Liefdesbrieven
(1927)–Willem Kloos, Jeanne Reyneke van Stuwe–
[pagina 19]
| |
Eerste periode | |
[pagina 21]
| |
Eerste periode
| |
[pagina 22]
| |
mooi, geniaal en waar. O, als je hier was, ik zou voor je neervallen, mijn hoofd op je schoot leggen, mijn armen om je heen slaan, en zeggen met een wil en een gevoel, die bestaan zullen, zoolang ik leef: Ik bid je aan, ik bid je aan, ik bid je aan! Voel je wat dit zeggen wil? Dit is geen jongensverliefdheid van mij, die vandaag naar de eene ziet en morgen naar de andere, dit is de volle en diepe overtuiging van iemand, die in de kracht van zijn leven staat. Ik ben over mezelf verbaasd, ik wist niet, dat ik zóó van iemand houden kon! Ik merk opeens tot mijn schrik, dat ik uit moet scheiden: ik moet gaan koffiedrinken, - dat pension-leven! Ik schrijf je spoedig weer, en ben verlangend, vreeselijk verlangend naar jouw brief. Geloof mij geheel en voor altijd terwijl ik in gedachten mijn armen om je heen sla en je lieven mond kus, jouw Willem
Ik houd geen copy van dezen brief, ik heb hem spontaan opgeschreven, bewaar hem dus, als je wilt. | |
[Ongedateerd]O, lieveling, die je bent, mijn God, wat maak je me gelukkig! O, die brief, die brief van jou, dien ik kus en kus... O, dat je van me houdt, - dat je óok van me houdt, en dat zóó hebt gezegd... O, zaligheid, zaligheid, dat ik iets ben in je leven... O, van verrukking beef ik, als ik denken mag, dat ik, ik je een beetje geluk brengen kan... O, lieveling, ik heb je zoo lief, ik houd zoo van je, ik heb je lief, lief, oneindig, onuitsprekelijk... Je bent alles, alles voor me, - er is niets voor mij buiten jou, ik dénk aan niets, ik wéet niets anders dan mijn liefde voor jou... Hoor je den jubel wel in mijn toon van heerlijke vreugde, van goddelijken trots? Dat jij me liefhebt, jij, o, lieveling! En ik vertrouw je, ik geloof in je, blindelings en onvoorwaardelijk... O, ik heb je lief, ik heb je lief; ik zou het luid willen uitjuichen, en dan weer het fluisteren aan je oor... Ik kniel voor je, ik zoen je handen, je lippen, je oogen, ik zoen je heele, heele gezicht... O, lieveling, lieveling, ik heb je zoo lief! je Jeanne | |
[pagina 23]
| |
Bussum, Villa Parkzicht
| |
[pagina 24]
| |
alsof ik ze óp-at. Voel je nu, hoe groot, hoe oneindig mijn hartstocht voor je is, en hoe die gegroeid is sinds gisteren, sinds vanmorgen nog? Want, - en nu komt iets, wat ik hoop dat je pleizier zal doen. Ik ben vanmiddag begonnen je schrift met verzen te lezen, dat je mee bracht, en daar ben ik zóó van geworden, als ik je nu schreef. Je voelt daar allemaal dingen, die ik óók heb gevoeld, maar nooit heb gezegd, omdat ik dacht: Och, daar zou niemand iets van begrijpen, dat voelt niemand mee, sluit het dus maar op. Toen ik het las, moest ik denken: 't Is of ze mijn dubbel-ik is. Maar over je verzen schrijf ik je morgen meer, want het is tien uur 's avonds, en ik ga deze nu nog even op de post doen, dan krijg je hem morgenmiddag. Daarom, nu ten slotte voor vanavond. Ik heb je lief, niet alleen omdat je er zóó uitziet als je doet, maar óók, omdat je voelt zooals je voelt, en denkt zooals je denkt, wat niemand zoo goed kan begrijpen en meevoelen, als hij, die zich altijd zal noemen en altijd zal zijn
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, lieveling, dat enkele woordje boven je brief maakt me al zoo héél gelukkig, en hoe dan verder, verder... O, ik wou, dat je volkomen wist, hoe innig, innig-diep ik voel mijn verrukking, mijn vreugde, mijn dankbaarheid en mijn goddelijk, mijn goddelijk geluk! O, lieveling, dat die dag voorbij is gegaan... dat niet gebeurd is, waarvoor ik zoo bang ben geweest, namelijk dat mijn persoonlijkheid je teleurstellen zou, - en o, dat ik juist van dien dag het hoogste, het lichtste geluk heb gekregen! O, je weet wel, ik heb voor dien tijd ook wel eens gezegd, dat ik gelukkig was, maar ik suggereerde dat mijzelf maar, geloof ik, - want dit, o, dit is het ware geluk, het eenige blijvend-bestaanbare... Wat is het vroegere bij dit vergeleken! Dit zalig gevoel, dat me sidderen doet van innerlijke vreugde, dat volkomen harmonieuse in me, dat me geheel in mezelf leven doet, alsof ik al meer en meer onttrokken word aan de dingen der werkelijkheid... o, mijn liefde voor jou, die zoo onaanraakbaar-teer is als het dons van kapellevleugels en die toch eeuwig is en ónvergankelijk... O, lief, ik wil nu eerst iets zeggen over je brief van zooeven, | |
[pagina 25]
| |
omdat ik daar zoo heel, héél erg blij mee ben. O, 't kón haast niet anders, of je moest dat zoo voelen als ik... maar ik dank je, ik dank je, dat je het zóó hebt gezegd... Want o, lief, is er iets vreeselijkers denkbaar, dan dat ik moet gaan twijfelen aan wat ik voor mijzelf weet zoo goed en rein te bedoelen? En o, mijn lieveling, je wéét immers wel, dat ik je volkomen vertrouw. En dat ik nooit, nóóit zal willen gelooven, wat er ook van je gezegd worden mocht? dat spreekt immers vanzelf: kan liefde zonder vertrouwen wel liefde worden genoemd? O, lieveling, die lieve, lieve woorden van jou, die mijn ziel komen streelen als liefkoozingen. O, ik kan je niet zeggen, hoe rustig en heilig gelukkig het me maakt, dat je zóó houdt van mijn ziel... Want dát is 't mooie in me, dát, dát alleen... dat weet ik, dat mooi is en goed. O, dat andere, armzalige, laag-aardsche ik, waar ik nooit geheel vrij van kan zijn... Begrijp je me, begrijp je me, lieveling? Ik heb je gezegd, dat er zooveel verschillende dingen in me zijn, zooveel wat met elkaar in tegenspraak is, - dat ik zelf heelemaal niet weet, hoe ik ben... En daarom bid ik je: denk toch niet te goed over me, o, denk toch niet te goed over me... Want zooals je me gelooft, ben ik niet, zoo bèn ik niet, en ik wil, ik wil later geen teleurstelling voor je zijn... O, als je mijn ziel-alleen kon zien en niet het akelig-nare, het ónvolkomen menschen-wezen, dat ik toch óók moet zijn... En daarom, daarom ben ik zoo heerlijk-innig blij en zoo gelukkig, gelukkig, dat je zóó over mijn verzen schrijft... O, lief, mijn lief, het is zoo iets onuitsprekelijk zaligs, dat wij zóó gelijk zijn in voelen en denken! Het is ineens zoo laat geworden, de brief moet weg. Maar nog even moet ik je zeggen, dat ik niet meer uitgaan, in 't geheel niet meer uitgaan wil! Want gisteravond zat ik in de opera het heele stuk te doorgapen en thuis was je brief... en ik zat daar, zat daar, en wist van niets... O, dat wil ik niet meer, ik wil geen enkel momentje van mijn geluk verliezen! Ik had me toch al zoo teruggetrokken in den laatsten tijd, maar mijn lieve Moeder zag dat niet graag, maar o, zij wist ook de reden niet... Adieu, mijn lieveling, mijn lieveling! O, je brieven geven me zoo'n groot, zoo'n volkomen geluk! je Jeanne | |
