Liefdesbrieven
(1927)–Willem Kloos, Jeanne Reyneke van Stuwe–
[pagina 523]
| |
Vijfde periode | |
[pagina 525]
| |
Vijfde periode
| |
[pagina 526]
| |
overtuiging moest komen, dat ik geheel eenzaam stond op de aard. Ik was daarom niet de andere menschen gaan haten, ik apprecieerde wel alles, wat ik moois en goeds en aardigs zag, maar het bleef toch altijd een eenigszins koele, mijzelf als het middelpunt aanziende appreciatie, waar mijn diepste ziel buiten bleef. Maar nu ik jou heb leeren kennen, hoe is dat alles nu langzaam-aan veranderd! Ik spreek, zooals het is, hier van langzaam-aan. Want dat moet jou een bewijs zijn, dat ik hier niet praat over een oppervlakkige emotie van me, maar over een diep-gaand en mijn heele Zijn overheerschend gevoel. En ik vraag maar één ding van je: geloof me, o, geloof me, o, eenig Lief! Ik ben niet, wat men noemt, een opgewonden standje, en weet dus precies, wat ik zeg. Ik heb je lief, ik heb je lief, ik heb je zonder terughouding en zonder einde lief! Hoor je 't, Jean? hoor je 't, zonder-vergelijking-Eenige, die heerscht over mijn Heden, en heerschen zal over mijn Toekomst, en wier Zijn door mijn heele leven zich breidend, mij zalig zal maken door haar alles absorbeerenden gloed! Twijfel nooit aan mij, want ik behoor geheel aan jou en geen druppel van mijn bloed, geen gedachte van mijn ziel, waar jij niet absoluut over beschikken mag. Het is bij half één, en ik eindig nu maar. Ik hoop zoo, dat je opgeruimd bent thuis-gekomen en prettig bent gaan slapen, wetend en voelend en begrijpend en innig-geloovend, dat ik jou liefheb, zonder mogelijkheid op vermindering, eindeloos-door. Met eerbiedige vastheid en grenzelooze teederheid kust jou innig
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, Liefste! O, wat een onuitsprekelijk-heerlijke brief was dat, dien je zoo vreeselijk lief en goed ben geweest, om gisteravond nog te schrijven. O, Lief, wat je daarin zegt, dat heeft me zoo diep verrukt, dat heeft me zoo nameloos blij gemaakt. Je had niets anders kunnen schrijven, wat me grooter, inniger, blijvender vreugde kon geven. O, Willem, Lief, begrijp je niet, dat 't juist dàt was, wat ik zoo smachtte te hooren, dat dat-àlleen me de bevrijding, de verlossing kan geven van de ellende, die ik me veroorzaak door mijn eigen gedenk? O, Lief, ik ben je zoo eindeloos dankbaar, dat je 't hebt gezegd, want 't heeft me, o, zoo zalig-gelukkig gemaakt. Liefste, toe, | |
[pagina 527]
| |
zeg niet, dat ik nu kinderachtig-overdreven ben, - je kent 't niet, 't diepe, felle verdriet, dat mijn gedachten me geven, en daardoor dus óók niet de groote, oneindig-heerlijke verluchting, die ik ondervind, nu ik ze niet langer hoef te hebben. O, Lief, weet je, wat ik zoo verrukkelijk vind, in mezelf te merken? Dat de inwerking van jouw woorden op mijn geest zoo sterk en zoo machtig is. O, Lief, wat een namelooze droefheid zou dat zijn, als ik moest zien, dat jouw woorden me niet hielpen, als ik blijven moest in de vaste omspanning van mijn zelf-gemaakte smart. O, dáárdoor voel ik zoo àl de zaligheid van de bevrijding daaruit, - o, Lief, begrijp je dat? O, jij bent mijn Redder, die me levenswil geeft en lust en moed, aan wiens kalme kracht ik me vastklampen kan, als ik in mijn eigen gedachten te verzinken dreig. Ja, Lief, ja, ik praat maar aldoor weer over mezelf, maar dit is juist het groote bewijs van mijn liefde, - dat ik, die mijzelf heb opgevoed, die altijd voor mezelf-alleen heb geleefd, die nóóit aan eenig mensch ter wereld de minste macht over mijn zielsbestaan heb toegekend, het zoo zalig vind, me aan jouw beheersching over te geven. Liefste, toe, antwoord hier nu niet op, dat je niet over me heerschen wilt, want het is niet om te zeggen, hoe groot dat veilige, vertrouwensvolle gevoel in me is, omdat ik je macht gewaar word. 't Is of ik nu niet meer alleen de verantwoordelijkheid draag van mijn bestaan, of alles in me en om me lichter wordt, - en dat komt door jóu, Lief! Ik heb je lief, - wat ik voor je voel, dat is hetgevoel-van-mijn-leven, dat mèt mij bestaat en sterft. Ik heb je lief, - ik weet het, - omdat elk van je woorden mij een weelde is, en een evangelie, waar ik onvoorwaardelijk in geloof. Ja, ik geloof in je, Lief, en vertrouw, dat dit de waarheid is, want dit geloof zal blijven. Het zal zich al meer en meer door mijn denken verspreiden, totdat het één is geworden met zelfs mijn geringste gedachte, totdat het onwankelbaar-vast in me staat. Vertrouw je, dat deze woorden, in waarachtige overtuiging gezegd, de waarheid zijn, Lief? Nietwaar, Liefste, jij zal ook nooit meer aan mij twijfelen, is 't wel? Je weet nu, dat ik van je houd, onveranderlijk, onverminderbaar, totdat de dood mijn leven beëindigen zal. O, ik wou, dat je 't kon zien, mijn mooi, mijn machtig gevoel voor jou, - ik houd zoo van je, ik heb je zoo lief! Met innige, teedere zoenen jouw eigen Jean | |
[pagina 528]
| |
O, dit wou ik je nog zeggen, - hoe prettig, dat je je ring dadelijk vond, - maar 't kon ook wel haast niet anders, hè, Lief? Omdat je hem alleen in de haast vergeten had na je wasschen weer aan te doen. | |
[Ongedateerd]O, Lief, wat was 't heerlijk, gisteren; ik vind 't verrukkelijk je weer eens gesproken te hebben. Je weet niet, hoe onuitsprekelijk ik daar dikwijls naar verlang, je wéét niet, hoeveel goed me je woorden doen! Of ja, je weet 't eigenlijk wel, je merkt 't wel, omdat ik, nadat je met me hebt gepraat, dadelijk zooveel kalmer, zooveel inwendig-geruster ben. En ik vind 't goddelijk jouw invloed op mij te ondergaan, en te weten, dat jij de macht hebt om me beter te maken, om me te bevrijden van alle, voor jou en mij onaangename dingen, die ik me in den loop der tijden heb aangewend. Vroeger dacht ik maar alleen aan alles wat mezelf betrof. En omdat ik aanleg tot schrijven had, kwam ik er vanzelf toe, alles voor mezelf te formuleeren en te analyseeren. Als je me heelemaal aan mezelf onttrokken hebt, dan zal je een weldaad aan me hebben gedaan! Het voortdurend denken is het, wat me belet, durend gelukkig te zijn, maar de machtige aandrang daartoe is veel sterker dan de zwakke krachtjes, waarmee ik tegen-worstelen kan. Ik kàn mezelf niet alleen overwinnen, ik kan niet. Ik denk, dat het 't, ieder-aangeboren-egoïsme is, dat bij mij door zelfkweeking zoo sterk is geworden. Maar, Willem, even goed als 't langzamerhand erger werd, kan 't ook langzamerhand beter worden, niet? Als jij me maar helpen wilt, maar, o, Lief, dat wil je, nietwaar? Ineens denk ik ergens aan, dat ik gisteren vergat je te vragen over mien boek. Ik denk wel niet, dat je 't zal doen, maar toe, wil je 't niet hier en daar doorbladeren vóór je begint te lezen, want, heusch, dan zou je zulke verkeerde indrukken kunnen krijgen. O, ik had zoo'n aardige reis gisteravond, Willem. Die dame, die je misschien zag zitten, was een alleraardigste oude Engelsche. Ze begon met me iets van aankomst te vragen, en bleef toen zóó gezellig en vriendelijk met me doorpraten, dat de tijd gauw voorbij was. Ik nam een rijtuig naar huis. En ik heb niet vergeten, je hartelijke groeten te doen, Lief! O, Lief, was je niet moe, toen je gisteravond thuis kwam, na dien drukken dag? Iedereen was heel aardig | |
[pagina 529]
| |
en hartelijk, vond je niet? En alles is heel aardig gegaan; 't was echt een prettige dag. Dag, lieve, lieve Lief!
met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 530]
| |
in geen vijftien jaar gezien, toen ik haar een half jaar geleden plotseling weer ontmoette bij Mevr. Versluys. Maar zij is in die 15 jaar wel 20 jaar opgejongd (zij is nu zoowat 50) en open en klaar keek ze de wereld in, met een blozenden oogopslag en een krullend gebaar van harmonische wilskracht in haar stem, terwijl ze er vroeger uitzag als een vaal-grauwe West-Indische, met een grijs-gele scherpte in ieder woord. O, Jean, ik ben zoo verschrikkelijk nieuwsgierig naar wat je eigenlijk schrijven zal. Ik heb zoo de hoop, dat je niet al te veel teleurgesteld in me bent. Het doet me zoo'n diep genoegen te merken, dat ik door mijn gevoelde woorden wel eens iets aan je stemmingen zal kunnen veranderen, en je gelukkiger maken, dan je je nú nog voelt. Geloof me, Lief! alles komt terecht. Ik zit natuurlijk in Hartstocht te lezen, maar ik zal er je niet over schrijven, zooals ik beloofd heb, voordat ik het uit heb, denkelijk in de volgende week. Dit alleen: ik ben nu op blz. 90 van 't eerste deel, en aldoor terwijl ik lees, hoor ik niets anders in me dan: ‘Jean, Jean’, met een onbedwingbare behoefte, om naar je toe te komen. Ik begrijp waarachtig niet, dat jij mij hebt genomen, mij den eentonigsten en droogsten, koerenden houtdoffer, die op God's aardbodem leeft. Ik ben zoo suf-onnoozel als een vogeltje, dat pas uit zijn ei gekropen is, zoo sentimenteel als een eenzaam-klagende kikvorsch in een vijver onder gele avondlucht. Of maken de kikvorschen 's avonds geen geluid? Ik weet het niet, ik weet niets meer, dan dat ik jou liefheb, dat ik niet meet zónder jou zou kunnen leven, want jij bént het leven, dus zonder jou is er niets. God, - vierentwintig uur geleden zag ik je nog, liep je naast me. O, die avondbrief van jou! Wat zal die me brengen? Apropos, ik vond in een zak van een vest van me, dat ik in lang niet had aangehad, een sleuteltje in een stukje papier. Dat kan toch geen sleuteltje zijn, dat jij mij eens hebt gegeven te bewaren? Deze moet nu weg: 't is over zevenen.
Met teedere liefde
jouw eigen Willem | |
[pagina 531]
| |
[Ongedateerd]O, Lief, wat was dat verrukkelijk, dat er vanmorgen een brief van je was! Ik had er eigenlijk niet op durven hopen, omdat je van mij nog niets had gehoord, maar daarom was 't juist zoo heerlijk, o, heerlijk! Lieve Lief, je brieven! O, die geven me altijd zoo'n opgeruimdheid, zoo'n inwendig vroolijk gevoel; een morgen-brief, liefste, geeft me direct zoo'n grooten werklust voor den héélen dag. Vind je dat grappig? maar je kan 't toch zeker wel begrijpen, hé? Heusch, er komt dan zoo'n heerlijke ijver in me, om opgewekt aan den gang te gaan, en ik zeg je, Lief, dat in zoo'n stemming, alles me zoo prettig-goed en vlug gelukt. Nu zie je eens, Lief, welk een blijvende waarde je brieven hebben, behalve nog het heerlijke genot, dat ik, ze lezende, krijg. O, Lief, het was zóó heerlijk, dat ik je dien dag heb kunnen zien en spreken. Weet je, wat 't is? Als ik je een tijdlang niet zie, dan ontstaan er allerlei dingen in me, die, - ik merk het, - door jouw gesproken woorden weg-gaan, en zoolang de nawerking blijft, ook niet meer terug-komen. Daarom, Lief, weet ik het zoo vast en zeker, dat, als je eenmaal hier woont in den Haag, al mijn stemmingen een verbetering, een vervroolijking zullen ondergaan, dat zelfs mijn denk-inrichting, - zoo zal ik 't maar noemen, - veranderen zal. Geloof jij dat óók niet, Lief! Wil ik je nu eens iets zeggen, Liefste? Iets dat je zelf inwendig heel goed weet, maar dat ik toch verrukkelijk vind, je nog eens te zeggen: Willem, jij bent de eenige, de absoluut-eenige, dien iemand met mijn natuur, mijn karakter, mijn temperament liefhebben kan. Jij bent de eenige mensch, die me voelend begrijpt, tegen wien ik me uitspreken wil en kan, aan wien ik mijn intiemste zieleleven openbaren mag. Met elken anderen man, wie het ook ware, zou ik, dat weet ik vast, te gronde gaan, want heel mijn diep-innerlijk bestaan, dat zoo teen en gevoelig is, zou door den omgang met een ander man dan jij, worden vergroft en verbanaliseerd en ten slotte vernield. En zoo ik dat al verdroeg en leven bleef, wat ik niet zou kúnnen, - dan zou het toch maar een schijn-leven zijn, want inwendig was ik verstard, gevoelloos, dood. Jij bent de eenige, Willem, die, omdat je bent zooals je bent, me in mijn geheel laat blijven, die me zelfs krachtiger, mooier, vaster en flinker maakt. Nietwaar, Liefste, je wist dit alles wel? maar je vind 't toch niet onprettig, dat ik 't je nog eens geschreven heb, hè? Ik zal een briefje schrijven aan Mevr. C. en haar uit ons beider | |
[pagina 532]
| |
naam bedanken voor haar lieve ontvangst, omdat we er geen digestie-visite kunnen gaan maken. Neen, dat sleuteltje kan niet van mij zijn, Lief!
Met een innigen zoen,
jouw eigen Jean. | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 533]
| |
thuis. De toon van spreken en de gebaren, de oogopslag en alles van de menschen verwarmde me telkens met een innerlijke sympathie, een geheimzinnig, niet te definieeren meevoelen, waar ik mij geen rekenschap van geven kon. De eenvoudigste dingen, - een vraag, hoe laat het was, deed mij trillen van een vage, maar toch duidelijk gevoelde aandoening, en als ik zoo zat in een Duitsch restaurant bijv., dan rilde ik plotseling als ik terug-dacht aan ons koud-nuchtere, zoo vaak in-banale en ongevoelige Holland. ‘Gemoedelijkheid’ is den Hollanders vrijwel iets vreemds. Maar de menschen dáár met hun gewoonste gezegden deden mij aangenaam en weldoend aan. Zij maakten op mij den indruk ven gevoelige en verstandige lieden. Als ik in den Haag woon, dan zullen we 't er nog wel eens verder over hebben als je wilt. Toch zouden de Duitschers me op den duur weer te zwaar zijn, te eentonig, en te weinig licht-gracieus. Dat heb ik wèl bij de Franschen gevonden, maar die zijn soms weer te hol en te leeg. Al die dingen van het volkskarakter vind je terug in de literatuur. Vondel is soms magnifiek, als je maar door het droge, uiterlijke waas weet heen te dringen, dat zelfs over de mooiste passages ligt en ze eenigszins voor onze ziel benevelt. Maar Vondel was ook eigenlijk zooals je weet van origine geen Hollander. Ja, Lief, de dag was heerlijk, omdat ik met jou was!
Geloof aan de eeuwige en onveranderlijke liefde van jouw Willem-voor-jou-alleen
Ik moet je toch wat schrijven over je roman. Ik ben nu gekomen tot blz. 374 2e deel. Jeanne, jij bent de eerste vrouw in mijn leven, waar ik geestelijk respect voor heb als mensch. Ik hoef jou niet te zetten in een lief hokje ‘'t vrouwelijke’, om je te kunnen apprecieeren en bewonderen. Want hoewel je niet in 't minst ónvrouwelijk wordt, ga je toch veel verder dan een vrouw in haar publieke uitingen gewoonlijk gaat. De meeste vrouwen, die zoo vèr gaan, worden gedistingeerd-diabolisch en infernaal, en daardoor wel een oogenblik vreemd-charmeerend, maar mij au fond zeer antipathiek. Maar jouw boek is van een fijne gezondheid en jouw temperament is absoluut-normaal, maar het staat alleen op een hooger vlak dan het traditioneele ‘vrouwelijke’. En daarom val ik voor je neer, je aanziend met pure blikken, omdat ik door dit boek nóg meer eerbied voor | |
[pagina 534]
| |
je heb mogen krijgen dan ik al had. Het is ¼ voor 1 en ik ga nu maar naar bed. Jouw eigendom Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, Lief! O, wat heeft je spoed-brief me onbeschrijflijk verrukt, - wat ben ik heerlijk en innig gelukkig nu! O, ik moet er je dadelijk op terug-schrijven, al zijn 't maar een paar woorden, straks schrijf ik toch langer met de post van 10. O, Liefste, wat is het verschrikkelijk lief van je, om me tóch en zóó gauw iets te zeggen over mijn boek, want je vermoedde natuurlijk wel, dat ik brandde van verlangen naar je oordeel er over, - dat ik me in moest houden om er niet aldoor, aldoor over te schrijven. Maar nu weet ik toch al iets, en al komt er nog veel, wat je misschien niet had verwacht, toch ken je nu al het genre van het boek. O, als je dezen ontvangt, heb je 't, wie weet 't, al uit, want je hebt zoo goddelijk vlug gelezen. En daarom zal ik er nu ook maar niets meer van zeggen, alleen, dat ik smacht naar je oordeel, maar, gelukkig weet ik dat nu gauw. O, dat we er niet samen over kunnen spreken, Lief! O, Willem, zeg eens, wás 't nu, zooals je dacht, dat 't zou zijn volgens hetgeen ik je ervan had verteld? Lief, weet je, wat ik geloof van mezelf? Dat ik, behalve de gewone vrouwelijke elementen, ook nog iets mannelijks in me heb. Dit drukt 't toch niet goed uit: ik wil zeggen, dat ik een Ahnung, een intuïtie heb van het mannelijk gevoel. Liefste, zeg eens, in dezen roman gaat alles toch heel gewoon en natuurlijk toe, nietwaar? Als andere vrouwen komen op wat men noemt ‘het mannelijk terrein’, dan gaan ze bijna altijd overdrijven, dan zoeken ze naar ónnatuurlijke, vreemde, vicieuse toestanden, zooals b.v. Rachilde dat doet. En daaruit blijkt dan zoo duidelijk het bedachte van den opzet, het gewilde van den loop van het verhaal. Maar ik zeg je, Lief: dit boek is zoo heel natuurlijk en van zélf ontstaan; alle dingen gebeurden eerst ergens in mijn geest, en dan wist ik ze pas zelf, zoodat ik ze neerschrijven kon. Tot straks, eenige Lief, - ik dank je innig hartelijk voor je zóó spoedig bericht! Met een warmen zoen jouw eigen Jean | |
[pagina 535]
| |
[Ongedateerd]Liefste, o, ik was toch zoo blij met je brief vanmiddag, en 't is zoo heerlijk, dat je er een spoedbestelling van hebt gemaakt. Weet je, wat ik zoo verrukkelijk vind, Lief? Dat je 't voelde, hóe erg ik naar een woord van jou over mijn boek verlangde. Daarom, ik apprecieer 't zoo, dat je er tóch iets van hebt gezegd, en ik dank je daarvoor heel innig, Lief. O, Willem, als je dat zoo nagaat van die journalistische critiek, van dat geschreeuw door en tegen elkaar, van dat vriendjes-opgehemel en dat door-alles-heen-afkeuren om een persoonlijke antipathie, als je dat alles zoo'n beetje koel, als er buiten staand, aankijkt, wat moet je ons kleine Holland dan werkelijk klein gaan vinden, klein-geestig en bekrompen en bevooroordeeld en ingebeeld... geen mime opvattingen, geen zuivere oordeelen; critiek, ja! maar altijd beïnvloed door persoonlijke nietigheden, - alles even gering, min, laag bij den grond. Soms zie je de ergerlijkst onwijze meeningen je voor waarheid opgedrongen, of de bespottelijkst met elkaar in tegenspraak zijnde opinies vlak na elkaar neergeschreven. Nu wat jij zegt over jezelf en de pers: dat is toch wel het grootste bewijs, dat de journalistiek nauwelijks zelf weet, wat zij beweert, en als 't ware als een tol heen-draait om zichzelf, zonder te zien, naar wat er buiten haar gebeurt! 't Werd heusch tijd, dat er wéér eens een brochure kwam over de Onbevoegdheid enz. zeg, Lief, dunkt je dat óók niet? Ik geloof, dat de éénige kans, om een blijvend zuiver oordeel over je werk te krijgen, zou zijn, als ieder auteur een streng incognito bleef handhaven, en telkens een ander pseudo koos. Denk je dat ook niet, Lief? Maar op die manier zou je nooit ‘naam’ kunnen maken! Ach, Willem, ik geloof, dat heel diep in onszelf eigenlijk de absoluut-eenige persoon leeft, die beoordeelen kan, of ons werk ‘goed’ of ‘niet goed’ is geweest. Geloof jij dat eigenlijk ook niet? Je hebt er me wel eens meer over gesproken, dat de Zuid-Duitschers je zoo aangenaam aandeden, in tegenstelling met 't geen men altijd van de Hollanders ondervindt. Ik heb nooit zoo voor mezelf ons volk met andere volken vergeleken, maar je hebt volkomen gelijk! O, ik denk er ineens aan, hoe je nu misschien in mijn boek zit te lezen, waar je waarschijnlijk al heel ver in bent, o, Willem, Willem, hoe zal je 't toch vinden, als je 't heelemaal uit hebben zal! Ik wou, dat ik 't al wist, dat ik er je over kon hóóren. spreken, - o, | |
[pagina 536]
| |
Lief, dat is ook weer een van de verschrikkelijke dingen, veroorzaakt door ons niet in dezelfde stad wonen. Ach, ik zal nu maar geduldig wachten en vertrouwen, dat je me je mogelijke afkeuringen even goed schrijven zal, als je me die zeggen zou. Dag, lieve, liefste Lief! Tot morgen alweer!
Een innigen zoen van
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 537]
| |
wil zijn, zooals ik het ook met háár wil wezen. Voel je mij, Lief? ik geloof het haast wèl. Jij verschilt van de meeste andere vrouwen, - ik heb het je, geloof ik, al meer gezegd, - jij hebt achteraf, door al je meest verschillende stemmingen heen, toch een vaste kern in je ziel, en daarom, o, Lief, heb ik zoo'n respectueuse, diepe sympathie voor jou. En wees hiervan zeker, ik zal je nooit alleen laten staan, overgeleverd aan je eigen verdrietigheid. Kom altijd bij mij, vraag ik je zoo innig, met je inwendigen strijd en je bezwaren en kwellingen, dan zullen wij er kalm maar gevoeld over spreken, en na wat je nu zelf erover hebt gezegd, en wat mij zoo stil-blij maakt, durf ik je te verzekeren, dat dan altijd alles weer in orde zal komen, en je zacht zult gaan lachen met een diepen, gelukkigen blik. O, Liefste, ik heb je onweerstaanbaar-lief, en ik geef mij zoo rustig-zalig aan mijn gevoel-voor-jou over, want ik weet zeker, dat het voor ons beider geluk zal zijn. O, Lief, dat je eindelijk geheel bent gaan gelooven in de kracht en de diepte en de constantheid van mijn gevoel voor jou! 't Is of de lucht om mij henen lichter is geworden, of ik makkelijker ademhaal en me luchtiger beweeg. En ik antwoord je alleen: dat je je niet in mij vergist, dat ik altijd dezelfde voor je zal blijven in voelen en helpen, of als er een verandering mócht komen, dat die verandering dan een versterking zal zijn, als dat tenminste mógelijk is! Want ik heb nooit zoo iets, voor niets en niemand kunnen voelen, als nu voor jou, als altijd voor jou. O, je maakt mij zoo gelukkig, zóó volkomen gelukkig, als ik niet had gedacht, dat in het leven te bereiken was. O, en dat zalige gevoel, dat ik jou óók gelukkig maak! Nu weet ik, waarom ik leef, want dat wist ik vroeger niet. Wil ik je eens wat zeggen, Lief? Ik geloof voortaan in jou, zooals ik in mezelf geloof. O, jouw geloof in mij is zoo goed geplaatst! Want er is geen gedachte, geen gevoel, geen neiging, er is niets in mij, dat tegen je ingaat of op een afstand blijft staan. Alles in mij voel ik harmonisch met jou worden, en hoe langer hoe meer zal dat zoo zijn, hoe meer wij persoonlijk met elkaar omgaan, wat nu toch welhaast gebeuren zal. Lief, dit moet de brief zijn, dien je morgenochtend krijgt: het is nu bij half drie 's middags: ik ga nu eerst weer verder lezen in je boek, waar ik zeer verlangend naar ben, omdat ik het zoo sterk en mooi-gevoelig vind. Tot straks dus! | |
[pagina 538]
| |
Nu ben ik gekomen tot blz. 430 van je boek, je goddelijk boek! Ik begin nu maar weer aan mijn brief. Want anders komt hij niet vóór achten klaar. En ik wou zoo graag, dat je hem met de eerste post kreeg morgen: dan hoef je niet te wachten. Wat zullen die kleine Hollandertjes over je boek aan 't keuvelen gaan! Ik moet er al om lachen, als ik er aan denk, hoe ze, in hun binnenkamers zullen gaan zitten femelen en hun oogen ten hemel slaan. Maar je hoeft er je niets ongerust over te maken, want iets ‘onzedelijks’, wat ze ‘onzedelijk’ noemen, is er absoluut niet in, hoor, Lief! 't Is wel geen boek voor onze jonge-dames-in-'t-algemeen, maar niet om eenigerlei onzedelijkheid, maar alleen omdat ze er niets van zouden begrijpen, 't zou, geloof ik, absoluut over hun lieve, kantjes-plooiende, ringetjes-passende, wandelingetjesbedenkende hoofdjes heen gaan. O, die snoezige Hollandsche meisjes! Ik weet niet precies waarom, maar ik vind het zoo heerlijk, dat je het boek aan mij opgedragen hebt.Ga naar voetnoot1) O, die brief van vanmorgen van je! O, Jean, je hebt mij nog nooit zoo geschreven: ik leef als in een bedwelmende atmosfeer van geluk! Je geeft mij een soort van gevoel, of ik dubbel zooveel kracht heb als vroeger, maar een kracht, die alleen bij jou niet blijft bestaan, of juister-gezegd, die wèl blijft bestaan, maar waarvan jij alleen den aangenamen kant zal merken, omdat zij geheel-en-al voor jou en mèt jou en om jou zal zijn. Maakt je dat nu een beetje gelukkig, Lief, te weten, dat je niet alleen meer staat? O, dat boek van jou! Daar gaan geen troublante, zich telkens uitwisschende lijnen door, maar flink-doorgetrokken en overal te volgen lijnen. O, ik ben dol op je ziel met haar prachtige klaarheid: ik dacht niet, dat zoo iets superbe-vasts en grandioos-geziens in een vrouwenziel mogelijk was! Jean, wil ik je eens heel ernstig iets zeggen? Jij hebt mijn leven in je hand, jij kunt me in 't leven houden, geheel voor jou, zooals ik ook waarachtig geloof, dat je doen wilt, - zoo niet, dan zink ik weg in den eeuwigen nacht, dan is ook alles uit met me, voor goed. Ik voel me ook zoo heerlijk-gelukkig op het oogenblik, omdat ik een beetje door mijn werk heen ben, ik kan me weer laten gaan | |
[pagina 539]
| |
op mijn eigen gedachten en verdere werkplannen. Dit moet je mij beloven. Lief: zoodra je op een plaats in Walden stuit, waar je een beetje mee verlegen mocht zitten, al zijn het een bladzij of wat, wijs ze mij dan aan, dan zal ik wel zien, wat ik ervan terecht kan brengen. Zal je dat doen? Nu, Lief, Liefste en Eenige-voor-altijd, teeder kust je met opperste overgave en heerlijk geloof
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Willem, Liefste, Liefste, o, je zalige brief van vanmorgen! O, Lief, heusch, er is niets, er kán niets zijn, waarmee je mij een grooter, een inniger genoegen geeft dan door er voor te zorgen, dat er 's morgens een brief voor me is. Heusch, Lief, dat maakt mijn héélen dag goed! O, en dan wàt je schrijft, - o, Liefste, begrijp je niet, dat me dat zoo wonder-zalig, zoo heerlijk-trotsch-gelukkig maken moet, - dat jij, jij, Lief, zóó over mijn werk tegen me schrijft? O, Willem, nu, nu je weet, hoe het is, kan je er nu een beetje inkomen, dat ik zoo heel, héél blij ben, het te hebben kunnen schrijven, dat ik het 't ‘werk van mijn leven’ heb genoemd? O, Willem, doordat ik er zoo dikwijls met je over sprak, en door alles, wat ik je er van vertelde, heb je 't natuurlijk wel gemerkt, dat ik zoo ontzettend, zoo onuitsprekelijk veel houd van dit boek. Het is een deel van mijzelf, een deel van mijn leven, - o, Lief, begrijp je, dat ik dit schrijven wóu, móest voor mijn dood, dat ik niet sterven kón, voor ik dit had gedaan? Ik zal er nu maar verder over zwijgen, totdat ik je eind-oordeel weet, waarnaar ik brand van verlangen. Ik vind 't zoo verrukkelijk, dat je telkens zegt, waar je ben; dan sla ik mijn boek weer open en lees met je mee. O, Lief, wat gaf ik er niet voor, om je gezicht te zien, en even te hóóren, hoe je 't vond! Lief, je vindt 't toch zeker wel verklaarbaar, dat ik zoo aldoor over dit mijzelf-betreffende spreek? Ik kán 't niet laten! O, Liefste, 't maakt me zoo gelukkig, als je zegt, dat jij gelukkig wordt door mij, want ik voel heel best, dat ik nog lang niet ben, wat ik graag voor je wezen zou! Later, als je me heelemaal van mezelf hebt los-gemaakt, als je me volkomen van mijn erge zelfzucht hebt bevrijd, dàn zal ik misschien voor mijzelf de overtuiging durven hebben, dat ik iets beteeken in jouw lot. Maar... | |
[pagina 540]
| |
ik vind 't natuurlijk goddelijk, als ik 't je nú al hoor zeggen, Lief! Dag, lieve, lieve, lieve Lief!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ik kan je niet zeggen, hoe onbeschrijflijk ik verlang naar je brief van morgen. Want daarin (als je Zaterdagmiddag al op blz. 430 was) zal misschien je eind-oordeel staan over mijn boek. Deze heele dag is eigenlijk maar een wacht-dag geweest, een aldoor verlangen naar morgen. Je weet 't wel, Lief, dat jouw meening me alles waard is, èn dat ik van dit eigen werk zoo zielsveel houd, - je zal me dus wel niet overdreven of aanstellerig vinden, als ik er telkens en telkens weer over begin. O, het is vreeselijk, vreeselijk, dat ik er nu heelemaal niet met je over spreken kan, dat alles maar weer moet gaan door middel van brievengeschrijf. Je kan niet begrijpen welk een kwelling 't voor me is, als ik je na elkaar wel duizend vragen wou doen, en nóg meer vragen, door je antwoorden uitgelokt, - en ik moet er dan twee of drie uitkiezen, waarop ik dan, op zijn vroegst, na een dag antwoord van je kan krijgen. O, Lief, bijna zou ik zoo egoïst zijn, om spijt te hebben, dat ik niet tot October heb gewacht met je mijn boek te geven, maar ik zal in 's hemelsnaam maar weer geduld hebben, al kan ik 't bijna niet uithouden. O, Lief! ik en geduld!
Liefste, wat heb je me toch in dien brief van vanmorgen verrukkend-heerlijke dingen geschreven. Ik vind 't zoo oneindig-zalig, als je zóó over me spreekt. Maar o, Lief, je zegt, dat ik jouw leven in mijn hand heb, - o, jij, jij, Lief, beschikt volkomen over het mijne. Want, luister, Lief, jij bent een man; jouw krachten zijn door je smart niet vernield, integendeel gestaald, jij hebt alles doorstaan, jij hebt alles gedragen, jij bent de meester gebleven. Maar ik. Lief, ach, ik, wat kan ik zonder jou? Ben ik niet hopeloos-zwak en week, als jij me niet helpt, - hoe zou ik een werkelijk leed kunnen lijden, ik, die mijn niet-bestaande smarten niet eens weerstand bieden kan? Liefste, ik leef door jou, jij doet me leven, jij bent mijn leven, Lief! 't Maakt me zoo stil-intiem-gelukkig en blij, dat je nu gelooft in me, Lief, en in me zal blijven gelooven. Want al is mijn liefde, door | |
[pagina 541]
| |
mijn geaardheid-van-vrouw misschien niet geheel gelijk aan de jouwe, zij is toch niet minder, Lief, in innigheid, in vastheid, in zaligdiep vertrouwen. Ik vertrouw je opperst-volkomen, en daarom heb ik je opperst-volkomen lief. Ik vertrouw je, - ik heb je lief!
Met teedere zoenen zoent je
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 542]
| |
zullen elkander helpen, Lief, maar ik jou in de allereerste plaats. O, Lief, ik verzeker je, je zult niet, want je moogt niet ‘verstarren’: daar ben je veel te kostbaar en bijzonder voor: en ik zal je altijd alles geven wat in mij is, aan gevoel en inzicht, om er mee te doen wat je wil, voor je eigen nut. O, Jean, Lief! wat is je roman toch zedelijk! Als dát onzedelijk is, dan is de eerzame lantaarnopsteker de alleronzedelijkste man ter wereld, omdat hij, zonder te waarschuwen, plotseling het licht doet ontvlammen boven vrijende paartjes in een eenzame straat. O, Jean, ik ben zoo verschrikkelijk gelukkig, dat ik niet meer alleen zal staan! Maakt dat jou ook een beetje gelukkig? 't Is eigenlijk sentimenteel, dat ik dit vraag, want je zegt in je brief al ‘ja’ daarop uit jezelf, en nu vraag ik het toch nog weer! Jean, mijn postpapier is vanavond juist op, morgenochtend haal ik weer wat, maar ik wou je toch even nog wat vragen, en daarom gebruik ik nu maar dit halve velletje, wat ik nog vond. Wat ik je vragen wou, is dit: Lief, als jij nu aan Walden bezig bent, kan ik je dan misschien wat helpen met de correctie van je nieuwen dichtbundel? Corrigeeren doe ik al veertien jaar doorloopend, door de N.G. en mijn boeken, en ik ben er zeer accuraat op. Als je 't Veenstra dan eens vroeg, om de proeven aan mij te sturen? Dan stuur ik ze aan jou, en kan jij ze nog eens nazien, eer je ze aan V. retourneert. Vind je dat misschien goed? Nu, Lief, voor het naar bed gaan, ga ik nog even wat in je roman lezen. Morgen schrijf ik je dan verder, dus dan krijg je Maandagochtend met de eerste post een langen brief. Goeden nacht, zeg ik dus, ofschoon, als je dezen leest, is het 's morgens vroeg. Ik ben nu op blz. 542. Om je de waarheid te zeggen, Jean, ik ben door je boek een beetje ‘overdonderd’. Ik zal er nu maar niet verder over schrijven, en door mijn slapen zal het wel wat bezinken.
Zondagmorgen
Vanochtend, toen ik wakker werd, heb ik in bed je boek verder uitgelezen. O, Lief, - zonder omwegen, - wat is dat kranig! Ik geloof, dat jij de eenige vrouw bent, die een goeden roman kan schrijven in ons land. Jij geeft geen conventies, of boeken-menschen, jij geeft levende, echte wezens. Maar toch vergis je je heusch, als je denkt, dat die Felix het type is van den beschaafden man. Alle behoorlijke mannen, geloof ik, zouden een beetje weg-werpend over | |
[pagina 543]
| |
hem glimlachen, of bedaard de schouders over hem ophalen. Hij is een echte, onbeduidende zwakkeling, lichamelijk zoowel als geestelijk. En met dien laatsten zoen aan Virginie, daar is hij niet eens een man meer, maar een zinneloos-zinnelijk dier. Ja, Lief, ik gebruik sterke expressies, beschouw het als een bewijs, welke sterke impressies ik door je boek heb gekregen!
In liefde
jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief! Zie je nu wel, hoe verschrikkelijk 't is, dat wij in 't geheel niet over mijn boek kunnen praten, maar dat alles schrijvende moet gaan? Daar was vanmorgen je brief, waar ik zóó naar had verlangd, en toen ik hem haastig open maakte, en las, wat er zoo hard en koel neergeschreven stond, toen stroomden zóó maar me de tranen uit de oogen. Je zegt even, terloops: ‘O, Lief, zonder omwegen, - wat is dat kranig!’ en verder is 't niets dan Felix. En hoe spreek je over hem! Ja, je zal zeggen: wie zoo'n boek schrijft, moet ook maar kunnen verdragen, dat er zóó over gesproken wordt. En dat kan ik ook, ik zeg je, dat kán ik ook verdragen, wanneer een vreemde het doet. Want dan zou ik even mijn schouders ophalen, en zeggen: ‘Ik kan niet helpen, dat die jongen zoo was, hij wàs zoo.’ En is 't eigenlijk niet alleen maar de vraag, of ik hem goed heb beschreven en volgehouden? Ook zeg je: ‘Maar toch vergis je je heusch, als je denkt, dat die Felix het type is van den beschaafden man.’ Maar, Lief, het is heusch niet mijn bedoeling geweest, om hem als het ‘type’ van het een of ander voor te stellen; hij deed zich zóó voor aan mijn geest, en zóó beeldde ik hem na. B.v. Eline Vere of ‘Een Zwakke, die toch ook niet iedereen zijn, zijn toch niet de ‘typen,’ de een van het meisje uit den hoogen, de ander van den jongen man uit den halven stand? Maar eigenlijk, - hoe kom ik er toe, om te huilen, terwijl ik inwendig juichen moest van voldoening, dat ik Felix zóó goed heb geschetst? Want weet je niet. Lief, dat de zoogenaamde ‘lievelingskinderen der dames’ door mannen áltijd worden veracht, en zelfs met een heel leelijk woord aangeduid, dat ik maar niet noemen zal, omdat je het, denk ik, wel kent. Maar wáárom ik zoo'n verdriet heb, is, dat Felix, toen je me schreef, het boek-zelf voor je was, zoodat ik niet veel anders te hooren kreeg, dan strenge, harde | |
[pagina 544]
| |
afkeuring van hem. Maar dit besef maakt me toch heel blij: dat ik, doordat je ook eens iets afkeurt, vast en zeker vertrouwen kan, dat de lof, dien je me soms geeft, even eerlijk is en dus oprecht-gemeend. Maar, Lief, zeg me nu eens, heb ik nu eigenlijk geen gelijk, dat ik aarzelde, je het boek te geven, nu ik er niet met je over spreken kan? Want alles, wat me nu zoo hevig getroffen heeft, zou je dan natuurlijk óók wel hebben gezegd, maar nu en dan misschien eens een vriendelijk-verzachtend woord er tusschen, - nu hoor ik zelfs den klank niet van je stem. - Lief! ik kán 't niet helpen, dat ik 't zoo diep liefheb, dit werk-van-mijn-ziel; ik moest, ik moest 't maken, - ik heb mezelf vóórt laten leven, om het te kunnen doen. Ach, als ik daarna eens werkelijk gestorven was, dan zou je eens gehoord hebben, hoe Nederland over me sprak! Als ik ouder ben, Lief! dan zal ik natuurlijk niet meer zoo onbehoorlijk ingenomen zijn met een werk van mijzelf, maar nu is 't heusch geen wonder: dit is voor mijzelf het eerste, het eigenlijk eenig-goede, dat ik ooit heb voortgebracht, omdat het door niets an er is ontstaan dan door mijn eigen waarneming, mijn eigen uitbeeldingsvermogen, mijn eigen kracht. Ziezoo, nu ben ik gelukkig weer uitgeklaagd, en voel me een beetje verluchtigd daardoor. Ik geloof eigenlijk, Lief, dat je er te veel van had gezegd, voordat je 't uitgelezen had, want, dat je het ‘superbe-vast’ en ‘grandioos-gezien’ noemde, en zei, dat je door dit boek dieper eerbied voor me had gekregen, dan je had, - dáárdoor was ik, denk ik, heelemaal niet voorbereid op wat je nú geschreven hebt. Maar ik zal er nu maar niet verder over schrijven, en wachten, wachten, tot wij weer eens samen zijn, om er dan met je over te praten. Aileen dit: Houd je nu nog even veel van me, Lief, ondanks dit boek? Nu ben ik sentimenteel, maar ik wou toch zoo heel graag, dat je me hier antwoord op gaf!
Je vraagt me, Liefste, of ik gelukkig ben in 't besef, dat ik niet meer alleen zal staan, - o, Lief, als je voelen, als je weten kon, hoe dat bewustzijn me opheft uit mezelf, - hoe een kracht en rust het me geeft! Lief, je wéét 't niet, hoe noodig ik je heb, - hoe ik zonder jou niets kan denken, niets kan doen! Jouw bestaan is de levensnoodzakelijkheid voor het mijne, - jouw leven is de oorzaak, dat het mijne voortduren blijft. - Lief, Lief! houd je van me? heb je me werkelijk, werkelijk, werkelijk lief? O, zeg dan maar, laat iedereen dan maar zeggen, dat ik niets waard ben voor de literatuur, niets, niets, - want | |
[pagina 545]
| |
nu wil mijn ziel niet meer alleen vervuld zijn van ‘literatuur’, maar van liefde. Ik verwerp mijn vroeger bestaan, mijn zelfzuchtig leven, mijn werk, - ik wil nu leven voor jou, voor jou-alleen. Maar o, help me dan, Lief, help me dan, - en zeg me, dat je van me houdt! Ik smeek je, ik smeek je, Lief, wees niet zoo vreeselijk-hard, om hierop te zeggen, dat deze uiting een stemming is, - zooals je eens hebt gezegd, dat mijn liefde-uitingen waren, - want juist al het andere, al het onaangename, onaardige, onlieve, dat zijn stemmingen, die niet duren, maar verdwijnen kunnen en zullen, - dat zijn de afwijkingen van mijn gevoel. O, Lief, maar dat weet je nu toch wel, nietwaar? Ik eindig nu, en kus je even zacht op je wang, en leun mijn hoofd tegen je schouder, dan voel ik al wat me verdriet doet vergaan. Dag, Lief! jouw eigen Jean
O, Lief, wat je schrijft over de proeven van mijn dichtbundel, - ja, om je de waarheid te zeggen: dolgraag! Want ik houd absoluut geen tijd over. Ik vind 't vreeselijk lief, dat je 't me aanbiedt, en neem 't heel dankbaar aan, als 't je tenminste geen verhindering in je eigen werkzaamheden geeft. Maar ik weet niet, wanneer Veenstra er aan beginnen zal, omdat hij van plan is Walden dadelijk uit te geven. Lief, ik moet toch nog even wat zeggen. Die fel-verachtelijke qualificatie van Felix, dat hij geen mensch is, maar een, (je zal nog wel weten, wat je geschreven hebt) omdat hij dien laatsten kus geeft aan Virginie, - wordt die uitdrukking van jou wel gerechtvaardigd door deze daad? Wist hij dan toen nog wat hij deed, was dat dan toen nog een zoen-uit-begeerte? Hij had het kind ook wel ongetroost kunnen laten sterven, maar een instinctmatige zucht, om goed te maken, wat hij onbewust had misdaan, dreef hem daartoe. Ja, Lief, ik moest 't me niet zoo erg aantrekken, maar ik kan 't niet helpen, dat 't me zoo verschrikkelijk hindert. Maar nu zal ik er heusch niet meer over zeggen, ik zal misschien nog wel andere dingen moeten hooren. Maar, je begrijpt, Lief! van vréémden gaat het langs me heen! Arthur van Schendel heeft een prettigen indruk op me gemaakt; ik geloof, dat hij ontwikkeld, beschaafd en aangenaam-in-den-omgang is, en wat men noemt een bedaard-degelijke jongen. Dag, Lief! jouw Jean | |
[pagina 546]
| |
Bussum, ParkzichtZiezoo, die Zondag is al weer, gelukkig! om! O, dat is zoo vervelend, als er 's avonds geen post komt, en ik dus geen brief van je krijg. Ik heb gisteren en vandaag de eerste vier vellen in proef gekregen van het tweede deel van mijn Verzen, dat begint met een herdruk van mijn Nieuwe Verzen. Versluys wou dat liever zoo, - ik weet niet, of ik het je verteld heb, - want dan staan al mijn verzen in twee gelijke deelen; het eerste is dan de Verzen. Het tweede, nu in aantocht zijnde deel heet dan óok Verzen, en op het titelblad in het midden staat Tweede Deel. Zooals je weet is er van het eerste deel ook een pracht-editie verschenen. Je roman zal, denk ik, wel erg de aandacht trekken. Ik hoop, dat je 't mij niet kwalijk hebt genomen, dat ik zoo over je Felix opspeelde. Het moet je veeleer een bewijs zij n, dat je hem goed gegeven hebt, daar ik een indruk van hem heb gekregen, dien ik zoo kras-weg uiten kon. Had je hem minder goed gedaan, dan was ik er als vanzelf meer over heen gegleden natuurlijk. Je zegt me 't zoo te apprecieeren, dat ik je dadelijk schreef over je boek. Maar dat ik het dadelijk deed, was toch heusch niet alleen een lieve vriendelijkheid van me. Je boek heeft mij verschrikkelijk ‘gepakt,’ en zoo ben ik er spontaan toe gekomen, om je onmiddellijk te schrijven, wat ik er van vond. Ik ging, heelemaal onder den indruk ervan, naar bed gisteravond, en ik was er zelfs een klein tikje weemoedig door. Want ik dacht zoo bij mij zelf: ‘Wat kan Jeanne eigenlijk voor bijzonders aan je vinden, als zij, zoo jong nog, dát al kan? Jijzelf bent veel meer een abstracte natuur.’ Maar weet nu wèl, Lief! Ik zeg dit niet, om iets van je uit te lokken, iets aardigs en aangenaams voor mij. Ik zeg het alleen maar, om je te toonen hoe 'n waarachtigen indruk je boek op mij heeft gemaakt. Mijn Nieuwe Verzen, waarover ik zooeven sprak, en die nu het begin van mijn Tweede Deel zullen vormen, daar ben ik bezig een heele boel aan te veranderen, en eenige laat ik weg. Misschien interesseert het je een beetje, en daarom zal ik bier een paar wijzigingen opgeven. In N.V.I staat: Dat is de onwendbre macht Gods zelfs, die deerlijk...
