Liefdesbrieven
(1927)–Willem Kloos, Jeanne Reyneke van Stuwe–
[pagina 51]
| |
Tweede periode | |
[pagina 53]
| |
Tweede periode
| |
[pagina 54]
| |
ik ga dezen brief op de post brengen, dan krijg je hem vanavond nog. Ik ben naar Amsterdam gegaan, om wat bloemen voor je te bestellen, die je ook hoogstwaarschijnlijk vanavond krijgt. Schrijf mij eens, met kennersoog, ze objectief bekijkende, hoe je ze vindt, of ze naar je smaak zijn: dan weet ik het voor het vervolg, dat die firma daarvoor dienen kan. Ik heb ze zelf niet uitgezocht, want dat zou misschien te lang geduurd hebben, en dan kreeg je ze vanavond niet meer.
Geloof mij voor altijd je je innig liefhebbenden
Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, lief, zooeven die goddelijke bloemen van jou! O, hoe lief is dat van je, hoe innig, innig lief! O, ik dank je, Willem, met mijn beide armen om je hals en mijn wang tegen de jouwe, ik dank je, ik dank je, ik dank je, dat je zóó aan me hebt gedacht! O, ik ben er zoo blij mee, zoo héél, héél erg blij, - o, lief, wat ben je toch lief voor me, en wat maakt 't me gelukkig, goddelijk, zalig, verrukkend gelukkig, dit bewijs, dat je wèl om me geeft! O, als je nú bij me was, dan zou ik je beter, echter, hartelijker kunnen danken, lief, - ik zou je kussen, zóó, dat je begreep, begréép, hoe heerlijk gelukkig en blij je me hebt gemaakt! Maar nu zal ik het doen, den eersten keer, dat wij elkaar weer zien; ik zal al de kussen, die ik je geven wou, en al het lieve, dat er nu voor jou in me is, voor dàn bewaren! Ik schrijf je morgen weer, ik wou dezen zoo graag vanavond nog weg laten gaan. En antwoord je dan meteen op jouw brief, die dan wel gekomen zal zijn. Dag, lief, dag, Willem, mijn allerallerliefste, mijn éénige, van wien ik houden kan en zal! Ik neem je hoofd in mijn handen en zoen je heele, heele gezicht. Voor áltijd, áltijd en áltijd jouw Jeanne | |
[pagina 55]
| |
zijn ze nog. O, ze zijn in één woord magnifiek, en ik dank je nog eens, héél hartelijk, Lief, voor die állerliefste attentie. Vanmorgen kreeg ik je brief, o, Willem, Willem, wat een genot is 't voor me, als je zóó over de kennismaking schrijft. Mama was ook zóó blij, je te hebben leeren kennen; je hebt zoo'n echt-prettigen indruk op allen gemaakt, zóó, dat ze niets vreemd met je waren, begrijp je? Je moet veel hartelijke groeten hebben van Mama en ook van mijn zusters. Ik ben in zoo'n vroolijke stemming vandaag, - ik weet niet, ik geloof: je bloemen bedwelmen me een beetje. Ik moet je even wat vertellen over de portret-kwestie. Ik kreeg eerst een smeekschrift van den uitgever, dat ik aan den redacteur beantwoordde, en toen, schrik niet, - een formeelen dreigbrief, door beide heeren onderteekend, waarin ‘de diepe wanhoop hen gedwongen had’, woorden te plaatsen als: unfair, unladylike, woordbreuk en dergelijke. En nu heb ik daarop een antwoord samengesteld, neen, je zou schateren als je 't las, zoo kranig. Hier thuis waren ze allemaal in extase. Ik begrijp natuurlijk wel, dat ik hen, door 't intrekken van die belofte dupeer, maar zoo'n brief is wel een beetje kras. Je zal zeggen, waarom ik hem jou niet stuurde, zooals we afgesproken hadden, maar dat kon niet, omdat ik er dadelijk op moest antwoorden. Zeg, Willem, ben je nu niet gevleid, dat ze zóó gesteld zijn op 't portret van je meisje? Geloof je niet, dat 't een enorme attractie voor 't bladGa naar voetnoot1) zou zijn geweest?! Wat ben ik flauw, hè. O, ja, Willem, zeg eens, ik ben je meisje, maar wat ben jij nu van mij? Verzin daar eens een woord voor, doe je 't? Ik heb je bejaarde Venus weer gezien, je weet wel, die je een oogenblik berouw deed hebben. Ik had de stumpert zoo graag eventjes blij gemaakt met haar van je bewondering te vertellen, maar ze was op haar fiets, en dus te gauw voorbij. - Ik moet nu heusch gaan afbreken (met de pen, maar niet met het hart... of hoefde ik er dit niet bij te zeggen: was je niet ongerust?) want ik moet nog allerlei brieven schrijven aan familie, - dat doe ik natuurlijk naar één model. En dan komen de: ‘Wij-hebben-al-tegen-elkaargezegd's’ en de ‘Dat-dacht-ik-al's’ los. Zeg, Willem, je moet me toch vertellen, of je mijn eersten brief | |
[pagina 56]
| |
na Zondag, met bevende vingers hebt open-gemaakt, in angst, dat er ‘Amice’ of ‘WelEdGeb. Hr.’ zou boven staan. Ik geloof er niets van. Je bent eigenlijk veel te zeker van me, ik zal je eens een beetje bang maken me te verliezen, dan ga je véél meer van me houden. Zal ik dat doen? Nu, ik zal je toch maar een kus zenden, want voorloopig ben ik nog jòuw Jeanne
Zeg, lief, ben je boos om al die flauwiteit? Om jou pleizier te doen, word ik nog even van het smachtende type, waar jij zooveel van houdt: ‘Mon coeur ne peut changer!
Souviens-toi que je t'aime!’
(Uit: ‘Mireille’.)
Vanavond schrijf ik je weer. Maar niet zoo'n harlekijnsbrief. Een echte. Dag, lief. | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 57]
| |
houd er van, gestadig en diep; maar 't is toch allemaal niets, heelemaal niets, vergeleken bij jou. Och, ik wou zoo graag je wel erg lange, maar toch eigenlijk héél kleine jongetje zijn, waar je pleizier in hadt, en dat je aardig vond. Als je mij dan maar van tijd tot tijd een tikje om mijn hoofd gaf en ik je dan aan mocht kijken; en jij mij dreigde, alsof je vechten wou, dan zou ik dat zoo verschrikkelijk prettig vinden. Ik zou je heusch geen kwaad doen (want dat doen jongetjes wel eens, maar die zijn dan ook naar). Maar ik zou, heusch, een heel vriendelijk jongetje voor je zijn. Alleen zou ik je van tijd tot tijd een zoen willen geven, heel zacht en vriendelijk, want dat kunnen jongetjes, geloof me, heel aardig doen, als ze een meisje voor zich hebben zooals jij: Of neen, geloof me toch en je weet het óók wel, daar zijn geen meisjes zooals jij; daar is maar één meisje, dat zoo lief en aardig en mooi en vriendelijk als jij is, en dat ééne meisje ben jijzelf. Zie je nu wel, merk je nu wel, dat ik heelemaal geen kwaad met je vóór heb, en dat ik het heel goed en zacht en innig-lief met je meen? O, hé, Jeanne, ik wou zoo graag, dat ik je jongetje was! O, als ik de engagementskaarten maar eens kreeg! Dan zou er misschien wel kans op zijn, dat ik je vriendelijke en aardige jongetje werd, waar je precies mee kon doen wat je wou. Zou je dat goedvinden, als het zoo was? Want, kijk eens! ik ben een jongetje, eigenlijk zoo onschuldig als een pasgeboren kind. Maar ik schreeuw toch niet, en huil toch niet: o, dat kindje doet alle dingen, precies alsof 't een meneer was, hij morst niet met zijn boterham en drinkt zijn kopjes altijd behoorlijk-netjes leeg, zonder dat er een druppel langs den buitenkant gaat loopen. O, driedubbel-overgehaalde snoes, ik wou eigenlijk heelemaal niets anders tegen je zeggen, dan dat ik altijd een heel goed jongetje voor je zal zijn. Ik ben heusch niet zoo droog als ik wel lijk, en ik hoop altijd te mogen wezen jouw lieve, zachte en grappige tijdverdrijf. Wil je dat wel van mij gelooven? Ik heb je zielslief zooals je bent, heelemaal in alles en om alles wat je doet en wat je zegt, wat je voelt en wat je denkt, om zooals je er uitziet, en om zooals je innerlijk bent. Toe, zeg me, lief, word je daar nu misschien een beetje blij mee, nu ik je zoo de waarheid zeg in je lieve, aanbiddelijke gezicht?
Jouw eigen Willem
van jou heelemaal alleen. | |
[pagina 58]
| |
[Ongedateerd]O, wat een schat, wat een engelachtig jongetje ben je toch, om zoo'n aardigen brief aan je meisje te schrijven! Ze was moe, moet je weten, want ze had vandaag honderd zesendertig (of neen, want in elk couvertje zitten er twee, dus eigenlijk tweehonderd tweeënzeventig) kaartjes verstuurd, maar die brief heeft haar weer heelemaal opgefleurd. Zie je, dat vind ik nu toch zoo allerliefst en aardig van je, dat je mijn zoete, gehoorzame jongetje wil zijn. (Die woorden zeg je wel niet, maar ik begrijp 't toch wel, hoor.) Je zal me nooit plagen, wel? Dan zal ik jou ook nooit plagen, en we zullen altijd prettig spelen met elkaar. O, lief jongetje, als je nu hier was, dan ging ik krijgertje met je spelen, zoo moe als ik ben, o, Wim, zou dat niet aardig zijn? En we zouden nooit kibbelen samen, maar altijd lachen en zingen, als echt-ideale kindertjes, die we dan ook zijn. O, Wim, je informeert wel niet naar die verschrikkelijke portretkwestie, maar ik weet toch wel, dat je doodelijk ongerust over me bent, en zal je dus maar gauw uit den angst helpen. Dezelfde menschen, die eerst van plan waren ‘een actie van schadevergoeding’ tegen mij bij ‘de rechtbank’ in te dienen, staan nu, na mijn prachtigen brief, chapeaux bas, en kunnen niets anders doen, dan mij geluk wenschen met mijn verloving met den ‘gevierden dichter W. Kloos’. O, Willem, wat jouw naam al niet doet! Eigenlijk vind ik het een beetje jammer, dat die ‘actie van schadevergoeding’ niet is doorgegaan, - dan had ik eens precies geweten, hoeveel ik waard was, en dan had ik je dat heel trotsch verteld, - als 't véél was namelijk. (Maar dat zou wel). Zeg, Wimpje, klein liefje van me, ik heb al negen felicitaties gekregen vandaag. De helft is voor jou, dus eigenlijk viereneenhalve felicitatie. Ik bewaar alles natuurlijk, dan kan je alles later lezen. Doe jij 't ook? (Niet vergeten, lief!) Maar nu zal ik je maar direct eens heel blij en gelukkig maken. Een oude generaal (dit ‘oude’ dient ter geruststelling) schrijft aan me, sprekende over jou: ‘Gelukkige man! Als ik hem persoonlijk kende, ik zou hem heden nog gelukwenschen met het zeldzaam juweeltje, dat hij op zijn levenspad heeft ontmoet.’ Ben je nu blij, Wim, en trotsch op je juweelige meisje? Of wist je al, dat ik dat was? Hier kan je toch niet anders dan ‘ja’ op zeggen. Morgen schrijf ik nog meer goeds van mezelf, dat is noodig, weet je, want jongetjes hebben maar kleine geheugentjes en het meisje wil niet vergeten zijn. Dan maak ik er ook eens een spoedbestelling van, | |
[pagina 59]
| |
als 't jongetje dat maat pleizierig vindt. Ook de kaartjes krijg je gauw. Dag, mijn aardig, lief, goed, klein jongetje, dag, Wim, dag, mijn schat, ik zoen je op je wangetjes en op je mooie haar.
jouw meisje Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 60]
| |
en innig-lief en vriendelijk, en dat allemaal voor jou alleen. Dingen, die ik wel wist, dat ik in mij had, maar die ik tegen niemand kon zeggen, omdat niemand ze voelde of ze begreep, kan en mag ik nu uitspreken tegen jou. Begrijp je nu, hoe ik van je houd en waarom ik zóo van je houd? Ik wil zijn de meelevende en meevoelende, de voor jou alleen zachte en lieve en hartstochtelijk-gevoelige, maar sterke mensch. Ik moet nu dezen brief wegbrengen, daarom eindig ik nu: 't is half elf 's avonds. jouw eigen Willem | |
Bussum, Villa Parkzicht
| |
[pagina 61]
| |
daarom houd ik toch niet alleen van je. Ik voel in mijn ziel bovendien een drang, die me onweerstaanbaar naar je heentrekt; ik geloof absoluut en zonder voorbehoud in je; ik geloof alles van je, wat je in ernst zegt, alleen omdat jij het zegt. 't Zal me benieuwen, wat je van Mevr. Versluys vindt. En dan moet ik je nog wat vragen. Gisteren kwam mijn mede-inwoner op Parkzicht, C. Verster, bij mij op mijn kamer, en vertelde mij, dat hij Jan Broedelet had ontmoet, en dat die hem wist te vertellen, hoe mijn meisje heette. Hoe is dat mogelijk, begrijp jij dat? Jan Broedelet is 21 jaar en woont in Hilversum. Hij is heel aardig en onderhoudend, maar altijd een klein beetje wat men noemt ‘een acteur’. Ik had hem natuurlijk nooit over jou gesproken. Alleen had hij, toen hij een dagje bij mij was, zooals hij dikwijls doet, - je bundel opgenomen, en ik vroeg hem toen terloops, of hij je misschien kende. Want de familie Broedelet heeft tot voor een paar jaar in den Haag gewoond. Hij antwoordde toen ‘neen’. Zou je mij daarover eens willen schrijven, wat je er van vermoedt? Nu, lief, nu wordt het koffietijd; ik kus je meer dan je wilt, maar daar laat ik me niet door weerhouden. Een meisje, dat toestemt, om geëngageerd te zijn, moet daar ook noodzakelijkerwijze de gevolgen van dragen. Jouw liefh. Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 62]
| |
gistermorgen schreef, dat je gauw wéér zou schrijven, en... toch is er niets gekomen. Je bent toch niet ongesteld geworden? Ga toch niet vreemd tegenover mij staan, smeek ik je, want ik voel me zoo eigen en zacht en vertrouwelijk voor je. Maar als je ongesteld mocht zijn, want daar ben ik zoo bang voor, bedenk dan stilletjes in jezelf, dat je veel wilskracht hebt, en veel gezond verstand, dat zal je opbeuren en je kracht geven om gauw weer heelemaal beter te zijn. Ik heb erg over die kaartjes zitten denken, waarom ze nog niet kwamen; toen kreeg ik het idee, dat je misschien dat wapentje er op zou willen hebben, dat ook op je gewone kaartjes staat, en dat dat eenigen tijd kost, om gegraveerd of zoo iets te worden. Maar jij schrijft, dat je al 136 kaartjes hebt verstuurd, ze zijn dus klaar. Toe, vergeef me, ik zal niet meer zoo klagen, want dat is zoo vervelend voor je. Ik wil je liever wat vertellen van de menschen, die wij visites kunnen gaan maken, als je hier logeert. Over de Witsen's en de Versluysen heb ik 't al gehad. Dan wou ik met je gaan naar de familie Coorengel. Mevr. de Wed. Coorengel is de aanstaande schoonmama van Boeken en van Schendel, die dus zwagers worden. Haar man, die resident van Timor was, is onbemiddeld gestorven, zoodat ze alleen haar weduwenpensioen heeft en erg kalm moet leven. Ze heeft eenige zoons en eenige dochters, die er allemaal een beetje Oostersch uitzien. Hugo en Jacques zijn zoo'n beetje artiest, geloof ik, de anderen ken ik nauwelijks. Haar dochters, ik ken er drie, maar er moeten er meer zijn, heeten Truus (de toekomstige mevrouw van Schendel) en Adrienne, bijgenaamd Dientje of ook wel Sidin (Mevr. Boeken) en Jeanne. Ze wonen op de Ceintuurbaan in Amsterdam, en je zal het wel een curieus huishouden vinden. Dan zullen we ook eens gaan naar Mevr. Royaards, wier man de groote acteur is, wat je ook wel aardig zult vinden, en naar den heer en mevr. C.G. van 't Hoog. Ik kom er zoowat eens in de drie maanden. Dan kunnen we ook eens gaan naar L. van Deyssel (K. Alberdingk Thym) den bekenden schrijver, die met zijn vrouw in Baarn woont. En naar Mevr. de Wed. van Gogh te Bussum, wier man een broer was van Vincent van Gogh, den schilder. Ik schrijf je dit maar; we kunnen 't natuurlijk ook laten, maar misschien vind je 't interessant. Je schreef in je voorlaatsten brief, dat je mij wel eens ongerust | |
[pagina 63]
| |
wou maken. Ik smeek je: doe dat niet; want ik moet verstandig proza schrijven voor de Mei-aflevering, en ik word nu al een beetje triest, omdat ik niets hoor. Tot vanavond. Och, ik wou, dat je hier was; ik wou zoo graag voor altijd zijn jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, ik voel, dat ik 't nog heelemaal niet goed heb kunnen uitdrukken, zooals ik 't voel, - maar o, ik ben zoo blij, zoo dankbaar en zoo innig gelukkig, dat je er bent geweest. 't Was zoo heerlijk, - o, die beide dagen, - ik kan je niet zeggen, hoe rustig en veilig en kalm ik me voelde bij jou. Er is nu zooveel van dat angstige bij me weg, nu je me beter kent; 't is of je me nu zooveel nader gekomen bent, begrijp je me, lief? En dat geeft me zoo'n echt, zoo'n diep en innig geluk. Jij, Willem, bent de éénige, van wien ik ooit houden kòn. Begrijp je dat? Ik heb je lief, heelemaal zooals je ben, omdàt je zoo ben, en alles wat je zegt en doet... O, mijn leven is zoo veranderd. Ik moest altijd maar op mijn eigen innerlijke kracht vertrouwen, en, o, mijn ziel is ook sterk, - maar nu jij mijn zielesteun wilt zijn, nu zal ik nooit meer aan mijn sterkte twijfelen. O, lief, geloof toch, dat ik nooit voor iemand zou kunnen voelen, wat ik voel voor jou. Er is niemand, en er zal ook nooit iemand zijn, aan wien ik zóo mijn intiemste gedachten zou durven openbaren. O, ik wist niet, ik heb nooit geweten, wàt geluk was, maar nú weet ik het, en dat besef heb jij me gegeven, lief! O, dat heerlijke rustige, dat verlangeloos veilige, dat me zoo heelemaal laten gaan in streelende, zalige gedachten... Ik heb je lief, Willem, voor altijd! Mijn heele leven is van jou, - o, zalig, dat ik het zeggen mag. Adieu, mijn lief, ik geef je in gedachten een kus op je handen, je voorhoofd, je mond.
Altijd jouw
Jeanne | |
[pagina 64]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[Ongedateerd]Lief, toe, zeg me, je bent toch niet boos om dien ontzettend-flauwen brief, je weet wel? Ik wou, dat ik 't niet had gedaan, maar ik weet heusch niet, wat ik had, dat ik zoo kinderachtig was. Bloemengeur maakt me altijd zoo een beetje, ik weet niet hoe. Niet boos op me zijn, lief! Ik beloof je, ik zal het niet meer doen. Wat heerlijk dien brief vanmiddag van je en dat vers! Ik kreeg hem al om vier uur, is dat niet verrukkelijk vroeg? O, wat ben je toch lief voor me, - toe, verzin iets, Willem, dat ik voor jou kan doen. O, ik ben zoo blij met dat vers en dank er je heel innig voor. Mag ik je voorhoofd zoenen en je mond, en je dan heel zacht fluisteren aan je oor, hoe lief ik je heb? O, lief, ik ben toch zoo gelukkig nu! Soms stil-intiem en dan weer opgewonden-vroolijk, maar altijd voor mijzelf zoo veilig en vredig en kalm in tevredene rust... Dat alles geef jij me, lief! O, kon ik zoo zijn voor jou, - o, Willem, kon ik maar gelooven, dat je gelukkig ben door mij... Ik wil alles voor je doen, o, alles, alles, lief, - want ik houd zoo van je, en, o, ik zou zoo heel graag willen, dat ik iets voor je kon zijn... | |
[pagina t.o. 64]
| |
![]() WILLEM KLOOS OP ACHTJARIGEN LEEFTIJD
| |
[pagina 65]
| |
Wat betreft de invitatie van den heer en mevrouw Versluys, - lief, als jij 't wilt, is 't mij natuurlijk goed. Ik vind 't wel heel lief en vriendelijk van hen om ons te vragen. Ik moet je iets grappigs en goedigs vertellen. Vanmiddag kreeg ik opeens eenige tijdschriften (the Artist, Deutsche Kunst und Dekoration, Vlaamsche School etc.) vergezeld van een heel beleefd briefje van den heer Edw. Koster (dien ik nog nooit ergens had ontmoet of gezien) waarin hij een enkel woord over mijn verzen zegt, en verder dat hij mij gaarne die tijdschriften ter lezing wil geven, vóór hij ze aan het dames-leesmuseum ter inzage zendt, opdat ik ze à tête reposée kan doorzien. Grappig, hè? Ik heb hem natuurlijk voor deze zending bedankt. O, lief, je bloemen zijn nog zoo mooi, en ze ruiken zoo goddelijk nog. Ik besprenkel ze telkens, om ze zoo lang 't maar eenigszins kan, nog goed te houden. Ik heb vandaag al vijftien familie-brieven geschreven, mijn hand is moe, moe... Dag, lief, o, ik wou zoo graag je een beetje beter bedanken voor al je liefheid, dan ik hier kan doen. Ontvang een heel, heel innigen kus van jouw Jeanne | |
[Ongedateerd]O, lief, ik heb zoo weinig gezegd van je vers gisteren, - en toch, het is me het aller-àllerliefste van alle, die je me gegeven hebt! Ik weet niet waarom, ik kan dat niet definieeren, maar o, het bekoort me zoo! Ik ben er zoo héél blij en zoo innig-diep gelukkig mee; o lief, je hebt er me zoo'n groot pleizier mee gedaan. Als ik 's morgens beneden kom, dan geuren je bloemen me nog tegen; ze beginnen nu een beetje te verwelken, maar de geur is nog even sterk, en vult mijn heele kamertje. O, lief, dat was toch zoo Hef van je! Ik geloof, dat ik er je lang niet genoeg voor heb bedankt, - o, Willem, ik had dat zoo heel graag innig en hartelijk gedaan! -
Ja, lief, ik geloof, dat je van me houdt. Ik zou 't kunnen uitjubelen en uitsnikken van mijn gloeiend, mijn goddelijk geluk. Van jou kan ik houden, van jou alleen, Willem, omdat je bent, | |
[pagina 66]
| |
zooals je bent, omdat je doet, zooals je doet; omdat je zóó tegen me spreekt en aan me schrijft, omdat je me liefhebt, zóó, als ik wil, dat de man van me houdt, aan wien ik mijn heele bestaan wil overgeven. O, laat me 't zeggen, lief, dat. jij 't bent, van wien ik houd, jij, dien ik liefheb, dien ik aanbid, - omdat jij jij bent, en nooit, nooit in mijn oogen veranderen zal! Ik heb je lief, omdat ik je vertrouw en in je geloof, omdat ik eerbied voor je heb en hooge achting, omdat je mijn leven licht hebt gemaakt, omdat je van me houden wilt en me beschermen. Daarom ben jij de uitsluitend-eenige, van wien ik houden kan, en daarom heb ik je lief, lief, lief! O, blijf zoo, Willem, ik bid je, blijf altijd zoo, als je bent, en o, help me, o, help me, dat ik word, zooals jij me wenscht... Ik heb je lief voor altijd, voor áltijd. Jouw Jeanne | |
Bussum, April '99Allerliefste,
Dit is maar een praktisch zakenbriefje, dat ik morgenochtend op de post ga doen. Ik heb nu dertien verzen; als je er nog meer hebt, stuur je ze me dan? Of schrijf ze over, als je liever de origineelen houdt, en stuur mij de copy, natuurlijk alles precies, zooals 't jou 't makkelijkst is. Dien Edw. Koster ken ik wel, hij komt wel eens bij mij; 't is geloof ik een doodgoeie jongen. Als hij je zijn opwachting komt maken, dan zal je zien, dat hij vrij wat bezadigder is dan ik, en jij houdt immers zoo van bezadigde menschen? Ach, toe, zeg gauw neen, anders ben ik een verloren man... Vergeef toch s.v.p. deze scherts als hij je hindert; ik ben den heelen dag zoo verschrikkelijk ernstig geweest, en nu komt de reactie daarop. Ik wou je zoo graag de stellige overtuiging geven en de wetenschap, die ik zelf heb, de gelukkige wetenschap, dat ik absoluut van niemand anders houd dan van jou. Geloof je dat van mij? En jij mag me, geloof ik, zelfs heel erg lijden. Maar liefhebben! Hoe | |
[pagina 67]
| |
zou je me kunnen liefhebben, zoo'n langen, ondeugenden jongen, die je maar aldoor zoenen wil! O, Jean, je bent in alles zoo buitengewoon! je bent, wat men noemt een ‘groote’ vrouw. En ga daar nu niet tegen in redeneeren: want men kan alle feitelijkheid met redeneeren wegmaken; alleen, - de feitelijkheid blijft desondanks in werkelijkheid bestaan. Nu, lief, nu moet deze naar de post.