[pagina 26]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 27]
| |
Kan dit het misschien zijn, Jeanne, wat je hoopt van een man, en mag ik die man dan zijn? Zie, lief, ik heb mij trachten uit te drukken, zoo rustig mogelijk, wel met emotie, maar toch zonder lyriek. Geloof je nu, dat ik van je houd, Jeanne, en geeft je dat wat rust en voldoening en geluk? Ik verlang zoo naar je brief. O, ik ben hartstochtelijk verliefd op je om je uiterlijk en je innerlijk en om alles. Je bent een werkelijkheid geworden droom. Geheel jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, ik wou in je armen liggen, ik wou dat je mij doodde, - niet gauw, maar langzaam, langzaam, - dat ik mijn leven weg voelde vloeien door jouw wil, - dat ik in jouw armen een goden-dood stierf! O, gestorven, wèg te zijn, - om dan in jouw gedachtenis eeuwig voort te leven! O, lief! Zóó zou ik zijn van jou alleen, van jou, uitsluitend van jou... Zóó wou ik, dat nooit meer iemand me zag, dat nooit meer iemand iets van me hebben zou... Zóó wou ik zijn van jou, zóó wou ik, dat je mij had: mijn doode lichaam, en mijn ziel, die eeuwig bij jóú wezen zou... Daar denk ik altijd aan, altijd! Ik sidder van de onuitsprekelijke weelde, dat ik eenmaal in jouw armen sterven zal... dat jij mijn lippen toe zal kussen, dat jij mijn oogen sluiten zal, o, mijn God! Lief, lief, ik aanbid je! Je maakt me zalig door je liefde, zalig, - ik wil niets meer, ik wensch niets meer, ik denk absoluut aan niets dan aan jou... Ik heb je lief, zooals ik nog nooit één wezen heb liefgehad, - mijn heele bestaan is liefde voor jou, ik weet niets, ik voel niets dan jou, jou... Jeanne | |
[pagina 28]
| |
Zoo even kwam dit eenigszins treurige vers.Ga naar voetnoot1) Ik heb toen, een oogenblik, gedacht, dat ik eigenlijk beter deed met het niet te sturen, maar mijn verstand zegt me toch ten slotte dat het veel beter is, als je óók weet, wat er diep in mezelf omgaat voor mezelf alleen. Nu er twee dagen over heen zijn, is 't me inderdaad soms precies, of alles onwezenlijk is geweest, niets als een mooie droom, die nu weer verdwijnen gaat voor het klare, nuchtere daglicht.
Je Willem
Toe, schrijf mij even, hoeveel verzen je nu precies van mij hebt, met de beginregels. Vanavond schrijf ik je over je verzen, die ik voor 't meerendeel, als criticus gesproken, heel goed vind. | |
[Ongedateerd]Ach, lieveling, wat maak je me toch bedroefd met zóó te schrijven! O, ik kan 't niet helpen, ik heb 't uitgesnikt bij je brief en dat treurige, treurige vers... Ach, lieveling, lieveling, is mijn liefde je niet genoeg? Ben ik niet voor je, wat je verlangt van de vrouw, die je liefhebben kan? Ach, ik ben immers niets, niets vergeleken bij jou, - dat besef ik zoo goed! Maar ik heb je lief, met een liefde, die alleen met mijn leven eindigen kan, - en ik wil wel lijden het felste, het scherpste leed, als jij maar gelukkig bent... Maar o, die twijfel, die twijfel van jou, - want gisteren schrijf je me: ‘Je hebt me zoo wonderbaar gelukkig gemaakt, met een geluk niet van een oogenblik, geen stemming alleen, maar een geluk, waaraan ik geen einde zie...’ En één dag later maar schijnt alles je: ‘een mooie droom, die nu weer verdwijnen gaat voor 't klare, nuchtere daglicht...’ O, ik voel dat ik niet ben, wat je wilt, dat ik ben, maar help me dan, lieveling, dat ik jou waardig word, zèg me dan, zèg me dan, hoe ik moet zijn... O, ik geloof jou zoo! Ik twijfel niet, dat al jouw woorden klare waarheid zijn. Als de flauwste twijfel-gedachte in me opkomen wil, | |
[pagina 29]
| |
dan denk ik die weg, want, o, ik wil zoo héél graag in je gelooven... O, lieveling, als je het nóg niet als werkelijkheid voelt, waarom kom je dan niet, waarom kom je 't dan niet wáár maken, ons geluk? Kom me dan aan mijn Moeder vragen, en laat de heele wereld het weten, dat wij bij elkaar behooren! En daarna, als je wilt, zal ik in Bussum komen logeeren, en zien wij elkaar, zoo veel je wilt. Maar, lieveling, dit alles heel alleen, als het jouw eigen wensch mocht zijn, - ik ben zoo rustig-gelukkig, zoo stil-tevreden met alles zooals het is: ik durf niet méér verlangen... En o, waarom zeg je toch: ‘als het je verveelt...’ je wéét toch wel, dat er geen grooter genot voor mij is, dan je gedachten te lezen... Willem, Willem, ik heb je nog nooit zoo genoemd, weet je dat wel? En daarom doe ik het nú. O, Willem, mijn lieveling, - ik zoen je lieve oogen, die (zeg je nu nog: ‘vergeefs’?) van liefde droomen... Ach, schrijf toch weer gauw aan je eigen Jeanne, die, o, maar zoo'n onbeduidend klein kindje is, - maar die toch zóó innig en teer van haar lieveling houdt. | |
[Ongedateerd]Lieve, beste Schat, je vergist je heusch, als je denkt, dat je Jeanne lief en mooi en verstandig is en geestig en artistiek (goed-lachsch kan ze zijn, laat haar maar veel lachen, zal je, ze doet het zoo graag...) ze is alleen maar... o, neen, het is me streng verboden die woorden te zeggen... maar ze beginnen: uiterl. en innerl. onbed. (wat ben ik nu?) Neen, hoor, liefste, liefste, liefste! 't Maakt me allerontzettendst gelukkig als jij me anders wilt zien, en ik zal nooit, nóóit opzettelijk het tegendeel zijn van wat jij denkt. Is 't nu goed, liefste, allerbeste? Ik wou, dat ik eens iets wist, wat jou pleizier kon doen, dat ik alleen je geven kon, o, àls er zoo iets is, zeg jij 't me dan, lief? Er bestaat wel zoo iets: mijn boek,Ga naar voetnoot1) - o, als ik maar onomstootelijk wist, dat dat jou een vreugde zou zijn... Maar, lief, dát durf ik wel van mezelf te zeggen, dat ik niet grillig | |
[pagina 30]
| |
ben. En ook, dat is wel geen deugd, maar toch een heel gemak (je moet me niet uitlachen, dat ik daarvoor zoo'n typische uitdrukking gebruik) ik blijf nooit mokken over iets. Als een kwestie is bepraat, is 't bij mij ook uit, want aan rancune-houden heb ik een vreeselijken hekel. Misschien vindt jij dat ook zoo naar? Ik ga dezen brief even weg-brengen. Ik kus je goênacht, liefste-mijn. Ik ben, en wil altijd blijven tot in de diepste oneindigheid