Neen, Die niet - Die niet, want dat die is niets.
| |
[pagina 547]
| |
Dit wordt: Dat is de onwendbre macht Gods Zelfs, die teerlijk,
Versteent mijn smarten-storm tot erts des Lieds.
In II worden 2 halve en 3 heele regels totaal veranderd, etc. etc. En 3, 4, 6, 9, 10, 12, 13, 16 vallen weg. Want dat waren meer brouillons van gedichten nog, dan de gedichten, die ze moesten worden zelf. Ook in vele andere worden heele regels totaal veranderd. Ik heb ook nog een aantal onuitgegeven gedichten, maar ik aarzel nog, of ik ze nu in zal voegen. Als ik in den Haag was al, of jij hier, dan konden we er samen over spreken, maar met correspondentie gaat dat zoo lastig. Lief, 't is nu kwart over éénen 's nachts, en ik eindig dus maar. Morgenochtend schrijf ik natuurlijk weer.
Geheel-en-al jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 548]
| |
opeens je uitdrukking veel beter. Want er is niet zoo heel veel aan mij, om met bewustheid van te houden. Schitterend ben ik in geen enkel opzicht, en als men zich dus niet door een geheimzinnige macht, die men zelf niet begrijpt, tot mij aangetrokken voelt, dan kan men mij wel liefhebben, maar dan blijft toch die liefde meer een erg-hartelijk-gemeende appreciatie, dan liefde-eigenlijk-gezegd. Nu moet je niet denken, Lief, dat die ontdekking mij heelemaal terneer slaat. Want, och, wat nu niet is, dat kan misschien altijd nog worden in de toekomst. O, Lief, ik vind het zoo heerlijk, je te hooren zeggen, dat je mij vertrouwt. Want ik zweer je: al mijn mooie en goede gedachten, de heele macht van mijn zelfvergeten, iedere trilling van mijn zenuwen, alles is uitsluitend en alleen van jou. Mijn gevoel en mijn intellect zijn jouw eigendom; want jij hebt voor mij zooveel sympathie over als ik niet had gedacht, dat mogelijk was, tegenover iemand als ik, die door niets bijzonders uitmunt, en die slechts wat wilskracht en zuiver gevoel en begripsvermogen heeft. Ziezoo, nu ik dit alles er uit heb gekregen, nu is mijn kleine triestheid van vanmorgen ook weg. Ik voel, dat ik je inwendig zóó hartstochtelijk liefheb en je hoe langer hoe meer nog lief zal krijgen. Want je bent, in je Zielszijn, niet enkel een vrouw, maar nog veel meer een volledig mensch. En daarom houd ik zoo diep van je, en weet ik, dat mijn gevoel-voor-jou, mijn heele leven door, even krachtig zal blijven, ja, zelfs krachtiger zal worden, hoe meer ik je leer kennen, wat nú welhaast, goddank! door geregelden omgang mogelijk zal zijn. Ik zit aldoor aan je te denken in zachtjes-mijmerend half-bewustzijn: maar ik voel zoo voortdurend, dat de lucht om mij henen leeg is van jou. Nu ik weet, dat je mij lijden mag, zou ik je nooit meer kunnen missen, en ik zeg je, met algeheele overgave: mijn hoofd en mijn hart zijn uitsluitend van jou. Geloof je dat nu, Lief, en zal je dat blijven gelooven? Er is geen gedachte in mijn geest, geen trilling van mijn gevoel, die niet tot in de verst-doorgetrokkene diepte geheel en al gewijd is aan jou. Je moogt over mij beschikken, want, o, Jean! ik heb je zoo lief! en ik zal je altijd zoo blijven liefhebben, totdat mijn laatste oogenblik komt. En ook daarná nog, als er dan mocht aanbreken een nieuw soort leven, wat ik niet absoluut ontkennen zal. Hoor je dat nu, Jean? en weet je 't nu? Je merkt wel, dat ik mij hier heelemaal aan je overgeef. Moet dát je geen bewijs zijn, dat ik je vertrouw, je ernst en je constantheid vertrouw? | |
[pagina 549]
| |
O, wat zal dat heerlijk zijn, als ik in den Haag woon. Dan zullen alle mogelijke twijfelingen bij je weg-vallen, omdat je dan altijd aan mijn oogen zult kunnen zien, hoe ik 't meen, hoe echt en hoe diep. Wat zullen we lachen, en leuk-en-schertsend of verstandig praten en 't altijd eens zijn, of tenminste dadelijk worden, want ik verzeker je, ik ben absoluut geen stijfkop. Dat ben ik maar op één ding: n.l. dat jij het gezelligste en verstandigste meisje bent, dat op de heele wereld bestaat. Nu, Lief, nu is 't etenstijd.
Ik durf je teeder zoenen, al zeg je ‘nee’,
Want ik ben je eeuwig getrouwe W
(illem)
| |
[Ongedateerd]Liefste, wil je, toe, wil je me nu eens iets beloven? O, laten we dan nooit meer, nóóit meer over het ‘verschil’ in onze liefde spreken. We zouden immers toch nooit tot een beslissende conclusie kunnen komen? Ik wil er liever niet over gaan redeneeren, maar, heusch, Lief, uit dat gezegde van mij was absoluut niets af te leiden, was in 't geheel geen ‘ontdekking’ te doen, die je ook maar voor een oogenblik down maken kon. Het is precies hetzelfde, wat ik vroeger ook al eens heb gezegd, en waar ik toch, heusch, volkomen gelijk in meen te hebben, n.l. dat de geaardheid-van-vrouw niet gelijk is aan de geaardheid-van-man, en dat bijgevolg hun gevoelens, hun neigingen, hun willen, hun wenschen óók niet gelijk kunnen zijn. Daardoor kunnen zij, wat heel begrijpelijk is, elkanders liefde niet volmaakt doorvoelen en begrijpen, en denken altijd, dat hun eigen liefde krachtiger, omvangrijker, volkomener is dan die van den ander, al is die ook, niet in vergelijking maar op zichzélf beschouwd, even prachtig, sterk en alles-overheerschend. Lief! Je hebt wel eens tegen me gezegd: ‘Ik word er soms wel eens een beetje moedeloos onder, als ik zoo merk, dat al mijn gevoelde woorden en verzekeringen en betuigingen eigenlijk onberoerend langs je heen gaan en geen indruk laten.’ Datzelfde, Lief, zou ik nu óók wel tegen jou willen zeggen, want al heb ik ook geen voldoende uitingskracht, al heb ik ook niet zóó de macht over mijn woorden, dat ze mijn innerlijk gevoel nauwkeurig en zuiver uitbeelden kunnen, - ach, uit den toon van mijn woorden, | |
[pagina 550]
| |
uit den geest van mijn brieven, moest je toch wel alles begrijpen, Lief! O, zal ik nu iets heel sterks tegen je zeg en? Als het wáár was, Lief, dat ik voor jou geen eigenlijke liefde, maar alleen een hartelijk-gemeende appreciatie had, - doordat ik mij, volgens jou, mijn gevoel zoo klaar bewust ben, zou ik dat ook weten, - dan zou ik niet met je geëngageerd kunnen blijven, Lief! Want dát zweer ik je: vèrre boven het met-een-man-zonder-liefde-verbondenzijn zou ik mijn vreugdeloos-eenzaam leven van vroeger verkiezen, al was dat ook niets anders dan een langzaam-sterven. Willem, ik geloof je; ik vraag niet, waaròm je van me houdt, want als ik dat voor mijzelf trachtte te onderzoeken, dan zou jouw liefde me een onbestaanbaarheid, een onmogelijkheid lijken, - ik neem je woorden als waarheid aan, - ik gelóóf je, onvoorwaardelijk, blindelings, onomstootelijk, onwankelbaar-vertrouwend geloof ik in je, - o, Lief, Lief, waarom kan jij dan ook niet een beetje in mij gelooven? Lief, zeg me, is geloof, is vertrouwen eigenlijk niet van liefde een deel? Willem, dat ik, die toch met allerlei mannen heb omgegaan, en ze niet maar zoo oppervlakkig bekeken heb, zoodat ik geen indrukken van hun persoonlijkheden kreeg, maar ze wel degelijk heb geobserveerd, - dat ik, die altijd een onbewusten, innerlij ken weerzin tegen de mannen heb gehad, - niet uit naieveteit of ingenueachtigheid, maar juist omdat ik hun temperamenten zoo goed doorgrondde, - jou, jóu heb gekozen, om geen enkele andere reden dan door het gewillig volgen van een onweerstaanbaren zieledrang, - door het als waarheid voelen eener intuitie, die me in jou den uitsluitend-eenigen man aanwees, dien ik liefhebben kon, - is dat niet het vaste, klare, vertrouwbare bewijs van mijn liefde, Lief? O, je weet niet, hoe erg ik bij vroeger veranderd ben! Je weet niet, hoe verhard ik was, hoe versteend-in-mijn-egoïsme, hoe sterk ik me tegen alle invloeden van buiten gepantserd hield! Want je ziet me alleen maar hulpeloos, overgevoelig en zwak, zoo steunbehoevend, Lief, - en toch, ik zeg je, ik was zoo ontzettend-trotsch, zoo onzinnig met mezelf ingenomen, zoo ver-staald in mijn eigen belangen, dat ik eigenlijk alleen maar een gedachten-leven, een verbeeldingsleven leefde. Maar nu, nu ik me langzaam-aan van mijn hinderend, zich-altijd-op-den-voorgrond-dringend Ik voel worden bevrijd, - nu alles zoo wondermooi veranderd is, - nu ken ik mijzelf niet meer, - nu ken ik mijn eigen leven niet meer, - | |
[pagina 551]
| |
nu is er iets goddelijks, iets om-te-aanbidden zoo mooi in mijn lot gekomen: mijn liefde voor jou! O, wil ik je eens iets zeggen, Lief? Mijn liefde voor jou is in mijn bestaan, het reddingsanker, waaraan ik me met wanhopigen angst vast-klemmen blijf: als dát me begaf, dan dreigden me dood of krankzinnigheid. O, Liefste, geloof je me nú, geloof je nú in de waarachtigheid van mijn liefde, in de echtheid, de vastheid, de kracht van mijn gevoel voor jou? Zeg eenmaal ‘ja’ tegen me, - en laten we er dan nooit meer over spreken, Liefste! Want o, ik voel me zoo heerlijk-gelukkig nu, zoo verlangeloos gelukkig, zoo veilig, en als je me nu zegt, dat jij je óók gelukkig voelt, o, Liefste, wat kan er dan méér, wat kan er dan héérlijker zijn! O, ik wou, dat je hier was, - ik wou, dat je in mijn oogen kon zien, die je onafgewend-klaar zouden blijven aankijken, totdat je alles wist, totdat je van alles was overtuigd, - en dan niets zei, maar me alleen in je armen nam, en me zwijgend kuste. O, Lief, ik verlang naar je, altijd door verlang ik naar je, - maar soms zoo verschrikkelijk, zoo heftig, zoo onbedwingbaar, dat ik 't haast niet uithouden kan! Ik wou, dat ik soms, als ik stil te werken zat, je arm om mijn schouders en je kus op mijn voorhoofd voelde, - ik wou, dat ik je eens ineens zag zitten in mijn rooden stoel, - o, ik wou, dat je me antwoorden kon, dat ik je stem hoorde, als ik graag iets wou weten, - ik wou je zien lachen, Lief! O, ik tril van geluk als ik aan jouw hier-wonen denk, o, wat zal dat zalig, onuitsprekelijk, verrukkend zalig zijn!
Met ontelbaar-veel innige zoenen
jouw eigen Jean
Ik ben zoo dol, dol-blij met je brief van vanmorgen! Die was, als 't ware, een voor-antwoord op mijn beide brieven van gisteren. Dag, Lief! | |
[pagina 552]
| |
o, was je maar hier, was je maar al hier, Lief! O, en dan te weten, dat het nog zóólang duurt, eer we elkaar wèrkelijk weer kunnen zien! O, soms, als ik hard zit te werken, dan laat ik midden in een zin opeens de pen uit mijn vingers vallen, bij de gedachte: ‘Wat geeft 't! wat geeft 't! Willem kan tóch niet hier komen vóór October!’ O, als ik daaraan denk, Liefste, dat we dan zes maanden geëngageerd zullen zijn geweest, waarvan we elkaar maar ruim één maand hebben gesproken, dan komt er zoo'n ontzettende onrust, zoo'n felle, hevige angst in me op: o, wat een tijd van ons vreeselijk-korte, weg-vliegende leven hebben we onbenut gelaten, hoeveel prachtige uren zijn er ongebruikt voorbij gegaan! O, de toekomst, zeg je aldoor, de toekomst, - maar die is zoo onbetrouwbaar, zoo onzeker, Lief! Wie zegt ons, hoe gauw we misschien zullen gestorven zijn? Ik zie alleen maar het heden, het ons directaangaande heden, - o, Lief, als het toch wáár is, dat jij nu van mij bent, en ik van jou, - waarom zijn we dan allebei nog maar altijd alleen? Denk jij er ook nooit eens zoo over, Liefste? O, verlang ik dan erger naar jou dan jij naar mij? Ach, neen, dat zal 't toch wel niet zijn, - het is, Lief, dat ik jou véél meer noodig heb, dat jij mij natuurlijk hebben kan. 't Maakt voor jou niet zoo erg veel verschil, of ik bij je ben of niet, daar verandert niet veel door in je leven, terwijl alles, alles, om mij, aan mij, in mij door jouw tegenwoordigheid een ander aanzien krijgen zou! -
O, Liefste, nu moet je weten, dat ik dezen brief al gisteren aan je begonnen was, maar ik verzond hem vanmorgen niet, omdat ik op jouw brief zoo heel veel te antwoorden had. Maar nu, Liefste, wil ik voor de aardigheid graag, dat je hem leest, omdat jij me gisteren, Maandag, om zoowat denzelfden tijd, óók geschreven hebt, dat je naar me verlangde. O, Lief, is dat nu niet weer frappanttoevallig? O, dat jij ook naar mij verlangt, o, dat geeft me zoo'n gelukkig, zoo'n innig-vreugdig gevoel, o, dat maakt me zoo heerlijk, zoo heerlijk blij! O, Liefste, ik heb een plannetje bedacht, dat ik o, zoo verrukkelijk zou vinden, als 't gebeuren kon, - o, ik hoop zoo, dat jij 't ook aardig en leuk zal vinden, maar ik zeg nog niet wat 't is! - - O, daar kwam, met de post van half acht, je brief. O, Willem, ik vind het zoo zalig, zoo hemelsch-zalig, wat je me daarin schrijft! Ach, ja, ik was heel dwaas, want ik herinner me, dat je eens tegen | |
[pagina 553]
| |
me hebt gezegd: ‘Als je niet zulke goede verzen maakte, zou ik niet zooveel van je kunnen houden als ik doe.’ En dat heeft me toen juist zoo heel blij gemaakt, omdat het me de overtuiging gaf, dat er iets vasts, iets werkelijks in me was, waarom je van me houden kon. Maar dit boek, Lief, zou het soort van kunst kunnen zijn, waarvan je niet hield, omdat het zoo lijnrecht tegenover mijn lyrische uitingen staat. Dat zou toch kúnnen. Nu vind ik het juist zoo goddelijk-heerlijk, dat je er me zóó over schrijft, lieve, lieve Lief! Nu, Liefste, Allerliefste, zal ik maar weer eens gaan eindigen, vind je niet? O, ik houd zoo onuitsprekelijk, onuitsprekelijk, onuitsprekelijk veel van je, Lief!
Een teeder-innigen zoen van
jouw eigen Jean | |
Bussum, ParkzichtIk weet niet, wat ik heb vanavond, ik geloof bepaald, dat ik een soort van heimwee voel naar jou. Of ik wandel, of ik zit, ik moet aldoor aan je denken, en word inwendig-aangedaan daardoor met vaag-verlangende, half-bewuste mijmering en een tikje, niet heelemaal onaangename melancholie. 't Is nu acht uur 's avonds, zoo meteen komt de post; komaan, ik zal maar even wachten, wie weet, wat er in den brief staat, dien ik, zooals altijd 's avonds straks van je krijg. O, ik voel zoo, dat ik je liefheb, dat ik absoluut niet buiten je zou kunnen, dat je mijn Alles bent, het licht van mijn ziel.
Daar kwam je brief. O, Lief, wat is dat brieven-schrijven toch onvoldoende! Want zie eens, nu was je onaangenaam-geroerd door wat ik zei van Felix, terwijl je je eigenlijk prettig had moeten voelen, dat ik hem zóó levendig voor me zag, als een werkelijk mensch. Dat ik hem zóó sterk voelde, en toen mijn antipathie-tegen-hem uitte, dat was pure lof voor de artistieke waarde van je roman. Want als het beeld, dat je van hem geeft, onbeduidend of slechtgedaan zou geweest zijn, als verbeeldingscreatie, dan had hij immers | |
[pagina 554]
| |
geen indruk op me gemaakt? Die Felix leeft; ik ken mannen, die in sommige opzichten als hij zijn, en wat ik onaangenaams over hem mag gezegd hebben, dat slaat niet op hèm als geschreven kunst-schepping, maar op het soort mannen als hij in de levende werklijkheid. Ik val dus heelemaal niet aan, wat in jouw ziel geleefd heeft, niet de schepping van jouw verbeelding, want die is meesterlijk-magnifiek. Hier spreek ik als beoordeelaar van je kunst, maar in dien anderen brief sprak ik alleen als mensch. Jijzelf zit evenwel nog te veel in je roman, om die twee geheel verschillende standpunten precies uit elkaar te kunnen houden. Bedenk maar eens, Lief! als je Felix niet zelf gecreëerd had, en je ontmoette zoo iemand in de werklijkheid, en je merkte dan, dat die meneer in de eene of andere gevoelde connectie tot jou zou willen staan, terwijl je hem innerlijk geheel doorzag, zooals je nu je romanheld doorziet, dan zou je, geloof ik, zacht in jezelf tegen hem zeggen: ‘Vlieg voor mijn part op, mijnheer, ik kan onmogelijk iets met je te maken hebben’. Is 't niet zoo, Jean? En begrijp je mij nu? O, Jean, ik houd zoo dol-, zoo onuitsprekelijk-veel van je, je zou mij met mijn hoofd tegen den muur mogen gooien, dan zou ik nog teeder glimlachen tegen je, en de hand trachten te kussen, die me vernietigen wou. Voel je nu, dat ik je liefheb, en ontzettend, o, ontzettend naar je verlang? De liefde doet mij pijn, omdat ik niet bij je ben, omdat ik je niet zie, niet hoor; o, ik houd zoo, meheelemaal-overweldigend van je, nadat ik dit boek gelezen heb, omdat ik er uit merk, dat je het werkelijke leven voelt. Ikzelf ben heelemaal een droomer en een gedachte-mensch, maar door jou heb ik nu het werkelijk leven gevonden, zooals het in jou leeft. O, dat je van mij houdt, ik begrijp het wel niet, maar ik geloof het van je, omdat je het zegt. En ik beloof je plechtig, je zult er nooit berouw van hebben. Maar daarom bedroeft het me zoo, dat ik me te veel los-gelaten heb, en daardoor jou verdriet heb gedaan. Ik had moeten bedenken, dat je nog te veel in je eigen schepping zat. Och, Lief! vergeef me maar, ik zal voortaan wat voorzichtiger zijn. Want ik had moeten bedenken, dat die roman nog te veel in je leefde, en dat je dus niet objectief tegenover je eigen figuren stond. Nu, Lief, 't is bij twaalven, ik ga naar bed. God, wat zal dat heerlijk zijn, als ik in den Haag woon, en je altijd zal kunnen zien en spreken, zooveel als het jou gelegen komt. | |
[pagina 555]
| |
Nu, Jean, ik zeg je maar goeden nacht; ik voel me weer wat triest, ik weet zelf niet waarom. Jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 556]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 557]
| |
O, Lief, wat vind ik het heerlijk, dat je me dát wilt laten doen, die verzen van jou corrigeeren! Dat vind ik zoo'n opperst bewijs van vertrouwen, een vertrouwen, Lief, dat ik rechtvaardigen zal. Ik zal alles accuraat-precies, volgens je handschrift, in orde maken. Zeg of schrijf jij dan aan Veenstra, dat hij mij proeven en copy stuurt, dan krijg je ze van mij, na spoedige, maar degelijke correctie terug. Ik heb er heusch tijd voor, dus bezwaar je over niets. En dan wou ik je dit nog zeggen, Liefste. Je hoeft heusch nooit te denken, dat je productie-vermogen op den duur zal te lijden hebben door ons verbond. Integendeel, ik voel den wil en de kracht in me, om je meer en meer te brengen tot het jezelf uitspreken, om je diepste ziel te laten ontbloeien, tot groote werken, waar je ziel in ligt. Wees dus maar zalig-gerust, o, Lief, - ik voel mijn diepste binnenste naar je heen-dringen, en ik zal je de kracht en den moed en de blijdschap geven om te stijgen, steeds te stijgen, in de kunst, zoowel als in 't Leven. O, Lief! wat ben je toch een snoes van een fantast over je eigen dingen! Het hindert mij in geenen deele, dat je dat boek hebt geschreven: ik vind het juist heerlijk, ontzettend-heerlijk. Je vindt toch niet, dat ik strak ben geweest in mijn brieven aan jou? Ik zou haast zeggen: o, Lief, dat vervloekte brieven-geschrijf! Maar hoe zouden we op 't oogenblik anders iets van elkaar kunnen merken, - en met niet-schrijven was het natuurlijk nog veel erger. Daarom is het onmisbaar, absoluut onmisbaar. Maar er ontbreekt alles aan, wat toch noodzakelijk bij de woorden hoort: den toon van de stem, de uitdrukking van de oogen, álles, álles. Ik heb me geen oogenblik strak tegen je gevoeld: ik was integendeel inwendig-opgewonden, o, zoo blij-opgewonden na de lezing van je boek! Lief, mag ik je eens wat zeggen, waar ik zelf ook over mee kan praten? Je bent in sommige opzichten net als ik. Je krijgt, onbewust, hevige indrukken vaak van allerlei dingen: je ziet dan niets van wat er naast staat of er vlak tegenover, - maar je holt door in jezelf op dien engen indruk, en vliegt dan dikwijls over de allereerste oorzaak van dien indruk, die dikwijls zeer gering is, of die je heel verkeerd hebt opgevat, heen, en komt zoo in een fantasie-wereld van eigen maaksel, door een droevige stemming gekleurd, waarvan je dan ieder ding precies gaat beredeneeren en alles op zijn plaats zetten, en denkt dan, dat je alles logisch en verstandig hebt gedaan. Let nu wel, Lief, dit is geen veroordeeling van je Zijn, want ikzelf | |
[pagina 558]
| |
was vroeger óók zoo, en ik ben het nóg wel eens een enkel keer. Je geest is verschrikkelijk ontvankelijk en je verbeelding wordt licht opgewekt. Maar nu moet je daarom niet denken, dat ik zou vinden, dat je geen oordeelskracht hebt, of altijd onjuiste indrukken van alles krijgt. Je hebt integendeel dikwijls een almachtig-fijne intuïtie, die je precies laat ‘ruiken’, hoe iets au fond is. Maar de intuïtie kan ook wel eens heel verkeerd werken, als je te weinig grondstof hebt, als het waarachtig-werkelijke fond onvolledig is, en je op je uitkomst dan nog zelf doorgaat met je fantasie. Maar, heusch, Lief, dat komt alles later heelemaal terecht! Niet dat jij alles zal behoeven over te nemen, zooals ik het zie. Maar wij hebben dan altijd twee resultaten van observatie en opvatting; het jouwe en het mijne, die wij met elkander kunnen vergelijken, om zoo tot de objektieve waarheid te komen. Vind je mij nu misschien een beetje zwaar? Maar ben je het niet een beetje eens, met wat ik bier zei? O, met je op te vliegen in de lucht, ver weg uit al het menschen-gedoe en de aardsche engheid! Ik moet hier plotseling om mezelf lachen, want waar zou je komen, als wij dat eens deden? In mist en nevel en eindelijk in 't luchtledige. Neen, laten we maar hier blijven; heusch, Liefste, ik zal het je wel prettig maken en mooi en leuk. Je smacht naar geluk, Jeanne, net als ik. Zou je dan denken, dat wij met zijn beiden dat niet zouden kunnen bereiken? Ik verzeker je van wel! Ik zeg niet, dat ik je al heelemaal ken, want hoe zou dat kunnen bij betrekkelijk zóó weinig persoonlijken omgang, maar ik voel je wel, door en door, goddank! En dat moet jij mij ook reeds doen in mijn quintessentie, want anders kon je niet van me houden. Nu, Lief, maar dan komt immers alles terecht, en dat zal het ook, prachtig terecht komen, houd dus maar moed, o, goddelijk Lief! Je vraagt zoo dikwijls of ik zeggen wil, dat ik je liefheb... Maar, Lief, ik heb je niet alleen lief, ik bid je aan. Dat is waarachtig waar in de letterlijke beteekenis van het woord. O, Lief, voor je neer te liggen, met mijn armen om je middel, en niets te weten, niets te zien, niets te voelen dan jou-alleen, alleen jou, zonder ophouden, voor eeuwig. Jij bent het leven, jij bent de wereld, jij bent het heelal, en zult dat voor mij blijven, onveranderlijk tot aan mijn dood. Ik heb je ziel lief en je lichaam, je oogen en je verrukkelijken | |
[pagina 559]
| |
mond, je armen en alles. O, strijk dan met je handje over mijn haar heen, en zeg, dat ik van jou ben, dat je me houden wilt, en dat geen ander iets van mid hebben mag, geen gedachte en geen woord, geen blik zelfs ooit. Dan zal ik mijn hoofd op je schoot leggen, terwijl ik naar je omhoog zie, en ik zal je toeroepen met teedere stem: Jean, ikzelf wil niet anders, want ik ben absoluut en uitsluitend van jou, van jou alleen, zonder einde.
Teeder kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, je verrukkelijke brief van vanmorgen! O, wat is nu toch alles heerlijk, heerlijk. Ik ben toch zoo innig blij, Willem, dat je mijn boek nu kent, dat nu al mijn spanning wat je er wel van zeggen zou, voorbij is, en dat je er ten slotte zóó over oordeelt als je doet. Ik wou, Lief, dat je wist, hoe rustig en toch opgewonden-gelukkig ik me voel. Ik vind 't zoo goddelijk-prettig en lief, als je me zoo eens iets over je verzen schrijft, - o, ja, wat een inspannend, moeilijk werk is dat voor je, maar, o, Lief, ze worden er nu zoo véél, véél mooier door. Dat vers, dat je voor me hebt gecopieerd bijv. vind ik nu zoo ontzettend-mooi, vooral het tweede quatrijn. In dezen bundel komen nu zeker ook al de verdere verzen uit de N.G. na 1895, hè, Lief? Wordt dit deel nu in alle opzichten heelemaal gelijk aan de ‘Verzen’? En wordt deze bundel ook zoo groot of grooter, denk je? 't Zal zeker nog wel een poosje duren, eer hij klaar is, Lief? Ik ga morgen naar Veenstra, om hem te vragen, hoe hij nu met mijn verzen doet. De bundel heet alleen maar ‘verzen’. Wat me ineens invalt, hoe vind je de verzen van Marie Jungius? O, Lief, ik vind het zoo dol-prettig, dat jij mijn correctie wilt doen, - maar zoodra jij 't weer te druk krijgt, neem ik 't dadelijk weer over, hoor, Lief. Ja, Lief, het is wel precies waar, wat je zegt, dat ik me heel gauw door een stemming laat overheerschen, en dan alles, wat ik onder den indruk daarvan, denk en zeg, voor logische waarheid houd. Maar dit is toch óók waar, Lief, dat ik een verrassend sterk intuitief gevoel heb, een voorgevoel bijna. Ik zou je dingen kunnen vertellen, soms kleinigheden, soms ook wel belangrijkheden, waarvan reeds vooruit het weten van wat gebeuren zou door mijn hersens was | |
[pagina 560]
| |
heen-gebliksemd. (O, wat een woord, - maar 't drukt goed uit, wat ik dan voel.) 't Is een soort waarschuwing, een soort geheimzinnige kennisgeving, die ik pas erken, die ik pas begrijp, als 't werkelijk is gebeurd. O, Lief, o, lieve, lieve Lief, luister nu, wat mijn plannetje is: dat je met mijn verjaardag over komt naar den Haag en een paar dagen blijft. Daar! het is er uit! Maar je moet het natuurlijk absoluut en in géén geval doen, als 't je ook maar in 't minst niet convenieert. Want dan wil ik 't veel liever niet, hoe goddelijk ik 't anders ook vind. O, Liefste, ik wou, dat jij ook in mijn ziel kon zien, hoe die heelemaal alleen vervuld is van jou, hoe daar niets anders in is, dan de waarachtige wil om jou gelukkig te maken, om jóu het heil te geven, dat ik krijg door jou, - o, als je wist, Lief, als je wist, hoe ik bid om de kracht daartoe!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
Bussum, ParkzichtLieve Snoes,
Ik zou wel altijd door kunnen gaan met je te schrijven, en dat vind ik zoo gelukkig, want dat is een bewijs, dat ik mij heelemaal op mijn gemak voel met jou. En dat hoort ook zoo: vind je óók niet, Lief! Want zie nu eens, alles om mij, zooals om ieder mensch heen, is voortdurend in wisseling: de eene groep menschen, waar je een poos mee hebt omgegaan, verdwijnt opeens of langzamerhand, om plaats te maken voor weer een andere, en zoo gaat 't het heele leven door, dat heb ik al zoo dikwijls bijgewoond. Maar jij alleen bent de mensch, die blijft, en over tien jaar zitten we nog net als nu, wat gelukkiger, weet ik, en minder ver van elkander af, maar toch met hetzelfde gevoel als vandaag. Want ik voel zoo diep, dat mijn ziels-gehechtheid-aan-jou niet kàn veranderen, en dat ik je altijd zal blijven beschouwen als ‘Jeanne, mijn eenig en absoluut Lief.’ Zoover was ik juist gekomen met mijn avondbrief, den brief, dien ik gewoonlijk 's avonds schrijf, om hem dan den volgenden morgen op de post te doen, daar kwam om kwart over achten de jouwe. O, Lief, wat ben ik innig blij met dien brief! Ik geloof wel, dat ik eenigszins uit de verte voel, wat je hebt tegen mannen-in-'t-algemeen. En | |
[pagina 561]
| |
ik heb altijd ook gemerkt, dat ikzelf, met een paar nuancen, verschil van de meeste andere mannen, die ik zag. Ik zeg niet, dat ik meer ben of beter of zóó iets, ik voel alleen, dat ik anders ben. 't Ligt, geloof ik, in den aard van mijn gevoeligheid. En een van de weinige mannen, die ik ooit ontmoette, die wat dieper-sympathisch met mij is aangelegd dan de anderen is Wim Witsen. Hij is, misschien nog meer dan ik, een gesloten natuur, die verschrikkelijk weinig spreekt, ja, zich bijna nooit uit. Maar drie maanden heb ik in Londen bij hem gelogeerd, en soms heb ik toen wel eens iets bij hem waargenomen, in zijn uitingen en daden, waar andere mannen als grof-gefabriceerde marionetten bij afstaken. Het kwam altijd plotseling, en was, oppervlakkig-bekeken, heel eenvoudig en gewoon, maar toch werkelijk zóó bijzonder, als het nooit in een ander man zou opgekomen zijn. Wij hebben er nooit samen over gesproken, maar 't is, of hij 't óók eenigszins begrijpt, want hij is dikwijls, zonder zich in de verste verte aan te stellen of op te dringen, intiem-verstandig-goed voor me geweest. O, Jean, dat je onvoorwaardelijk in me gelooft, zooals je 't noemt, dat maakt me zoo rustig gelukkig, en met vasten, zekeren stap ga ik nu voorwaarts naar de toekomst, die ik met jou in mag gaan. Ik verzeker je zoo innig: je vergist je niet in mij. Je zegt over jezelf, dat je je moeilijk uitspreekt; maar ik geloof, dat dit geen ‘onmacht tot uiting is’, maar de dwingende wil, om altijd precies het juiste te zeggen, om tot-op-een-haar-na te zeggen, wat en hoe het is. De taal is eigenlijk een gebrekkig ding. Zij beweegt zich altijd in algemeenheden, en het psychische leven is zoo subtiel en veelvoudig, dat het ernstigste streven naar preciesheid toch wel eens faalt. De meeste menschen schrijven of spreken dan ook niet; wat ze doen is kletsen of leuteren alleen. Nu, Liefste, het is nu kwart over twaalven: morgenochtend komt de barbier, dus mag ik niet te laat naar bed gaan. Want anders moet hij mij uit bed trommelen, en dat vind ik minder prettig. Ik eindig dus hier. Jij slaapt nu, hoop ik, al lang, maar toch zeg ik je, met teedere liefde: ‘goeden nacht.’
Met een innigen kus
jouw eigen Willem
Ik kan den brief nog niet wegbrengen, want anders mis ik den | |
[pagina 562]
| |
barbier. Wat de kwestie van mijn komen betreft, daar zal ik je nog bedaard en uitvoerig over schrijven, maar hiervan kan je zeker zijn, dat ik kom.
In haast
jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, wat allerheerlijkst was dat, wat je nog vanmorgen had gezet onder je brief van gisteravond! O, want 't is verrukkelijk, te weten, dat je werkelijk komt. Dat goddelijke vooruitzicht doet me veel vlugger, prettiger, gemakkelijker werken, dan ik anders kan, wil je dat wel gelooven, Liefste? Ik dacht er juist aan, dat we, morgen voor een week elkaar nog zagen, en dat het nu, wee weet nog hoe lang duren zou, eer dat wéér gebeurde, - en nu zal het toch over een week of drie al zijn, hè, Lief? Ik kan je niet zeggen, hoe blij en gelukkig ik inwendig ben! O, Lief, niet in enkele nuancen, maar in oneindig veel opzichten verschil jij van andere mannen. Weet je, hoe ik de meesten zie? Daar heb je b.v. de mannen, die tusschen andere mannen leven: die stellen zich aan voor elkaar, die houden zich groot, - die schamen zich zóólang zich te toonen, zooals ze werkelijk zijin, dat hun gehuichel is geworden tot natuur. De wereldsche man verliest even goed als het wereldsche meisje zijn mooie, jonge... naïveteit zal ik het maar noemen, en wordt dan hard, ongevoelig, ingebeeld, en heusch, de meesten zijn een beetje Felix-achtig er nog bij. 't Zou me niet in mijn hoofd opkomen (zelfs al was ik niet met jou geëngageerd) om óóit met een van die mannen een gevoeld gesprek te beginnen. Mannen zijn in de conversatie gewoonlijk aangenamer en amusanter dan vrouwen, omdat ze een vlugger oordeel hebben, handiger zijn met reparties, durvender in replieken, en ik heb het daarom ook nooit naar gevonden, om met mannen te praten, maar het gesprek bleef altijd uiterlijk, oppervlakkig; het zou niet in me opgekomen zijn, ooit aan hen eens mijn intieme gedachten te uiten. Ik voelde instinctmatig, dat ik toch niet zou worden begrepen. Jij bent de eerste, de eenige man, aan wien ik me ooit heb durven openbaren, aan wien ik ooit heb durven zeggen, wat er leefde in mijn ziel. En dat diepe, inwendige, onbewuste vertrouwen, dat zielsvertrouwen, zou ik 't willen nemen, dat kan ik in jou hebben, Lief, omdat jij de absoluut en | |
[pagina 563]
| |
uitsluitend eenige man ben, die ook iets van het vrouwelijk gevoel begrijpt, omdat hijzelf zoo zuiver-van-ziel, zoo teen-van-sentiment, zoo puur-gevoelig is, als geen enkele man is, maar alleen reine vrouwen zijn. Heusch, Lief, jij hebt ook iets fijn-vrouwelijk-gevoeligs in je natuur, dat anderen mannen totaal ontbreekt, en je mist daarentegen het grove, het ruwe, het zich-door-alles-heen-latengelden, wat zoo dikwijls wel synoniem met ‘mannelijk’ schijnt te zij O, Lief, wat ben ik hier een wijsheid aan 't verkondigen geweest, - was 't je niet, of je een matrone van geposeerden leeftijd aan 't oreeren hoorde? Lach je er om? O, ik ben in mijn gedachten zoo'n ‘oud’ jong meisje, Lief, - maar naar ik hoop niet in mijn uiterlijk en mijn doen! Ik kus je heel innig, Lief, en blijf voor immer:
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 564]
| |
gestelde richting, en zal zich steeds meer en meer inspannen voor jouw geluk. Merk je nu wel, dat het waar is, wat ik je wel eens heb geschreven dat je mijn diepste ziel los-maakt? O, en ik vind het zoo onbeschrijfelijk-heerlijk, dat jij je nu ook zoo hebt kunnen uitspreken en mij zoo direct en innig hebt gezegd, dat je van mij houdt. O, ik wou, dat je hier was, dan zou ik zacht je handen in de mijne nemen, en je aanzien aldoor, totdat ik het niet meer kon uithouden, en ik mijn hoofd tegen je aanvlijde en mijn arm om je heen-sloeg, om werkelijk te voelen, dat je dicht bij mij was. O, jij bent de vrouw, die precies in alle opzichten hoort bij een man als ik. Een vrouw, die wel sterk is, maar heelemaal niet hard, die wel verstandig is, maar niet koudnuchter, een vrouw met een wil wel en een kranigen wil zelfs, maar ook met een opperst-gevoelig hart. Voel je nu niet, Jeanne, dat ik je moet aanbidden, niet in een opwinding, maar uit een diep-gevoelde overtuiging, dat ik je vereeren moet, maar tegelijkertijd hartstochtelijk beminnen, en dat er geen heil voor mij is buiten jou? Als jij niet was gekomen, was ik langzamerhand een volslagen pessimist geworden, maar nu jij er bent en blijven zult, word ik een opgeruimdsterk, een bewust-gelukkig mensch. En dat niet, omdat jij een vrouw bent en met mij wilt zijn, neen, alleen omdat jij, jij juist die vrouw bent, jij, de eenige, waar ik een geheel mee kan zijn. O, en dat ik nu komen zal op je verjaardag, dat jij mij de gelegenheid daartoe openstelt, dat vind ik zoo verrukkelijk, dat ik het je niet zeggen kan! O, jouw verjaardag samen te vieren, zooals wij den mijne samen hebben gevierd! O, Jean, voel je nu, hoe diep ik je liefheb? Je weet wel, dat ik heelemaal geen opgewonden standje ben, die telkens een heeleboel woorden er uit gooit, waar op den duur toch niets achter zit, neen, wat ik zeg, meen ik voor nu en altijd en daar kan je op bouwen als op een rots.
Nu, Lief, nu nog even over dat gevoel van triestheid van je. Ik wou o, zoo graag, als je het had, bij je zijn, dan zou ik je aldoor aankijken, en je hand zoo lief in de mijne nemen, en zacht tegen je praten. O, Lief, zou je dan niet langzaam-aan weer gaan glimlachen, als ik je zoo, door mijn nabijheid, duidelijk had kunnen maken, dat ik zoo onuitsprekelijk veel van je houd? O, mijn liefde voor jou is als een gloed in mijn ziel, een onstuimige golving van bloed in mijn aderen, | |
[pagina 565]
| |
zij is als een teeder-verlangende, telkens wisselende droom, die eens een prachtige, machtige werkelijkheid zal worden. Hè, ik weet niet, hoe het komt, maar mijn eigen woorden beginnen mij opeens zoo te vervelen, want ik heb zoo'n onweerstaanbare begeerte om bij je te zijn. Ik word hoe langer hoe meer verliefd op je, heusch! Ik wou, dat je mij beschouwde, als je levende speelpop, in wiens armen je ten slotte kon uitrusten van al je dolle dartelheid! Vind je nu niet, dat ik mal doe? Och, dat komt allemaal van de vreugde, dat ik je nu werkelijk gauw weer mag zien. En vertel me eens, hoe is 't nu met je Mama? Je doet haar toch steeds wel mijn hartelijke groeten? En hetzelfde met Jacq. Hoe keur je deze mop van Verster? Er wandelden eens drie Israëlieten aan het strand te Scheveningen. Ze gingen tegen de duinen zitten, en bekeken de natuur. Hè, zei toen de eerste, wat is dat arabesk! Neen, zei de tweede, je bedoelt te zeggen: wat is dat pythagorisch! Och, kom, zei de derde, die twee uitdrukkingen zijn toch synagoog. - Verster is altijd vol dergelijke grappen. Nu, Lief, ik kus je op je wangetje en je ooren en ik zeg je, dat ik je liefheb zonder eind. Jouw Willem | |
[Ongedateerd]Allerliefste, Juist op 't oogenblik, dat ik terugkwam van het mijn brief naar de post brengen, krijg ik jouw brief om bij tienen, wat nog heelemaal nooit is gebeurd. Ik schrijf nu nog even in vliegende haast, om je te zeggen, hoe dol-blij ik ben, dat je het leuk vindt, om mijn verjaardag hier met ons te vieren. Dag, éénige Lief! Ik ga nu nog even naar de post, misschien gaat deze nog mee.
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[pagina 566]
| |
ben. In mijn jongelingstijd, zoo tusschen 18 en 23, werd ik door mijn kennissen en vrienden dikwijls ‘Willem de Zwijger’ genoemd, want als wij allemaal zoo bij elkaar zaten, en ze heel druk onderling converseerden, dan deed ik niets als aan mijn sigaar trekken, en zei alleen van tijd tot tijd een woord, als de een of ander op den man af een vraag tot mij richtte. Maar ze mochten mij anders toch nogal lijden, en sommigen zagen ook wel tegen mij op. Ik zal nu even wachten op wat de post mij brengt. Ik zie altijd zoo met verlangen naar je brieven uit.
Zooeven kwam je brief werkelijk. Jij weet dus nu, dat ik kom. Ja, je intuïtie. Ik heb werkelijk dikwijls gemerkt, dat die sterk bij je is. Tusschen twee haakjes: de nu aanstaande 1e aflevering van den nieuwen jaargang N.G. zal openen met een Engelsch vers van Frederik van Eeden, een sonnet op Ruskin. Ik kreeg het vandaag. Ja, hoe groot mijn bundel wordt, dat weet ik eigenlijk niet. Ik heb het heelemaal nog niet nagekeken. Overigens wordt hij in alles gelijk aan den eersten bundel, Oud-Hollandsch papier etc. Die verzen van Marie Jungius heb ik wel, maar ik kon ze nog niet inzien door de drukte van den laatsten tijd. Ik zal ze wel eens gaan lezen. Vind jij haar werk mooi, of vroeg je 't, omdat je haar soms persoonlijk kent? O, Lief, je weet niet, hoe gelukkig ik ben, dat ik met jou geëngageerd ben, en ik voel me hoe langer hoe gelukkiger worden, hoe meer ik je leer kennen. Je hebt mij wel eens geschreven: Zeg toch, hoe ik zijn moet, wat je aan mij veranderen wil, opdat jij heelemaal gelukkig door mij kunt zijn. (Ik citeer hier niet precies je woorden, maar ik geef toch, geloof ik, je bedoeling goed weer.) Maar, och, lieve Lief, dat hoef ik heelemaal niet te doen, dat komt vanzelf wel, dat voel je zelf wel, als je, door in 't een of ander iets anders te zijn, mij daardoor gelukkiger kunt maken. Dat voel ik aan mezelf; ik, die altijd op mezelf gestaan heb, weet ook heel zeker, dat ik in sommige dingen anders zal worden, om jou daardoor gelukkiger te maken. Want ik heb je lief, en liefde doet dikwijls dergelijke dingen vanzelf voor de andere, zonder dat de lievende en daardoor veranderende 't zelf nog weet, of zich de verandering met bewustheid voorneemt. | |
[pagina 567]
| |
Buitendien, ik heb waarachtig respect voor je, heel stil binnen-in. Dát is mij vooral nu zoo bewust geworden door het lezen van je ‘Hartstocht.’
