet te druk hebt, ze te lezen. Wil je me hier vooral op antwoorden? Want dan ga ik er niet mee door: ik moet ze natuurlijk nóg eens in het cahier voor Veenstra copieeren. Je zal zeggen: waarom doe je dat niet dadelijk en stuurt mij dat; maar ten eerste moeten de verzen, die jij hebt er aan vooraf gaan, en ten tweede kon je er immers misschien wel eens verzen bij vinden, die niet publiceerbaar waren? Maar als je het nu soms te druk hebt, wat ik hoop, dat je me ronduit-zeggen zal en je dan geen moeite voor mij geven, dan schrijf ik ze toch alvast over, maar begin dan met de laatste bladzij en zoo terug. Maar dat kan ik eigenlijk toch niet doen, bedenk ik me, als ik niet weet, hoeveel verzen ik krijg van jou. Lief, als je nu geen tijd hebt, om de losse velletjes die je hebt, óók nog na te kijken, doe het dan maar niet, en stuur ze me zoo maar, dan kan ik gauw aan het overschrijven beginnen. Lief, als ik nu niet al te lastig ben, toe, wil je ze me dan sturen? Nu eindig ik maar voor vanavond. Dag, goede, beste, lieve, éénige Lief!
Een zoen van jouw eigen Jeanne | |
[pagina 343]
| |
dat je geholpen kan worden met kamers zoeken; ik geloof óók wel, dat je wat dàt betreft, hier heel goed slagen kan. Het is zoo'n heerlijk idee, dat er nu toch positieve mogelijkheid op je hier komen bestaat, hè? Heusch, Lief, die vertaling zal wel gaan; nu zal je eens kunnen zien, dat ik werkelijk volhardingsvermogen bezit. Zeker, Liefste, 't is waar wat je zegt van die vele brieven, maar ik twijfel er ook niet aan, en ik heb er nooit aan getwijfeld, of je nú van me houdt. Maar, Lief, ik kan er niets aan doen, dat er wel eens toekomst-gedachten in me opkomen. Maar je weet, ik heb 't je beloofd, dat ik ze, wanneer ze weer in me opkomen, met alle kracht, die in me is, weg-denken zal.
Nu heb ik je anderen brief ook ontvangen, dien je gisteravond schreef. O, Lief, wat ben ik toch blij voor je, dat alles nu weer in orde is, want hoe langer de spanning duurde, hoe heerlijker de uitkomst is, niet, Lief? Ach, Liefste, als ik je altijd al mijn verdrietelijkheidjes vertellen moest, dan zou je heusch geen greintje pleizier meer van mijn brieven hebben (gesteld tenminste, dat je dat nu wèl hebt). Want ik zit altijd in mezelf te tobben als een oude vrouw, en zie daardoor het goede voorbij, en, met nu en dan een blij oogenblik, alleen den donkeren kant van de dingen. Ik ben au fond een twijfelaarster en een pessimiste, en de gewoonte van me aldoor in me zelf te verdiepen, heeft dat nog erger gemaakt). Maar ik denk, dat ik het nu langzaam-aan afleeren zal, als jij me wilt helpen, Lief! Zeg, Liefste, zeg me eens, had je intuïtie je ook gewaarschuwd, dat ik zoo droefdenkerig, zoo geestelijk zwak en zoo vervelend-zemelachtig ben? Of wist je daar niets van, en stelt je dat nu vreeselijk teleur? Dag, goede, beste Liefste! Toe, zeg nog eens een lief woordje tegen
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 344]
| |
zonder het bewust te willen, in strakke banden vast; ik wou heelemaal nuchter en positief blijven en kalm afwachten, wat het gevolg zou zijn van die zaak. Maar nu vandaag, - ik kan het niet laten, ik moet net je zeggen: ik heb je lief! Kan je dat dan niet opwekken, kan dat je dan niet onttrekken aan je zelf met zijn sombere gedachten, deze vaste, zekere wetenschap, dat je heelemaal, zooals je bent, diep wordt bemind? En begrijp nu eens, Jeanne, dat is geen lyrische uiting van mij, in een stemming geschreven, en waar ik overmorgen bijv. weer eens heel anders over denken kan. Het is een gevoel van mij, maar onder dat gevoel en door dat gevoel heen, buitendien nog een overtuiging, een zekere en gelukkige wetenschap, die door mijn heele bestaan is heen-geweven, die met mijn bestaan zelf een eenheid is. Ik kan mijzelf niet meer zonder jou voorstellen, ik zou zelfs heelemaal niet meer weten, wat ik beginnen moest, als ik jou moest verliezen, ik zou zeggen: ‘'k wil niet meer zijn’, als ik zonder jou moest zijn. Ik voel heel diep en onveranderlijk: jij bent de mensch, de vrouw, die mijn bestaan, mijn Zijn completeert. Want voor alles in je en van je voel ik een grenzenlooze, en mijn heele Zijn verwijdende en verzachtende sympathie, die ik inniggelukkig ben, dat ik kan voelen voor je, omdat ik nooit had gedacht, dat er een mensch als jij, voor wie ik zóó waarachtig en diep kon voelen, op de wereld zou zijn. En geloof mij toch, want ik weet, wat ik zeg: die sympathie, die liefde voor jou, is geen ding van een maand of een jaar, neen, ik weet stellig, dat zij is en zal blijven het heerschende sentiment in mijn heele toekomstige leven. O, Jeanne, kan dat je dan niet wat gelukkig maken? Zie, hier is een mensch, aan wien je volstrekt niet het land hebt toch, met wien je zelfs wel door het leven wilt gaan, en die mensch voelt zóó voor je, dat je alles met hem zou mogen doen, wat je wou, zonder dat hij je iets zou terug-doen, maar die dat, ik verzeker 't je, van geen ander zou verdragen. Ik heb je lief, diep-in lief, met heel mijn hopen en willen, met heel mijn denken en voelen, met mijn fijnste zenuw- en geestesbewegingen, met de teerste verlangens en de zoetste droomingen van mijn geheele Zijn. Als je nu ongevoelig was, dan zou ik moeten denken: ach, ze is er niet vatbaar voor, het raakt haar niet. Maar je bent zelf een opperst-gevoelig en een klaar- en nobel-denkend en buitendien een naar geluk smachtend mensch. Maar voel je dan met, dat ik je gelukkig maken kan en zal? Wat zit je je dan te verdiepen in, wat zit je jezelf op te bouwen allerlei | |
[pagina 345]
| |
imaginaire gedachten-onzin? O, Jeanne, ik smeek je, heb mij wat meer naïef lief. Zit je toch niet zoo, dat smeek ik je, in jezelf te verdiepen, en zet alle hersenspinsels uit je lieve hoofd. Ik heb je lief met mijn opperste voelen en mijn opperste willen, met blijde en kalm-geruste toestemming van mijn heele menschelijke Zijn. Er rijst geen dag, en er zal er nooit een rijzen, dat ik denken moet: Ik heb haar eigenlijk een beetje minder lief. Onttrek jij je dan ook wat aan je zelf, wat ik je bidden mag; want ik zweer je, Jeanne, - en je zult wel gemerkt hebben, dat ik dit niet dikwijls doe, - ik zweer je: ik heb je onvergankelijk lief! Ik eindig nu maar. Gauw ga ik je verzen allen in behandeling nemen. O, Jeanne, jij bent mijn Alles, en wéét ook, dat ik ben je
je onveranderlijk-liefhebbende Willem
V.v. Gogh schrijft aan Verster, dat alleen een boekhandelaar of uitgever, lid der Vereeniging, vertaalrecht kan aanteekenen. | |
Bussum, ParkzichtWeet je, Lief, wat ik wel een beetje droevig vind? Dat al mijn brieven, met al hun beloften, verzekeringen, met hun waarachtig accent van liefde, toch niet tot je diepste ziel vermogen door te dringen. Je vindt ze misschien wel aardig, je noemt ze lief, - maar ze blijven toch weinig meer voor je dan woorden, want als je ze gelezen hebt, kruip je weer in jezelf, en blijft absoluut geen indruk behouden van wàt je gelezen hebt. O, ik smeek je zoo innig: vlieg eens omhoog uit jezelf en naar mij toe! Wat heb je aan dat zelf, waar je geen waarheid uit leert, maar alleen aaklige veronderstellingen en booze droomen? Dat Zelf houdt niet zooveel van je, niet zoo verstandelijk-doorwrocht gevoelend, niet zoo wijs-prachtig als ik houd van jou! Want dat Zelf kwelt je, en kwel ik je ooit? Dat Zelf vertelt je leugens, - en ik zeg je de waarheid, de onveranderlijke, hooge, blijde waarheid, die in mijzelf leeft en brandt en jubelt van mijn hooge en mooie liefde voor jou. O, Liefste, aangebedene, mijn brieven moeten toch meer voor je zijn dan een literair amusement, want wij zijn nu met zijn tweeën niet, - ik voor mij tenminste niet, - bezig om een roman af te spinnen, terwijl ik in mijn diepste | |
[pagina 346]
| |
zelf een ander, mijn eigen leven leef. Neen, Jeanne, de brieven, die ik je schrijf, zijn het leven zelf, mijn leven, dat ik in blindelingsch vertrouwen aan je overgeef, omdat ik je liefheb, je liefhebben moet en je liefhebben wil ook. Zie, en ik, die dit schrijf, ik ben geen schijnbaar levende uit een roman of zoo, ik ben een werkelijklevend mensch, die zich goed voelt en zuiver en krachtig en liefhebbend en heelemaal open voor jou alleen. Ik bied je mijn ziel, en ik bied je ook mijn bloed, als dat je van dienst kan zijn. Tracht een beetje met je gedachten in mij te leven, zooals ik dat, door al mijn andere dingen heen, altijd in jou doe. O, ik bezweer je, liefste, eenige, je Zelf is niet goed voor je, je zelf maakt je allerlei dingen wijs, die niet bestaan, en de eenige mensch op de wereld, die het, zichzelf vergetend, goed en eerlijk met je meent, ben ik. Vlieg dan in je gedachten naar mij toe, ik smeek het je om jouwentwil, want dan zal je liefde vinden en blijdschap en vrede. O, Lief! ik weet het zoo! want dergelijke dingen als jij nu in jezelf ondervindt, die heb ik zelf ook moeten lijden vroeger, maar sinds ik jou liefheb, vertrouw ik volkomen op de toekomst, die eens een heerlijk heden zal zijn! Het geluk, o, geloof me toch, staat nu niet zoo heel ver vàn je, - wacht het dan ook met een glimlach af. Het komt al náder, en je zult het eens vlak voor je, oog in oog zien, en dan gaat het nooit meer weg. Want ik heb je onuitsprekelijk-diep lief!