jouw eigen Jeanne | |
7 April '99Jeanne, ik weet niet, wat ik boven dezen brief moet zetten, want alle woorden, die in mij opkomen als benoemingen voor je, klinken mij banaal: ik wou zoo vreeselijk graag voor je neerliggen op den vloer en je voetje op mijn hoofd voelen, op mijn ijzersterke hoofd, niet in boosheid natuurlijk, maar in speelsche dartelheid, omdat het je pleizier gaf zoo te doen. Ik wist zelf niet, dat ik zoo iets voor iemand kon voelen, maar nu weet ik het, klaar-precies en toch wild-hartstochtelijk, en ik dank je allerdiepst, met verbrijzeling van mijn kalmen trots voor jouw, jouw goddelijkheid alleen, ik dank je, zeg ik, dat je mij dát hebt doen voelen, dat je mij dát hebt aangedaan. O, voor je neer te liggen en dan je voetje te grijpen met beide handen, en het te kussen, zwaar en wild, omdat het van jou is, en jij ‘jij’ bent. Ik heb je zoo innig-diep lief: doe alles met me wat je wil. O, ik wou dat je mij sloeg, dat je mij vermorzelde, als jij er maar pleizier door kon hebben. Vind mij niet laf daarom, want ik sla terug als ik geslagen mocht worden, maar jij, jij-alleen, jij-eenig mag alles doen wat jou pleizier doet. Schrik, smeek ik je, niet van mijn hartstocht: ik wil alleen maar als een weerloos kind voor je voetjes liggen, herhaal ik, tot je het uit gaat gillen van vreugd, omdat ik, ik, die me toch voel, die me toch weet, jouw slaaf ben. Gaat er dan niet een rilling van verrukking over je rug loopen, omdat je de heerscheres bent over dien man? Voel je nu, begrijp je nu, hoe ik van je houd? En ben je daar een beetje blij om? O til me dan op, vanwaar ik lig, en kus me, kus me, tot je niet meer kan, en ik je plotseling in mijn armen sluit, en roep: | |
[pagina 31]
| |
niets anders wil ik, niets anders lief ik dan jou, op niets anders vertrouw ik, absoluut en zonder achtergedachte, dan op jou. Jij bent de eenige waarachtige mensch: ik zie niets anders, ik voel niets anders dan jou... Dit is geen verlangen-in-'t-algemeen naar een vrouw, dat in me brandt, neen, wat ik voel, voel ik voor jou-alleen en voor altijd voor jou, want jij bent de aleenige, waar ik om geef en ooit om geven zal. Ik heb jou altijd gezocht, mijn heele leven door, en eindelijk, eindelijk heb ik jou toch gevonden. O, en schrik niet van mijn hartstocht, want ik zal altijd zacht en goed en gedwee voor je zijn: ik zal je doen lachen, als je lachen wilt, en je verrukken als je verrukt wil zijn. En je pleizier doen hebben zonder grens. Weet je nu, dat ik je hartstochtelijk liefheb, voel je 't nu en begrijp je 't nu? Zoo ben ik nu geworden door je brief van vanavond, en ik zeg het je, omdat je niet het land aan me hebt. Ik kus je in gedachten overal waar je maar wilt. Hier ben ik, neem me, ik kan niet anders en wil niet anders, want ik ben jouw uitsluitend eigendom, zoolang je 't zelf verkiest.
Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, Lief, Allerliefste, Allerbeste, wat maak je me toch innigzalig met je brieven! Ik las je brief zooeven en voel me daarna zoo blij en kalm en veel rustiger dan daarvóór. O, Lief, wees niet boos op me, of bedroefd erover, als ik wel eens klagend of steun vragend aan je schrijven zal, - heb dan maar een beetje medelijden met me, en denk er niet verder aan. Ik zal innerlijk wel beter worden, als jij me maar, zooals je me hebt beloofd, aan mezelf te onttrekken tracht, en mij nooit aan mijzelf overlaat. O, weet je, wat ik zoo innig graag wou? Ik zou willen, dat ik iets doen kon voor jou, iets positiefs, iets, waaraan ik àl mijn krachten wijden kon; o, dat zou me zoo sterk maken en levenslustig, en het leven zoo draaglijk voor mij, als ik wist, dat ik arbeidde aan jouw heil! Want nu neem ik al je goedheid en liefheid maar aan, en ben niet in staat er iets voor terug te geven dan lijdelijke liefheid en negatief gelukkig-maken. Ik doe niets, ik ben niets, ik kan niets, en ik smacht er naar iets wérkelijks voor je te zijn, een positieve steun, een altijd-klaar-staande hulp. Ach, toe, Lief, is er niets, niets, wat ik voor je Kan doen? Iets groots, | |
[pagina 32]
| |
iets heel moeilijks, waarin je me noodig hebt? Heusch, heusch, Lief, ik zou nooit meer klagen en innerlijk treuren, als ik vast en zeker wist, dat ik nuttig voor je kon zijn. O, ik smeek je, bedenk iets, dat ik voor je kan doen, als is 't ook niet veel belangrijks voor jou, - als dat ondragelijk-weeë gevoel van overbodig-zijn en nutteloosheid er maar door van me weg-gaat. Want, o, arme Lief, dit komt er ook nog bij: dat ik vermoed, hoe je soms wel zorgen en moeilijkheden hebt, waar ik volkomen machteloos tegenover sta, om er iets aan te doen. O, kon ik alles maar weg-nemen van je, o, voelde ik maar innig en diep de zekerheid in mijzelf, dat ik iets voor je was, een waarachtige toevlucht-in-leed, een onmisbare steun! En ik ben niets, ik ben niets! Ik ben volslagen passief, terwijl ik, o, zoo graag werkzaam zou zijn; ik zit, lijdzaam-afwachtend, stil, terwijl ik smacht iets wérkelijks voor je te doen! O, Lief, dat zou me, geloof ik, gelukkig maken voor áltijd: het onwankelbaar besef, dat jouw leven mooier was en minder-zwaar, doordat ik bestond, en het je dragen hielp! Ik eindig nu, vanmiddag schrijf ik weer. Hier is een vers voor je, Lief, je kan het bewaren als je wilt, maar het hoeft niet, want het is toch maar voor jou alleen. Ik zou het later nog wel eens graag willen zien, dus als 't je geen moeite is, bewaar 't dan maar, ik schrijf ze niet over voor mij zelf. Dag, Liefste, Liefste, Allerbeste, een innigen zoen van je Jeanne | |
[Ongedateerd]Liefste, beste, hiernevens zend ik je een paar boeken van Couperus, ook mijn Heer van de StateGa naar voetnoot1) en het Wilhelmina-Album. Mijn schets staat op blz. 211, en hierover wil ik heel graag een gevoelsoordeel van je hebben; géén literair oordeel, bedoel ik, want als letterkundig werk is het niets. Alleen kan je er een beetje uit zien, hoe mijn gemoedstoestand was in October of November. Het is een echt bewijs, dat het niet gaat, beschouwingen of gedachten in romantischen vorm te willen geven. En wat De Heer van de State betreft, ik heb 't je gestuurd, omdat je 't dien dag aan me vroeg, maar zeg daar maar heelemaal niets van alsjebelieft; ik schaam | |
[pagina 33]
| |