Jean, Verster is, zooals gewoonlijk, een uurtje bij mij komen praten, en terwijl ik zat te luisteren naar zijn grappige verhalen over allerlei futiliteiten, schoot mij te binnen, waar ik al aldoor overdacht, wit ik je vragen wou. Dat het mij te binnen schoot, terwijl het toch in geen enkel verband stond met wat hij vertelde, is een aardig bewijs, hoe je ziel kan gesplitst zijn, een helft naar binnen, een helft naar buiten. Wat ik je vragen wou, is dit: Je eindigt je brief, dien ik vanavond kreeg met: ‘als je wist, hoe ik bid om de kracht daartoe.’ Nu wou ik je vragen: gebruikte je dat woord ‘bidden’ maar zoo bij manier van spreken, als sterke uitdrukking voor je inwendig verlangen, of ben je eenigszins geloovig, en gebruikte je dat woord dus in zijn eigenlijken zin? Je hoeft volstrekt geen schroom te hebben, om mij daarop te antwoorden, want ik ben volstrekt niet, wat men noemt een ‘atheïst’, die overal met zijn ‘ongeloof’ schermt, en meent, dat daar de ontwikkeling van de menschheid aan hangt. Ik weet er, zoomin als iemand anders, iets van, en houd mij dus liever neutraal op dat punt. Ik heb hoogstens wel eens het gevoel, dat het verschrikkelijk leuk zou zijn, als er achter het Godsgeloof eenige waarheid zat. Tot welke ontdekking ik dan ook over je mocht komen, ik verzeker je, dat mijn gevoel-voor-jou daar onveranderd hetzelfde door blijft. Zelfs als ik mocht merken, dat je eenigszins geloovig was, dan zou ik het heel interessant vinden, om er bij gelegenheid met je over te mogen spreken, niet om je tot mijn neutrale standpunt over te halen, maar om de psychologie van het geloof. Want, als je geloovig bent, dan zal je daarin ook, zooals in alles, heel echt zijn, en dan zou ik er misschien heel veel aan kunnen hebben voor de volledige organisatie mijner eigene ziel. Zou je mij hierop eens willen antwoorden, Lief? Nu is het half één en ik ga naar bed.
Teeder kust je goeden nacht
jouw eigen Willem | |
[pagina 568]
| |
[Ongedateerd]O, Liefste, omdat er gisteren met de laatste post een brief van je kwam, had ik er heelemaal niet op durven hopen, dat ik er vanmorgen toch ook een krijgen zou, en daarom was 't juist zoo eenigheerlijk, zoo verrassend-verukkelijk, Lief! O, ik vind 't zoo goddelijk, dat jij 't ook een beetje gezellig vindt, om te komen; nu wordt 't vooruitzicht voor mij nog wel tienmaal, neen, wel honderdmaal heerlijker. Drie weken is nu niet zoo heel lang meer, en vooral als ik werk, gaat de tijd gauw voorbij. 't Zal zalig wezen, als je er bent, en niet zoo overhaast weer weg hoeft te gaan. Want dat maakt zoo'n dag maar hàlf, en lang zoo aangenaam niet, als hij wel kon zijn, wat zeg jij ervan, Lief? Ach, dat ik weer een beetje treurig schreef, daar moet je maar heelemaal niet op letten, hoor; want dat gevoel verdwijnt weer heelemaal door een brief van jou; het is, wat je: mijn eenzaamheidsstemming zou kunnen noemen. Maar dat je nu komt, en al zoo gauw, dat doet me alles heel anders inzien, dat stemt me, zonder dat ik er bewust over denk, zoo kalm-opgewekt en zoo vroolijk van binnen. O, ik ben zoo echt-gelukkig nu! Je vroeg naar mijn lieve Moeder: ja, Mama is, goddank, veel beter. Ze komt weer beneden, en kan van tijd tot tijd zelfs eens uitgaan. Haar hartelijke groeten aan haar ‘aanstaanden grooten zoon’, en ook die van Jacq! Ik heb je gisteren niet zoo erg veel geschreven, is 't wel, maar ik moest, behalve mijn gewone ‘Walden-taak’ nog een dames-rubriek en een schets schrijven. Toen ik weer thuis-kwam van mijn gehol voor de tweede maal naar de post, ben ik mijn schets gaan afmaken. O, Willem, je zou er dikwijls om moeten lachen, hoe comisch het eigenlijk met die schetsen gaat. In 't begin van de week denk ik: ‘Jeanne, als je nu eens een idee krijgt, houd dat dan vast.’ Maar meestal vergeet ik 't, en zit dan Woensdag of Donderdag totaal denkbeeldloos voor mijn papier, en toch krijg ik altijd mijn vereischte lengte vol. 't Is grappig, Lief, maar als ik tegen mezelf zeg: ‘Dat en dat moet dan en dan klaar wezen,’ dan is 't ook altijd klaar, ik heb nog nooit tevergeefs op mijn eigen kracht vertrouwd. En nu ik er een beetje handigheid in krijg, is dat schetsen-schrijven heusch geen onaardig werk; als je hier bent, zal ik je er eens eenige van laten lezen als je wilt.
Dag, lieve Lief, een hartelijken zoen van Jean | |
[pagina 569]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 570]
| |
die je van den ander, van mij, hebt gehoord. O, dat doet me zoo heerlijk aan, dat stelt me zoo gerust, dat je zoo echt en waar en zoo klaar en werkelik bent in je zijn. En daarom ben ik zoo blij je naar waarheid te kunnen zeggen: jij bent de eerste, die ik ooit in mijn leven waarachtig en diep en onveranderlijk lief gehad heb, lief heb en zal blijven lief hebben, totdat mijn levend zelfbewustzijn mij begeeft. Ik vind het leuk, als je dezen brief vanavond al krijgt, ik ga nu eerst koffie-drinken en breng hem dan op de post.
Innig kust je jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, ik ga nog even een beetje aan je schrijven, want ik zal er verder, helaas, niet erg veel tijd toe hebben. Want zoo meteen moet ik naar Veenstra, en vanavond komen er eenige menschen thee-drinken, wat me vreeselijk stoort in mijn werk. Enfin! ik moet er natuurlijk bij zijn. Komen: de heer en mevr. Goteling Vinnis, de heer en mevr. van Mill met twee dochters (die óók Jeanne en Jacqueline heeten, toevallig, hè?) en mevr. Georges met haar twee zoons Adolphe en Arthur, - allen, behalve de eerste twee, Brusselaars. Ik wou, dat het maar weer morgen was, want ik houd er niets van, zoo met geweld uit mijn werk te worden gehaald. Ik ga me nu klaar maken om naar Veenstra te gaan, en zal je dan, terugkomende, vertellen, wat hij heeft gezegd. Dag, Lief!
Ik ben nu weer terug, en heb al gegeten ook, en vind nog een oogenblik tijd, vóor ik me moet gaan kleeden. Veenstra wil zoo gauw mogelijk met den bundel beginnen; ik heb hem gezegd, dat hij de proeven en de copie aan jou moet sturen, dus dat vind je goed, hè? Toen ik thuis kwam, vond ik je brief, waarin je me vraagt, Lief, of ik geloovig ben. (Und wie steht's mit der Religion?) Dat is zoo'n ernstige vraag, en ik kan daar zelf zoo heel moeilijk een antwoord op geven. Ik zou je een heeleboel verschillende dingen van mijzelf moeten vertellen, waaruit jij dan een conclusie zou kunnen trekken, maar ik voor mijzelf, ik weet het niet. Als je met geloovig hetzelfde bedoelt als godsdienstig, neen, dan ben ik het niet. Die uitdrukking: ik bid... heb ik onwillekeurig gebruikt; je zal misschien wel eens gemerkt hebben, dat ik in mijn brieven | |
[pagina 571]
| |
zoo goed als nooit den uittoep ‘God’ gebruik; ik weet niet, waarom ik dat laat. Dit zou een bewijs kunnen zijn voor mijn niet-gelooven in de kracht van een God, en toch is altijd, in wanhopig-ellendige oogenblikken mijn eerste smeeking geweest: God! God! help me toch!... Ik heb vroeger in mijn ziel vreeselijke crisissen doorgemaakt, als ik smachtte, snakte naar iets vasts, om mij in mijn doodelijke, krankzinnig-makende smart, aan vast te kunnen houden, - en nergens iets vond, niets, - als ik smachtte om te gelooven, en vertwijfelde, omdat ik niet kón, - als ik mijn voorhoofd legde op den grond, en smeekte, zoo maar in het ijle, om steun, dien ik wist, dat ik in blindelings-gelooven vinden zou, - dan heb ik wel eens gedacht bij mijzelf, of ik niet gelukkiger, zielsrustiger wezen zou, als ik, van mijn eerste jeugd af, b.v. Roomsch was geweest. Een paar maal heb ik zoo een strijd in mijn dagboeken neergezet. O, langzaam-aan heb ik mijzelf bedwongen, en heb mijn ziel rust gegund, door mijzelf die gedachten te verbieden, want zooals het vroeger wel eens was, maakte het me rampzalig, gek, was het onhoudbaar op den duur. En nu, terwijl ik er eigenlijk nooit bewust over denk, of ik geloof of niet, komt er soms zoo'n dringende, onweerstaanbare behoefte in me op, om te bidden, te bidden, dat, door de kracht, door de suggestie van mijn gebed, gelukkig wordt, wie mij gelukkig maakt. Je hebt niet veel, Lief, aan alles wat ik hier zeg; 't is misschien beter, er later eens met je over te spreken, dan zal je, door me vragen te doen, me misschien beter, vollediger gaan begrijpen, dan nu natuurlijk mogelijk is, nu ik alles, wat me zelf niet erg helder is, ook nog gebrekkig zeg. En dat komt omdat ik niet heb, wat jij noemt in je brief: een standpunt. Liever dan te kiezen tusschen streng-geloof en atheïsme, liet ik me maar gedachteloos voort-glijden op den stroom van den tijd, en spande mijn hersens er niet voor in. Dus tot later, hè? Ik ben een beetje in een stille stemming; er ligt iets vaag-triests over mijn gedachten heen, en ik weet niet, hoe dat komt. Ik ben wel een beetje moe, want Veenstra wou zoo dolgraag, dat ik hem eenige van mijn verzen voorlas, wat ik ook heb gedaan. En nu die avond-visite nog. Ik wou, dat ik een beetje rustig kon gaan zitten mijmeren, totdat al mijn onbestemde treurigheid was opgelost in prettiger gedachten... Dag, Lief! jouw Jeanne | |
[pagina 572]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 573]
| |
gevoelend-begrijpende vlak blijven, waarop wij nu met ons beiden staan. En ik verzeker je plechtig: op dat vlak zal ik met jou altijd blijven, want daar houdt mij de mijn-geheele-Zijn-vervullende, onafgebrokene sympathie op, die ik met alles van jou diep voel. Ik kom er als vanzelf toe, om mij tegen jou te uiten over wat er in mijn diepste ziel al zoo omgaat, - 't is iets, wat ik nog nooit en met niemand heb kunnen doen, - omdat ik voel, dat jij 't begrijpen kunt, en dat wat ik hier zei, meer dan toevallige woorden voor je zal zijn. Want anders zouden deze niets anders dan verveling bij je kunnen wekken, en zou je hoogstens zeggen, als je tóch van mij hield, -: ‘och, die jongen, hij is zoo kwaad niet, maar ik begrijp eigenlijk niet goed, waar hij 't over heeft op 't oogenblik.’ Zoover was ik gekomen met mijn brief, toen ben ik gaan lezen in de Juli-afl. van De Jonge Gids, waar een allerkoddigst stukje van Heyermans over mij in staat. Nu word ik soms wel geërgerd door aanvallen op mij, maar hier verraste ik mezelf, dat ik plotseling in mijn eentje begon te proesten van het lachen. (Ik zend je de afl. hierbij.) Waarachtig, het was mij, of een Israëlitische venter mij plotseling met zijn kar tegen het lijf reed, en mij dan nog een standje ging maken bovendien, omdat ‘ik niet had uitgekeken’. Dat doet je nu wel niet prettig aan, maar aan den anderen kant werkt het toch ook ontzettend komisch door den praatzieken ernst, waarmede de grofheid wordt begaan.Ga naar voetnoot1)
Schrijf mij eens, wanneer ‘Hartstocht’ in den handel zal komen. Ik zal nu je Heer van de State ook eens gauw zien te lezen. Ik was er aan begonnen, en vond de eerste dertig bladzijden bizonder goed, maar toen kwam allerlei werk me in beslag nemen. Geloof me, Lief! dat jij er nu bent, dat ik door jou geholpen word, en jou ook mag helpen, - niet zooveel als ik zou willen en kan, maar dat komt nu toch spoedig als ik in den Haag woon, - o, dat geeft me zoo'n heerlijke kracht. Ik ken mezelf niet meer, als ik er aan denk, hoe ik vroeger was, en dat dan vergelijk met nú. Mijn minste bewegingen zijn veel harmonisch-sterker en elastischer geworden, mijn gedachten zijn alle verruimd en verfrischt. Want | |
[pagina 574]
| |
nú weet ik pas waarachtig, wat de liefde is, of liever, nu zie ik pas, dat zij, meer dan lyriek, want ook werklijkheid kan zijn. Lief, 't is zeven uur, nu moet deze weg, als je hem morgen vroeg zult hebben. Met innige liefde jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Liefste, o, Lief! je weet niet, wat je voor me bent, - je weet niet, en ik zal het ook nooit volkomen kunnen zeggen, hoe absoluutnoodzakelijk jouw leven is voor het mijne, - hoe heerlijk-groot de van jou uitgaande kracht is, die me sterkt en steunt en moed geeft, die me, tegen alles wat komt uit mezelf, beveiligt, die me redt van wanhoop-door-mijzelf gemaakt! Want o, ik heb het je al meer gezegd, en het is voor mij bijna iets mystieks: dat je me dikwijls antwoordt, vóórdat ik iets heb gevraagd, - dat je me dikwijls zegt, juist dát, wat, zonder dat je 't weet, ik zoo diep verlang te hooren. Gisteren, Lief, voelde ik me, zonder positieve reden, een beetje stil-droevig en dof, en dacht, zonder dat ik het mijzelf beletten kon, aan allerlei sombere, donkere dingen, - dat was zoo plotseling over me gekomen, want ik was 's morgens nog heel goed. En nu dienzelfden middag, dat ik me zoo voelde, schrijf jij aan mij: ‘...dan kan óns leven zoo mooi, zoo prachtig worden, als nog geen leven op aarde was...’, dus, zonder te weten, dat ik die noodig had, gaf je me, door alles wat je zoo schreef, opbeuring, troost. Lief, vind toch niet, dat ik 't te dikwijls zeg, want, o, ik zeg het zoo dolgraag: je brieven zijn me zoo'n onuitsprekelijke heerlijkheid, en ik heb ze altijd-door-noodig. Lief! O, ik kan er niet meer buiten, ook al hebben ze maar een minimaal deel van de waarde, die een persoonlijke omgang heeft: ze helpen me, ze geven me opwekking, kracht, ze doen me mijn zwaarmoedigheid overwinnen, ze maken, dat ik werklust en volharding krijg. O, Lief, Lief, je brieven, daar leef ik op, daar leef ik voor, tegenwoordig! Liefste, lach me er niet om uit, dat ik je dit vertel, zal je niet? Ik heb van klein kind af, en later aldoor, het sterke, inwendige gevoel gehad, dat mijn leven niet gelijk zou zijn aan dat van het hoofd-deel der menschen, dat er eenmaal een wonder in mijn lot gebeuren zou. En dat wonder, dat ik verwachtte, mijn heele leven | |
[pagina 575]
| |
lang, dat is gebeurd, nu ik jou gevonden heb, Lief! Jij, jij, de man, dien mijn ziel onbewust heeft gezocht, - dien ik vertrouwen kan, als mijzelf, dien ik liefhebben kan met de waarachtige kracht, die ik in mij voel, die mij begrijpt, en die hooger dan alle andere menschen staat! O, is dat geen wonder, Lief, dat ik je liefhebben mag, omdat je ook van me houdt? - jij, de uitsluitend-eenige, die een mensch-man is, zooals ik een mensch-vrouw ben, en. die daardoor alleen mijn natuur, mijn karakter, mijn temperament begrijpen kan. En dit is ook zoo vreemd, zoo iets heel-vreemds geweest: dat ik wist, altijd geweten heb, dat de verandering in mijn lot, de ommekeer, vóór het eind van de eeuw plaats hebben zou, dat ik vóór 1900, òf: boven alles gelukkig, òf: dood zou zijn. En mijn geluk is in 1899 gekomen. Wat ‘Hartstocht’ betreft: Zaterdag of Maandag worden de recensie-exemplaren verzonden. Dat stuk van Heyermans had ik al gelezen, maar om je de waarheid te zeggen, ik had niets van dien idioten onzin begrepen. je vergelijking met dien venter vind ik in één woord prachtig, Lief! Nu eindig ik maar weer, want ik moet nog aan mijn broer schrijven, en voor tweeen mijn bundel aan Veenstra terug-zenden, waarin ik de volgorde nog wat veranderen wou. Dag, lieve, lieve Lief!
Met teedere zoenen-van-liefde
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 576]
| |
Maar 't begint donker te worden, en mijn lamp is nog beneden, ik daal dus ook maar de trap af.
O, Jean, daar moet ik je wat vertellen. Ik had beneden thee gedronken, maar de post kwam niet op het gewone uur. Ik liep weer naar boven, een beetje treurig, want ik dacht, dat de post wel eens voorbij kon zijn gegaan, omdat hij niets voor Parkzicht had. En ik liep me op mijn kamer ongerust te maken, denkende, dat je misschien ziek was of zoo. Ik weer naar beneden; 't was half negen; geen post te zien. Eindelijk kwart voor negenen, daar kwam hij. 't Was de zoo genoemde ‘mooie’ postman, die altijd te laat komt, omdat hij wegens zijn ‘mooie’ gezicht, waar ikzelf echter nooit iets ‘moois’ aan heb kunnen merken, door de dienstmeisjes in de buurt aan de praat wordt gehouden, onder het genot van vele kopjes thee. Die thee-don-Juan bracht me een heerlijken brief van jou. En ik weer naar boven, om mijn daaglijksche lieve avondvreugd in mijn eentje te genieten! O, Jean, ik vind het zoo heerlijk, dat het jou óók pleizier doet, met mij geëngageerd te zijn, - o, verrukkelijk geluk! Want ik ben heelemaal geen solitair in de liefde, zooals zoovele andere mannen, geloof ik, zijn. Ik zou je bijv. heelemaal geen zoen willen geven, als je dien zoen bepaald onaangenaam vondt. Tenminste, ik zou er niet het tiende van het pleizier door krijgen, wat ik er nu bij ondervind. Ik wou je nog even twee dingen vragen, Lief. Ja, je schetsen, - ik dacht al: zou ik daar nooit eens iets van mogen lezen? En dan: heb je een copie van al de verzen voor je nieuwen bundel, ook die je mij nog eens apart gestuurd hebt onlangs? O, Jean, het is nu bij twaalven, maar ik kan nog niet naar bed, vóórdat ik je even in je gezicht gezegd heb, dat ik zoo verschrikkelijk, zoo ontzettend veel van je houd. Ik kan het niet volkomen uitdrukken door woorden: ik voel het trillen door mijn heele ziel, door al mijn zenuwen, door alles, wat in mij en aan mij is. Jij bent het, jij bent het, de eenige-voor-altijd, de mensch, die al was en ook is en steeds wezen zal. O, een blik van je oog, een druk van je hand zou me in den hemel der hemelen brengen, en alleen maar het weten, dat jij leeft, maakt mij dees aarde tot een hemel, maakt mij het leven tot een paradijs. Ik heb je hartstochtelijk, eindeloos lief, ik ben je gedweeë eigendom, ik zal je verrukken door de zachtheid mijner liefde, ik zal je bezaligen door den gloed mijner ziel. | |
[pagina t.o. 576]
| |
![]() WILLEM KLOOS - NIEUWSTE OPNAME
| |
[pagina 577]
| |
Jij bent fier en hoog als de grootsten, omdat je bent van hun geslacht, en toch ben je zacht als de engelen, voor wie de avondwolken als dons zijn, - en o, je bent eerlijk en klaar als géén. Ik heb je lief met de macht van een golf uit de' oceaan, die breed en weelderig langs je heen-glijdt, ik zal voor je zijn als een teeder-kleurige morgenhemel, in wiens diepte je zalig heen en weer zweeft, ik zal voor je wezen als een rozige avondlucht, die je met gloeiende zachtheid omvangt. Lief, ik heb je lief, voor nu en altoos.
Teeder-zacht kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, wat een verrukkelijk-heerlijke brief was dat van je, de brief, dien ik om half vijf kreeg! O, ik ben altijd zoo innig en zalig blij, als ik zoo merken kan, dat je je gelukkig voelt, en als ik dan denken mag, dat dit een beetje komt door mij, - o, Lief, ik kan je niet zeggen, wat een echte, heerlijke vreugd me dat is. O, wat je van dien postbode schreef, dat is precies 't zelfde, wat ik ook zoo dikwijls ondervonden heb, en dat ik dus precies met je meevoelen kan, - o, Lief, 't is wel egoïst van me, maar ik vind 't heusch prettig, dat je 't naar vond, toen je dacht, dat er van mij geen brief zou komen. Want ik merk daaruit, dat je wel eens naar mijn brieven verlangt, en ze een beetje pleizierig vindt. Die Thoreau is echt een beetje een oude zanik. Je krijgt soms lust, hem eens ferm door elkaar te schudden, en hem toe te roepen: ‘Man, gebruik toch in 's hemelsnaam geen honderd woorden, als je 't met tien afkan, je zou er vrij wat duidelijker en onderhoudender door zijn.’ Soms, als ik in een opgeruimde stemming was, schaterde ik 't wel eens plotseling uit om zijn naïeve beweersels, maar ook wel, als ik me een beetje landerig voelde, wou ik het boek wel van me afschuiven met een harden zucht van ongeduld. Ik ben vandaag den geheelen dag aan het vertalen geweest, maar het ging gelukkig nogal vlot, moet ik zeggen. Het zal wel gaan, Lief, het zal wel gaan; ik mag graag zoo iets hebben, waarbij ik mijn inwendige krachten een beetje noodig heb; dat maakt me, als 't ware, zelf veerkrachtiger en sterker, hoe meer ik ze gebruik. | |
[pagina 578]
| |
Ja, Lief, alle verzen, die ik noodig had voor den bundel, had ik in mijn bezit. Maar ik heb er een heeleboel niet gepubliceerd; je zal waarschijnlijk wel merken, welke ik achter heb gehouden. Veenstra was zoo geschikt, om tegen me te zeggen, dat ik, al had hij den bundel ook al gekocht, er nog alles aan mocht veranderen en uitlaten, wat ik wou. Ik veronderstel, dat je nu in den loop der volgende week wel de eerste proeven zult krijgen, want ik laat ze aan jou sturen, - goed, hè? Wat die schetsen betreft, Lief, ja, natuurlijk mag je ze allemaal lezen, als je wilt. 't Is het wekelijksch feuilleton voor De Hofstad, ik heb er je in Bussum wel eens een paar bladen van laten zien. Je moet er niet veel van verwachten, hoor! ze zijn soms heel vluchtig gedaan. O, Liefste, vandaag precies over drie weken kom je hier, - o, wat zal dat allerheerlijkst zijn! Hoe lang denk je, dat je zal kunnen blijven, Lief? Ja, ook voor de menschen vind ik 't zoo prettig, dat je komt, want ik ben in 't begin al zoo lang in Bussum geweest, en kom er nu waarschijnlijk in September wéér, en dan zou 't zoo erg den schijn hebben, of ik 't was, die niet buiten je kon, vind je dat óok niet een beetje, Lief? Ik dacht er ineens aan. En nu mijn lieve, liefste Lief, is het zoo langzamerhand posttijd geworden. Ik leg mijn arm om je hals, en kus je heel zacht en innig. Dag, lieve Lief!
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 579]
| |
bepaald punt. Een materialist ben ik heelemáál niet, en ik meen zelfs, dat het materialisme tegenwoordig, als men exact-wetenschappelijk den boel bekijkt, als een verloren standpunt moet worden beschouwd. Ik houd mij, zooals ik al zei, echter liefst volkomen neutraal. Begrijp je niet, Lief, dat het mij innig pleizier doet, dat jij in hoofdzaak er óók zoo over denkt? O, Lief! ik was na de koffie weer naar boven gegaan, niet denkende, dat er nog iets van je zou komen. Maar jawel, nauwelijks was ik op mijn kamer, of daar kwam het meisje boven met een brief van jou. Dank, Lief! Vanavond komt de schilder Marius Bauer bij mij schaken, heeft hij vanmorgen op straat tegen me gezegd, toen ik hem tegenkwam. Ik zal dus vanmiddag, dat is nú, behalve mijn gewonen brief, die vóór 8 uur op de post gaat, ook nog den brief schrijven, dien ik 's avonds anders schrijf, en 's morgens daarna op de post doe. Daar zal ik wel den heelen middag voor noodig hebben, want Juffr. Linn zit beneden zóó op de piano te tokkelen, dat ik telkens een gevoel krijg, of ik brandnetels in mijn ooren heb. Ik kan dus toch niet geregeld doorschrijven, en ga van tijd tot tijd op mijn balcon staan, waar ik het een beetje minder hoor. Neen, ik ga maar een uurtje wandelen, 't is niet uit te houden.
Daar had ik juist mijn hoed opgezet, en mijn stok genomen, toen hield ze, gelukkig! plotseling op, en ging naar boven. Ze gaat nu, hoop ik, uit. Neen, ze begint tóch weer. Ze ging weer naar beneden. Ik zet deze bij Koderitsch voort. O, Lief, wat zal dat heerlijk worden, als wij later altijd bij elkander zijn. We zullen lachen, dat verzeker ik je! Ik zie ons leven-in-de-toekomst al, met naar buiten een vriendlijk-bepleisterden, lachrimpelenden muur, maar daar-binnen, tusschen ons tweeën, wordt het als een wide, zwaar-overloofde, hier-en-daar zonnig-geplekte tuin, waar wij wandelen of zitten, of ons in 't Bras vlijen tegen de helling van stijgende gedachten, of van weelderig-golvend gevoel. Met ons eigenlijk binnenste heeft geen sterveling iets te maken: ik had vroeger, als ik zoo bij mij zelf fantaseerde, wel eens de gedachte, dat ik hier op aarde eigenlijk zoo'n beetje verdwaald was maar, en dat ik meer thuis behoorde op Mars of zoo'n andere planeet, maar voor jou sta ik altijd open: o, doe jij dat ook voor mij! Je hoeft heusch | |
[pagina 580]
| |
nooit bang te zijn, dat je mij vervelen zou met je zelf-openbaringen, want alles wat je zegt is, hoe menschelijk-begrijpelijk ook voor mij, het tegenovergestelde van vervelend of banaal. Ik kan er zoo heelemaal inkomen, en 't lijkt mij niet iets vreemds en apart-van-mij-staands, maar toch, telkens meer! iets nieuws, iets boeiends en moois. O, Jean, jij bent het, jij bent het en jij alleen! Maakt je dat misschien een beetje gelukkig, lieve Schat? Ik ga nog maar wat door, want ik zit nu rustig hier op mijn kamer. Juist toen ik op de vorige bladzij geschreven had, dat ik naar Koderitsch moest gaan, hield Juffrouw Linn nógmaals op. En ze is nu tenminste al een minuut of 20 stil geweest. Lief, wil ik je eens iets zeggen, wat je nog niet wist? Jij bent voor mij precies een verwerklijkte droom. Ik heb altijd van een meisje, ongeveer zooals jij bent, gefantaseerd, maar dan moest ik toch weer tot de conclusie komen, dat zoo iemand alleen in mijn verbeelding kon bestaan. En nu moet ik je eerlijk zeggen: jij bent veel mooier en beter dan wat ik me vroeger ooit had durven voorstellen, vroeger, zeg ik, vóórdat ik wist, dat jij bestond. Jij hebt voor jezelf je dingen die je je ‘fouten’ noemt. Maar ik moet je ronduit zeggen: ik heb nog geen enkele karakterfout in je ontdekt, en wat jij je fouten noemt, waren niets anders dan stemmingsvergissingen, waardoor je den boel wat anders gekleurd zag, dan hij in de ware werklijkheid was. En denk nu niet, dat dit komplimenten van mij zijn, dat zou flauw van mij wezen, almachtig flauw, want voor komplimenten sta jij veel te hoog. Ik zeg je de dingen precies naar waarheid, zooals ik ze zie en voel. En je kunt dat gerust van mij aannemen, want ik heb bij sommige menschen den naam van erg ‘achterdochtig’ en ‘kwaaddenkend’ te zijn. Maar het heeft mij altijd willen voorkomen, dat die aanklacht slechts een grof soort van zelfverdediging om eigen schuld te bemaskeren was. Want mijn intuïtie is misschien niet zoo groot als de jouwe, maar toch tamelijk groot. Gaat men nu echter zoo'n intuïtief gevoel, dat men heeft gekregen over een ander mensch, eenigszins bewust voor zichzelf maken en in reëele bijzonderheden uitwerken, dan zal het natuurlijk wel eens gebeuren, dat zoo'n bijzonderheid, waartoe men, in zichzelf, door zijn intuïtie heeft gekonkludeerd, niet geheel en al klopt met de objektieve werklijkheid buiten ons. Maar daarom mag toch nog niet uit zoo één gedeeltelijke vergissing, de gevolgtrekking gemaakt worden, dat de totale intuïtieve indruk óók verkeerd is geweest. Vind je niet, dat ik daarin | |
[pagina 581]
| |
gelijk heb, Lief? Die totale indruk van mij kwam dan ook altijd uit. Vind je me niet een beetje zwaar, lieve Jean? O, mijn hart bonst in mijn borst bij de gedachte, dat ik je helper mag zijn, en dat je heelemaal niet het land aan mij hebt, en dat ik van jou houden mag, zooveel maar als ik wil.
Met een lief-teederen kus
jouw eigen Willem
Zoo meteen begin ik aan mijn brief voor morgenochtend. | |
[Ongedateerd]O, Lief, jij hebt zoo duidelijk kunnen zeggen, wat ik niet goed uit te drukken wist, over dien aandrang tot bidden. Ik geloof, dat, als je Jong bent, 't dikwijls een levenskwestie voor je is, dan zoek je naar een besliste overtuiging, - maar, och, met de jaren komt de berusting, en het geduld om te wachten tot eenmaal misschien vanzelf de oplossing komt. O, Liefste, zeg toch nooit, vraag toch nooit: ‘vind je mij niet een beetje zwaar’? Want juist dát je zoo over allerlei dingen met me praat, dat geeft zoo iets bizonder-heerlijks, zoo iets aantrekkelijks aan je brieven, zoo iets om er aldoor-naar-te-verlangen, Lief! O, brieven van ‘minnaars’ zijn gewoonlijk zoo heel weinig belangrijk, zoo oppervlakkig en onbeteekenend en altijd vol banale complimentjes en verliefderigheden. Maar door jouw brieven, Lief, krijg ik zoo'n innig-intiem genot, - ik voel zoo, dat je me iemand vindt, waarmee je spreken kan, en dat verheft me véél meer in mijn eigen oog, dan wanneer je voortdurend zei: ‘wat ben je toch lief en aardig’ enz. En daarom, Lief, als jij zegt, dat je van me houdt, dan verrukt me dat tot diep in mijn ziel, omdat ik begrijp, dat het waarheid is, en geen toevallige, voorbijgaande stemming. O, de vreugd van je brieven, van ieder woord, dat je zegt! Ik herinner mij ineens gisteravond geschreven te hebben, in verband met jouw komst hier en mijn komen in Bussum ‘dan zou 't zoo erg lijken, of ik 't was, die niet buiten je kon’. Maar nu wou ik er dit nog even bijzeggen, Lief: dat ik niet buiten je kan, is waar, maar het komen van Ma, Jacq en mij in September in Bussum is louter toeval; ik bedoel, dat, als ik niet met jou geengageerd was, wijdrieën dan toch in Bussum waren komen logeeren, begrijp je, Lief? | |
[pagina 582]
| |
Maar iedereen denkt natuurlijk, dat het evenals in Mei, opzettelijk van mijn kant komt, nietwaar? Daarom vind ik het ook zoo prettig, dat jij vóór dien tijd nog eens in den Haag komt; en het heeft bovendien nog practisch nut ook, want je kan dan eens kamers gaan zien, wanneer zou je dat anders moeten doen, hè, Lief? O, dat ik niet buiten je kan, dat is wáár. Ik had nooit gedacht, dat ik, de volgens-mijn-eigen-beschouwing onafhankelijke en sterke, zóó erg iemand noodig zou hebben, zóó erg behoefte zou krijgen aan iemand's steun. Ik zeg het je zonder terughouding, Lief: ik zou niet meer kunnen leven zonder jou, ik zou zelfs niet meer weten, hoe ik leven moest! Want mijn ziel is het zóó gewoon geworden, in alles te vertrouwen op jou, in alles, alles jouw raad te vragen, over alles jouw oordeel te willen weten, dat ik zonder jou volkomen hulpeloos zou zijn, veel onveerkrachtiger, zwakker, machteloozer, dan ik vroeger ooit was, toen ik maar voor mezelf moest zorgen en dat ook betrekkelijk goed kon. Jij bent mijn Alles, mijn Alles, mijn Alles, Lief! O, 't maakt me zoo zielsgelukkig, als je wel eens zegt, dat jouw intuitie over mij is uitgekomen. Dat geeft me zoo'n gerust, zoo'n veilig gevoel tegenover jou, omdat ik daardoor weet, dat ik me altijd volkomen tegen je uitspreken kan, en dat je me toch begrijpen zal. Ik ben het ook zoo volkomen eens met wat je zegt, dat uit een gedeeltelijke vergissing nog niet geconcludeerd worden mag, dat de hééle intuïtieve indruk verkeerd is geweest. Want als alles volkomen sloot, dan moest men wel een bovenmenschelijke macht hebben; voor menschen is het al zoo bizonder en opmerkenswaard dat zij een intuïtief gevoel bezitten, dat niet altijd fout blijkt te zijn. Is 't niet zoo? Ik zend je veel innige zoenen. Tot vanavond dus weer!
Als altijd en voor altijd
jouw eigen Jean | |
[pagina 583]
| |
Neen, dat ik zoo blij ben, met jou geëngageerd te zijn, dat voel ik aldoor even sterk. O, ik zou best met jou in een hok willen zitten, als de menschen maar niet naar ons kwamen kijken, en dan zou ik, o, wonderlijk-gelukkig zijn. Als je nu een meisje-van-gewone-bewegingen was, dan zou je alle reden hebben en groot gelijk, om je hier te verontwaardigen. Verbeeld je toch, wat een galante aanstaande, die zijn meisje in een hok zetten wil! Maar ik zeg je immers, Lief, ik zou er je niet alleen in laten, ik zou er zelf bij gaan zitten, even goed door de tralies omsloten als Uwe Majesteit in hoogst eigen persoon. O, ik zou heel zoet zijn, en aldoor lieve woordjes zeggen, en nooit meer van je vandaan willen, al was de ruimte ook nog zoo klein. Maar Jean zegt: ‘Ik zou je hartelijk danken, hoor! ik leef liever op mijn eigen gelegenheid, zónder tralies en zónder zoo'n stouten jongen bij me als jij!’ Waarop Willem droevig kijkt, en zegt, dat hij 't heelemaal niet kwaad heeft bedoeld, en dat het alleen maar een rare inkleeding was, om duidelijk te maken, dat hij zoo graag dicht bij zijn Jeanne wou zijn. ‘Maar druk u dan tenminste wat netter uit,’ zegt de trotsche Jean, terwijl haar lipje omkrult, ‘zulke fantasieën bevallen mij niet, Mijnheer!’ En Willem blijft treuren, en strikt zijn dasje goed, terwijl hij zijn vijf vingers als spiegel gebruikt, en klaagt dan, dat Jean hem heelemaal niet begrijpt. Want verliefde menschen vroeger verbeeldden zich wel eens schaapherders te zijn, terwijl toch in werkelijkheid een schaapherder een heel ruw mensch is. Zou dus een geëngageerd paar van tegenwoordig zich niet mogen verbeelden een paar eekhoorns te wezen, die toch vlugge en elegante wezentjes zijn? Ja, Jean, ik wou heusch, dat wij allebei eekhorens waren, met sierlijk gepluimde staarten en oogen als kristalletjes. Maar dan niet in een hok natuurlijk, o, neen, in de boomen. Daar zaten we elkander dan na, al springend langs de takken, zoo gauw alsof wij vlogen, met glanzend bruine jurkjes en jasjes aan. Vind je me flauw? Och, Lief, dat komt omdat ik zoo onschuldig verliefd ben als een pasgeboren kind. O, jé, daar viel, terwijl ik even indipte, een druppel inkt op mijn papier.
Ik moest hier gaan eten, en na den eten kwam Bauer schaken; daarna schrijf ik nog even verder. Ik voel me maar niet zoo gewoon met je geëngageerd, neen, ons engagement heeft voor mij een dieperen zin, dan al de gewone | |
[pagina 584]
| |
menschelijke dingen, die er meestal aan vast zitten, waar de groote hoop ook allemaal aan doet. Wij lijken in de soort van ons intieme, inwendige gevoel zoo wonderbaarlijk op elkaar. Je klaagt je intieme treurigheid wel eens voor mij uit, maar dan verschijn je mij niet als een mensch met haar eigene, mij persoonlijk-vreemde dingen, waar ik alleen maar veel sympathie voor heb, omdat ik nu met haar geëngageerd mag zijn. Neen, Lief! 't is of ik mij zelf hoor, of ik mijn zuster-naar-den-geest hoor klagen: 't is of ik een echo hoor van mijzelf uit vroeger tijd; er zit wel je eigen persoonlijke nuance in, en je doet een beetje anders omdat je een vrouw bent, maar de quintessentie is toch precies gelijk aan wat ik zelf heb gevoeld en gedeeltelijk nòg voel, ofschoon ik door mijn wat langeren loop van jaren er verder in ben dan jij, en er wat vrede en harmonie in heb weten te brengen, die ik nu zoo blij ben te hebben veroverd, omdat ik er nu jou ook mee zal kunnen helpen en je gauwer zal kunnen verder brengen, dan je uit jezelf en alleen had kunnen doen. O, Lief, je diepste onbewustheid voelde, dat je misplaatst zou zijn naast iederen anderen man, zooals ik weet, dat ik nooit bij een andere vrouw zou passen dan bij jou-alleen. Wij hooren bij elkaar, en wij hebben elkander nu, o, laat het dan altijd voor je geest vast staan, dat het op niets anders zal uitloopen dan op jouw eindelijk, rustig geluk, waardoor de mensch, die je het naaste staat, óok gelukkig wordt. Want je zult niet alleen zèlf gelukkig worden, neen, je zult mij ook gelukkig maken, door de zuivere mensch te wezen, die jij altijd bent. Begrijp je Lief, dat ik je liefheb, dat ik je liefhebben wil en liefhebben moet? Jij bent het Lief-van-mijn-Ziel, en dat zal je altijd wezen. Mag ik dat ook van jou zijn, eenig Lief? Met een teederen kus jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, ja, jij, jij bent het Lief-van-mijn-Ziel, het Lief-van-mijn-Leven, en dat zal je altijd blijven, door alle komende jaren heen, tot aan het uiterste toekomst-eind! Lief, jij bezit de absolute liefde van mijn hééle Zijn, de volkomen toewijding van al mijn innerlijke kracht, den algeheelen omvang van mijn diepste gevoel. O, alles is immers voor jou, lieve Lief! Mijn wil, mijn verstand is van jou, - mijn wenschen, mijn voelen, mijn leven, mijn heele leven is van jou, Lief, van jou-alleen. O, en die volmaakte-overgave-van-mijn-bestaan aan jou, die maakt me zoo zalig, zoo zalig, Lief. | |
[pagina 585]
| |
Ik heb er wel even om moeten lachen, Liefste, omdat je het zoo grappig voorstelde, dat samen-zijn in een hok, maar je zegt: ‘dan zou ik, o, wonderbaarlijk-gelukkig zijn...’ en ik geloof, dat ik dat óók zou wezen, Lief! O, met jou ergens te zijn, heelemaal geïsoleerd van alles om ons heen, en dan niets meer denken, niets meer doen, eigenlijk niet meer leven zelfs, - niets anders voelen dan een vage gewaarwording-van-weelde om ons heerlijk bij-elkander-zijn. O, Lief, ik wou, dat je me in je armen nam, en dat ik dan zóó mocht verdroomen àl mijn uren, àl mijn dagen, àl mijn jaren, mijn hééle leven, zoodat mijn aardsch bestaan niets was dan een zalige waan, waaruit ik nooit meer, nóóit meer hoefde te ontwaken. Ja, ik wou weg-weg-zinken in een bedwelming-des-doods, die machtiger en een weelderiger genot gevender was dan éénige levensdaad, dan éénige werkelijkheid! O, Lief, geloof jij ook niet, dat het ware geluk meer in rust dan in actie ligt? Lief, jij bent de liefste, de meest-goede, de eenig-absoluut-zuivere mensch, die er op de heele wereld bestaat! Ik heb je lief, ik moet je liefhebben, omdat jij de uitsluitend-eenige bent, wiens Zijn met het mijne harmonieert, - dien ik bewonderen moet en vereeren kan en vertrouwen, - die is volkomen en in alle opzichten zóó als Hij moet zijn, aan wien ik de intimiteit van mijn ziel volmaakt kan openbaren. O, Lief, soms voel ik plotseling, snel maar sterk, het hevig verlangen in me, om even mijn arm om je hals te slaan, en je toe te roepen: Ik heb je lief, voor altijd en altijd heb ik je lief!... Zou je 't dan niet weten, Lief, dat 't de waarheid was, de onwankelbare, de eeuwig-waarachtige? En zou je dat een beetje echt geluk geven, Lief? Ik heb je lief, ik heb je lief, o, mijn Zielslief, o, eeuwige Schatvan-mijn-Leven! Met innig-teedere zoenen kust je
jouw eigen Jean | |
[pagina 586]
| |
maken, dat ik twee brieven voor je krijg. Eén doe ik dan op de post vóór den eten, en de andere vanavond vóór acht uur. Die ontvang je dan allebei Zondagochtend, en zoo krijg je tenminste, óók op den Zondag, je gewone ‘rantsoen’. Ik vind het zoo heerlijk, dat je mijn brieven prettig vindt: want, zooals ik je al eens schreef, ik zit er nooit over te denken, wat ik eigenlijk schrijven zal. 'k Schrijf alles, zooals 't in mij opkomt, spontaan, en dat mijn geschrijf je aangenaam aandoet, bewijst dus, dat mijn innerlijke natuur een essentie is, waar je 't in je verdere leven mee zult kunnen vinden, Lief! Nu ga ik je wat kwaads van mezelf vertellen; ik heb een groot gebrek, dat is: slordigheid. Je hebt het wel gemerkt, toen je in Mei iederen dag op mijn kamer kwam, o, heerlijke tijd! Op een gedeelte van die slordigheid zou ik nu graag willen hebben, dat je wat lette, zoodra ik in den Haag ben. De slordigheid van mijn uiterlijk n.l. Want ik ben niet expres-slordig, dat begrijp je, hoop ik, wel: ik denk er alleen maar niet om, om het niet te zijn. Juist toen ik dit geschreven had, werd er een Ansicht-postkarte voor me boven gebracht van Hein en Dien. Ik stuur hem je voor de aardigheid. Wit je hem voor ons bewaren, als een herinnering voor later? Luister eens, Jean: jij bent een engel in de gedaante van een mooi meisje. Neen! geen protesten! Je bent mooi. 't Kan me niets schelen, wat er in de Handboeken over schoonheid staat, en ook niet, wat jij meent te zien, als je jezelf in den spiegel bekijkt. 't Kan mij alleen schelen, wat ik zelf zie. En op mijn netvlies teekent zich een heel mooi beeld, dat sprekend op jou lijkt, en waar mijn ziel door gaat dansen van jubelende vreugd, alleen door 't gezicht maar. O, Lief, ik voel me met jou, alsof ik in een zomer-avondhemel kijk, door je heele licht-fijn-kleurige manier van doen. Ik denk wel, dat ik een week zal kunnen blijven, totdat jij bijv. bij Veenstra Walden hebt afgeleverd. Misschien kan ik je op 't laatst nog een beetje helpers. Ik moet je nu toch nog even zeggen, dat ik je zoo liefheb, zóó innig en teen, en toch zoo vast en groot en ruim, als ik vroeger alleen in mooie, stille, halve sluimering wezens aanbad, die alleen in mijn droom-verbeelding leefden, en waarvan ik dan later verzen maakte. O, wat toen een ver-affe onwerklijkheid was, dat leeft nu waarachtig en wil met mij zijn, mijn heele verdere leven! Ik wou zoo, dat je voelen kon van jezelf, wat ik voel door jou, want dan zou je gelukkig | |
[pagina 587]
| |
zijn, dan zou je heelemaal je eigen waarde begrijpen, en dan zou nooit meer de gedachte bij je opkomen, zelfs niet in de verste verte: Waarom leef ik eigenlijk toch? Je wilt voor mij leven, maar als je voor mij leeft, leef je ook voor jezelf, omdat je in mij de vlam der eeuwige liefde ontsteekt, die jou geheel omstralend, je 't leven zal maken tot een bloeiend en belangwekkend paradijs. Ik ben van jou, begrijp je dat, Lief? De gloed van mijn aanbidding, mijn wil en kracht en alles is van jou! En ik zeg dit niet in een lyrische verrukking, maar in een diepe overtuiging, die onsterfelijk leeft. O, dat jij leeft, dat het bloed door jouw aderen henen-stroomt, als de vloed op zee, o, dat je inwendig jubelt, als je 't zonlicht aanziet, omdat ik in die zon wil wandelen met jou! O, Jean, ik heb passie en trots en kracht, - maar mijn passie is als een waterval, hoog-opglanzend in gouden zongloed, die als een breed, blauw meer met zachte deining zal vallen en liggen blijven in je ziel. O, geef me ook jouw kracht, als ik me die waardig maak, dan zullen we als een paar jonge goden in breede vlucht zweven door de oneindigheid der menschenvreugd. Ik heb jou lief; hoe ik mezelf ook onderzoek, ik heb je eindeloos, vlekkeloos-heerlijk, machtig-kalm, ik heb je hemelsch lief.