Met innige liefde
jouw eigen Willem
Ik zit alweer te verlangen naar je brief, die straks komt. Ik kus je in gedachten, heel zacht en vertrouwensvol, want alles zal goed gaan, en blijf
jouw Willem | |
[Ongedateerd]Lief, ik hoop, dat je genoeg kaartjes hebt gehad, want ik heb er geen een meer over, en we zullen er maar niet meer bij laten maken, vind je wel? Hierbij de copie van het eenige vers, dat ik nog méér had: O, fijne schroming. Lief, als je wilt, beslis jij dan heelemaal zelf over de verzen, welke geplaatst kunnen worden, jij weet natuurlijk veel beter wat voor publicatie geschikt is dan ik. Ik kan er zoo moeilijk over schrijven, wat ik er van vind; wil jij 't dus alsjeblieft maar alleen doen? Alleen dat vers: ‘Wel was de brief’, de eerste 2 coupletten ervan. Bewaar je alle kaartjes en brieven, die je krijgt? Ik heb een schrijven ontvangen van je vriend, den hr. Verster, vind je dat niet alleraardigst van hem? Ik zal hem morgen antwoorden. Ik heb ‘Ghetto’ gezien. Ik vind het verbazend mooi. Er zijn maar heel weinig drama's, die indruk op me maken, zóó, dat ik op hetzelfde oogenblik geen andere dingen zie, of daarover denk, maar dit stuk heeft me heelemaal gepakt. Ik heb zelden zooveel aandacht gewijd aan wat op het tooneel gebeurde. Ik moet eindigen, lief, dan kan deze brief nog weg om zeven uur. Morgenochtend schrijf ik je weer.
Dag, lief! Een zoen van
jouw Jeanne | |
[pagina 68]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 69]
| |
kinderen, Hans en Paul, waarop ik vroeger eens een vers gemaakt heb, dat je misschien kent; bekijk die eens, en zeg me dan, wat je er van vindt. (Die kinderen bedoel ik.) Maar nu staat er nog niets over jou in dezen brief, en ik ben toch eigenlijk aldoor alleen met jou bezig in mijn gedachten. Want je bent zoo'n verschrikkelijk lief meisje, dat ik werkelijk begin te gelooven, dat je een levend ideaal bent. Ja, ik kan 't niet helpen, het is jouw schuld, maar ik idealiseer je een beetje en heb toch heelemaal niet de vrees, dat je me later tegen zult vallen. Wat ik je bidden mag, kom toch zoo gauw mogelijk in Bussum. Ik vind het bedwelmend-heerlijk, dat je voornemens bent je heele leven bij mij te blijven, en ik beloof je, zoo zeker als tweemaal twee vier is, dat je er nooit berouw van zult hebben. Want ik heb je zielslief voor altijd. Ik ben zoo brutaal om je honderdmaal te kussen voor die kaartjes, en blijf tot in den dood, en misschien daarna nog
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, als ik 's morgens een brief van je krijg, dat maakt me zoo blij en gelukkig voor den heelen dag! 's Morgens vroeg lig ik te luisteren, of ik de post hoor bellen, en dan of er ook iets op mijn kamertje wordt gebracht. En als dat zoo is, dan vlieg ik naar beneden, als niemand me ziet, en ga je brief genieten. Nu er met elke post felicitatie-brieven en kaartjes komen, is 't niet zoo zeker, dat er een brief van jou zal zijn, maar ik word bijna nooit teleurgesteld, - lief, die je bent!... O, ik houd van je, omdat je zoo vriendelijk, zoo zacht en zoo goed voor me bent, ik houd van je om alles! O, lief, ik vind al die gelukwenschen toch zoo heerlijk, - o, dat iedereen zoo deelt in ons geluk! Je bewaart toch alles wat je krijgt, doe je? Want ik wou ze allemaal, allemaal graag bewaren. O, lief, als je verandert, zoo, dat je er zelf gelukkiger door wordt, - maar voor mij moet je heelemaal blijven, zooals je bent, zal je, lief? Als je anders was, - neen, ik zal nu maar niet weer hetzelfde zeggen, je weet het wel. Ik houd van je! Ik vind 't heerlijk, dat je zoo over al je kennissen schrijft, en verlang ze te ontmoeten. Zie je, dáárvoor is 't nu goed, dat ik een Haagsch meisje ben, want o, o, wat zou ik anders verlegen zijn | |
[pagina 70]
| |
voot al die hoogheden! Jij moet me helpen, lief, dat ze niet van je kunnen denken: Mijn hemel, hoe is hij dáártoe gekomen! Ik wil natuurlijk alleen maar door jou goedgevonden worden, maar ik zou 't tegenovergestelde zoo vreeselijk naar vinden voor jou. Ik zou wel graag gauw in Bussum komen, maar Mama zegt, dat ik niet zoo dadelijk belet kan vragen, de familie is nog aan het verhuizen. En ik heb nog niet eens antwoord op den verlovingsbrief. Maar als ik er dan nog niet ben, - met je verjaardag kom ik toch. (Als je 't wilt dan altijd, maar je wilt wel, hè?) Dag, lief, zoo gauw ik kan, schrijf ik weer.
Een zoen van
jouw eigen Jeanne. | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 71]
| |
een engel en ik word hoe langer hoe doller verliefd op je, en ik had niet gedacht, dat ik ooit zoo gelukkig zou worden, als jij mij maakt. En dit geluk is nú nog maar een geluk uit de verte. Maar wát zal het zijn, als we eenmaal getrouwd zijn, en ik je altijd mag zien en hooren, en altijd aardig en lief tegen je mag zijn, zooveel ik maar kan? Ik voel dat al vooruit als een hemel-op-aarde, en ik zweer je, lief, dat je er nooit berouw van zult hebben, dat je zoo goed en vriendelijk voor me bent geweest. O, ik vind je niet alleen verrukkelijk-mooi (ik zit aldoor op je portret te kijken) maar ook zoo verschrikkelijk-lief en buitendien zoo'n goed en zoo'n verstandig meisje. Want je weet precies wat je doet, en bent daar konsekwent in en doet het verrukkelijk juist en goed. En dan doet die oolijkert het nog voorkomen, alsof ik mij zou neerbuigen tot haar! Terwijl, integendeel ik voor je geknield lig en jij telkens zoo vriendelijk bent mij tot je op te trekken. Geloof me ook, lief, ik ben heelemaal niet loszinnig, en zooals ik nú voor je voel, zal ik altijd voor je voelen! Want mijn gevoel voor jou is geen vage jongensverliefdheid, den eenen dag op deze en den anderen dag op die, maar het veel sterkere en vastere gevoel van een nog wel niet ouden, maar toch volwassen man. Je hebt nog niet één ding gezegd, dat ik onaangenaam vond en dat kan je ook niet, geloof ik, als ik maar nooit onaangenaam word tegen jou. Deze cirkel van redeneering sluit volkomen, en het sluit dus heelemaal als een bus, dat we voor elkaar bestemd zijn. Ik vind het zelf heel verwaand als ik zoo spreek, maar we zijn nu toch waarachtiglijk geëngageerd, dus doe er maar eens wat tegen, als je kan. Dag, lief, ofschoon je mijn hart gestolen hebt, moet ik nu toch naar bed, want het is één uur. Ik kus je tienduizend maal, of je wilt of niet. Vergeef je 't me? jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, lief, nu zal je lachen, als ik je iets vertel: ik moest vanmiddag bedankjes voor bloemen gaan brengen, en kreeg onderweg zoo'n verschrikkelijke hoofdpijn, dat ik te machteloos was om te praten, en terug-gaande, in de bus met half-dichte oogen zat te suffen. En toen ik thuis kwam, vond ik je brief, dien ik onmiddellijk | |
[pagina 72]
| |
lezen ging, en nu, lief, ben ik weer heelemaal beter. Of héélemaal natuurlijk niet, dat zou je toch niet gelooven, als ik 't zei, maar toch veel, véél beter. 't Is heelemaal geen aanstellerij van me, dan zou 'k 't je niet vertellen, 't is echt waar. Ik had nooit gedacht, dat iets heerlijks werkelijke pijn weg kon maken. Maar o, lief, als jij zegt, dat je gelukkig bent door mij, - dat ik je gelukkig maak! Maar 't is wáár, dat jij je neerbuigt tot mij, die heelemaal niets ben bij jou... Alleen je groote, oneindige goedheid doet je iets in me zien, en daarvoor zal ik je dankbaar zijn tot aan het eind van mijn leven. O, Willem, ik beloof je, dat ik altijd voor je zal trachten te zijn, wat je graag wilt, dat ik ben, - dat jouw verlangen altijd het mijne zal zijn, dat ik nooit iets zal willen, wat ook jouw wil niet is... Ik eindig nu; morgenochtend ga ik je een heel langen brief schrijven, een brief uitsluitend over mezelf. Ik zeg 't je al vast om je voor te bereiden. Mevrouw van Langen is een nicht van me, die een jaar of tien, twaalf geleden met van Langen is getrouwd, den Resident van Atjeh. We zien elkaar weinig. Ja, lief, die Haagsche heeren hebben soms een heel vreemden smaak, bijna zoo vreemd als die van een zekeren heer uit Bussum...! ken je hem? Neen, Willem, heusch, je moet niet veel naar mijn portret kijken, het is erg geflatteerd, en als je je gaat verbeelden, dat ik er zóó uitzie, durf ik niet in Bussum te komen, hoor. Dag, liefste, beste, éénige van wien ik houd! Ik zoen je in gedachten.
jouw eigen Jeanne
Morgen schrijf ik den heer Verster. | |
21 April '99Lief, ik schrijf je toch maar even, in haast. Vanavond langer. Ik kreeg vanmorgen kaartjes van den heer C.L. Scheidler List, Madame Oosthout de Vree, den hr. en mevr. van Druten-ten Oever. Eén ding was me niet duidelijk in je brief. Over dat vers, beginnende: ‘Wel was de brief...’ schrijf je: ‘alleen de eerste twee coupletten ervan’. Wou je dat ik die twee wegliet, of alleen die twee plaatste? Ik vond in het heele vers niets bijzonders, maar jij zult het wel beter weten natuurlijk. Misschien wil je mij met een | |
[pagina 73]
| |
paar woorden aangeven, wat je bezwaar is. Maar als je 't niet wil doen, is 't ook goed. Alles zal uitsluitend gaan naar jouw hoog welbehagen. (Hier staat een buiging.) Flauw, hè? Geloof mij je gelukkigen verloofde Willem
Ik ben lastig, maar stuur me ook s.v.p. even copy van 't vers, waarin de regel voorkomt:
Voor liefde in hartstocht eindloos vlieden moet. | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 74]
| |
Ik zal ze allemaal natuurlijk bewaren, dan kan ik ze je later sturen, of je kunt ze nú al krijgen, zooals je wilt. Verder liet een der heeren, die hier in huis wonen, mij hedenavond door Mevr. Linn De Arnh. Crt. zien, waarin onze verloving onder het Letterk. Nieuws staat. Begrijp jij wie dat gedaan heeft? 't Is overgenomen uit Het Vaderland. Dan heb ik nog iets te zeggen, waar je misschien een beetje pleizier door zal hebben. Als ik aan je denk, - ik denk eigenlijk aldoor aan je onder al mijn andere dingen door - dan krijg ik zóó'n gelukkig gevoel, als ik nog nooit door iets in mijn leven, zelfs niet door de kunst, heb gehad. Je zult het misschien kinderachtig vinden, maar ik ben zoo blij met al die vreemde wenschen, die ik kreeg. Wat het precies is, zou ik niet kunnen zeggen; misschien is het dit, dat mij daardoor ons engagement tot zoo'n reëele werkelijkheid wordt, terwijl het mij, als ik alleen op mijn kamer zit, soms nog wil lijken als een mooie droom. Alles is ook zoo heerlijk in-eens, zoo onweerlegbaar logisch, en toch zoo zacht-opgroeiend voor mij gebeurd. Want het is wel plotseling, maar toch niet wild en ondoordacht gegaan. Ik kan mijzelf verantwoorden op alles wat ik gezegd en alles wat ik gedaan heb. Maar zeg me, lief, had je soms iets nog ánders van mij gewild, ik bedoel, had je soms gewild, dat ik 't een of ander in den loop van onze verhouding anders had gedaan? Zeg 't me dan, vraag ik je, - met innige toewijding, - want ik zou heelemaal niet willen, ik zou 't een onvolkomenheid in mij vinden, die ik graag zou kennen, om haar in 't vervolg te kunnen verbeteren, dat ik iets gedaan had, in de laatste tijden, wat jou niet zoo heelemaal beviel. Geloof je nu niet, dat ik je liefheb, diep en teeder liefheb, nu ik zoo denk en het ook tegen je uitspreek? O, ik wou zoo graag, in alles, onberispelijk-harmonisch, magnifiek-zuiver saamklinkend met jouw ziel zijn. Want dát kan, geloof ik, zeker tusschen ons. Er moet absoluut geen valsch accoord in het samenspel onzer zielen zijn. Voel je nu, lief, dat ik waarachtiglijk één met je wil zijn, zonder verwijdering, zonder verdriet, en dat ik jou zoo gelukkig wil maken, als je nog nooit van te voren bent geweest? Ik heb je lief met alles, met mijn heele ziel, en ik durf dit alles zoo openlijk tegen je te zeggen, omdat je niet alleen een zeer gevoelig, maar ook een zeer verstandig meisje bent. Je bent buitengewoon en toch mooi-menschelijk in al je doen en laten, en daarom, Jeanne, heb ik je onuitbluschbaar lief. | |
[pagina 75]
| |
Nu is mijn papier vol en 't is middernacht. Daarom neem ik nu afscheid tot morgen. Jij slaapt misschien al en ik ga hetzelfde doen. Maar eerst kust je heel innig je liefhebbende Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 76]
| |
ook ik nooit iets zal doen, wat jij volstrekt niet wil. En dit zeg ik nu niet alleen uit een overloop van gevoel, maar ook uit mijn bewuste verstand, dat heel klaar weet, dat jij diep-in eigenlijk de allerbeste mensch van allen bent. Want, zie eens, ik heb een wil, natuurlijk, maar ik weet heel goed, dat jij ook een wil hebt; welnu, als dan die twee willen niet van elkaar gaan staan, maar elkander oprecht en volkomen goedgezind zijn, dan moet immers het gevolg daarvan noodzakelijkerwijze wezen: een absolute, heerlijke harmonie? Is dat niet zoo? Heusch, ik lig, niet in opgewondenheid en voor een oogenblik, maar heel zalig-rustig en voor altijd, voor je geknield, en ik kus heel eerbiedig maar innig je lieve handen, terwijl ik niets anders voel en niets anders denk, dan: Jeanne, jij, in wie 't ideale woont, ik heb je onnoemelijk-teeder lief! Jij bent de eerste in heel mijn leven, tegen wie ik zoo durf spreken, omdat ik voel, dat je inwendig goed bent, en dat je niets anders als het goede wilt. Ik behoef je niet te zeggen, dat ik vreeselijk nieuwsgierig ben naar dien brief over jezelf, dien ik waarschijnlijk vanavond zal krijgen, of anders morgen. Daar zal je zeker wel weer veel leelijks van jezelf vertellen, onschuldig-slim Lief dat je bent! Je bent zoo'n goddelijk-natuurlijk, je zelf heelemaal niet verheffend mensch. Nu sluit ik maar tot vanavond, want ik ga beneden koffiedrinken en vanmiddag moet ik werken aan mijn L. Kroniek. Jouw je altijd getrouwe en altijd diep-liefhebbende Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, die heerlijke, goddelijke, éénige brieven van jou! Ik lach en jubel in mijzelf, als ik je schrift weer zie, - o, lief, wat ben je toch innig lief en goed om zoo veel te schrijven! Ik smacht van de eene post naar de andere, en wacht die tusschentijden door, rusteloos, in gloeiend ongeduld. O, wee, nu word ik sentimenteel, zal je zeggen. O, lief, wat ben ik blij, dat je zóó schrijft over mijn portret; ik vind dat heerlijk, zie je, want eigenlijk ben ik altijd bang, als je me in een poos niet hebt gezien, dat ik anders zal zijn, dan je me in je herinnering had bewaard. Je zou zoo iets natuurlijk niet zeggen, maar ik geloof, dat ik 't voelen zou. | |
[pagina 77]
| |
Willem, als je zoo zegt, dat 't je gelukkig maakt aan me te denken, - als je zoo zegt, zóó, dat ik de waarheid in je woorden voel, dat je van me houdt, - dan is 't, of me dat beter maakt, - ja, je verhoogt me in mijn eigen oogen! O, ik neem me zoo heilig voor, te worden, wat je nú al denkt, dat ik ben. Nu ben ik nog niets, - maar jij zal me helpen, lief, jij zal me zóó maken, dat ik je nader kom, dat ik je niet langer onwaardig ben. Lief, vind me niet ijdel, als ik dit zeg: In mijn diepste ziel geloof ik niet, dat ik je onwaardig ben, want ik heb je zóó lief, dat geen ander je inniger, echter, volkomener liefhebben kan; maar wat heel diep in mijn Zelf verborgen is, dat moet daar niet blijven voor mij-alleen; dat teeder-mooie, dat absoluut-goede en zuiver-reine, dát moet ik toonen aan jou, dát wil ik, dat van jou méde is, want dat alleen, lief, kan je geluk geven, - geen vluchtig, maar diep en innig, waarachtig geluk. Jij moet me sterk-tot-uiten maken, - o, ik zeg nú al alles aan je, maar dan zal ik weten, intuïtief weten, wat je voelt en denkt en daarop kunnen reageeren. O, wat je schrijft over onze zielsharmonie, dat is een ideaals-verwerkelijking! En dát zal kunnen, als je mij jou nabij hebt gebracht, - want ik geloof niet, dat wij gewone menschen zijn, lief. Uiterlijk, voor de menigte, ben ik dat wèl, - maar diep-inwendig, voor mijzelf, ben ik iets heel vreemds, iets bizonders. En dat zeg ik allemaal heel alleen tegen jou, omdat jij me niet uitlachen zal, - omdat er een drang in me is, die mij me volkomen aan jou doet openbaren, die mij mijn innigste, mijn meest-intieme gedachten aan jou doet toevertrouwen. O, lief, je hebt nooit iets gedaan, je hebt nooit iets gezegd, waarvan ik dacht, dat het anders moest zijn. Alles van jou is zoo totaal, zoo volkomen, zooals het wezen moet, het kan niet anders zijn dan zóó. O, elken dag, elk uur voel ik heviger en dieper mijn dankbaarheid, dat ik jou liefhebben mag, - en dat jij me een beetje goed vindt, zooals ik ben!... Nu ga ik wat over je brieven schrijven. Ja, ik bedoelde met dien verlovingsbrief, dien aan Mevr. Bosmans-Hamacher. Zij woont nu in Bussum, Villa Louise, Koningslaan, hoek Meerweg, weet je ook ergens, waar dat is? Ik heb nu kaartjes van hen gekregen. Ik heb ontelbaar veel brieven en kaartjes ontvangen, en ben verlangend naar die van jou. O, zie je, ik vind 't een genot, zoo telkens blijken van belangstelling te krijgen. Soms zijn er kaartjes voor jou bij, die bewaar ik maar, en laat ze je later allemaal zien. | |
[pagina 78]
| |
Ik begrijp niet, wie dat bericht in 't Vaderland heeft gezet en Arnh. Crt., maar weet je, ik zou die bladen erg graag bewaren voor de curiositeit. Weet je 't nummer ook soms? Vind je 't niet erg prettig?... Heb je nog aan Jan Broedelet gevraagd, hoe hij het wist van jou en mij? jij hebt zeker kaartjes gezonden aan den goedigen Dr. Edward Koster? Ik kreeg een vriendelijk briefje van hem; als hij weer visite-fähig is (hij is nu ziek) komt hij nog eens persoonlijk gelukwenschen. Hij veronderstelt, dat ‘dankbare liederen, droefheid overklankend’, nu wel bij mij den boventoon zullen voeren. Neen, heusch, dat is waar, er zijn tegenwoordig voortdurend verzen in mijn hoofd; ik zal ze eens opschrijven, en dan sturen aan jou als je wil. Is dat niet toevallig, lief, in mijn vorigen brief dacht ik er over na, of ik het woord logisch kon gebruiken, om te benoemen, hoe alles was gebeurd, en in je brief van vanmiddag met spoedbestelling, schrijf je, dat alles zoo ‘onweerlegbaar-logisch’ is gegaan. Zal ik je nu nog eens iets interessants vertellen? Zal ik je zeggen hoe ik ben? Of neen, dat niet, ik zal je vertellen, hoe ik moet zijn, uit- en inwendig, volgens het hemelteeken, waaronder ik geboren ben (n.l. De Maagd.) Luister dan: ‘La femme sera timide, chaste, poétique; elle aura de très beaux yeux, les traits réguliers, l'ovale pur d'une Madone; elle sera excellente mère de famille, pieuse, aimante et dévouée; sa charité sans bornes s'étendra non seulement sur les siens, mais encore sur toutes les souffrances humaines’. Er staat zelfs nóg meer, maar je zal, denk ik, nu al héél blij zijn, vooral omdat alles zoo wáár is, wat er staat: die ‘beaux yeux’ en dat ‘ovale pur’ en die ‘charite sans bornes’. O, o, ik vind 't heerlijk, dat ik me zelf zoo kennen leer, en van jou weet ik ook alles, natuurlijk. En als je vraagt, waar ik die wijsheid vandaan heb: uit een Almanach Hachette. Je gelooft er toch aan, hoop ik? Dan hoef ik heelemaal niet meer zelf zoo mijn best te doen, om je te overtuigen van mijn uitstekende hoedanigheden! Liefste, allerliefste, lach me een beetje uit, als ik zoo flauw ga doen, maar word niet boos op me, hoor. Dag, Willem, mijn lief, mijn schat, ik kus je heel innig en zacht jouw eigen Jeanne Ik hoop dat je dezen Zaterdag nog krijgt. | |
[pagina 79]
| |
[Ongedateerd]Nu ga ik over mijzelf schrijven, lief, en, o, laat het je niet vervelen, bid ik je, want ik wil me uitspreken tegenover jou; ik wil je alles schrijven, wat ik niet zeggen kan, - ik wil, dat je heelemaal weten zal, dat ik voor altijd, volkomen aan jou toebehoor. Als ik erover dacht, of ik ooit iemand liefhebben zou, - want dikwijls heb ik daarover gedacht, - dan geloofde ik, o, zoo héel zeker te weten, dat ik nooit van een man zou houden méér dan van mijzelf, dat ik nooit een man zóó hoog zou achten, om hem mijn toekomst, mijn heele lot te kunnen geven, - dat ik niet langer mijzèlf zou willen wezen om toch maar volkomen hèm te zijn... En toch is dat alles zoo gebeurd en gekomen, zooals het gebeuren en komen mòest in mijn leven, zoo heel natuurlijk en als vanzelf voortkomend uit den loop der dingen... Nu heb ik lief, jou lief, met een liefde, waartoe ik me niet in staat achtte, - nu smacht mijn trotsche ziel zich te buigen en alles te doen naar jouw wil. Want ik ben trotsch, - je hebt het nooit gemerkt en je zal het ook nooit merken, lief, - maar ik was zoo fier op mijn onafhankelijkheid, en voelde, me hoogmoedig en sterk door mijn zelfbewustzijn en mijn innerlijke kracht. Nu wil ik niet langer van mijzelf zijn alleen, - ik wil van jou zijn, lief, van jou, omdat jij zegt dat te willen, omdat jij zegt te houden van mij. En nu wil ik tegen je zeggen met een heel zachte en teedere innigheid, dat ik gelukkig ben, - en dat ik mijn geluk àl dieper en inniger voelen ga, met een steeds grootere weelde. O, lief, jij, die me toestaat je lief te hebben, - jij, die me het heilig geschenk van jouw liefde brengen komt, ik heb je lief oneindig, met een algeheele zielsovergave; jij bent de eenige, die over me heerschen mag, wiens wil de mijne zal zijn. O, lief, en daarom is mijn liefde voor jou zoo groot en diep en één met mijn leven, omdat je houdt van mijn ziel, - mijn ziel, die ik zelf aanbid, - omdat het niet mijn uiterlijk is, dat je oogenblikkelijk vluchtig heeft aangetrokken, maar mijn ziel, mijn eigenlijk ik, dat iets is, en dat weet ik en voel ik, dat iets is. En ik heb jouw ziel lief, je nobele, prachtige, - met vereering en liefde, liefde. O, doe alles weg van me, al het aangeleerde, vormelijke, maatschappelijke, zoodat alleen overblijft mijn ziel, - die heeft je ‘ja’ geantwoord, onmiddellijk, zonder mogelijkheid tot overdenken, in onbewusten wil, zoodat dit ‘ja’, voortkomende uit mijn diepste Zelf, het absoluut-juiste antwoord moest zijn. Zoo heeft mijn ziel ‘neen’ gezegd tegen anderen, - wat zachter, vriende- | |
[pagina 80]
| |
lijker, meelijdender zou zijn gezegd, als mijn ziel mij den tijd tot nadenken had gelaten. Maar eens was het, dat ik het vooruit had gezien, dat was erg. Toen heb ik verdriet gehad, diep, echt verdriet, omdat ik het nooit geloofd zou hebben, dat remand door mij lijden kon... O, lief, ik houd zoo van je... ik heb je zoo innig-echt, zoo diep, zoo onuitsprekelijk lief! En ik ben je zoo dankbaar, dat je mijn liefde aannemen wilt, - dat ik van jou mag zijn, o, lief! o, mijn lief, mijn eenige, mijn liefste, liefste...