me een beetje erover, niet dat ik het geschreven heb, want mijn critisch oordeel beteekende toen nog niet veel, en ik schreef het maar zoo argeloos weg, maar wèl dat ik het uitgegeven heb. Het eenige goede in dit romantische werk is de vloeiende stijl, dat heb ik je toen al gezegd, dus, Lief, al wat je er van zei (want ik denk, dat je iets òngunstigs niet zeggen zou) zou ik opvatten als een goedig complimentje, en daardoor met je gunstige meeningen over ander werk niet zoo onvoorwaardelijk blij meer zijn. Begrijp je me, Lief? Want als dit boek je eens toevallig in handen was gekomen, toen nog de schrijfster je onverschillig was, zou je het bij den eersten inkijk weer hebben neer-gelegd, dat weet ik zeker. Ik heb juist een gevoel, alsof ik me tegenover jou over dat boek verontschuldigen moet, ik weet niet waarom. Vreemd, hè? De volgende week denk ik weer eens naar VeenstraGa naar voetnoot1) te gaan, - nu heb ik nog zoo weinig lust, - en zal je dan schrijven, wat hij zei. Ik eindig nu maar tot spoedig; dus nu weer adieu, tot dàn, mijn Liefste, Beste! jouw Jeanne | |
9 April '99Jeanne,
O, dat schrift met verzen van je! Ik zit er voortdurend in te lezen en weer te lezen, aldoor dezelfde, want het is telkens weer als nieuw. 't Is alles wat ik op 't oogenblik van je hebben mag, maar daar is je ziel in, en ik val voor je neer, met mijn hoofd tusschen je voetjes op den grond, en dank je zeer diep, dat ik dát van je hebben mag, dat je me dát hebt gegeven, met je heerlijken, vertrouwensvollen wil. Ik mag je niet in de oogen zien, ik mag je handje niet zacht voelen liggen in de mijne, ik mag je lippen zich niet zien bewegen in gesprek: ik mag je woorden niet hooren vol vriendelijke mooiheid, ik mag je schoonheid zich niet tegen me aan voelen vlijen, ik mag je mijn trouwe teederheid niet toonen, ik mag je niet fluisteren aan je lieve ooren, dat ik je voor eeuwig en eeuwig aanbid. Maar ik heb hier je ziel in dat schrift, dat hier naast me ligt, en dat zou | |
[pagina 34]
| |
je mij toch niet gebracht en gelaten hebben, als je voor de heele toekomst niet bij mij wou zijn, als je niet wou worden mijn ander ik, als je mij niet bij je wou hebben, door al de mooie dagen, die komen, om te zijn je gedurige behoeder en vertrooster, om te zijn je vreugdegever zonder maat. Want dát kan ik zijn en dat zál ik zijn: verdriet zal je niet meer kennen, de zorg zal je iets zonderlings zijn, en niets zal je meer weten en niets zal je meer voelen dan nu eens stille, en plotseling weer wilde, maar altijd heerlijke, lichtende vreugd. O, wat is het goddelijk, verrukkend, overweldigend, dat je eindelijk gekomen bent in mijn leven! Ja, ik heb mijn heele leven op jou gewacht! Ik wist niet, hoe je heette, hoe je er uitzag, wie je was! Maar je moest toch ergens wezen, dat wist ik en dat voelde ik. Want anders was het leven een bange droom. Maar nú wordt het licht in mijn ziel en in de wereld, nu ik weet, dat je naast mij wil staan en leven, nu ik weet, dat ik nooit meer van je af zal gaan, nu ik je nooit zal hooren zeggen: ‘Ga weg, ik heb geschertst!’ Jij bent het, en anders niemand, - en jij zal worden, - o, heerlijk, dat je mij toestaat, het hier voor je te zweren, - mijn zachte, mijn sterke, mijn gelukkige vrouw...! Want ik zal het geluk over je uitstorten, of je waart in het paradijs! O, samen met je te wezen, heel alleen, in een diep, groen woud, en mij dan door jou te laten slepen over den grond, ik uitwendig machteloos, maar inwendig vol heerlijke, trotsche en gloeiende en alleen voor jou bedwongene kracht. Zeg, wou je dat? Of neen, zeg het niet, want ik weet wel, dat je 't wil; neem me alleen maar, en kus me, en kus me, tot ik er, als stervend, onder bezwijk, ik, jouw sterke, teedere man, die als een stuk speelgoed in jouw handjes wil zijn, kus me, kus me, totdat ik roep: Genade, genade, je doodt me met geluk! O, je dan zacht in elkaars armen te laten vallen, en zacht te blijven liggen en te droomen zonder eind, terwijl de bladeren stil ruischen nu en dan, en het heerlijk warm en geurig is, en niets anders te voelen als je adem, die warm langs mijn wangen gaat...
O, nu kan ik niet doorgaan, want juffr. Linn, de dochter des huizes begint weer beneden op de piano te spelen. Vanavond waarschijnlijk, of anders morgenochtend zal ik je weer schrijven. Dien krijg je dan Dinsdag. En meld ook even de beginregels van die twee eerste sonnetten: een begint, geloof ik: | |
[pagina 35]
| |
't Wil vaak gebeuren, dat we in diepe droomen...
Het lijkt mij een eeuwigheid, de anderhalve dag, dat ik niets van je gehoord heb. Schrijf mij toch spoedig, och, toe! Heb ik je misschien met iets gehinderd in mijn laatste, zeg het dan vooral, bid ik je, dan kan ik mezelf corrigeeren; ik vraag je al vergeving, als het zoo mocht zijn, voor ik het weet.
Jouw Willem
Och, dat nare papier! Als ik naar Amsterdam ga, zal ik ander koopen: hier is het niet te krijgen. | |
Bussum, Villa Parkzicht
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 36]
| |
moet, dan zal ik me veranderen, want ik wil alleen zóó zijn, als jij goedvindt. Ik had eerst nog willen wachten tot morgenochtend, of er dan iets komen zou misschien. Laat me niet zoo alleen, want ik ben als een kind in je macht. Bedenk dat toch en heb medelijden met me. Ik stuurde vandaag twee brieven aan je. Jouw Willem | |
[Ongedateerd]Lieveling, o, mijn lieveling! Dat jij verlangde naar een brief van mij! O, lieveling, kon ik nu maar mijn armen leggen om je hals, en mijn wang tegen de jouwe, en je heelemaal bekennen, hoe ik van je houd! Ik houd van je, ik houd van je! Jij bent mijn alles! Jij bent alles voor me, wat ik denken kan, wat ik denken wil, ik kan niets zonder jou, ik wil niets zonder jou, ik heb je lief, lief, lief! Al mijn liefde, die mijn warme hart geven kan, maar nooit gegeven heeft, heb ik voor jóu bewaard! Mijn heele bestaan is van jou, ik geef je mijn lot, ik vertrouw je mijn heele leven! Ik heb je lief, hoor je 't, hoor je 't, dat ik je liefheb, liefheb, voor altijd, voor áltijd? Ik wil alles voor je doen, ik wil alles voor je zijn, wat je verlangen kan, - mijn heele leven heb ik gesmacht zóó lief te hebben als ik jou nu doe, - zoo gansch en volkomen mijn zieleleven te kunnen overgeven! O, lieveling, mijn éénige lieveling, ik aanbid je, ik houd van je, ik heb je lief! Ik wil voor je knielen, jij bent de éénige, voor wien ik knielen wil, want ik heb je lief, ik heb je lief! Adieu, mijn liefste, mijn eenige, mijn lieveling, mijn lief!