Voor het leven en daarna
jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 588]
| |
je zielsomstandigheden wat veranderen. Wat jij voor mij bent, zal ik er naar streven, om ook voor jou te zijn. Ik zou wel eens willen zien, dat wij niet met ons beiden, zooals wij zijn, tot hooge klaarheid zouden weten te komen, zoodat wij ons van tijd tot tijd kunnen verheffen als boven het leven, om er van uit de hoogte op neer te zien als op een verwarden en ellendigen droom. Hetzelfde rustige, breed-schoone gevoel, wat ik somtijds heb, als ik op mijn kamer zit en aan alles zoo eens denk, dat kunnen we, dat zullen we met zijn beiden nu krijgen, zoodat we elkander klaar-lachend aanzien en lieffluisterend niets anders zeggen als: We hebben 't hier toch wel goed met ons beiden; de rest is hoogstens voor ons een object van emotie, welke zich ook wel soms uit in daden naar buiten, maar wij tweeën zijn toch voor onszelf de eigenlijke, de eenige wereld, al leven wij ook, soms praktisch optredend, in de krankzinnige woeling der schijnwereld om ons heen. O, mijn heele kracht zal voor jou zijn, Lief! want ik wend mij heelemaal toe naar jou. Voel je wel, wat het is, als er een man naast je staat, in alles mèt jou, die niet je meester is en niet je beheerscher, maar je mede-voelende mensch? O, Lief, ik heb je onnoemelijk lief! En het is mij niet te doen, om je te kussen, al zal de kus van je lippen mij altijd wezen als een bedwelmende wijn, die mij verrukt, - het is mij in de eerste plaats te doen, om met je mee te voelen, om, als gevoelig mensch jouw fijnst zieleweefsel te leeren kennen, en dat dan te doortooveren met blijvend geluk. Daar gaat kracht van mij uit, zeg je, Lief! o, geluk!... Dat ik jou tenminste een beetje kan doen deelen in de zaligheid, die jij mij door je liefde geeft. Herinner je je nog, Lief, dien eersten dag? Zoodra ik je daar glimlachend zag staan op het Bussumsche perron, wist ik, wist ik, dat jij het moest zijn! Dat jij de mensch zou wezen, waarvoor ik mocht knielen, die met mij en door mij gelukkig zou zijn! Ik deed wat stiff en wat vreemd toen, vond je niet? Dat komt, omdat ik eigenlijk zoo'n verlegen mensch ben. Niet in gewichtige oogenblikken, als het er op aan komt, - dán voel ik wel de wilskracht, en dan doe ik precies, wat er gedaan moet worden, zonder mijzelf-verzwakkende reflectie, streng-bedaard en met energie. Maar in den omgang met andere menschen zoo gewoon-weg, ben ik dikwijls verlegen, al heb ik mijzelf op mijn nu flink-mannelijker leeftijd wel zoover weten te brengen, dat de verlegenheid bijna geheel inwendig blijft zitten, en er uiterlijk niet heel veel van blijkt. | |
[pagina 589]
| |
Lief, ik ben hier tusschen door gaan eten, en het is nu zeven uur: deze moet dus weg.
Met diep-teedere liefde
jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 590]
| |
goed den heiligen indruk beschrijven, dien die brief op mij maakte. Het eenige, wat ik nu kan doen, is je wat vertellen, dat je wel grappig zult vinden, en waar je om zult lachen, hoop ik. Er is een bloemlezing van Hollandsche dichters verschenen, getiteld J.B. Meerkerk Een Boek met Verzen, waarin één vers van jou en twee van mij zijn opgenomen. Het boek is bestemd voor leerlingen van H.B.S. en Gymnasium, en aan het eind van ieder vers staan vragen, die de leerlingen moeten beantwoorden, als ze eerst zoo'n vers uit hun hoofd hebben geleerd. Het vers van jou is het laatste uit Impressies: Gedichten. En de vragen erbij gedrukt, zijn deze: Waarvan is de dichteres misschien niet heel zeker? - Heeft ze haar best gedaan? - Met hartebloed schrijven, wat beduidt dat? - Ze vraagt voor de gedichten bewondering en eerbied, mits ze ook... wát zijn? - De dichter zal dus ook, behalve dichter, wat nog meer moeten wezen? - Kunt ge dat tweede couplet verklaren? - En na aandachtige lezing van het derde couplet, kunt ge dan in eigen woorden zeggen, welke eischen ze aan een goed vers stelt? Hoe vind je zoo iets, Lief? Ik heb eens de proef genomen met de vragen, die staan achter de twee verzen-van-mij in deze bloemlezing, en geprobeerd die te beantwoorden. Maar ik, die de verzen zelf gemaakt had, en die bij de overlezing ervan ieder woord weer in zijn preciese beteekenis voelde en begreep, ik moest toch tot de conclusie komen, dat ik die vragen niet kon beantwoorden, als ik niet eerst mijn eigen vers als vers weg-cijferde, en het began op te vatten als een soort notariëele acte, geschreven met een nuchterverstandelijk doel van stipt-praktischen aard. Van mij is opgenomen ‘De Zee’, en ‘Ik ween om bloemen’. Ik vind dit boek alleen geschikt, om bij de jongens allen zin voor literatuur, die in hen mocht sluimeren, voor goed te verstikken. Ik zal er, denk ik, voor September een Literaire Kroniek over schrijven.
O, Lief, ik voel me zoo vreeselijk-heerlijk opgewekt door je lieven brief van vanmorgen. Vanmiddag zal ik hem een beetje beantwoorden, als het concert eindelijk en ten laatste zal opgehouden zijn. De brave Verster, die er vlak boven zit, heeft het nog een beetje harder te verantwoorden dan ik. Hij is veel muzikaler dan ik en speelt zelf goed piano; maar zoodra hij dit hoort, vliegt hij de straat op, want zijn penseel, waarmee hij wapens zit te schilderen, begint dan in zijn handen te trillen. | |
[pagina 591]
| |
Nu heb ik beneden koffie gedronken en Juffr. Linn houdt zich stil. Ik heb nu je verrukkelijken brief nog eens gelezen, en ik zeg je dit. Lief! uit mijn diepste ziel. Jij geeft je zoo aan mij, Lief, maar vergeet toch nooit, dat ik mij even zoo aan jou geheel geef. Wil ik je eens duidelijk maken, wat ik daarmee bedoel? Gesteld, je had een kwestie, waarin ik moest voelen, dat je ongelijk had. Dan zou ik dat wel op een zachte manier, onder vier oogen tegen je zeggen, maar voor de menschen zou ik toch één met je blijven en voor je opkomen met mijn subtielste verstand en mijn suggestief vermogen, op een wijze zooals ik zelfs niet voor mijzelf zou doen. Ik durf dit tegen je te zeggen en het je te beloven, omdat ik weet, dat je niet alleen impulsief gevoel maar ook oordeel en zelf-respect hebt. Ik heb nog nooit zoo tegen iemand gesproken, maar mijn diepste gemoed dwingt mij er toe, om het tegen jou te doen, omdat je je natuurlijk ook wel eens, zooals de allerbesten, zult kunnen vergissen een enkel keer, maar overigens zoo klaar bent als kristal. Ben ik duidelijk, Jean? O, ik heb je lief, - ondoorgrondelijk lief, zelfs voor mijzelf onpeilbaar, lief! En dat word ik mij hoe langer hoe blijder bewust. Het is kwart over tweeën, lieve Schat, en dezen breng ik nu naar de post. Want als hij daar voor drieën komt, dan krijg je hem Maandagmorgen met de eerste lichting, geloof ik. Vanmiddag of vanavond schrijf ik je nóg een brief, dien je dan om één uur krijgt.
Voor altijd en met mijn geheele Zijn
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ik wou, dat ik je nu eens heel-helder zeggen kon, wat een heerlijk, verrukkelijk pleizier je me gegeven hebt door die beide brieven vanmorgen (Zondag) van je. Want o, die Zondag, dat is altijd zoo'n dof-vervelende, droge dag, en bovendien behoor ik dan niet heelemaal aan mezelf, en kan niet alles doen wat ik wil. En juist nu, nu ik zoo graag elk minuutje benutten wil om te vertalen, is gedwongen werkeloosheid zoo'n kwelling voor me. Soms voel ik me een beetje gejaagd en onrustig, omdat ik mijn daaglijksche taak niet klaar krijg, en veel, veel meer zou willen doen, dan ik blijkbaar kan, - maar dan komen je brieven, die me dadelijk | |
[pagina 592]
| |
Beruhigung en kalmte geven, - dan is 't, of een zachte hand zich op mijn voorhoofd legt, en ik je zeggen hoor: Alles zal goed gaan, alles zal best gaan, Jean, wees maar gerust. Ik geloof, dat ik je nooit, heb gezegd, wat je brieven voor me zijn! Als ik een beetje down ben, dan vind ik er opwekking en vroolijkheid in, als ik naar een lief woordje verlang, dan heb je me dat juist toevallig geschreven, - Lief, alles, alles wat ik noodig heb: levenslust, volharding, kracht, je geeft er me alles mee! Heusch, ik zou die lieve vreugde-brengers, die gevers van al mijn tegenwoordig geluk niet kunnen missen, Lief! En weet je, wat ik ook zoo allerheerlijkst vind? Dat je me zegt je brieven niet vooruit te overdenken, maar dat je neerschrijft, wat in dat oogenblik in je opkomt om tegen me te zeggen. Ik geloof, Lief, dat ik, omdat ik dit voel, er dáárom zoo verrukkelijk-innig van genieten kan, - want, is 't niet, Lief, alle bestudeerdheid of gemaaktheid zou er iets stijfs, iets ongevoelds aan geven, dat ik, omdat ik zoo van je houd, direct zou moeten merken, - en nu is mijn intiem genot zooveel te grooter, Lief. Ik zou er geen genoegen, geen aandoening-van-pleizier zelfs door krijgen, als ik merkte, dat 't schrijven je betrekkelijk moeite of inspanning kostte. Maar nu kan ik er zoo echt-ongestoord van genieten! - Ik heb van Hein en Dien ook een Ansichtkarte gekregen, - alleraardigst, hè? O, lieve Lief, - Ja, van dien eersten dag... O, 't is merkwaardig, hoe nauwkeurig-precies ik nog alles daarvan weet. Merkwaardig, zeg ik, omdat ik heelemaal als 't ware geënveloppeerd was door de vreemdheid van wat er met me gebeurde, en toch van alles zoo'n juiste en klare herinnering behouden heb. O, ieder woord weet ik nog van je; alles wat je deed, en hoe je dat deed, en alles wat ik heb gezegd. O, die dag! die dag! toen de grond werd gelegd voor mijn goddelijk geluk van nú! O, Lief! Lief! Hoe eenig, dat je een week denkt te kunnen blijven. O, wat een heerlijk-heerlijke dagen zullen dat weer zijn! O, als ik daaraan denk, dan krijg ik door die vóórvoeling-alleen al zoo'n verrukkelijk-blij gevoel diep in mijn hart! O, Liefste, gisteren schreef je me: ‘O, geef me ook jouw kracht...’ en tegelijkertijd schreef ik ongeveer: ‘Al mijn innerlijke kracht is voor jou...’ Alles, alles, Lief, wat mij toebehoort, behoort aan jou óók, al mijn gedachten zijn van jou vervuld, al | |
[pagina 593]
| |
mijn daden worden onder jouw onwillekeurigen invloed verricht! O, Lief, ik heb je zoo heerlijk lief, zoo onuitsprekelijk-innig, zoo teeder-diep, - ik heb je eindeloos en onvergankelijk lief! Jij bent mijn eenig heil, mijn alles-op-de-wereld, het licht-van-mijn-leven, Lief! Ik heb je lief, ik heb je lief!
Voor eeuwig:
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ik voel 't zoo, ik merk 't zoo, en ik vind 't zoo'n verrukking 't je te kunnen zeggen: dat ik door jou, door den zaligenden invloed van jouw liefde-en-kracht, langzaam, maar gestadigaan word, en eindelijk eenmaal volkomen wezen zal, wat ik misschien voorbestemd was om te zijn, maar wat ik alleen nooit, nooit had kunnen worden, wat ik-alleen nooit, nooit-in-der-eeuwigheid bereiken zou! O, allerlei dingen, die wel in me waren, maar altijd latent zouden gebleven zijn, die vertoonen zich nu, die beginnen zich nu te ontwikkelen, voortdurend, voortdurend, totdat ze eenmaal tot volmaaktheid zullen zijn gebracht. Dat wonder, dat prachtige wonder, dat doe jij aan mij, Lief! Jij verandert me, jij vervormt me, jij verbetert me, zonder dat je er den bewusten wil toe hebt! O, ik zag mijzelf altijd voor zoo koud en gevoelloos aan, - maar nu weet ik, dat het eindelooze, diepe, waarachtige gevoel altijd in me is geweest, - maar dat het alleen maar ongebruikt in mij bleef, omdat het zich aan niemand geven wou of kon. Al het mooie, al het goede in me, dat breng jij te voorschijn, Lief, - alles wat er voor reins en zuivers in me sluimerde, dat wordt opgeroepen door jou! O, dat ik voor je leven, dat ik je alles wijden mag, dat ik je mijn kracht, mijn wil mag geven, de uiting van mijn gedachten, de teerste essentie van mijn ziel! Voel je nu, hoe zielsveel ik van je houd, begrijp je nu, dat jij mijn alles bent? O, mijn leven, mijn leven, dat nu niet langer nutteloos, waardeloos is, dat ik mag geven aan jou, - o, mijn doelloos bestaan, dat nu niet langer leeg en eenzaam is! O, als je zegt, dat je gelukkig bent, en ik me durf verbeelden, dat dit is door mij, dan trilt er iets in me van diepe, innerlijke vreugd, van blijden trots, dat ik nu niet meer ónnoodzakelijk, vergeefs op aarde leef! Dat zalig besef geef jij me, Lief, en ik kan je de innige verrukking daarvan niet zeggen, Lief! O, me te verbeelden, dat wij, | |
[pagina 594]
| |
samen alleen op de wereld zijn, ver van alle banaals en alle ónschoons, - dat niets ooit aan onze levensintimiteit kan raken, - dat wij heerlijk hoog en trotsch bestaan, - als goden vrij! Eindeloos, in onvergankelijke woorden zou ik je mijn liefde willen zeggen, - maar ik ben machteloos tot de klare uiting ervan. O, voel mijn liefde, Liefste! geloof, dat ik je liefheb en liefhebben zal, tot aan het eind van mijn leven!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]Lieve, lieve Lief. Ik ben het zoo gewoon 's avonds aan je te schrijven, dat ik het ook nu niet laten kan, hoewel je deze pas om één uur ontvangt, en morgenochtend toch al twee brieven van me krijgt. Het is ook zoo'n prettige verpoozing tusschen het vertaalwerk door, waaraan ik na den eten weer begonnen ben. Ik heb nu de ‘complemental verses’ bereikt, die op blz. 78 staan, na het eindelooze, onnoodig-uitgerekte hoofdstuk Economy. Ik moet je nòg even zeggen, hoe innig-lief ik het van je vind, dat ik vandaag toch mijn twee brieven kreeg; dat was den heelen dag voor mij een heerlijkheid om aan terug te denken! Lieve Lief, je zegt, dat je soms slordig bent, - maar weet je wel, dat ik dat óok zoo erg kan zijn? Oók niet expres natuurlijk, eenvoudig door nalatigheid, door niet aan de dingen te denken. Het is nu wel een beetje beter dan vroeger, toen het verschrikkelijk was, en meestal is er niet veel van te merken, - maar heelemaal overgaan zal mijn nonchalance wel nooit. Vind je 't ook eigenlijk wel zoo erg, Lief? Stiptheid en punctualiteit op kleeding en andere uiterlijke dingen, dat is toch eigenlijk maar alleen voor de menschen, is 't niet? Zonder dat je er zelf veel genot of gemak van hebt. En de menschen, ach, die hebben toch eeuwig en altijd wat aan te merken, hoe je hun ook terwille tracht te zijn. Ik merk hier, dat ik echt op zijn. Thoreausch aan het babbelen ben, - zou ik werkelijk zóó voor zijn invloed vatbaar zijn? O, jé! alweer een spoorslag, om er zoo gauw mogelijk doorheen te komen! Wat zal alles heerlijk wezen, als je hier wezenlijk zal zijn, liefste Lief! Ik kan daar soms zóó ontzettend naar verlangen, dat ik, die twee maanden door, wel heel erg ziek zou willen zijn, om ze maar | |
[pagina 595]
| |
gauw óm te krijgen. Want dat rekenen van den eenen dag op den andere, dat uren-tellen, o, dat is zoo droevig-vermoeiend en verergert je verlangen nog meer. Ik denk nu maar, en troost me daarmee: hoe heviger het verlangen, hoe heerlijker de vervulling daarvan. Nu, eenig-lieve en eenig-goede en aller-liefste, ik moet gaan eindigen, ik heb het al half tien hooren slaan. Tot morgen, liefste Lief!
Met een heel-teederen zoen
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 596]
| |
mij houdt. Och, toe, Lief, vergeef me maar, dat ik dit zei: ik wou eigenlijk alleen maar er mee te kennen geven, dat ik zoo ontzettend naar je verlang. Toe, Lief! zal je er heusch niet boos of treurig over zijn? Zal je er zelfs heelemaal niet over denken? Waarachtig! ik voel, dat je mij lief moet hebben, want anders had je niet zoo gedaan. Ik wou dan ook alleen maar zeggen, dat ik hier zoo alleen zit met mijn gevoel, dat ik het uit zou willen roepen door de luchten, dat ik je liefheb, en dat ik het toch aldoor in mezelf moet opsluiten, en kalm-onverschillig praten met de vreemde menschen om mij heen. Begrijp je nu, Lief, hoe ik zoo iets kwam te zeggen? Ik zal het heusch nooit meer doen, dus, toe, vergeef me maar. Ik zei het, niet omdat ik jouw liefde minder zag, maar ik voelde mijn eigen liefde opeens zóó sterk, dat al het andere er bij verdween. Begrijp je 't nu, Lief? God, dat vind ik zoo verrukkelijk, dat wij later niet als twee, maar als één zullen zijn! Nooit oneenigheid en nooit misverstand en nooit apart te staan van elkander; o, zaligheid, dat ik je in alles helpen mag, waarin je maar wilt, met de algeheele kracht van mijn ziel! Och, Lief, weet je, wat het is, ik voel mij nu eens zoo week en teer-sentimenteel, en dan weer opeens zoo vlammend-hartstochtelijk, en om mij heen is toch niets dan leege lucht. Want jij bent er niet, jij, naar wie ik verlang. Waarachtig, zonder jou voel ik, dat ik maar half ben. Ik wil heelemaal niets anders zijn als jouw jongetje en je hebt mij maar te bevelen met een wenk van je hand. Ik zal altijd zoet en lief en aardig zijn, wees daar zeker van! O, Lief, ik houd ontzettend veel van je, en jij houdt ook van mij, en wij zullen verschrikkelijk-gelukkig samen zijn, dat verzeker ik je, en dat verdien je ten volle, omdat je een engel van een mensch bent, zooals er geen andere op de wereld is. Toe, Lief, vergeef me maar: jij houdt net zooveel van mij, als ik van jou, ieder op zijn manier, en we zullen verwonderlijk-gelukkig zijn! En ik zal je zoenen, tot je niet weet, waar je blijft. ‘Fi donc,’ zegt Jeanne, ‘daar ben ik niets van gediend, heusch niet! Want ik ben een zedige Haagsche jonge dame, en die zoent alleen haar drukker en haar Mama.’ Vind je mij nu niet een afschuwelijken jongen, om zulke dingen er uit te gooien? Nu, dan maak ik me heel klein, en kruip in een hoekje, en Jeanne gaat weer peinzen. En dan kom ik opeens stil achter haar, en houd mijn handen voor haar mooie oogen, en vraag: | |
[pagina 597]
| |
‘Wie is dát?’ Dan schrikt Jean op, en plotseling zegt ze: ‘Philippus, ben jij dat?’ En daar bedoelt ze dan mee den gepensionneerden literairen luitenant, dien ze vertrouwelijk-weg en kortheidshalve ‘Philippus’ noemt. Vind je, dat ik mal ben? och, al keek je niet naar mij om, ik wou zoo graag, dat je bij mij was. Want het leven is mij niets waard zonder jou. Jij bent de eenige mensch, die bestaat! Ik kus je zacht, terwijl ik je diep aanzie, en je vast en stellig zeg, dat ik ben en zal wezen:
jouw-absoluut-eigendom-voor-altijd Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, er was vanmorgen geen brief van je! O, nu merk ik pas, hoe ik er absoluut niet buiten kan, hoe ik je brieven noodig heb, om alles wat ik heb te doen, te kunnen doen, o, daarzonder heb ik geen lust, geen moed, geen kracht, niets heb ik, niets, ik kan alleen maar stil zitten en huilen om mijn vreeselijke en onverwachte teleurstelling, - o, Lief, o, zeg niet, dat ik overdreven ben, want je kent het niet, je kent het niet, dat diep-verlatene, wanhopig-ellendige gevoel, dat me dan zoo hevig en fel en onontkoombaar overvalt, - Lief, dan ben ik niets-waard, volkomen-machteloos, dan kan ik niets uitvoeren, niet denken zelfs. O, als ik in mijn kamertje kom en géén brief van je zie, dan krijg ik zoo'n heftigen schrik, dat ik het plotseling uitsnikken moet, - alsof ik opeens een slàg krijg, is het dan. Je hebt er aldoor zóó goed voor gezorgd in den laatsten tijd, en ik heb je zóó dikwijls gezegd, dat ik het zoo goddelijk vond, 's morgens een brief van je te hebben, dat ik heelemaal niet begrijpen kan, waardoor er nu geen gekomen is. Anders zou ik denken, dat het door den Zondag kwam, maar verleden week was er toch wèl een brief voor me. O, iedereen, die me zóó zag, zou me wel dwaas vinden, zelfs uitlachen misschien, dat ik me dadelijk zoo ongerust ga maken, dat je ziek ben, of zoo, - maar, Lief, ander dagen kon je mogelijk nog eens iets onverwachts te doen gekregen hebben, - maar Zondag toch niet! O, weet je, hoe het komt, dat ik er me nú zoo heel naar over maak? Omdat ik het heb voorgevoeld. Gisteravond dacht ik met een ontzettend verlangen aan jouw morgenbrief, en toen schokte het opeens door mij heen: ‘Misschien zal er | |
[pagina 598]
| |
wel geen komen’. Ik over-dácht dat wel dadelijk weer, maar toch gaf dat plotselinge gevoel me een onrustigen angst, die me zoo nerveus maakte, dat ik er niet van kon slapen. Verleden week is er ook iets dergelijks gebeurd. Toen verwachtte ik je brief, waarin je over mijn boek zou schrijven, en in de blijdschap, dat hij er was, drukte ik er vast mijn lippen op. Maar in 't zelfde moment schoot 't door mijn brein: ‘Misschien zal je er zoo meteen om moeten huilen’. En het wàs zoo, je weet, dat ik er me bedroefd over heb gemaakt. Zie je, Lief, dat zou ik afschuwelijk vinden, als ik van de ellendige dingen ook nog eerst een voorgevoel had, - want tot dusverre, - en heel dikwijls gebeurde dat, - voelde ik alleen de droefheden vooruit. En zoo moet ik er dan een dubbel leed van dragen. En o, Lief, nu zal je me wel kinderachtig vinden, maar het is vandaag Maandag, en ik geloofde altijd, dat, als men dien dag vroolijk en opgewekt begint, de heele week goed zal gaan. Flauw, hè? O, Lief, ik wou, dat ik eens goed ziek werd, eens flink echt-erg, hevig ziek, dat ik van niets meer wist, en dan weer beter werd, als jij voor goed hier in den Haag kwam. Want nu, - als ik een paar dagen opgeruimd ben geweest, dan komt er weer een verdriet, - zoo gaat het al maar door. Of andere menschen dat nu géén verdriet noemen, wat geeft me dat? ik voel het. O, lieve, lieve Lief, vergeef me dit klagen maar. 't Moet je toch wel een voldoening zip, dat ik zóó van je brieven houd!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 599]
| |
Bij mijn terugkomst was de muziek-juffrouw gelukkig stil; ik kan me dus vrij tegen jou laten gaan. Ik wou je wel eens wat vragen, Lief: geloof jij ook waarachtig, dat ik van jou houd, zooals ik van jou geloof, dat je houdt van mij? Want dát geloof ik nu stellig: je kunt mijn binnenste nog wel niet heelemaal kennen, maar je kunt vóelen, hoe het eigenlijk is. O, we zullen zoo'n heerlijk leven samen krijgen, van werken en pleizier hebben en lachen en opgewekternstig-zijn. Want o, je bent wel eens treurig, maar je kunt ook lachen! Toen ik dat voor de eerste maal van je hoorde op mijn kamer, toen werd ik inwendig zoo razend-blij. Want ik lijd ook wel eens aan melancholie, maar ik ben toch heelemaal geen naargeestig mensch. En we zullen dus later lachen, dat verzeker ik je, hartelijk-onschuldig lachen over allerlei dwaze dingen, die wij opmerken, of er zelf zoo los-weg uitgooien, zooals kinderen doen, die in de vrije natuur aan 't krijgertje-spelen zijn. Maar nu moet ik je toch even wat zeggen, Lief. Het leven is heusch pleizieriger dan de dood, als we maar met zijn beiden zijn. Ik zal alles voor je zijn en alles voor je doen, en je in alles helpen, net zooveel als je maar wenschen kunt. Ik zal mij nooit in iets bij je indringen, want van echte nieuwsgierigheid ben ik wel, geloof ik, heelemaal vrij. Behalve als ik merkte, dat je in triestheid of norschheid eens onverwacht in jezelf verzonk, - dán zou ik mijn heele levensenergie op de eenige, dat is een zachte en lieve manier, inspannen, om je uit die diepte omhoog te halen, en je terug te geven aan je ware Zelf, aan de opgewekte, meevoelende, meedoende, aan de echte Jean. Maar ik geloof eigenlijk niet, dat later, als wij altijd samen zijn, en jij mij heelemaal zult kennen, zooals ik dat dan jou doe, - dat jij dan ooit in jezelf zult hoeven terug te zinken, behalve natuurlijk alleen als je aan 't werk bent. 't Is eigenlijk mal, dat ik zeggen ga, wat ik nu ga zeggen, want het spreekt haast vanzelf, - maar ik zal nooit hard of onaangenaam tegen je zijn, - dat weet ik zóó zeker, want daarvoor houd ik te veel en te echt en te diep van jou. En nooit ook zal ik in iets apart van jou gaan staan, behalve, - pas nu op! - als het St. Niklaas is, of als je bijv. jarig bent. Want dán krijg ik apartjes met koekebakkers of andere vertrouwelingen, waar jij je heelemaal buiten te houden hebt. Neen, Lief, het ware geluk ligt heusch niet in de rust, het ligt in de actie, als je de actie maar met zijn beiden doet. Want dan ligt toch daarachter de rust, die je óók met zijn beiden hebt, de rust der | |
[pagina 600]
| |
volkomene harmonie. En mijn heele ziel is er op aangelegd, dat merk ik hoe langer hoe meer, - om met jou harmonisch te wezen, Lief! De diep-gevoelde sympathie, die ik met-alles-van-jou heb, is dan ook geen opgewonden woord, waar eigenlijk niet veel vasts zou achter zitten, en geen zelfverblinding door verliefdheid, - neen, zij is echt- en waarachtig-gemeend bij mij, en is veeleer een oorzaak van verliefdheid, dan 't gevolg daarvan. Voel je 't, Lief? en vind je dat niet prettig? O, ik heb je ontzettend-diep lief! Als 'k je bijv. een zoen mag geven op je lieven mond, dan springt en bonst mijn hart van verrukking in mijn borst, maar dat komt dan niet, omdat je mond er uitziet, zooals hij doet, - al moet ik bekennen, dat ik je minder graag zou zoenen als de natuur je een ander soort mond gegeven had, - neen, dan vind ik dat zoo heerlijk, omdat ik een gevoel krijg, of ik je ziel zoen op je mond en of ik je geestelijk wezen nader, door die lichamelijke nadering. Ik spreek hier een typische eigenaardigheid, die, geloof ik, weinig mannen met mij gemeen hebben, van mijn individualiteit uit. Je mond vind ik verrukkelijk, ook wat zijn uiterlijken vorm betreft, maar hij zou mij eigenlijk niets kunnen schelen, als je een ander binnenste had. Voel je nu een beetje, hoe ik eigenlijk ben? En geeft je dat een beetje geluk, lieve Lief? Je hoeft heusch nooit bang te wezen, dat ik aan andere vrouwen zelfs maar zal denken, want mijn heele karakter is het tegenovergestelde van een Don Juan, absoluut en volkomen het tegenovergestelde daarvan. En let nu wel, ik zweer je niet, dat ik nooit op een andere vrouw eenigszins verliefd zal raken, neen, ik geef je de eenvoudige verzekering, en konstateer hier voor je, dat ik niet op een andere vrouw verliefd kan worden, omdat ik nooit verliefd zou kunnen worden op een gezicht, maar alleen op een ziel, een ziel zooals de jouwe. Die eenvoudige konstatatie zegt dus meer dan een eed. Want ik doe hiermee geen belofte-alleen, neen, ik deel hier ook een waarachtig feit mee, waar het werkelijk leven je later altijd het bewijs van geven zal. O, ik vind het zoo heerlijk, om jou te schrijven, want daardoor word ik mezelf zoo bewust! Ik zit niet te bedenken, wat jou aangenaam kan zijn, ik laat mijn pen maar gaan, naar mijn hart en mijn hoofd haar drijven, en konstateer dan voor mezelf met een zalig genoegen, dat ik duidelijk heb uitgesproken, wat in mijn onbewustheid lag, en wat ik wel voelde, maar toch soms nog niet eens tegen mezelf had gezegd met preciese, duidelijk omschreven woorden. | |
[pagina 601]
| |
Toen ik het vorige had geschreven, werd ik geroepen om te eten. Het is nu zeven uur en ik zal dus sluiten. Maar ik voel toch behoefte, om je te zeggen, dat ik jou liefheb, jou-alleen, opperst en volkomen, met volmaakte toewijding van mijn heele Zijn, en dat ik je altijd zal blijven liefhebben, even sterk-teeder en machtig-diep.
Met een zoen van innige liefde
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Ik ben een dwaas kind, Willem. Ik erken het voor je, en ik geef je zelfs gelijk, als je nú een beetje boos, of tenminste wrevelig op me bent, want ik ben een dom, een dwaas, een dadelijk met-tranen-klaar kind! O, als je nu bij me was, dan zou ik je beide handen in de mijne nemen, en je vriendelijk-smeekend aanzien, en dan zeggen: ‘Toe, Lief, vergeef 't me maar?’ Niet dat ik me zoo bedroefd heb gemaakt, want dat is je een bewijs van mijn liefde te meer, maar dat ik 't dadelijk heb neergeschreven en je gestuurd. 't Is nu, helaas, weer te laat, om iets anders te doen dan te zeggen, dat 't me vreeselijk, vreeselijk spijt, maar dat méén ik, Lief, en ik vraag je heel-innig, of je er niet meer aan denken, en dien brief maar als niet-ontvangen beschouwen wilt, Lief. Als je me eens éénmaal zoo zag, dan zou je heusch medelijden met me hebben, omdat ik zoo totaal geen zelfbeheersching heb en van de kleinste, de onbeduidendste oorzaak een werkelijk-groot leed weet te maken. O, je zou zoo'n gelijk hebben, als je ongeduldig zuchtte, bij de lezing van dien brief, - maar ik zeg je, Lief, als je gezien had, hoe ik hem schreef, dan zou je niets anders voelen dan een vage bedroefdheid, omdat ik zoo moet zijn, en met me medelijden. Ik schaam me een beetje, Lief, dat ik me aldoor zoo laat gaan, en zóó erg toon, dat ik niet in staat ben, om me in te houden. Ik wil je wel de reden zeggen van die ongemotiveerd-smartelijke uitbarsting, Lief, ik ben een beetje overspannen, omdat ik ten achter ben met mijn werk. Ik geef me een zekere dagelijksche taak, om op den door mij bepaalden datum klaar te zijn, en als ik nu niet doen kan, wat ik me voorgenomen heb, dan maakt me dat onrustig en gejaagd, dat begrijp je wel, Lief. Als ik nu maar weer eerst alles heb ingehaald, wat ik verzuimde door onverwacht bezoek of mee visites moeten maken, en maar geregeld voortwerken kan, dan is alles in orde. Vanavond gaan Ma en Jacq uit, - (mijn werk is altijd zoo'n goede | |
[pagina 602]
| |
verontschuldiging, om altijd overal voor te kunnen bedanken) en dan heb ik een mooien, langen tijd vóór me. Lieve Lief, zeg me nu eens, vind je 't naar, dat ik je in dien vorigen brief zóó onverholen heb getoond, hoe erg ik op je brieven ben gesteld? O, lieve, lieve Lief, mijn berouw wordt nog grooter, als ik zoo van je lees: ‘Mijn brief heb ik gedaan in de bus van het postkantoor om even half drie, dus ik hoop, dat je hem morgenochtend vroeg al krijgt,’ of... ‘als mijn brief voor drieën op de post komt, dan krijg je hem Maandagochtend met de eerste lichting, geloof ik.’ O, arme, arme Lief, zóó goed voor alles te zorgen, zóó overal om te denken, en dan zóó'n brief van me te krijgen! O, Lief, o, lieve, lieve Lief, zeg in jezelf, dat ik vreeselijk overdreven en ontzettend kinderachtig ben, maar beschouw verder dien brief maar als een innige appreciatie van je brieven, zal je dat, Lief? Ik begrijp ook, moet ik je zeggen, volstrekt niets van deze nieuwe post-caprice, jij? O, die heerlijke brieven van je - die zaligheid, om er heelemaal echt en ongestoord van te genieten, - o, zooeven zei ik, dat je me eens moest zien, als er géén brief van je was, maar, neen, neen, je moet me zien, als er wèl een brief van je gekomen is, want dat zóu je pleizier doen, Lief! Ach, je bent toch zoo eindeloos goed en eindeloos-lief en eindeloos-vriendelijk voor me, Lief! Ik ben blij, dat je aan van Deyssel geschreven hebt, dat we in September zullen komen, dat is veel geschikter, hè? Van dat verzen-boekje heb ik een present-ex. gekregen; ik vond het ook een vreeselijk komieke historie met die vragen. O, dat piano-gespeel is een ware lijdensgeschiedenis, Lief. Gelukkig hoor ik zoo iets nooit, maar ik geloof, dat ik er half-krankzinnig van worden zou. Weet je, wat ik zoo zalig vind, en wat me zoo'n opperst veilig gevoel geeft? dat ik áltijd álles tegen je zal mogen zeggen, dat ik me áltijd volkomen zal mogen uitspreken tegen jou. Lief! ik heb het nooit gedacht, het nooit geweten, dat ik daaraan eenmaal zoo'n innige behoefte hebben zou. Ik kan het niet laten, je alles, àlles, wat in me omgaat, te vertellen, je heelemaal te doen weten, hoe ik ben, en waarom ik zoo ben, opdat je me heelemaal kennen zal, zoo goed, zoo volkomen, als ik mijzelve ken. Liefste, dat snakken van mij naar rust, - dat is (jij hebt gezegd, wat ik, geloof ik, bedoelde) het smachten naar de rust der harmonie. Ja, ik wist het niet goed, ik begreep het niet goed, maar nu voel ik | |
[pagina 603]
| |
zoo diep de waarheid van wat je zei: in harmonie ligt rust. En die harmonie, dat prachtige levensdoel, die zal ik door jou, met jou bereiken, o, Lief, nietwaar? Je vraagt, of ik geloof, dat je van me houdt, - o, ja, Lief, ik geloof het, - ik moet het gelooven, omdat jij het zegt, en omdat ik het zoo heel graag gelooven wil. Tot vanavond, mijn Liefste, mijn éénige Lief!
Met een heel-innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]O, ik voel me nu opeens weer zoo vroolijk, zoo blij, zoo opgewekt, zoo juichend-gelukkig, Lief! O, en dat komt vooral door dien verrukkelijken brief van jou van gisteravond, die me zoo juist wordt gebracht. O, Lief! o, lieve, lieve Lief, - toe, ik vraag 't je zoo heel vriendelijk, zoo heel-dringend, Lief, - toe, vergeef me dien brief van vanmorgen maar. Heusch, o, Allerliefste, zulke dingen moet je van mij nooit hoog opnemen, je kent nu eenmaal die hebbelijkheid van me, dat ik vreeselijk gauw klaag en vreeselijk overdrijf, - o, arme, lieve Lief, je zal er wel niets van begrepen hebben; o, ik hoop zoo, dat mijn spoedbrief, dien ik nazond, niet veel later komt. O, Lief, heusch, ik schaam me zoo, - o, ik kan voor mijn haast en overijling alleen de verontschuldiging vinden, dat jouw brieven me zoo onuitsprekelijk lief zijn, Lief, dat ik er niet buiten zou kunnen, omdat ze mijn kracht-gevers, mijn bemoedigers, mijn levensvreugde zijn. Toe, Lief, zeg, is alles nu weer goed, zal je er nu heusch niet langer aan denken, heusch niet, Lief? O, die brief zooeven van je! Ik heb hem gezoend van verrukking omdat je zegt, dat je van me houdt, en dat je in mijn liefde gelooft; ik werd er diep-vreugdig door aangedaan, ik moest er om lachen, o, alles tegelijk! O, Lief, jij bent de liefste, liefste, liefste van de heele wereld, Lief! O, die ‘literaire luitenant,’ die gaat niet meer uit je herinnering, geloof ik. O, en dan die verrassing van me, als Philippus Willem blijkt te zijn, en ik me op zóó naïeve wijze verraden heb! O, Lief, als je eens wist, hoe dankbaar ik er je voor ben, als je me lachen laat! O, ik moest schateren om dat verbeelde zeggen van mij: ‘Ik ben een zedige jonge dame, waarop dan tot “bewijs” volgde: Ik zoen alleen maar mijn drukker en mijn Mama.’ Neen, niet mijn drukker, maar den postbode heb ik wel eens lust te omhelzen, als hij recht- | |
[pagina 604]
| |
streeks afstevent op onze deur! O, je bent een onuitsprekelijke Schat, dat je me lachen laat, dat je mij me zóó gelukkig doet voelen, dat ik lachen kan. O, eenige Lief! Toe, laat me nu even je hoofd tusschen mijn handen nemen, laat me je aanzien, zacht en lang, en zeg dan tegen me, o, zeg dan tegen me, dat je alles al weer vergeten hebt van dien brief, doe je, Lief? Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]O, lieve, lieve Lief! Weet je waarom ik nu ineens een beetje lachen moet? Omdat je vandaag niet minder dan vijf brieven van me gekregen hebt! Maar als 't je niet verveelt, - ik vind 't heerlijk ze te schrijven, en zoo begin ik dan nu maar weer, al ontvang je er morgenochtend dan ook al weer twee. O, Liefste, eenige Liefste, die je ben, - weet je, wat ik zoo innig, zoo onbeschrijflijk lief van je vind? Dat 't je even, onwillekeurig en onbedacht, ontsnapte: ‘jij kan mij niet zoo liefhebben, als ik jou liefheb,’ en dat je toen, opeens merkende, wat je had gezegd, dadelijk daarna schreef, dat je dat niet bedoelde, dat je wist, dat het niet zoo was. O, Lief, dat je dit er uit jezèlf op volgen liet, - o, dat je nu van mijn liefde bent overtuigd, dat je haar voelt, dat je er nooit meer aan twijfelen zal! O, Liefste, begrijp je niet, dat dit me zoo wonderwonder-gelukkig maakt? Ik heb je lief, o, eindeloos en onvergankelijk heb ik je lief, door-alles-heen heb ik je lief en voor-altijd! O, en als je weer bij me bent, dan zàl ik het je zeggen, zèlf, in heerlijke blijheid, omdat je zegt, dat 't te hóóren, je gelukkig maakt, - dat ik je liefheb, met mijn ziel, met mijn leven, en dat je mijn alles bent, o, lieve, lieve, eenige Lief! Het is natuurlijk altijd waar geweest, het kon niet anders dan waar zijn, als ik vroeger zei je lief te hebben, maar nu, nu ik zóó zalig mijn liefde mijn ziel door-gloeien voel, nu is het onbewuste, het vage, zwevende, ook voor mijzèlf, van vasten vorm geworden, - nu is wat altijd heeft bestaan, maar meer als een begrip dan als een gevoel, een klare, onwankelbare waarheid voor mijn geest. Ik kan me niet goed uitdrukken, ik kan niet heelemaal je zeggen, hoe ik 't vóór mij zie, - maar het schijnt me toe, alsof mijn liefde vroeger | |
[pagina 605]
| |
iets was, dat buiten me stond, terwijl zij nú mijn gansche Zijn vervult. Begrijp je me, Lief? begrijp je een beetje, hoe ik het bedoel? O, daarom kan je nú ook aan mijn liefde gelooven, en daarom is er telkens een jubel in mijn toon, als ik je mijn liefde zeg. Je zegt, dat ik je gelukkig maak, door het uit te spreken, o, Lief! nu zou ik het wel aldoor, aldoor je willen toeroepen: ik heb je lief! zoo eindeloosinnig, zoo teeder-diep, zoo alles-omvattend, als ik niet wist, dat er liefde bestond. Ik heb je lief, o, hoor je 't, hoor je 't, Lief! Ik heb je lief, jou alleen en voor altijd jou, o, mijn Lief, mijn Geluk, mijn Leven!
O, Liefste, je maakt me ook zoo gelukkig door te zeggen dat er niets werkelijk slechts of leelijks in me is. Want geloof me, Lief, jij bent de uitsluitend-eenige, die mij, mij in mijn diepste Wezen kent, die alleen eenig begrip heeft van mijn ziel, jij kunt dus het beste over mij oordeelen, omdat jij weet, hoe ik ben. Jij hoeft me nooit iets te vragen, want ik beloof je, Lief, dat ik je altijd alles uit mezèlf zeggen zal! Dat is voor mijzèlf zoo'n zaligheid, dat ik je alles zeggen mag, dat ik jou alles mag toevertrouwen! Je weet niet, Lief, ja, je weet 't wèl, hoe verrukkelijk ik 't vind, als je zegt, dat je mijn uiterlijk liefhebt, omdat je van mijn innerlijk houdt. Begrijp je niet hoe een heerlijk, kalme, veilig-geruste gewaarwording me dat geeft? Dat ik 't zalig vind, dat je zóó voor me voelt? En daarom, Liefste, omdat je daarin zoo goddelijk van andere mannen verschilt, daarom durf ik je zoo open en vrij en onomwonden mijn eigen liefde zeggen. Begrijp je dat, Lief? - - Daar krijg ik je brief, dien je vanmorgen schreef. 't Maakt me zoo zalig, Lief, als je me zoo veel wilt schrijven, terwijl 't je niet verveelt of vermoeit. Want wat je brieven voor me zijn, de waarachtige waarde, die ze voor me hebben, nu jij nog niet bij me bent, ik zou 't je willen zeggen, maar, helaas, ik kan 't niet. Kon je 't maar weten, welk een blijdschap, welk een blijvende, zalige vreugd je me geeft! O, lieve, lieve Lief, mijn Eenige, mijn Schat, mijn Alles! O, ik heb je lief, zoo heerlijk, zoo hoog, zoo machtig, zoo volkomen, dat mijn heele Zijn zich door mijn liefde verwijdt, zich ontspant, zich verruimt door dien geweldigen zieledrang! O, zeg me, zeg me, Lief, zal er ooit iets heiligers, grootschers, en méér superieur dan onze liefde bestaan? Ik heb je lief, ik aanbid je, want je bent méér dan een mensch, en daarom wil ik voor je knielen, en ik werp mijn lot | |
[pagina 606]
| |
voor je neer! Ik heb je lief, jou lief, voor-eeuwig-en-eeuwig heb ik je lief! Met teedere zoenen-van-liefde
jouw eigen Jean | |
Bussum, 14 Aug. '99O, mijn diepste Zijn dringt geweldig naar jou toe, naar jou, naar jou, Absoluut Lief, dat boven vergelijking staat, Eenig Wezen, dat mij heeft en mij houdt! Ik heb altijd verlangd naar jou, naar jou, mijn heele leven door, voordat ik wist, dat je op aarde bestond. En nu ben je er werkelijk, nu spreek je mij toe, nu zeg je, en toon je, dat je mij liefhebt. O! Mijn armen strekken zich uit door de leege kamer, o, ze zoeken je, ze zoeken je, ze wilden onbedwingbaar, dat je tusschen hen lag, met een gelukkigen glimlach om je goddelijke lippen, dat je fluisterde zacht: ‘Hier voel ik me gelukkig! want ik merk, dat uit je leden een mystieke kracht gaat, een geestelijke vloeiïng van willend leven, van macht om te handelen.’ Ja, Jean, mijn onbewuste zielskracht zal ik je instorten, want jij bent ook sterk, maar het leven drukt je soms wat neer. Want ik ben wel je jongetje voor de lichtere uren, als je er pleizier in hebt, om dartel of gevoelig te schertsen en te spelen, maar ik zal ook zijn je sterke man, die ernstig-voelend spreekt en je steunt en je kracht geeft, als je onbewustheid soms moedeloos terug-zinkt onder de zwaarte van het rondom-sluitende leven; ik zal je geven, Jean, den wil om te leven, den moed om te bestaan. Ik zal je doen voelen, de verrukkende blijheid een mensch te wezen, zooals jij bent, en zooals je eenmaal nog méér worden zult. O, 't is zoo heerlijk-geruststellend nu voor mij om te weten, dat je niet alleen een lyrische natuur bent, een gevoelig-vlottende, maar dat jij ook de dingen kunt vast houden, kunt fixeeren met machtige, maar sobere kracht van wil.