O, lief, wat is iedereen toch lief voor me: daar worden weer twee beeldige bloemen-manden gebracht. O, ik ben er zoo ontzettend blij mee, zoo echt-opgewonden blij, net als een kind, omdat de menschen zooveel lieve attenties voor me hebben. Natuurlijk gelden die allemaal ook jou, lief! Ik kreeg van jouw kennissen kaartjes van den hr. en mevr. Alberdingk Thijm, den hr. en mevr. Witsen en den hr. en mevr. van Looy. Lief, ik weet, wat je over die verzen denken zal. ‘Vrouwelijke subtiliteit’. Is 't niet? Je moet maar heelemaal doen, zooals je 't zelf goedvindt, hoor. Ik moet nu eindigen, allerliefste en bovenste beste. Weet je, wat ik doe? Ik kus jou ook eens tienduizend maal! O, ik durf alles, alles op papier! jouw eigen Jeanne | |
Bussum, 22 April '99Absoluut-eenige, als je hier was geweest, nadat ik je brief gelezen had, dan was ik bij je gaan zitten, had stil je hand genomen, - want dat mág ik nu toch wel doen, - en je diep in je oogen gekeken, om je uiterlijke beeld nog meer in mij op te nemen, dan ik al heb gedaan. Ik had niets gezegd, je misschien eventjes zacht een kus gegeven, alleen om te weten, dat je geen droombeeld was, maar een levende werkelijkheid, en zoo was ik een oogenblik blijven zitten, om je dan zacht, maar toch klaar-en-duidelijk voor jou te zeggen: ‘Jeanne, liefste, ik heb nooit geweten, dat zoo iets een mogelijkheid was. Want zie, de menschen, al houden zij ook schijnbaar nog zooveel van elkaar, leven toch eigenlijk allemaal | |
[pagina 81]
| |
afzonderlijk. Ze zijn soms wel vriendelijk en aangenaam met elkaar, maar binnen-in met zijn ziel leeft toch eigenlijk ieder apart. Maar zooals jij tegen me spreekt, dat is méér dan menschelijk, zoo spraken misschien alleen de menschen, de eerste menschen tegen elkander, in den eersten, den zaligen tijd van het bijbelsch paradijs’. Hoe moet ik je brief beantwoorden? Je verzekeren met kussen en betuigingen, dat ik je liefheb? Och, dat weet je al lang, dat blijft altijd eender, behalve dat het hoe langer hoe sterker in mij wordt; ik kan je alleen maar zeggen: Lieve, begenadigde essentie der menschheid, ik zal probeeren, en het zal me ook lukken, om nog meer dan ik misschien thans zijn mag, om nog meer zooals jij te zijn; ik zweer je, dat je je gevoel niet aan een onwaardige verspilt. Want wat diep in mijn ziel zit, wat daar sluimerde verborgen ook voor mijzelf, en wat mij alleen soms half-bewust werd, als ik met mijzelf verkeerde, heel lang, - dat roep jij in mij wakker, dat komt door jou naar boven, dat gaat jou innig, jou-alleen met liefde tegemoet. Ik voel mijzelf rijzen, sterk en kalm, maar ernstig-vriendelijk tegenover de wereld, die toch niets van me begrijpt, om mij, naar jou toe, open te zetten, met al het lieve en teedere en zuivere, dat ik-alleen weet, dat diep in mij leeft. Zie, liefste-voor-altijd, dat is nu eens geen lyriek, al kan lyriek óók echt zijn, dit is de vaste, diep-gevoelde overtuiging van een ernstig-meenend, maar in zijn ziel nu, o, zoo vroolijk man. Want jij maakt mijn melancholie heelemaal dood, omdat ik zoo gelukkigvast-en-zeker, omdat ik zoo diep-in zalig door je word.
Ik kijk op de klok en merk dat het kwart over elven is; ik ga nu dezen brief maar gauw wegbrengen, dan krijg je hem morgen (Zondag) met de post van half twaalf waarschijnlijk; want anders krijg je hem niet voor Maandag, wat me spijten zou. Schrijf mij s.v.p. of je dezen werkelijk Zondag kreeg, dan weet ik 't voor 't vervolg. Wat dat vers ‘Wel was de brief’ betreft, dat zal ik dan maar heelemaal weglaten. Ik begrijp je nu wel daarover. Later kan het dan misschien wel in een bundel. Maar ze letten nu zoo nieuwsgierig op alles. In Mei praten we er dan nog wel eens over, wil je? Jouw eigendom Willem | |
[pagina 82]
| |
[Ongedateerd]O, lief, wat een heerlijke, heerlijke verkwikking was mij je brief op Zondag. Ik dacht wel, dat er visite zou komen, al hadden we geen receptie, omdat wij Zondags altijd ontvangen, maar zóó! O, wat word je daar moe van, moe, zoo aldoor hetzelfde aan te hooren, zoo aldoor hetzelfde te zeggen! Maar toen eindelijk, eindelijk de laatste bezoeker verdwenen was, toen vond ik je brief, en, o, toen was 't me opeens weer, zooals bijna altijd als ik je brieven lees, of ik ver, heel ver weg van de wereld was, ergens met jou alleen, daar, waar wij enkel zielen zijn, en, sprekende, elkaar nooit misverstaan, omdat daar alles zuiver-rein is en volkomen schoon! O, lief, zóó denk ik zoo graag aan je... O, lief, o, laat me toch altijd alles aan je mogen zeggen... Ik wil niets in me hebben, waarvan jij niets weet. Ik wil, dat jij me kennen zal, zoo klaar en volkomen als ik mijzelve ken. Ik zal je nog meer zeggen, nog veel, véél meer, o, allerlei dingen, die je nooit in me vermoeden zou, als ik ze niet zei. Maar ik moet de woorden daarvoor nog vinden; ik moet nog leeren mij juist en zuiver uit te drukken, waar het geldt mijn diepste zielezijn. Ik zal zoo helder voor je zijn en klaar, dat je àl mijn denken, àl mijn daden onmiddellijk begrijpen zal, en nooit zal ik, nooit, nóoit een raadsel voor je zijn. Ik zal mijzelf verklaren voor mijzelf, en jou de resultaten van mijn contemplatie geven. Is dat goed, lief? Wil je dat zoo van me? Je brief kwam met de post van vier uur. Ik vind het zoo inniggoed en lief van je, dat je er voor gezorgd hebt, dat er Zondag een brief voor mij zou zijn. Ik dank je, hoor! O, lief, ik kreeg weer zulke mooie bloemen vandaag; wat is het toch jammer, dat jij daar nu niets van ziet. (Ik durf je geen telegram om over te komen sturen, zooals je zei dat ik maar eens moest doen, want het is in 't laatst van de maand.) Ach, de menschen zijn allemaal toch wel erg lief en belangstellend voor me, en ik vind het ook zoo leuk, dat er nog altijd brieven en kaartjes komen. Ik heb er al ontelbaar. O, ja, lief, ik geloof, dat het van onze verloving in de meeste couranten staat; ik weet het tenminste van Vaderland, N.R. Crt., Telegraaf, Dordtsche en Arnh. Crt. Ik ga eindigen, lief, het is tijd om dezen te posten. Ik kus je goedendag, mijn eenige schat, mijn liefste, mijn allerbeste! jouw eigen Jeanne | |
[pagina 83]
| |
[Ongedateerd]Lief, ik heb wel niets bizonders te zeggen, maar ik ga toch maar weer een beetje met je praten. Want als je vandaag in 't geheel geen brief van me kreeg, zou je dat misschien niet prettig vinden. Er zal vandaag wel een brief komen van jou, hoop ik, en dan schrijf ik je weer. Vanmiddag moet ik weer bedank-visites maken en gaan spreken met Mr. Veenstra, den uitgever, over mijn boekGa naar voetnoot1); hij heeft mij beloofd, dat 't 1 Mei klaar zal zijn. O, lief, lief, wat ben ik toch verlangend naar je oordeel daarover. Ik wou dat je de persoon der schrijfster heelemaal wegdenken kon en het boek alleen als boek beschouwde. Maar dat kan haast niet, ben ik bang. Nu is 't alweer een week geleden, dat je hier ben geweest. Weet je nog, dat we langs de zee gingen, en later over den Scheveningschen Weg? Als ik daaraan denk, is 't mij net, of ik heel ver weg sta en mij dat alles zie doen. Gek, hè, dat ik zoo enorm sterk het dáárzijn van meer dan een ikheid in me voel. Maar als ik alleen ziel was, kon ik hier niet leven, - en ik bèn nu eenmaal in de maatschappij geplaatst. Omdat ik mij altijd zoo in mijzelf heb verdiept, zijn soms de menschen, de menschelijke dingen me zoo vreemd; ik verbaas er me zoo dikwijls over, waarom alles toch is, zooals het is. Lief, jij bent de uitsluitend eenige, tegen wien ik zoo kan en durf spreken, ik geloof niet, dat iemand iets van mijn diepste ziel vermoedt. En ik ben daar héél trotsch op, ik ben daar héél blij om. Lief, je moet niet zeggen, dat ik vervelend en zeurig ben, als ik je zoo schrijf, zal je niet? Als ik weer een brief heb van jou, zal ik weer heel anders zijn. O, ja, ik was nog niet uitgesproken over die twee persoonlijkheden in me, maar dat zal je wel grappig vinden: de eene is wilskrachtig en sterk, weet áltijd, hoe het moet zijn, en daarop kan ik (mijn geheele ik) volkomen vertrouwen. De andere vraagt dan: ‘Kán dat, mág dat?’ en als de eerste zegt ‘ja’, dan doe ik het, en zoo komt het, dat ik bijna nooit berouw heb over mijn handelingen. Nu zie ik je lachen, ik eindig dus maar. Vanavond waarschijnlijk zal ik je een beteren brief schrijven; arme lief, die maar aldoor dat onbelangrijke gepraat over mijzelf aanhooren moet! Willem, ik vraag je excuus in een zoen, - nu kan je niet boos blijven, wel? jouw eigen Jeanne | |
[pagina 84]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 85]
| |
de ware liefde. Als je mij b.v. toestaat je een zoen te geven, dan zal die beweging nooit bij mij zijn alleen een prettige uiterlijke beweging van lippen, maar tegelijkertijd zal hij mij gelden als een symbool, dat onze zielen elkander dichter naderen, dat ik meer één met je mag wezen op dat oogenblik, dan ik, zonder je te kussen, kon zijn. Want je zal eenmaal zijn, durf ik hopen, wel geheel je zelf tot in zijn fijnste versprietingen, maar toch eigenlijk ook weer niet een ander als ik, maar mijzelf, gezien op een andere wijze door de menschen, omdat je in een ander lichaam woont. En precies zoo, wil dit van mij gelooven, wil ook ik eens staan bij jou. Wij moeten in ons eens te gebeuren huwelijk, niet als twee staan, maar als één, niet doordat jij jouw individualiteit gaat opofferen, of ik de mijne, maar doordat wij samen opgroeiend in schoonheid en zuiverheid en elkander totaal gevoelend en begrijpend, spontaan als één worden in uiting en wil, geheel als vanzelf, zonder dat we er ooit over hoeven te spreken, hóé dat gaan moet, en ook geheel zonder dat de een door den ander wordt doodgedrukt. Wij moeten worden als tweelingbloemen van verschillende kleuren, aan éénzelfde statige plant. Voel je nu, dat onze vereeniging geen banale samenwoning, maar een heerlijke harmonie zal zijn, als het samenspel van twee instrumenten, die ieder zichzelf blijven, maar toch samen één zijn door de mooi-gemeenschappelijke uitvoering van een magnifiek stuk levensmuziek, waartoe ieder van ons als hij apart stond, slechts gebrekkig in staat zou zijn geweest? Wij moeten worden als viool en violoncel, die, samen spelend, wel ieder zichzelf blijven, maar tot een hoogere eenheid worden voor den toehoorder, door het melodieuse resultaat. Voel je 't, lief? Ik weet, dat ik door jou een geluk kan bereiken, zóó groot, als ik niet dacht, dat op aarde was, en zonder zelfverheffing durf ik je te verzekeren, dat je in mij ook alles zult vinden, wat je in een man meent te kunnen zoeken, ter vervollediging van je eigen zijn. En begrijp je 't nu, dat ik niet, zóó maar, alledaagsch verliefd op je ben, maar dat ik je liefheb, diep-inwendig en groot-waarachtiglijk, zonder vermindering door tijd of wàt ook? Zie, nu had ik gedacht te babbelen, en toch ben ik weer serieus gaan doen. Neem je 't me kwalijk? Kom, zet nu even een aardig gezicht tegen me, dan kan ik mij misschien wel heusch verbeelden, dat je mij iets meer dan dragelijk vindt. Plaag ik je goed? Och, | |
[pagina 86]
| |
vergeef 't me maar, en blijf van mij voelen, dat ik verschrikkelijk naar je verlang. Want ik plaag je toch maar, is 't niet, onschuldigdartel als een lief en lachend kind. Weet je, wat ik zoo graag wou? Dat je goed vond, dat Wim Witsen (hij wordt altijd alleen Wim genoemd, denk er om) een mooie fotografie maakte van ons beiden, jou en mij. Dat doet hij heel anders dan de beroepsfotografen en prachtig mooi. Als je in Bussum komt, zal ik er je een heeleboel laten zien, die hij al vroeger van mij en anderen heeft gemaakt. Gistermiddag heb ik hem ook geschreven, om mij een mooien afdruk te sturen van een portret van mij, verleden jaar door hem gemaakt. Als ik 't krijg, zal ik 't jou sturen, en als het je dan bevalt, is het natuurlijk voor jou. Nu eindig ik maar, want het begint etenstijd te worden, en ik moet nog voor je overschrijven, wat ik klaar heb van het antwoord aan Borel. Innig zacht kust je even jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 87]
| |
uiterlijk, maar evenzeer om je mooie ziel. En daarom weet ik zeker dat ik je nooit zal verlaten of naar een andere zal kijken met teedere gedachten, daar kan je van verzekerd zijn; jou alleen heb ik lief en anders geen. En als je mij weg-gooide, - denk toch niet, dat ik dat gelooven ga, want ik houd je niet voor wreed, - dan ging ik zeker en stellig dood. Vind mij daarom niet kinderachtig, - ik ben heusch niet kinderachtig, - ik ben gezond, en sterker dan ooit, omdat jij, in je oneindige goedheid, samen met mij door het leven wilt gaan. Ben ik nu niet verschrikkelijk serieus? Maar ik praat dan ook nu over serieuse dingen, en die ernst van mij zit allemaal diep-in. Aan de oppervlakte kan ik lachen en schertsen, omdat ik door jou gelukkig word. Laat ik je dus gauw wat grappigs vertellen, want anders vind je mij soms vervelend en zwaar. Vanmorgen kreeg ik een brief van den dichter J.K. Rensburg, die mij ontzaglijk heeft doen lachen, toen ik hem las. De heer Rensburg feliciteert mij met mijn engagement, dat hij van een ander hoorde, en zegt dan (nieuwe spelling): ‘Poëtiser kan 't wel niet: een dichter met een dichteres door zes zwanen in de bloemenjonk van het huwelijk gevoerd naar het toekomstland, opdoemend in een blauw waas van geluk’. Als je in Bussum komt, moet je toch even dien heelen brief lezen; hij is allerleukst. Terwijl ik dien zin overschreef, klopte Verster aan mijn kamer. Ik had hem vanmorgen dien zin voorgelezen en hij bracht mij nu een illustratie er bid, die ik hier bijvoeg. Grappig, hè, zooals wij daar in die jonk zitten! Tot morgen, lief, in gedachten kust je je altijd-voor-jou-de-zelfde Willem | |
[Ongedateerd]O, lief, ik had je zoo graag een heel, heel langen brief geschreven vandaag, - maar daar kwam een felicitatie-bezoeker, dien ik natuurlijk mee-ontvangen moest, en nu pas is hij weg-gegaan. O, wat is 't hinderlijk, als je zoo heelemaal niet aan jezelf toebehoort, en nu ben ik nog wel iemand, die bijna altijd doet wat zij wil, anders zou ik 't heelemaal niet uithouden, geloof ik. Alles wat ik nu niet schrijven kan, zal ik morgenochtend doen. | |
[pagina 88]
| |
Toen je dat schreef van Borel ben ik een Amsterdammer gaan koopen, en nu heb ik zijn artikel gelezen. Ach, lief, ik kan wel begrijpen, dat zoo iets je oogenblikkelijk-onaangenaam stemt, maar het is toch eigenlijk niets, heelemaal niets. Zoo'n jongen, en jij... een jongen, die zijn meester met sneeuwballen gooit! Zóó weinig zal jij het ook vinden, denk ik. Het is anders wèl verachtelijk-min en onnoodig-laag, om dingen, waar hij niets van weet, en die al zóó lang geleden zijn, met een mal soort genoegen op te rakelen, - dingen, waarvan hij toont niets te begrijpen! O, lief, ik vind 't zóó heerlijk, dat ik 't je niet zeggen kan, dat je er zóó rustig-kalm op geantwoord hebt, en ik dank je heel hartelijk voor de zending van dit eerste gedeelte. O, lief, ik moest schateren, om wat je over J.K. Rensburg schreef, - die heeft het wèl goed met ons voor! En de illustratie is allerleukst, - zeg, Willem, geloof je wel, dat er ooit nòg eens zóó'n prachtig portret van ons zal worden gemaakt? Ik vind het iets, om er een vers op te schrijven, - jij niet? Wat je schrijft van het door Willem Witsen van ons te maken portret, als hij dat zou willen, dat vind ik een heerlijk idee. En o, ik hoop zoo, dat hij 't portret van jou-alleen gauw stuurt; krijg ik 't dan héél gauw van je, lief, zoo gauw als 't maar eenigszins mogelijk is? O, ik zou 't zoo graag, zoo dol, dolgraag hebben! O, lief, mijn liefste, je weet niet, hoe dankbaar-gelukkig 't me maakt, als je zoo ernstig en diep met me spreekt! O, 't geeft me zoo'n heerlijk-trotsch gevoel van voldoening, dat je me hoog genoeg acht, om me zóó je gedachten te geven! En, o, het zaligstreelende van dit besef: je voelt, dat ik je begrijpen zal! ‘... als het samenspel van twee instrumenten, die ieder zichzelf blijven, maar toch samen één zijn door de mooi-gemeenschappelijke uitvoering van een magnifiek stuk levensmuziek, waartoe ieder van ons, als hij apart stond, slechts gebrekkig in staat zou zijn geweest...’ O, lief, dat klinkt me zoo mooi, zoo zalig, zalig-mooi, als je zoo spreekt, zóó, om altijd naar te luisteren, in genietende aandacht verloren... O, spreek toch veel, veel tegen me zoo, - ik houd van dat serieuse, zooals jij 't noemt, - ik geef er me heelemaal aan, zonder overleg of voorbehoud, heelemaal... ik luister, luister, in een intiem-verrukkende vreugd... O, jij weet alles zoo goed, jij wilt alles zoo goed, - ik vertrouw | |
[pagina 89]
| |
mij volkomen aan je toe, zonder angst, zonder terughouding, absoluut en voor àltijd. Jij voelt voor me, jij voelt met me, - jij houdt van me, zooals ik wil worden liefgehad. Ik houd van jou, meer dan van iets op aarde, en ik wil van jou zijn met mijn heele ziel, waarvan aan niemand anders iets toebehoort! Deze brief is gelukkig langer kunnen worden, dan ik dacht, maar nu moet hij weg. Ik schrijf je, zooals altijd, morgenochtend weer. Dag, Schat, liefste, liefste Schat, met een zoen neem ik afscheid tot morgen. jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]O, lief, vandaag ga ik ook aan Mevr. Bosmans schrijven. In vrees en beven zie ik haar antwoord tegemoet. Verbeeld je eens, dat zij mij niet logeeren kan? Zou jij dat naar vinden, lief? Er kwamen kaartjes voor jou en mij van de heele familie Royaards. Ik heb ‘Voerman Henschel’ gezien. Louis Bouwmeester en zijn zuster in de hoofdrollen. 't Spel was dus schitterend. Maar het stuk zelf? Ik houd eigenlijk niet van al die ruwheid op het tooneel. Als men nu eens vraagt, waarom de meeste menschen naar zulke stukken toegaan, dan zou men, geloof ik, moeten zeggen: omdat iedereen er over spreekt. Dan word je onwillekeurig geïnteresseerd, en denkt, nu ga ik er toch zelf eens over oordeelen, of dat stuk wel zoo de moeite waard is, als de roep ervan gaat. Nu, dit stuk zou me geheel onverschillig gelaten hebben, als ik het niet had gezien, maar vooruit geweten had, hoe het zou zijn. Zeg, lief, je hebt eigenlijk niets aan die morgen-brieven van me, wel? Als ik een brief van jou ontvangen heb, dan heb ik je ineens weer duizend dingen te zeggen, en anders zoek ik aldoor vergeefs naar iets, dat ook voor jou belangrijk is. Mijn boek zal nog niet klaar zijn met 1 Mei, wat mij ontzettend spijt. Want ik kan 't haast niet meer uithouden van verlangen, om je oordeel er over te weten. Ik was wel dwaas, om zóó vast op die belofte te vertrouwen, nu is de teleurstelling des te grooter voor me. Mr. Veenstra zegt, dat hij er alle mogelijke moeite voor doet, maar hij had 't me zóo zeker beloofd, en nu gebeurt 't tóch niet. Ik ben er erg verdrietig om. Nu, lief, ik eindig maar weer; we gaan koffie-drinken zoo dadelijk. | |