Geheel jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Ach, Liefste, ik heb je gisteravond wel geschreven, of ik je, als je 't te druk had, de fragmenten maar niet sturen zou, maar, ach, Lief, ik wou toch zoo ontzettend, verschrikkelijk, onuitsprekelijk graag, dat je ze wèl lezen wou. Want o, zie je, als ik er zèlf over denk, dan krijg ik weer net zoo'n heerlijk, vreugdig gevoel over me, als bij de herdenking aan mijn roman, - maar dat beteekent natuurlijk niets; een eigen oordeel is zelden objectief, en nu zou ik zoo dolgraag, zoo vreeselijk graag van jou weten, of ik me ook soms vergiste. Lief, misschien ben je er wel in één uur doorheen, en bij een vluchtige lezing weet je er al wel genoeg van, denk ik. Willem, Liefste, zou je 't voor me willen, of liever, zou je 't voor me kunnen doen? Ben ik nu te veeleischend en bezorg ik je al te | |
[pagina 347]
| |
veel moeite en last? o, Lief, ik hoop, dat 't niet 't geval zal zijn. Want je hebt ook al zooveel te doen met die andere verzen van me, maar o, Lief, ik zal er je zoo innig-diep en altijd-door dankbaar voor zijn! Toe, zeg me, verg ik heusch niet te veel van je goedheid? Ik weet wel, dat het erg zelfzuchtig van me is, om zooveel beslag te leggen op je tijd, en ik zou 't ook zeker niet doen en geduldig wachten, als Veenstra niet zoo'n haast maakte, en ik hem niet vast mijn bundel half Juli had beloofd. Je weet wel, Lief, dat als ik eens iets voor jou zou kunnen doen, ik 't goddelijk vinden zal. (Dat vertalen van Walden doe ik voor me zelf.) Je hebt me nog nooit iets gevraagd, er zijn natuurlijk ook maar heel weinig dingen, die ik voor jou zou kunnen doen. Bedank me nooit voor Walden, ik vind 't zoo verrukkelijk iets werkelijk-nuttigs onder handen te hebben, dat me heelemaal aan mezelf onttrekt. Dag, goede, lieve, allerbeste Lief! Ach, ik hoop toch zoo, niet al te onbescheiden te zijn geweest! Met een excuus-zoen voor mijn hinderlijk-lastige, je moeiteveroorzakende, dringerige vragen
altijd jouw eigen Jeanne
Hierbij twee verzen voor jou. | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 348]
| |
kennen, en de eenige, die deze realiteit door en door kent, tot in zijn kleinste, inwendige dingen, dat ben óók ik. Welnu, en geloof nu toch: alles wat je over mij hebt zitten te beweren en te veronderstellen in sommige van je vorige brieven, daar vind ik in mezelf geen sikkepit van terug; ik voel en weet alleen heel zeker, dat ik jou liefheb, sterker en vaster, dan ooit iets in mijn leven. Ik ben zelf, wat men noemen kan ‘un esprit scrutateur et profond’, die alles onderzoekt, en in zich zelf en voor zich zelf alles nagaat, die geen mogelijkheid zelfs in zijn denken buiten aanmerking laat, - als ik nu, die zoo ben, geen ding in mezelf terug-vind van al de door jou geopperde twijfelingen en vreezen als anderszins, als ik nals ik nóg buitendien, zooals het geval is, door dat heele oppervlak van zelf-martelenden twijfel van jou klaar heen-zie, en, er achter, je volkomen-zuivere, altijd-onwankelbare, ja, goddelijke kern van menschelijkheid blijf zien, - wáárom, ja, wáárom, arme, lieve Jeanne, zal jij dan nog doorgaan om jouzelf te kwellen met uiterlijke schijnbeelden, in plaats van de eenvoudige, volmaakte waarheid te gaan zien, die je gelukkig kan maken en blij? Geloof me, Jeanne, ik ben toch méer dan een goedige jongen die nu zoo iets alleen zou zeggen, om je te troosten? Hoor nu eens: als ik je hoor spreken, dan word ik gelukkig, als ik je een hand mag geven, dan voel ik me zalig, als ik je aan mag zien, dan tril ik inwendig van diepe blijdschap: ik vertrouw je geheel, ik verberg voor jou niets, en ik voel een eindelooze en nooit verminderende behoefte in me, om altijd goed en lief en teeder, om mij geheel, met alles en alles aan jou over te geven, en om tegelijkertijd met vlekkeloos-blanke wilskracht je met alles te helpen en te steunen en te redden, en je met alles en alles pleizier te doen. Jeanne, ik smeek je, wend je af van je je neerdrukkende zelf en keer je naar de blijdschap heen, die je bij mij, dat zweer ik je, vinden zult. Ik vraag je geen zelfopoffering of zelfwegmaking, om te verzinken in een ander, - ik vraag alleen een wijze daad van je zelf voor je zelf. Want als je met je zelf bij mij komt, dan zal je machtig en groot worden en blij en diep gelukkig en onuitsprekelijk-flink. Zie, hier sta ik voor je: een volkomen-zuiver, onbevangen en diep-eerlijk mensch, die geheel van jou is, die alles voor je over heeft, die alles wil doen, zooals jij 't serieus graag hebt. O, ik wou, dat ik bij je was, ik zou je aanzien, je lief-suggereerend met zachte oogen, mijn handen zacht houdend aan weerskanten van je hoofd, dan zou je wel begrijpen, | |
[pagina 349]
| |
dat mijn liefde voor jou niet is zoo'n gewone mannenliefde van begeering en uiterlijkheid, maar dat, diep-in, mijn menschelijke ziel de jouwe liefheeft, en dat zoo'n liefde een liefde is, die nooit verdwijnt. Ik kus je dolgraag, dat weet je wel, maar toch zeg ik niet, dat ik je liefheb omdat ik je graag kus, zooals, geloof ik, bij de meeste mannen wel het geval zal zijn, neen: ik kus je graag, omdàt ik je zoo liefheb, diep-in-echt en onvergankelijk-waarachtig, met alles van binnen en van buiten liefheb, en je zoo lief zal hebben tot aan den laatsten dag van mijn bestaan.
Geheel en al jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Liefste, ik had er zoo op gehoopt, dat er vanmorgen een brief van je zou zijn, omdat ik er gisteravond ook geen gekregen heb, maar er was niets. Lief, ik geloof niet, dat je dat smartelijke, enerveerende smachten-naar-brieven kent, zooals ik, - ik geloof niet, dat mijn brieven jou zulk een onuitsprekelijke vreugde zijn als de jouwe mij, omdat je er niet zoo brandend naar hebt verlangd, - want was dat zoo, dan zou je 't heelemaal begrijpen, dat ik je dringend durf te vragen: Toe, Lief, schrijf me alsjebelieft, alsjebelieft op geregelde tijden! Schrijf me, bid ik je, nóóit méér dan je wil of kan, dan overeen komt met je lust of tijd, - denk nooit: ‘ze heeft het graag’, als je eigenlijk verhindering hebt, - maar ik smeek je: schrijf me geregeld! Je wéét niet, wat 't is, uur na uur te wachten op de post, 's morgens vroeg wakker te liggen en te luisteren, luisteren, of er ook een brief wordt gebracht, - den heelen dag op de post-tijden te leven en daardoor ongeschikt te zijn, om iets anders te doen. Noem 't overdreven, flauw, kinderachtig, - noem 't al wat je wilt en je zal er nòg gelijk in hebben, want ik besef het zèlf heel goed, - maar ik zeg je, ik sta hierin absoluut machteloos tegenover mezelf, ik moet me hulpeloos aan mijn gedachten overgeven. Dacht je, Lief, als ik er iets aan kon doen, dat ik 't dan niet zou doen, om aan mijn ondragelijken, zielszwakken toestand een einde te maken? Dat ik 't niet goddelijk zou vinden, als ik mijn gedachten bedwingen kon, in plaats van, zooals nu, al wachtend, te denken, te denken, tot mijn zenuwen de spanning niet langer verdragen kunnen en ik uitbarst in tranen? En dan moet ik me nog goed houden, want ik beef, om er iets van te laten merken, | |
[pagina 350]
| |
uit vrees dat er zal worden gedacht, dat ik niet gelukkig zou zijn. Eens schreef je: ‘Ik hoop, dat er vanavond een brief van je komt, maar het kon wel eens een teleurstelling zijn.’ Maar, Lief, ik heb je, geloof ik, nog nóóit teleurgesteld, zoo làng wij nu schrijven aan elkaar. En je zegt ieder keer, dat je me zooveel brieven geschreven hebt, - maar ik toch niet minder, Lief, zelfs al een paar méér. Maar al schreef je me veel, véél minder dan je doet, dan zou ik nog héél dankbaar en tevreden zijn, als ik je brieven maar altijd op denzelfden tijd ontving, zooals jij altijd de mijne op denzelfden tijd ontvangt. O, Lief, Lief, kon ik dat ellendige, noodlottige in me maar overwinnen, dat me dadelijk overal het droefste en naarste in doet zien, en me nooit toelaat eens volkómen gelukkig te zijn! O, ik wou, dat ik mijn sterkte van vroeger, al was die misschien ook meer hardheid dan kracht, maar terugvinden kon, dat ik dat radelooswee gevoel van onmacht niet meer had! - Willem, àl mijn heil hangt van jou af, - ik heb me heelemaal aan je weg-gegeven, - ik kan niets meer, ik ben niets meer zonder jou, - ik voel geen leed, of 't moet me door jou zijn aangedaan, ik heb geen vreugd, of jij moet me die geven! Ach, Lief, je hebt wel eens gezegd, en misschien meende je 't ook wel, dat ik je vorstin ben, dat ik heersch over je, - maar je weet wel dat dit niet zoo is, dat 't onmogelijk zoo wezen kan, omdat ik absoluut afhankelijk ben van jou. Ik heb mijzelf niet meer, en 't is nog niet als een werkelijkheid in me, dat ik jou daarvoor in de plaats gekregen heb. Ik heb geen eigen wil meer, geen kracht, dat alles behoort jou, zoowel als mijn gedachten en mijn daden behooren aan jou. Ik kan niets meer zijn, ik kan niets meer doen zonder jou, - ik heb mijn eigen individualiteit verloren. En als ik nu maar wist, Lief, maar vast en zeker en voor altijd wist, dat dit geschenk van mijzelf jou een vreugde is, - dan zou ik misschien mijn onbestemde, geen-vasten-grond hebbende bedroefdheid wel meester kunnen worden. O, als dat afschuwelijke, alles-half-zeggende brievenschrijven niet noodig was, - als wij elkaars' gedachten maar konden raden, of door de lucht heen elkaar verstaan, dan zou, denk ik, al mijn verbeeldingsverdriet heel gauw verdwenen zijn. Lief, smart, die vanzelf, zonder eenige positieve oorzaak ontstaat, wordt altijd minder erg geacht dan werkelijk-bestaande. Maar ik weet, dat gedachten-smart een veel onduldbaarder lijden is, dan verdriet-waar-een-reden-voor-bestaat, - omdat er aan het laatste | |
[pagina 351]
| |
gewoonlijk wel iets gedaan kan worden, - terwijl het andere, omdat het psychisch is, gedragen worden moet! Lief, het eenige, wat me voor die vreemde, onrust-gevende zielsziekte een geneesmiddel kan zijn, is ernstig en geregeld werk. En dat zal ik nu, o, groot geluk, krijgen, wanneer ik aan Walden beginnen kan. Je zal zien, Liefste, als nu maar eerst mijn dichtbundel klaar is, en ik prettig-geregeld aan 't vertalen kan gaan, dat je dan geen klaag-brieven meer van me ontvangen zal. Lief, bedenk altijd maar, als je er een beetje verdriet van hebt, dat ik zèlf nog véél meer inwendige droefheid heb omdat ik je niet anders schrijven kan. Ik neem je hoofd tusschen mijn beide handen, en zoen je, want, o, ik kan niet buiten je! en ik houd van je, o, ik houd zoo van je, voor-altijd en door-alles-heen, met dezelfde teederheid, dezelfde overgave en hetzelfde verlangen!