Voor altijd je Jeanne
Ik ga nu stil dezen brief weg-brengen, zélf; het is zoo'n heerlijk-intiem pleizier voor me, in het donker te zijn met een brief voor jou: de schat van mijn liefde, dien ik je brengen ga! O, mijn lieveling, al wat je schrijft in je vorigen brief, dat voel ik zoo met je mee, en 't maakt me zoo innig, zoo diep-innig gelukkig, dat je er zóó over denkt! | |
[pagina 37]
| |
Zooeven kreeg ik je telegram. Heb je mijn brief nog niet ont-vangen, lieveling? Of neen, nu zeker wel. Ik ben zoo blij, dat je 't me stuurde, want ik verlangde zoo, o, ik verlangde weer zoo vreeselijk naar een brief van jou. Ach, lieveling, je moet er maar niet boos om zijn, want je schrijft al zoo veel, - maar o, je brieven zijn me zoo'n zalige verrukking; bij elken brief hunker ik weer naar den volgende. En vooral als 't zoo regent en waait en de hemel zoo troosteloos grijs-gesloten blijft, - o, dan kan ik zoo onrustig zijn en zoo vreemd, en dan troosten je brieven me zoo... Ik moest sterk zijn, en het weêr geen invloed op me laten hebben, en soms heb ik tijden, dat ik er wel tegen kan, maar nu niet, maar nu niet. O, lief, ik wou, dat mijn hand in de jouwe lag en dat je één enkel woord zei tegen me, - dat zou me zoo gelukkig maken, zoo onuitsprekelijk-diep en veilig, zalig gelukkig... O, lief, je bent mijn alles, je bent mijn alles, lief. O, kon ik voor jou zijn, wat jij bent voor mij. O, lieveling, mijn liefste, - o, dat ik je een klein beetje echt geluk brengen kon! Ik heb je lief, en 't is zoo zalig, je lief te hebben, lief... O, altijd te denken aan jou, aan jou alleen... O, te worden wat jij wil dat ik ben, heelemaal zóó, als jij wilt, dat ik zal zijn... O, als ik zoo angstig ben en zoo gejaagd, dan lees en herlees ik je brieven, en lees ze wéér, tot heelemaal weer het goddelijk-zoet gevoel van verrukkende vreugd over me komt, waarin ik me laat gaan, zacht, zacht... Adieu, mijn lieveling, o, ik wou, dat je je hand lei op mijn oogen, op mijn hoofd... Ik heb je zoo lief, en ik zie je niet... O, lief, mijn lief, ik ben voor altijd, in groote, oneindbare liefde en eeuwig, onwankelbaar vertrouwen jouw eigen Jeanne | |
[Ongedateerd]Wat spijt 't me, lieveling, wat spijt 't me, dat je zoo lang hebt gewacht op een brief van mij! 't Komt, doordat onze brieven elkaar voortdurend kruisen, want ik heb toch heusch aldoor geschreven; maar 't spijt me toch zoo vreeselijk, dat je twee dagen vergeefs hebt gewacht. Want je weet 't immers wel, dat ik altijd aan je denk, aan niemand anders dan aan jou, altijd aan jou? Ik ben zoo dankbaar en blij, dat je mij dat telegram hebt gestuurd; ik | |
[pagina 38]
| |
schrikte eerst een beetje, maar toen begreep ik, dat er om één uur nóg een brief van je komen zou, waarin je zei nog niets ontvangen te hebben. En dat was ook zoo. Je kreeg zeker twee brieven tegelijk, is 't niet? Ik heb je tot dusverre maar éen brief minder geschreven dan jij mij. O, zeg toch nooit, lieveling, dat je iets niet goed zou hebben gezegd of gedaan; àlles wat je zegt en wat je doet, dat moet je zóó zeggen en doen, ik wil 't niet anders van je, want ik houd van je, zooals je ben, heelemaal zooals je ben, dáarom houd ik van je, omdat je zóó bent, geloof je me, geloof je me, lieveling? O, zooals je over mijn verzen schrijft, dat maakt me zoo gelukkig, zoo dankbaar, diep en onuitsprekelijk gelukkig! O, lieveling, mijn eenige! O, ik wou bij je zijn, mijn hoofd op je schouder, je arm om mij heen, en dan niets verder, niets, niets, dan zoo stil en veilig bij je blijven, niets weten, niets voelen, dan de weelde van het zóó bij je te zijn! O, mijn lieveling! Ik voel elken dag dieper en inniger mijn heerlijk, heerlijk geluk, dat lichtend mijn heele Zijn overstraalt! Ik heb je lief, jij bent mijn lieveling, mijn lief, wiens haren ik streelen wil, wiens lieve handen ik kus! Altijd jouw Jeanne | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 39]
| |
tevreden. Mijn geluk geeft dan aan al mijn denken en spreken een vriendelijker, maar toch vaster toon. Maar nu, vandaag, zit ik weer alleen op mijn kamer, op denzelfden stoel, waarop ik altijd zit, en waarop jij zoo heerlijk woudt zitten, toen het oogenblik kwam, waarop ik je vragen ging. O, ik heb het toen heel stil gezegd, heel zacht-rustig, geloof ik; o, zeg, ik heb je toen toch niet koel geleken? Maar ik kon niet anders, want ik was zoo bang, dat je schrikken zou van mijn hartstocht, dat je zou denken: hij past niet bij mij. Daarom zeg ik het nu, wat ik toen niet dorst zeggen, niet wou zeggen: Ik heb je gloeiend, hartstochtelijk, dol heb ik je lief. Ja, ik wou, dat je mij sloeg, hard sloeg, terwijl ik voor je neerlag, en inhield mijn wilde verlangen om je te kussen; ik wou, dat je mij pijn deed met lieven glimlach, als het maar geen zielepijn was, als je maar altijd er bij zei: ik verlaat je nooit. Maar ik mag niet zoo wild doen tegen jou. Vergeef me, want ik, de trotsche, de sterke, de kalme tegen iedereen, ik wil jouw slaaf zijn, dien je mag schudden en slaan en dooden zelfs, want jij, jij-alleen bent de godheid-op-aard, die ik niet wist, dat er was, die ik niet had gedacht, ooit te zullen zien, die ik niet had durven hopen, - o, onuitsprekelike weelde! - dat mij kussen wou. O, later, Jeanne, als wij één zijn geworden, zelfs voor de wereld, die dan niets meer te zeggen heeft, zal ik je geluk geven, onuitsprekelijk. Je kan het niet zóo vreemd bedenken, of ik heb het voor je over. Ik zal je verrukken en bedwelmen in je ziel, totdat je uitroept: ‘O, Willem, ik wist niet, dat dát mogelijk was, ik wist niet, dat het leven zóó mooi kon zijn. Ga toch altijd zoo door, want ik houd nu nog tienmaal meer van jou, dan ik vroeger dacht, dat ik deed.’ En dan zal ik sidderend van vreugd op de knieën liggen, en ik zal je toeroepen, terwijl ik je zacht kus: Jeanne, niet ik, maar jij, jij alleen, voor eeuwig. O, lief, mijn lief, ik heb je onnoemelijk lief!