[pagina 90]
| |
Vanavond schrijf ik je langer en beter: een héél lieven brief! Dag, liefste, tot dàn. Ik kus je in gedachten jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 91]
| |
Zoo schreef ik vanmiddag aan je. En nu juist begin je te zeggen, dat je eigenlijk liever met die ochtendbrieven wil uitscheiden, want dat ik er niets aan heb. Ja, zie je, liefste, ik weet niet of het je zelf misschien gaat vervelen om zooveel te schrijven; als dat zoo mocht zijn, dan zou het me vreeselijk spijten, maar daar kan ik, omdat ik zoo ver weg ben, heel weinig aan doen. Het eenige wat ik kan zeggen, en wat ik, zooals alles, diep-in meen, is: dat ik alles wat je schrijft vreeselijk belangwekkend en diep-sympathiek vind, en dat ik het lees, allemaal, met een naïef en open gemoed. Als je dus zelf behoefte blijft gevoelen om mij te schrijven, laat het dan niet na, want ik vind het heerlijk, als je het doet. Ik heb eventjes moeten lachen over de ‘hoogheden’, zooals je schertsend de menschen noemde, wien wij, als je hier bent, visites zullen gaan maken. Wat bedoelde je daarmee, met dat woord? Het spijt mij erg van je roman, maar heel lang zal 't toch zeker niet duren, vóor hij komt. Nu, Jeanne, het is kwart voor tienen, en ik moet dezen brief nog naar de post brengen. Weet je wat ik zoo graag had? Dat je mij ook je oordeel zei over de rest van mijn L. Kroniek, die ik je hierbij stuur. Want kijk eens, ik sta een beetje bekend als een eenzelvig mensch, maar tegenover jou kan en wil ik dat toch niet zijn. Als je aanmerkingen hebt op iets, wat ik schrijf, zeg die dan altijd gerust tegen me, wil je? Dan kunnen we er over praten. Jij bent de eerste mensch in mijn leven, tegen wie of wien ik zoo spreek. Tot morgen, lief, ik kus je. Geloof me voor altijd
jouw liefh. Willem
Ik heb ander postpapier gekocht voor de brieven aan jou. Hoe vind je dit? | |
[pagina 92]
| |
je vroeg. En nu wil je mij dat geluk spaarzaam gaan toedienen? Zie, lieve Jeanne, het is heelemaal mijn bedoeling natuurlijk niet, je door gemoedsaandrang te dwingen tot iets wat je zelf eigenlijk niet wil. In een verhouding, waarin ik, gelukkige! nu tot jou mag staan, moet het schrijven der wederzijdsche brieven geheel voortkomen uit den mensch zelf, die ze schrijft. Het zou onzin zijn het schrijven van brieven te provoceeren van den anderen kant, als de eene kant, die ze schrijft, er uit zichzelve geen zin in heeft. Als je er dus geen zin in hebt, dan moet je het natuurlijk niet doen, hoezeer 't mij zou bedroeven, indien je 't liet. Heb ik je nu voelbaar gemaakt, hoe ik 't meen? Ik hoop zoo, dat de fam. B. je hebben kan. Morgen ga ik eens kijken, waar ze wonen. 't Is, geloof ik, dichter bij 't station dan Parkzicht, op een dwarsweg van den N. 's-Gravelandschen Weg (den weg van het station naar mijn woning). Maar mochten ze je daar niet kunnen hebben, zou je er dan tegen zijn, om te gaan logeeren bij mevr. van Gogh? Die is de weduwe van den overleden kunstuitgever van dien naam. Ze heeft een zoontje van tien jaar, dat Vincent heet, en heeft dicht bij 't station op Villa Helma een gezellig pension. Ik ken mevr. v. Gogh persoonlijk, en kom 's avonds wel eens bij haar op theevisite. Zij is een beschaafde, ontwikkelde vrouw onder de veertig jaar. Ik heb over ons engagement van haar een heel lief briefje gehad, dat ik je zal laten lezen, als je hier bent. Ik hoop zoo, dat je komen kunt. Want zoo'n engagement uit de verte, als van ons thans staat toch tot een engagement-in-gewone-omstandigheden, als een gedicht staat tot een stuk dichterlijke werkelijkheid. Of vind je dat niet? Nu eindig ik voor vanavond. Met veel liefs jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, Willem, Willem, wat ben je toch goed voor me, innig en engelachtig goed! Want in plaats dat je zegt tegen me: ‘Praat nu in 's hemelsnaam eens over iets anders dan eeuwig en altijd over jezelf’, - schrijf je, dat mijn brieven je niet vervelen, je een beetje pleizier doen zelfs. En, o, dat maakt me zoo gelukkig, zoo zalig en diep gelukkig. Want dit is het vast en zeker bewijs, dat je me begrijpt, dat je me nooit mis verstaat, en dat je het goed vindt, dat | |
[pagina 93]
| |
ik je zóó mijn innerlijk wezen openbaar. Want zie, ik geloof in je met hetzelfde absolute vertrouwen, waarmee men in God gelooven moet, - en daarom wil ik mij zóó voor jou verklaren, dat jij mijn innerlijk kent, zóó volkomen, als het alleen mogelijk zou zijn voor een alwetend God. Lief, ik ben den heelen dag een beetje onrustig geweest, maar na dien teederen, lieven brief van jou zoo even, voel ik me weer zoo prettig en vredig gestemd. Toen ik je nog niet veel meer dan als droombeeld zag: halfecht door je werk en je brieven, - toen was mijn liefde méér eerbied en hooge achting en dwepende vereering, dan het diepe, me geheeloverheerschende gevoel van toewijding en overgave, dat ik nú voor je heb. Nu wordt mijn liefde àl echter in me, en inniger, - nu wordt mijn zalig gevoel me àl meer bewust. Nu heb ik je niet meer uitsluitend lief als den groot-begenadigden dichter, den superieure van geest, al zal ik dien ook altijd blijven aanbidden met opperste zielsadoratie, - maar als mensch. Zie je, lief, begrijp je nu, dat ik je liefheb, jou, jou-alleen, en dat daarom àl mijn gedachten, àl mijn gedragingen en àl mijn daden door jou moeten worden gekend? Ik zal je nog twee dingen zeggen van mijzelf: ik weet, dat ik eerlijk ben; ik sta dikwijls verbaasd en geslagen over al het gedraai en gewring van de menschen; en dan, ik geloof niet, dat ik grillig of wispelturig ben; ik bedoel, dat ik den eenen keer dit zeg en den anderen keer dat. Maar ja, dit moet ik je nog vooral zeggen, ik heb nog een heel groote, hinderlijke fout, en die is: ik onthoud altijd alles. Wanneer iemand b.v. eens niet-streng-consequent in zijn gezegden is, dan ga ik hem dadelijk vervolgen met: ‘Je hebt toen dat gezegd's’, en merk dan niet eens, hoe lastig en onuitstaanbaar-vervelend die na-houderij is. 't Komt, geloof ik, omdat ik de menschen te veel bij mijzelf vergelijk. Alweer een biecht! ik denk ieder keer, dat ik klaar ben, maar 't is gek, ik ontdek elk oogenblik toch weer dingen in me, waar je nog niets van weet. O, lief, jij zal, geloof ik, even blij zijn als ik, wanneer mijn innerlijk-ik eindelijk eens glas-helder voor je zal staan. Weet je, wie ik bedoelde met dat woord ‘hoogheden’, lief? Dat zijn de ‘aristocraten naar den geest’. Een mooie uitdrukking, hè? Ja, dat vind ik echt ook. | |
[pagina 94]
| |
't Papier, waarop je schrijft, is mooi; maar, lief, wat je ook zou gebruiken, een enkel woord van jou brengt me al in de wolken. O, wat neem ik daar een hooge, poëtische vlucht, ik zie me al door een brief van jou als vlieger naar de lucht gevoerd! Ik kan maar niet eindigen met schrijven; ja, als het nu brieven gaat regenen, dan is het jouw eigen schuld, hoor, jouw eigen schuld. Tu l'as voulu, Georges Dandin! Ik heb nu alleen aan kaartjes er 89 ontvangen. Voorts hoopen brieven; en dan nog de persoonlijke bezoeken en de bloemen; 't zal nu wel zoowat gedaan wezen, denk ik. Over dat logeeren bij Mevrouw van Gogh praten we nog wel eens, als Mevrouw B. mij niet ontvangen kan, vind je dat goed? Dag, allerliefste lief, ik zoen je heel innig, hoor, en blijf voor altijd
jouw eigen Jeanne | |
ParkzichtLiefste,
Ik schrijf je heel eventjes maar ter begeleiding van een vers, dat zoo even kwam, en van de rest van mijn stuk over Borel. Vanavond schrijf ik je langer, maar nu moet dit op de post. jouw Willem
Ik schreef het stuk over van mijn klad voor jou. Want mijn net is reeds weg naar v. Looy. De stijl van dat net is natuurlijk hier en daar een beetje fijner verzorgd, dan dit, wat ik je op 't oogenblik sturen kan. Tot vanavond! | |
[pagina 95]
| |
Ik geloof, dat je mij intuïtief genoeg kent, om te voelen, dat mijn verzen op jou geen flauwe, fantastische complimentjes zijn. Den zin ervan, dien je, weet ik, ook voelen zult, meen ik diep-serieus, en ik maak die verzen niet om je te vleien, maar omdat ik het echt voel, al maakt natuurlijk de fantasie de quintessens van wat ik voel tot beelden. Ik ben zoo blij, dat mijn werk voor Mei af is, want nu kan ik mij weer uitsluitend met jou bezig houden. Voor vandaag tenminste, want ik weet niet precies, of ik 't je al schreef, maar ik ben in Ede erg met mijn N.G. correspondentie achterop geraakt. Daar begin ik nu morgen mee, maar dat is met een dag of drie ook afgeloopen. Vanavond schrijf ik je een levendiger brief. Tot zoolang kust je zacht je liefh. Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 96]
| |
Hier zit ik stil in mezelf te lachen, maar jij zet natuurlijk een trotsch gezicht en zegt: Welzeker! wat verbeeldt hij zich wel! Denkt-i soms, dat een meisje als ik zich tot zulke dingen leent? Neen, hoor! dan heeft-i het glad mis en dat zal ik hem ook wel afleeren! Lach je nu? Toe! Zie je, zoo word ik nu door je prachtige brieven, waar ik zoo veel door te weten kom van hoe je ongeveer bent. Nu wordt het tijd: ik geef je in gedachten twintigduizend zoenen en sterf van geluk, als je er mij misschien, uit goedigheid, één terug geeft. O, sla me even, - jij mag alles doen, want alles wat je doet is voor mij pleizierig, en alles wat je schrijft vind ik heerlijk om te lezen. Schrijf mij toch! Jouw eigendom Willem | |
Bussum, ParkzichtO, engel van een Jeanne, ik ben zoo blij. Nog altijd omdat mijn werk af is, en ik mij nu weer heelemaal aan mijn meisje kan wijden, en mij verdiepen in mijn prettige gedachten over jou. Wat is de echte liefde toch een gecompliceerd ding! Want als ik nu wil, dan kan ik best in een hooge lyrische stemming voor je komen, en je zien als een eerbiedwaardige godin, waarvoor ik neerval en die dan heel vriendelijk ziet. En dan krijg ik daardoor een ontzettend geluk. Maar ik vind het nu toch nóg prettiger op 't oogenblik, om heel gewoon menschelijk met je te wezen, als Willem met zijn Jeanne, waar hij alles voor wil doen, voor wie hij alles wil wezen, wat zij van hem verlangt, terwijl alle andere menschen, zonder uitzondering, hoe goed en hoe lief ook, b.v. op een mijl afstands moeten staan. Och, Jeanne, wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet er niet van schrikken... Ik ben eigenlijk niets als een mensch, die voor altijd van je houdt. Ik smacht dikwijls naar je komst, zóó heftig, dat ik het in moet houden, want anders vlieg ik naar den Haag, om je weg te halen naar mij toe, voor goed. Maar, nietwaar, dat zal tóch eens gebeuren, en dan wel zóó, dat er niemand is, die het niet goedvindt en die ons niet vriendelijk feliciteert. Welnu, als ik zoo smacht, dan bedenk ik dát maar, en dan blijf ik weer zitten en doe wat ik te doen heb, en ga mijn gewonen gang. En buitendien, | |
[pagina 97]
| |
je komt immers gauw. Dan zullen wij heerlijke dagen hebben. Wij gaan wandelen en praten, en reizen en lachen, en dan mag je mij voor den mal houden, zooveel je wil. Want ik hoor immers heelemaal en absoluut van jou, dus waarom zou je dan niet alles met me mogen doen, wat je graag wou? Als ik maar voelde, dat, daaronder door, je toch een heel klein beetje om mij gaf! En wil ik je dan nog eens wat zeggen? Iedereen zegt, dat ik er zoo gezond en jong begin uit te zien, heel anders dan ik vroeger deed. Nu, dat is ook allemaal jouw schuld. O, ik wou zoo graag, dat ik je een zoen kon geven. Hè, daar begint-i weer, hoor ik je zeggen: net, of het me dáárom te doen is, en of ik dáár wat om geef! Nu, omdat je zóó denkt, weet je wàt, Jeanne? Ik zal er nooit meer over spreken, maar het, zonder iets te zeggen, zoodra ik er kans toe zie, doen.... O, nu weet ik, al ben ik in de verte, toch wel hoe je kijkt. Nu zit je of sta je met een neerhangend lipje, en zegt, dat je er heelemaal niet van bent gediend! Maar wil ik je dan eens wat zeggen? Jij bent mijn meisje, dat heb ik zwart-op-wit van je, verscheiden malen, en lieve en mooie meisjes, zooals jij er een bent, die slaat men nooit-in-der-eeuwigheid, maar men zoent ze altijd-door. Steekt dáár nu zooveel aakligs in? Want, zooals je weet, ik ben heusch eigenlijk maar een heel klein jongetje, en kleine jongetjes doen heelemaal geen kwaad. Die zetten alleen maar verwonderde oogjes, als men ze plotseling heel flink zoent. En dan zoenen ze zachtjes en liefjes terug. Och! zegt Jeanne nu, terwijl ze weg-loopt, wat ben ik toch begonnen! Waarom heb ik niet ‘neen’ gezegd, toen hij mij vroeg? Maar dan antwoordt het jongetje: Ja, lieve Jeanne, dáárvoor is het nu lekkertjes te laat! Want jij bent mijn meisje en ik ben je jongetje, en dat vinden alle menschen goed. Ze hebben ons zelfs al kaartjes gestuurd, om te bewijzen, dat ze het goed vonden. Dus daar is heelemaal niets meer aan te doen. O, jé, Jeanne, nu kijk ik op de klok en zie, dat het half één is. Nu kust het jongetje je teeder goeden nacht, en gaat dan stilletjes in zijn bedje liggen en slapen tot de dag weer komt. Jouw ondeugende, altijd-dartele Willem, die verliefd is. Je bent toch heusch niet boos? | |
[pagina 98]
| |
[Ongedateerd]O, aller-liefste en aller-innigst goede! O, liefste, liefste, eenige schat, - om te zeggen, dat mijn brieven je niet vervelen, dat je ze pleizierig vindt zelfs! O, heb maar nooit spijt van je zeggen, hoor, want nú ga ik je schrijven ellenlang, o, gewoon zònder eind! Je vraagt in je brief: ‘Lack je nu?’ Ja, ik lachte, ik schaterde 't uit, omdat je zoo grappig over dat zoenen schrijft, en omdat je gemerkt schijnt te hebben (hoe begrijp ik niet, want ik heb nóóit tegengestreefd, als je me een zoen wou geven) dat ik 't zoo iets verschrikkelijks vind. Maar jij mag me natuurlijk wel zoenen, - o, nu moet ik weer lachen om mezelf, omdat ik je zoo héél-goedig daar mijn toestemming voor geef. Maar heusch, lief, nu in ernst, je moet een beetje geduld met me hebben, zal je? Je moet me langzaam laten wennen aan alles wat nog zoo vreemd voor me is en ongewoon. O, ja, ik ken je wèl, ik ken je heelemaal zooals je ben, - ik kende jou véél eerder dan jij mij! En je blijft precies zoo doen, als je doen mòet, je blijft precies zoo spreken, als je spreken mòet volgens jouw eigen persoonlijkheid. En nú kan het niet meer veranderen, nu blijft alles zoo, goddank! O, ik ben zoo dankbaar, zoo grenzeloos, innig en diep, dat je zoo ben als je ben! En nu ga ik weer praten over mezelf. O, lief, wou je niet, dat ik mezelf een beetje minder belangrijk vond? Maar, liefste, dit moet je dan toch weten: ik heb mijzelf wèl altijd beschouwenswaard gevonden (dit zeg ik heelemaal zonder pedanterie, wat je, hoop ik, wel begrijpen zal) maar sinds ik ben van jou, vind ik mijzelf nog veel merkwaardiger, en heb bepaald een studie-voorwerp gemaakt van mezelf. Ik wil nu weten, waaròm je van me houdt, - of àl de dingen, die je van me zegt, alleen maar veronderstellingen van jòu, of wèrkelijkheid zijn, - en ik wil je àlles van mij doen weten, opdat je later nóóit iets in mij ontdekken zal, wat je vreemd voorkomt, of je een teleurstelling zou zijn. Begrijp je me, mijn aller-allerliefste, mijn eenig-eenige, mijn liefste schat? Nu ga ik je nóg eens spreken over mijn boek, - want, o, lief, dat is iets, wat me zoo innig, innig ter harte gaat! O, luister goed: dit is het boek, dat ik eenmaal schrijven moest in mijn leven. Begrijp me, lief, ik wil niet beweren, dat mijn boek goed is uit een oogpunt van kunst, - dat weet ik niet, daar kan ik niets van weten, - maar het is geworden, zooals het noodzakelijk worden mòest, - het kón nie anders geworden zijn, dan het geworden is. Zóó als het lang- | |
[pagina 99]
| |
zaam in mij is ontstaan, zóó heb ik het neergeschreven, - ondanks mijzelf, en zonder de bewustheid waaròm het zoo moest zijn. En dit alles zeg ik je, omdat ik wèl ontzettend graag zou willen, dat je het las, maar er toch eigenlijk een beetje ongerust over ben. Want, zie je, uit dit boek zal je merken, dat ik heelemaal zoo naïef niet ben, als je denkt, dat ik ben, en véél meer van het leven weet, dan jij veronderstelt. Maar dat kan ook niet anders, lief, - ik, die een Haagsch meisje ben, en alle denkbare en ondenkbare boeken gelezen heb! Dit zijn geen verontschuldigingen, dat moet je goed begrijpen, lief. Ik zou geen letter anders willen hebben in mijn boek: wat mij betreft moet het zóó zijn, woord voor woord, - ik zeg dit alles je alleen, opdat je voorbereid zal zijn, want ik wéét, dat het je heel erg verbazen zal. - O, lief, geef me hier eens antwoord op: denk je heusch, dat mijn temperament zacht en kalm en gelijkmatig is? O, dat is in 't geheel niet, in 't gehéél niet waar! Als iets me diep heeft gegriefd, of als ik onrechtvaardig behandeld word, dan kan ik zoo hartstochtelijk, zoo ontembaar-wild-driftig zijn! Dan laat ik me heelemaal in mijn verontwaardiging gaan en mijn gewone zelfbeheersching is weg, totaal. O, lief, ik zou wel graag in jouw oogen een zacht, lief, meegaand en volgzaam schepseltje zijn, dat je, geloof ik, denkt dat ik ben, maar, nietwaar, 't is toch veel eerlijker zóó! En nu ik toch aan het biechten ben: ik ben zoo zelfzuchtig, lief! Ik zou wel verwonderd zijn, als een ander dat tegen me zei, maar diep-inwendig wéét ik, dat ik 't ben. Ik denk nooit om anderen, nooit; er zijn maar o, zoo weinig menschen, waar ik wèrkelijk iets om geef, ik durf het niet te zeggen, hoe weinig maar. En toch, hoe zal ik 't uitdrukken, - ik ben niet opzettelijk egoïstisch; ik ben 't, omdat 't fond van mijn natuur zoo onafhankelijk is en zoo koud. En ook dit geloof ik: dat het de heilige plicht is van ieder mensch zichzèlven gelukkig te maken. Dit klinkt heel vreemd, maar voor mij is ‘gelukkig’ synoniem met ‘goed’. Het is mijn innige overtuiging, dat een gelukkig mensch niet slecht kan zijn. Misschien zie ik verkeerd: misschien kan men alleen gelukkig worden door àndere menschen gelukkig te maken, en niet geheel door zichzelf, zooals ik dat denk. Maar hierdoor weet jij nu toch, lief, dat ik heelemaal, heelemaal alleen ben van jou, omdat ik mijzelf niet verdeelen kan, - ik geef mij aan één, of aan niemand! Nu zou ik zoo heel graag willen, dat je me op dezen brief een | |
[pagina 100]
| |
speciaal antwoord gaf, - ik ben een beetje angstig wat je antwoord zal zijn, omdat je dit alles, wat ik geschreven heb, misschien niet prettig vindt. O, lief, laat me er toch geen spijt van hebben, dat ik zoo openhartig ben tegen jou, - zèg me, dat ik er goed aan doe, dat je dit graag zoo wilt; o, lief, zeg toch niet, dat ik zwijgen moet, dat ik me anders moet voordoen dan ik ben! O, lief, schrijf me gauw, toe, schrijf me gauw hierop terug, want o, ik ben werkelijk angstig en ongerust, en ik wil je dezen brief toch sturen! O, lief, geloof je niet, dat het een overwinning is op mezelf, om je dit alles zoo open te vertellen?