Tot aan het einde der tijden
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, ParkzichtAllerliefste Engel,
Eerst wat over die ontvangst van brieven door jou. Ik kan het heusch niet helpen: de Bussumsche post is een vreeselijk ongeregeld ding; ze doen daar alles maar, zooals 't in hun kraam te pas komt. Dat merkte ik nog, toen ik zooeven op het postkantoor was om postzegels te koopen: daar stond een dame vóór mij, dochter van Mevr. v. Hoogstraten, die op de kolonie Walden woont, en die beklaagde zich, dat haar mama telegrammen, die 's middags om drie uur te Bussum ontvangen waren, 's avonds om 7 uur pas kreeg, tegelijk met de brieven, die de besteller daar kwam brengen. Ik begrijp nu bijv. van wat je zegt, niets. Want ik heb toch gisteren in den loop van den dag een brief op de post gedaan, dien je dus gisteravond had moeten hebben. God, Jeanne, het spijt mij zoo, en ik doe zoo mijn best, maar ik kan het heusch niet altijd helpen. Buitendien zit ik in de laatste dagen weer wat in de zenuwachtigheid, en dat kan ook wel gemaakt hebben, dat ik een beetje onregelmatiger schreef, ofschoon ik toch, geloof ik, evenveel | |
[pagina 352]
| |
geschreven heb. Alleen gisteravond heb ik geen brief op de post gedaan, dat weet ik, want het was half een, toen ik mijn brief sloot, toen was het te laat, omdat iedereen hier naar bed was, - om hem nog naar de post te brengen. Ik had eigenlijk een beetje gehoopt, dat Veenstra je wat vooruit geld had willen geven; ik heb het je niet willen zeggen, want ik wou eerst eens afwachten, hoe de boel liep. En nu hij het eigenlijk een beetje tegen zijn zin gedaan heeft, kon er toch natuurlijk geen sprake van zijn. Ik zit nu van allen kant in kleine financiëele moeilijkheden; ik had het voor me willen houden, maar het komt er nu, ondanks mezelf uit, nu jij je een beetje treurig maakt over ongeregelde ontvangst van brieven. Vrijdag bijv. promoveert Hein Boeken, ik zou zijn paranimf zijn, en nu vraagt hij mij voor Donderdag bij hem ten eten, om het een en ander voor Vrijdag of te spreken. Van Looy had mij al op 1 Juli ƒ 50,- moeten sturen; van Versluys moet ik nog ƒ 25,- hebben; dien heb ik al tweemaal geschreven. Maar hij laat niets van zich hooren. 't Is een ellendige boel. Ik schrijf je dit alleen, opdat je niet zou denken, dat het een soort van nonchalance van me is, als ik je een beetje op ongeregelder tijden dan anders schrijf. Nu, Lief, ik breng deze nu maar gauw weg.
Lief kust je jouw eigen Willem
Dank, hartelijk dank voor je twee prachtige verzen; door de ontroering daarover laat ik me misschien een beetje meer los over praktische moeilijkheden dan ik eigenlijk had willen doen. | |
[Ongedateerd]Willem, Willem, je brieven hebben me dol van geluk gemaakt! O, ik wou, dat je 't kon zien, hoe ik ze drukte aan mijn hart, en ze kuste, en snikte van vreugd! Willem, ik ben je zoo onuitsprekelijk-dankbaar, dat je me zóó geschreven hebt, - o, ik kan niet anders zeggen dan: Ik dank je! ik dank je! Want o, Lief, als je 't wist, - o, ik was òp, ik was uitgeput van dat wachten den heelen dag, - en eindelijk, eindelijk kwam de post, en bracht je brieven. O, Lief, let niet op mijn vorige brieven, of ja, lees ze wèl, want daaruit zal je de diepte van mijn liefde zien, daaruit zal je weten, dat ik ziek | |
[pagina 353]
| |
word van ongeduldig, smachtend verlangen, als ik één dag niets van je hoor. Willem, ik heb je lief, - elken dag wordt het vaster en bewuster in me, elken dag voel ik meer, dat ik zonder jou niet meer leven kan! Lief, lieve Lief, ik houd zoo nameloos veel van je met al het mooie dat in mij is; ik houd van je, jij bent mijn alles, voor jou alleen wil ik bestaan! Willem, er is niets in me, wat je niet weten mag, vraag me, als ik 't zelf niet zeg, - er is niets in me wat je niet hebben mag, vraag me, als ik 't zelf niet geef. Jij bent de eenige man, dien ik ooit liefhebben kon, - dien ik aanbid, omdat je mijn zieleleven begrijpt, omdat je dat respecteert en het dus nooit ruw aanvatten zal. Willem, vergeef 't me, als ik je leed heb aangedaan. Ik zweer je, dat ik me meer beheerschen zal, - dat ik mij zelf zal leeren vergeten, om alleen te denken aan jou. Ik heb je lief voor eeuwig en eeuwig, met hart en ziel, met alles waardoor ik besta, en ik zal je tot aan 't eind van mijn leven dankbaar zijn, dat jij me jouw liefde geven wilt.
Met een zoen van innig-teedere, opperst-toegewijde liefde,
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 354]
| |
Arme, arme Lief, je maakt je altijd zoo zenuwachtig. En waarom eigenlijk? Gesteld nu eens, je had werkelijk in 24 uur geen brief van me ontvangen, - wat zou dat dan bewijzen? Dat ik plotseling op zou gehouden hebben van je te houden? Maar je kunt net zoo goed er bang voor gaan zijn, dat de zon uit zou dooven. Want ik weet zeker, dat ik mijn heele leven van je houden zal. Ik zeg zoo: ik weet zeker, omdat dit voor mijn gevoel vaster en positiever en minder banaal klinkt dan bijv. ‘ik zweer’. Dus de reden, als er eens een brief van mij wat langer mocht uitblijven dan je gehoopt had, kan alleen zijn: drukte van mijn kant, plotseling bezoek, plotseling naar Amsterdam moeten of zoo iets, maar nooit iets ergers. God, wat zal ik blij zijn, als ik in den Haag woon, ook voor jou. Ik heb in de laatste dagen absoluut niet kunnen werken, want juffr. Linn zit den heelen dag onder mij op de piano te spelen, en buiten zitten gaat niet bij dien regen. Ik eindig nu maar, want ik kan geen gedachte in mijn hoofd krijgen bij dat getjingel, het is zoo irritant. Dit is ook eigenlijk maar een uitwerking nog van mijn vorige.