Jouw Willem | |
[pagina 40]
| |
En vanavond heb ik mijn hoofd tegen het donkere raam gedrukt en me moe-getuurd in den nacht of jouw brief nog niet kwam... je troostende brief, die toch komen moest na het verdriet van den heelen dag... En toen ik het niet meer uithouden kon, en snikte van ongeduld, - toen is mij je brief gebracht. En nu ik dien gelezen heb, nu tril ik van zalige verrukking, - nu snik ik, snik ik weer, maar nú van geluk... O, wat ik voel voor jou, dat hooge, volmaakt-mooie, dat me loutert en verheft, - dat jij in me hebt doen ontwaken, en waarvoor ik je handen kus in eerbiedige dankbaarheid... o, al het mooie en goede en reine, dat in me is, wil zich saamvoegen voor jòu, tot een jòu waardig geschenk! Zie, ik wil niets anders dan knielen voor je voet, en opzien tot jòu, - en als je dan neerbuigt en me kust, dan zullen je zegenende zoenen me heilig maken, zoo heilig als jij... Want je bent een god! En je bent almachtig omdat je een god bent, - o, hef me dan tot je eigen hoogheid op, - laat mij je godin zijn! Jij bent mijn wil, mijn leven, ik ben niets zonder jou, - ik wil niets zijn zonder jou, - ik ben van jou, voor altijd, voor altijd van jou... En ik zal mooi zijn en goed, omdat ik van jou ben, omdat jouw liefde me verreint en vermooit... Neem alle zwakheid van me weg... maak dat ik je zoo krachtig en grootsch liefhebben kan, als jij houdt van mij, - dan zal ik volmaakt door jouw volmaaktheid zijn... Zóó zal er geen liefde buiten de onze wezen, want wij tronen trotsch boven al wat bestaat, - want wij zijn de incarnatie van het goddelijke op aarde... Wij zullen leven voor en door elkaar, totdat wij sámen in den dood zullen gaan. En nu smeek ik je: kom, blijf nu niet langer weg, laat ons in oppersten hoogmoed de wereld toonen, dat wij voor eeuwig één willen zijn. Kom, ik smeek 't je, nòem den dag, dat je komen wil, - den dag, dat ons prachtig geheim geen geheim meer zal zijn. Ik sla mijn arm om je hals en zoen je warm op je mond; mijn lippen gloeien van trotsch geluk, omdat jij door mij geliefkoosd wil zijn. O, ik aanbid je! je Jeanne | |
[pagina 41]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
Bussum, Villa Parkzicht
| |
[pagina 42]
| |
spreken en zullen dan daardoor nooit oneenigheid krijgen; oneenigheid moeten wij nooit krijgen, want oneenigheid in een gevoelde verhouding als het huwelijk moet zijn, op straffe van anders géén huwelijk, maar een waardelooze samenwoning te zijn, vind ik iets even verschrikkelijks, als een banale straatscène op een plat-getrapt bloemenveld. Wij zullen alles met gemeenschappelijk, gevoeld overleg doen; den eenen keer zal ik toegeven, door rede en gevoel overtuigd, den anderen keer jij misschien. Zeg mij eens, vind je dat náár?
Zoodra je in Bussum logeert, moeten wij eens een dagje naar Ede gaan, naar Willem Witsen en zijn vrouw. Mondeling zal ik je wel vertellen, hoe ze zoo wat zijn. Witsen en ik zijn nu al bijna zestien jaar vrienden; hij heeft dikwijls bewezen, dat hij veel voor mij voelt. Dan is er nog Hein Boeken, ook een best en gevoelig mensch, ook met veel krachtdadige sympathie. Ik scheid nu uit, dan kan deze nog op de post.
Jouw Willem | |
[Ongedateerd]Ach, lieveling, het is goed, dat je komt, en ik ben zoo stil-tevreden nu. O, het is zoo licht, zoo teer, zooals het nu is, laten we blijven in deze sfeer van denkloos gelukkig zijn! O, ik houd zoo van je... en ik wil niets meer dan stil en zachttevreden zijn in het weten, dat je ook een beetje om me geeft. O, lief, ik heb je zoo lief, - nooit, nooit geloofde ik, dat mijn altijdkalm en weinig-gevoelig temperament tot zóó van iemand houden in staat zou zijn! Ik ben zoo koel, zoo koel en terug-getrokken voor iedereen! Maar ik houd van je, van jou, van jou alleen, van niemand méér dan van jou, mijn lieveling, ik houd van je, ik houd van je! Ik stel er heel veel prijs op je vrienden W. te leeren kennen, omdat je zooveel van hen houdt. Ach, toe, lieveling, wil je ook eens iets over mijn verzen schrijven? daar verlang ik zoo naar, zoo heel erg. Adieu, mijn lief, schrijf je weer gauw? Ik smacht naar je brieven, ik smacht ernaar. Adieu, mijn lieveling!