O, neen, Willem, o, Willem, mijn eigen, eenige liefste, - nu geef ik je toch heusch uit mijzèlf een zoen voor je brief, die me juist wordt gebracht.Ga naar voetnoot1) Want, o, die heeft me toch zoo ontzettend veel goed gedaan, na al dat ernstig geschrijf van zooeven. En nu ik weer in een heel andere stemming ben, bedenk ik me daar, dat je er misschien niet eens op gesteld ben, dat ik je zoo ‘edelmoedig’ en ‘zelfopofferend’ van al mijn ondeugden en gebreken op de hoogte breng. Een illusie is óok wat waard, zal je zeggen, - maar, lief, toch maar voor één oogenblik! En dan, wat wordt er dan van mij? Neen, ik stuur je deze bekentenis tòch; heusch, het is beter voor mij, maar ook voor jou. En ik heb zooveel moeite gehad je alles duidelijk te maken en niets terug te houden. O, lief, schrijf me gauw, tóe, alsjebelieft, ik smeek je, schrijf me gauw! Weet je, wat ik doe met je brieven, lief? Ik lees ze heel langzaam regel voor regel, woord voor woord, - en als ik dan aan het einde ben, begin ik weer opnieuw, en zoo maar aldoor, aldoor... neen, neen, nu zeg ik niets meer, want op die manier zou je wel eens kunnen gaan denken, dat ik den héélen dag genoeg had aan één brief, en ik wil er wel honderd, wel duizend van je hebben, als je zoo goed mocht willen zijn me die te schrijven. Zeg, Willem, jij kan zoo opperbest mijn gedachten raden, maar ik de jouwe ook. Ik weet b.v. heel goed, wat je zeggen zal, als je dezen brief eindelijk hebt uitgelezen: ‘Ouf! c'est fait!’ Is 't niet zoo? Maar je moet me niet zoo desillusioneeren, om me te vertellen, dat ik gelijk heb gehad; je ziet, dat ik het toch wel weet. Ik ben toch zóó blij, dat je werk af is; nu heb ik misschien wel | |
[pagina 101]
| |
kans op de honderd of duizend brieven, o, ik zou best kans zien je er evenveel terug te schrijven. (Dit zal jou nu misschien juist weerhouden om 't te doen, ben ik bang.) Nu zal ik je nog eens iets vertellen: ik vond het tegenwoordig iets ontzettend-afschuwelijks om uit logeeren te gaan, om, al was 't maar voor een paar dagen uit mijn eigen omgeving te zijn, waar ik al mijn gewoontetjes en wenschen volgen kan, - en nu verlang ik toch zoo! Dit zeg ik nu heelemaal niet, om 't je hoogelijk te laten apprecieeren, dat ik kom, - 't is puur, puur egoïsme, dat ik zoo graag bij je ben. En nu mijn allerliefste, mijn schattig jongetje, nu ga ik heusch eindigen, hoor. Ik sla mijn armen om je heen, en zoen je hééle gezichtje, waar ik o, zooveel van houd. (Ik zou het anders niet doen, niet kùnnen doen.) Dag, éénige, allerliefste!
jouw eigen Jeanne
Toe, schrijf me, schrijf me toch gauw hierop terug! | |
[Ongedateerd]Liefste, allerliefste, éénige schat, O, wat heb je me een ontzettend groot pleizier gedaan met me die literaire kroniek van jou te sturen! O, wat een magnifiek antwoord is dat! Zoo goddelijk-klaar, zoo juist-treffend en onomstootelijk-waar! Je moet niet boos worden, lief, dat ik dit zeg: (natúúrlijk is alles goed wat jij denkt en schrijft) maar ik waardeer 't zoo, dat je 't stuk mij zond, en o, ik ben toch zóó blij, dat je Borel zoo heel kalm en bedaard de waarheid zegt. Ik zou wel bij je willen zijn, en je ineens een zoen geven, zoo heerlijk als ik dat vind! Nu over je verzen, lief, waar je me, o, zoo trotsch-gelukkig door maakt! Ik lees ze, lees ze weer en weer, met aldoor grooter genot! Ik wou er zoo graag later met je over spreken, wat ik zoo ontzettendmooi heb gevonden, en waarom, - mag ik? Dat gaat veel beter dan er over te schrijven, en ik zou 't zoo allerheerlijkst vinden. O, lief, nu heb je dien langdradigen ik-brief al gelezen. Ik denk er voortdurend aan, of het niet beter was geweest, niet zoo te schrijven, maar eigenlijk denk ik toch van wèl. Ik zal je eens iets zeggen, (wat een heel slechte troost voor je is, als ik soms dingen mocht doen, die je niet goed vindt van me): ik kan nooit anders | |
[pagina 102]
| |
doen dan ik doe; de wil tot de daad en de daad zelf zijn bij mij altijd één. Misschien is 't wel waar, wat jij eens tegen me zei: dat ik bestuurd word door een macht, waaraan al mijn denken en doen is onderworpen, zóó volkomen, dat ik niet eens die macht vermoed. - Lief, die lieve, goede generaal Scheidler List zond me vandaag een prachtige, reusachtige bouquet van lang-gesteelde rose rozen, seringen en oranjebloesem. Je hebt nog nooit zoo'n lieve, beste, attente man gezien. Ik stuur er je wat van, lief, want ik kan het niet langer uitstaan, dat ik alles heb en jij niets. Ik hoop, dat je ze vandaag nog krijgt. Dag, lief, de bloemen zullen je een zoen van me brengen. Ik hoop, dat ze nog een beetje goed zullen zijn als je ze krijgt. jouw eigen Jeanne
Hierbij een lijstje van de verzen met de beginregels in volgorde. Dag, lief! | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 103]
| |
lijken schijn, waar heelemaal niets werkelijks achter zit, en dat, als het er eenmaal op aankomt, inwendig blijkt heel iets anders te wezen. Zie eens, je zegt, dat je bent een egoïst, maar wat dacht je dan, goddelijk-lieve, die zoo heerlijk-zuiver openhartig bent? Dat de menschelijke natuur, over 't algemeen, anders was dan jij jezelf nu meent te zien? Ik heb veel van de wereld gezien, zoodat ik nu wel weet, dat alles in die wereld is naakt, puur, bruut egoïsme in den diepsten grond. En het niet-egoïstische komt maar van tijd tot tijd als mooie, oogenblikkelijke stemming daar een beetje boven uit. Ik heb een massa menschen tot in hun diepste diepte leeren kennen, en gezien, dat deze allemaal, in waarheid, koud als ijs en bruut als steen waren. En zie mij zelf, ik sta bekend bij een heeleboel menschen als een overgevoelig mensch. En toch weet ik, dat er behalve jij, maar een paar menschen op de wereld zijn, door wier dood ik méér dan een oogenblik ontroerd, meer dan enkel weemoedig zou wezen. Maar wat komt dat er nu allemaal op aan? Ik heb jou lief met ziel en lichaam, met verstand en gevoel, met mijn heele zijn, niet alleen je gezicht of je handen, maar jou heelemaal, zooals je bent, inwendig en uitwendig, omdat jij jij bent. Ik heb jou lief, zooals ik nog nooit van iemand heb gehouden, zooals ik niet dacht, dat ik van iemand kon doen. En omdat ik zoo van je houd, verdwijnt tegenover jou mijn menschelijk egoïsme, voor het grootste deel in den regel, en als je wat lief voor mij bent, heelemaal. Ik zou alles voor je willen doen, wat goed voor je is, om je te maken tot een wondergelukkig, innerlijk-tevreden en door zichzelf zich vereeuwigend mensch. Nu ga ik dezen brief sluiten, dan kan hij om half twee op de post. Want ik moet nu koffie gaan drinken beneden. Ik zal hier een spoedbestelling van maken, dan krijg je hem licht gauwer. Teeder gekust op je mooie voorhoofd, waar je ziel achter woont door je liefhebbenden Willem | |
[pagina 104]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 105]
| |
stoof zij achteruit, en onmiddellijk daarop ging de deur weer tusschen haar en mij dicht, en 's middags aan tafel, toen ik haar voor 't eerst weer zag, was ze buitengewoon vriendelijk. O, lief, weet je, waar ik zoo blij om ben? Ik geloof hoe langer hoe meer, hoe meer je mij van jezelf vertelt, dat wij 't uitstekend met elkaar zullen kunnen vinden. Ik ben heelemaal niet bruut of een geweldenaar, zooals zooveel mannen zijn, en waar jij, geloof ik, het land aan hebt, en toch ben ik sterk en inwendig-hartstochtelijk. Jij bent innerlijk precies, wat ik altijd heb verlangd, maar nooit dacht te ontmoeten, en ik geloof ook van mezelf, dat ik in hoofdzaak ben, zooals jij 't wenscht. Nu sluit ik.
Met hartstochtelijke toewijding jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Bereid je voor op den extra-ordinair flauwen inhoud van deze. Hierna beter! Ik beloof 't je, ik beloof 't je, lief!
Allerliefste, Allerbeste,
O, ik ben weer heel anders nu. O, nu ben ik weer een heel ander mensch, dan de ernstige, plechtige, zichzelf-onderzoekende Jeanne! Jouw antwoord heeft al mijn onrust weg-genomen, - want ik mag toch wel gelooven, lief, dat je alles meent, wat je zegt! En nu het ‘ik-thema’ is afgehandeld, nu wou ik je wel allerlei vroolijke verhalen gaan doen, om je aan 't lachen te maken, en te zorgen, dat je geen zwaar-vervelend-ernstigen indruk van me houdt. Alleen heeft één zin me even tot nadenken gebracht: ‘Welke andere vrouw zou zoo over haarzelf hebben kunnen spreken, tegenover den man, waar zij mee samen wil zijn?’ - of ik ook een beetje de grenzen van het zelf-respect overschreden heb, - maar ik dring die gedachte weg; ik meende dat ik doen mòest, wat ik heb gedaan, en ik wil nu alleen maar dankbaar-verlicht en vroolijk zijn. Eerst krijg je de nieuwste Haagsche grap te hooren: ‘Jeanne Reyneke van Stuwe is nu niet langer ‘half’ maar ‘heel’. (Je hebt nu die novelle in Nederland, waar dat op doelt misschien al gelezen. Enorm geestig, die Hagenaars, hè?... O!) Ook hoor ik, dat er van den preekstoel over ‘Half’ is gesproken als ‘teeken des tijds’. | |
[pagina 106]
| |
Voorts wil ik je vertellen, dat allerlei menschen beweren ‘geen woord tegen je te durven spreken’; dan zeg ik natuurlijk, dat ik dat eerst ook niet durfde, maar dat het erg meevalt, want dat jij uiterst minzaam, uiterst vriendelijk en uiterst eenvoudig bent. Dan zeggen ze: ‘Och, zoo'n groot man en zoo eenvoudig; maar dat zie je meer van de echte grooten’, en staren mij aan, verwonderd, wat de groote man toch wel in mij heeft gezien. En dan denk ik: ‘Ja, menschjes-lief, daar zouden jullie toch niets van begrijpen, al zou ik ook de goedheid hebben, er jullie van op de hoogte te brengen, - ik vertel er dus niets van, heelemaal niets, dat is voor ons beidjes alleen’. En dan komen er weer anderen met onder belangstelling gemaskeerde nieuwsgierigheid, en informeeren, hoe ik me wel voel, en zetten hoe-is-dat-toch-mogelijk-geweest gezichten. Maar stilletjes in mijzelf lach ik ze allemaal uit, en weer op mijn kamertje alleen, leg ik mijn wang tegen je brieven aan, en zoen ze, en zeg zacht voor mij heen: O, wat een heerlijk genot is het toch, dat niemand iets begrijpen kan van ons wondermooi, eigen geluk! - - En nu, lief, nu moet je zeggen, dat je blij ben, hoor! Ik krijg zoo juist een àllerliefsten, àllerhartelijksten brief van Mevr. B., dat ik haar, zoodra ik wil komen, welkom zal zijn. Zeg nu eens, dat je dat prettig vindt, mijn allerliefste, toe, zèg het eens? Ik zal eens een nieuwen eigennaam voor je bedenken, lief. Iedereen noemt je ‘Willem’ de hééle wereld noemt je zoo, - als ik je nu eens ‘Johan’ noemde of ‘Theodoor’?Ga naar voetnoot1) Dan zeg ik Theo, dat vind ik zoo'n mooien naam. Dan mag jij ‘Jetje’ tegen me zeggen, als je wil, of nog liever Reine, dan verbeeld ik me, dat je, me zoo noemend, me een titel geeft, dien je vindt dat me toekomt. Of anders weet ik nog wel andere woorden voor je: ‘mijn uitverkorene’, ‘mijn welbeminde’, ‘mijn waardste vriend’, - jij mag kiezen. En nu, mijnheer mijn verloofde, heeft het brief-scheidingsuur weer geslagen. Ik reik U een vingertop tot een kus. Geloof, liefste vriend van mijn hart, dat mijn gedachten steeds met U zijn, en blijf gij in liefde gedenken, haar, die zich noemt, met verschuldigde gevoelens van achting en eerbied
Uw onderdanige, getrouwe en dienstwillige verloofde Jeanne Henriëtte Reine Reyneke van Stuwe Duinoord. Reinckenstraat 14 's-Gravenhage | |
[pagina 107]
| |
[Ongedateerd]Liefste, beste, zal je het Bussumsche fanfare-corps bestellen, als ik kom in 't laatst van de volgende week? Dan weet ik zeker, dat ik terecht ben, zie je? Lief, houd jij van die bedwelmende bloemen: narcissen, jasmijnen, oranjebloesem, tuberozen? Ik wel, dol-veel, ik kan voor die bloemen op de knieën liggen en den geur in-ademen, tot ik heelemaal weg zou raken. Dat lijkt me nog veel heerlijker dan opium of morphine. Bloemengeur brengt me altijd een beetje buiten mezelf, vandaar weer dezen mallen brief. Morgen zet ik de bloemen weg en dan ben ik weer kalm en verstandig en normaal in mijn ochtendepistel, ik beloof je. Lief, vergeet je nu niet te schrijven, dat je het prettig vindt, dat ik kom? Daar ben ik zoo echt-kinderachtig op gesteld. Toe, zeg het alsjeblieft! (als je het meenen kan.) Dag, allerliefste lief
een zoen van
je Jeanne | |
[Ongedateerd]Toen ik zooeven mijn brief aan jou ging weg-brengen, lief, toen kòn ik 't niet laten, en ben nog een eindje door-geloopen, heerlijk frisch in den wind, zoodat alle bloemengeur uit mijn hoofd is gewaaid en het nu weer heelemaal kalm en helder is. En nu moet ik je nog even zeggen, dat je mijn brief van zoo juist, dien je misschien wel tegelijk met dezen ontvangen zal, maar als een comisch intermezzo beschouwen moet, waar je even om lacht, en dat dadelijk weer vergeten is. Want dat was geen antwoord, lief, dat kon geen antwoord zijn op je lieven, je ernstigen brief. Lief, luister nu: ik bèn blij, dat ik je alles heb verteld, en dat je er me zóó op terug-geschreven hebt! Nietwaar, mijn liefste, er mag niets tusschen ons staan, je vindt het goed, dat ik mij aan jou te verklaren tracht, zooals ik dat zoo graag doe voor mijzelf? Als je nu hier was, lief, zou je dan je arm om me heen slaan, en zacht en troostend zeggen, dat je houdt van me, en me een klein beetje goed vindt in mijn pogen, om alles voor jou te zijn, wat ik kan? Ach, toe, lief, zeg eens, dat je zóó zou doen? Ik verlang zoo naar je, - lief, zeg eens, dat je ook naar mij verlangt? O, liefste, ik wou, dat je hier was, ik wou, dat ik je eens één | |
[pagina 108]
| |
keer hoorde zeggen: Ik houd van je! Daar kan ik soms zoo smachtend naar verlangen, lief! O, ik wou, dat je 't eens één keer zei tegen me. Ik moet nu eindigen, het is al laat. Tot morgen dan, mijn eenige liefste, denk je héél-teeder met innige kussen gekust
door jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 109]
| |
niet 19 maar 20. Dank je innig voor je prachtige bloemen, die vanavond kwamen. Ik voeg hierbij een vers er op, dat zoo even ontstond.
Jouw eigendom Willem | |
Bussum, 26/4 '99Ja, lieve schat, nu zie ik je lachen. Ik had nauwelijks mijn brief in de bus gegooid, of er begon een nieuw vers te komen. Ik liep gauw naar huis terug, ging zitten schrijven, en in een oogenblik was het klaar! 't ls kwart voor elven, en ik ga nu maar niet meer uit, want om elf uur wordt gewoonlijk het huis gesloten. Morgen (Donderdagochtend) doe ik dit dus op de post. Ik ben zoo blij, dat je mijn kroniek goed vindt. Want ik zelf was er ook nogal mee in mijn schik. Dat ik zoo kalm bleef, wat voor den indruk op 't publiek zoo goed is, kwam door het menschelijk geluk, dat jij mij geeft. Goeden nacht, bewonderenswaardige, ik aanbid je oprecht. Willem of 't Jongetje vol geluk en hoop Z.O.Z.
Toen ik dit had geschreven, kwam Verster mijn kamer binnen. Hij bleef een uurtje aangenaam praten, en toen hij weg was, kwam er nóg een vers, dat ik hier óok bijvoeg. O, Jean, ik zou je zoo graag met een sterke en toch eindloos zachte en teedere beweging aan mij willen houden, en je zeggen met een stem, zacht-klinkend van aandoening, dat jij mijn Eenigevoor-altijd bent, voor mijn uiterlijke woorden, zoowel als voor mijn inwendigste gedachten, en dat er nooit-in-der-eeuwigheid iemand anders voor mij zal zijn dan jij. Want als ik je nu liefhad om je lippen, of om je armen, of om iets dergelijks, dan zou je kunnen denken: er zijn ook nog andere lippen en armen op de wereld, en die kan hij allemaal met elkaar vergelijken, en dan leggen de mijne 't misschien af. Maar ik heb je lief om je innerlijk wezen, en daar er nu geen andere vrouw op de wereld is, die daarin met jou ook maar vergeleken zou kunnen worden, kan ik, goddank! | |
[pagina 110]
| |
onmogelijk van je af, niet alleen, omdat het mijn wil en mijn zin is om bij je te blijven, maar ook omdat het volgens de logische orde der dingen niet anders kan. Mijn gevoel en verstand en mijn heele wezen in zijn ganschen omvang drijft onweerstaanbaar naar jou toe en wil aan jou verbonden zijn voor goed. En nu zeg jij, o, zaligheid! dat je dat goed vindt en volstrekt niet onaangenaam. Kom, Lief! laten we dan in gedachten een rondetje dansen; de Muze zweeft boven ons en speelt op haar luit, terwijl ze lachend naar beneden ziet op hare kinderen, die blij-uit zwieren en taartjes en lekkere chocolaadjes samen opeten zonder eind. Wil ik je eens wat zeggen, Lief? Ik heb je gloeiend lief! Teeder kust je jouw eigen Willem
Donderdagmorgen.