Altijd ben ik en blijf ik geheel en volkomen
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Willem, Liefste, Eenige-dien-ik-ooit-heb-liefgehad-liefheb-en-liefhebben-zal! In de eerste, hartstochtelijke opwelling van dankbaarheid, schreef ik je een korten brief. Nu ga ik bedaarder voort. Liefste! toe, lach me niet uit om mijn kinderachtige, dwaasoverdreven aanstellerij, om van één dag zonder bericht een onoverkomelijk-diep verdriet te maken. O, ja, ik besef het wel, het is héél flauw van me, maar o, Lief, lieve Lief, het is sterker, dan alles wat ik er tegenover kan stellen: die alles-overheerschende gedachte aan jou! Lief, ik was er vroeger van overtuigd, en ik heb 't je zelfs wel eens gezegd, dat ik absoluut die hebbelijkheid der meeste vrouwen miste, die men ‘zenuwachtigheid’ noemt, maar nu geloof ik integendeel, dat ik een hyper-nerveuse persoonlijkheid ben. Maar dat is in elk geval maar tijdelijk, maar héél kort, en dan zal alles anders worden, Lief! Dan heb je geen zeurig, teemerig, lamenteerderig meisje meer, dat je wee maakt door haar geklaag, maar een dat gelukkig is, altijd door opgeruimd en áltijd tevreden. | |
[pagina 355]
| |
Lief, hoe kom ik er toch toe, mij zelf zoo te kwellen en ellendig te maken voor niets? Begrijp jij daar iets van? Waarom doe ik toch zoo? Want ik verzeker je, dat 't geen imaginair verdriet, maar een werkelijk lijden is, en het is misschien te erger en er is te minder aan te doen, omdat ik het mijzelf veroorzaak. O, hoe ik vandaag den dag ben doorgekomen! Ik was afgemat van het huilen en wachten, zoo straks, maar, Liefste, je brieven hebben me met een tooverslag beter gemaakt. Lief, ik zweer je, dat de wondere kracht, die ervan is uitgegaan, een blijvende zal zijn, - een kracht, die me sterkte en steun en opwekking geeft, wanneer ik die noodig heb, en die me zal helpen, om aan den invloed van mezelf te ontkomen. O, Liefste, ieder liefdewoord van je doet al mijn zenuwen trillen van vreugd, - want ik heb je lief, Liefste! ik heb je boven alles lief, - al het teere en mooie en zuiver-reine, dat in me is, alles is voor jou, - al mijn gedachten zijn voor jou en van jou vervuld, en al mijn gevoel geeft zich aan jou. En nu het met een alles-door-dringende macht in me is gekomen: het zoete bewustzijn, dat ook jij houdt van mij, nu zeg ik je met mijn hoofd hoog-op en mijn oogen klaar in de jouwe: ‘Ik geloof nu in je, Willem, onvoorwaardelijk en voor-altijd en ik geef je de heilige verzekering, dat ik nóóit meer aan je twijfelen zal!’ En die woorden, overdacht en in kalmte gezegd, zullen altijd de waarheid blijven. Ik lijk nu wel heel bedaard, maar diep-inwendig ben ik nog zoo geëmotionneerd, dat de details van mijn gedachten me niet duidelijk bewust kunnen worden en ik nu alleen maar in groote lijnen mijn ontroering kan zeggen. Lief, geloof je me, als ik je zeg, dat ik je hartstochtelijk-dankbaar ben voor alles wat je voor me doet? dat je van me houden wilt, dat je mijn liefde wilt aannemen, en dat ik altijd bij je mag komen om steun en raad. Willem, ik weet nu, dat alles van den laatsten tijd een vergeefsche zelf-opwinding is geweest, - dat is als een openbaring tot me gekomen, - en ik zeg je, dat ik er nooit weer in terug-vallen zal. Ik leg mijn armen om je hals en mijn hoofd tegen je schouder aan, - zóó wil ik blijven, totdat ik heelemaal rustig ben. Dag, eenig, éénig Lief!
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 356]
| |
Bussum, ParkzichtO, liefste Schat, ik wil je toch, vóór het naar bed gaan, nog even schrijven, dan breng ik deze morgenochtend op de post. Ik wou je even wat aardigs vertellen. Ik weet niet, wat ik heb vanavond; ik merkte 't voor 't eerst, toen ik, na mijn brieven in de bus gedaan te hebben, door de Heerenstraat terug-ging naar huis. Ik voelde toen, als ik me inwendig doodstil hield en heelemaal niet aan iets praktisch' dacht, een vreemde gewaarwording, die mij zeer ontroerde, maar die heelemaal niet onaangenaam was. Ik had een gevoel van een dergelijke soort als ik veel heb gehad, toen ik een dertig jaar jonger was. De weg, de boomen, de huizen aan weerszijden, 't was of alles mij anders aandeed dan gewoonlijk, en ik zou het eigenlijk niet beter kunnen zeggen dan met deze definitie, die toch eigenlijk 't niet precies zegt: ik voelde me net als een kind, - in bedoel als mezelf, toen ik een kind was van zoowat tien jaar. Toen ik weer thuis was, kwam Verster nog wat bij mij praten en de conversatie was rustig en aangenaam-leuk, maar nu hij weg is, komt dat gevoel van kinderlijkheid plotseling heel sterk over me terug. 't Is een wonderlijk soort van teere gevoeligheid voor alles, wat ik, zoo 't een na 't ander, waarneem, niet iets bepaalds naars, ofschoon 't mij wel vreemd voorkomt, maar iets zachts en iets liefs. Nu komt de gedachte in mij op, maar dat zal verbeelding zijn, dat er binnen-in-jou, in diezelfde oogenblikken, ook iets anders dan gewoonlijk is gebeurd, dat je misschien een beetje geëmotionneerd ben geworden op een wel vreemde, maar niet onaangename manier. Voor de aardigheid moet je mij werkelijk eens schrijven of er iets dergelijks is gebeurd in jou, of je soms een beetje gelukkig-voelender of teer-blijder dan anders bent geweest. Toen ik naar de post ging, was het tusschen tienen en half elf, en toen Verster weg-ging, was het kwart voor twaalf. Misschien komt alles ook alleen maar door je brieven en verzen. Hoor eens, Jeanne, ik moet het je zeggen: ik heb je lief op alle mogelijke manieren; er is eigenlijk géén manier, waarop men kan liefhebben, waarop ik jou niet liefheb voortaan. Je kunt er dus uit kiezen, welke manier je het beste bevalt. Teer als een zomerwindje, dat even huppelt door 't gebladerte, zacht-breed en statig als een in de zon voort-glijdende rivier, die tusschen bloeiende oevers kalm | |
[pagina 357]
| |
kabbelend heenstuwt, sterk als de zon, die de kleuren der bloemen vroolijk opheldert; och, Jeanne, ik tracht de essentie van mijn gevoel uit te drukken, maar 't blijft altijd maar benadering; misschien zou je 't in mijn oogen kunnen lezen, die je kalm-zalig aanzien, terwijl mijn arm zich lief om je middel legt. Ik heb je ook lief met hartstochtelijk verlangen, maar de klopping van mijn bloed blijft toch altijd harmonisch, alsof die rolling een muziekstuk was. Geloof mij, Jeanne, je hebt mij wèl: heelemaal heb je mij en voor altijd! Geloof me, Lief, er is niets in me, wat jij niet mag weten, wat jij niet mag hebben heelemaal. Ik wou eigenlijk wel, dat je gedachten lezen kon. Want als je kon merken of intuïtief voelen, hoe mijn binnenste bij elke gedachte aan jou wordt bewogen, dan geloof ik wel, dat je een beetje gelukkig zou zijn. Mijn levensdoel is: jou gelukkig te maken; daar wil ik al mijn innerlijke krachten op richten, en ik voel wel, dat het me heerlijk lukken zal ook. Want ik ben geen dwaze jongen meer; ik ben een constant, zichzelf gelijk blijvend mensch. Ik heb hartstocht voor je, hartstocht om goed te zijn en prettig en lief-teeder voor je, en o, mijn hartstocht is geen wilde storm, die met schokken gaat, maar breed en diep en statig-deinende, als de rustelooze en toch harmonische, als de eindelooze, eeuwige zee. 't Is nu kwart voor eenen, en ik moet naar bed. Teeder-zacht kust je met stille verrukking, altijd dezelfde
jouw eigen Willem | |
DonderdagmorgenO, liefste Jeanne, nu is er zoo iets curieus' gebeurd. Hier-nevens-gaanden brief schreef ik Woensdagavond, en daar schreef ik in: ‘Geloof me, Lief, er is niets in me, wat je niet mag weten, niets wat je niet hebben mag, heelemaal’. En nu lees ik in jouw brief, dien je ook Woensdagavond schreef: ‘Er is niets in me, wat je niet weten mag, niets in me, wat je niet hebben mag’. Dus bijna precies tezelfder tijd schreven wij weer het zelfde, jij in den Haag, ik in Bussum. Is dat niet merkwaardig? | |
[pagina 358]
| |
[Ongedateerd]O, Liefste, lieve Willem, o, zeg me, wat kan ik doen, wat kan ik zeggen, om je mijn onuitsprekelijke dankbaarheid te bewijzen! O, Lief, ik voel me gelukkig nu, ik voel me inwendig, o, zoo gelukkig! Want het is of er iets dreigend-benauwends van me is weg-genomen, - ik kan niet goed zeggen, hoe het was. Het is of ik lang onrustigzwaar heb gedroomd, en nu weer wakker geworden, de lichte zon in mijn kamer zie en door het raam de blauwe lucht. O, Lief, het zijn zulke donkere, droeve dagen geweest, zulke afmattende, verloomend-moeilijke dagen en gisteren vooral. En dan te denken, Lief, dat ik al die smart, waarvoor ik ril bij 't herdenken, mij zèlf heb aangedaan! O, Willem, is dat eigenlijk niet verschrikkelijk? O, als jij me niet heen-hielp over al mijn gemoeds- en gedachte-bezwaren, dan weet ik niet, wat er van me worden zou! Want met al mijn schijnbare fermheid en verstandigheid, ben ik eigenlijk zoo dwaas en zoo machteloos-zwak. Maar o, Liefste, nu ik de kracht voel van den steun, dien jij me geeft, nu zal alles wel beter gaan en zal ik nooit weer terug-zinken in mijn staat van hopelooze mismoedigheid. Willem, je brieven geven me zoo'n goddelijk-zalig geluk. Ik kan alles niet goed zeggen nu, - nu ik nog een beetje onder den indruk ben van alles wat ik in mijzelf heb doorgemaakt; - en spreek daardoor kalm en rustig, hoewel alles in me van hartstochtelijke blijdschap gloeit. Ik heb je lief, Willem, ik heb je ontzettend, diep, onnoemelijk lief, - en ik geloof nu ook in de standvastigheid van jouw liefde met een waarachtig en onwankelbaar vertrouwen. Willem, ik heb je lief, met alles wat in mij is, met mijn hééle Zijn en ik zou sterven, als ik je niet langer liefhebben mocht, want mijn liefde is één met mijn leven. O, éénig Lief! En daarom doet elk van je woorden-van-liefde me sidderen van zaligheid, omdat ik nú de verrukkende overtuiging in me omdraag, dat je werkelijk onveranderlijk, onverminderlijk van me houdt, - omdat ik nú je liefde als een feitelijkheid voel!