je Jeanne | |
[pagina 43]
| |
[Ongedateerd]Lieveling, ik schrijf je nu nog even, om je te zeggen, dat Mama het goedvindt, Maandag. O, ik ben toch zóó blij, dat je komt! Ook voor Mama, maar vooral, vooral voor mijzelf. 't Is nu een week geleden, - o, die dag, die mooie, lichte, héérlijke dag! Nu is alles zoo helder en wijd om me heen, en ik laat me zachtjes gaan in dat stille, veilige, vredige... O, mijn lieveling, ik hoop niet, dat je me sentimenteel en overdreven hebt gevonden in mijn voorvorigen brief, - soms, als mijn gevoel me zoo volkomen overweldigt, dan móet ik het je zeggen, ik móet... Ik kan er nu niet over spreken, want ik zou alles herhalen, woord voor woord. O, lief! van liefde sterven door jou, voor jou... Hoe zou mijn doodsoogenblik dan één opperst genieten zijn, zóó superieur als goden-geluk!... O, lief, beloof me, belóóf me, dat ik in jouw armen sterven zal... Jij zou voor eeuwig gelukkig door 't besef van mijn zaligheid zijn! Ik houd zoo van je, - ik houd zoo van je, lieveling, o, mijn lieveling! Jeanne | |
[Ongedateerd]Mijn lieveling,
O, nu begin ik eindelijk weer een beetje tot kalmte te komen, - 't was deze heele week zoo vreemd met me, zoo vreemd... ik kon absoluut niets doen den heelen dag, ik kon niet spreken, niet eten, niet slapen, - 't was of ik mezelf niet meer was... Ik leefde maar machinaal zoo wat voort, mijn denken beheerschte me heelemaal... Maar nu word ik langzamerhand weer normaal; ik merkte, dat mijn lieve Moeder een beetje ongerust over me was. Maar ik kan je ook niet zeggen, hoe 't me heeft overstelpt; ik kan geen woorden ervoor vinden. 't Is zoo iets... neen, ik kán 't niet uitleggen, onmogelijk... Ik voelde me aldoor zoo hoog, zoo los van alles, verdiept in mijn eigen geluk, en luisterend, aldoor luisterend naar jouw verre stem, die me zóó heerlijk van liefde sprak... En nu ik eindelijk mijn groot geluk in vollen omvang besef, nu voel ik zoo'n diepe, oneindige dankbaarheid in me voor jou, mijn lieveling, omdat mijn leven nu zoo mooi, zoo wonderbaar mooi is geworden... | |
[pagina 44]
| |
O, lieveling, wat jij voor me bent, wat ik voel voor jou, dat is iets zoo onuitsprekelijk-teers en toch zoo hevig en diep, - het beheerscht mijn wil, mijn gedachten, het beheerscht àl mijn doen... Want, ik mag 't je wel zeggen, nietwaar? Je bent volkomen, zooals ik mij had gedacht, dat je was, al wat je zegt, al wat je doet, dat mòet zoo zijn. Ik kan me niet heelemaal goed uitdrukken, maar je begrijpt me wel, is 't niet? O, jouw leven zoo licht, zoo heerlijk mooi te maken, als jij het mijne doet, o, lieveling, ik hoop zoo, dat ik dat kan... Weet je wel, dat ik gezegd heb: je kent mij niet? En juist geloof ik, dat jij de uitsluitend eenige bent, die mij volkomen kent, omdat ik me tegen jou alleen geheel heb uitgesproken. Jouw Jeanne | |
Bussum, ParkzichtJeanne, ik wou zoo innig graag, dat ik bij je was, ik wou, vergeef me, dat ik je kussen mocht, tot ik je lachend zag opkijken, en je niets anders fluisterde dan: ‘Ga zoo door, want ik houd van je, en je maakt me gelukkig.’ Denk je wel eens aan de toekomst, Jeanne, als het altijd zoo zijn zal, als je met mij zal mogen doen wat je wil altijd-door, als ik zal mogen wezen, met jouw hooge goedkeuring, door alle jaren, die komen zullen, heen, jouw wild-zachte, innig-hartstochtelijke, altijd jouw teedere, diep-lievende slaaf? Want ik heb het je al zoo dikwijls gezegd, maar ik kan het toch niet zwijgen, omdat het altijd weer opnieuw in mij opkomt, de begeerte om het je directer en duidelijker, jou telkens en telkens weer doordringender te zeggen, ja, ik moet je zeggen nogmaals, dat ik je liefheb meer dan mezelf, dat jij bent de onloochenbare godheid-op-aard, en dat je dat voor mij zult blijven door alle tijden, en dat ik geheel met mijn ziel en alles, geheel alleen aan jou toebehoor. Wil je mij hebben voor altijd en altijd, zonder vermindering, zonder eind? Want je maakt mij zoo gelukkig en ik zal je ook gelukkig maken, en ik zal jou óók zoo gelukkig maken, omdat je (o, nooit-gedachte, onuitsprekelijke heerlijkheid!) mij wilt toestaan om dat te doen. Ik heb je lief, vlammend lief, en dat volstrekt niet, omdat ik je zoo mooi vind alleen. Ik vind je mooi, begrijp je, uiterlijk mooi, en dat mooi smacht ik om te hebben en te houden, omdat ik smacht het | |
[pagina 45]
| |
gelukkig te maken, zóó gelukkig als de eene mensch de andere maar maken kan. O, ik zal je doen bezwijken van diepe vreugd, o, ik zal van een wilde, machtig-lievende, jou verrukkende, want zelfs in zijn hartstocht gedweeë, eindelooze teederheid voor je zijn. Ik heb je lief, want je bent geen mensch meer maar de waarachtige godin-op-aard. En dat zal je hoe langer hoe meer worden, geloof mij toch, hoe meer ik je ken. Want je bent mooi, maar dat is het niet alleen waarom ik je liefheb, dat is maar de helft. Want de ziel, die uit je brieven spreekt, als je je zoo laat gaan, als je zoo heelemaal toont, wie je eigenlijk, diep-in bent, - daar voel ik voor; ik kan het je nu niet zeggen, ik zal het je slechts kunnen toonen als wij eenmaal samen zijn, altijd samen, zonder verwijdering, zonder verdriet. Toe, zeg me, en zwijg hier niet op, wil je zijn door alle tijden, mijn eenig-geliefde, heerlijke, machtige, hoog- en diep-gelukkige vrouw? Want ik voel de kracht en den wil en den gloed en de overgave in me, om je leven zoo heerlijk te maken, als geen leven nog op aarde was.
Je hebt mijn brief nu ontvangen, waarin ik zeg, dat ik Maandag kom. Ik had eerst Zaterdag willen komen, maar dat is zoo'n rare dag. Heb je 't liever, dan wil ik natuurlijk Zaterdag al komen, dan ga ik 's nachts in een hotel in den Haag en blijf Zondag over. Maar schik dit heelemaal zooals 't jou 't prettigst is. O, wat zal dat een goddelijke tijd worden als je in Bussum komt! Ik maak hier een spoedbestelling van. Hij komt om even vóór tweeën op de post. Jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Liefste en beste van-al-wie-bestaat, - ik heb je lief, ik heb je lief met alles wat in mij is, - ik geef mijn leven aan je over! Ik vertrouw mij aan je met een heilig geloof in je kracht, om mij zoo sterk te maken als jij zelf dat ben! O, als jij me helpen wil, met je teedere goedheid, je troost, je steun, je raad, je vriendelijke deelneming in alles, wat mij betreft, - dan vrees ik het leven niet meer, dan krijg ik veerkracht en moed, en daardoor, o, Lief, zal ik in werkelijkheid méér zijn voor jou! Want, o ik smacht iets zekers voor je te wezen, niet zoo maar een schijn, waar jij van houdt, omdat je er iets moois | |
[pagina 46]
| |
of liefs in ziet, maar een echt, een waarachtig levend mensch, met in zich het vermogen tot krachtdadige hulp en het in-staat-zijn tot geven van steun en raad, waar die noodig mocht zijn, - een mensch, van wie jij houden kunt om positieve redenen. Zóó wil ik voor je zijn, en zóó moet jij me maken, Lief! Wil je dat? Zal je dat? Zoolang ik niet de onwrikbaar-vaste overtuiging heb, dat ik jou gelukkig maak, kan ik zelf niet gelukkig zijn. O, ik dank je, ik dank je, Lief, met een innigen, teederen zoen voor dien schat-van-een brief. Ik ben gelukkig nu en rustig en blij. Jouw eigen Jeaan. | |