Lief, terwijl ik zat te schrijven, kreeg ik bezoek van Jan Broedelet, wiens broer in den Haag woont. Die broer gaat verhuizen, en ik kan nu zijn woning overnemen, die ligt hoek Franklinstraat en Kepplerstraat. Zoodra ik maar wil is de woning tot mijn dispositie. Ook met September, op jouw verjaardag kan ik daar voor die week reeds | |
[pagina 607]
| |
mijn intrek nemen. Ik geloof, dat dat dicht bij de Reinkenstraat is, is 't niet, Jean? Hoe vind je dit plan? Vind je 't eigenlijk niet heerlijk? Ik moet nu sluiten, want ik zit niet alleen.
Met een innigen kus
jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 608]
| |
weldigend, heerlijk lief! Een blik van je oog, een nauw-merkbare beweging van je lieve hand geeft mij een gevoel, of de hemel open gaat. O, te liggen voor je geknield, met mijn handen gevouwen rustend op je schoot, ik aldoor onbewegelijk omhoog ziende, hoe je daar zat, met een lichten glimlach om je lieve lippen, en je oogen weg-droomend in teer gepeins. Zou je dat ook niet een beetje prettig vinden, Lief, te voelen, dat ik vlak bij je was, een levend mensch, die door jou alleen bestaat? Die geen ander geluk kent in het leven dan jou, die zijn heele Zijn aan jou wil wijden, die je maken wil tot de groote, de machtige vrouw, die je van nature bent bestemd om te zijn? O, Lief, je maakt mijn diepste ziel wakker. Ik heb je zóó lief, als ik niet had vermoed, dat men liefhebben kon. O, ik heb je lief, maar niet omdat je een mooie vrouw bent, al bén je dat ook, - neen ik heb je lief om je menschelijk zijn, en al werd je ook, - excuseer de verbeelding! - overvallen door een ongeluk of een ziekte, waardoor je verminkt werd of leelijk als de nacht, - ik zou je toch even zéér blijven liefhebben, wel wat zachter en stiller misschien, en gemengd met een grenzeloos medelijden, maar toch in het diepste van mijn ziel even sterk en even hartstochtelijk en even waar. Want, Jean, ik heb je Geestelijk Wezen lief! O, te weten, dat je nooit van mij vandaan zult gaan, dat wij altijd vereenigd zullen blijven, dat jij wezen zult mijn ander ik, en dat ik dat ook voor jou mag en wil en waarachtig zal wezen. O, Lief! Lief! ik heb je lief als den eenige-vergoddelijkten mensch! Ik werp mijn ziel en mijn lichaam, mijn heele Zijn voor je voeten... doe er heelemaal mee, wat je wil, wat jij voor jouw geluk zult behoeven, om een gelukkig en zichzelf bewust, om een ‘Uebermensch’ te zijn! Voel je nu, begrijp je nu, Lief, dat ik jou zonder achterhouding lief heb, dat ik nooit in mijn leven zóó lief heb gehad?
Met teedere kussen
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Ja, Lief, wat je over dat huis in de Kepplerstraat schrijft, - je moet niet denken, dat het een mooie stand is, het is eerder een leelijke. Ik hoop, dat je nog niet beslist hebt, maar je zal toch in elk geval wel geen woning nemen, vóórdat je die hebt gezien. Er zijn zoo tallooze gelegenheden hier in de nieuwe buurten, dat je eigenlijk | |
[pagina 609]
| |
niemands hulp noodig hebt, om heel goed te slagen. Van Bylandtstraat, Columbusstraat, Regentesselaan, de Perponcherstraat, van Merlen-, van Swietenstraat b.v. zijn allemaal oneindig veel beter. O, je brief begon zoo heerlijk, zoo heerlijk! O, had je hem maar zóó gesloten en weg-gedaan, toen je werd gestoord in 't schrijven, zoodat die practische kwestie dien zaligen inhoud niet onderbroken had! Want o, als je zóó tegen me spreekt, o, Lief, dan voel ik den levenswil in mij versterken, dan voel ik mijn zwakte wijken, o, dan verdwijnt mijn angst voor leven en lot. O, Lief, jij bent het almachtige element in mijn leven, jij bent de Kracht, de Wil, waardoor ik besta. Zonder jou zou ik een mensch zijn zonder veerkracht, zonder moed, zonder levenslust, - weet je, Liefste, ik zou eigenlijk heelemaal niet zijn, niet leven. Het leven ken ik door jou, het warme, waarachtige, levende leven, - niet het verbeeldingsleven, het inwendige leven, dat ik gaf in mijn werk, - maar het werkelijk-echte, het concrete leven, dat wat ik altijd uit de verte aanzàg, o, dat mag ik nu óók meeleven, dat kán ik, door de kracht van jouw liefde, Lief! O, help me toch, dat het zoo blijven kan, o, laat me niet weer terugzinken in de radelooze onmacht, in de woedende wanhoop van het besef, dat ik onnoodig, nutteloos op de wereld ben! O, zeg me, dat ik noodig ben voor jou, Lief, zeg me, dat ik leven moet voor jou, - o, je weet niet, waarvan je me, redt! Laat me niet alleen, praat mijn gedachten weg, help me, help me, om te blijven bestaan. Bij tijden voel ik het zóó overweldigend fel, zóó beanstigend-erg, dat ik niets zou wezen, niets zou kunnen zijn zonder jou, dat ik dan wou, dat je bij me was, om me te troosten, te bemoedigen, om me te zeggen, dat je me altijd nabij zal zijn, dat ik altijd op je steun vertrouwen mag, dat ik nooit meer de vertwijfeling van het alleen-zijn kennen zal. O, lieve Lief, ik heb je zoo lief, - zoo innig-teer en tegelijk zoo alles-omvattend-machtig, zoo wonder-zalig-sterk en tegelijk zoo aanbiddend-stil! Want, o, je bent niet alleen de man, dien ik liefhebben moet, omdat je alles bent wat mijn diepst verlangen wenscht, - je bent ook mijn Redder, mijn Vreugde-brenger, je doet me leven, je laat me bestaan! O, ik heb je lief met een liefde, die zal blijken eeuwig-durend te zijn, onwankelbaar en ónveranderlijk!
Met innige zoenen kust je
jouw eigen Jean | |
[pagina 610]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 611]
| |
soort van conventie mij dat oplegt, maar omdat mijn ziel mij dat gebiedt. Je zegt zoo gevoeld, Lief, dat ik ben voor jou als een vergoddelijkt mensch, maar och, neen, Lief, ik ben niets dan een man, die inwendig zeer veel heeft doorgemaakt, lange jaren lang, en die dus ook anderer leed begrijpt. En weet nu wèl, Lief! ik ben heelemaal geen opgewonden standje, die zich voor vage idealen enthousiasmeert, - daar ben ik inwendig veel te sceptisch-filosofisch voor, maar in jou nu heb ik een konkreet stuk leven, een levend mensch, waar ik duidelijk, en ook zonder kleuring door lyrische verliefdheid, van merk en bewust ben, dat het goddelijke erin leeft. En daar wil ik en moet ik en zal ik dus alles voor doen, wat in mijn macht is, om haar, om jou te maken tot een gelukkig, zichzelf-bewust mensch. Ik werk, met dit te zeggen, niet op je eerzucht, of op een andere mindere eigenschap, dat begrijp je wel, - want ik meen van jou te weten, dat je die dingen niet in je hebt, evenmin als ik ze in mij voel. Ik wou je alleen maar de overtuiging geven, dat ik alles voor je zal doen, en alles voor jou en jou-alleen zal zijn, omdat ik jou liefheb, zooals ik niet wist, dat ik liefhebben kon. Nu, Lief, nu moet ik koffiedrinken; daarna breng ik deze weg, dan krijg je hem vanavond om half acht; de brief, dien je om half vijf moet krijgen, is al op de post.
Met volkomen overgave
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Ik weet niet, o, ik weet niet, wat ik heb vandaag, - mijn hart brandt in mijn borst, - ik kan van mijn inwendige onrust niet kalm zijn en stil, - ik verlang zoo verschrikkelijk, zoo onhoudbaar naar je, dat ik niet weet, hoe ik mijzelf bedaren zal. O, vallen die dagen jou niet lang? O, waarom zijn we niet bij elkaar, waarom zijn we altijd gescheiden, als het toch waar is, dat wij de voor-elkaar-bestemden zijn, als wij bij elkaar behooren! Als ik nu morgen sterf, wat heb ik dan voor geluk gehad? Wat heb ik dan voor werkelijk, echt, waarachtig geluk gehad? Ik voel me zoo gejaagd, zoo sterkgeëmotionneerd, mijn zenuwen zijn allen zoo gespannen, dat een plotseling geluid, een klank, me in tranen zou uitbarsten doen. Waarom kom je toch niet, in 's hemelsnaam, om je handen op mijn | |
[pagina 612]
| |
hoofd te leggen, en me rust te geven, rust, rust? Ik wou, dat ik niets meer doen, niet meer denken, niet meer leven hoefde, kon ik maar rusten, rusten in je arm, niets wetend, niets voelend, van niets bewust zijnd meer. O, Lief, o, waarom kan dat niet?...
't Is net of 't nu een andere dag is, dat ik er je dit nog bijschrijf, Liefste, - 't is, of dat droefheidsmoment veel langer geleden is, dan vanmiddag pas. O, alles zal wel beter gaan, als je eerst maar hier bent, voor goed, lieve Lief! O, heb je wel niet eens opgemerkt, dat ik altijd weer anders word, als ik je een poosje niet heb gezien? Dan is, schijnt het, de directe invloed van je nabijheid. weer uitgewerkt. Daaraan kan je dan soms zien, hoe ik vroeger bijna altijd was, Liefste! O, vroeger, toen ik alleen was, alleen met mijn ziel, en niemand, niemand, niemand had, aan Wien ik mijn innerlijk wee dorst uit te klagen! - - O, Liefste, Liefste, nu krijg ik daar je brief, dien je vanmorgen schreef, - en, o, die is als een antwoord op deze! O, dan verzend ik hem nu ook in zoo volle gerustheid, nu je me schrijft, dat ik je altijd alles zeggen mag, dat ik heelemaal niets in mijzelf verborgen hoef te houden. Ik ben je zoo dankbaar, zoo innig dankbaar, dat je me dat gezegd hebt, Lief, - want begrijp je niet, dat ik inwendig altijd geslingerd werd tusschen mijn vreeselijk verlangen, om je al mijn leed te openbaren, en den angst, dat ik je daardoor een oogenblikkelijke bedroefdheid geven zou? Maar, ach, Lief, heusch, geloof dát maar vast, als ik tot uiten kom, dat ik dan in mijzelf véél erger, zwaarder, dieper verdriet heb doorgemaakt, dan jij er bij mogelijkheid door krijgen kon. Want je voelt het niet zelf, het kan van jou alleen maar mede-lijden zijn, dat misschien wel eventjes treurig maakt, maar toch geen werklijk lijden is. Lieve, lieve Lief, nu zal ik dezen brief, die je weinig genoegen zal gegeven hebben, maar gaan beëindigen, en beloof je voor morgenavond een vroolijker brief. Ik zal maar probeeren, niet in spanning te zijn, zoolang ik hierop nog geen antwoord heb, want, nietwaar, Lief, je hebt nu toch zelf gezegd, dat ik altijd bij je komen mag? O, Liefste, ik vind 't zoo heerlijk als je me zoo schrijft! Ik denk wel eens aan de komende critiek over mijn boek. O, dat boek, - het is een deel-van-mijn-kracht, een deel-van-mijn-leven. En 't is misschien dáárdoor zoo één geheel en zoo sterk geworden, omdat ik het schreef, toen ik den dood in het vooruitzicht te hebben | |
[pagina 613]
| |
dacht, en dus wist, nooit meer, nooit meer iets anders te kunnen geven. Begrijp je dat, Lief? O, lieve, lieve Lief, ik wou, dat ik je heelemaal zeggen kon, hoe innig ik van je houd, hoe je mijn Alles bent, hoe er voor mij niets, absoluut niets bestaat dan jij, jij alleen!
Teeder kust je
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]Liefste, Lief, zeg me, is 't verkeerd van me geweest, dat ik me gisteren zoo hartstochtelijk heb laten gaan? Als dat zoo is, o, Lief, zèg 't me dan, dan zal ik mijn ongelijk erkennen. Dát ik 't heb gezegd, dat is, geloof ik, wel goed geweest, - maar de manier waaròp, dat is 't. Dat is het nare van het brieven-schrijven, - als ik er je dadelijk iets van had kunnen zeggen, dan was jij, omdat je alles zoo heel anders inziet, denkelijk wat verwonderd geweest, en zou misschien even gelachen hebben, en gezegd: ‘Wat ben je een ongeduldig kind, kleine, kinderachtige Lief!’ En geloof je niet, dat dit eenvoudige doen me weer heelemaal inwendig-kalm had gemaakt? Weet je, wat 't is: Jij hebt me niet nóódig, Lief. Jij zou wel kunnen leven zonder mij, jij zou toch wel alles kunnen doen, wat je had te doen, ook al was ik er niet, - maar ik ben niets, niets, niets, ik kan niets zonder jou, als jouw kracht me niet steunt. Begrijp je nu ook, Lief, waardoor het komt, dat ik je dikwijls zoo wanhopig schrijf, - begrijp je nu ook, waardoor ik me soms zoo verlaten voel, ondanks je vele en vriendelijke brieven? Jij bent alles voor me, alles-en-alles; wat anderen hebben in hun eigen zelf, dat zoek en vind ik in jou, - wat anderen krijgen door hun natuur, dat wordt mij door jòu gegeven. O, weet je 't nu, Lief, dat ik zonder jou niet zou kunnen, niet zou kunnen leven, o, weet je 't nu, dat ik van jou ben, heelemaal en voor altijd? Liefste, geloof me, als je hier eenmaal woont, dan zal je me niet zoo dikwijls aan schijnbare caprices onderhevig zien, dat verzeker ik je, want dan zal de hoofd-oorzaak verdwenen zijn: alleenzijn-naar-den geest. Geloof me, geloof me, Lief, die uitbarstingen zijn niets anders dan momenten van groote zwakte, die niet meer kunnen voorkomen, als de oorzaak is weg-genomen, is dat niet zoo? | |
[pagina 614]
| |
Liefste, ik heb je lief, o, ik weet 't zoo, ik voel 't zoo, dat ik je liefheb, - een loutere gedachte aan jou ontroert me zóó diep, dat ik dan plotseling heel anders word! O, Lief, o, lieve Lief, vergeef me maar, vergeef me alles maar, want ik heb je lief! Ja, ik ben zelfzuchtig in mijn liefde, zooals ik dat in alles ben, maar o, Liefste, als je hier bent, en ik zal hebben geleerd, mij zelf voor jou te vergeten, o, geloof je dan niet, Lief, dat ik jou óók gelukkig maken kan? Liefste, o, Liefste, o, was je maar al hier! Toe, lieve Lief, wil je me alles vergeven, als ik 't je, heel-innig, vriendelijk vraag? Met teedere zoenen
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 615]
| |
Ik kan met jou praten heel gewoon, zonder dat onze conversatie toch ooit banaal is, of gezeur. Wij praten nooit over geleerde of diepzinnige dingen, wij blijven altijd heel eenvoudig, en toch verschilt, geloof ik, onze conversatie van die van alle andere menschen. Is 't niet zoo? Lief, nu zal ik je eens wat zeggen: door mijn Kroniek heb ik niet zooveel tijd disponibel gehad als anders natuurlijk, - voor dezen brief, bedoel ik. En toch wou ik hem graag vóór achten op de post doen, want anders krijg je hem niet met de eerste post, en dan maak je je misschien weer een beetje ongerust. Ik zal dus nu deze maar sluiten; hij is korter dan anders, deze brief, maar morgen gaat het weer op de oude manier. Dus, liefste Lief, aardige en goede, lieve en verstandige, bekoorlijke en gracieuse, in één woord mij magnetiseerend Lief! heel innig kust je jouw eigen Willem, die jou zal liefhebben altijd.
O, ja, ik had graag, dat je je brieven altijd dicht-lakte. Want de post doet tusschenbeiden raar. Landry, die hier óók in huis woont, wist daar vanmorgen dingen van te vertellen uit zijn correspondentie. | |
[Ongedateerd]O, Liefste, die brief van vanmorgen van je heeft me zoo onuitsprekelijk veel goed gedaan. 't Is of je bij intuïtie voelt, wat ik noodig heb. Je doet alles wat goed is, en geeft me, zonder het bewust te willen, een veel beter inzicht in alle dingen. Dat is, dunkt me, het heerlijk bewijs, dat je sympathie voor me hebt, of laat ik maar zeggen, want dat vind ik prettiger, dat je van me houdt. Zou je wel anders zóó kunnen doen? Lief, weet je wat ik voortaan zal doen, - want, helaas, heelemaal beter worden zal ik wel niet ineens, - ik zal, als ik weer eens droeve gedachten heb, ze niet dadelijk aan je schrijven, want ik heb die overhaasting van me al zoo dikwijls moeten betreuren, - maar ze eerst laten bezinken en vanzelf tot bedaren komen; dan kom ik waarschijnlijk al uit mezelf tot inkeer en bespaar jou dan de naarheid van de ontvangst van zulk een brief, en mijzelf de spanning als ik hem heb verstuurd. Is dat goed, lieve Lief? Natuurlijk, als 't iets | |
[pagina 616]
| |
blijvend-droevigs is, dan moet ik 't je wel zeggen, en dan mag ik 't ook wel, hè, Lief? maar dwaze oppervlakkigheden, die zal je niet meer van me hooren, dat beloof ik je. Ik schaam me een beetje voor mezelf; want er was absoluut geen reden voor mijn verdriet, en die uitbarsting was dus totaal ongemotiveerd. Ik kan me nu niet meet begrijpen, wat me gisteren toch heeft bezield. Dat is dan iets, wat dagen lang heeft gedreigd, en maar een kleine aanleiding noodig heeft, om voor den dag te komen. Maar nu is het weer over. Ik heb daarna al weer een brief van jou ontvangen, en kan dus weer rustig mijn verdere dagen tegengaan. Lieve Lief, wat die waning betreft, je kan er in elk geval die week in September gaan, hè? en dan zien, of ze je mogelijk ook voor later bevalt. O, ja, je moet je brieven altijd precies zoo weg brengen, als je zelf wil en kan, hoor! Dit nog even in aansluiting met mijn gezanik in een vorige, dat er eens op een morgen geen brief van je was. Ik ben met al je brieven op alle uren even blij! Lief, elken dag voel ik méér, dat ik niet buiten je kan. O, ik heb het tegenwoordige Heden nauwkeurig voorgevoeld, toen ik je vroeger een paar maal, - misschien herinner je 't je, - geschreven heb: ‘Later zou ik een scheiding niet meer kunnen verdragen...’ Ik zou nu dood gaan, oogenblikkelijk dood, en ach, dat sterven zou zoo erg niet zijn, maar het leed daarvóór! O, Lief, ik voel zoo, ik weet, dat jij me heelemaal levenskrachtig maken zult, en zóó gelukkig, dat ik daardoor ook in staat zal wezen, jou geluk te geven, Lief. O, als je hier woont in den Haag, dan zal je zelf, heel duidelijk, den zegenrijken invloed kunnen zien, dien je op me hebt, dan zal je ook heelemaal de blijde voldoening krijgen, dat je me hebt gered en kracht hebt gegeven, - en tot gelukkig mensch hebt gemaakt. Nu is het juist nog vijftien dagen, dat we elkaar weer zullen zien. O, Liefste, toe, zeg eens tegen me, dat jij dat vooruitzicht ook een beetje prettig vindt! 't Is mij zoo'n zalige heerlijkheid! Ik leg mijn armen zacht om je hals en geef je een innigen zoen, vol berouw, dat ik wel eens zoo vervelend ben. Is nu alles weer goed?
Altijd - en altijd
jouw eigen Jean | |
[pagina 617]
| |
[Ongedateerd]O, Liefste, wat heb je me weer onuitsprekelijk gelukkig gemaakt met je brief van vanmorgen. Ik kus er je heel innig voor, Lief, want nu is de laatste reste van treurigheid weer bij me weg, nu kan ik weer blij en vroolijk en o, zoo gelukkig zijn. Als je wist, wat je voor me bent, hoe diep ik je goedheid en liefde voel, dan zou je wel gelooven, dat jij mijn heele wereld bent, mijn Eenig-Alles, en dat ik je liefheb, je liefheb, je liefheb! O, ik heb je lief, zoo boven alles, zoo teeder-diep en toch ook zoo hevig-hartstochtelijk soms! Ik wil niet, ik kan niet meer leven zonder jou, want mijn liefde is mijn leven, mijn liefde is de kracht, die me leven doet. Lief, lieve Lief, geloof je 't nu, dat ik je liefheb, weet je nu, dat ik je liefheb? zoo onbeschrijflijk, zoo eindeloos, zoo onveranderlijk, dat ik eerder mijn verstand dan mijn liefde verliezen zou? O, dit oppermachtig-me-overheerschend gevoel, dat is liefde, de echte, de waarachtig-levende, en, o, Lief, twijfel nooit meer, nooit meer, smeek ik je, want ik houd van je, mijn heele ziel is van jou vervuld, er is geen enkele andere gedachte in me dan aan jou-alleen, al mijn wenschen, willen, hopen, verlangen beweegt zich om jou, mijn heele toekomst wil ik wijden aan jou! En ik weet 't nu ook, in een onwankelbaar-eeuwig geloof, in een heerlijk-volkomen vertrouwen, dat jij ook houdt van mij, dat jij me lief hebt, o, eenig Lief! Dat voel ik, omdat je anders niet zóó zacht en lief, niet zóó innig-goed tegen me had kunnen zijn, als je bent, zelfs wanneer ik je iets onaangenaams heb aangedaan. (Wel niet opzettelijk en niet zonder er zelf een diep verdriet van te hebben, maar toch was het onredelijk, kleingeestig, onverstandig en noodeloos.) Liefste, Liefste, vergeef me alles maar! Alles zal anders worden, beter, heerlijker, mooier, als jij maar eerst hier woont. Dat voel ik als een zalige zekerheid, omdat ik nú al zoo dikwijls den gelukkigmakenden invloed van je macht op mij ondervind. Ik zoen je, Lief, zoo innig als ik je nog nooit heb gezoend, omdat ik me nu zoo goddelijk bewust van mijn liefde ben, en zeg je, dat ik tot in eeuwigheid blijven zal
jouw eigen Jean
Dag, Liefste en Eenige, volstrekt-uitsluitend-absoluut-Lief-van-mijn-Ziel! Ik ga dezen nu nog even weg-brengen. Jouw Jean | |
[pagina 618]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 619]
| |
elkander vast, en proesten van het lachen om alle grappigheid, die wij hebben gezien. Vind je mij overmoedig? Och, Lief, dat komt alleen, omdat je zoo zegt, dat je van mij houdt en dat je mijn brieven prettig vindt. Het is dus natuurlijk, dat ik mijzelf nog veel meer los-laat, en veel meer uitspreek nog, wat er in mij omgaat. Want immers, jij mag alles weten: ik voel, dat er nooit iets gemeens of leelijks in mij huist. Vroeger jaren dacht ik, dat alle menschen net waren als ik, - dat heb ik dan dikwijls duur moeten ontgelden, totdat langzamerhand de overtuiging in mij is ontstaan, dat het 't beste is, altijd op zijn hoede te zijn. Je moet heusch niet denken, Lief, dat ik nu in een pessimistische bui ben, omdat ik zoo spreek. Ik laat mij alleen maar wat meer los tegen jou, dan ik gewoonlijk tegen anderen doe. O, ik voel me inwendig zoo gelukkig, nu ik weet, dat je werkelijk van mij houdt, van mij, die een levende individualiteit ben, - en niet van het door jou zelf gemaakte hersenbeeld. Want zoo ook houd ik van jou, lieve Lief! Jij bent een levend mensch, evenals ik, en dien levenden mensch heb ik lief, die Jeanne Reyneke van Stuwe wordt genoemd, en die zal ik in de toekomst ook blijven liefhebben, altijd meer en meer. Met teedere devotie kust je op je wangen, je voorhoofd en je oogen en op je lieven mond,
jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 620]
| |
je eigen waarde, denk je soms, dat ik die niet voel? Dacht je dan heusch, dat jij voor mij nu maar zoo'n meisje was, zooals er wel meer zijn, die ik nu toevallig heb gekregen en waar ik nu zoo'n beetje blij mee ben? Voel je dan niet, Lief, dat jij voor mij bent de Essentie van 't leven, stralende in jou als glans van diamant? Zonder jou was ik niets als een pessimistisch tobber, die met kalm-droevige gelatenheid zat te wachten op zijn dood. En nu, nu jij er bent, en samen met mij wilt zijn, nu geef je mij kracht en levensmoed en werklust, jij maakt mij eerst tot een waarachtig-levend mensch! O, Lief, probeer toch eens voor goed, om al die stil-wanhopige treuringen, die half-bewuste, kalm-gelatene vertwijfelingen uit je lieve hoofd te zetten! Verbeeld je nu, als ik óók zoo ging doen? als ik óók eens ging zeggen: och, je houdt eigenlijk heelemaal niet van me, als mijn liefde je niet opgewekter maakt. Maar ik doe niet zoo: ik voel, dat je van mij houdt, dat je mijn menschelijk wezen liefhebt, want anders had je immers in al dien tijd eindelijk wel eens anders moeten doen, dan je tot dusverre aldoor gedaan hebt op allerlei manieren, als je liefde slechts in gedachten bestond, of niets anders was dan gewilde zelfopwinding. Zie nu eens, jouw liefde maakt mij zoo inwendig sterk en levensblij, - o, kan mijn liefde jou dan ook niet zoo iets geven, maakt mijn liefde jou dan ook niet zoo vrij en vroolijk als jouw liefde mij dat doet zijn? Hoor je? ik heb je lief, ik heb je lief, ik heb je lief, geheel en al, zonder einde, zonder voorbehoud en zonder maat. En ik misleid mijzelf daarin absoluut niet, het is geen verbeelding maar werklijkheid; ik voel het in mijn ziel en in mijn leden, in mijn hart en in mijn verstand, ik voel het tot in mijn minste gedachten, in de fijnste versprietingen van mijn gevoel, in al mijn willen en besluiten en plannen, kortom door mijn algeheele Zijn. Ik zelf ben als een offerhaard van liefde en jij bent de godheid waar mijn vlam naar stijgt! O, als je kon voelen, als je kon weten, hoe eindeloos-groot mijn Liefde voor je is! Want dan zou je gaan lachen, dan zou je gaan jubelen, dan zou je roepen: De wereld is mijn! Dan zou het heele leven je licht vallen als de zijde waar de bajadere haar heupen mee kleedt. Dan zou je juichen: ‘Mij heeft een man lief, die voor niets is geweken, die overal tegen kan, hoe diep hij ook soms geschokt werd, en die ligt nu in mijn armen als een kind. En ik, Jean, ben nu de beheerscheres van dien man!’ Dan zou je gaan dansen en het leven lachend aanzien en zingen. | |
[pagina 621]
| |
Toe, Lief, vraag niet, of ik je vergeef, want ik heb je nog nooit iets kwalijk genomen, en ik ben heusch het tegenovergestelde van een bullebak. Ik voel, dat al die dingen maar zenuwstemmingen van je zijn. O, dat ik je kan en mag liefhebben, terwijl ik weet, dat dit jou behaagt, dat verruimt mijn eigen Zijn zoo; al het kleinmenschelijke, dat soms nog in mij was, voel ik als met stille trom uit mij weg-trekken; al mijn haten en toornen van vroeger, schoon ik er ernstige reden toe had, ik zie het nu weg-vlieden als donkere schimmen, verijlend en zich oplossend in vage nevelen aan den eindeloos-gloeienden horizon van mijn hoog-op dagend geluk. Weet toch, Lief, dat ik tot in mijn verste, minste, tot in mijn meest achter-affe gedachten geheel en al aan jou toebehoor, en dat je die allemaal zal mogen weten, wat het ook zij. Mijn ziel zou naakt-klaar voor je mogen staan, zonder dat je ook maar iets zou bespeuren, wat jou eenig verdriet zou geven, of wat je ook maar eenigszins hinderen zou. Geloof dat toch, o, mijn Lief, weet dat, als een vast besef voor altijd. Ik geloof in jou, Lief, zooals ik van de zon geloof, dat die, zoolang ik leef, niet zal vergaan! Geloof toch ook in mij, Lief! ik ben geen man van woorden, ik ben de man, die zegt, wat hij weet en meent. En ik weet zoo zeker als dat ik zelf een man ben, dat ik jou liefheb met matelooze liefde, alles willend en alles kunnend voor jouw geluk. O, weet je, waarom ik mij nu ook zoo opgeruimd voel, zoo frisch en flink? Doordat mijn Literaire Kroniek vandaag zoo goed naar mijn zin is geslaagd. Voel je niet aan de beweging dezer zinnen, dat er nog iets anders in zit dan gewoonlijk, iets makkelijk-glijdends en toch iets fermers, iets dat meer op iets levends gelijkt? Dat is nog een voortzetting van mijn schrijflust van vanmiddag; het rhythme mijner ziel is een beetje meer voor den dag gekomen dan anders, is een beetje meer los geworden, en ik kan makkelijker uiten, en leven geven aan wat er inwendig leeft in mij, ook nu in dezen brief aan jou. Mijn gevoel komt nu meer aan de oppervlakte; mijn woorden zijn er een juistere fotografie van; o, Lief, ik wou zoo, dat je dat nu eens voelen kon, en dat, nu ik zeg tegen je in duidelijke woorden: ‘Jean, ik heb je ontzettend lief!’ dat je dat voelde, als een waarachtig orakel, waaraan geen twijfel ooit mooglijk is. Ik heb je lief, maar niet met zoenen alleen, niet met een prikkeling van mijn zenuwen, maar met mijn heele inwendige en uitwendige, met mijn heele menschelijke Zijn. | |
[pagina 622]
| |
Wil je dat nu gelooven, en zal het je bijblijven, en zal het voor je zijn als een bijbel, van welks bladen je je geluk afleest? Ik heb jou lief, en jij bent voor mij de quintessentie van al het mooimenschelijke, samen-gevat in één enkel mensch. Die mensch ben jij, jij bent de opperste mensch, waarin geen zonde of ondeugd of smet is, en wier zwakte zal vergaan als sneeuw voor de zon, als maar mijn liefde je volledig kan beschijnen, als ik maar heelemaal bij je ben. Je diepste wenschen en je teederste verlangens, wat je maar gehoopt en gedroomd hebt, dat zal allemaal eens staan als engelen om je heen, als glanzend-blonde engelen, die je naar verlangen op je schoot kunt nemen als je eigen hemelsche slaven, en die je zult kunnen zien en aanraken als een levend, een verwerklijkt geluk. Ze zullen voortdurend-lachend je omzweven en je jubelend tegemoetvliegen, hun lenige armen slingerend om je hals, en ze zullen je toezingen: wij geven je alles, alles, alles, wat je maar kunt of durft verlangen, wat nog in je onbewustheid sluimerde, als een teedere, een zoete hoop. Want jij bent Alles, jij bent de Eenige, jij bent de Mensch, die het geluk verdiend heeft, en zoo word je dan ook gelukkig gemaakt! Nu, Lief, wat zeg je wel van deze dithyrambe, die zoo opeens, onverwacht, uit mij opkwam, en toch een getrouwe voorspiegeling van de toekomstige werklijkheid is? Geloof je nu in me, - ik bedoel natuurlijk niet in de waarachtige essentie, want dat weet je nu, hoop ik, wel, - maar in de onwankelbare kracht mijner Liefde, die je niets anders dan geluk brengen zal, die je zal maken tot een allerzaligst-levend mensch? Ik heb je lief, ik heb je lief! hoor je 't, hoor je 't? ik heb je lief! Twijfel nu nooit meer, smeek ik je. Liefste! aan mijn uitsluitende liefde voor jou, en laat dat blijd bewustzijn van mijn heerlijk gevoel voor jou, voor je opbloeien als een rozengaarde, waar je in rond-wandelt, en waar je alles plukt, alles wat je ook maar verlangen mocht.
Met innig-teedere zoenen kust je
jouw eigen Willem-voor-eeuwig-en-geheel. | |
[pagina 623]
| |
niets zal daar invloed op hebben, niets zal daar ook maar 't minste aan kunnen veranderen, niets zal de opperste volkomenheid daarvan kunnen raken, niets, niets, want mijn vertrouwen is een deel van mijn liefde, de vaste grondslag daarvan, en de onwankelbaarveilige steun van mijn leven. Ik heb je lief, o, Willem, mijn Liefste, mijn Lief; ik heb je lief met alles en alles wat mijn hoofd en hart bevat, met elke drooming van mijn ziel, met elke trilling van mijn wil! Ik ben voor jou, van jou; tot in eeuwigheid zal ik je eigendom zijn, met altijd dezelfde liefde, dezelfde teederheid, dezelfde trouw. Om jou, door jou heb ik het leven lief; ik wil, o, ik wil leven voor jou en ik zal dat ook, - al wat ik heb, zal zijn voor jou en alles wat ik krijgen of mijzelf verwerven zal. Lief, eindeloos, eindeloos diep heb ik je lief, met een heerlijk, zalig, eeuwig-teeder gevoel: ik heb je lief omdat je mijn Alles bent, - je bent mijn Alles omdat ik je liefheb, Lief. O, en dat je zegt me noodig te hebben, dat ik iets ben in je lot, o, mijn eenig Lief, je maakt me zalig daarmee! O, laat mij mijn hoofd aan je schouder mogen leggen, en sla je arm dan om me heen, o, lieve, lieve Lief, en laten we elkaar dan toefluisteren, zacht: ‘Ons heele, heele leven zullen we zóó samen zijn!’ Mijn Liefste, mijn lieve, mijn eenige Lief, ik zoen je met innige, teedere zoenen van liefde, - jij bent mijn Alles, mijn Alles, o, liefste, éénige Lief!
Tot aan het einde der tijden
jouw eigen, eigen Jean | |
[Ongedateerd]Ach, Lief, nu is er geen brief van je gekomen om half vijf, het zal wel toevallig zijn, maar, o, 't heeft me toch een poosje zoo diep ongelukkig gemaakt; o, Lief, ik kan smachten naar den tijd, dat je hier zal zijn, dat ik nóóit meer die rampzalige momenten behoef door te maken, - want o, ik geloof, dat mijn verstand dat op den duur niet zou kunnen verdragen! Lief, Lief, mijn verlangen naar je is nu zoo ontzettend, zoo hevig, dat ik niet weet, hoe ik het uithouden zal! O, dat je middag-brief toch niet gekomen is, juist nu, juist nu ik er zoo'n snakkende behoefte aan heb! Ik heb in je brieven nagezien, dat 's Woensdags de barbier bij je komt, maar de vorige week kreeg ik tóch wel mijn brief. Lief, die vreeselijke onrust, die gejaagdheid van me, die zijn het bewijs van mijn liefde! 't Spijt me, dat ik je zoo schreef over dat woning-plan, omdat jij | |
[pagina 624]
| |
er zoo blij mee was. O, Lief, doe jij maar alles wat je wilt, ik zal er heusch niets meer van zeggen, en niet omdat ik 't inhoud, maar omdat ik zulke gedachten niet meer in me zal laten komen, - ik vind immers alles goed wat je doet? O, Liefste, o, was je brief er al maar! Ben je ongesteld? ben je ontstemd? Maar neen, dat zal niet, dat kan niet, hè, Lief? Als ik je iets heb aangedaan, wat je niet prettig vindt, vergeef me dan maar weer, toe, je bent zoo goed, zal je? Straks schrijf ik weer. Heel innig kust je
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]Zooeven, Liefste, werd me je brief van vanmorgen gebracht, en ik ben nu zoo heerlijk, o, heerlijk blij! O, Lief, je brieven, die maken me zoo wonder-gelukkig, telkens en telkens weer, o, Liefste, 't is zoo heel natuurlijk, dat ik altijd wacht op de post, en bij elken brief al naar den volgende verlang. Ze zijn me een altijd-durende vreugd, een steeds-zich-vernieuwend en aldoor grooter wordend genot, dat is zoo, dat is zoo, Lief! O, die allerzaligst-lange, verrukkelijke brief, dien zou ik wel heelemaal uit mijn hoofd willen leeren; o, als dat kon, dan zou elk vaag verdriet heel gauw verdwenen zijn! Maar ik kan hem toch overlezen, zoo veel en zoo lang en zoo dikwijls als ik wil, en er dan altijd weer een nieuwe vreugd van genieten. Je bent zoo eindeloos-goed, zoo innig-teeder en lief, o, altijd zeg je juist dát, wat ik zoo heel graag hooren wil, altijd schrijf je die woorden neer, die me 't dierbaarste zijn. O, van je brieven houd ik zoo onuitsprekelijk-veel, zoo-innig lief zijn ze me, - ze zijn, Lief, mijn heerlijkste, grootste schat! Lief, ik zal me maar niet meer ongerust maken, als de brieven niet geregeld komen, want soms is de post zoo onbetrouwbaar als 't maar kan. Ik had je brief om half vijf moeten hebben, want die was ook wel degelijk afgestempeld 10-11, zooals al je andere brieven. Het is ook nog nooit gebeurd. O, Lief, je weet niet, hoe vlug alles me afgaat in mijn gelukkige stemming van nu; ik schreef vlot-weg een schets en een damesrubriek en vertaalde nog acht bladzijden vandaag. O, met Walden gaat het nu zoo prettig-goed, lieve Lief! Ik ben nu op blz. 130 | |
[pagina t.o. 624]
| |
![]() JEANNE REYNEKE VAN STUWE - NIEUWSTE OPNAME
| |
[pagina 625]
| |
bovenaan, is dat niet al ver? Thoreau is wel een goede man, wat langwijlig alleen, maar ik geloof, dat hij werkelijk heel gelukkig was. Ik ben zoo verlangend je L.K. te lezen, om te weten, wat je van Meerkerk's boekje hebt gezegd. Die vragen onderaan zijn net voor heele kleine kinderen, terwijl de uitgave toch voor groote jongens is bestemd. Weet je, Lief, dat het nu morgen over veertien dagen al de dag is, waarop we elkaar terug zullen zien? Maakt dat vooruitzicht je ook een beetje blij, lieve Lief? Ik wou zoo heel, heel graag, dat je 't óók eens zei, 't prettig te vinden! O, de heerlijkheid, dat je nu zoo onomstootelijk-vast in mijn liefde gelooft, dat je nu weet, nu begrijpt, hoe ik je liefhebben moet, - dat ik zonder mijn liefde niet Jeanne zou zijn, maar een schijn-mensch, een schim! O, Liefste, dat ik zei: je hebt mij niet noodig zooals ik jou noodig heb, daar bedoelde ik mee, niet alleen dat jouw liefde me zoo opperstgelukkig maakt, zóó begenadigt als ik niet had gedacht, dat in mijn leven mogelijk zou zijn, maar dat je me ook levenskracht geeft en levenslust en levensmoed, en de waarde aan mijn bestaan. Liefste jij bent zoo sterk, zoo veerkrachtig, zoo onweerstaanbaar van geest, en, Lief, dat zijn juist de dingen, die mij absoluut ontbreken. Jij vindt alle levensnoodzakelijkheden in jezelf, maar ik heb niets in me, Lief. En om nu maar eens ronduit te spreken, en zonder ijdelheid: mijn liefde zal je Innerlijk wel wat vervroolijken en verhelderen en een beetje krachtiger maken, - zoodat ik dus wel een veraangenaming van je leven ben, maar een noodzaak-om-te-leven ben ik je niet, zooals jij dat bent voor mij. Want jij brengt nieuwe en mooie dingen in me, waarzonder ik niet zou kunnen bestaan, of tenminste niet zou kunnen leven. Door jouw liefde, door jouw wondere macht, word ik langzaam herboren, en verlies langzaam, langzaam-aan mijn oude zelf, zoodat ik eenmaal worden zal een ander, een beter, een edeler mensch. Mijn Alles, mijn Alles, o, kon ik je nu even in werkelijkheid een kus-van-liefde geven, en zeggen, dat ik je liefheb, o, liefheb, zonder verandering, zonder begrenzing en zonder eind!
Voor-altijd jouw eigen Jean | |
[pagina 626]
| |
17 Aug. '99Toe, Jean, maak je nooit zoo ongerust, als er eens om half vijf geen brief is. Den keer, waarover je nu schrijft, dat je vergeefs hebt zitten te wachten, daar weet ik nog, precies, van, dat ik mijn brief toen om 10 minuten vóór tienen op de post had gedaan, dus toen had hij er toch 's avonds om halfvijf moeten zijn. Maar ik herinner me ook, dat de bus, toen mijn brief er in viel, zoo hol klonk, en toen kwam even de gedachte bij mij op: Zou hij misschien al zijn geleegd? Dat moet nu waar geweest zijn, omdat je den brief pas om half acht kreeg. Maar daar blijkt dan ook uit, dat je op de post niet heelemaal aan kan, en dat de lichting dus niet precies op het uur geschiedt. O, Lief, en plaag je toch ook nooit met een mogelijke scheiding, waarover je schrijft; ik zal natuurlijk nooit van jou vandaan gaan, en jou ook nooit in den mond geven om zoo iets tegen mij te zeggen. Wij zijn en blijven voor ons heele leven onafscheidelijk bij elkaar! Ben je nu gerust, Lief? Toe! Ofschoon, ik zeg het je niet óm je gerust te stellen, al ben ik ook zielsblij, dát het je gerust stelt, - neen, ik zeg het je, omdat het zoo is. Ik zal altijd bij je blijven en geheel alleen voor jou zijn, zoowel in ziekte en aakligheid en ellende, als in vreugde en vrede en geluk! Jij bent mijn eenig Lief en je zult dat blijven; wat er ook moge staan of vallen, wát er ook moge gebeuren in de toekomst, wij zijn en blijven met ons beiden en nooit zal er iets tusschen ons oprijzen, wat ook maar eenigszins verwijdering brengt. Hoor je 't nu, Lief, en geloof je 't ook? Want, - dit begrijp je wel, - dat wordt je niet gezegd door een vlinderachtigen jongen, maar door een man, die weet, wat hij weet. Want ik zeg dit niet alleen, volgend de inspraak van mijn hart slechts, maar ook gerugsteund door het van alle kanten overwogene oordeel van mijn klare verstand. Ik voelde en wist diep-inwendig, wat ik deed, toen ik je vroeg. En nog geen enkel oogenblik daarna, tot nu toe, is de gedachte bij mij op kunnen komen: Had ik dat vragen nog maar liever wat uitgesteld. Neen-integendeel, voortdurend ben ik mij voelend bewust gebleven: ik heb precies gedaan, wat goed was voor mijzelf, en ook, gelukkig! blijkens haar brieven, wat altijd goed zal wezen voor háár. Ja, ik herinner 't mij, hoe je me eens geschreven hebt: ‘Later zou ik een scheiding niet meer kunnen verdragen.’ Ik rilde, toen ik dat de eerste maal las, zonder dat ik wist waarom. Maar nu | |
[pagina 627]
| |
begrijp ik het opeens. Verbeeld je, dat wij samen in een bosch liepen, en dat je dan eensklaps tegen me zei: ‘Willem, als er straks zoo'n boom omvalt, dan ben ik morsdood.’ Als er dat dan zoo opeens bij je uitkwam, op een ernstig-bedaarden toon, dan zou ik natuurlijk ook even een onaangename gewaarwording krijgen, al stond de boom ook zoo breed-stevig in de hoogte, dat er aan vallen geen denken was. Lief jij hebt, juist als vrouw, het temperament, waar ik waarachtig van houden moet. Dat je bijv. soms uit jezelf er toe kunt komen, om te zeggen: Ja, toen had ik eigenlijk ongelijk! Dat je je dus boven een vroeger oogenblik van jezelf kunt verheffen, en het objektief beschouwen, daar rijs je als mensch zóó door in mijn appreciatie en bewondering. Want daaruit blijkt voor mij, dat je dieper ‘fond’ zóo magnifiek-zuiver en echt en waar is, als bij misschien geen enkele andere vrouw. Ik heb jou zonder eenige terughouding van wat ook, lief, ik geef me aan je over, en blijf onveranderlijk met een teederen zoen
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, ik heb je lief, ik heb je lief, éénig Lief! Aldoor, en telkens inniger dringt me dat zeggen naar de lippen, - ik houd van je, zoo eindeloos-teer, zoo nameloos-veel, zoo onuitsprekelijk-diep, zóó met alles en alles, wat in me is, - als ik niet had gedacht, dat ik eens liefhebben zou. Neen, zeg ik je, ik had nooit vermoed, dat ik nog eens die zalige liefde zou voelen, die alles lichter, reiner, mooier maakt, die alles om me heen verheldert, die mijn geluk is, mijn prachtig geluk! O, lieve Lief, kan dat jou geen heerlijke voldoening zijn, dat jij me 't waarachtige leven leven doet, dat jij me tot een waarachtig mensch hebt gemaakt? O, als je wist, hoe ik vroeger was: zoo zonder lust of belangstelling ergens in, - een onecht, want uitsluitend geestelijk leven leidende, met het éénig doel een beetje goed werk te geven, en dan maar heen te gaan. O, Lief, voel je wel volkomen de macht van den invloed, dien jouw liefde op me heeft? Want, o, als je dat nauwkeurig wist, dat zou je zoo gelukkig maken, het heerlijk besef, dat je een ander, die zonder jou heelemaal niets zou zijn, zóó'n zalig-groot geluk weet te geven! O, Lief, wat is 't toch iets heerlijks, iets hoogs, iets heiligs, om lief te hebben, zoo | |
[pagina 628]
| |
groot en geheel en volkomen, als ik houd van jou! o, mijn absoluut, volstrekt-eenig Lief!