Liefste, je moet er heelemaal niet om geven, dat ik klaagde, in zoo lang geen brief van je te hebben ontvangen. Het kwam door de ellendige post, die een brief, dien ik 's middags had moeten hebben, pas 's avonds bezorgde. En het trof juist toevallig gisteren, dat ik zoo overspannen was en naar. Schrijf me, dat vraag ik je nadrukkelijk, nooit meer dan je kan of lust hebt. | |
[pagina 359]
| |
Ik heb Walden aan V. gestuurd met de boodschap er bij. Toe, Lief, stuur je me nu mijn verzen gauw? Ik heb ze heusch zoo noodig. Al heb je ze nog niet allemaal nagezien, toe, stuur je ze gauw? Lief, je maakt me zoo diep-zalig, rustig-gelukkig met je brieven; o, ze zijn me zoo'n heerlijk, weldoend genot. O, Liefste, Liefste, ik wou dat je mijn dankbaarheid voelen kon!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ik wou, dat ik je beter danken kon dan met wat flauwe, koele woorden op papier. Want je maakt me zoo rustig, zoo gelukkig, zoo zalig tevreden. Je verrukt me, je geeft me een oneindige vreugd door alles wat je schrijft in je brieven. Liefste, ik voel me nu zoo sterk en opgewekt en krachtig en flink, - dat alles heb jij gedaan, jij, Lief! met het wonder van je woorden. Ik was triest en stil, de laatste dagen, en in-mezelf-gekeerd-bedroefd, maar nu door een, - ik weet niet, hoe ik 't noemen zal, want het is een wonder, is mijn hééle Zijn plotseling omgetooverd in een toestand van vreugdige, vroolijk-gevoelige, blijde tevredenheid. Dat alles dank ik aan jou, mijn Lief, die altijd klaar staat met hulp en raad en bemoediging en troost! O, lieve, eenig-goede, altijd-helpende Lief! Toe, Lief, stuur je me nu ook even mijn verzen, al heb je ze nog niet allemaal nagezien? Met de schriften ben je toch al klaar, en de losse blaadjes zal ik dan zelf wel uitzoeken. Doe je 't, Lief? Tenminste als je kan? Want ik moet zoo hoog noodig aan 't overschrijven gaan. Vanavond schrijf ik je weer. O, 't is of ik je nog zóóveel te zeggen heb, - zooveel mooie, lieve, prettige dingen voel ik in me voor jou. Ik wou, dat mijn gedachten zichtbaar en hoorbaar voor je waren, dat je alles intuïtief begreep, wat er voor zachts en teers voor jou in me is. O, dat zou je, ik wéét het, zoo vreugdig aandoen, Lief!
Altijd, altijd,
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 360]
| |
[Ongedateerd]Lieve, goede, beste Lief, Ja, Willem, je hebt gelijk, heelemaal, volkomen gelijk in alles wat je zegt over die brieven van je, - maar heusch ik ben niet toerekenbaar voor wat ik gisteren schreef. Ik kan me niet begrijpen, dat het gisteren was, het lijkt me veel, véél langer geleden toe. Ja, Lief, nu ik er over denk, ben ik over mezelf in de gróótste verbazing: ik weet absoluut niet meer, waarom ik gisteren toch zoo wanhopig-bedroefd ben geweest. En gisteren, - o, toen had ik wel honderd redenen weten te geven. Ik begrijp het niet, ik begrijp er heelemaal niets van. Misschien had ik een beetje koorts in mijn hoofd of zoo iets, want ik kan me die abnormaliteit anders werkelijk niet verklaren. Want het was toch heelemaal niets erg, dat ik in anderhalven dag geen bericht van je kreeg, het was eenvoudig belachelijk-dwaas van me, me dat zoo aan te trekken. Want jij kon natuurlijk heel goed een plotselinge verhindering hebben gehad. Het trof alleen juist zoo toevallig, dat ik dien dag in zoo'n ellendig-overspannen toestand was, - want anders, ik weet het zeker, zou ik heel verstandig-kalm en geduldig hebben afgewacht. Lieve, goede, ik verzeker je, dat het een last is als je aan zulke zenuw-attaques onderhevig ben, maar ik zal 't mezelf wel afleeren, - zóó gaat 't niet langer. Als 't niet zoo treurig was, zou 't werkelijk om te lachen zijn: die mane van mij, om per sé ongelukkig te willen wezen. 't Is pure nonsens en aanstellerij, ik heb 't mezelf eens flink aan 't verstand gebracht, en hoop, dat 't nu uit zal zijn voor goed. Daarom, Allerliefste, sla maar geen acht op dat onredelijk geklaag over brieven. Want je bent een eenig, bewonderenswaardig Lief, dat je zoo veel schrijft. Ik geloof, dat géén andere man dat zou doen. Je kon je best verontschuldigen door je werk of andere dingen, die ik, zooals je begrijpt, als zeer geldig zou moeten accepteeren, - maar dat doe je niet, beste Liefste! trouw ga je door. En ach, dat ik zelf zoo veel schrijf, dat is nu eenmaal een vrouwen-gewoonte, en ik doe het meer voor mijn eigen genoegen dan voor het jouwe. En dus vraag ik je nog eens, heel dringend en nadrukkelijk: schrijf mij nóóit méér dan je wil of kan. Want ik zou het onverdragelijk en onoverkomelijk-akelig vinden, als ik merken moest, dat je 't deed, omdat je wist, dat ik 't prettig vond of 't verwachtte. Beloof me dat, Lief! Ik beloof je, dat ik niet meer zonder reden klagen zal. Maar ik was down in de laatste dagen en daardoor gevoeliger voor dingen, die me anders niet zoo sterk getroffen zouden hebben. Liefste, dat gevoel, dat je beschrijft, dat kinderlijk-gelukkige, | |
[pagina 361]
| |
teere, - dat heb ik ook wel eens gehad, plotseling, maar dan héél kort. Er moeten dan geen hinderende dingen om je heen zijn, - je moet heel-alleen wezen met je kalme, zachte gedachten, - en dan zie je alles, of 't was in een stillen droom, naïef onbewust, maar opperst-gevoelig zie je alles aan, - je voelt je naïeveteit, als 't ware, - is 't zoo niet? Toen op diezelfde oogenblikken, of eigenlijk den heelen avond ben ik, wèl anders, maar toch zoo vreugdig bewogen geweest. Het was na de ontvangst van je brieven, en ik was toen volkomen onder den indruk van den terugslag op mijn bedroefdheid-van-den-heelen-dag. O, Lief, wat is dat toch opmerkelijk en eigenaardig, dat wij weer dezelfde woorden tegelijk hebben gebruikt! O, ik vind het heerlijk, verrukkelijk, zie je, dat in onze hoofden dezelfde gedachten blijken rond te gaan. Tot morgen, eenig, eenig Lief!
Zacht-teeder zoent je
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Liefste, Nu ben je waarschijnlijk in Amsterdam, om bij 't promoveeren van Boeken te zijn. Vertel je me er eens iets van? Want ik zou 't wel aardig vinden een beetje te weten hoe dat gaat. Ik heb gisteren Walden aan Veenstra gestuurd, en hoop nu maar, dat ik 't gauw terug-krijg, want ik verlang erg, er aan te kunnen beginnen. Als je niet veel tijd hebt, zal 't nu misschien te laat zijn, om je nog meer verzen en de fragmenten te sturen en toch wou ik zoo vreeselijk graag je oordeel er over weten. Maar, toe, Lief, wil je me in elk geval gauw de andere verzen zenden, de schriften en de losse blaadjes, wil je? Als ik ze niet zoo dringend noodig had, zou ik er je niet zoo dikwijls om plagen. Want ik weet wel, dat ik je veel moeite geef. Maar ik moet ze nog allemaal copieeren, alle verzen voor den bundel, en 't is al zoo gauw 15 Juli. O, Willem, 't is zóó heerlijk, dat ik nu weer heelemaal beter ben. Ik geloof eigenlijk, dat het al de vorige maand begonnen is, en aldoor erger werd, dat onnoembaar-verschrikkelijke, waar ik machteloos aan overgeleverd ben. Maar nu is het weg, - en ik zal er me met | |
[pagina 362]
| |
alles tegen verweren, dat het me niet meer meester kan worden. Liefste, je wist niet, want je zag het niet, hóe erg het was. Je zou het, al probeerde ik het te beschrijven, toch niet begrijpen, - je zou je heelemaal niet kunnen voorstellen, dat een gefingeerd verdriet zóó hevig, zóó diep, zóó fel-aangrijpend kan zijn. Maar nu is het weg, en ik voel me zoo verruimd, zoo prettig en luchtig nu! O, heel, heel anders dan eergisteren, - o, is het nog maar zóó kort? Er schijnen wel oceanen van tijd tusschen te liggen. O, alles is zóó heerlijk veranderd nu! Zie je, je brieven waren het groote toovermiddel. Want ik had nooit kunnen denken, nooit durven hopen, dat de overgang van smart naar vreugde zoo plotseling en zoo groot zou zijn. Als je nu vanavond thuis komt, Liefste, dan vind je dezen brief, waarin een hééleboel innige, lieve zoenen voor je gesloten zijn. Dag, lieve, goede Schat!