[Ongedateerd]O, lieveling, ik zou 't zóó graag willen, dat je Zaterdag kwam, en Zondag nog bleef in den Haag! Maar je moet natuurlijk heelemaal doen, zooals 't jou 't liefste is. Er komt een getrouwde zuster van me bij ons logeeren, zal je dat niet vervelend vinden? Maar die zal er Maandag ook nog zijn. Ik mag 't haar immers wel vertellen, lieveling, als ze komt? O, àls je komt, schrijf je dan gauw den trein, want ik zal er natuurlijk zijn, aan de spoor. Je spoedbestelling kwam om half zes zoowat, zoo heerlijk, heerlijk gauw, want ik verlangde weer zoo, - ach, eigenlijk verlang ik altijd-door naar je brieven... O, lief, ik ben zoo dankbaar, zoo innig diep en onuitsprekelijk, dat je zóó houdt van mijn eigenlijk ik, van mijn ziel. Want o, zooals ik uiterlijk ben, - dat schijnt je een beetje mooi in je verbeelding toe, omdat je me graag zóó wilt zien, - maar o, zoo ben ik niet, als je me beter zal hebben gezien, dan zal je me heelemaal niet mooi meer vinden, niet mooi meer kúnnen vinden, en wat dan? wat dan? O, lief, zie alleen maar mijn ziel, mijn stralende, sneeuw-reine, volmaakt-mooie ziel. En niet mijn leelijke, arme, uiterlijke Zelf. Want o, als je zoo zegt, dat je me mooi vindt, dan voel ik me zoo klein en beschaamd, omdat ik niet bèn wat je denkt. Zeg het niet meer, mijn lieveling, zeg het niet meer, want o, zoo onuitsprekelijk graag zou ik in wèrkelijkheid zoo mooi voor je willen zijn, als je me ziet in je phantasie, maar ik wil niet, dat je later zou moeten zeggen: ik heb me vergist. Zie alleen mijn ziel, mijn lieveling, mijn ziel alléén kan je waardig zijn... O, lief, jou gelukkig te maken, zoo zalig als ik word door jou, - | |
[pagina 47]
| |
dat je 't niet alleen maar zegt, maar dat ik 't begrijpen moet, dat ik 't wéét, dat je gelukkig bent, en gelukkig door mij! O, mijn eenige! maak me zoo groot en machtig als jij, - maak me zóó dat ik je nader kom, zóó dat mijn liefde ook voor jou een eindelooze zaligheid wezen kan... O, ik wou naast je knielen, ik wou mijn hoofd op je knieën leggen, en als je hand dan even mijn wang kwam streelen, dan zou ik die grijpen en kussen en aldoor tegen mijn lippen houden. O, jouw hand, die zich zoo zacht om de mijne legt, als je mijn handdruk beantwoordt, - jouw hand, waaraan ik me vastklemmen kan, als ik bang ben, bang voor het leven, en bang voor alles, wat ik niet begrijpen kan... O, lief, mijn eenige, die toekomst-zaligheid... Ik ga dezen weer weg-brengen, stil, alleen, het is bijna tijd. O, dat is zoo heerlijk, alleen in het donker te zijn, en dan langzaam, heel langzaam te loopen, en te denken aan jou. Dan denk ik aan dien avond, toen we samen gingen, - toen mijn hand lag op je arm, toen ik niet wist, waar ik was, waarheen ik ging, en me heelemaal toevertrouwde aan jou... O, lief, dat veilige, troostende, gelukkige gevoel, dat ik dat nu àltijd mag doen: me toevertrouwen aan jou... Dat jij me leiden wil, dat jij me steunen wil, - dat ik bij jou in angst of leed altijd een toevlucht vinden zal... O, lieveling, laat mij je handen zoenen met zoenen van warme dankbaarheid, laat mij je lippen zoenen met zoenen van liefde, van diepe, òneindbare liefde... O, lief, o, mijn lief, mijn lief, geeft mijn kus je geluk?
Jeanne | |
[Ongedateerd]Mijn liefste, mijn eenige, o, je brieven, je brieven, ze maken me krankzinnig van vreugde! O, ik wou nu heel alleen in een wijde, wijde eenzaamheid zijn, - dan zou ik neerstorten op de knieën, mijn armen naar den hemel slaan, en met een wilden kreet van verrukking roepen: ‘Ik heb hem lief! En hij houdt van mij!’ O, ik moet wel, maar ik kan 't soms bijna niet inhouden: de luide, luide uitjubeling van mijn geluk, - en dan weer ben ik heel stil, roerloos in altijd door zwijgen, in mijn zalig denken verdiept... O, lief, lief, als dit weg-gaat, - als dit weg-gaat van me, dan wil ik niet meer leven! En daarom, o, lief, - denk toch niet beter over | |
[pagina 48]
| |
me dan ik ben... O, ik wil me los-worstelen van al het laag-wereldsche, van alles, alles wat mènschelijk is en niet van de ziel... Maar, o ik ben zoo zwak... o, Willem, Willem, help me toch, geef me toch kracht! Maak me, zooals je wilt dat ik zal zijn, wat je nu nog alleen maar denkt dat ik ben. Want dat kan je; dat kan je, want je bent almachtig, mijn lief, - je kan me vervormen tot wat je wil, - o, maak me zóó, ik smeek je, ik smeek je, maak me zóó, dat je me voor altijd liefhebben kan, zóó, dat ik je voor altijd gelukkig maak! Maak me zóó, dat je voor altijd in me gelooven kan, - dat ik in waarheid ben, wat je zoo graag in me ziet! O, mijn lief! Ik heb je lief, ik heb je zoo innig diep en onuitsprekelijk lief! Jij bent de eenige, de uitsluitend-eenige, dien ik zal toestaan me te kussen, wat ik van niemand anders verdragen zou. Zelfs zal ik mijn armen slaan om je hals en je zoenen zèlf, met al mijn liefde en al mijn teederheid, als je me zegt, dat dàt je gelukkig maakt. O, Willem, mijn lieveling, mijn lief, mijn lief! Jouw Jeanne
Ik denk nu ineens aan iets, wat je me vroeg; de beginregels van de eerste twee verzen zijn: 't Wil vaak gebeuren, dat we in diepe droomen,
en: O, fijne schroming van 't aleerst ontbloeien.
O, lief, schrijf je nu gauw, of je Zaterdag of Maandag komt, en met welken trein? En, lief, dan neem je mijn schrift met verzen mee, om er met me over te spreken, nietwaar? Wil je dat doen, mijn lieveling? Adieu, adieu, mijn lief! je Jeanne | |
[pagina 49]
| |
zorgen, zóó te wezen, dat je lief en vriendelijk en goed voor mij kúnt zijn. En dáar zal ik voor zorgen, dat beloof ik je, lief! Ik zet me voor jou, voor jou alleen open, en je zult er nooit spijt van hebben, wil dat toch gelooven, dat je mij genomen hebt, toen ik je vroeg. Gisteren stuurde ik je geen brief, want toen moest ik voor zaken in Amsterdam zijn. Ik kom morgen (Zaterdag) 1.24 spoortijd, dat is dus veertien minuten over half twee in den Haag. Kom je mij dan halen, zooals je schreef? Dat zal ik heerlijk vinden, maar buitendien ken ik den weg niet in den Haag. Hierbij ontvang je twee verzen, die gisteren kwamen. Dag, lief, ik kus je, innig-dankbaar, dat ik jou heb mogen ontmoeten en blijf voor altijd jouw eigendom Willem | |
[Ongedateerd]O, lieveling, wat ben ik innig-blij en gelukkig met je brief! O, ik vind 't zóó heerlijk, dat je komt! Natuurlijk zal ik aan den trein zijn; ik hoop, dat je dezen nog tijdig ontvangt. Mijn lieve Moeder is ongesteld, en moet je dus boven ontvangen, maar dat kan jou toch zeker niet schelen, wel? Tot morgen, lieveling, tot morgen! O, verlang je zoo naar mij, als ik naar jou? Ik kus je voor je verzen!
Je Jeanne | |
[pagina 50]
| |
Jacqueline Reyneke van Stuwe in De Haagsche Vrouwenkroniek,
|
|