Ik ben inwendig toch zoo blij, dat 't zoo goed gaat met Walden. Ik heb eigenlijk nog nooit een echte ‘envie’ gehad, om het boek weg te schuiven, en bij mijzelf te zeggen: Nu doe ik er eens niets meer aan vandaag. Ik klauter maar geduldig over de lastige gedeelten heen, en loop den effen weg vlug en geleidelijk af. En je moet zien, Lief, hoe mooi ik die verzen overbreng! O, nu ik eenmaal over de helft heen ben, al is 't ook maar een paar bladzijden, nu is de rest natuurlijk wel honderdmaal lichter. Tot vanmiddag of vanavond, liefste, lieve Lief. Over veertien dagen, - o, heerlijk-korte tijd nog maar, - kan ik je ‘in natura’ kussen, - nu, Lief, zend ik je maar een innigen gedachte-zoen. Dag, lieve, lieve Lief!
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]Lief, jij mag alles van mij weten, en zoo moet je ook dit weten, dat ik je een snoes vind, om voor te knielen, heel lang en doodstil, met aandachtig-opgeslagene oogen, maar oogen, die dan soms ook plotseling schalksch worden, als het mij te binnen schiet, dat jij toch eigenlijk geen standbeeld, maar mijn levende meisje bent, dat ik onverwacht een zoen mag geven, wat mij zoo'n almachtig pleizier doet. Want als ik je een zoen geef, dan krijg ik een gevoel, of ik in een andere wereld plots kom, waar alles veel mooier en liever en zachter is, en waar ik opperst-volmaakt-gelukkig in ben. O, ik voel al mijn zenuwen heerlijk trillen bij de gedachte, dat ik dat al gauw weer zal mogen doen. Och, arm Lief, jij, met je berouw! Plaag jezelf toch niet zoo, je hebt het immers heelemaal niet kwaad bedoeld! Luister, Lief, wat ik je nog eens zeggen wil. Ik ben absoluut en in alle opzichten, uitsluitend-monogaam. En dit zeg ik nu niet uit een vooropgezet principe, omdat ik het nobel of eerlijk of braaf vind: neen, ik spreek zoo van uit de natuurlijke geaardheid van mijn temperament. Ik behoor met mijn willend gevoel en mijn gevoelden wil absoluut aan jou, voor nu en altijd. En al stond nu bijv. het magnifiek-mooiste meisje voor me, en die zou mij vragen, - verbeeld je! - om mij een zoen te mogen geven, dan zou ik er toch nooit toe | |
[pagina 629]
| |
kunnen komen, dien aan te nemen, weerhouden door een vreemd soort trots binnen-in mij, - een juister woord vind ik er niet voor, - en op den koop toe zou ik denken: ‘Nu, sterven zal je er wel niet aan, dat ik dat niet wil.’ Zoo'n meisje, zoo'n mensch zou hoogstens den indruk op mij kunnen maken, dien een mooi schilderij of een standbeeld op mij maakt, en een kunstwerk is toch niet iets om te zoenen! Maar jou geef ik dolgraag een zoen, omdat je bent, zooals je bent, en doet zooals je doet, omdat jij inwendig zóó voelt en denkt en wilt, als jij doet. O, Lief, ik wou, dat je voelen kon, hoe ik je liefheb, hoe diep en echt ik van je houd! Ik wou, dat je op het oogenblik bij mij was, en mij in mijn oogen kon zien, dan zou je je arm om mijn hals leggen, en stil, maar wetend zeggen, terwijl je me aanzag: Willem, ik geloof in je, want ik voel en zie, dat ik je tot in je verste diepte vertrouwen kan, omdat je heelemaal niet wuft bent, maar standvastig en serieus.
O, Lief, daar lees ik nog eens een brief van je over, en ik vraag je nog eens: Toe, Lief, bedroef je toch zoo niet, om wat je geschreven hebt, - 't is immers net zooals je zelf zegt, een bewijs voor me, dat je echt van me houdt? O, Lief, ik heb je lief, ik heb je lief, ik heb je lief, - ik krijg er nooit genoeg van, om het tegen je te zeggen, omdat ik het aldoor in me voel. O, als ik soms naar mijn ring kirk, als vanzelf, heel toevallig, tusschen mijn praktische dingen door, dan word ik opeens zoo blij, dan komt het zoo klaar tot mijn bewustzijn, dat ik van jou ben, en dat geen mensch ons scheiden kan. O, ik zweer het je, je zult er nooit spijt van hebben, dat je me genomen hebt! Want ik ben wel een man, maar ik ben inwendig een vriendlijke, goede, een menschlijke man, zooals jij een menschlijke vrouw bent. En daarom zullen we altijd gelukkig zijn, en nooit tegenover elkander staan, maar altijd samen. Je geeft je aan mij weg, maar ik ook me aan jou, en nooit zal ik iets doen, wat ik weet, dat je hindert: want dat zou ik niet kunnen, omdat ik je zoo diep-zalig bemin. ('t Is een afschuwelijk woord, dat ‘beminnen’, maar 't ontvalt me daar zoo, en ik laat het maar staan, want je wéét het toch wel, dat het zoo is.) Nu, Lief! Lief! 't is etenstijd, en ik ga mij klaar maken. Met innige liefde kust je jouw Willem | |
[pagina 630]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 631]
| |
Jij bent wel een mensch geboren van menschen, maar in jou leeft het eeuwige leven, het ware leven, de zuivere essentie van rede en van gevoel. Daarom zeg ik: laat heel die wereld van bewegende schimmen, die menschen heeten, verdwijnen met één slag, - als jij maar blijft. Daarom treft mij je ‘Hartstocht’ zoo, niet enkel omdat 't een roman is, die zich goed laat lezen, want och, zóó zijn er nog wel meer romans, nietwaar? neen, het boek treft mij, omdat jij er in hebt gedreven het leven, jouw leven, jouw gezicht-op-het-leven, en dat springt nu, bij de lezing, ook óp in mijn ziel, en zoo leef ik mede jouw innerlijk leven, zóó word ik méér één met jou dan ik was. Want, nietwaar, wat weten de menschen over 't algemeen van elkaar? Van de millioen dingen, die door jouw ziel gaan, hoor ik er misschien maar hoogstens duizend: er zijn er te vele en ze vlieden te wisselend, en je let er soms zelf niet belangstellend op, - maar in dat boek geef je jezelf in je hoogste momenten, in je ware, je eenige, je opperste toppunten, in de gesublimeerde quintessentie van je waarachtigste geestelijk Zijn. O, dat ik de mensch, die dát schreef, altijd bij mij mag hebben, dat ik haar mag troosten en sterken en gelukkig maken, omdat zij gelukkig gemaakt worden wil door mij, - dat is een heerlijke veldtocht en de overwinning ligt aan 't eind! 't Is kwart over twaalven, Lief! mijn lamp gaat uit, dus ik moet naar bed. Ik kus je handen, die van mij zijn, maar ik durf ook je voorhoofd te kussen, waar je groot talent achter woont.
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Liefste, je zegt, dat je naar mij verlangt, - maar o, het verlangen, dat ik heb naar jou! Dat is niet om uit te spreken, het is een nooitweg-gaande pijn, een smartelijk, knagend gevoel, dat me verdrietig en rusteloos maakt! - O, dat altijd-maar-door-verlangen, dat de uren verdubbelt en de dagen eindeloos rekt! O, soms, als altijd-hetzelfde-werk in altijd-dezelfde omgeving me al te hevig benauwt, dan krijg ik een onbedwingbaren lust, om de muren neer te slaan, om naar buiten te vliegen in de lucht, in de zon, naar het leven, naar jou! O, zonder jou versuf ik, verdor ik, zonder jou ben ik niets, niets, maar ook niets! En alleen deze gedachte geeft me kracht; dat het toch eenmaal eindelijk wel eens veranderen zal, - dat ik mee zal mogen leven in het echte, het levende leven, dat ik eindelijk toch | |
[pagina 632]
| |
eenmaal wel eens vrij zal mogen ademen en me bewegen en mijn leden recht-strekken in de lucht, onder jouw leiding, in jouw hoede, Lief! O, ik verlang naar je, ik verlang naar je, - want jij zal me los-maken van alles, wat me nu nog beëngt en beklemt, jij zal me bevrijden, jij zal mijn redder zijn. Ik heb je lief, ik geloof in je, ik vertrouw op je, ik heb je lief, ik heb je lief! O, nu nog zie je mijn gezegden maar voor ‘woorden’ aan, want anders zou je niet, een beetje spottend zeggen: ‘jij kunt mij niet zoo “hevig-hartstochtelijk” liefhebben, of ik heb jou nog tienmaal erger lief’, - maar later, later, o, mijn Lief, als wij voor altijd samen zijn, dan zal je het inzien, klaar, volkomen, dat àlles, àlles, wat ik heb gezegd: de onwankelbare, waarachtige waarheid was, - dat ik mijn gevoel niet heb bedacht of overdreven, maar dat ik àlles, àlles nauwkeurig zóó, en zóó alleen heb gemeend, als ik het uitte tegen je. Ik heb je lief, en omdat ik je liefheb, verlang ik zóó ontzettend naar je, dat het als een koorts door mijn leden brandt, - mijn liefde is verlangen, - verlangen naar jou, naar jou, éénig Lief, - o, was je al maar hier, was je al maar hier, voor goed! -
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]O, mijn éénig Lief, dat je 't zóó gezegd hebt, dat ik het waarheid vóel en wéet, dat ik werkelijk iets beteeken in je lot, dat mijn leven waarde heeft voor jou! Je weet 't niet, Willem, Lief-van-mijn-Ziel, welk een groote, goddelijke kracht je me daardoor geeft, - hoe alles een ander aanzien voor me krijgt, - hoe ik rustig en gelukkig word, en tevreden-met-mijn-bestaan! O, die onnoembare zaligheid van te weten, dat ik voor iemand leven mag, ik, ik, die me altijd als te veel, als overbodig op de wereld heb beschouwd, dat ik iets zijn kan voor jou, o, begrijp je niet, lieve, lieve Lief, dat dit bewustzijn me zalig maakt, zóó kalm inwendig, zóó heerlijk gerust, dat alles in me evenmatig wordt en zich vereffent tot harmonie? O, dat je zegt, dat ik noodig ben voor jou, - dat ik alles van me aan je wijden mag, dat geeft aan mijn leven een doel, dat maakt me sterk en wilskrachtig en flink, dat geeft me levenslust en levensmoed, dat doet me de toekomst rustig tegen-zien, - dat maakt me gelukkig, gelukkig, gelukkig! | |
[pagina 633]
| |
Je heerlijke brief kwam al om zeven uur, en ik ben er zoo stilinnig blij mee, lieve Lief! O, als je eens wist, hoe ik naar je verlang, hoe ik smacht naar je stem, een blik van jou... Zeg ik 't soms te dikwijls, Lief, herhaal ik te veel, wat je allemaal weet, en al zoo lang? Ik schrijf 't zoo maar onbedachtzaam neer, dat ik je liefheb, en naar je verlang! Er is maar één gedachte in mijn hoofd, de gedachte aan jou, en niets kan er zijn, niets kan er komen, wat deze ook maar gedeeltelijk verdringt! Mijn heele geestelijke Zijn is zoo vervuld van jou, mijn ziel is zóó voortdurend bij jou en om je heen, dat ik, als 't ware, half-weg ben van hier, - begrijp je dat? Ik voel me niet volkomen 'n geheel als ik hier zit en schrijf en doe wat ik moet, - dat gaat werktuigelijk altijd-door zijn gang, - maar mijn geest is bij jou, o, Lief, ik geloof zoo zeker, dat mijn geest altijd bij jou is, bij jou! En als deze toestand nog lang moest duren, dan geloof ik, dat langzamerhand mijn physisch leven heelemaal in een psychisch zou overgaan, dat de menschelijke dingen me absoluut geen belang meer zouden inboezemen, dat ik wel leven zou, d.w.z. me bewoog en ademde en sprak, maar eigenlijk een soort van automaat zou zijn, die leefde ja, maar alleen omdat ze niet dood was. Maar diep-inwendig zou een etherisch leven zijn, een Zielsbestaan, waarvan alleen ikzelf en jij iets zouden vermoeden. Ach, neen, ik heb me gebrekkig en onduidelijk uitgedrukt: ik bedoelde alleen maar dit: dat ik alleen dóór jou, mèt jou een menschelijk geheel kan zijn, en dat ik-alleen maar half ben, onvolkomen. - - Ik wou je zoo graag eens iets zeggen, Lief. Ik heb je al zóó dikwijls gevraagd, of 't je niet een klein beetje vreugde gaf, dat we elkaar nu al gauw weer zullen zien, maar je antwoordt er heelemaal nooit iets op. En, o, Lief, ik zou 't zoo verrukkelijk vinden, als je er eens iets van zei, een klein gezegde maar, een even toespeling er op. O, Lief, dan zou 't voor mij dubbel heerlijk zijn, dan zou ik 't oneindig goddelijker vinden dan ik 't nu al vind. Ach, toe, Lief, zeg eens even, even maar, dat je 't een klein beetje prettig vindt? Veenstra schrijft me, dat hij half September met mijn Verzen begint, omdat Impressies deze najaarsreis weer meegaat, en hij er dus liever geen proefblad van nóg een dichtbundel bij wou doen. Ik heb nu ook de overige pres.exx. van Hartstocht gekregen. Dit wou ik je ook nog even vragen: zal ik je, waarin 'k je verdere verzen heb gecopieerd, het tweede cahier dus, ook sturen? 't Kon zijn, dat je ze voor publicatie noodig had, want in het eerste schrift | |
[pagina 634]
| |
staan er, geloof ik, nog maar een paar. Als je ze noodig hebt, dan hoor ik het wel. O, ik wou, Lief, dat we niet altijd zoo ver van elkaar hoefden te zijn, dat we elkaar eens één oogenblikje op een dag konden zien en spreken, ja, al was het maar zien alleen. Zou jij dat ook niet graag willen, liefste Lief? O, hoe meer ik je brieven lees, hoe erger, hoe sterker, hoe heviger ik naar je verlang, o, ik wou, dat ik 't niet hoefde te schrijven, maar je zeggen kon, dat ik je liefheb, jou-alleen en voor altijd jou, en dat dit eeuwig zoo blijven zal!
Met een innig-teederen zoen
jouw eigen Jean | |
18 Aug. '99Allerliefste,
Wil ik je eens wat zeggen, Lief? In April van dit jaar was ik levend dood. Ik had zooveel ondervonden in de laatste jaren, voortdurend kwam maar het een na het ander, en het eenige, wat ik er op wist te doen, was stil in mezelf weg te kruipen, gelaten-sterk, en alles aan me te laten voorbij gaan, als stormige winden, waar ik toch niet het hoofd voor boog. Want iedere reactie er op van mijn kant, wist ik, zou den boel nog maar erger maken. En zoo verkoos ik de krachtige, maar mijzelf op den duur als verstijvende zelf-inhouding boven het uiten van mijn hartstochtelijkheid, die de menschen toch niets anders had doen zeggen, dan dat ik zoo ‘zenuwachtig’ en zoo ‘hatelijk’ was. Ik heb dit je dan ook wel eens meer gezegd, geloof ik: als jij niet in mijn leven gekomen was, dan was ik stellig van plan geweest, om, zoodra ik er de middelen toe had gekregen, dit land te verlaten en in vreemde streken, in stille eenzaamheid, slechts nu en dan wat verzen makend, mijn verdere levensdagen door te brengen. Jij hebt me aan 't leven en aan de menschheid terug-gegeven: vergeet dat nooit, Lief, en laat dat jou altijd wezen een blijd bewustzijn, waar je je eigen waarde, in haar werking naar buiten, sterker door voelt. O, jij bent met mij, in je onbewustheid, één; dat stemt mij zoo sterk en vreugdevol, en dat heb ik zoo heerlijk-duidelijk gevoeld, met-voor-mijzelf-ook-stille, inwendige vreugd, direct, toen ik je voor de eerste maal zag. | |
[pagina 635]
| |
Ik wou je dus maar zeggen: ik geloof het dolgraag en het doet mij een onzegbaar pleizier, dat je mij iets in jouw leven vindt, maar je weet niet, Lief, je kunt niet weten, wat jij, jij, in mijn leven bent voor mijn inwendig geluk en rust, voor mijn opvatting van het heele leven, voor de volmaakte ontbloeiing van mijn heele zijn. O, Lief, toe, maak dat bewustzijn voor je zelf nu weer niet weg, door subtiele en jezelf weg-cijferende redeneering: zie liever de gelukkige werklijkheid onder de oogen en erken met kalm-jezelf-bezaligende voldoening, dat jij het heil van mijn leven bent. Mijn inwendig zijn wordt niet, zooals je denkt, alleen maar wat opgewekter door jou; jij geeft aan mijn Bestaan de wijding en de kracht en de heerlijkheid en de waarachtige waarde, die het zonder jou niet had. Dit moest ik je even zeggen, Lief, en ik maak hier nu maar een spoedbestelling van, dan bereikt hij je zeker vanmiddag nog.
Met innige en eeuwige liefde kust je
jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 636]
| |
behouden, om het eindeloos-konstant te doen blijven, want mijn eigene ziel heb ik, gelukkig! in mijn eigene macht. Het lichte geluk nu van mijn ziel komt alleen en heelemaal door jou. En daar jij iemand bent, die óók niet over één nacht ijs gaat, om het schertsend zoo uit te drukken, zal jij niet zoo gauw veranderen in jouw zaligheid-gevenden gemoedstoestand tegenover mij, als ik me maar altijd aan jou blijf houden, als ik jou maar even diep en innig en voortdurend blijf liefhebben. En juist dát te doen, dat wil ik en kan ik en moet ik altoos. Dus is onze toekomst, o, Lief, heel zeker, en altijd zullen wij gelukkig zijn, gelukkig door en mèt elkaar. Zie je nu wel, Lief, dat ik óok kan redeneeren: alles sluit zoo prachtig als een bus. Maar ik redeneer hier een beetje anders dan jij soms doet. Want ik redeneer hier van het geluk uit, dat jouw brieven mij voortdurend geven, o, vooral de laatste, Lief! ik zie je waarachtig als een engel in menschen-gestalte! Jij bent mijn Jean, en dat zal je altijd blijven, en ik zal ook jouw Willem zijn. Ik ben dat nú al, zonder weerhouding, zonder achtergedachte. Ja, toch wel een half-bewuste achtergedachte. Want ik merkte, dat ik mijzelf opeens heel pedant vond, dat ik zoo tegen je dorst te spreken, en, onderzoekend mijzelf, vroeg ik mij: Sla ik nu eigenlijk niet een beetje een mal figuur? En zal ze niet gaan lachen, als ze dit leest? Maar tegelijk dacht ik: Laat ze maar lachen, want ik kan toch niet anders doen, al doe ik nu ook misschien een beetje naïef. Want je hebt misschien wel gemerkt, lieve Jean, dat ik mijzelf in mijzelf op niets verhef. En ik word, ook door jouw teedere brieven, heelemaal niet ingebeeld, neen, heelemaal niet op mannenmanier ingebeeld. Ik word er alleen maar zoo diep-gelukkig door, als ik niet had gedacht, dat ik ooit zou kunnen zijn. Lief, ik houd niet alleen van je, neen, ik heb je lief met een macht van gedweeheid en overgave, die niets anders wil als jouw geluk. En nu zeg je, dát ik jou gelukkig maak; dat geeft mij zoo'n diepe inwendige vreugd, want ik ben mij heelemaal niet bewust, iets bijzonders nog voor jou gedaan te hebben. Nu ja, ik ben wel anders tegen jou geweest, dan ooit tegen eenig ander mensch, maar dat spreekt vanzelf, en dat was tóch niets bijzonders, want het kwam spontaan-weg, zonder reflectie, heelemaal voort uit mijn inwendige natuur. Ja, maar, Jean, nu moet ik je een geheim vertellen, dat je aan | |
[pagina 637]
| |
niemand mag verklappen: ik houd er zóó verschrikkelijk veel van om jou te zoenen. Nu ja, zegt Jean, bedaar maar een beetje, want ik doe die dingen alleen maar op 't papier. En ik dan, Jean? vraag ik met een onschuldig gezicht, ik doe dat immers ook alleen maar in mijn brieven? Want als ik 't in werkelijkheid wou doen, dan draaide je gauw je hoofd om, en daarom zal ik het ook nooit meer doen... Maar in gedachten voeg ik hierbij: Behalve als ik positief weet, dat het mij lukken zal. Neen, toe, Jean, kijk maar niet treurig! ik doe het uitsluitend als we heelemaal alleen zijn, dat weet je wel, want dit is een ding, daar heeft absoluut geen sterveling mee te maken. Maar àls we dan ook alleen zijn, bijv. op je kamertje, dan ontsnap je mij niet. Want je durft toch geen leven te gaan maken. Buitendien, als je jarig bent, dan zijn wij bijna 5 maanden geëngageerd en dan moet ik al de zoenen inhalen, die ik je niet heb kunnen geven, doordat je je weg-stopt in den Haag. O, Jean, ik ben even achterover in mijn stoel gaan zitten, met de oogen gesloten en een kalm-vriendelijk gezicht, denkende aan al de zaligheid, die mij bij jou wacht... O, alles wat hij doen kan, om jou gelukkig te maken zal steeds doen
jouw eigen Willem
Goeie Lief, Je praat zoo dapper over Walden, en het is toch een vervelende boel voor je. Werk maar niet te hard! | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ja, ja, ik wil zoo heel graag blijven in het heerlijk geluk, dat ons nu omgeeft, en ik verzeker je, o, ik verzeker 't je, Lief, dat ik al mijn daarvan-afleidende-gedachten overwinnen zal, dat al de even-in-mijn-geest-opkomende dingen weer dadelijk zullen verdwijnen, als ik me maar even een gezegde of brief van jou te binnen breng. O, Lief, je weet niet, hoe diep gelukkig ik me voelde, toen ik las: Jij bent mijn Jean, - o, dat klonk me zoo innig en vertrouwensvol. O, mijn Lief! o, kon ik maar altijd de waarachtig-overtuigende woorden vinden, om je daarin mijn liefde te zeggen, - want nu, ik begrijp het wel, gebruik ik soms te schijnbaar overdreven, al te lyrische uitdrukkingen, terwijl zachter, kalmer, teederder woorden veel inniger, veel overtuigender waren geweest, - maar, ach, Lief, zie door de uiterlijkheid heen tot aan de kern, - voel in die onvolmaakte | |
[pagina 638]
| |
uitingen de er in liggende, waarachtige werklijkheid! Ik wou, dat ik je maar eens even aan kon zien, eens even heel zacht je strijken over je haar, - dan zou je alles wel begrijpen, dan zou je alles veel dieper voelen misschien dan door den meest-opgewonden, gevoeligsten brief! Ik heb je lief, hoor je 't, mijn Liefste, mijn Lief? Ik zeg het heel stil en innig nu; niets anders dan: ik heb je lief! Maar, o, als je mijn oogen kon zien, als je dat zalig-teedere gevoel in mijn hart meevoelen kon, dan hóefde ik ook verder niets meer te zeggen, Lief! O, ik ben ook zoo blij, dat je nu eens uit jezelf op je komen hier in September gezinspeeld hebt. Ik zei er juist iets van, in mijn brief van gisteravond, en heb dus nu weer vooruit een antwoord er op! Dag, Liefste, mijn Eenige, mijn uitsluitend Lief! Ik eindig nu, maar straks schrijf ik natuurlijk weer.
Met een heel-teederen zoen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]O, Liefste, dat je 't werkelijk zóó hebt kunnen zeggen, dat ik iets ben in je leven, o, dat ik 't nu gelóóven mag, dat ik niet onnut besta, - dat maakt me zoo zalig-kalm-gelukkig, Lief! Je weet niet, hoe sterk en flink me dat bewustzijn maakt, hoe 't mijn inwendig Zijn verruimt en verlicht, hoe 't me opgeruimdheid geeft en veerkracht en levensmoed, hoe alles anders wordt om me heen, hoe ik alles heel anders in ga zien! O, Lief! dat mijn bestaan van waarde, van belang is voor jou! dat ik, ik in staat ben iets te wezen voor jou, o, Lief, begrijp je niet, hoe me dat verheft uit mijn zwaarmoedigheid voor goed, dat 't mijn innerlijk weerstandsvermogen versterkt, dat dit den grondslag voor mijn blijvende opgewektheid legt? Als je van iemand houdt, en die iemand heeft op de heele wereld niets liever dan jou, dan geeft je dat natuurlijk eenige vreugde, nietwaar, Lief? en niet veel meer dacht ik voor jou te wezen, Liefste! Ach, natuurlijk kwam dat, omdat ik alleen in mijzelf kan zien en ik wist, dat mijn heele leven van jou afhankelijk was, dat jouw bestaan een absolute noodzakelijkheid was voor het mijne, dat ik zonder jou niets zou zijn, o, nog minder dan niets! Van mijzelf tot jou zie ik natuurlijk alleen de uiterlijke verhouding, tenzij je me er iets van zegt, en, o, Lief, dat heb je nu zóó goddelijk gedaan, zoo heerlijk | |
[pagina 639]
| |
heb je me 't besef gegeven, dat ik ook iets zijn kan voor jou! O, weet je wel, hoe ik eens schreef: Ik kan niet gelukkig maken, ik kan alleen maar gelukkig gemaakt wòrden? O, als ik nu ook eens voor mijzèlf voelen kon, dat ik jou, jou gelukkig maakte, Lief! O, Lief, je hebt me zoo'n innig genot gegeven door je laatste brieven, misschien nog meer dan anders, omdat dit heerlijk besef, dat je me nu gegeven hebt, het eenige is, wat inhoud aan mijn leven geven kan, dat mij mijn bestaan zèlf als van eenige waarde doet zien! Ik eindig nu maar, Liefste, in verlangend wachten op weer je volgenden brief. Dag, lieve Lief!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 640]
| |
geloof ik ook, dat, hoe meer wij, na nu niet meer zoo heel langen tijd, geregeld tezamen zijn, die identificatie hoe langer hoe konstanter en volkomener kan worden. Begrijp mij nu wèl, Lief, ik zeg dit alles niet, om iets op je waarachtige gevoel voor mij af te dingen, ik zeg het alleen maar, om jou en mij voor te bereiden op een kleine teleurstelling, die je misschien overvallen zal, als je mij, nu spoedig gelukkig, werkelijk ontmoet. Want als je die teleurstelling in jezelf merkte, dan zou je misschien op de gedachte kunnen komen: ‘Och, wat beteekent ook eigenlijk mijn persoonlijk gevoel voor een mensch; ik houd mij maar liever aan mijn onpersoonlijke verbeeldingen, want die stellen mij nooit te leur.’ En daar zou je toch ongelijk in hebben in die opvatting en die redeneering, want ik verzeker je nogmaals, als wij altijd tezamen zijn, dan zal je langzamerhand geen onderscheid meer maken tusschen je fantasie en de realiteit, en zal je in mijn werkelijk Zijn rust vinden, meer dan je 't nu van je verbeelding hebt. Want o, ik krijg je hoe langer hoe meer lief: dat wil zeggen, ik voel 't hoe langer hoe bewuster in mij worden; mijn liefde wordt een zaligheid, die ik voel tot in de uiteinden van mijn vingertoppen, met de vaste, gelukkige overtuiging, dat wij in de toekomst altijd bij elkander zullen zijn.
Geheel-en-al en voor-altijd
jouw eigen Willem
Ja, graag, stuur mij dat cahier met verzen en s.v.p.p.o. Want ik heb er nog maar drie voor September. | |
[Ongedateerd]Neen, Lief, neen, het is niet zooals je zegt, dat ik, als ik je weer in werkelijkheid zie, een oogenblik wel eens een ander gevoel zou kunnen krijgen, dan ik nú weet te hebben! Ik zeg je, dat is niet zoo, Lief. Dat ontzettende verlangen van mij naar jou zal nergens anders op eindigen dan op een hevige, heerlijke blijdschap, dat ik je zie, dat ik je hoor, dat je weer bij me bent! Mijn verlangen naar jou is nooit zoo sterk, zoo grenzenloos, zoo pijnigend-erg geweest, als het tegenwoordig is, en dat komt omdat ik nú zoo je menschelijkheid in je liefheb, den echten, den levenden mensch! O, Liefste, ik weet heel goed, hoe je in Bussum eens tegen me gezegd hebt, - ‘Ja, | |
[pagina 641]
| |
ik weet al vooruit, hoe het gaan zal, als je nu weer terug bent in den Haag, dan ga je me heel lieve brieven schrijven, en als we weer bij elkaar zijn, is het toch net als nú.’ Toen, Lief, begreep ik het niet heelemaal, maar nu, o, nu begrijp ik het zoo, omdat ná dien tijd langzaam maar gestadig alles zóó heerlijk veranderd is; ja, het is waar, dat er vroeger heel veel abstracts in me was, - maar kon dat ook anders, Lief? En nu zie ik ook heel zuiver, dat ik toen een beetje een koele, strakke teruggetrokkenheid over me had, - waarvan ik me zelf natuurlijk niet bewust was, maar die jij, Lief, wèl merken moest. Was 't niet zoo, Lief, zeg, was 't niet zoo? Nú zie ik mezelf in dien tijd zóó lijdelijk, zoo daad-loos, - ik liet alles maar gaan zooals het wou. Merk je wel, Lief, dat ik mezelf soms heelemaal objectief kan beschouwen, alsof ik sta buiten mezelf? Die zelf-contemplatie, dat bestudeeren van mijn eigen Ik heb ik me vooral zoo aangewend door mijn schrijverij. (Dit is een tusschenzin!) Maar nu, o, mijn Lief! nu ik door je menschelijke daden, je gesproken woorden, je voor mij-geuite gedachten, den mensch in jou heb liefgekregen, véél echter, véél dieper, véél inniger dan ooit mijn gedachte-beeld, - o, begrijp je nu niet, Lief, dat alles zoo prachtig veranderd is? O, ik voel 't als zoo'n groote zaligheid in me, dat ik jou, jou liefheb, Willem, - dat ik van alles houd wat je zegt, wat je doet, wat je me meedeelt van je gedachten! Jij bent mijn Lief, - en niet alleen omdat ik je bewonderen, je vereeren moet, ofschoon dat natuurlijk de eerste aanvang van mijn liefde is geweest, maar om je hééle Zijn: je doen, je denken, je gevoel, je innerlijke kracht, je teederheid, - om alles, alles wat in je, van je, aan je is, heb ik je lief! Lief, zeg me eens, toen je den vorigen keer was in den Haag, heb je toen niet gemerkt, dat ik al heel anders was dan in Bussum? Toen was de omkeer, of neen, dat niet, maar de overgang van abstracte liefde tot werkelijke al begonnen, die sinds gestadig is voortgegaan. En daarom zeg ik je. Lief, en daarom kan je het ook zoo vertrouwend gelooven: dat ik, omdat ik nu méér dan ooit naar je verlang, ook blijder dan ooit zal wezen als je komt. O, als je wist, Lief, hoe heerlijk ik 't vind, om werk te hebben, omdat dit mijn dagen verkort, o, als je wist, hoe ik elken avond even zucht en denk: daar is al weer een dag voorbij, - o, Lief, dan zou je zoo heel diep voelen, dat àl mijn gezegden, dat ik naar je verlang, wààrheid zijn, dat ik naar je verlang, naar jou, jóu, Willem, verlàng, - en dat ik de levensdagen niet meer als levensdagen reken, | |
[pagina 642]
| |
de dagen, dat ik zonder jou moet zijn, - die zijn verloren, waardeloos, onnut, ik tel ze niet. O, Lief, heb ik 't nu duidelijk genoeg gezegd, zóó, dat je nooitmeer-twijfelend aan mijn woorden gelooven kan? O, was je nú maar al hier, mocht ik nú al maar mijn hoofd tegen je schouder leggen, en zeggen tegen je: ‘O, laat me hier nu blijven, Lief, - zeg niets, - laat alles stil zijn om ons heen, - laat me alleen maar weten, dat je bij me bent, en dat je van me houdt.’ O, zal dat zóó gebeuren, Lief, als we werkelijk samen zijn? O, Liefste, ik voel 't zoo diep, 't wordt me zoo heerlijk-klaar bewust, dat bij mijn Geluk bent, mijn Alles, waarvoor ik leef, - dat ik je liefheb tot in de onnaspeurbaarste gedeelten van mijn ziel, dat ik je liefheb absoluut, volkomen, geheel, - dat ik je liefheb met een heilig-verreinend, een alles-louterend, een goddelijk-zalig gevoel. Ja, ik heb jou lief, o, eenige, dien ik liefhebben kan en liefhebben wil en daarom liefhebben moet! O, Willem, weet je 't nu, o, voel je 't nu, zóó zalig-zeker en onwankelbaar-vast, als ik het zèlf weet en voel: dat ik jou liefheb, jou-als-mensch, en veel krachtiger, omvangrijker en véél waarachtiger, dan ooit mijn gedachte-beeld? Ik zoen je heel innig en teer, mijn lieve, mijn éénige Lief! Voor altijd-en-altijd
jouw eigen Jean
Hierbij gaan je verzen! | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 643]
| |
Je wou nu weten, of ik met je verjaardag graag in den Haag kom... O, Lief, Lief! wat dacht je dan wel? De allereerste verjaardag van mijn Zielslief, dien ik bijwoon, - ik zou er alleen van wegblijven, als je mij had verboden om te komen. Ik denk me in dien dag in, en ik heb op 't oogenblik zoo'n lust, om dan recht voor je te gaan staan in je kamertje en je op te nemen in mijn armen, en dan te neuriën: ‘Suja, sujah, kindje!’ Maar dan je ineens weer neer te zetten, omdat je kamer zoo klein is, en dan voor je neer te vallen met mijn hoofd op den grond en je voeten te zoenen, één voor één. Want je bent mijn vorstin, al doe ik ook soms, of je een klein meisje bent. O, ik vind het zoo verrukkelijk, dat ik meer spierkracht heb dan jij. Want als ik je nu eens kussen wil, dan zal je je er toch nooit tegen kunnen verzetten op den duur. ‘Hè, die nare jongen ook! Ga gauw weg,’ zegt Jean, met een spijtig gebaar. Maar Willem antwoordt dan met een schalksch gezicht: ‘Nu, Jean, goed, ik zal je nooit zoenen, behalve wanneer je er mij om vraagt.’ ‘Goed,’ zegt Jean, ‘want dat doe ik, lekker! nooit...’ Ja, Jean, maar laat ik je nu eens wat zeggen: mijn zoenen zijn literaire zoenen, of letterkundige, als je dat liever wilt. En als je je nu maar lang genoeg laat zoenen, dan zal je ook wel gaan merken, dat zoo'n zoen van mij op 't laatst precies denzelfden indruk op je maakt, alsof je een prachtig sonnet langzaam leest. Dus als ik jou was, dan zou ik er mij maar een beetje in schikken, zoo goed als het gaat. Want het einddoel van zoo'n zoen is dan toch weer de literatuur, zooals je merken zult, als je 't maar lang genoeg doet en volhoudt... O, Jean, we zullen zoo gelukkig zijn, later, want ik ben eigenlijk ongeveer net zoo'n mensch als jij. O, laat ik het nog eens heel duidelijk tegen je zeggen: jij bent alles, alles voor me, en zonder jou was ik eigenlijk niets, omdat ik langzamerhand gestikt was, of tenminste strak en stijf geworden uit zelfbehoud. Maar in jou vind ik den bloemgaard, waarop ik kan uitstorten al mijn diep, hartstochtelijk gevoel. Hartstocht nu is iets, waar de Hollanders absoluut niets van begrijpen, en dat ze dan met allerlei andere namen benoemen, omdat zij er zelf niets van in zich hebben. Daar heb je bijv. mijn zoogenaamde ‘satyrische’ verzen: dat was niets als een losbarsting van mijn hartstochtelijkheid, die ik zoo spontaan-weg opschreef, zonder het vooraf te bedenken, en dat qualificeeren ze nu nota bene als ‘hatelijkheid’ of een dergelijk koud iets! | |
[pagina 644]
| |
Maar jij bent óok een hartstochtelijke ziel en daarom voel je mij. En je hoeft ook nooit te denken: Laat ik mij liever wat inhouden in mijn brieven. Want o, je brieven geven mij zoo'n diepe ontroering, zij maken mij zóó ontzettend gelukkig, omdat ik voel, dat jij de waarachtige vrouw bent, die heelemaal past bij mijn temperament. O, je zegt zoo, o, heerlijk dát je 't zegt: dat ik jou kompleteer, maar ik heb ook precies hetzelfde gevoel, dat jij het mij doet, en dat ik ook zonder jou maar ‘half’ zou zijn. En het is ook zoo goed eigenlijk, dat we elkander niet vroeger hebben ontmoet. Want een jaar of zes, zeven geleden zou je mij waarschijnlijk veel te mijmerziek en te sentimenteel hebben gevonden. Maar door al de gemeeniteiten en onverdiende martelingen, die ik in de laatste vijf jaren heb ondervonden van den kant van sommige menschen, ben ik veel sterker en wilskrachtiger geworden, bewust wilskrachtiger, - een sterkte en wilskracht, die nu geheel-en-al aan jou behoort, en waarmee ik je in alles helpen zal. O, Lief, ik heb je zoo lief, mijzelf gelukkig-makend lief! Lief, vóórdat ik 't vergeet: je schrijft me, dat je de pres.exx. hebt gekregen van ‘Hartstocht’. Ik weet natuurlijk niet, hoeveel je er noodig hebt, voor anderen, maar anders wou ik vragen: Zou je er niet een kunnen sturen aan Hein? Ik weet, dat hij je, door dat boek zal leeren respecteeren. En wij moeten Hein altijd te vriend houden, want hij is een eerlijke jongen en nobel en goed. Zijn preciese adres kan ik je echter nog niet geven op het oogenblik. Ik weet alleen, dat het is: Weteringdwarsstraat, hoek Vijzelgracht. O, je geeft me zoo'n geestkracht, door ronduit te zeggen, dat je in mij gelooft. Want je kunt van mijn konstantheid, van mijn onveranderlijk gevoel voor jou zóó zeker zijn, als je bent van je eigen bestaan. O, de toekomst, die heerlijke toekomst, die wij samen zullen krijgen, die wij bezig zijn tegemoet te gaan! O, stil bij je te zitten en niet te denken, niet te zorgen, alleen maar te voelen, dat je dicht bij mij was, dat je hoofd tegen mij aanleunde, dat mijn arm teeder om je heen lag, en dat je, zóó, gelukkig was! Je vindt me niet kinderachtig, wèl? als ik je verklaar, dat mijn gevoel voor jou zóó teer is, zoo aetherisch-onvatbaar en toch zoo reëel en tegelijk zoo diep en sterk en onwankelbaar-machtig. O, Lief, ik heb je onbluschbaar, eindeloos, mijzelf geheel overmeesterend lief! Je hebt het wel eens | |
[pagina 645]
| |
geschreven, dat je prettig vond, dat ik niet wrevelig of zoo iets op je was geworden, dat ik altijd even zacht en vriendelijk voor je was. Maar, Lief, als ik wrevelig op je kon worden, dan zou ik je immers niet zoo liefhebben, als ik je liefheb in werkelijkheid! Jij bent een meisje, eerbiedwaardig van oprechtheid, je geeft je ziel volkomen, en daardoor ben je uniek. En 't is mij zoo'n bewijs, dat je mij ook voor een volkomen zuiver en onkreukbaar mensch houdt, wat ik ook in waarachtigheid ben. Want anders zou jij, die toch ook van de wereld weet, hoe die eigenlijk is, en hoe de menschen zijn over 't algemeen, niet zoo tegen mij kunnen doen, als je nu zonder ophouden, hebt gedaan. Ik had je al zoo lief, maar ik krijg je toch hoe langer hoe meer lief, - je neemt me langzamerhand, en dat vind ik zoo heerlijk, heelemaal in. Ik ben zonder ophouden en zonder einde van jou alleen. Zacht kust je en innig, alsof je een heiligen-beeld was,
jouw eigen Willem, | |
[Ongedateerd]Liefste, Toen ik zooeven mijn brief had weg-gebracht, kwam de gedachte in mij op, of ik 't nu wel heelemaal duidelijk en overtuigend gezegd had, dat die door jou bedoelde identificatie van mijn fantasie en de realiteit al lang, o, al zoo lang heeft plaats gehad, - dat 't me niet meer mogelijk is je te zien als ‘fictie’, als waan-beeld, als schijn, - dat ik je zie, dat ik je liefheb, als de mensch, die je bent, de levende, ademende, zich-bewegende mensch, - een mensch, wel hooger, beter, nobeler, wel godlijker begenadigd, dan al de anderen zijn, maar toch een mensch, die me steunt en opheft en troost en kracht geeft en bemoediging en wil, die me den levenslust doet kennen, den levensvrede en den levensmoed, door zijn menschelijke daden en woorden, - om wiens hals ik mijn arm kan slaan, aan wiens schouder 'k mijn hoofd mag vlijen. - Doordat ik je heb leeren kennen, zooals je in werkelijkheid bent, - doordat je mij je levende zelf hebt getoond, ben je voor mij een waarachtig-bestaand mensch geworden, - is je ziel en je menschelijke Zijn voor mij één volkomen geheel. O, mijn Lief, heb je me nu begrepen, en voel je, dat het de waarheid is? Al laat ik dezen brief nu nog weg-gaan, ik bedenk me, dat je hem tóch niet voor Maandagmorgen krijgt; ik laat hem dus maar | |
[pagina 646]
| |
tot morgenochtend liggen. Het is kwart voor twaalf, en ik ga dus maar naar boven. Goeden nacht, lieve Lief!
O, die verrukkelijke brief vanmorgen weer van je! O, 't maakt me zoo diep-, zoo heerlijk-gelukkig, als je zegt, dat je je in je brieven maar laat gaan, dat 't heelemaal geen vooruit-bedachte woorden zijn. Want juist daardoor kan ik er zoo innig van genieten, dat begrijp je wel, hè? En jij hebt natuurlijk altijd en in alles kunnen merken, dat ik me ook heelemaal niet inhoud, dat ik alles ruiterlijk tegen je uitspreek, en je altijd dadelijk alle in mij opkomende gedachten zeg (soms wel eens te veel!!) O, Lief, ik heb eigenlijk vreeselijk moeten lachen om dat praten van je over zoenen: dat je zoenen letterkundige zoenen zijn, en dat je 't prettig vindt, dat je meer spierkracht hebt dan ik en dat ik op mijn kamertje toch geen leven durf te gaan maken. O, Lief, wat kan je toch onweerstaanbaar grappig zijn! Vooral de uitlegging van de gelijksoortige gewaarwording bij het krijgen van een zoen of bij het langzaam lezen van een prachtig sonnet, die vind ik magnifiek, - dus, Liefste, om hieruit de juiste gevolgtrekking te maken, - is zoenen iets subliems?... Ja, Lief, ik heb nog wel een ex. van Hartstocht, maar niet meer een ingebonden, hindert dat niet? Dan zal ik het, dunkt me, maar aan den Hr. èn Mevr, adresseeren, niet? O, je brief van vanmorgen is zóó verrukkend-heerlijk, Lief! O, dat je zegt, dat ik je Zijn aanvul, - dat je zónder mij niet zóó zou wezen, als je nú kan zijn, - o, Lief, dat geeft zooveel beteekenis aan mijn eigen leven, - dat maakt alles om me heen zoo belangrijk en zoo waardevol! Ja, Lief, 't is waar, wat je zegt, dat àls je wel eens wrevelig op me geworden was, je niet zooveel van me zou blijken te houden, als je nu doet, - maar, Liefste, juist die teedere, zachte vriendelijkheid van je, die maakt me onmiddellijk weer bedaard en normaal, die laat me mij direct inkeeren tot mezelf en overtuigt me van mijn ongelijk, - veel nadrukkelijker en veel dadelijker, dan harde woorden of onverschillige gezegden dat zouden hebben gedaan. Nietwaar, dat begrijp je wel, hè, Lief? O, het zalig besef, dat je zóó van me houdt, dat je zóó met me omgaan kan, als je doet, dat verheft me boven alle kleingeestigheid en drift en overijling en verkeerdheid, - dat maakt me beter, Lief! O, Liefste, heb je 't misschien óok gemerkt, dat we bijna woorde- | |
[pagina 647]
| |
lijk weer hetzelfde geschreven hebben, - ik, dat ik zoo graag rustig bij je wou zijn, met mijn hoofd tegen je schouder aan, en van niets meer wetend, heel stil en stoorloos bij je zijn, - dat schreef ik je gisteravond, en gisteren ook schreef jij aan mij: dat je wel wou, dat ik tegen je aanleunde, terwijl je arm lag om me heen, en dat ik, zóó, gelukkig was... Ja, Lief, dat zou ik zijn, o, zoo innig, zoo zalig gelukkig, Lief! O, de heerlijkheid, dat dit toch ééns zoo gebeuren zal! Dag, Lief, dag, lieve, lieve, liefste, éénige, lieve Lief! Heel innig kust je
jouw eigen Jean
Vanavond schrijf ik weer, maar dien brief krijg je morgen pas om één uur, lieve Lief! | |
[Ongedateerd]Ja, lieve Engel, (je bent een engel) nu begin ik maar vast weer te schrijven aan den brief, dien je Maandagmorgen krijgt. Dien bezorg ik dan Zondag om voor drieën op de post, en hoop, dat je hem Maandag met de eerste bezorging krijgt. Weet je, wat ik o.a. zoo kranig van je vind, snoes? Dat je je niets laat voorstaan op je literaire werk. Want je hebt toch voor jouw jeugdigen leeftijd al bijzonder veel gedaan. Twee romans en twee dichtbundels, die allemaal goed werk zijn! Jij bent een geboren ‘schrijfster’. Maar je hebt heelemaal niet de onaangename kanten van geboren schrijfsters, geen pedantisme, affectatie of blauwkouserij. Daarin, in dat schrijfster-zijn, verschil je zoo gunstig van mij. Ik ben geen schrijver, eigenlijk-gezegd. Ik ben alleen maar iemand, die wel eens wat schrijft. Maar jij, o, over dertig jaar bijv. beslaan jouw werken een heele boekenkast. O, ik krijg zoo'n leuk gevoel, als ik aan jou denk. Precies een gevoel of er een bloem een mensch was geworden, en die nu tegen me praten ging en vriendelijk tegen me was.