jouw meisje Jeanne | |
Bussum, 6 Juli '99O, Jeanne, zoo even ontving ik je brief van 1 uur. Je moet er niet meer aan denken, Lief! dat je mij verdriet gedaan hebt: toe probeer of je niet blij kunt wezen, probeer het eens, Lief! Want ik heb je ontzettend en eindeloos, zonder eenige bedenking, lief! Je maakt mijn diepste ziel wakker, die zelfs voor mezelf verborgen was, ik voel me, alsof ik voor het eerst ging leven nu, en ik zie ook jouw diepste Zijn, hoe mooi en vlekkeloos dat is, en blijf het met eerbiedigen hartstocht voelen, met onbeperkt vertrouwen en grenzelooze teederheid. Och, je bent wel wat zenuwachtig geweest, - maar je kent me betrekkelijk ook nog zoo weinig, is 't niet, maar als ik nu in den Haag woon, en je mij dag aan dag kan ontmoeten, dan zal alles wel langzamerhand beter gaan, en je zult dan een heel gelukkig mensch worden, dat geloof ik, dat weet ik zeker. Je hoeft nooit bang te zijn, dat ik kwaad op je zal worden, dat ben ik waarachtig nog nooit geweest, dat kan ik niet op je worden, want daarvoor heb ik je te innig lief. Het leven is niet zoo'n erg gemakkelijke zaak voor een hartstochtelijk meisje als jij, maar als ik je help altijd, zooals jij mij toch ook wilt helpen, dan kom je wel langzamerhand tot een heerlijke rust, waarin je wel aangedaan kunt worden en | |
[pagina 363]
| |
bewogen, maar zonder je evenwicht te verliezen. Je hoeft ook heusch niet te vreezen, dat ik je door al die dingen anders heb leeren zien, dat ik je nu bijv. voor een zenuwachtig meisje zal houden. Heusch, lieve Jeanne, vertrouw maar op mij, want ik verzeker je plechtig, dat kan je absoluut. Wij zullen altijd bij elkander blijven, zooals ik je verzocht heb, toen ik je ‘vroeg’. Herinner je je het nog wel? Dat meende ik toen uit het diepste van mijn ziel, en daar ben ik nooit in het minste of geringste in veranderd. Het kwam toen spontaan uit me, zonder dat ik die uitdrukking bedacht had van te voren. Ik had wel zitten te bedenken, wat ik eigenlijk zou zeggen, maar ik kon niets goeds vinden, en ik liet het er toen maar op aankomen, en zoo kwam er spontaan uit, wat ik je heb gevraagd. Ik heb je lief voor altijd, en al zou je mij nu weg-stooten, dan zou ik diep-ellendig zijn, maar ik zou toch van je blijven houden. Want jij bent de liefste en beste en grootste mensch, dien ik in mijn heele leven heb ontmoet. Het is nu kwart voor twaalven, en ik moet naar bed. Want morgen moet ik al om 8.58 naar Amsterdam. Innig-dankbaar en teeder-liefhebbend kust je op je mooie voorhoofd jouw eigen Willem, die door eigen, vrije wilsovergave jouw eigendom blijft door de heele toekomst.
Deze doe ik morgen als expres-brief in Amsterdam op de post. Maar ongelukkig zal je Zaterdagmorgen geen brief krijgen door al de drukte. Maar Zaterdagmorgen ga ik weer schrijven, dien je dan Zaterdagavond krijgt. | |
[Ongedateerd]Lieve, lieve, beste Willem, Vanmiddag ontving ik je heerlijken, prettigen brief, dien je in Amsterdam op de post hebt gedaan. Wat een drukke dag was dat voor je, vandaag, ik hoop, dat het ook een pleizierige dag is geweest. Het diner bij Coorengel zal nu misschien zoo wat afgeloopen zijn (negen uur). O, Liefste, ik hoop zoo, maar 't zal wel, denk ik, dat je je goed hebt geamuseerd, want dat mocht je heusch wel hebben na al de zorgen en verdrietelijkheden, die je in den laatsten tijd hebt gehad, en door alles, wat ik er je nog bij kwam brengen. Goede, goede Lief, het zal niet meer gebeuren, hoor, als ik 't éénigszins verhinderen kan! | |
[pagina 364]
| |
Wat een origineel-mooi stuk is Een Pleiziervaart van A. van Oordt in de N.G. En wat is hij goed voorzien van leuk-rake, typischteekenende uitdrukkingen. Vind je ‘Driekoningenavond’ van Cyriël Buysse in het Tweem. Tdschr. niet frisch, aangrijpend, mooi en sterk? O, Liefste, ik ben zoo blij, dat je nu al mijn brieven ontvangen hebt, die ik na Woensdag schreef, dus dat je nu mijn veranderde stemming weet. Ach, Lief, wat heb je toch wel van me gedacht, al die dagen? Dat ik me absoluut niet beheerschen kan, en toegeef aan al mijn neigingen en luimen? Heusch, Lief, dat is toch zoo niet! Het is maar uiterst zelden, dat ik tegenover een ander de macht over mijzelf verlies! Maar, zie je, Lief, ik beschouw je niet als ‘een ander’, ik spreek tegen jou uit, wat ik in mezelf denk en voel, alsof je 't weten moest, omdat jij 't aanvullend deel van mijn persoonlijkheid bent, begrijp je me? En daarom, Lief, geniet je 't twijfelachtig genoegen, van al mijn gedachten en zielsberoeringen op de hoogte te worden gesteld. Maar als alles in me, door jouw hulp, sterker en grooter en mooier wordt, zou 't dan misschien geen echt genoegen kunnen worden, Lief? Dag, Eenige, Goede, Beste! Ik zend je een oceaan van liefde.
jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Liefste,
Ik schrijf je dit even op Hein zijn kamer zittende. Zoo meteen gaan we naar Utrecht; 't is een voortdurend heen en weer vliegen, boodschappen etc.! Houd je sterk! Met innige liefde
jouw Willem
Zie ommezijde!
Liefste, bovenstaand briefje schreef ik vanmorgen op Hein zijn kamer, maar hij had geen envelop. Ik heb het toen in mijn zak gestoken, en heb verder den heelen dag geen gelegenheid gehad, om het te versturen. Ik ben den heelen dag in de drukte geweest. Och, van die promotie valt niet veel te vertellen. Een groote, hooge, langwerpige zaalkamer; in het midden een langwerpige, rechthoekige | |
[pagina 365]
| |
tafel met groen kleed. Daaromheen de professoren in toga's en Hein. Achter hem tegen den muur aan een rij stoelen, waarop Witsen, ik, en de familie Coorengel. De professoren en Hein begonnen te praten in 't Latijn, een uur lang. Toen dat gedaan was, rees Hein van zijn stoel, en stond toen aan de tafel, waarop een der professoren met een paar Latijnsche woorden zei, dat hij nu doctor was geworden. Het was nogal saai natuurlijk, die heele boel. Toen zijn we langzaam door Utrecht naar 't station gewandeld, en in Amsterdam gekomen, had er een diner plaats bij Mevr. Coorengel. Lief, het is bij eenen 's nachts, en ik ben natuurlijk een beetje moe. Morgenochtend schrijf ik weer, als ik eerst dezen op de post heb gebracht, waar ik een spoedbestelling van zal maken.
Geheel en al jouw jongetje Willem | |
[Ongedateerd]O, Willem, Liefste, als ik nu terug zie op àl dien tijd van mijn vertrek van Bussum tot nu, dan lijkt me dat één woeling van onrust en nervositeit, waarna ik nu eindelijk tot rust ben gekomen. Wel waren er tusschenpoozen van rust, maar telkens weer kwam er iets anders op in mijn geest, dat me verhinderde kalm-blij en gelukkig te zijn. Maar nu is àl dat drukkende weg van me, nu ben ik heelemaal weer vrij van kwellende gedachten, nu zijn mijn zenuwen eindelijk tot bedaren gekomen. O, het is me zoo'n oneindige verlichting, dat kan ik je niet zeggen. Als je me gevraagd had: ‘Maar wat had je dan toch eigenlijk?’ dan had ik er geen antwoord op kunnen geven; ik had absoluut niet geweten, wat ik had moeten zeggen. Want alles wat ik ondervond, was geen werkelijkheid, maar geschiedde in mijn verbeeldingsleven, en juist daarom was het zoo vrees-verwekkend en pijnigend-vreemd. Lief, ik begrijp 't niet, waarom ik toch altijd den drang in me heb gevoeld, om het goede wat ik had, voorbij te zien, en me hersenschimmige onheilen te scheppen. Ik weet, dat ik bevoorrecht ben boven vele anderen, - Lief, waarom waardeer ik dat dan niet? O, Willem, wil ik je nu eens wat zeggen? Daar heb ik toevallig, in Hamerling, de oplossing van het voorgaande gevonden: Auf hohen Bergen liegt ein ew'ger Schnee,
Auf hohen Seelen liegt ein ew'ges Weh.
| |
[pagina 366]
| |
Wat zeg je nu wel van zoo'n naïef pedantisme? (Je begrijpt wel, dat 't gekheid is, hè? Want al was ik ook nóg zoo overtuigd van de ‘hoogheid’ van mijn ziel, dan zou ik 't toch nooit zoo openlijk uitspreken!) O, Lief, 't is zulk mooi weer vandaag. En ik ben zoo prettig gestemd. Ik wou wel eens weten, of jij nu ook aan mij zit te schrijven, zooals je in je brief van gistermiddag zei, dat je zou doen. Het is nu half twaalf. Dat vind ik zoo'n allergenoegelijkst denkbeeld, zie je. Ik ben verlangend te weten, hoe alles gisteren is gegaan. Nu, lieve goede eindig ik maar weer tot vanmiddag of vanavond, wanneer ik weer tijd zal hebben, of als er een brief van jou is gekomen.
Met een hartelijken afscheidszoen tot straks
altijd jouw eigen Jeanne | |
8 Juli '99Allerliefste, Eenige,
Zooeven was ik mijn brief, dien ik gisteren na mijn thuiskomst schreef, op de post gaan brengen, en haalde meteen wat postpapier. Toen schoot mij plotseling het volgende plannetje te binnen, waaraan ik ook uitvoering zal geven, als 't je tenminste schikt. Maandag 10 Juli a.s. kom ik voor twee dagen in den Haag en breng dan al je verzen mee. Ik ga logeeren in de Toelast dien éénen nacht. Ik ben op 't idee gekomen, omdat ik 't een beetje onaangenaam vind, je schriften aan de post toe te vertrouwen, en dat is de reden, waarom ik 't ook nog niet heb gedaan. 't Is natuurlijk tienduizend tegen één, dat ze behouden overkomen, maar er zit toch iets hinderlijks voor me in 't idee. Terwijl dat zoo door mijn hoofd ging, dacht ik opeens: ‘Maar waarom ga je ze zelf niet brengen: je hebt toch aldoor in stilte verlangd om eens even in den Haag te wezen’. Dus, Lief, als je er niets tegen hebt, dan kom ik Maandag 9.58 spoortijd, dat is 12 minuten voor half elf gewone tijd. Ik wil niet vragen, of je mij komt afhalen, want dat gaat misschien niet in den Haag. Maar als je 't kunt doen, zou je dan wel met een rijtuig komen, zooals je immers in April gedaan hebt? Ik wou zoo graag, o, zoo | |
[pagina 367]
| |
graag, eerst nog een uurtje met je omloopen. Schrijf je me dus bijtijds, of ik gelegen kom? Ik ga inwendig hoe langer hoe meer van je houden, en ik verlang naar je ontzettend. Vind je mijn plannetje eigenlijk óok niet leuk? Het is mij zoo opeens te binnen geschoten. Maar denk hier s.v.p. om: op Zondag is er maar één bestelling in Bussum, 's morgens om half twaalf. Ik breng nu deze gauw op de post en maak er een spoedbestelling van.