Zooeven kwamen je twee brieven. Heerlijk, dat ze je hebben willen. Maar deze moet nu gauw weg. Dag, prachtige Lief! Het papier ziet er hier en daar niet netjes uit, maar vergeef me: anders moet ik den heelen boel overschrijven, en dan krijg je hem pas veel later. | |
[Ongedateerd]O, Lief, Lief! O, nu heb je 't weer zoo goddelijk gezegd, dat je van me houdt... O, Willem, 't is eigenaardig, hoe dikwijls je me antwoordt op dingen, die je nog niet eens weet, dat ik vragen zal! O, is 't niet mystiek, dat je altijd mijn verlangen begrijpt, altijd mijn innigste wenschen voorkomt? 't Is me, alsof je zegt: ‘Ik heb je lief, vòel dat toch, Jeanne...’ O, dat zal ik, dat doe ik; al meer en meer zal het een vaste, zalige, bewuste zekerheid worden in mij, en àl meer en meer zal ik, lief, daardoor voor jou kunnen zijn! O, ik voel me trillen van vreugd, als je zegt, dat ik onmisbaar voor je ben, want ik kan zonder jou niet meer leven, lief! O, ik houd zoo van je, zoo innig en diep en onuitsprekelijk-veel, en dáatom, dáardoor zoek ik wel eens angstig naar dingen, die niet bestaan, niet kúnnen bestaan, goddank! O, Willem, ik vind 't toch zoo goddelijk-zalig, je weer zoo | |
[pagina 111]
| |
gauw te zien! Ik ga in deze dagen hard aan 't werk, om ze gauw òm te krijgen. Dag lieve, lieve, eenige lieve Lief!
Tot in de oneindigheid jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Villa Parkzicht
| |
[pagina 112]
| |
behoefte heeft aan sympathie. Versta mij nu wel! Ik bedoel, met die sympathie, niet, dat je op alles, wat je van mij hoort, moet zeggen: ‘O, lieve Willem, wat is dat goed en best.’ Want dan zou ik juist, zooals vanzelf spreekt, langzaam-aan weer heelemaal mijn mond gaan houden. Neen, ik bedoel natuurlijk, dat je mij over de dingen, die ik je zeg, bedaard-gevoeld en zuiver-eerlijk jouw opinie zegt. Ik zal je nooit, - wees maar niet bang, - aan je hoofd zeuren met geleerde kwesties of dergelijke, lief! Het zullen meestal maar gewoon-menschelijke dingen zijn, waarover ik met je spreek. Want ik wou je zoo graag nergens buiten laten, omdat ik je gevoelde gezond-verstand vertrouw. Je zult hieruit merken, hoop ik, dat ik je in geenen deele mijn ‘mindere’ vind. En dat kan je van mij aannemen, nu ik het zoo uit mijzelf zeg, o, goddelijke Jeanne! Want al heb ik het nog nooit aan iemand laten merken, inwendig ben ik heel sterk en kalm-trotsch, en ik geloof wel eenigszins, dat er niemand in inwendige, waarachtige kracht op den duur tegen mij op kan, als ik maar ernstig en vastberaden wil. Maar denk nu toch vooral niet, dat ik tegen jou ooit een houding zal aannemen, of zoo iets. Want voor jou wil ik niet anders zijn als een volkomenzuiver en open mensch, waar je veel van houden kunt, en die jou liefheeft, tot in het diepst van zijn ziel, met al zijn vermogens, zonder eenige achtergedachte, als hoogstens deze: Hoe kan ik haar verrassen met iets aangenaams? - - Nu ga ik sluiten, want ik wil even naar Hilversum wandelen om een aardigheid voor je te koopen, die ik aan de koffie merkte, dat de dochter des huizes hier had. 't Is een aardig soort postpapier en ook cartes de correspondance, 't zag er nog al leuk en netjes uit. In je brief, dien ik zooeven ontvang, vraag je mij, of ik naar je verlang. En ik antwoord: Ik verlang zóó ontzettend naar je, als maar de eene tweeling naar de andere kan doen. Hartel. gekust door je liefh. Willem | |
[pagina 113]
| |
laten (verbeeld je!) u te melden, dat er een pakketje naar u onder weg is, met papier van deze soort. Want Perry in Hilversum zal dat expedieeren naar de Reinckenstraat. Maar alle gekheid op een stokje, lief! Vanavond schrijf ik een beetren brief.
Jouw Willempje | |
[Ongedateerd]Je bent de aller, aller, allerliefste, die er op de wereld bestaat! Schat, om me dit mooie papier en die kaarten te sturen! Wat is 't toch innig-lief en innig-goed van je, dat je zóó om me denkt! Verbeeld je nu mijn armen om je hals, en dat ik je zoen met heel, heel hartelijke bedankjes-zoenen. Ik vind het beeldig, en bewaar het voor extra-extra gelegenheden, b.v. eens een enkelen keer aan mijn verloofde, als ik in een lieve bui ben, - en anders voor zijn verjaardag en andere groote feesten. O, allerliefste! o, lief! ik ben er toch zoo blij mee! Niet alleen om het papier zelf, hoe mooi ik dat ook vind, maar ook om het ontzettend lieve van de attentie. Vanmorgen dacht ik een oogenblik, dat er geen brief van je was, toen ik het rose couvert tusschen anderen zag, maar je stelt me nooit teleur, allerliefste. Ik kreeg een kaartje van Arnold Ising uit Amsterdam; dat is zeker een goede kennis van jou; ik denk dit, omdat mijn volledig adres er op stond. Zeg, Willem, is 't waar, dat jij wel eens een voordracht hebt gehouden in Arnhem? Ik moet soms schateren om de verhalen, die me over jou worden gedaan, en die onmogelijk waar kúnnen zijn. En dan moet je de verwondering zien, waarmee ik word gadegeslagen, en den twijfel, of het wel werkelijkheid is van jou en mij, - maar dat vernedert me heelemaal niet, dat maakt me nog veel, veel trotscher dan ik al ben en nog veel hoogmoediggeslotener. Lief, ik zou wel eens willen weten, of iemand, die mij volledig kende, jou in ernst met je keuze gelukwenschen kon? Lief, nu je zoo ineens zegt, uit jezelf, dat je me niet als je mindere beschouwt, - lief, geloof je nu niet, dat dit me steun geeft en kracht, om me te verheffen, al hooger en hooger, tot ik eindelijk zal zijn, wat je hoopt, dat ik ben? En begrijp je niet, dat, als je zegt: ‘... dat | |
[pagina 114]
| |
ik niets doe, zonder het er met jou over te hebben...’ dat dit me in mijn eigen oogen verhoogt, en dat ik al de vermogens van mijn verstand en mijn gevoel zal samen-voegen om jou te begrijpen, altijd, met heel mijn innerlijk Zijn? O, lief, laat me altijd bij je mogen komen met al mijn daden, plannen en gedachten, laat me je altijd alles mogen zeggen, lief! Jij bent de eerste aan wien ik vraag me te helpen, de éénige, aan wien ik dat vragen wil. Het is mijn eigen schuld misschien wel, dat velen me niet begrijpen, omdat ik mij voor de menschen altijd zorgvuldig gesloten houd, - maar ik kàn ook het teeder-intieme van mijn ziel niet geven aan iedereen, - dat zou ik ontwijding gelooven! O, ik ben eigenlijk toch zoo'n erg onmaatschappelijk mensch! Ik verzamel nu al allerlei dingen, die ik noodzakelijk van je weten moet, maar die ik je liever persoonlijk wil vragen. En dan ben ik ontzettend verlangend te weten, wie jij gelijk geven zal: de wereld of mij! Een innigen zoen van haar, die altijd van je houden zal: ![]() Jeanne of het bebloesemd ideaal
Dit mooie, zoo uitstekend voor de naamteekening geschikte hart ontdekte ik ineens in het papier. Zeker expres er in gedrukt, nietwaar, bovenste beste? Dien bijnaam wil ik houden voor altijd; ik ben gewoon op die prachtige woord-vondst, verliefd en er heelemaal door verrukt! | |
[pagina 115]
| |
Hilversum. En toen kwam Arthur van Schendel, met wien ik heb zitten praten. Maar ik wil je toch niet heelemaal zonder brief laten voor morgenochtend, en ik krabbel dus maar wat op. Van één ding wou ik zoo graag, dat je je overtuigd hield: dat ik absoluut niet buiten je kan, nu niet en nooit. Ik heb nooit, voor niemand iets gevoeld, als wat ik voor jou voel, en dat wordt iederen dag sterker en vaster. Ik voel alles door elkaar voor je, allemaal mooie en heerlijke dingen, en 't geheel van die allen is één groot gevoel, dat mij heelemaal, heelemaal inneemt, en waar, dat weet ik, nooit een eind aan komt. O, het geluk, dat ik niet meer alleen ben in het vreemde, koude leven, waarin ik eenzaam in 't kille donker, als een door niemand vermoede fakkel stond. Glimlach nu maar om mijn bloemrijke taal, de kern er van is echt! En weet je, wat ik ook zoo innig-heerlijk vind? Je bent, geloof ik, heelemaal niet capricieus. Je zal natuurlijk wel den eenen dag een beetje anders gestemd zijn dan den anderen, maar je zal b.v. niet den eenen dag denken: ‘ik houd het meeste van kunst’, en den anderen dag: ‘och, wat is kunst toch eigenlijk een saai ding, ik geef alleen om bals en dinertjes’. Zie, en precies zoo ben ik ook: ik zeg b.v. nooit den eenen dag: ‘Ik houd zielsveel van Jeanne, terwijl ik den volgenden dag denk: ‘Nu ja, die Jeanne is wel een aardig en interessant meisje.’ Neen, ik houd iederen dag evenveel van je, en eer meer, eer vaster en dieper nog dan den vorigen dag. Maar, - vind jij dat nu niet een beetje lastig, dat er een mensch op de wereld is, die altijd en eeuwig zielsveel van je houdt? Je moet me niet uitlachen, maar ik ben zoo verschrikkelijk gelukkig, dat er een mensch is, die niet zóó onverschillig aan mij denkt als al die andere menschen. En weet je wie die mensch is? Je kent haar, geloof ik, wel een beetje, ze heet Jeanne, en ze is een lief en mooi en geestig en verstandig en artistiek en aardig meisje uit den Haag. O, Jeanne, als je hier komt, - wanneer kom je nu? - dan gaan we ernstig spreken en heel veel lachen, en wandelen en visites maken, en alles, alles doen, wat je maar wilt. En als je Mama en je zusters vragen, wat je in Bussum gaat doen, dan zeg je maar met een ernstig gezicht, dat je dichterlijke studies gaat maken naar het Gooische landschap, en dat je je daarom zoolang met Willem geëngageerd hebt omdat die den weg zoo goed weet in die streek, en je dus het best tot gids kan dienen. ‘Heusch,’ zeg je dan maar, | |
[pagina 116]
| |
als ze je niet gelooven, ‘als ik hem een zoen geef, dan doet hij alles voor me. O, Mama, dat is zoo'n gemak!’ Nu, lieve genade-rijke, de blaadjes zijn toch vol-gekomen, nu ga ik dezen nog even op de post brengen. Jeanne, lief hart, teeder omarmt je, je ziende in je oogen, met trouwe overgave,
jouw Willem Goeden nacht
Zegt zacht
Je Willem.
Wil je 'em?
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 117]
| |
gaan houden, tenminste nog weer anders, en hoe meer ik je leer kennen, hoe vuriger ik voel, wat een goddelijk geluk mij in jou en door jou in mijn hand is gegeven en het eenige wat ik kan doen is dankbaar zijn.
Ik was naar beneden gegaan om thee te drinken en daar kwam je brief met het hart. Ja, ik heb niet alleen een voordracht gehouden in Arnhem, maar ook baars heb ik gevangen in de boschjes van Betsjoeanaland en op de Brug der Zuchten te Venetië heb ik met den hengel een dikke kievit opgehaald, die, wonderlijk genoeg in ons land alleen als een vliegende vogel in de lucht wordt gezien. Maar ten slotte voor vandaag: weet je, Jeanne, wat ik zoo lief van je vind? Dat je mij nu niet zoo verschrikkelijk liefhebt, en mij toch zulke aardige brieven schrijft. Versta mij nu wel: ik begrijp heel goed, dat je volstrekt niet het land aan mij hebt, want anders had je natuurlijk niet bij voortduring zoo kunnen doen, als je hebt gedaan. Dat is nu minder, want ik zal er misschien wel aan wennen, als ik maar ontzettend veel van jou houden mag. En dat mag ik inderdaad, want in de verhouding, waarin ik nu tot je mag staan tot mijn onverdelgbare vreugde, is je lief te hebben, diep en waarachtig, niet alleen mijn plicht, maar zelfs mijn recht. O, ik wou dolgraag, dat je hier was, dan zou ik je vervolgen met betuigingen van liefde, tot je niet meer weet, waar je blijft.
Jouw Willem
Vergelijk als je wilt, het papier, dat ik je liet sturen met dat rose briefje van mij, dat ik geschreven heb op papier van Juffr. Linn, dat ze mij gaf. Juffr. Linn zei, dat dat papier van háár niet meer bij Perry te krijgen was, dus dat ze mij ander zullen gegeven hebben. Perry heeft mij het andere, dat ik je liet sturen, niet laten zien, dus is het best mogelijk, dat ze gelijk heeft. | |
[Ongedateerd]Willem, ik wéét, dat je me niet opzettelijk bedroefd hebt willen maken, dat je 't bedoeld hebt als een grap misschien, maar 't doet me zoo'n vreeselijke pijn, als je dingen zegt, die bewijzen, dat je wel eens twijfelt aan me. Dit: ‘Dat je mij nu niet zoo verschrikkelijk liefhebt en me toch | |
[pagina 118]
| |
zulke aardige brieven schrijft...’ Maar zou ik dat dan doen, zou ik dat dan kunnen doen, als mijn gevoel niets dan auto-suggestie was, als niet elk van mijn woorden waarachtig en diep was gemeend? O, Willem, Willem! je ziet me nog altijd niet als de vrouw, die eindelijk den harer-liefde-waardige gevonden heeft, en hem nu, in volkomen overgave, het heilig geschenk van zichzelve geeft; ik ben voor jou nog zoo onwezenlijk, zoo vaag, zoo of ik geen levend mensch, maar een droombeeld ben. Maar o, ik hèb je lief, ik wil 't je knielend bezweren, dat ik jou liefheb, jou alleen en voor altijd jou, - dat ik al mijn gedachten en wenschen en willen niet meer voor mijzelve behoud, maar ze aan jòu openbaar, - dat mijn verder bestaan één streven zal zijn, om jòu wat echt geluk te geven. Willem, ik heb je lief, ik heb jou lief, mijn God, mijn God, hoor je de waarheid niet? jouw Jeanne | |
[Ongedateerd]O, lief, - mijn vorige was even een uitbarsting, nu beantwoord ik verder je brief. 't Maakt me zoo oneindig gelukkig, dat je zoo geschreven hebt over mijn Half. Vooral omdat mijn boek is in denzelfden toon, maar toch beter, krachtiger, dieper, vooral naar het einde toe. Jij zal wel voelen, lief, dat ik dit niet uit ijdelheid zeg, - want o, als dit boek niet goed is, dan kan ik niets, en zal ik ook nooit meer iets kunnen. O, als ik maar zeker wist, dat mijn boek je een vreugde zou zijn!... Ik verlang zoo naar je! Er komen telkens weer andere en nieuwe dingen in mij op, die ik je vragen wil; o, wat een goddelijk genot zal dat voor me zijn, om heel, heel lang met je te praten over allerlei dingen, die ik tot nu toe maar zelf moest zien te verklaren! O, ik wou 't zoo graag, ik zou 't zoo ontzettend-heerlijk vinden, als je nooit iets niet met me besprak, in de gedachte: Ach, daar begrijpt ze toch niets van, - maar dat je je dan een beetje moeite gaf, om 't me uit te leggen en duidelijk te maken, en heusch, ik zal al mijn vermogens inspannen, om je te begrijpen en niet onbevattelijk te zijn. Ik zou 't zoo verrukkelijk en genotvol vinden, als ik jou altijd alles vragen mocht, als ik eens iets niet begreep, en jij 't me dan zeggen wou, en me, zoo leerend, verder ontwikkelde. O, lief, ik kan je niet zeggen, wat je brieven mij zijn. Ik ben er | |
[pagina 119]
| |
zoo gelukkig, zoo gelukkig mee. Ik leef er op, heelemaal; ik wacht de dagen dóór, en als je brief dan komt, dan geniet ik daarvan met een onbeschrijflijk en intiem genot. Maar 't hindert me wel eens, dat ik soms zoo beheerscht word door mijn stemmingen. Alles zal wel beter worden, als ik mijn geluk eenmaal zie als iets zekers en onverbrekelijks en niet den angst meer ken, dat het nog eens vervagen zal. Ik kan soms zoo verlangen, bij je te zijn, mijn handen in de jouwe te leggen, en dan zonder terughouding en zonder verlegenheid, met mijn oogen open en onafgewend in die van jou te zeggen ik houd van je. O, lief, dat is mijn zielsbehoefte: jou voor altijd de overtuiging te geven, dat ik jou liefheb, met al de teederheid, de trouw en de óneindige liefde, die mijn ziel geven kan, - dat jij mijn leven bent. Ik kus je zacht. Jouw Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 120]
| |
dat ik zoo naar je boek verlangde, omdat ik je ‘Half’ gelezen had. O, Jeanne, je heele Zijn, zooals je bent, maakt mij zoo sterk en kalm-vastberaden, omdat ik merk, uit alles wat je zegt, dat jij bent de vrouw, waar ik naar verlangd heb, mijn heele leven, maar die ik ten slotte moest aannemen, dat niet kon bestaan. En nu bèn je gekomen, en ik dank je heel diep, met een overgave van mijn heele Zijn, in een vast en opperst vertrouwen, dat je alles hebt willen en kunnen doen, zóó als je hebt gedaan, van den beginne af. Ik beschouw je heusch niet, dat begrijp je nu toch wel, zooals de meeste mannen hun vrouwen beschouwen, als een aardig popje, waar ze prettig mee spelen kunnen, maar die hun eigenlijk Zijn ten slotte heelemaal niet raakt. Want ik heb meer ondervonden en meer gedacht en meer gestudeerd hoogstwaarschijnlijk dan jij. Maar als mensch van emotie en menschelijk begrip, ben je heelemaal, dat merk ik, niet mijn mindere, maar veeleer mijn zuster-naar-de-ziel voor wie ik alles wil doen, wat zij als vrouw-alleen soms moeilijk zou kunnen en die ik wil steunen en helpen in het leven met al de kracht van gevoel-en-verstand, die in mij is. En ik zal ook nooit op mijzelf gaan staan, dat beloof ik je plechtig, maar bij jou alleen altijd raad en steun èn sympathie zoeken, overal waar je mij die geven wilt. Begin je nu een beetje te voelen, lief, hoe diep en innig en waarachtig ik je liefheb, want wat ik nu zei, was geen lyrische visievan-een-oogenblik, maar de vast en diep-gevoelde overtuiging van een ernstig, volwassen man. De tijd begint nu, - gelukkig voor mij! - te naderen, dat je hier komt, allerliefste Lief! Ik wou zoo graag, dat je langer dan een paar dagen bleef! Want, denk er om, al zouden ze nu soms bij Bosmans je niet langer kunnen hebben, dan zou je toch altijd kunnen gaan logeeren bij Mevr. van Gogh. Je zult haar wel leeren kennen, want als je hier bent, dan gaan wij haar heel gauw een engagementsvisite maken. Je zal dan wel wat vriendelijk tegen haar zijn. Haar zoontje Vincent, waarover ik je schreef, heeft net een kopje, verbeeld ik me, als van een engel op een oud-Italiaansch schilderij. Nu moet ik langzamerhand uitscheiden, want ik ga naar Amsterdam zoo meteen. Maar morgen, Zondag, schrijf ik je natuurlijk wéér. Word toch nooit gehinderd, smeek ik je, als ik wel eens verzuchtingen slaak, want ik ben, met al mijn sterkte, inwendig zoo'n | |
[pagina 121]
| |
teere plant. Och, door sympathie krijg je alles van mij gedaan! Met een ontzettend verlangen naar je bijzijn kust je heel liefhebbend je Willem-voor-altijd
Ik zou dit blaadje wel hebben willen vol-schrijven, maar ik moet nu weg. Tot morgen, lief! Ik snijd het laatste witte blaadje er maar af, want ik merk, bij het wegen, dat mijn brief, als het lak er nog bijkomt, waarschijnlijk te zwaar zou wezen voor enkel port. | |
[Ongedateerd]Liefste, beste, Ik bedenk me, dat ik morgenochtend boodschappen moet gaan doen, en schrijf dus nu nog maar even. Als ik 's avonds mijn brieven aan jou weg-brengen ga, - dat doe ik altijd met een langen, zwarten rotonde-mantel om, en mijn hoed diep in de oogen, want, bon Dieu, 't is eigenlijk allesbehalve comme il faut! - dan loop ik altijd heel-langzaam, en ga wel eens een eindje den landweg op, maar vanavond was er een man, die zich omkeerde, nadat ik voorbij-geloopen was, en iets mompelde, en toen ben ik letterlijk naar huis terug-gevlogen. Je ziet: moedig ben ik allesbehalve! (Ja, toch geloof ik, dat ik 't soms wel eens ben, - maar mijn deugden, - als ik die heb, zetelen eigenlijk allemaal in mijn geest.) De menschen zouden zeggen: ‘ja, dan moet je maar niet zoo onconventioneel doen’. 't Is waar, dat ik mijn daden nooit aan de goedkeuring van de groote menigte heb onderworpen; maar ik voor mij vind, dat iedereen absoluut-vrij moet zijn, in wat hij zeggen en niet-zeggen, in wat hij wèl of niet wil zwijgen. Kan jij je voorstellen: vertrouwelijkheid door dwang? Neen, nietwaar, liefste? je denkt hierin zooals ik? - O, lief, 't is zoo zalig, 't zoete, streelende besef, dat jij er ben, en van me houden wilt, en mij vergunt iets in je leven te zijn! O, lief, dat ik misschien iets voor je kan wezen, - o, dat ik je misschien iets terug-geven kan voor het eindeloos-groote geluk, dat jij mij geeft. O, lief! lief! Hoe trotsch en koel en gesloten ik ook scheen, toch smachtte ik diep-innerlijk naar een mij machtig-overheerschende passie, die | |
[pagina 122]
| |
mijn gansche Zijn veroveren zou, en die mij mijn afhankelijkheid en zwakheid als zaligheid zou doen voelen. En nú ik liefheb, nu is die liefde grootsch en volkomen en superieur en slechts eindbaar met mijn leven. Nu wil ik àl mijn hopen, wenschen, willen vervormen tot beden om geluk voor jóu; nu wil ik niets kennen dan jouw verlangen alleen, - omdat ik jou vertrouw, méér dan mezelf, omdat ik jou liefheb, méér dan mezelf! O, eenige liefste, ik wou, dat ik in me de onwrikbare overtuiging had, dat ik je gelukkig, een klein beetje gelukkig maakte, - dat ik werkelijk in staat ben, je iets te geven, dat je niet van iedereen krijgen kan; o, liefste, liefste, al het teedere en goede en mooie en reine, dat in me is, dat is voor jou, voor jou alleen, uitsluitend en volkomen. En al de liefde, die ik in staat te geven ben, die voortkomt uit de diepste diepte van mijn ziel, die is voor jou, liefste, voor jou, voor nu en altijd voor jou. Het is al laat, mijn liefste, ik moet eindigen nu.