Lief, toen ik dit geschreven had, moest ik naar beneden om thee te drinken. Toen kwam jouw brief. O, dat je mij dat schrijft, - dat het jou kracht geeft, te weten, dat je iets in mijn leven bent, - dat geeft, van den weeromstuit als het ware, mij weer meer kracht en aktieven wil, om wat in jouw leven te zijn, niet door me met jouw eigen dingen te gaan bemoeien, zoolang je mij er niet zelf inhaalt, maar | |
[pagina 648]
| |
door je, zonder het mij bewust voor te nemen, voortdurend op te wekken, je te suggereeren tot dingen, die uit jezelf niet zoo gauw in je bewustheid zouden komen, literaire plannen en dergelijke. Hè, ik weet niet, of het te merken is aan mijn still, maar die Juffr. Linn zit maar aldoor te pianoteeren en van tijd tot tijd te galmen. Ik heb er nu eindelijk op bedacht, om watten in mijn ooren te doen; dat verzacht ten minste een beetje het geluid. Jawel, net dat ik de watjes in mijn ooren gestopt had, hield zij op. Er zijn een paar vetvlekken op dit papier gekomen, waar ik niets van begrijp; 't eenige wat ik kan begrijpen is, dat 't van de kaars komt, waar ik zoo lang bij zit te schrijven, tot mijn lamp gevuld is. Maar ik zal er den brief maar niet om overschrijven, hè?
Ik wist eerst niet, wat het was, ik kwam maar niet verder met dezen brief: ik ging aldoor achterover in mijn stoel liggen, met de armen over elkaar, en met een sterk gevoel van onbevredigdheid in me, zonder dat ik me bewust kon maken, wát onbevredigd was. Maar nu wordt het mij op eenmaal klaar: het is verlangen naar jou, ik wou, dat je hier was, dat je op een stoel zat, of door de kamer liep, dat je mij vragen deed, of wat meedeelde, dat je in mijn boeken en papieren snuffelde, en van tijd tot tijd lachend naar mij omkeek, zooals je dat kunt. O, Lief! ik verlang zoo naar je! Weet je wat, Jean, ik zal zien, dat ik over zes weken in den Haag woon, met 1 October. Nu, dat is toch niet de eeuwigheid, hè? die zes weken? Als ik met je verjaardag in den Haag ben, dan heb ik in die dag of zeven, dat ik er blijf, tijd genoeg om kamers te zoeken. Liefst had ik er een met een wat vrij uitzicht over velden of zoo iets. Jij kunt zeker niet meegaan om te kijken, dat ‘staat’ niet in den Haag, wel? Ziezoo, vind je dit geen prachtig plan? De laatste dagen was dat zoo van tijd tot tijd door mijn hoofd gegaan. En nu vanavond, onder het schrijven van dezen brief aan jou werd alles definitief. Als je dit nu Maandagmorgen leest, dan hoop ik, dat je recht-op in je stoel gaat zitten voor je bureau, met de stille, maar blijde gedachte: Ziezoo, dat's tenminste een jongetje, waaraan ik weet wat ik heb! En wil ik je nu nóg eens wat zeggen? Maandag, 28 Augustus, kom ik in den Haag logeeren, en Maandag 4 September ga ik dan weer weg. Nu, Lief, weet het dus wel, als je dezen leest, dan duurt het nog maar acht dagen, voordat ik er ben. | |
[pagina 649]
| |
Ben je nu een beetje blij, Lief? Mij maakt het vooruitzicht veerkrachtig, dat voel ik, en ik ga nu naar bed, met een heerlijk gevoel van: Alles komt terecht! Geloof in mijn liefde, die nooit vermindert!
En word door de vlekken in dees brief niet gehinderd.
Goeden nacht, goeden nacht, maar jij ligt al lang op 't dons,
Naar ik hoop niet geplaagd door der muggen gegons,
Maar door droomen bezocht, die je zullen vertellen,
Dat ik je je heele leven zal vergezellen!
In vreugd en ernst, bij werk en pleizier,
Steeds tokkel ik teeder, o, Lieve, de lier!
En nimmer zult gij mij 's morgens betrappen,
Dat ik met 't verkeerde been 't bed uit kwam stappen,
Want altijd blijf ik goed-gehumeurd,
Zoolang jij tenminste mij waardig keurt,
Te wezen een slanke riethalm, die neêrleit,
Voor uw vorstlijke voetjes, die 'k kus vol teerheid.
Deze dichterlijke ontboezeming
Improviseerde ik nog net,
Voordat 'k ter droom-opbloeseming,
Mij nedervlijde in bed.
Tot morgen. Lief!
Ziezoo, 't is Zondagmorgen, en de heele familie op reis, naar Amsterdam, geloof ik. Verster is ook niet thuis. Ik ga nu straks in mijn eentje koffiedrinken beneden. Dan stel ik mij voor, dat wij getrouwd zijn, maar jij bent dan op de vlucht met den eersten luitenant van het Litterair Maandschrift en Redacteur van het derde regiment Huzaren. Jullie loopen dan samen, op de vlucht, in de Scheveningsche Boschjes en declameeren daar het volgende duet:
Jeanne.
O, letterkundige en krijgshafte Karel,
Poëtisch pronkstuk van mijn maagdenziel!
Karel.
O, vlekloos-glanzenrijke, reine parel
Die uit de kroon van St. Cecielja viel!
Jeanne.
O, Redacteur en Man! O, heerlijk-zoete
Inkt-zwart gegalonneerde luitenant!
| |
[pagina 650]
| |
Karel.
Zie hoe mijn krijgsmanssnor, om u te groeten
Boven mijn lippen zich als luite spant.
Op dit oogenblik begint er een musch te tjilpen en Karel en Jeanne vallen in extase op de knieën. Nu, Jean, daar wordt gescheld; het zal misschien de post zijn. Ja, Jean, je brieven, de verzen, alles was er, en ook de proef van mijn Kroniek. Op je brieven antwoord ik je vanmiddag wel, deze moet nu na koffiedrinken weg. Dag, Lief, ik heb je lief, grenzenloos en zonder einde en teeder kus ik je als jouw eigen Willem | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 651]
| |
geweest, als je zoo op mijn kamer zat. Want ik dacht dan: Jeanne is nu wel lichamelijk hier, maar haar geest is heel ergens anders, en ofschoon ze aan mij niet bepaald het land heeft, zij denkt toch aan, en zoekt haar Verbeeldings-lief en vindt dat niet in mij. Weet je nog, dat ik wel eens met mijn hoofd in mijn handen bij de tafel ben gaan zitten, terwijl jij op de kamer was? Ik kreeg dan een gevoel, of de grond onder me weg-zonk, of ik absoluut alleen was, schoon toch mijn ‘meisje’ op mijn kamer zat. En het eenige, waar ik mij door op kon houden, was de gedachte, die ik wel niet zeker vond, maar waar ik mij toch aan bleef vast-klampen: Misschien komt later alles terecht, als zij mijn werklijk Zijn maar eerst ziet. En: als ze er eenmaal behoefte aan voelt om een werklijkheid lief te krijgen, ben ik er toch waarschijnlijk het eerst aan toe om die werklijkheid te zijn. En nu ben ik zoo diep-gelukkig, dat je begint te voelen, dat je van den werkelijken Willem houdt. O, Jean, je zult er nooit spijt van hebben, ik zweer je, je zult er gelukkig door zijn, zóó gelukkig als een mensch maar op de wereld kan wezen, want ik ben iemand, die met sympathie onder een hoedje te vangen is. O, Lief, Lief, ik heb je zoo lief, en ik verlang zoo naar je: hoor je 't, hoor je 't, Lief? ik verlang naar je, ik verlang naar je, ik verlang naar je. O, je lach weer te zien en de uitdrukking van je oogen, als die mij aankijken! O, te voelen, dat het je pleizier doet, als ik kom! O, je maakt mij zoo gelukkig! Want vroeger, - ik zal het je maar zeggen, - vóor ik jou had, vóor ik jou kende, dacht ik heel dikwijls: Wat voer ik toen eigenlijk op de wereld uit? Voor mijn eigen pleizier ben ik hier heelemaal niet, en mijn werk? Och, die paar menschen, die dáár wat aan hebben, die zouden er ook heel best buiten kunnen. Maar nú, nú weet ik, dat ik voor jou leef, dat ik een roeping heb in mijn leven, die is, om jou gelukkig te maken, zooveel ik dat kan. En dat kan ik wel, vooral omdat ik je nu voortaan vrij mag kriebelen, zooveel ik maar wil. Daar heb ik permissie voor van van Kempen, den goudsmid, waar wij mijn en jouw ring hebben gekocht. O, zalige ik! Nu mag ik je voortaan kriebelen onder je armen met dien vinger van me, waar de ring aan zit! Van Kempen is tegelijk mijn wethouder en mijn dominé voor het kriebelen. Ik moet alleen oppassen, dat Jan B. het niet ziet! Want ik geloof, dat die je graag kriebelen wou met zijn oogen. Arme jongen! 't is eigenlijk flauw van me, dat ik zoo met hem scherts. | |
[pagina 652]
| |
Ja, Jean, ik kan het niet zwijgen, - je drie laatste brieven hebben me inwendig zoo heerlijk-geëmotionneerd! Weet je wat ik gehoord heb? Henri Borel, je weet wel, komt uit Indië terug, en bij van Eeden op de kolonie wonen. Of 't waar is, weet ik natuurlijk niet. Nu, Lief, 't is nu middernacht, en ik ga naar bed.
Innig kust je
jouw eigen Willem
Ik verlang al weer naar je brief of brieven van morgenochtend! | |
[Ongedateerd]O, Lief, die heerlijke brief van vanmorgen van je heeft me den heelen dag zoo rustig-blij en kalm-gelukkig gestemd! O, ik vind 't zóó verrukkelijk, dat ik 't je niet zeggen kan, dat 't voor jou ook iets prettigs is, om nu gauw hier te komen! Want, o, 't zal zóó goddelijk zijn, als je er eenmaal bent. Ik kan je niet zeggen, hoe lang die tijd me duurt, hoe ik die weken, die ons nog scheiden, wel uit den kalender zou willen knippen, om maar niet telkens te zien, hoe veel dagen dat nog zijn. O, lieve Lief, ik verlang zoo naar je, - zoo altijd-door verlang ik naar je! Soms met een werkelijk pijn-doend gevoel, soms is het kalm-weemoedig, maar altijd is het een soort verdriet, iets stil-droevigs, dat altijd bij me blijft. Vind je me een beetje overdreven, Lief, omdat we elkaar nu toch werkelijk al weer gauw zullen zien? Ach, als je eens wist, hoe wachten een werkelijke smart voor me is, dat mijn ongeduld een echt-bestaand innerlijk lijden is, - dan zou je me wel begrijpen! O, Lief, ik geloof niet, dat er iemand is, die het minder verdragen kan, om te worden tegengehouden dan ik, - ik wil altijd maar voort, voort, ik zou wel zoo snel willen leven als maar mogelijk was, - wacht-tijd, o, dat is verloren tijd, oneigenlijke tijd, dat is geen tijd! - - O, Lief, wil ik je eens iets zeggen? Ik heb 't o, zoo oneindig veel liever, dat je me behandelt als een ‘klein meisje’ dan als een ‘vorstin’, - laat ik altijd maar jouw Jean zijn, niets dan jouw Jean, mag ik dat, Lief? Weet je, Liefste, wat me ook zoo verrukkelijk-vreugdig heeft aangedaan? Dat je schreef: ‘Ik heb je, mijzelf gelukkig-makend lief...’ Dat vind ik zóó iets goddelijks, zoo iets heel-zaligs, dat je | |
[pagina 653]
| |
me dit hebt gezegd. Want nu mag ik gelooven, o, eenig Lief, dat ik werkelijk in staat zal zijn, jou eenmaal geluk te geven, als ik je maar mijn liefde tóónen kan in plaats van daar, al schrijvende, benaderende uitdrukkingen voor te moeten zoeken. Ik wou, Lief, dat ik je eens, ik weet niet waardoor, de plotselinge overtuiging van mijn liefde geven kon, dat je haar even diep voelde als ikzelf! Maar, o, ik weet vast, dat zal eenmaal gebeuren, eenmaal zal je van mijn liefde ontwijfelbaar-zeker zijn! Ik hoop, dat er morgenochtend een brief van je is. Want zoo'n heelen dag zonder brief van jou (ik kreeg je brief vanochtend om 5 minuten voor 8) is toch wel erg lang. Dag, Liefste, Lief-van-mijn-Ziel, Lief-van-mijn-Leven! Met een innigen zoen voor altijd-en-altijd jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]O, Lief, ik ben zoo blij met dien brief van je, dien je zoo allerprachtigst hebt versierd met verzen. De ‘ontboezeming’ voordat je je ter ‘droom-opbloeseming’ neerlei, vond ik het mooiste, maar de poëtische dialoog tusschen den luitenant en mij is toch ook magnifiek. O, Lief, dát zal je toch zeker wel een troost zijn, dat je, als ik eens op de vlucht mocht zijn, jij, door je machtige fantasie tenminste precies weet, wat ik zeg en doe! O, die knevel, die zich ‘als luite spant’!... O, wat heerlijk, Lief, dat je Maandag al komt, en dat je nu definitief besloten hebt, om 1 Oct. te komen voor goed. Maar om je de waarheid te zeggen, Lief, heb ik daar al aldoor op gerekend, - want toen ik in Amsterdam was, en met je beraadslaagde, wanneer de copie van Walden klaar moest zijn, vroeg ik je ook, wanneer je dan dacht in den Haag te komen, en toen je zei: 1 Oct. zei ik, dat ik er voor zou zorgen, dat de vertaling dan àf zou zijn, wanneer ik 8 Sept, in Bussum kwam logeeren. Weet je nog wel? Ach, Lief, verwonder je er toch niet over, dat ik zoo klaag en treur over een scheiding van een paar weken, wat jij zelf niet eens zoo erg lang vindt. Weet je, wat 't is? Jij zegt, Liefste, dat ik je innerlijke kracht versterk, maar is dat zoo, dan komt dat alleen door 't besef, dat er iemand bestaat, die zoo innig van je houdt, dat zij alles, alles voor je over zou hebben, - dit besef moet aan je leven wel wat waarde geven, 't besef, dat je voor iemand noodzakelijk, | |
[pagina 654]
| |
onmisbaar bent. Overigens... mijn geest is niet in staat jou ergens krachtdadig in te helpen, zooals jij mij dat doet. Als jij me geen wil, geen moed, geen kracht, geen levenslust geeft, dan heb ik die niet, - jij hebt dat alles al in je zelf; misschien geeft mijn liefde er meer vastheid en meer bewustheid aan, maar dat alles bestaat toch al in je. Of ik er ben of niet, je doet je gewone werk, alleen met wat meer opgewektheid misschien; je omstandigheden blijven heelemaal dezelfde, uiterlijk is er niets in je leven veranderd. En daarom, Lief, geloof ik, dat ik meer en erger en voortdurender naar jou verlang, dan jij naar mij, - en dat is heel natuurlijk, - verlangen kunt. Liefste, ik zeg dit absoluut niet, omdat de indruk van je brief van laatst, waarin je me schreef, dat ik ook noodig was voor jouw bestaan, verdwenen zou zijn, - dat groote geluk houd ik voor immer vast in mijn hart, - 't is alleen maar een verontschuldiging, als 't ware, dat ik nóg klaag en bedroefd ben, omdat je nog niet hier woont, terwijl het vooruitzicht er toch is, dat het nu gauw gebeuren zal. Begrijp je, Lief? Ik ben erg verlangend naar je Kroniek; als je revisie krijgt, stuur je mij wel de eerste proef, hè? 't Is waar, ik heb in de laatste jaren ontzettend veel gewerkt met een haast koortsachtigen ijver, om aan alles wat ik in me had een vasten vorm te geven, maar sedert het begin van dit jaar is er een stilstand in me gekomen, en dat is goed, want zóó had ik 't toch niet vol kunnen houden. Maar verbeeld je, Lief, dat jij mij bij jou vergelijkt, en dan zegt, dat jij alleen maar iemand ben, die ‘wel eens wat schrijft’! O, Lief, dát moet moet ik je zeggen: ik heb, op mijn eerewoord, in mijn heele leven nog nooit van iemand gehoord, of iemand gezien, die eenvoudiger, bescheidener is in het daaglijksche leven dan jij, en die meer recht zou hebben, om het tegenovergestelde te zijn. O, Lief, als je eens deed, wat eigenlijk niemand vreemd zou vinden je te zien doen: loopen met je hoofd in de wolken, nooit voor iemand uit den weg gaande, en geen acht slaande op 't geen voort-kroop aan je voeten! Nu, Liefste, ga ik dezen beëindigen, vanavond schrijf ik natuurlijk weer. O, lieve Lief, de volgende Maandag al! dan is de wederziensdag toch eindelijk gekomen! Dag, liefste, lieve Lief!
Een innig-teederen zoen van
jouw eigen Jean | |
[pagina 655]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 656]
| |
Want, nietwaar, Lief, anders had je me niet zoo rond-uit geschreven misschien, welke gewaarwordingen je wel eens van me kreeg, toen ik in Bussum was. 't Is wel nooit zoo erg geweest, als jij 't je nu voorstelt, Lief, - maar natuurlijk moest ik in 't begin mijn verbeelding met de werkelijkheid vereenzelvigen en bovendien zelf van mijn vroeger volkomen-abstracte leven tot het normale, concrete leven overgaan. Maar dat dit nu gebeurd is, dat weet ik nu zoo vast, daar ben ik nu zoo heerlijk-zeker van, omdat, Lief, mijn alleen-zijn, wat me vroeger een behoefte was, me nu een verdriet is, bijna een pijn, - omdat ik zoo naar je verlang, zoo ontzettend naar je verlang, naar je levende tegenwoordigheid. O, Willem, zou ik niet, als ik alleen maar mijn hersenbeeld liefhad, mijn eenzaamheid juist het aangenaamst vinden? O, ik kan 't nú dikwijls bijna niet uithouden, als ik er aan denk, hoe alles anders zou zijn, als je maar bij me was, als ik je stem maar hooren kon, je stem, o, Lief, o, Lief! 't Heeft me heelemaal verrukt, 't heerlijke weten, dat je den volgenden Maandag komt. Vanmiddag nog, toen ik een beetje down begon te worden, ging plotseling met een schok de gedachte door mijn hoofd: de volgende week is Willem hier! en toen werd ik ineens weer opgewekt. Was 't niet vreemd, Lief, die dag alleen in huis? Maar dan hoefde je tenminste geen watjes in je ooren te stoppen voor ongewenscht muziek-gespeel, hè? O, ja, Willem, dat moet ik je toch vooral vragen: toe, kriebel me alsjeblieft toch nooit weer, want daar kan ik heusch absoluut niet tegen, zelfs al zou je het met den ring-vinger doen! Toe, zal je niet, Lief? - -
Daar kwam, heerlijk! je brief, dien je vanmorgen geschreven hebt. Weet je wel, Lief, ik heb 't je meermalen gezegd, dat ik 't zoo verrukkelijk vond, een brief van je te krijgen, waardoor ik je stemming-van-vandaag, zal ik het maar noemen, te weten kwam? En daarom ben ik zoo blij, als er 's avonds een brief van je komt, - maar 's morgens en om half vijf toch óók, hoor, - o, ik ben altijd, altijd blij, als er een brief van je komt, - neen, verrukt, verrukt is een beter woord. O, Lief, 't is eigenlijk wel een beetje om te lachen, maar ik weet zoo precies al de richtingen, waaruit de postbode, op de verschillende bestellingen komt, en kijk hem dan als 't ware naar ons huis toe: onze postillon d'amour! | |
[pagina 657]
| |
Zoodra ik Hein's adres weet, zal ik 't boek versturen. Ja, ik geloof óók, dat Hein iemand is met een heel gevoelig fond, dat hij in waarheid goed is, en wat men noemt kern-zuiver. Nu, Liefste, ga ik dezen brief even weg-brengen, en keer dan weer tot mijn vertaalwerk terug, dat 's avonds laat altijd 't beste en 't vlugste schijnt te gaan. Tot morgen, liefste Lief, mijn Alles, mijn Geluk, mijn absoluut-eenig Lief! Met een innigen zoen jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 658]
| |
zoodat jij gelukkig wordt. Voel je mijn woorden. Lief? Want het is zoo moeilijk, zich precies-juist hierin uit te drukken, omdat alle menschelijke woorden eigenlijk zoo abstract zijn en met zoo'n gewonen banalen zin. Want als iemand anders dit nu las, dan zou hij mij vragen: U wil toch niet zeggen, dat al het leven om u heen niet levend is? En dan zou ik daarop alleen kunnen antwoorden: Neen, zeker niet, dat leeft wel, maar 't is toch niet, wat ik wou te kennen geven met het een-beetje-stereotiepe woord ‘levend’. Want het leven, dat de Liefde geeft, het leven-door-de-liefde is veel echter en dieper, veel waarder en levender, dan alles, wat men ‘leven’ noemt. Maar omdat slechts een uiterst-klein aantal menschen met hun bewustzijn in die sfeer kunnen komen, en dus twee zulke menschen elkander nooit ontmoeten, of, als zij elkaar toevallig eens tegenkwamen, er toch niet toe komen, om samen over die dingen te spreken, zijn er nog nooit woorden voor dat waarachtige leven vast-gesteld. Maar toch dat leven, dat absolute, pure, uit-zichzelf-levende leven, dat niet bestaat in rekenen en vergelijken en afmeten en conventie, dat is het ware, het eenige leven, en wie dát nooit heeft gekregen, is en blijft om het juiste woord te noemen: levend-dood. Weet je nog wel, Lief, dat je op een avond, toen wij afscheid gingen nemen, als naar gewoonte, in den tuin van Villa Luïse, dat je toen opeens met je gezicht naar mij toevloog, en mij onverwacht een kus gaf? Dat trof mij zoo, - die daad kwam zoo plotseling, als uit een andere wereld, en 's avonds thuis, schreef ik het vers, je weet wel: De kus, dien gij mij gaaft was als een vallend Licht... etc. Toen leefde je met je ziel in dat andere, dat hoogere leven, waar nog geen woorden voor bestaan, en waar slechts de Liefde den toegang toe geeft. O, Lief! Lief! ik weet het zoo zeker, ik voel het, en weet het, wij zullen samen gelukkig zijn!
Wat nu de pijn van het wachten betreft, je moet altijd denken Lief! de toekomst is zóó zeker, die nadert langzaam, maar onafwendbaar, je kunt het je zoo prettig en heerlijk en rustig niet voorstellen, of het zal eens gebeuren, het zal eens zoo zijn. Hoeveel vreugdevoller ziet alles er al niet uit nú, dan bijv. tien weken geleden, toen wij afscheid van elkaar namen, omdat jij naar den Haag terug- | |
[pagina 659]
| |
moest. De toekomst, die nu al op handen is, waar we, na niet zoo heel lang meer, den eersten stap op zullen zetten met veerkrachtige beweging, die hing toen nog heelemaal in de lucht, nietwaar? Wij hadden er zelfs nog niet eens positief over gesproken, geloof ik. Zoo komt alles en alles, in voortdurend vreugdevolle afwachting, als jij maar het tegenwoordige weet te genieten en te apprecieeren, door vergelijking met het vroegere Zijn. Ik denk dikwijls: als ik Jeanne nu niet had, wat zou dan eigenlijk mijn leven wezen, hoe ellendig, hoe leeg, hoe zonder eenige hoop! Dus voel maar goed en precies het tegenwoordige, hoe prettig dat, vergelijkenderwijs al is, en dat zal nu hoe langer hoe prettiger worden, hoe verder de tijd komt. De tijd gaat wel wat langzaam, en dus ook de dingen in den tijd, maar hij gaat toch, hij gaat toch, altijd door! Zoo spreek ik tegen mezelf, als ik ongeduldig word, Lief! Kan dat jou ook niet een beetje gelijkmoedig maken? Want één ding staat vast, onwankelbaar-eeuwig, en dat is mijn Liefde voor jou. Die is niet den eenen dag zús en den anderen dag zóó, maar die is aldoor stijgender, of liever, zij stijgt aldoor hooger in mijn bewustzijn, want mijn intuïtieve, onbewuste gevoel voor jou is, geloof ik, altijd even sterk en innig geweest. Door mijn intuïtieve liefde voor jou, worden al mijn gedachten en daden bestuurd, nu al vier en een halve maand lang, en hoe langer hoe klaarder wordt het mij tevens, met iederen dag, dat ik mij in geen enkel opzicht in je heb vergist, want dat jij de zuiverste en prachtigste mensch bent, die er op dit oogenblik leeft in ons land. Nu moet je dit niet voor koele redeneering houden, en denken: ‘Och, Willem voelt ook niet zoo als ik.’ Want ik ben juist verschrikkelijk-hevig in mijn gevoel, maar ik tracht altijd, zoo lang het moet, het in te houden, het niet heelemaal bewust te doen worden tenminste. O, als ik er aan denk, dat ik over een week bij je op je kamertje zal zitten en je zal aanzien, dan voel ik als een sluier over mijn oogen komen, en hard-op bonst mijn hart in mijn borst. O, ik heb je zoo lief, mijn Jean!
O, er wordt beneden weer zoo getrommeld en gebeukt! Ik ben zoo even de deur al uitgeloopen, en heb een drie kwartier gewandeld, om mijn ooren en hersens even rust te geven. Maar toen ik terugkwam, was het nóg aan den gang! Enfin, 't duurt nu betrekkelijk nog maar kort, dat ik hier ben. | |
[pagina 660]
| |
O, geloof dit toch altijd, Lief, want het is zoo: als mijn leven waarde heeft, dan is jouw leven, buiten je eigen leven om, zóó waardevol, zoo ontzettend waardevol, omdat het aan mijn leven de ware waarde geeft. Als jij niet was gekomen, dan was ik langzamerhand niets anders geworden als een kalme menschen-verachter, die aan geen goedheid en zuiverheid der menschen meer geloofde, - want daar had ik reden toe, na mijn ondervinding van de laatste vijf jaren. En ik had voort-geleefd, stil voor mijzelf, heelemaal neutraal, vreugd zoowel als verdriet zooveel mogelijk uit den weg gaand, totdat de dood mij eindelijk had gepakt. En als ik dien had voelen aankomen, dan had ik mijzelf een hand gegeven, had stil mijn hoofd op mijn kussen gelegd, met slechts één gedachte, óók heel bedaard: Daar komt, Goddank, de definitieve rust! Maar nu, o, Jean! o, jij geeft mij 't leven, jij geeft mij de liefde, jij geeft mij 't licht! O, ik zou soms door je lichaam willen heen-dringen, er door heen willen zien, om je geestelijk wezen, om je innerlijke essentie, om je ziel te zien. En, daarom heb ik ook je lichaam lief, daarom is mij je lichaam heilig, omdat ik het als een nauw-aansluitend kleed zie, dat de schoone vormen van je ziel omhult. O, Lief, ik heb je ziel lief, met bewondering en vereering, maar een bewondering en vereering, die hartstochtelijk zijn! En weet ook wel, Lief! dit is geen vluchtige, opgewonden jongensuiting, 't is de liefde van een man, die, in de volle beteekenis van het woord, weet wat hij zegt. Nu, Liefste en Eenige-voor-altijd, nu eindig ik, want het is etenstijd. Van avond schrijf ik weer en doe dien brief morgenochtend op de post.
Innig kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, Liefste! Jij zegt, dat ik het leven ben, het ware, levende leven, maar weet dan wel, o, wéét het voor altijd, Lief, dat jij me zoo hebt gemaakt, jij! - dat jij me het echte, het werkelijke leven hebt geleerd, omdat jij mij de liefde, de eenig-echte, waarachtig-levende liefde hebt gegeven! O, vroeger, ja, toen leefde ik, - een leven voor mijzelf, een diep-gevoelig, hartstochtelijk zieleleven, - maar een leven | |
[pagina 661]
| |
voor niemand nut, waar nooit een sterveling iets van te weten kwam, dus waar niemand iets aan had. Het was een leven van abstracties, droomen, verbeeldingen, dat niemand gelukkig maakte, het allerminst mijzelf! Maar nu jij, jij, o, mijn Lief, door de onbewuste suggestie van je kracht, me ook uiterlijk levend hebt gemaakt, - om een leven te leven tot geluk van een ander, - een leven van liefde, van liefde, - nu voel ik me stijgen, al hóóger, al méér, boven het neer-trekkende, vast-houdende, laag-aardsche gedwaal en gedoe! O, die menschen, die menschen, die zich verbeelden méér nog dan organismen te zijn, die ziel-loozen, die automaten, die poppen zonder wil of gevoel! To live is the rarest thing in the world, most people exist, that is all. (Oscar Wilde). O, die allen, die denken, dat ze, als ze spreken, iets méer doen dan woorden-zeggen, dat elk hunner bewegingen een bewuste bedoeling heeft! ‘De menschen lachen en schreien niet, ze doen maar zoo...’ O, Lief, ik ben heelemaal opgewonden door je brief geworden! O, te leven, te leven, het stralend-lichte, het zalig-lachende, het gloeiende, het volkomene leven, - o, vrij te zijn, vrij, vrij, van elke verenging en benauwing en neerdrukking en zwaarte, vrij, vrij van alles, wat laag is en banaal en klein, - o, Liefste, zal zóó een leven het onze zijn? Dat leven, zooals jij zegt, het absolute, pure, het leven, dat leeft-uit-zichzelf? O, te weten, dat mijn leven waarde heeft voor jou, dat mijn liefde waarde heeft voor jou, o. Lief, dat maakt me zalig voor immer. Ik heb je lief, onveranderlijk, onverminderlijk, onwankelbaar, eeuwig en eeuwig heb ik je lief, en mijn geloof in jou is volkomen, mijn vertrouwen grenzeloos, ik heb je lief, mijn Alles, mijn Eenige, mijn Lief!
Innig kust je met teedere zoenen-van-liefde
jouw eigen Jean | |
Bussum, ParkzichtLief, als ik een brief aan jou begin, dan ben ik vol van stille emotie. Drie brieven heb ik vandaag op de post gedaan aan jou. Eén om kwart over negenen, heden morgen, één om één uur, en één om zeven uur. 't Is nu half acht en zoo meteen zal de post wel komen, die jouw brief brengt. O, je brieven! je brieven! die geven mij zoo'n geluk! Houd toch nooit | |
[pagina 662]
| |
op met ze te schrijven. Lief! want dan zou ik stellig rampzalig zijn. Ik heb vreeselijk moeten lachen even, om de figuur, die je teekent van mij, ik bedoel van mij, zooals ik me eigenlijk zou moeten houden in het leven. Heusch, Lief, mijn eigenlijke kracht zit niet in mijn productie, al heb ik wel eens, op mijn manier, heel goede en ik denk ook wel blijvende dingen gemaakt. Neen, mijn eigenlijke kracht zit in mijn wijde gevoeligheid voor andermans werk en daaruit gedistilleerd algemeen begrip. Ik moet dikwijls stil in mezelf lachen, als ik in de periodieken van tegenwoordig allerlei menschen naar links en rechts zie oordeelen en staande-houden, nu eens dit en dan weer dat, maar een jaar later hoort niemand meer ooit van hen, want ze hebben dan een andere manier gevonden, om in hun levensonderhoud te voorzien en een ander zit dan op hun plaats, en maakt op zijn beurt het publieke oordeel nóg wat dwaalzieker dan het al was. Neen, mijn respect voor Busken Huet wordt vertiendubbeld, als ik dat labyrinthische gescharrel onzer tegenwoordige journalisten zie. Voor verzen had Huet heelemaal geen gevoel en begrip, maar zijn kritisch oordeel was toch, ondanks zijn slag-om-den-arm-stijl uit één stuk gegoten en konsekwent. Hè, Lief, hoe vind je die onverwachte Literaire Kroniek? Dat komt, ik was op de vorige bladzij, na het woord ‘begrip’ de deur uitgeloopen, omdat het beneden weer een orgie van geluiden was, en zoo, langzaam wandelend, met de handen op den rug, door de duistere Bussumsche laantjes, kwamen mij die paar reflecties in 't hoofd. Ja, Lief, dat herinner ik mij nu ook van die afspraak op 1 October; op 't oogenblik, dat ik dien brief schreef, kwam 't mij niet in 't hoofd, maar zoo zie je dat ik een konsekwente jongen ben, en zonder dat ik het op dat oogenblik wist, op hetzelfde resultaat van voelen en denken ben komen te staan, als waartoe ik vroeger al was gekomen. Ja, Lief, je mag heusch ‘mijn kleine meisje’ wezen, als ik dan maar, - lach nu niet! - je kleine jongetje mag zijn. Want ik vind het verschrikkelijk vervelend, als je soms een beetje tegen mij opziet. Ik ben wel wat ouder dan jij, maar 't eenige verschil, dat daardoor tusschen ons ontstaat, is, dat ik wat meer weet dan jij. Ik weet bijv. dat jij een verschrikkelijk lief meisje bent, wat jijzelf nog niet zoo schijnt te weten. En jij mag ‘mijn Jean’ zijn, als ik ‘jouw Willem’ ben, want anders ben jij ‘mijn teeder-beminde Jeanne’, wier geganteerde vingertoppen ik met een slanke buiging kus. | |
[pagina 663]
| |
Neen, Lief, ik heb vreeselijk moeten lachen om dat ‘kleine meisje,’ dat jij zou willen zijn. Ik vind het vreeselijk lief van je, maar, snoes! jij moet mijn flinke, vrije Jean zijn. Daarom mag je wel eens ‘mijn kleine meisje’ zijn, en ik zal dan met mijn vinger kuiltjes in je wangen probeeren te maken, heel lief en zacht, zoodat je begint te proesten van 't lachen. God, Jean, wat zal het heerlijk zijn, als ik in den Haag woon! Ik kan mijn pleizier niet op, als ik daaraan denk. Ik vind het prettig, om je te hooren praten over allerlei dingen, je oogen te zien, je bewegen te volgen, en te weten, dat je van mij bent, zooals ik van jou ben, omdat je 't zelf zoo hebt gewild, en 't rationeel vindt, dat 't zoo is. Stel je nu eens voor, wat een heerlijke tijd er nadert, - eerst ik in den Haag, daarna jij in Bussum, totdat ik voor goed in den Haag kom wonen. O, heerlijk vooruitzicht! Dan zitten wij iederen avond in het Kurhaus te Scheveningen, jij als Psyché, met vleugeltjes aan je schouders en een wijde crinoline aan: die krijg je allebei van de modiste, de laatste vooral tegen zeer gematigden prijs, omdat de hoepelrokken totáliter uit de mode zijn. En ik als Amor, op een bescheidene wijze gedecolleteerd, en kant en lubben van alle kanten uitstekende uit een zwarte gekleede jas. En als we daar dan ettelijke kopjes thee hebben genoten, stappen we in de electrische tram, waar ik, staande op het bordes aan den achterkant, gloeiende letterkundige speeches houd tegenover het saam-gevloeide volk op den weg. Dat saam-gevloeide volk bestaat natuurlijk allemaal uit Haagsche heeren en dames, en die roepen allemaal: ‘Leve de redactrice met haar redacteur!’ En als we dan in de Reinkenstraat komen, zit je Mama met levendige gratie een potpourri te spelen uit: La Fille de Madame Angot en La Duchesse de Gerolstein, en Jacq zit tapisserieën te borduren met de voornaamste en schokkendste scènes uit Hartstocht, die zullen moeten dienen, om uit de vensters van No. 14 te worden gehangen op den bruiloftsdag van de moderne Amor en Psyché: Nu, Lief, 't is kwart over twaalven 's nachts:
'k Hoop, dat je wordt, als je dit leest, goedlachs.
Ik kus je lief op allebei je wangen,
Die ik graag aan mijn hart wou prangen.
jouw eigen Willem | |
[pagina 664]
| |
[Ongedateerd]O, Lief, ja, dat is 't juist, wat ik altijd moest doen, en dat me nú al, o, zoo rustig en gelukkig zou maken als ik het deed: het heerlijke tegenwoordige vergelijken bij mijn vroeger leven. Dan zou ik het heden waardeeren en er van genieten, en niet maar altijd vragen om meer, om méér! Maar ik geloof, Lief, dat dit komt, omdat ik, ofschoon ik nóóit gelukkig ben geweest, ook nooit een positief ongeluk heb gehad, en dus niet zoo gauw tevreden kan wezen. Lief, zou 't dat niet zijn? Wil je me eens een pleizier doen, Lief? dan moet je vóór je de volgende week hier komt, eens dat stukje van me lezen in het Wilhelmina-Album, dat ik je een poos geleden stuurde, tegelijk met de boeken van Couperus en De Heer van de State. Het heet ‘Niets’. Daar zal je dan eens uit kunnen zien, hoe, in het eind van verleden jaar doorloopend mijn gemoedsstemming was. Het is geen goed literair werk, je moet het alleen lezen om den inhoud, zal je, Lief? O, dat je nu toch komt, werkelijk komt, en over zes dagen er al zal zijn, o, lieve, lieve Lief, dat maakt me toch zoo ontzettend-gelukkig, dat ik 't je niet zeggen kan! O, dat verrukkelijke weten, dat ik je, over niet eens een week meer, al weer zal zien, en met je zal kunnen praten, o, Lief, Lief! - - O, daar kwam die heerlijk-vroolijke, fantasieën-volle brief van je! O, Lief, wat heb ik vreeselijk moeten lachen om die schilderij van Amor en Psyché in het Kurhaus, - niemand luisterde meer naar de muziek, als dat mythologisch-moderne paar binnen-kwam! En dan die glorieuse intocht in den Haag! O, door jou wordt den Haag nog eens een literair brandpunt, dat zal je zien, en de gelukkige Jean wordt zalig beglansd door den gloed, die afstraalt van de roemkroon van haar Willy! O, wat een magnifieke toekomst wordt ons geopend, aanvang: 28 Aug. eerstkomende! O, Lief! Maar nu zonder gekheid: weet je, wat ik zoo heerlijk vind, Liefste? Als je zegt, dat je mijn brieven prettig vindt. Ja, helaas, zijn ze nog maar het eenige communicatie-middel, en daarom ben ik blij, dat ze je pleizier doen, Lief. Thoreau heeft me gisteravond een mierengevecht laten zien, dat zoo interessant was, na tientallen vrijwel noodelooze bladijden, dat ik, enkel om te weten, hoe het afliep, veel verder vertaalde, dan mijn plan was geweest. Ik wou, dat er eens meer zulke gedeelten kwamen! Het is verwonderlijk, hoeveel grooter de inhoud van dat boek is, dan het schijnt; ik heb nu al 21 cahiers volgeschreven | |
[pagina 665]
| |
(557 blz. schrift) en moet nog zes hoofdstukken doen; twaalf zijn er klaar, waarbij dat eindeloos-lange Economy. Maar ik houd er van, een werk te doen, waar een beetje inspanning voor noodig is, dat houdt me bezig, dat is heel goed voor me. Straks schrijf ik denkelijk wel weer.
Dag, lieve Lief, innig kust je
jouw eigen Jean | |
22 Aug. '99Lieve Lief,
Ik stuur je hierbij nog even de proef van de Kroniek, die ik zoo even in revisie ontving. Er zijn wel een paar drukfouten in verbeterd, maar dat hindert niet, hè. Je zult er wel uit wijs kunnen worden, hoop ik. Met Hol, die nu bij Mevr. v. Gogh en pension is, ga ik vanmiddag wat wandelen. Dus tot vanavond Lief!
Geheel jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, ik vind het zoo heerlijk, om aan je te schrijven, Lief! Dat verruimt en verluchtigt mijn geest weer zoo, na het ingespannen vertalen, een heelen tijd achter elkaar. En juist in deze dagen, dat ik met Walden bezig ben, geven jouw brieven me zulk een goddelijke afleiding van dat dikwijls droge en eentonige werk, o, ze zijn me een ware verkwikking, Lief! Maar nu moet je heusch niet gaan denken, omdat ik dit zoo zeg, dat ik mijn werk naar vind, of te zwaar, want dat is volstrekt niet zoo, al kan ik je nu wel zeggen, dat 't in 't eerst een taaie worsteling was, om er doorheen te komen, en dat ik ontzettend blij was, toen 't een beetje vlugger begon te gaan. Maar nu ik het einde begin te zien, al is dat dan ook pas over een groote 100 blz., nu kan ik met hoop en moed de toekomst tegen-zien; en één ding wil ik je wel zeggen, Lief, als ik dit werk niet had gehad, dan was 't me, geloof ik, bijna onmogelijk geweest, deze dagen door te komen, zonder me allerellendigst verlaten te voelen. Maar dit werk heeft me opgehouden; heusch, Lief, hoe meer ik mijn krachten | |
[pagina 666]
| |
gebruik, hoe sterker en flinker ze worden. En nu kom je toch werkelijk gauw! O, dat stemt me zoo gelukkig, Lief, zoo heerlijk-blij!
De post belde daar juist, en toen ik gauw ging kijken, bracht die me, heerlijk, jouw briefje met je Kroniek. O, Lief, ik ben er dolblij mee. Want, - ik ben hem natuurlijk dadelijk gaan lezen, - hij (of zij) is zoo verrukkelijk-helder, en zegt zoo precies, wat je bedoelt, zonder, scherp te worden, tegen Meerkerk, die het toch waarschijnlijk wel goed vóórheeft met de literatuur; neen, je zegt zoo kalm-weg en daardoor zoo duidelijk en goed, hoe het is; je dringt zoo binnen in het hart van de zaak, en toont zoo klaar aan, wat er aan ontbreekt, en wat er te veel aan is. Ik mag er immers wel zoo over spreken, Lief? Wat ik vooral zoo mooi en waar vind, zijn o.a. deze gedeelten: ‘Geloof me, men moet heel rijp-ontwikkeld zijn....’ Het antwoord, dat je aan Meerkerk zou geven, vind ik prachtig, en dan is dit zoo echt wáár, dit trof me zoo: ‘Want uit zooals zij de zaak verwoordden....’ Ik ben er erg blij mee, Lief, en ik dank je hartelijk voor de zending, want ik vind het allerheerlijkst haar te hebben. Liefste, let maar niet op net slordig begin van dezen brief, want ik schreef het, toen het donker begon te worden, en toen ik mijn lamp opstak, merkte ik het pas. Het is nu half tien, en deze moet weg. Tot morgen, Lief, eenig Lief, met heel innige zoenen kust je:
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 667]
| |
‘Jean zijn zonder-kriebelen.’ Waarop ik je teeder-zacht aan mijn hart druk, met een losse beweging vol ingehouden aandoening, en de oogen ten hemel slaande, roep ik uit: ‘Ik ben háár Willy en zij is mijn Jean!’ Nu moet ik gaan koffiedrinken.
