| |
| |
| |
X.
Bij hun thuiskomst brandde de haard nog gezellig, en 't was lekker warm in de kamer. De huishoudster was reeds naar bed gegaan, maar de beide vrienden hadden nog allerminst lust om te gaan slapen.
‘Oef! Wat een avond!’ zei Henk, terwijl hij de noodige ingrediënten gereed zette om een whiskey-soda klaar te maken.
‘Je wilt er toch een?’ vroeg hij.
‘Ja, graag.’
Zij namen weer in hun fauteuils plaats en keken elkander een oogenblik zwijgend aan. Eindelijk vroeg Henk:
‘Welnu, wat denk je van dat alles? Zou Thilde schuldig wezen?’
Leo haalde zijn schouders op.
‘Heykamp gelooft van wel,’ vervolgde Henk.
‘Ja, hij houdt haar voor de daderes. Zijn bezoek in haar kamer is mij daar het bewijs van. Trouwens, Thilde heeft daartoe bij het verhoor zelf aanleiding gegeven, en het schijnt mij toe, dat Heykamp een slimme rot is, wien niets ontgaat.’
‘Ik begrijp je niet,’ zei Henk. ‘Hoe heeft Thilde zich dan blootgegeven, en wat moest die rechercheur op haar kamer doen?’
‘Het feit, dat de daad is gepleegd met den dolk van Thilde, is natuurlijk in hooge mate bezwarend voor haar; een kind kan dat begrijpen...’
| |
| |
‘Ja, natuurlijk.’
‘En dat feit staat als een paal boven water, want zij heeft het zelf bekend en Suze heeft haar verklaring bevestigd. Maar haar zwakke punt tijdens het verhoor was haar ontkentenis, dat zij in den avond nog buiten geweest is. Had zij ronduit en vlot gezegd, dat dit niet het geval was, dan zou zij thans veel sterker staan, maar het zal je zeker niet ontgaan zijn, dat zij een oogenblik weifelde, eer zij antwoordde.’
‘Neen, dat heb ik niet opgemerkt, Leo.’
‘Nu, Heykamp dan wel, en met die korte weifeling staat het bezoek, dat hij op haar kamer heeft gebracht, natuurlijk in verband...’
‘Het verband ontgaat me,’ zei Henk.
‘Toch ligt het voor het grijpen. Ik wil wedden honderd tegen een, dat hij Suze heeft gevraagd, hem haar schoenen te toonen, en als hij dat gedaan heeft, waaraan ik niet twijfel, zal het niet moeilijk voor hem geweest zijn te constateeren, dat haar verklaring met de waarheid in strijd geweest is, want haar schoenen zullen er de sporen nog wel van dragen. Trouwens, ik heb haar immers zelf buiten gezien, zich verbergend tusschen het kreupelhout en sluipende in gebogen houding vlak langs het huis onder de ramen door, en dat nog wel op het oogenblik, dat hoogstwaarschijnlijk de misdaad is gepleegd. Neen, neen, Henk, haar zaak staat heel zwak, dat valt niet te ontkennen. De kans is zeer groot, dat zij in voorloopige hechtenis zal worden gesteld.’
‘Niet als ik het verhinderen kan,’ zei Henk beslist. ‘Ik ben al geruimen tijd haar medicus en weet zeker, dat de gevolgen daarvan voor haar funest zouden zijn.’
‘Maar zul je het kunnen verhinderen?’ zei Leo peinzend. ‘Een ding helpt, en dat is, dat er meer zijn, van wie
| |
| |
aan te nemen is, dat zij de daad kunnen hebben gepleegd.’
‘Zeker, Nic van Derbent onder anderen. Die was ook op de plaats op het oogenblik, dat de moord is gepleegd. Je hebt hem zelf gezien, dus je getuigenis kan veel gewicht in de schaal leggen. Waarom heb je daarover gezwegen tijdens het verhoor?’
‘Omdat ik eerst wil weten, of Heykamp met mij wil samenwerken, of dat hij er de voorkeur aan geeft, op zijn eigen houtje een onderzoek in te stellen. Ik vermoed het laatste, en in dat geval wil ik mijn troeven niet in zijn handen geven.’
‘Ben jij tot samenwerking bereid?’
‘Ja, met alle genoegen. We staan hier voor een moeilijk probleem, en nu Thilde er van zoo nabij in betrokken is, voor een kiesch geval. Ik kan me nòg haar ontkenning niet begrijpen, dat zij vanavond buiten is geweest. Dat is een uiterst zwak punt.’
‘Nic staat niet hoog, Leo. Ik acht hem wel tot de daad in staat.’
‘Wisten we maar, wat er met Thilde en hem in Zwitserland gebeurd is. Enfin, ik zal het wel uit hem krijgen.’
‘'t Is te hopen. En wat denk je van Arend Zwart?’
‘Mijn meening is, dat ook op hem een zware verdenking rust. Zijn coquette vrouwtje met haar luchtige levensopvatting kon hem wel eens noodlottig geworden zijn. Als hij den moord niet heeft gepleegd, zou hij er den een of anderen dag waarschijnlijk toch toe gekomen zijn. De groote ommekeer, die er in den laatsten tijd in zijn gemoedstoestand heeft plaats gegrepen, wijst daar op en geeft recht tot die veronderstelling. Nog eens, 't is een heel moeilijk probleem.’