Een innig-teedere zoen
van jouw Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 123]
| |
leeren begrijpen, dan ik al deed, hoeveel ik, ook in mijn onbewustheid, van je houd. Jij bent álles, álles voor me! Maar breng dan je Zelf, dat ik grondeloos liefheb, breng je onvergelijklijke Zelf in Godsnaam niet meer in gevaar! Voel je 't, en begrijp je 't? Doe dat, smeek ik je innig, niet meer! Ziezoo, nu ben ik weer wat geruster, want nu weet ik zeker, dat je het niet meer zult doen, omdat je, in je namelooze goedheid, nooit iets met je weten zult willen, wat mij verdriet doet. En zie, je wou weten, of je mij gelukkig maakt... Of je dat al niet wist! Maar ik wil het je toch herhalen, duidelijk en onmiskenbaar, zóó, dat je er je niet in kúnt vergissen. Je maakt me gelukkig, door te zijn zooals je bent, zóó gelukkig maak je mij, als ik nog nooit geweest ben, zóó gelukkig, als ik niet had durven denken, ooit nog eens te zullen worden. Weet je 't nu, voel je 't nu, Lief, dat ik je aanbid? Ik maak je mijn diep-gemeende excuses over die sceptische uitlating van me: denk daar niet meer om! Zal je heusch niet?
Vanmiddag, juist voor ik naar spoor ging, kreeg ik een presentexemplaar gestuurd van de volledige Poésies van Stéphane Mallarmé, waar ik heel erg blij mee ben. Ken je ze misschien eenigszins, zooals ze verspreid lagen in bloemlezingen en tijdschriften? Ik heb me nogal verveeld in Amsterdam. Van Schendel was vrij stil, en de Versluysen waren ook niet erg op hun dreef, misschien door de drukte van hun loopende zaken. Maar Mevr. Versluys was zeer verlangend, je te leeren kennen, en ik heb beloofd haar die novelle in Nederland van je te sturen. En ik ben vreeselijk verlangend naar je roman. Stuur me toch dadelijk, wil je? een exemplaar als hij uit is. Nu kust je met innig- en diep-gevoelde en onvergankelijke liefde
jouw eigendom Willem | |
[Ongedateerd]Lief, liefste, ik ben je toch zóó innig dankbaar, dat je gezorgd hebt, dat er vanmorgen een brief voor me was! Want o, als er géén was geweest! Dan was die nare, droevige stemming van eergisteren weer terug-gekomen, en dan zou ik je niet vroolijk geschreven hebben. O, lief, en dat is zoo naar voor jou, die zoo innig goed en lief voor me bent; ik had je niet zoo gauw en zoo opgewonden | |
[pagina 124]
| |
moeten schrijven, - maar nu in dezen vreemd-mooien tijd ben ik onderhevig aan allerlei dingen, waar ik anders niet door gehinderd zou zijn... en dan vooral ook het weer. Dat maakt me soms zoo onredelijk melancholisch, en ik begrijp niet waarom. Maar eergisteren was er toevallig iets gebeurd, waardoor ik gedisponeerd was, om gauw iets treurigs te voelen. Begrijp je, wat het was? Er was den heelen dag geen brief van je gekomen; 's middags kwam, met de post van half vijf, je brief, weg-gegaan uit Bussum 5-7 v.m., dien ik dus om 1 uur mòest hebben gehad. En toen daar nu toevallig iets in stond, dat me trof (dat ik nu niet zoo erg veel van je hield) was ik veel erger bedroefd dan misschien noodig zou zijn geweest. Wees maar nooit boos over mijn flauwheid, Lief! Ik kreeg kaartjes van den hr. en mevr. Hofker, kennissen van jou? Weet je, waar ik zoo verlangend naar ben, om het weer eens terug te zien? Mijn schrift met verzen, dat ik 5 April bij je gelaten heb. Want daar heb ik, geloof ik, van alles in gekrabbeld, allerlei gedachten en ideeën, die je soms misschien wel eens een beetje vreemd gevonden hebt. Ik nam dat schrift mee, moet je weten, om je er een paar verzen uit voor te lezen (net alsof ik dat ooit gedurfd zou hebben, verbeeld je) en dacht er later totaal niet meer aan, wat er wel in kon staan. O, ik wou, dat ik al in Bussum was, o, lief, lief, lief, die je ben! Weet je, hoe 't altijd met mij is? Als ik weet, dat ik ergens b.v. een maand op wachten moet, dan wacht ik 25 dagen heel geduldig (voor mijn doen heel geduldig, als je weet, dat ik lijdende ben aan een volkomen manque de patience) maar de laatste 5 kan ik 't letterlijk niet meer uithouden, en merk dan terdege, dat elke dag 86400 seconden telt! Zie je, 't is, of deze dagen niet om willen gaan, voordat ik je terug zal zien. Ik durf 't wel te zeggen, want jij vindt 't toch niet zoo heel naar, dat ik kom, is 't wel? O, ik heb je wel millioen dingen te vragen: over mijn werk; over conventionaliteiten (ik weet niet of dit een woord is) o, en over nog allerlei andere dingen meer. Ik ben ontzettend verlangend naar de Mei-afl. van de N.G., die komt morgen misschien of anders overmorgen. Dag liefste, beste, ik hóóp, dat er morgenochtend weer een brief van jou is, maar anders schrijf ik jou tòch. Een innig-hartelijke zoen van
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 125]
| |
[Ongedateerd]Liefste, liefste, wees toch niet boos op me, omdat ik soms zoo'n flauw en echt-kinderachtig kind kan zijn! Het doet me zelf zoo'n verdriet! O, lief, ik vraag je nog eens heel dringend, of je geduld met me hebben wilt, - ik zal wel beter worden, later, méér zooals jij het wenscht, en ik zelf het zoo innig verlang. Je schrijft: ‘Want ik ben, met al mijn sterkte, eigenlijk inwendig zoo'n teere plant’. En dat ben ik ook, mijn liefste! En wat mijn leven aantast in zijn eigenlijke kern, - mijn liefde voor jou, - dat moet me wel 't felst en 't hevigst doen lijden. Zie, ik ben heelemaal niet, wat men ‘zenuwachtig’ noemt, want bijna alles wat de meeste vrouwen doet rillen en beven, gaat onberoerend langs mij heen. Maar al wat er in den laatsten tijd met me is gebeurd, heeft mijn passief bestaan met zulk een stortvloed van bruisend leven overstroomd, dat mijn Zijn in zijn diepste diepte is ontroerd en geschokt, en ik nog altijd niet mijn gewone, normale kalmte herwonnen heb. Daardoor komt het, dat ik van tijd tot tijd moet strijden tegen nerveuse overgevoeligheid, waaraan ik niet wist, dat ik onderhevig kon zijn, en in die momenten voel ik me zoo week en zwak, en zoek tevergeefs in mijzelf naar steun. Maar als jij me helpen wilt, - en dat wil je, nietwaar, mijn lief? - dan word ik sterk en krachtig voor altijd, in alles, wat er gebeuren mocht, en zal ik nooit meer onmacht kennen. Lief, liefste, wat ik je wel eens zei over mijn uit-het-leven-gaan, dat moet je niet doen denken: wat rare vlagen heeft die Jeanne toch. Het wàs, vroeger, geen opwelling van een oogenblik, het was ook niet een walg en afschuw van het leven om de onrechtvaardigheid: een niet-gewild bestaan te mòeten dragen, zooals me, toen ik nog jonger was, wel eens heeft bestormd, - maar het vaste, in alle bedaardheid en kalmte gevormde plan, om heen te gaan, wanneer blijven me niet meer verkieslijk scheen. Ik wist niet, ik begreep niet, waarvoor het noodig was, dat ik bestond, ik vòelde die noodzakelijkheid niet, en ik dacht: Nu mijn boek af is, nu ik eindelijk, toen mijn krachten voldoende waren, heb kunnen doen, wat ik doen mòest: de Daad van mijn Leven, - wat weerhoudt me nu? Er is niemand, die mij bepaald nóódig heeft, niemand voor wien mijn bestaan een absolute noodzaak is om zélf te bestaan. Ik was dus vrij, volkomen vrij, mijn eigen wil te volgen. Lief, vind je mijn gedachten nu niet meer zoo héél vreemd, - kan je je nu niet een beetje in mijn gemoedstoestand indenken? Lief, heb jij wel eens levensonmacht gekend? | |
[pagina 126]
| |
Ach, arme, arme liefste! Je hebt toch eigenlijk niets aan me, zooals ik altijd maar met mijzelf bezig ben, en jou die onbelangrijkheid aan 't opdringen ben! Ik ben zoo hartstochtelijk dankbaar geweest, dat er vanmorgen een brief van je kwam. Ik heb er den heelen nacht op gewacht, ik kon niet slapen, zoo hevig verlangde ik er naar. O, wat is het toch goed van je, gezorgd te hebben, dat ik dien, Zondag, kreeg!
Een dankbaren zoen van
Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 127]
| |
mijzelf denken, maar blijven weten, en door dat weten mijn verrukking voelen verdubbelen, ja, daardoor zou ik alleen verrukt zijn, dat jij, Jeanne, zooals je bent, van me houdt. O, mijn lippen te mogen leggen op jouw goddelijke lippen en je diep en innig aan te zien, en te weten, dat je mij goedvindt voor jou en voor jou alleen. O, ik zal je doen leven, ik zal het bloed doen rollen door je aderen, totdat je uitroept: Willem, Willem, het leven is mooi! O, vergeef toch den hartstocht, dien ik voor je voel. Want mijn hartstocht is niet bruut en aan zichzelf slechts denkend, hij wil alleen maar, wat jou gelukkig maakt, en hij zal als een kind in je handjes zijn. Ik wou je zien loopen, ik wou je doen ademen in een voortdurende sfeer van geluk, zoodat je je armen in de lucht hief, en riep: Ik voel mij als een godin! Want zie, je bent wel een hartstochtelijk leven, dat wou slaan en geslagen worden met dronkenschap van vreugd. Maar je hebt ook het teer-intiemere, het fijn-bezielde, dat den donkeren gloed van het hoogste boven zichzelf verheft en opstuwt tot een gelouterd zichzelf-zijn-in-een-ander, tot het hoogste, wat een mensch kan bereiken, tot den waarachtigen hemel-op-aard. Ik bid je, vertrouw op mij genadig, zooals ik volledig op jou vertrouw. Het leven zal heerlijk voor je worden, als geen ander leven nog was.
Met eerbiedige toewijding kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, mijn lieveling, ja ja, ik wil van jou zijn, voor altijd van jou, - want ik heb je lief, mijn God, ik heb je zoo lief! Ik heb je lief met mijn volkomen wezen, ik heb je grenzeloos, zonder terughouding lief! O, neem me in je armen, je trouwe, sterke, en draag me door het leven heen, het leven, waar ik zoo bang voor ben, maar dat dán zal zijn als een vreugdige droom. O, houd me tegen je aan, dat ik altijd je lieve nabijheid voel, - dat ik niets anders zie dan jou, - dat ik niets anders weet, dan dat we samen zijn, samen... O, lief, ik zal zijn, wat je wilt, dat ik ben, - ik zal niets willen zonder jou, ik zal niets dènken, niets wènschen, zonder jou, zonder jou... Want ik heb je lief, ik besta door jou... ik leef alleen maar door jou, en ik wil sterven van liefde voor jou... | |
[pagina 128]
| |
O, als je zóó spreekt tegen me, dan voel ik me weg-zinken, langzaam, langzaam in een diepe en lichtende zaligheid, en 't is me dan, of ik buiten mijn leven sta, ver van de wereld, - waar niets meer is dan het weelde-weten, dat ik je liefheb, en 't teeder-zoet me toefluisteren van jouw heerlijke stem... O, ik ben van jou, - ik wil nooit meer iets voor iemand zijn, ik wil alleen voor jou bestaan, uitsluitend voor jou. O, ik zal mijn armen slaan om je hals, en je zeggen, dat ik van jou ben, - dat ik niets ben, niets meer wil zijn zonder jou, en dat ik je liefheb, jou liefheb, en je steeds méér en méér liefhebben zal tot aan het eind van mijn leven!
Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 129]
| |
niets tegen zult kunnen doen op den duur. Ik moet je n.l. bekennen, dat ik je zoo graag zoen. Let nu wèl op: ik zeg niet, dat ik zoo graag zoen, maar dat ik jou zoo graag zoen. Ik zeg het je maar, want dan kan je vooruit je maatregelen er tegen nemen, b.v. je lieve gezicht in de Reinckenstraat achterlaten, als je hierheen gaat, of iets dergelijks. Maar blijf er in Godsnaam niet heelemaal om weg! En geloof me buitendien: ik zal het altijd heel zacht en lief doen! En buitendien, jongens en meisjes, die publiek geëngageerd zijn, - en dat zijn we nu toch heusch! - doen dat immers altijd met elkaar? Och! en dan zal je er misschien wel langzamerhand aan wennen, als je maar eerst merkt, dat ik het heelemaal niet kwaad en ruw bedoel! Want zie, we zullen wel heel veel verstandig met elkaar praten, maar bij een voedzaam diner hoort toch altijd een soort van dessert, dat altijd veel etherischer is dan de daaglijksche kost. Ja, nu zie ik je zitten voor je bureau, terwijl je dit leest, en hoor je zacht in jezelf zeggen: ‘Och, die nare jongen! Ik dacht, dat hij anders was! Want van zulke dingen ben ik heelemaal niet thuis!’ Waarop ik je antwoord: Och, lieve schat! vergeef het me maar, ik zal er heusch nooit meer over praten... en 't alleen maar doen! Och, daar verspreek ik me alweer! Maar geloof mij, in alle gevallen, wat jij ook doet en zegt, je je eeuwig-toegewijden Willem
Ik sluit dezen nu, want dan krijg je hem nog vanavond. Het is nu één uur 's middags. | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 130]
| |
't Zal zoo verschrikkelijk prettig wezen, als je er bent. Want we kunnen, door één uur met elkaar te spreken, 't veel meer eens worden en veel meer begrijpen van elkaar, dan je door een week van correspondentie bereikt. Vind je dat óók niet? Dat schrift met verzen van je bewaar ik natuurlijk goed achter slot, en ik behoef je niet te zeggen, dat ik er niemand iets van laat zien. En dan nog eens, je hoeft werkelijk niet bang te zijn, dat je geluk, - zooals je 't zelf noemt, en ik zal ook al mijn best doen, om te maken, dat het werkelijk je geluk wordt en blijft, - dat je geluk, zeg ik, niet bestendig zou zijn. Ik ben niet zóó jong meer, dat ik, in een opwelling, ondoordachte dingen zou doen die ik 't volgend oogenblik weer ongedaan zou wenschen: ik vind jou goed en prachtig en onontbeerlijk voor me, dus, stel je, in Godsnaam, op dat punt gerust. Door jou verander ik geheel, en beweeg me veel ongedwongener en natuurlijker onder de menschen dan vroeger. Het is nu vier uur 's middags en ik ga dezen brief wegbrengen, dan krijg je hem waarschijnlijk vanavond laat nog wel. Dit was anders niets als een kort briefje, met mededeelingen, die ik in mijn morgenbrief vergeten had. Ik kus je de hand, en geloof jij in de onveranderlijke toewijding, als altijd, van jouw Willem die altijd mèt jou wil zijn geheel-en-al | |
[Ongedateerd]O, liefste, liefste, weet je, wat me zoo ontzettend blij heeft gemaakt? Dat je me hebt geschreven, dat die sceptische uitlating van jou, je weet wel, me niet moest hinderen. O, zie je, dat vind ik zoo oneindig heerlijk, want dat bewijst, hoe je vòelde, dat ik er me iets van kon aantrekken, en nu begrijp je dus dien opgewonden brief van mij ook wel. O, ik was zoo innig gelukkig vanmorgen weer, want je schrijft zoo goed en lief, - o, ik kan je niet zeggen, hoe verrukt en gelukkig en dankbaar ik ben, als je zoo tot me spreekt. Neen, ik zal niet meer op dien landweg gaan; 't was eigenlijk ook wel een beetje gek, hè, dat ik 't deed, en dus mijn eigen schuld. O, allerliefste lief! Nu nog maar een paar dagen, en dan wordt | |
[pagina 131]
| |
Bussum verblijd door mijn verschijnen. Ik kom Donderdag, vind je dat goed? En weet je, hoe lang ik blijf? Tot ik merk, dat ik je ga vervelen, (wat, hoop ik, niet zoo heel gauw gebeuren zal) en dan verdwijn ik weer. Zeg, lief, houd je eigenlijk niet méér van me, als ik niet bij je ben? Wat een gekke vraag, hè? O, ik ben vandaag zoo heerlijk-blij en vroolijk gestemd, en dat komt door jou, liefste, door jouw goddelijken brief! Ik vond 't zoo ontzettend-heerlijk, dat ik vanmorgen dien brief vond van jou, want (nu word ik weer vreeselijkflauw en kinderachtig-bijgeloovig) dat is zoo'n goed begin van de week. O, je bent mijn liefste, de eenige-die-er-voor-mij-bestaat! Ik houd van je, om alles wat je doet, en zooals je over me denkt, en zooals je aan me schrijft, - jij bent de allerliefste, de allerbeste, en daarom houd ik van je, lief, lief! Gaan we nu op je verjaardag dineeren bij de familie Versluys? Ik zal maar probeeren niet verlegen te zijn voor Mevrouw, want in dien toestand zou je je bepaald over me moeten schamen, zóó ongenietbaar als ik dan ben. Dan doe ik niets anders dan stil zitten en een kleur krijgen en een beetje bête lachen nu en dan, - gewoon vreeselijk om aan te zien. Maar tot je geruststelling kan ik zeggen, dat ik 't bijna nooit ben, want ik ben nogal koelbloedig en niet zoo héél gauw geïmponeerd, maar àls ik 't ben (verlegen, bedoel ik) dan is 't ook tot weg-zinkens toe en voel ik me diep-ongelukkig. Nu eindig ik voor vanmorgen; ik heb 't een beetje druk op mijn manier, omdat ik nog zooveel in orde moet maken, voordat ik ga. Vanavond schrijf ik weer, dan is er allicht ook weer een brief van jou gekomen. Krijg je mijn avondbrieven altijd pas den volgenden dag om één uur? Ik doe ze om kwart over tien in de bus, ook wel eens om zeven uur, maar dat schijnt geen verschil te geven. Dag, liefste, dag, mijn liefste, een innigen zoen zendt je
jouw eigen Jeanne | |
[pagina 132]
| |
baarsche eerste Mei. Daarom zoek ik nu maar mijn toevlucht bij jou, en ga je zoo het een en ander vertellen, wat zoo spontaan in mijn hoofd opkomt. Anders krijg je morgen (Dinsdagochtend) geen brief. Als we bij van Eeden gaan theedrinken, zooals je weet, dan zou je mij een groot pleizier doen, als je door beleefde vormelijkheid hem een beetje op een afstand hield. Want hij hoort heelemaal niet tot mijn goede vrienden: hij heeft inwendig het land aan mij. Die heele kwestie met Borel b.v. daar is hij de eerste oorzaak van. Borel was in vroeger jaren een soort van protégé van van E. en bij dezen aan huis heeft hij indertijd over mij hooren spreken, - zooals ik van andere menschen hoorde, dat van E. ook tegen henzelven heeft gedaan, op een hatelijke manier, een methode van psychische denigratie, welke Borel, die van Eeden onvoorwaardelijk bewondert, heeft geloofd, en waar hij toen op door is gegaan. Mondeling zal ik je daar meer van vertellen, als je wilt. Dus graag zou ik hebben, dat je tegen van E. deed als tegen een vreemden meneer, die zijn hoed voor je afneemt. Hij vraagt ons toch nergens anders om dan uit nieuwsgierigheid, om je eens op te kunnen nemen op zijn gemak. Buitendien zullen we in ons verdere leven nagenoeg nooit iets met hem te maken krijgen. We zien elkander tegenwoordig bijna nooit; zoo ééns in de drie maanden kom ik wel eens een partijtje bij hem schaken, als hij toevalligerwijze mij heeft ontmoet en het vraagt. Jan Hofker, waar je naar vroeg, is een heel andere man. Hij heeft een betrekking aan de telegrafie in IJmuiden. Hij is Delang uit vroegere jaargangen van de N.G. Daar heb je misschien wel eens iets van gelezen. Zijn vrouw is een lief vrouwtje, die ik nauwelijks ken. Maar Hofker (voor mij is hij Jan) is groote vrienden met Boeken en Witsen en een heel beminnelijk en zuiver mensch, dien je ook wel aardig zult vinden, naar ik denk. Ziezoo, nu ga ik beneden theedrinken, dan komt er misschien een brief van jou, en dan valt daar misschien wel wat op te antwoorden. Ja, je brief is gelukkig gekomen. Nu voel ik me ineens heel anders. 't Is verrukkelijk, dat je al Donderdag komt, en dat je den tijd van terug-gaan nog in 't onzekere laat. Dat zal een heerlijke tijd worden! Maar komt de familie B. je van den trein halen, - of zal ik het doen? Maar het eerste is wel het beste. Want anders | |
[pagina 133]
| |
lijkt het een beetje, of de familie maar een hulpbruggetje is voor ons om samen te zijn. Vind je óóa niet? Als je verlegen wordt bij de Versluysen zal ik probeeren je aan 't lachen te maken. Pas dus maar op! Mevrouw V. is een rijzige figuur, ongeveer 45 jaar, vriendelijk en intelligent. Meneer is een dikke, bolwangige handelsman, met een joviaal gezicht. Hid is een Zeeuw en zip een Groningsche. Voor een antwoord op die vraag van je omtrent het uur van, mijn ontvangst der brieven, zal ik de postmerken eens gaan nakijken, zoodra er weer een brief van je komt 's morgens. Maar Zondags krijgen wij hier maar één post, 's morgens om half twaalf. Nu, lief, ik ga dezen nog even wegbrengen door den regen. Met veel lieve gedachten-aan-je kust je
je teeder-liefhebbende Willem | |
[Ongedateerd]O, liefste, beste, die er bestaat en ooit kán bestaan. Ik wou, dat je mijn gezicht eens zag, als er een brief kwam van jou, dan hoefde ik niets meer te zeggen, want dan zou je méér dan goed begrijpen, hoe innig en diep gelukkig ik daardoor word. O, elke nieuwe brief van jou is een nieuw blaadje aan de bloem van mijn liefde. (Lach hier asjeblieft niet om, want ik vind 't een treffend-juist en passend beeld, en zeg nu ook niet, dat ik een slechten smaak heb, omdàt ik 't zoo mooi vind), die daardoor àl grooter en wondermooier wordt. Zeg, Willem, allerliefste, als jij eens door een kijk-glaasje keek in mijn ziel, wien zou jij dan wel zien, denk je? Ik geloof nooit, dat je 't raadt, want jij bent heelemaal niet ijdel, lief, want je vindt niet eens, dat je een engel bent. Schat! Lief! Ja, je bent heusch een engel, een engel-van-goedheid voor mij, en je mág niet lachen, als je dit leest, want het is wáár. Nu kom ik gauw. (Zeg, lief, maken die gedurige annonceeringen van mij niet een beetje op jou den indruk als de dagelijks herhaalde advertenties in een courant: Jonkheer Stopnaald komt! of iets dergelijks, totdat Jonkheer Stopnaald eindelijk verschijnt?) Morgen kan ik overmorgen zeggen en overmorgen morgen. (Hè, wat een geestige opmerking is dat!) Ja, ja, Willem, jà, ik zàl mijn lieve (bedoeld is, veronderstel ik: vriendelijke) gezicht in de Reinckenstraat achterlaten, om eens te | |
[pagina 134]
| |
zien, hoe je dan kijkt, en als ik merk, dat je teleurgesteld ben, dan maak ik rechtsomkeert naar den Haag, en dan ga jij weer naar mijn portret kijken, totdat je je verbeeldt, dat ik er een beetje niet-leelijk uitzie, en dan houd je weer van me, - als ik weg ben. (Hemel, wat een uitgehaalde en-zin is dat geworden!) Toe, Willem, zeg nu, dat 't je héélemaal niets schelen kan om me te zoenen, - dat geloof ik véél eerder van je, dan 't tegenovergestelde. Heusch, ik had nooit gedacht, dat jij dáár iets om geven zou, werkelijk niet, - toe, zeg nu, dat je 't alleen maar zei, om me een beetje voor den mal te houden, - toe, allerliefste? Dan geef ik je in gedachten wel honderd-duizend zoenen, zooveel als je er maar hebben wilt. Dag, allerliefste lief! Ik houd van je!