De koffie is afgeloopen. Heusch, Jean, je kunt niet begrijpen, hoeveel ik van je houd! Het gevoel van mijn liefde zit tot in de fijne, nauw-zichtbare haartjes boven op mijn hand. En ik wou zoo, dat ik altijd bij je kon zijn! Ik vind het zoo'n verrukkelijk idee, dat ik zoo zielseigen met je kan wezen! Dat gebeurt niet zoo heel veel tusschen de menschen, want de mannelijke helft heeft meestal dingen, waar hij de vrouw maar buiten laat: zaken, speciale opvattingen enz. Maar die mag je bij mij allemaal haarfijn weten; als ik er niet aan mocht denken, ze uit mijzelf te vertellen, dan vraag je ze maar. O, je bent zoo'n ontzettende, driedubbel overgehaalde snoes! In jou vereenigen zich, van jou stralen uit alle glorieus-eenvoudige elementen van het mooi-menschelijke. Ik heb je doen en je laten in zijn geheelen omvang, - natuurlijkerwijze voor zoover die mij bekend is geworden, - vanzelf overdacht, en ik heb toch geen enkele fout, wat men zoo zou kunnen noemen, in je ontdekt. Mijn liefde voor jou is dus volmaakt gerechtvaardigd, ook voor mijn onderzoekende verstand. Ik ben vandaag begonnen een boekje te lezen van Tolstoj, getiteld: De Christelijke Leer, dat mij heel interessant lijkt. Tolstoj tracht daarin het onzegbare onder woorden te brengen. Zaterdag ben ik verzocht bij Alberdingk Thym te Baarn. Nu, Jean, deze brief wordt, door Hol, niet zoo lang als gewoonlijk. Tot vanavond. Met onvergankelijke liefde
jouw Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, wat was ik verrast door je brief. Want je schreef: ‘Ik ga vanmiddag met Hol wandelen,’ en dus dacht ik, dat je geen tijd zou hebben gehad, maar daarom was het ook des te heerlijker, Lief! O, je brieven, je brieven, als ik die niet had! Je weet niet, wat een innig-groot genot je er mij mee geeft! | |
[pagina 668]
| |
Maar, neen, heusch, Liefste, je moet me nooit meer kriebelen, zal je niet? zelfs er me niet mee dreigen, - je hoeft er heusch niet lang om te vragen, als je wat van me gedaan wilt krijgen, - en dan, Lief, als ik toch weet, dat je het niet zal doen, kon ik me wel eens niet aan dat dreigen storen! Neen, je mag me zoenen, zoo veel als je wilt, je hebt wel gemerkt. Lief, dat ik daar nú wel tegen kan, - maar spreken we dan ook af, dat je me nooit meer kriebelen zal? Zeg eens ja, Willem, dan ben je een snoes! Hè, Lief, ik ben toch zoo blij met je Kroniek. Er is, geloof ik, niemand op de wereld, die zóó kalm-klaar-precies, zóó juist en raak, zóó scherp en helder, de dingen weet weer te geven, die hij te zeggen heeft. En weet je, wat 't is, Lief? Bij andere critieken krijg ik zoo dikwijls een neiging, om mijn schouders op te halen en te denken: Nu ja, dat is een persoonlijke appreciatie, een particuliere opinie, dikwijls meer gericht op den schrijver dan op het werk, maar bij jou krijg ik altijd het gevoel: ‘Ja, zoo is het, en ieder, die dit gelezen heeft, zal het óók zoo begrijpen, en mee gaan voelen.’ Ik mag toch wel eens zoo iets zeggen over je werk, hè, Lief? O, ja, mag ik dat boekje van Tolstoj eens van je leenen, Lief? O, nu nog vijf dagen, en dàn! O, wat zal het heerlijk zijn, als je hier bent. En het verrukkelijkste is, dat je niet zoo dadelijk weer weg hoeft te gaan, want anders hebben de dagen maar een halve waarde, vind je ook niet, Lief? O, ik wou, dat je het ook zoo ontzettend prettig vond als ik, dat je er even onhoudbaar naar verlangde, elkaar weer te zien. Maar jij kan er natuurlijk niet zoo heelemaal in opgaan, Lief, als ik; jij hebt je eigen belangen, je eigen dingen, waaraan je denken moet, je eigen werk, en zoo meer; ik heb absoluut niets anders wat me bezig houdt dan jou. Maar een klein beetje pleizier zal 't vooruitzicht je toch wel doen, niet, Lief? en dat besef stemt me weer blij.
Dag, Liefste, eenig-Lief-voor-altijd! met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[pagina 669]
| |
dat ik je zoo zwoegen liet. O, wat zal ik blij zijn, als 't heelemaal af is! Wil ik je eens wat zeggen. Lief? 't Is zoo goed, geloof ik, dat ik dat geschreven heb in mijn Kroniek, dat verzen-begrijpen niet allemanswerk is. Want, naar ik hoor, vinden de menschen dat vers ‘Papaver’ heelemaal onzin. Dat moet zóó komen: de menschen lezen zóó'n vers, alsof 't een feitelijk nuchter couranten-bericht was, en als 't dan bij den eersten inkijk niet bij hen inslaat, gaan ze door in zichzelf, op de eenmaal gangbare opinie, dat die Kloos zoo ‘duister’ is, en beginnen daar tegen anderen over te kletsen. Maar daar slaat nu juist zoo heerlijk die passage van mij op, over het begrijpen van verzen. De menschen vergeten te veel, dat het met verzen precies gaat als met beeldende kunst, bijv. met schilderijen. Iedereen heeft oogen, waarmede hij de natuur, zoowel als de schilderijen kan gewaar worden, die hij toevallig ziet, zoowel als dat iedereen lezen kan, en den algemeenen inhoud, het onderwerp van ieder geschrift, dat hij voor zich krijgt, in zich op kan nemen. Maar om een schilderij of een gedicht te kunnen begrijpen en dus beoordeelen, daar hoort nog heel wat meer toe dan praktische leeskunst of gezichtsvermogen alleen. Om een schilderij op zijn juiste waarde te kunnen appreciëeren, moet men iedere kleur en iedere lijn, op zichzelf en in hun onderling verband kunnen waardeeren, en zoo ook moet men in een gedicht ieder woord, ieder zinsdeel, ja, iederen klank voelend kunnen genieten, of het onaangename, onpassende ervan kunnen voelen, voordat men recht heeft er een oordeel over uit te spreken. Misschien vind je mij een beetje schoolmeesterachtig, als ik zoo spreek. Maar ik geloof toch heusch niet, dat ik een schoolmeester ben. Want ik maakte mij nu erg de abstractie bewust van wat er in je geest eigenlijk omgaat, als men zich bevindt in de juist-beoordeelende houding, tegenover een schilderij of een vers. Maar bij het feitelijk beoordeelen maak ik mij die dingen natuurlijk nooit zoo bewust: ik krijg dan in de eerste plaats gevoelsindrukken, die niet subjektief zijn, maar de juist-weergevende vertegenwoordigers van het op het oogenblik te voelen vers. Wat een abstracte redenatie, hè, Lief? Verveelt het je niet? Maar je weet wel, dat je Willempje niet dikwijls zoo is en vooral niet tegen jou. O, als ik, zooals vaak gebeurt, aan jou zit te denken, gestadigdoor, met weg-zetting van alle andere gedachten, dan krijg ik zoo'n overweldigend verlangen naar jouw nabijheid. Ik geloof zeker, als ik vleugels had, dat ik dan naar je heen-vloog, mijn armen om je heensloeg en ver uit de oogen der menschen met je opzwierde, hoog, | |
[pagina 670]
| |
omhoog, in de blauwe lucht. Als wij maar heelemaal vrij waren en alleen met zijn beiden, o, wat zou dan het leven een weelde zijn. Hiervan, Jean, kan je zeker wezen: ik ben eigenlijk zoo'n gedwee en zachtzinnig jongetje en met echte vriendelijkheid krijg je alles van mij gedaan. Norsch of zoo in den daaglijkschen omgang ben ik heelemáál niet, zelfs niet tegen onverschillige menschen, dus allerminst zal ik dat ooit zijn tegen jou. Nu zou je gelijk hebben met hierop te antwoorden: Willem, dat heb ik ook nooit van je gedacht, want anders had ik je nooit genomen, daar ik heelemaal geen meisje ben om onvriendelijke behandeling te verdragen. Geloof me, Lief, alles zal goed gaan!
Innig kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]Och, Lief, toen ik las van mijn ‘zelfopoffering’, toen moest ik toch heusch even lachen in mezelf. Want wat ik nu ga zeggen, dat is absoluut geen ‘grandiose negatie’, Lief, maar de echte waarheid: geloof maar, ik ken mezelf precies! Nu dan, natuurlijk begrijp ik wel, Lief, dat je mijn vertalen van Walden beschouwt als een ‘hulp’ aan jou, maar 't was toch heel rationeel, dat ik je verzocht, dit te mogen doen, want ten eerste heb ik er ruimschoots den tijd voor, en ten tweede, en voornaamste, en dit zeg ik heel ernstig, Lief: als ik dit werk niet had gehad, dan geloof ik niet, dat ik het uitgehouden had, zonder ziek te worden of zoo iets. En zeg nu niet, dat ik wel een ander werk had kunnen beginnen, want dat had ik niet, juist dit, geen persoonlijke geestelijke inspanning, alleen wat oplettendheid vereischende, een beetje mechanische werk, dat alleen ijver en kracht en volharding vordert, - dát was zoo goed voor mij. Want oorspronkelijk werk, waaraan ik me zou moeten wijden met lichaam en ziel, dat kan ik nu niet doen, nu mijn ziel zoo ver-weg is, bij jou. Begrijp je dat, Lief, en voel je dat het de waarheid is? Een-twee-drie-vier-en-een-halve-dag nog maar! Dag, liefste Lief!
Innig kust je
jouw eigen Jean | |
[pagina 671]
| |
[Ongedateerd]O, Lief, er kwam vanavond, zooals nu een poos lang, geregeld gebeurt, geen brief van je, - wat kan daarvan de oorzaak zijn? Juist schreef ik je, dat je brieven me zoo'n heerlijke verpoozing waren, en dat ik er altijd-door naar verlang. Ach, neen, Lief, ik heb niets gezegd, hoor, luister er maar niet naar, je schrijft me toch al misschien meer dan je kan. En dan, laat ik dit heerlijke toch altijd goed bedenken: Maandag zal ik je immers in werkelijkheid al zien? Je wéét niet, hoe verrukkelijk dat voor me is, want o, zoo dikwijis en zoo tergend-fel is in deze dagen 't in me opgekomen, hoe heel-vreemd en onnatuurlijk 't toch is, dat je niet bij me bent, dat je nooit bij me bent, als ik je onmiddellijke bemoediging en raad en steun en troost zoo noodig heb, - dat ik nooit met je praten kan, maar altijd maar moet schrijven, schrijven, schrijven, dat ik je nooit zie, je stem niet hoor, nooit eens weten kan, of je lacht! O, Lief, kon ik ook maar zoo kalm als jij wachten op later, later, - maar dat vergeefsch, gedwongen wachten maakt me bang, - het Heden is alleen maar van ons, Vandaag is alleen maar van ons, - het geluk-in-de-Toekomst voel ik niet als geluk, - nú wil ik het hebben, nú, nú, nu ik nog leef, nu ik nog kracht heb, om het te genieten, nu ik mijn wil nog heb en mijn gevoel! O, Lief, denk je er dan nooit eens over, hoeveel vreugd ons door de omstandigheden onthouden wordt, hoe alles anders kon zijn, hoe alles anders moest zijn, moest zijn!? O, Lief, daar heb je het weer! Nu ben ik een beetje licht-ontroerd door het niet-komen van je avondbrief, en dadelijk drijven mijn gedachten naar droeve dingen heen! Ik kan het niet helpen, Lief, - ik geloof heusch, dat dat eenvoudig-móeten-buigen voor wat onveranderbaar is, - hier de omstandigheden, - het wreedste en meest-pijnigende is van alles wat er bestaat. Je staat er machteloos tegenover, en iedereen zou zeggen: ‘Nu, ja, dat is nu eenmaal zoo, schik er je maar in.’ Maar waarom is het zoo? Waarom kon het niet even goed anders zijn? Ik kan 't niet helpen, Willem, dat ik niet tevreden ben met brieven-alleen, dat ik veel, veel, véél meer verlang! Lief, komt het ons niet toe, dat we bij elkander zijn? Is dat ons recht dan niet? Maar waarom dan niet? O, Liefste, als ik nu zoo doorging, dan kwamen er weer allerlei klachten en uitingen-van-verdriet, die iedereen ongemotiveerd zou vinden, o, wat zou men me overdreven, ja, ondankbaar noemen! O, ik wou, dat ik dit óók maar eens zoo in kon zien, dan kreeg ik die gedachten niet, en kon ik aldoor veel rustiger en gelukkiger zijn! | |
[pagina 672]
| |
Maar weet je, wat 't is, Lief? Als ik weet, dat iets gauw gebeuren zal, dan wordt mijn ongeduld zóó hevig, mijn verlangen zoo sterk, dat ik 't haast niet bedwingen kan. O, dat verdriet om je afwezigheid! O, de gedachte, dat ik je eindelijk Maandag zal zien, is een weldaad. Ik geloof niet, Lief, dat er in dezen brief iets staat, dat je bedroefd maken kan. Alleen zal dat eeuwige voort-borduren op het thema: verlangen, verlangen, je misschien een beetje vervelen, maar, o, Liefste, bedenk maar altijd, dat Jean niet vroolijk kan zijn, als ze zulke gedachten in zich voelt, en dat ze zich nooit anders voor kan doen dan ze innerlijk is. O, Lief, zal ik je nu eindelijk eens in werkelijkheid Maandag een zoen kunnen geven?
Met teedere kussen
jouw eigen Jean | |
Bussum, ParkzichtHoor eens, Lief-voor-altijd, nu moest je mij één pleizier doen en nooit meer denken, dat ik eigenlijk wel buiten je zou kunnen, zooals je tusschenbeiden nog wel eens schijnt te doen. Want ik zeg je, op mijn woord van eer, als jij er niet meer was, dan zou ik ook niet meer willen zijn. Kan dat besef je niet een voortdurende kracht geven, een jezelf verheugende, inwendige kracht, het besef, zeg ik, dat jouw bestaan een absolute, onvervangbare noodzakelijkheid is voor het bestaan van een ander mensch? Als ik je nooit ontmoet had, dan had ik waarschijnlijk voort-geleefd, somber wel en ijzer-strak, doch ik had geleefd, maar als je nu opeens van me werd weg-genomen, dan zonk, tegelijk met jou, het heele leven voor mij weg. Want, o, God! Jean! ik heb je zoo ontzettend lief! Jij bent de eenige mensch onder álle menschen, die waarachtig voor mij bestaat. Bij jou vergeleken zie ik alle anderen als vliedende schimmen, heen en weer vliedende schimmen, verhevelingen, die weer wijken voor andere verhevelingen, en waar ten slotte niets van achterblijft als een gedachte, als een vage herinnering in ons contempleerend brein. Maar jij bent het standvastige en toch wonder-gevoelige, jij bent het teere en toch het sterkwillende, jij bent de eenige, de nooit-vergaande, de eeuwig-waarachtige, de echte mensch! En denk nu niet, Lief, dat ik dit in een soort van opgewondenheid zeg, die morgen weer verdwenen is; ik ben | |
[pagina t.o. 672]
| |
![]() BRUIDSPORTRET
| |
[pagina 673]
| |
wel inwendig heelemaal geëmotionneerd, op 't oogenblik, en 't is me, of mijn diepste ziel op mijn lippen komt, maar ik behoud toch altijd mijn zelfkennis, ik observeer mijn eigen emotie, terwijl ik haar onderga. En zoo ben ik nu ook in staat om te zeggen, wetend dat ik de waarheid spreek en het niet is de stemming van een oogenblik, zoo kan ik zeggen, dat deze emotie van mij geen waan is, die weer voor een andere stemming zal vergaan, neen, dat ik daarin uitspreek mijn hoogste overtuiging, die tevens is mijn hoogste geluk. O, ik wou zoo, dat ik wist, zeker wist, dat ik jou ook eenig geluk daarmee gaf! O, kon ik in je oogen lezen de waarheid, kon ik haar hooren in den toon van je stem, dat mijn liefde je eenig geluk geeft, dat ik waarachtig iets voor je ben! Vergeef me, Jean, ik merk het wel, ik weet het wel uit je lieve, je aanbiddelijke brieven, maar, Lief, o, mijn Lief, dat ik niet bij je ben! O, als ik bij je was, ik zou je heel zacht nemen in mijn armen, ik zou je diep-stil aanzien, dicht bij je gezicht, je goddelijk gezicht, met gelukkig-lachende, stralende oogen, ik zou uit mijn blik den gloed van mijn ziel in je over willen storten, aldoor teeder naar je ziende van omlaag, tot mijn hoofd vanzelf voor je bukte, lager en lager voor je nederbuigend, en mijn lippen kusten je lieven voet. Jean, ik heb je onuitsprekelijk lief! Je hoort het nu, maar voel je het ook, sterk als een vloedgolf dringen in je ziel? Voel je 't, voel je 't stijgen in je als een klare verheuging, een onwankelbare wetenschap, die de diepten des levens voor je verheldert, voel je 't, Lief, als een zaligend bewustzijn, dat mijn ziel voor jou slechts leeft? O, zie me, hoe ik lig op mijn knieën voor je neder, omslankend je met zachte buiging van lievende armen, o, zie me, hoe ik buk voor je, mijn hoofd diep naar den grond. Doe met me, wat je wilt, ik geef me willoos aan je over, maar, o, mijn Liefste, mijn Jean stoot mij nooit van je weg! Ik zal je verheugen, ik zal je verrukken, met alles wat een mensch den mensch kan geven, ik zal je diepste ziel doen ontbloeien, in zooverre die nog niet uit zichzelf ontlook! O, heerlijke Jean, het leven is een vreemde, maar rijke droom! En als twee menschen waarachtiglijk willen, twee menschen, die goed zijn en zuiver en krachtig, dan kunnen zij 't onmogelijkste maken tot waarheid, het hoogste van hun illusies, wat, als alle illusies slechts schijn leek, maken tot een werkelijk, een gloeiend geluk! O, Jean, je zult gelukkig wezen, want ik zal de mensch zijn, die jou trouw | |
[pagina 674]
| |
blijft door alle wisselingen des levens heen. Ik zal als een kind zijn in je handen, waar je mee spelen kan, maar ook als de man, die je beschermt en troost, die je moed geeft en bezieling en wil en geluk! Jean o, mijn Jean, ik heb je zoo lief, grenzeloos, onpeilbaar, hoogheilig lief. Ik bewonder je, en vereer je, en bemin je, en aanbid je, zonder vermindering, zonder eind.
Met een eerbiedigen kus
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Lief, o, mijn Lief, o, je brief heeft me bezaligd tot verrukkende vreugd, - o, dat ik dit, dat ik zóóvéél ben in je lot, - o, Lief, dat maakt me zoo diep, zoo onuitsprekelijk-gelukkig, want jij bent voor mij de wereld, Lief, er is voor mij absoluut niets buiten jou; ik heb jou lief, en er is niemand, zeg ik je, die ook maar iets van me heeft, dan jij alleen. O, kom hier, o, kom toch hier, o, mijn Lief, dat ik in mijn handen je lieve hoofd nemen kan, en je aanzien, lang, heel lang en teer, en dan je kussen, heel zacht, maar vast op je mond, - dan zal je de eeuwig-onwankelbare waarheid weten, dat je mijn Liefste bent, mijn Alles, mijn Geluk, mijn Leven! Ik heb je lief, ik voel mijn liefde door al mijn gedachten heen, door álles wat ik doe, mijn ziel is vol van liefde, mijn bestaan is liefde-alleen. Ja, ik leef ván mijn liefde, ik leef vóór mijn liefde, o, ik mag leven voor jou! Als je hier eindelijk zal zijn, dan zal ik mijn armen slaan om je hals, en zal ik je toeroepen, met oogen, glanzend van diepe vreugd, omdat ik het zóó zeggen kan: Ik heb je lief, o, ik heb je lief, - ik kán niet zonder je leven, - je bent mijn Alles, - ik heb je lief! O, dat ik dit nu toch Maandag zal mogen doen, dat je dan toch eindelijk werkelijk komen zal! Liefste! Liefste, ik smacht naar je! O, dat je, terwijl ik je een beetje treurige brieven zond, me juist dit geschreven hebt, alsof je 't voelde, 't wist, hoe eindeloos-groot mijn verlangen was, - dat maakt me zalig, Lief! O, dat ik, over een paar dagen nog maar, mijn hoofd aan je schouder kan laten rusten, rusten, en alles vergeten, wat me óóit verdriet heeft gedaan! Ik wil alles voor je doen, ik wil alles voor je wezen, Lief, als ik jou dan maar iets van het nameloos-groote geluk geven kan, dat ik krijg door jou! Ik heb je eindeloos en onuitsprekelijk lief, laat me je dat mogen zeggen, | |
[pagina 675]
| |
o, laat me dat je mogen zeggen, als je Maandag komt! O, mijn eenige Liefste! o, mijn eenig Geluk!
Met innig-teedere zoenen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]Jean, ik moet je even zeggen, dat ik er niets van begrijp. Ik doe iederen morgen zonder uitzondering vóór tienen een brief op de bus: ik heb dat nog nooit overgeslagen, en gisteren althans niet. Hoe is het dan mogelijk, dat jij 's avonds geen brief hebt gehad? Het eenige wat ik kan denken, is, dat de post een klein beetje in de war is. Wat dat klagen betreft, arm Lief, dat komt heelemaal uit jezelf: je zenuwen zijn een beetje gespannen, om het zoo uit te drukken, door je harde werk, en daardoor voel je je een beetje overstuur. Maar feitelijke reden is er heelemaal niet, heusch niet, Lief! Je klaagt nu, dat we niet bij elkander zijn, maar dat is nu immers in staat van wording, dat is nu juist bezig een werklijkheid te worden, ons bij elkander zijn, en nog wel door je eigen mooie, goede liefheid. Arm Lief, dat altijd op den tijd vooruit-vliegen wil! Want als er dan eenmaal werklijk is, wat je wil, dan ga je weer naar het verder af-liggende verlangen, en zoo voort. Maar ik begrijp het wel, het komt door die beroerde post, die tegenwoordig dikwijls eenige vertraging heeft. In het Handelsblad werd er ook een opmerking over gemaakt. Ik heb vreeselijk moeten lachen, en tegelijk werd ik diep ontroerd door die verzekering van je: ‘Je mag mij zooveel zoenen als je wil.’ Lachen moest ik, omdat ik dacht: Dat zoenen dient Jeanne alleen maar als bliksemafleider: de bliksem van Willems vriendelijke bedoelingen moet toch ergens in slaan, zoo redeneert Jean, in vredesnaam, dan moet hij daar maar langs. Laat ik van twee kwaden het minste kiezen! Nu, Jean, ik kan niet anders zeggen dan: Ik hoop er een druk gebruik van te mogen maken, van die uit noodweer gegeven permissie. Maar ik weet wel vooruit: daar komt toch een kink in den kabel, gillen, flauwvallen, letterkundige gesprekken: alle schermen zal je wel opzetten, om mijn kussenstorm af te weren. En daar zal ik dan vreeselijk om moeten lachen, want ten slotte win ik het natuurlijk | |
[pagina 676]
| |
toch. Ja, dat denk je maar, zegt Jean, want ik ben er óók nog. Nu, Jean, nu moet ik koffiedrinken. Deze krijg je vanavond.
Geheel en al
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ik denk nog aldoor aan je goddelijken brief, - o, alles wat je daarin zegt, voel ik als een verrukking door mijn heele Wezen heen. Lief, juist zinspeelde ik er in een van mijn laatste brieven op, te gelooven, dat jij niet zoo erg naar mij verlangde, als ik naar jou, - maar, o, Lief, nu geloof ik dat toch wèl, en dat maakt me zoo heerlijk-blij. O, Lief, ik voel zoo iets nameloos teeders en innigs voor je, - ik wou, dat ik je hoofd aan mijn borst kon houden en je heel zacht streelen over je haar, en dan zou ik je vragen: ‘Ben je nu gelukkig, Lief?’ O, voel je nu, hoe eindeloos en diep en onuitsprekelijk-veel ik van je houd? O, jij bent mijn Alles, mijn Alles, - o, als ik mijn armen om jou heen-sla, Lief, dan omvat ik het hoogste, wat de wereld mij geven kan; als ik jou mag zien, als ik jouw stem mag hooren, dan trilt mijn heele ziel van vreugd, omdat ik je liefheb, je liefheb, omdat je mijn Vreugde bent, mijn eenig Heil, mijn Geluk! Als ik jou niet had, dan was ik erger dan dood, dan bleef mijn kracht, mijn wil, mijn gevoel latent, dan was ik een niets, een waardeloos, lusteloos, nutteloos niets! Maar jij, mijn Lief, je geeft me 't Leven, jij geeft de bezieling aan mijn kwijnende kracht, jij heft me op uit de omvanging van mijn melancholie, jij drift mijn droefheid weg en maakt me vrij, - jij maakt me vrij, o, Lief. Jij zal mijn leven maken tot het stralende bestaan van den volmaakten mensch! Ja, door onze liefde, omdat die volkomen is, zal ons leven ook volkomen zijn, en machtiger, grootscher, verhevener, dan één leven op aard. Ik heb je lief, onnoemelijk, eeuwig, boven alles, en jij, o, mijn Eenige, ook jij hebt me lief, - wat kan ons dan gebeuren, wat zal ons dan terneerslaan, tegenhouden, smart berokkenen, wanneer wij samen zijn? O, hoor je 't, Liefste, hoe ik 't zeggen durf, dat jij me liefhebt? hoe ik dat durf in goddelijken trots? Want je hebt het mij gezegd, en ik herhaal het hier, omdat ik je toonen wil, dat ik het geloof. Ja, ik geloof het, ik gelóóf het, - o, Liefste, hóór je den zaligen jubel in mijn toon? Ik heb | |
[pagina 677]
| |
je lief, ik heb je lief, en mijn liefde zal eerst met mijn leven vergaan! O, voor eeuwig en eeuwig heb ik je lief, mijn Liefste, mijn eenig Lief!
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
[Ongedateerd]Liefste,
In het Weekblad lees ik, dat Jacq een stukje in Nederland heeft. Is dat aardig? En heeft Hein jou misschien een adres geschreven? Ik heb nog niets van hem gehoord. De koffie is afgeloopen. Juffrouw van Lennep, een kleindochter van den schrijver van Lennep, zat mee aan tafel. 't Is een soort van vriendin van Juffr. Linn, en ze doet zich voor als een lange, bleeke juffrouw in een eng-aansluitend rouwkleed. Daar kwam een glimlach in mijn oogen, toen zij zoo, onder 't haar boterham in reepjes-snijden door, vertelde, dat zij afstamde van Godfried van Bouillon. En om den indruk van pedanten trots, dien ze daardoor licht zou kunnen maken, wat te matigen, liet ze er op volgen, dat ze ook afstamde van Ruychaver (de een of andere bijfiguur uit de geschiedenis der Republiek). Ik herinner mij den naam wel van vroeger op school, maar kan hem niet precies thuis-brengen. Ze wist ook nog te plaatsen, dat het landgoed ‘Biljoen’ aan haar betovergrootvader had behoord, en dat haar oom op een soort lustslot woonde, waar de bedienden met elkaar converseerden in de Engelsche taal. Ik denk dat haar goede grootvader Jacob een guitigen trek in zijn ooghoek zou gekregen hebben, als hij zijn zevenentwintigjarige Dora zoo had hooren uitpakken. Terwijl ik dit schreef, kwam Marius Bauer, de schilder, afscheid van me nemen; hij gaat naar Jeruzalem. Toen wij elkaar de laatste hand gaven, zeiden wij: ‘Nu, tot de volgende eeuw!’ Ik wou, dat jij en ik hem achterna konden reizen, ver weg uit al het nietige, daaglijksche gedoe! Maar, enfin, ik zal maar denken: ik kom nu gauw in den Haag, en dan huren wij bij een velocipèdehandelaar een luchtballon, en gaan langs de rails van onze gedachten naar... Venus. Hoe vind je dien onzin? In menschelijke taal uitgedrukt, wil dat zeggen: dan gaan wij naar het strand te Scheveningen, en opgeklommen naar het Kurhaus gaan we daar zitten te triktrakken uit den treure, terwijl de gegalonneerde kellners om ons | |
[pagina 678]
| |
heen pirouetteeren met fleschjes limonade gazeuse, geflankeerd door pyramidetjes van zoute drops, achtergebleven in de retorten, als men het Zondagsche zeewater-bad van met effecten dartelende parvenu's distilleert. O, nu vind je mij bepaald afschuwelijk: maar ik kan het niet helpen, ik ben als dol bij de gedachte, dat het nog maar drieëneenhalve dag zal duren, vóór ik je in je lieve oogen mag zien. O, de grond van jouw Zijn, Lief! is zoo heerlijk-mooi en klaar! En daaromheen zitten wel, op de balustrades van je zielsuitingen, weenende engeltjes van donkere chocolaad, maar, als ik er maar in bijten durf, zijn ze toch óók lekker, en hun tranen zijn van peredrups en marsepein. O, nu zit onder me, Dora van Lennep voortdurend bravouraria's te spelen... Neen, Lief, heusch ik zal nooit kriebelen: ik zal niet eens zelfs het woord meer noemen; alleen, als je me al te erg plaagt, zal ik mijn ringvinger even doen trillen, terwijl mijn hand overigens onbewegelijk blijft. Mag ik dát dan doen, Lief, heel even maar? Hè, wat zal dat heerlijk zijn, als ik in den Haag ben! Ik zal me daar voelen als in de Elyzeesche velden, waarachtig! Lief, leg je hoofd tegen mij aan, want ik zal je rust geven en geluk, omdat je mij toestaat om dat te doen.
Innig kust je
jouw eigen Willem | |
[Ongedateerd]O, Liefste, ik ben zoo verschrikkelijk blij, en weet je waarom? Omdat je nu toch eens iets uit jezelf, over je komen Maandag hebt gezegd, want je had mijn brief, dien ik gistermorgen schreef, toen nog niet ontvangen. O, Lief, dat heeft me heelemaal zoo vroolijk gestemd! Neen, ik heb verder ook niets van Hein gehoord; ze zijn zeker nog niet thuis, veronderstel ik, en ik zal ze mijn boek dus nog maar niet sturen. De recensie-exx. zijn nu weg. De hr. van Nouhuys schrijft me, dat hij er in het Weekblad over spreken zal, en vat voorloopig zijn oordeel in drie woorden samen: ‘knap maar kras’. Dat schetsje van Jacq in Nederland is ontroerend; 't behandelt de geschiedenis van een van onze kennissen. Lief, weet je wel, dat ik dat vers ‘Papaver’ van je juist zoo heel | |
[pagina 679]
| |
mooi vond? Het is heerlijk, dat je dat juist in je Kroniek hebt gezegd, die passage over het verzen-begrijpen. Wat je schreef over het beschouwen van schilderijen in verband met het beoordeelen van verzen, dat kan ik zoo heelemaal wáár vinden, Lief! De eerste de beste, die het a-b-c heeft geleerd, werpt zich als kunst-criticus op, en staat te beweren met een air, alsof hij werkelijk nog wat meer dan spellen kon. O, Lief, die herkomst van de zoute drops in het Kurhaus is gewoon om van te rillen! Neen, dan was de Kurhaus-idylle van laatst: de gedecolleteerde Amor en de gehoepelrokte Psyché veel liefelijker en poëtischer, Lief! O, maar wil ik je nu eens wat zeggen? je ringvinger zal nooit hoeven te trillen, want ik ben veel te zachtzinnig en te timide en te goed-van-hart, om je óóit te kunnen plagen, geloof je dat óók niet, Lief? Ik zit er aldoor aan te denken, dat je komt en dat maakt me zoo opgewekt en blij. O, ja, Lief, als je mij den trein opgeeft, dan ben ik natuurlijk aan de spoor, en ga jij dan niet dadelijk van het perron, want ik zal er vast en zeker en in elk geval zijn, - in dat leuke japonnetje van bleu électrique! Ik schrijf 't je nu maar alvast, want je gaat Zaterdag immers naar Baarn? Groet de familie voorloopig van mij, zal je? Dus, je noemt me even den trein? Nu nog maar twee-en-een-halve dag, en dan weet ik heelemaal niet meer, dat ik ooit verdriet heb gehad! Dag, Liefste, tot vanavond weer, of vanmiddag misschien.
Met een innigen zoen
jouw eigen Jean | |
Bussum, ParkzichtAllerliefste, eenige Schat,
Ik begin al vast aan den brief, die morgenochtend in de bus gaat. Ik heb nog net een kwartiertje voor 't eten. Ik heb proeven zitten te corrigeeren, en voel me nu een beetje slap of liever vaag. Ik ben in een aangename emotie, en jij bent, als altijd, het middelpunt ervan; er scheiden zich op 't oogenblik geen bewuste, konkrete dingen uit af, die ik onder woorden zou kunnen brengen. Ik wou, dat ik musicus | |
[pagina 680]
| |
was, dan zou er wel wat uit me komen, want ik voel mij lief-teeder-bewogen, maar zonder iets positiefs, - zonder nauwkeurig te omschrijven sentimenten. Ik geloof, als ik zoo eenigen tijd bleef zitten, mij concentreerend op jou, en mij van alle andere gedachte-dingen onthoudend, dan zouden er verzen komen. Maar daar word ik al beneden geroepen.
Nog eens: ik begrijp er heusch niets van, dat je 's avonds geen brief kreeg, Lief! Ik heb geen enkelen keer verzuimd te schrijven, en de brieven altijd op 't vereischte uur op de post gedaan. Ik zorg altijd, zonder uitzondering, dat ik twee brieven per dag aan je zend. Een 's morgens vóór tienen, dien ik den vorigen avond heb geschreven, één 's avonds vóór achten, dien ik 's middags schrijf. Maar dikwijls stuur ik er drie op een dag. Vanmiddag had ik juist geschreven, dat ik zoo naar Maandag verlang, dat heb je dus natuurlijk al gelezen, als je dezen ontvangt. Maar ik meen toch, dat ik het al vroeger óók had geschreven. Maar dan heb ik 't zeker alleen maar in mijn hoofd gehad, zonder het op 't papier te brengen. En vergeet dan ook nooit, Lief, dat ik vroeger heelemaal niet was, wat men noemt: een expansieve natuur. Ik heb mij nog nooit en tegen niemand zóó geuit, zoo gestadig en zoo gedetailleerd, als ik tegen jou doe. Het doet mij zoo'n pleizier, dat ik het tegen jou nu wèl doe, veel meer dan ik het nog ooit had gedaan. Want dat is voor mij 't bewijs, dat mijn diepste Onbewustheid, jou voelt als haar ‘Zielscompagnon’. Ik heb mij altijd alleen gevoeld, door alle perioden van mijn leven heen, maar met jou heb ik dat gevoel niet meer, voor de allereerste maal in mijn leven niet meer. Jij weet niet, Lief, hoe ik naar je verlang, al uit ik dat ook niet altijd in woorden, Lief! Geloof me toch, Lief, met mijn onbewustheid, in de onbekende diepte van mijn ziel, houd ik zóóveel van je, verlang ik zóó naar je, als mijn ongeveinsde nederigheid, of liever mijn kalme gedachte over mijzelf, mij niet toelaat te gelooven, dat jij kunt doen naar mij. Beschouw dit nu niet weer, ik smeek je er om, als een miskenning van jouw gevoel. Want dat is het geenszins. Ik weet heel goed, dat er nog nooit iemand is geweest, dat er nog nooit iemand is kúnnen zijn, die me zóó begreep, om van me te houden op de wijze, zooals jij, blijkens al je uitingen, doet. Maar ik weet ook, dat jij niet zoo naar mij kunt verlangen, als ik, in mijn diepte, doe naar jou. Jij bent mijn heelal. Niet, omdat je nu toevallig | |
[pagina 681]
| |
een vrouw bent, al ben ik gelukkig, omdat je een vrouw bent, neen, jij bent mijn heelal om je eenige, onvergelijkelijke zielezuiverheid en mooiheid als mensch. Nu wil ik je een paar praktische dingen vertellen, Lief. Morgen, Vrijdag, ben ik ten eten gevraagd bij Hein en Dien. Ze zijn dus terug. En Zaterdag ga ik naar van Deyssel, zooals je weet. Vóór Maandag schrijf ik je nog met welken trein ik precies kom. Als je mij dan misschien wilt halen, dan ben ik dadelijk, zoodra ik uit den trein stap, in den hemel. Denk toch nooit, Lief, dat je onmeisjesachtig zou zijn. Want juist dat je doet, zooals je doet, en bent, precies zooals je bent, dat vind ik zoo heerlijk! Of vind je, dat jij je moet verschuilen in je meisjesachtigen ‘schroom’, en ik in mijn zelfgenoegzame, mannelijke fierheid, zooals geëngageerden meestal doen? Hoor eens, Lief, wij zijn allebei menschen. Maar jij bent buitendien nog een snoes en een honnieponnie: Ik capituleer
Op 't veld van eer!
Neen, ik dek met de vlag
Van ons beider gezag
Mijn manlijke fierheid
Die nu hier ‘leit’, (Amsterdamisme)
Als slaaf aan uw voet,
En u needrig groet.
Wijl hij blijft altoos
Uw Willem Kloos,
Liever genoemd: Willem.
Als hij je niet te zwaar is, Liefste, til hem!
Hoe vind je nu deze poëzie? Die heb ik zóó maar uit mijn duim gezogen, of, zooals de dichters het noemen: geïmproviseerd. Verster komt nu, dus ik eindig.
Ik mag je zooveel zoenen als ik wil, zeg je, dus hier krijg je er op voorbaat een millioen. (Hier schrikt Jean, en ze zegt:) ‘Mijn positie wordt hachelijk,
En die Willem is belachelijk:
| |
[pagina 682]
| |
- Op voorbaat een millioen! -
Dat kan hij toch niet doen!
En al zou hij 't willen,
(O, 't is om van te rillen!)
Dan zei ik: Niet zoo'n vaart!
O, Willem, blijf bedaard!
Eén zoen slechts! Wat gij méér doet,
Is stoutheid, die mij zéér doet!
Maak liever een sonnet
Dan heb ik veel meer pret!’ -
Maar Willem, vlug ter been,
Gaat naar de stoomtram heen,
En rijdt naar Scheveningen,
Om daar een lied te zingen,
Dat klinkt als klacht en beê
De duinen langs der zee!
Dan, om zijn smart te temmen,
Gaat hij de zee bezwemmen,
Totdat hij afgemat
Blijft staan in 't zilte nat,
Waar dan zijn gloeiend hart
De zilte baren tart,
En blijft als een vuurtóren
Door mist en wolken boren...!
Totdat hij, op het eind,
Voor goed in zee verdwijnt,
Nog kermend: ‘Lieve Jeanne!
‘De baren zijn mijn tranen!
Maar 'k blijf u welgezind!’...
Diep-angstig klaagt de wind...
Lieve Jean! vergeef me deze ontboezeming, ik voelde me zoo ‘dichterlijk,’ en kon 't niet laten. 't Is kwart voor twaalven, en ik ga nu naar bed.
Voor altijd
jouw eigen Willem | |
[pagina 683]
| |
[Ongedateerd]O, Liefste, weet je, wat me zoo diep, zoo heel-diep gelukkig heeft gemaakt, in je spoed-brief, dien ik om half vier kreeg. Je schreef daarin, dat je met mij het gevoel van alleen-zijn niet meer had, - en dat verrukt me eindeloos, dat maakt me heelemaal, heelemaal vervuld van vreugd. Hoeveel heerlijker zal dan alles nog zijn als we elkaar werkelijk altijd zullen kunnen zien en spreken, zoo lang en zoo dikwijls als we dat zelf maar willen, Lief! Toevallig heb ik je vanmorgen geschreven, dat ik je natuurlijk en in elk geval zou komen halen, dus, Liefste, als je me nu den trein opgeeft, dan kan je er vast van op aan, dat ik aan den trein ben. Ik ben verlangend te weten, hoe je het bij Hein en Dient je hebt gehad, of het er gezellig was, en of hun huis je nogal aardig leek. Morgen ga jij naar van Deyssel, en ik moet naar Veenstra, dus zal ik niet zoo heel veel tijd hebben om te schrijven, Lief, hoewel je toch natuurlijk je avond-brief krijgt, en Zondagmorgen nog een, maar Zondag zelf zal ik maar niet meer schrijven, die brief zou je misschien niet meer bereiken, Lief. O, Lief, wat waren die verzen in je brief weer magnifiek. ‘Ik dek met de vlag van ons beider gezag mijn manlijke fierheid,’ dat vond ik bewonderenswaardig mooi. En dan dat lange vers met den aanvang: het zoenen-millioen! 't Is me alleen aan het slot een beetje te luguber, en als je maar eenmaal hier ben, Lief, dan zal het dat jou óok wel blijken te zijn! O, arme Lief, die ‘om zijn smart te temmen’, de zee gaat bezwemmen, - als 't niet zoo vreeselijk treurig was, zou ik er om moeten schateren, heusch, - maar ik bedenk me, dat mág ik doen, want zoo'n erg verdriet zal ik je heusch nooit berokkenen, Lief! Maar het allermooiste en alleraandoenlijkste vond ik toch je gloeiend hart, dat als een vuurtoren door mist en wolken blijft boren, - dat is wel het comble van gloed! - O, je bent zoo'n schat van een Lief, en ik ben zoo verschrikkelijk blij, dat je komt. Ik zend je nu ook voorloopig 999999 zoenen, de rest, om het millioen vol te maken, krijg je Maandag dan. Neen, nu plaag ik je: als je wilt, nog véél meer dan een millioen! o, als je eerst maar hier bent, Liefste, Liefste, mijn Lief!
In heden-en toekomst-en-eeuwigheid:
Jouw eigen Jean | |
[pagina 684]
| |
Bussum, Parkzicht
| |
[Ongedateerd]Liefste, Nu is het toch eindelijk overmorgen ‘de’ dag. Wat zal ik blij zijn, Lief, als ik je zie; die laatste dagen zijn zoo vervelend en zwaar, en gaan zoo hopeloos langzaam voorbij. Ik wacht nu nog een brief van je, waarin je mij den trein zal melden; ik wou, dat ik dien al wist, dan had ik er zoo heelemaal de zekerheid van, dat je komst werkelijkheid en geen verbeelding is! | |
[pagina 685]
| |
Ik zal dezen brief niet erg lang kunnen maken. Lief, want ik heb zoo'n erge hoofdpijn, dat kreeg ik gisteravond opeens. Hein heeft me een briefje geschreven met zijn adres, en ik zal nu ook denkelijk vandaag het boek versturen. Lieve Lief, ik ben zoo innig blij met alles, wat je schreef in je brief, dien ik vanmorgen vond. O, ik heb je zoo lief, lieve Lief, - je weet het nog niet, hoeveel ik van je houd. O, ik wou, dat je nu even je hand op mijn slapen kon leggen, ik geloof zeker, dat me dat beter zou maken. Vanavond schrijf ik natuurlijk weer; ik zal dus nu maar eindigen. Dag, liefste Lief, ik kus je innig en blijf altijd
jouw eigen Jean | |
Bussum, Parkzicht
| |
[pagina 686]
| |
Nederland vroeg, naar hun oordeel over mijn komende Kroniek, dan zou je minstens wel 25 verschillende antwoorden krijgen, maar die allemaal nagenoeg niet sloegen op wat ik eigenlijk geschreven had. Maar uit wat jij er over schrijft, kon ik merken, dat je de kwestie voelt, waarover ik 't heb. Zal je mij heusch nooit plagen, Lief? neen, dat weet ik wel, dat je dat nooit zult doen. Want sinds ik je in Bussum wel eens heb zien huilen, waar ik bij was, heb ik zoo'n diep inzicht in je gevoeligheid gekregen, - en wezenlijk gevoelige menschen plagen nooit in ernst. Plagen in ernst is iets satanisch-kouds, vind je dat ook niet? Maar plagen-in-scherts, daar kan ik wel tegen, en hoop ik, dat je wel weet; ik houd er soms ook wel van, het zelf te doen. Hein en Dien zijn, geloof ik, heel gelukkig. Hun huisje is typisch-klein-gezellig. Ik vind het zoo heerlijk, dat ik mij heelemaal aan mijn gevoel voor jou kan overgeven, zonder dat er één gedachte bij mij opkomt: wees hier of daar voorzichtig mee. Dat geeft me zoo'n opperst gerust gevoel. En zoo durf ik gerust te zeggen, dat ik ben en blijf jouw schaapje
Willem | |
[Ongedateerd]O, lieve, lieve Lief, wat ben ik nu toch innig blij, dat je den trein opgegeven hebt. Nu nog maar één dag, en dan, o, dan zie ik je weer, dan kan ik weer met je praten, dan weet ik weer, dat je bij me bent. O, nu dat gauw gebeuren zal, nu wordt mijn verlangen naar je zoo onweerstaanbaar, en al grooter en grooter. Natuurlijk, nu ik hoofdpijn heb, ben ik wat gevoeliger dan anders, en daardoor voel ik nu misschien mijn verlangen zoo. Aardig, dat Hein en Dien 't zoo gezellig hebben. 't Was ook lief, dat ze je zoo gauw hebben gevraagd, nadat ze thuis gekomen waren. O, Lief, hoe eenig lief van je, dat je gisteravond nog aan me schreef, toen je thuis-gekomen was. Ach, maar je weet ook wel, hoe heerlijk-gelukkig elke brief van je me maakt! Nu schrijf ik morgen maar niet meer, want dien brief zou je misschien pas over acht dagen krijgen, - tenzij hij je werd opgestuurd, - maar dan kan ik toch veel echter met je praten, als je hier bent, vind je óok niet, Lief? | |
[pagina 687]
| |
Liefste, ik zal nu maar gaan eindigen, want ik wou een beetje vroeg naar bed gaan, dan ben ik morgen weer heelemaal beter. Tot Maandag, éénig, éénig Lief! Met een innigen zoen
jouw eigen Jean
Als je me niet dadelijk ziet aan het station, wacht dan even, Lief, want ik ben er in elk geval. Dag, Liefste, tot heel gauw. Nog een zoen van
Jean | |
[Ongedateerd]Lieve Schat,
Een half uurtje voor het vertrek naar Baarn zit ik nog even bij Koderitsch en schrijf je dit briefje. Gisteravond was ik omstreeks elf uur terug uit Amsterdam, en heb toen nog je morgen-brief klaar gekregen, dien je nu vanmiddag krijgt. Maar de weinige oogenblikken, die ik hedenmorgen over heb, moet ik mij verdiepen in mijn straks gebeurend bezoek bij van Deyssel. Daar moet ik me een beetje op prepareeren. Daarom wordt deze, helaas, zoo kort. Het spijt mij voor mijzelf, want ik schrijf zoo graag aan je. Nu, Lief, over een kwartier gaat de trein, dus ik sluit: deze gaat in Baarn op de post.
Lief, ik zit nu bij van Deyssel, na het eten al. Van D. zit hier bij mij te wachten, terwiji ik dit schrijf. Daarom eindig ik nu maar. Deze brief wordt nu weg-gebracht naar het station. Volkomen en geheel, met een kus, die Maandag in natura wordt herhaald,
jouw eigen Willem |
|