Met mijn geheele Zijn
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, Allerliefste, Wat vind ik dat een éénig heerlijk, ontzettend-verrukkelijk plan van je! O, ik vind het in één woord goddelijk! O, Lief, je zal aller-allerwelkomst zijn, daar hoef je niet aan te twijfelen! Want o, ik verlang naar je, ik kan je niet zeggen, hóe erg! Natuurlijk kom ik je halen, Lief, denk daar vooral om, en ga niet te gauw van het perron, als je me niet dadelijk ziet. O, Lief, Lief, wat een zalig vooruitzicht! Straks schrijf ik je weer, maar doe dezen nu maar weg, om er zeker van te zijn, dat je hem tijdig krijgt. Dag, eenige, liefste Lief!
jouw eigen Jeanne | |
Bussum, 8 Juli '99Liefste Lief,
Beschuldig je zelf toch heusch niet, dat je je te weinig beheerschen kunt. Want kijk nu eens, hoe 't met mij is: ik stuurde vanmorgen al twee spoedbestellingen naar je weg, en nu is het toch dadelijk weer, of mijn hand naar het papier moet grijpen, om een derden brief aan je te schrijven. Iets praktisch-belangrijks heb ik je eigenlijk niet meer mee te deelen op het oogenblik. Ik wou je alleen maar | |
[pagina 368]
| |
zeggen, dat ik nog nooit zóó overweldigend-sterk naar je heb verlangd als vandaag. Ik behield altijd nog de macht om bedaard te denken over al mijn gevoel heen: ‘Nu ja, houd je maar wat kalm; dezen winter zal je haar waarschijnlijk iederen dag, maar in elk geval heel dikwijls zien’. Maar vandaag, Jeanne, o, ik weet zeker, dat als ik vandaag bij je was, en je zou mij pijn willen doen, ik denken zou: het doet haar zeker pleizier, - en dan zou ik alles stil verdragen. Voel je nu misschien, Engel van een Jeanne, dat ik je liefheb met mijn geheele Zijn, en dat er niets in mij is, wat niet met jou volkomen en in alles sympathiseert? O, ik voel 't zoo, er is geen enkel ander mensch op de wereld, zoo heerlijk-goed, zoo zuiver-waar, zoo nobel-kranig in alles als jij: Ga hier nu niet tegen-in redeneeren, toe, Lief! Want ik weet wel, dat jij jezelf altijd declineeren wilt. Maar, heusch, Lief, dat heeft op mij toch geen effect. O, Lief, als je zoo in de wereld rond-kijkt, dan zie je eigenlijk overal bedrog en oneenigheid en herrie en ellende, maar ik voel zoo vast, dat wij met zijn tweeën, zooals wij zijn, een wereldje voor ons beiden alleen in de wereld zullen kunnen opbouwen, waar niemand anders inkomt, en waar wij, ons heele leven, met elkander zullen omgaan, in vlekkelooze harmonie zonder einde. Onthoud het toch altijd goed, Jeanne: ik heb het in Bussum al eens tegen je gezegd: Ik heb je diep lief, niet omdat jij nu toevallig een vrouw bent en ik een man, en man en vrouw zich tot elkander aangetrokken voelen, - neen, ik heb je zoo lief, buiten nog je vrouw-zijn om, omdat jij zoo'n prachtig, goddelijk mensch bent. Ik ben wel blij, dat je een vrouw bent en dat je, bij al je andere eigenschappen, de aangename zachtheid en spontaneïteit van de vrouw-in-'t-algemeen bezit, maar ik heb je in de eerste plaats toch lief als mensch. Ik weet zeker, dat je mij gelukkig zult maken, en ik voel ook den opperstzuiveren wil en de goedheid-van-hart en de overgave in me, om jou altijd even gelukkig te doen wezen, als ik, dat voel ik, door jou zal zijn. Ik ben heusch geen bruut of dwingeland of stijfkop, zooals zoovele mannen, geloof ik, zijn. Ik wil met je samen-zijn in onafgebroken harmonie; innerlijk zoowel als uiterlijk zal ik altijd vriendelijk en zacht en zonder voorbehoud liefhebbend voor je wezen. Weet je, Lief, wat ik van de dingen, die ik over je zeg in mijn verzen, zoo kenmerkend waar vind? O, wondre mengeling van kracht en teerheid,
Volschoone bond van rede en van gevoel!
| |
[pagina 369]
| |
Daar zit jij voor mij heelemaal in: jij bent geen slappe, gedweeë vrouw, die zichzelf weg-maakt, en op alles, zonder nadenken, ja en amen zegt, maar aan den anderen kant ben je ook niet onbuigbaarhardnekkig en dwingend-eischend, als je maar weet en voelt, dat de mensch met wien je te doen hebt, in zichzelf óók niet die houding tegen jou heeft. En je zult van mij ook wel langzamerhand merken, Liefste, dat ik wel sterk, maar heelemaal niet hard of grof ben. En ik durf mij zoo over mijzelf volkomen gerust tegen je los-laten, want ik weet, dat je meer dan een gevoelige vrouw bent. Daar is bij jou zoo'n mooie harmonie, als ik nog nooit gezien heb, tusschen je verstand en je gevoel. En ik ben zoo blij, dat ik jou kan liefhebben, met een liefde, die wel in mijn onbewustheid ontspringt, maar die toch volkomen voor mijn bewustheid gerechtvaardigd is, hoe lang ik ook moge denken over je menschelijke Zijn. Versta me nu goed, Liefste, dit zijn geen vleiende complimentjes, dit is mijn precies-gewetene, innerlijke overtuiging. En daarom ben ik zoo onzeggelijk-gelukkig, omdat ik mij mag noemen met jouw toestemming, geheel en al en zonder dat er ooit een eind aan komt,
jouw eigen Willem
Al voel ik nu zoo sterk voor je, daarom hoef je toch nooit bang te zijn, dat ik dat gevoel ooit op eenige manier zal uiten in presentie van derden, wie ook. Niet dat ik mezelf dat hoef te beletten, neen, de wil tot uiten komt absoluut niet bij mij op, zoodra er anderen bij zijn. Alleen de gedachte bijv. dat ik je nog wel eens een zoen zal mogen geven, bedwelmt mij als het ware, als ik alleen op mijn kamer zittend en aan jou denkend, zoover kom te gaan, maar toch verzeker ik je, dat, zoodra er een derde bij is, ik je nooit een zoen zal geven, behalve natuurlijk, schoon ook dát hoogst zelden, op je hand. Een handkus buitendien is ook meer een uiterlijke vorm. Ik zeg dit maar, ofschoon je 't waarschijnlijk wel van me weet al, om je alle mogelijke innerlijke verlegenheid en vrees te ontnemen, als ik Maandag bij je in den Haag kom. Je gezicht te kussen in tegenwoordigheid van wie ook, kan niet in me opkomen, zoo iets strijdt geheel met mijn natuur. En ik geloof wel, dat je 't daarin heelemaal met me eens bent. Ik zweer je ook, je kunt op mij bouwen als op een rots. Daar is niet één gedachte in mij, ja, daar is er ook nog niet één geweest, en daar zal er nooit een komen, dat weet ik, die ook maar eenigszins | |
[pagina 370]
| |
van je afgaat. Want ik heb je diep lief, zonder eenig voorbehoud of eenige achtergedachte, en zal je altijd dankbaar blijven, dat je mij niet geweigerd hebt. O, innig-dankbaar ben ik je. Nu, Lief, nu moet ik eten: zoo meteen word ik geroepen.
Volkomen jouw eigen Willem
Ik ben weer boven na den eten, en wou en moet je toch nog even zeggen: dat ik je liefheb, je liefheb, je liefheb! O, Jeanne, ik voel zoo, dat mijn heele innerlijke Zijn naar je toevliegt, omdat jij jij bent, en ik dank je heel diep, dat ik de jòuwe mag zijn. Mijn hart is uitsluitend en absoluut van jou. Ik kus je, en beloof je, dat ik altijd zal zijn en blijven
jouw zoete Wimpje | |
[Ongedateerd]O, Lief, ik ben nog in één verrukking over je prachtige plan. Ik kan me haast niet voorstellen, dat we elkaar overmorgen werkelijk al weer terug zullen zien. Ik schreef, na ontvangst van je brief, dadelijk een briefje, en liet het naar het postkantoor brengen, waar gezegd werd, dat het vanavond in elk geval nog in Bussum kwam. Ik denk, dat je dezen brief, die om tien uur weg-gaat, ook nog wel Zondag ontvangen zal. Tenminste, de vorige Zondag was het zoo. Toen kreeg ik op een brief, dien ik 's Zaterdag 's avonds om tien uur weg-bracht, al 's Maandags, met de eerste post, antwoord van jou. Liefste, natuurlijk kom ik je afhalen. Alleen den eersten keer was het niet ‘gepast’, omdat we toen nog niet publiek geëngageerd waren. Maar ik heb 't toen immers toch gedaan? Denk er dus vooral om, dat ik er wezen zal, Allerliefste. O, herinner je je nog dien laatsten rit van ons door Amsterdam? Die komt me nu zoo ineens in de gedachten. O, wat vind ik het heerlijk-zalig, dat ik nu mer je over mijn verzen praten kan, - o, wat is alles heerlijk, heerlijk! Ik ga dezen brief gauw zelf even weg-brengen. Tot overmorgen, Liefste, Beste! O, hoe verrukkelijk, dat ik dit zeggen kan!