Jouw Jeanne
Bij 't overlezen merk ik, dat ik mezelf voortdurend aan 't critiseeren ben in dezen brief. Grappig, zoo'n onbedoelde, toevallige zelf-critiek! Ik moet nog een toorn-brief schrijven aan Mr. Veenstra, den uitgever, omdat hij mij mijn boek op 1 Mei had beloofd; het is nu de ze en ik heb nog niet eens de banden gezien. Ik zal hem eens vragen, hoe hij dat nu zelf wel vindt. Als ik niet zoo goedgeloovig was geweest, om vast en zeker op zijn belofte te vertrouwen, zou ik niet zoo teleurgesteld zijn. Hij maakt wel duizend excuses, en zegt, dat hij 't niet helpen kan, maar daar heb ik al heel weinig aan. Hè, ik zou er wel om kunnen huilen, zooals 't me spijt. Ik had 't zóó graag meegenomen naar Bussum, dan hadden we 't samen kunnen lezen. Juist nu ik weet, dat 't nog langer duren zal, nu smacht ik er naar mijn boek te zien zooals anderen het zullen zien, om het vóor me te hebben, zooals het is, klaar voor het publiek. En dan verlang ik zoo te weten, welken indruk het nú op me maken zal. (Ik geloof, dat het in mijn verbeelding hoe langer hoe mooier geworden is, omdat ik er zoo dikwijls en lang en liefkoozend aan heb gedacht, - maar als het mij nu tegenviel, - dat zou vreeselijk zijn!) In mijn volgende zal ik je kalm wat van de fam. B. vertellen.
Dag, lief! | |
[pagina 135]
| |
2 Mei '99Liefste-zonder-einde, Ja, honderdduizend zoenen... op 't papier! Maar in de werkelijkheid draait de freule haar hoofdje om, als haar aanstaande haar lipjes nadert, en achter zijn rug om zit ze verzen te maken, heel knappe verzen, op den WelEd. Heer F.A.C. Ruysch, bekend letterkundige, en, voor zijn daaglijksch brood, weduwnaar en net gesalarieerd geëmployeerde bij 't Kadaster. Die ongelukkige ‘aanstaande’ had reeds mystiekelijk op dat lugubere incident gezinspeeld, toen hij schreef: Wanneer gij komt, zal 't zijn of 'k ruischen hoorde. Maar nu ik 't zeker weet, ben ik een lang klaagvers begonnen, dat zóó begint: Bemint gij Ruysch, o, Jeanne? Ruisch dan verder...
En volg het zoet gesnaar-speel van dien herder,
Die als een weduwnaar met hoogen hoed
En zwarte slipdas door de Pooten spoedt,
En voor de winkels staan blijft, om zich kuivend
Voor 't spiegelglas, en dan weer verder schuivend,
Te denken aldoor aan zijn lieve schat,
Waarvan hij droomde, wen hij weenend zat
Te schrijven voor zijn lessenaar en trosjes
Van kadastrale inschrijvingen, lief-losjes
Hechtte in sonnet-vorm aan de gazen sliert,
Die zijn kantoor als staatge rouwkrans siert.
Zoo zou ik kunnen doorgaan, maar ik laat liever alle gekheid loopen, en zeg je in proza, dat ik je zielslief heb, en dat je aan het station het eereburgeressenschap van Bussum zal worden aangeboden. Je maakt me zoo gelukkig, en daarom doe ik nu zoo mal. Maar als jij er eenmaal in bent, in je engagement en in alles, en al die vreemde menschen ziet, die vriendelijk tegen je doen, o, lief, zal je dan ook een beetje al je vroegere verdrieten op zij zetten, en worden, wat je waarachtig bent: Afrodite, opdoemend uit het zeeschuim, onschuldig en naïef als een pasgeboren kind? Want zie, ik heb ook ontzettend veel verdriet gehad, maar ik vergeet het allemaal, nu jij komt. En maakt het je dan niet zelf een beetje gelukkig te weten, dat je iemand zóó gelukkig maakt? | |
[pagina 136]
| |
O, liefste lief, deze brief moet nu weg. Omdat je 't mij vraagt en ik dus de waarheid moet zeggen, zeg ik je ronduit, dat ik niemand op de heele wereld graag zou willen zoenen, behalve jou alleen, en dat, als jij 't niet onaangenaam vindt, het voor mij zal wezen het prettigste, wat ik weet, prettiger dan poëzie, en prettiger dan alles. Hier val ik voor je neer en betuig je, zoo zeker en vast als een pyramide, dat je liefheeft
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Willem, allerliefste, wat kan je toch prachtig-grappig zijn! Ik heb zoo heerlijk moeten schateren om 't begin van je brief van zooeven. Waar haal je toch die mooie wijsheid omtrent Ruysch vandaan? Die aakligheden hebben jou zeker een exemplaar van het Literair Maandschrift met mijn verzen er in toegezonden, en ik had 't willen meebrengen, en je die verzen op jou zelf willen laten lezen. Weet je, wat ik nu voortaan àltijd zal doen, ter voorkoming van verdere vergissingen, die noodlottig (!) zouden kunnen worden? Ik schrijf boven de verzen: ‘Aan mijn beminden verloofde’, of: ‘Met eerbiedige liefde opgedragen aan mijn aanstaande’, en dit zoo in tallooze variaties. Verder moet ik je nog even zeggen, dat meergemelde heer Ruysch van beroep geen kadastraal-ambtenaar-weduwnaar is, maar een jeugdige, slank-elegante Luitenant. Maar als mijn verméénde ontrouw je al tot zulke schoon-verhevene klaagzangen bezielt, dan, dunkt me, moet mijn wèrkelijke je tot goden-liederen vervoeren. Dus: als ik Holland eens heel goed gezind ben en het eenige onsterfelijke zangen gun, dan weet je, wat ik doen ga, Willem! Dat ‘eereburgeressenschap van Bussum’ zal ik gracieuselijk accepteeren; je moet weten, dat ik ook eerelid ben van een studentengezelschap, en ik heb bovendien de eer verloofd te zijn met den grootsten dichter van Nederland, - o, o, Willem, ben je nu niet trotsch op je drievoudig beëerde meisje? Ik moet even tegen een gezegde van jou protesteeren: neen, neen, Willem, dàt is niet waar, hoor, dat ik mijn hoofd zou omgedraaid hebben, als jij me een zoen wou geven! En ik zal je ook wel eens een zoen geven (maar geen honderd-duizend!) niet op papier, maar op je echte gezicht. Maar, liefste, als je 't wèrkelijk prettig vindt, | |
[pagina 137]
| |
om me te zoenen, dan moet dat prettige héél zuinig worden toebediend, dan blijft 't prettig, weet je. Neem dezen wijzen raad, o, groote Willem van de kleine Jeanne aan! Nu ga ik je eerst een beetje praktisch schrijven, en dan aan 't eind van dit epistel nog een beetje lief, - ik voel me soms heel-teeder gestemd voor je. Wat dat afhalen van den trein betreft, ja, ik vind ook, dat de fam. B. dat maar moet doen. Kom jij dan 's middags, als je wilt? Schrijf je me, of je dat doet, en hoe laat ik je dan ongeveer zie verschijnen op Villa Luïse, Koningslaan 14 Bussum? Nu zal ik je in een paar woorden het innerlijke van de bewoners beschrijven. (Ik heb op 't oogenblik geen schilderachtige woorden voor hun uiterlijk tot mijn dienst.) Mevrouw is een nerveuse, grenzeloos-goedhartige vrouw, gul, gastvrij, die ons altijd de hartelijkste vriendschap heeft bewezen. Ze heeft ontzettend veel verdriet van haar zoon, een diep-ongelukkige jongen, die teringachtig is en achterlijk. Dan is er nog een juffrouw van gezelschap, een vriendelijk en behulpzaam meisje. Op 't oogenblik is er ook een tante van me gelogeerd, een vreeselijk-lief en hartelijk schepsel, maar een beetje, wat je noemt, goedig-dom; eigenlijk 't enfant terrible van de familie, omdat ze nieuwsgierig is, verschrikkelijk-graag en - veel praat, en zich overal mee bemoeit. (Hoe oneerbiedig, hè, om me zoo uit te laten over een familie-lid!!) Vertel 't toch in 's hemelsnaam nooit aan iemand. Maar ten eerste is 't waar en ten tweede zou je 't zelf toch ook wel merken. Dus, allerliefste, ik hoor nog wel van je, of je Donderdagmiddag komt? Einde van het practische bedrijf. Liefste, weet je, wat ik zoo verrukkelijk heerlijk heb gevonden in je brief van 1 Mei? Daar schreef je eerst in, dat je je ‘even triest en koud voelde als die barbaarsche eerste Mei’, en later, toen je mijn brief gekregen had: ‘Nu voel ik me ineens heel anders’. Zie je, lief, dat geeft me toch zoo'n nameloos-groot geluk, dat ik gelooven mag, toch iets voor je te zijn. O, als ik denken mocht, dat je door mij iets kreeg, dat je niet zou hebben, als ik er niet was: wat vreugde, een beetje warmte en licht in je leven, - en als dát kon: wat werkelijk, echt geluk! O, lief, als ik dáarvan de overtuiging heb, dan zal àl mijn vroeger levensleed vergeten zijn, zóó volkomen, alsof het | |
[pagina 138]
| |
nooit had bestaan! En als jij zegt, zóó, dat ik het waarachtig wéét: ‘Ik ben gelukkig door jou’, - dan wensch ik niets meer, dan wil ik niets meer, dan alléen de weelde, de streelende weelde van die onuitsprekelijke zaligheid! Jouw geluk is het mijne, - als ik jou lachen zie, dan zal mijn hart kloppen van vreugde, - en als ik waarachtige blijdschap zie op jouw gezicht, dan zink ik voor je neer, en leg mijn voorhoofd tegen je handen aan, die ik vast houd met de mijne, - en dan zal ik je danken uit de diepste diepte van mijn ziel, dat je mij die blijdschap hebt getoond! Ik heb je lief, ik heb jou lief, jou alleen en voor altijd! En nu tot overmorgen, liefste, liefste! Voor bijna-de-laatste-maal krijg je een innigen zoen op papier!
Jouw eigen Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 139]
| |
leven of van het jouwe, en daarover heen nog zal voortduren zonder maat. En ik wil één met je worden in alles, omdat je innerlijkgoed en -mooi bent als geen ander, omdat je uiterlijk mij heelemaal verrukt, en je mij, o, vreugde! dat alles wil geven, terwijl je mij ook wilt aannemen geheel, om je gelukkig te maken en heerlijk, om je met al de innerlijke kracht, die ik bezit, hoog en trotsch te maken voor de wereld, maar inwendig vrij van alle smarten, en zalig-tevreden en hoog-breed-blij. Ik geloof, dat ik nog nooit zóó duidelijk heb kunnen uitdrukken, wat ik zoo diep en waar voor je voel. Maar nu voel ik den blijden moed om het te doen en de vaste overtuiging, omdat ik je de gedachte geheel wil ontnemen, die soms in je subtiele overpeinzingen zou willen opkomen, dat je nu gaan wil naar een ‘vreemden man’. Want ik ben heelemaal geen vreemde meer voor je en jij bent mij ook absoluut niet vreemd. Die uiterlijke vreemdheid, als die zich soms mocht doen voelen, och, daar wen je al heel gauw aan, als je maar in je diepste ziel voelt, dat ik geen vreemde, heelemaal geen vreemde voor je ben. Want wij gaan nu misschien wel veertig magnifieke jaren samen tegemoet van onuitbluschbaar-heerlijk, van ongebroken, standvastig geluk. Want ik zal voor je zijn, beurtelings, al naar jij het wil, of neen, eigenlijk altijd tegelijkertijd, je trouwe en gedweeë en stil-krachtige slaaf en de zich geheel en al aan je overgevende, mateloos-goede en milde god. Voel je 't nu, begrijp je 't nu, dat ik je aanbid?
Teeder kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Mijn lief, mijn lief, wat ben je toch onuitsprekelijk-lief en oneindiggoed voor me, om me zóó te schrijven. O, dat je met zóó'n fijngevoelige teederheid me heelemaal te begrijpen tracht, dat je met zóó'n zachte zorg allen angstigen schroom van me weg-nemen wilt! O, omdat je zóó bent, zoo vriendelijk voor me en zoo teer en zoo zacht, dáárom houd ik van je, en, o, om alles wat je doet en wat je zegt, en omdat jij ‘jij’ bent. O, ik kan zóó ontzettend-veel van je houden soms, dat ik in wilde verrukking mijn armen om je heen zou willen slaan, om vlak in mijn eigen oogen de jouwe te | |
[pagina 140]
| |
zien lichten en stralen van een diep en waarachtig geluk, van een geluk, dat ik je gaf, ik, ik, o, mijn lief, mijn lief, mijn liefste, mijn eenige! Zeg dat toch dikwijls, dat ik je gelukkig maak, - overtuig me zóó lang, tot ik het waarheid wéét, - o, lief, lief, dát geeft me kracht om àl meer en meer te worden wat je verlangt dat ik ben, om àl meer en meer je nader te komen, o mijn lief! mijn lief! Want jij geeft mij zoo'n verrukkende, zalig-makende vreugd, - jij overstroomt mijn ziel met zulk een goddelijk geluk, dat mijn verder leven één-wijding-aan-jouw-heil zal zijn, - dat ik jou liefhebben zal, jou alleen en voor altijd, met dankbaarheid en eerbied en ònvergankelijke trouw! En o, je verzen, lief, die mijn ziel als zonnestralen komen streelen, - ik dank je voor dit laatste, heel innig en teer, met diepen en innigen dank. Ik kan je niet zeggen, o, ik kàn niet, het overweldigend geluk, dat jij me geeft, - de weeldrig-zoete zielsverrukking, die nu eens stil is en intiem, en die ik dan weer uitjubelen wou! Jij bent alles voor me, ik zie niets anders, ik erken niets anders dan wat is van jou, - ik ben van jou, voor eeuwig en eeuwig behoor ik jòu, - ik heb je lief als een god, ik heb je lief als een mensch, - ik heb je lief, ik heb je lief, volkomen, eindeloos, onzegbaar lief! En mijn liefde voor jou is het uitsluitend-eenig, groot en machtig gevoel, dat ooit in mijn ziel is geweest, en er ooit in zal komen, - ik wist niets, ik voelde niets, ik was levend-dood, totdat jij me genadig hebt vergund mijn Zijn aan jou te wijden. En nu leef ik, met een krachtig en rijk-bloeiend leven, nu siddert en trilt mijn schoon-groeiende ziel van een nieuwer en reiner bloei! Tot morgen, liefste, o, mijn liefste, liefste, mijn kus krijg je dàn! Voor altijd en altijd jouw eigen, eigen Jeanne | |
[pagina 141]
| |
van Arthur, dat je, denk ik, wel aardig zult vinden. Het heet De schoone Jacht. Hierbij nog twee verzen. Den boel op mijn kamer zal je verschrikkelijk in de war vinden. Ik heb aan Witsen geschreven om dat portret van me, maar ik hoorde niets meer van hem. Ik geloof, dat hij het druk heeft en veel op reis is. Enfin, je krijgt het dan wel, als we een dagje bij hem zijn in Ede. Ik weet niet, of ik je al schreef, dat ze drie aardige jongetjes hebben, Pam, Erik en Odo, waarvan de oudste bijna vijf jaar en de jongste nog geen jaar. Betsy Witsen-van Vloten is een zuster van Martha van Eeden-van Vloten, maar Witsen en van Eeden zijn geslagen vijanden en noemen elkander nooit. Het is goed, dat je dit weet, vind je niet? Mondeling zal ik er je meer van vertellen, als je het weten wil, dan leer je van Eeden beter kennen. Als ik na de koffie dezen brief ga wegbrengen, zal ik meteen eens gaan kijken, waar Villa Luïse staat. Ik ben er een paar dagen geleden al op uit geweest, maar wist toen nog niet, dat het huis op den hoek van de Koningslaan stond en kon het niet ontdekken. Ik zal zorgen, dat ik er morgenmiddag (Donderdag) om 2 uur voor de deur sta, netjes afgeschuierd en met een paar handschoenen in mijn hand. Vanmiddag zal ik ook alle brieven en kaartjes bij elkaar zoeken, die ik als felicitatie ontvangen heb. Van dat omdraaien van je hoofdje is toch heusch waar! Maar ik vond het juist zoo aardig van je, dat je zoo deed tegen dien nog vreemden man, dien je voor het eerst van je leven als een heusche werkelijkheid tegenover je zag zitten. Wezenlijk, een meisje moet eerst aan die dingen wennen! En daarom moet het veel gedaan worden, op een zachte, bescheiden manier, want dat is de eenige weg voor haar, om er later ook een beetje pleizier in te krijgen. Want, vind je óók niet, een mensch is niet voor zijn verdriet op de wereld, vooral niet als hij geëngageerd is. Ik b.v. ben inwendig verrukt, dat ik met jou, Jeanne, geëngageerd ben, en ik vind het een ontzettend gezellig idee, dat je je heele leven bij mij wilt blijven. En ik geloof ook zeker, dat we 't opperbest met elkaar zullen kunnen vinden, omdat je niet alleen een zeer gevoelig, maar ook een verstandig meisje bent. Daar bedoel ik dit mee. Als je soms iets in mij mocht merken, wat je hinderde, dan zal je je niet in je teleurstelling gaan verdiepen en je daardoor van mij afscheiden, | |
[pagina 142]
| |
neen, je zal het mij vriendelijk zeggen en uitleggen en dan ben ik niet zóó, dat zal je merken, of ik ga me veranderen, en doen zooals 't beter is. Want in een huwelijk moet geestelijke harmonie het daaglijksch brood zijn, of anders wordt het huwelijk een soort van hel. Dat vind je toch ook, hè, lief? Dit is de laatste brief, dien je nu krijgt, want anders zou hij toch misschien pas komen, als je al uit den Haag bent. En morgen om twee uur sta ik voor de deur van Villa Luïse.
Innig kust je
je teeder liefhebb. Willem | |
Voor den zesden Mei.Mijn liefste, o, mijn liefste, mijn lief, ik wil, ik moet op dezen dag de allereerste zijn, die je geluk-wenschen komt, en daarom schrijf ik je. Maar o, mijn lief, toch zal je hooren mijn teedere stem, en mijn oogen zien, die vol liefde zijn, - want zóó kom ik nu tot je, mijn lief, en ik sla mijn arm om je heen, en ik vlij mijn wang tegen de jouwe aan, - en zóó fluister ik nu, met warme woorden van liefde, dat mijn hééle verdere leven één bede zal zijn voor jouw geluk, - dat ik van den hemel een toekomst voor je smeek, zóó lichtend en zalig en vervuld van vreugde, dat alles wat je ooit geleden hebt, vergeten zal zijn, en slechts het bewustzijn blijven zal van echt en innig, waarachtig geluk. Lief, luister nu naar wat ik zeggen ga, en wat ik plechtig meen, zoo waarachtig als ik besta: mijn heele leven wil zich wijden aan jou met àl zijn vermogens en krachten, - mijn gansche Zijn geef ik jou, met àl het teedere en zuivere en waarlijk-mooie, dat in mij is... En àl mijn gedachten en wenschen vervormen zich naar jouw wil, omdat door onze zieleharmonie jouw wil de mijne zal zijn. Ik heb je lief met een liefde die mijn leven is, - met een volkomenschoone, zalig-ware teederheid, met een absoluut vertrouwen en een eindeloos-diepe vereering, - en daarom, mijn lief, zeg ik je diep-knielend dank, omdat je mijn liefde aanvaarden wilt, omdat je mijn leven tot een opperst-schoon Zijn verreint, - omdat je mij begenadigt als een god met verrukkende, zalige vreugd. | |
[pagina 143]
| |
Zie, lief, dit alles kon ik je niet zeggen, waar anderen bij zijn en de stemming storen, - maar als je straks weer komt, mijn lief, dan zal je in mijn zwijgenden zoen, de herhaling voelen van de heilige belofte: mijn streven naar jouw geluk... O, mijn liefste, mijn eenige, moge tot aan het einde der tijden gezondheid je deel zijn en het stralendst, het zaligst geluk, en de heerlijkste, heiligste vreugd. Met bei mijn armen om je hals kust je met innig-teedere verjaringszoenen
jouw eigen Jeanne | |
Brief van Mevrouw Reyneke van Stuwe aan Willem Kloos.
| |
[pagina 144]
| |
Brief van Jacqueline Reyneke van Stuwe aan Willem Kloos.
|
|