Altijd jouw eigen Jeanne | |
[pagina 371]
| |
Bussum, ParkzichtLiefste, ik weet zelf niet, wat het is, maar ik voel me zóó onweerstaanbaar tot je aangetrokken: de heele wereld is niets voor mij, behalve jij alleen. Ik zou zoo graag aldoor willen liggen met mijn hoofd op je schoot, ziende op naar je gezicht, terwiji mijn hand zacht mocht spelen met de jouwe en ik je van tijd tot tijd lief hoorde zeggen: ‘Jij bent een goeje jongen, en ik mag je heel graag linden; blijf maar stil zoo liggen, want het hindert mij heelemaal niets. Je mag, heusch! altijd bij mij blijven’. Dan zou ik mijn hoofd, waar het lag, zacht tegen je middel drukken, en als je mij dan vriendelijk over mijn haren streek, dan zou ik een gevoel krijgen of ik droomde van 't paradijs. Want, geloof me, Jeanne, ik ben niet gewoon-, banaal-verliefd op je, omdat je een neus hebt en een mond en een taille, zooals je hebt. Ik vind, laat me het maar zeggen, dat je een gezicht hebt om voor te knielen, en ik zou niet willen, om niets in de wereld, dat er aan je uiterlijk ook maar iets werd veranderd, maar toch heb ik je daarom niet lief in de eerste plaats. Neen, ik zweer 't je, ik heb je bovenal lief om je innerlijk Zijn, om wat ik noem: je ziel. O, als ik eenzaam op mijn kamer zit, en ik geef mij over aan mijn fantasie, dan zie ik ons wel eens zweven in een mystisch rijk, eigenlijk onlichamelijk en toch met een lichaamsvorm, gehuld in zacht-lichte, lang-uit-vlottende gewaden, jij met je armen om mijn hals en je hoofd op mijn schouder, beiden drijvende als op onzichtbare vleugels, zacht ons voortstuwend in zalig gedroom. De ruimte is om ons heen, en wij gaan altijd maar zoo door, wetend niet waarheen, wetend alleen maar, dat het overal vredig en veilig is, en dat niets in der eeuwigheid kan verstoren ons rustig-hoog samenzijn en goddelijk gezwier. Geloof je nu, Jeanne, dat ik je echt liefheb, niet oppervlakkig om een uiterlijkheid, maar diep-in om je heele menschelijke Zijn? Geloof me, jij bent de Liefde mijner Ziel, en ik heb je lief, o, liefste mensch, als mensch. Wij zullen ons heele leven tezamen blijven, nietwaar, heerlijk Lief? Welnu, ik zweer je, je kunt in alles op mij rekenen; ik zal je sterken en steunen en helpen in alle dingen, met ernst, waar je behoefte hebt aan ernst, met vroolijkheid als je om vroolijkheid vraagt. Je hebt het wel eens gezegd, maar je bent niet innerlijk kwaad, je bent innerlijk goed, want je wilt nooit het kwade om het kwade-als-kwaad. En ik voel zoo diep voor je, en weet, | |
[pagina 372]
| |
zoo zeker, dat dit altijd zoo zal blijven, zonder eenige vermindering, dat, als je je ooit overtuigd moest houden, door eigen ondervinding, dat ik een andere had liefgekregen, dan zou je mij niet alleen mogen verachten, maar mij die verachting in mijn hart duwen met een dolk, zonder genâ. Want dan zou ik, om mij niet voor mijzelf te hoeven schamen, met een eed op mijn sterfbed verklaren, dat ik mijzelf met dien dolk had gedood. Voel je nu, hoe diep ik je liefheb, en hoe ik je vereer, o, prachtigste en zuiverste ziel, die ooit bestond? O, ik ben je zoo dankbaar, want vóór ik jou ontmoet had, vermoedde ik wel mijzelf, maar ik kende toch niet, met vol bewustzijn, mijzelf zóó, als ik nu mijzelf heb leeren kennen, in het innerlijke licht hoog-heerlijk, dat jij wakker riep in mijn ziel! Voel je nu, wat ik bedoel, als ik zeg, dat ik je hartstochtelijk liefheb? Ik kus je dolgraag, maar dat dolgraag slaat niet op den kus als kus beschouwd, als prettige lichaamsbeweging, waar ik jou nu, door de omstandigheden, toe krijgen kan, - neen, dat ‘dolgraag’ slaat alleen daarop, dat jij, Jeanne, het bent, die ik dan kus. Dat is precies het zielsgevoel, dat altijd in mij omgaat en mij gelukkig maakt, als ik jou, Jeanne, kussen mag. Ik vind kussen alleen prettig, omdat jij door mij gekust wilt zijn. Voel je nu, dat ik ben, zonder eenige zelfbedenking geheel van jou in het leven-hier-op-aarde, en, als er na den dood nog iets komt, ook dàn? Ik wil één met je zijn, absoluut en voor eeuwig, en ik wil geen geluk, geen pleizier hebben, ik wil niets hebben, als jij niet gelijk-met-mij-op er in deelt. Van mij heb je nooit verdriet te vreezen, daar zal ik voor zorgen, maar als je ooit door mij leed mocht krijgen, zonder dat ik het helpen kon, omdat ik te stom was, om uit mijzelf te begrijpen, dat ik je verdriet deed, o, Jeanne, verberg het dan nooit in jezelf, maar kom er altijd zacht-open voor uit, dan zal ik veranderen en zóó doen als jij 't graag hebt. Voel je nu, dat ik vertrouwen stel, óók in je verstand? Geloof me, ik zal tegen jou nooit hard of scherp zijn, dat zou ik niet kunnen. O, ik geloofde niet meer aan de toekomst; ik zag niets dan toekomst-eenzaamheid, die ik doodstil-somber, gelaten tegemoet ging, mij troostend alleen met de stille gedachte: Nu ja, op 't laatst komt toch zeker de eeuwige nacht, of, heel misschien ook het eeuwige licht, als tenminste dit vreugdelooze leven iets meer is dan een droom. Maar mijn inzicht in het leven is nu door jou geheel veranderd, ik zie nu weer geluk en vreugde in de toekomst, en ook | |
[pagina 373]
| |
jouw leven, Lief! zal zoo vreugderijk wezen, als maar het leven van een mensch kan zijn door het prachtig-willend toedoen van een medemensch. Ik heb den vasten wil om voor jouw geluk te leven, want ik voel, dat je ook mij geluk wilt geven, waarmee je maar kan. Ik zal nooit optreden als je heer en meester, zooals andere mannen dat wel plegen te doen, maar alleen als je je liefhebbende medemensch, en we zullen met ons beiden een tempel bouwen van hoog en klaar, maar inwendig-gepassioneerd geluk, waar de menschen òm ons alleen maar den rustig-vriendelijken buitenkant van zien. Ga je nu misschien niet een beetje voelen, dat ik je liefheb, en hoe ik je liefheb, en hoe ik in de Toekomst, waarvan dit Heden het voorspel is, altijd met je samen wil zijn? Heusch, ik wil niet je beheerscher wezen, maar je steun en je troost. Jij hebt het wonder aan mij gedaan, waar ik niet meer aan wou gelooven: jij hebt mijn vertrouwen in de menschelijke ziel hersteld; want door net leven droef-wijs geworden, geloofde ik nog alleen maar in mij zelf, maar zonder eenig animo, maar nu, o, mijn Zielslief, geloof ik nog meer dan in mijzelf, in jou. Wil je mij aannemen, Lief! als jouw eigendom, maar ook als helper en sterker en je behoeder voor nú en altijd? Tot Maandag, Liefste! tot morgen!
Teeder kust je met zielsovergave
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, morgen! ik ben zoo zalig-blij, ik vind 't zoo verrukkend-heerlijk, dat je komt! Want één gesproken woord van jou geldt méér dan nóg zooveel brieven. Vind je dat zelf ook eigenlijk niet, Lief? Nu weet ik pas, hoe erg ik er naar heb verlangd weer eens met je te praten, je stem weer eens te hooren, nu het werkelijk gebeuren zal. O, Lief, wat zal dat later toch innig-prettig wezen, als we alles altijd dadelijk aan elkaar kunnen vragen, en er nooit meer door brieven een misverstand of wát ook, kan ontstaan. O, Lief, ik ben zoo gelukkig, gelukkig met je brief van vanmorgen. Ik kan je niet zeggen, wat een blijde vreugd die me gegeven heeft. Je bent zoo goed, Lief, zoo lief en vriendelijk en zacht, en ondanks alles blijf je altijd dezelfde voor mij. 't Verheugt me zoo | |
[pagina 374]
| |
diep, Lief, dat jij verder ziet dan 't onaangename oppervlak, - dat jij gelooft, dat er wel meer en betere dingen in me zijn, dan die ik soms alleen maar laat zien. Lief: dit is ook een van de redenen, waarom ik zoo ontzettend veel van je houd: dat jij me begrijpt, dat jij me voelt, ook zonder dat ik, wat ik niet altijd kàn, me heelemaal uitspreek. Jij bent de eerste en eenige mensch, aan Wien ik me heb geopenbaard, - en dat-alleen is al een bewijs van mijn liefde. Liefste, Eenige! Als ik mezelf beschuldig me niet te kunnen beheerschen, dan doe ik dat, omdat ik weet, dat ik er jou verdriet mee heb gedaan, - maar jij (als bewijs noem je, dat je, na je beide spoedbrieven, er wéér een, aan mij begon) jij doet er mij het allergrootste pleizier mee, dat je mij aandoen kàn! Misschien zal je dezen brief nog tijdig krijgen, als je Maandag tenminste niet vóor de eerste post van huis hoeft te gaan. O, morgen! Wat zal ik je dan veel te vragen en te vertellen hebben! 't Is zoo verrukkelijk-lief van je, dat je dit plannetje hebt bedacht! Ik eindig nu maar, want alles wat ik je zeggen wil, bewaar ik liever voor een mondeling gesprek.
jouw eigen, eigen Jeanne |
|