‘En Trimage? Die oude driftkop had ook een sterk motief, dunkt mij.’
| |
| |
‘Dat had hij zeker. Toch geloof ik niet, dat hij de dader is. Ik heb hem in mijn gedachten eigenlijk al geheel uitgeschakeld, hoewel ik mij natuurlijk vergissen kan. Maar dat wil niet zeggen, dat ik hem al loslaat. Dat doet een goed detective niet; die houdt, zooals ik je reeds gezegd heb, niemand voor onschuldig, zoolang zijn onschuld niet onomstootelijk vaststaat. En dat is bij hem het geval niet. Hij kan even goed de dader zijn, als iemand anders, en toch geloof ik het niet. Enfin, ik heb er geen bewijs voor, 't is alleen maar een persoonlijke opvatting van me. Apropos, wat scheelt er aan zijn dochter, - Annie heet ze, geloof ik?’
‘Ze heeft een geweldigen zenuwschok ondergaan bij het zien van den doode. Ze is toen bewusteloos neergevallen en tot nog toe niet bij kennis gekomen. Haar toestand schijnt me nog al ernstig toe, maar daar heb ik mij tegenover haar ouders niet over uitgelaten, zooals je begrijpt. Morgenochtend vroeg ga ik haar weer bezoeken.’
‘En wat doe je aan zoo iets?’
‘Zij moeten haar hoofd koel houden met ijs, wat gemakkelijk kan, daar de Berkenheuvel een eigen ijskelder heeft. En ik heb zooeven aan Arend nog iets medegegeven, dat zij haar bij druppeltjes in den mond moeten gieten. Misschien is er morgen verbetering in haar toestand gekomen; als dat niet zoo is, zie ik haar toestand ernstig in. Je weet, zij was binnenmeisje op het Huis, zoodat het wel te begrijpen is, dat het zien van den doode haar geweldig moet hebben geschokt. - Maar Leo, hebben we nu allen de revue laten passeeren, die van de daad verdacht kunnen worden?’
‘Ja, allen.’
‘Zonder uitzondering, Leo?’ vroeg Henk met nadruk.
| |
| |
‘Voor zoover ik weet, zonder uitzondering, Henk, maar ik weet, wat je bedoelt. Je hebt het oog op mij, niet waar?’
‘Ja, - dat heb ik.’
‘Ik heb het niet gedaan,’ klonk het kalm, en met een zucht liet hij er op volgen: ‘Helaas niet, want zooals de zaken op dit oogenblik staan, vrees ik voor Thilde het ergste. Maar ik zal voor haar doen, wat ik kan. In de duisternis, die haar omringt, zal ik elk lichtpuntje opzoeken en naar voren trachten te brengen, om haar te ontlasten. - Maar Henk, laten wij naar bed gaan. Ik wil alleen zijn, om mijn gedachten beter te kunnen concentreeren. 't Is nu nog een chaos in mijn hoofd, ik moet alles trachten te ordenen, en morgenochtend ga ik met je mede naar den Berkenheuvel. Ik moet Thilde spreken. Alles wat nog duister tusschen ons is, moet opgehelderd worden en tot klaarheid komen.’
‘Wil je nog een grog?’
‘Neen, mijn hoofd moet helder blijven.’
Henk bracht Leo naar zijn slaapkamer. Daar drukten zij elkander de hand.
‘Slaap wèl,’ klonk het.
Maar lang duurde de nacht niet, want Henk werd al weer vroeg opgebeld door Suze Trimage, die hem namens haar ouders verzocht, zoo vroeg mogelijk naar Annie te komen zien, daar zij vreesden voor haar verstand. De storm had uitgewoed, maar de sneeuw lag zoo hoog, dat er met de fiets geen doorkomen aan was. Juist stond hij gereed, om zich naar de tram te begeven, toen ook Leo beneden kwam, die hem verzocht, nog een oogenblik te wachten, daar hij met hem mede wilde gaan. Haastig gebruikte hij zijn ontbijt, en toen begaven zij zich op weg. Weldra kwamen zij op ‘de Berkenheuvel’ aan, waar hun wegen scheidden. Henk ging naar de boerderij van Tri- | |
| |
mage, en Leo liep langs het heerenhuis, om zich naar den theekoepel te begeven. Hij vond de deur los en trof in den koepel den rechercheur Heykamp aan, die hem met een glimlach begroette.
‘Goeden morgen,’ klonk het. ‘Wij komen hier zeker voor hetzelfde doel.’
‘Morgen mijnheer Heykamp,’ was het antwoord. ‘Welk merk?’
‘Egyptische, van het Huis Conziët, de duurste soort,’ zei de rechercheur, op enkele overgeschoten resten van cigaretten wijzende, die voor hem op de tafel lagen, ‘kijk maar.’
‘Ja, u hebt gelijk. U vindt goed, dat ik er een paar van in mijn zak steek? Dan kunt u de rest houden.’
‘O ja, geen bezwaar. Er liggen er hier genoeg. Zij kunnen mooi als bewijsmateriaal dienen, ingeval hij mocht ontkennen, dat hij hier geweest is. Ik heb er mij van overtuigd, dat zij van gisteravond moeten zijn, want in den loop van den dag heeft Trimage den koepel nog laten aanvegen. Straks komt mijnheer Van Derbent hier. Ik heb hem hier laten ontbieden, zoodat hij elk oogenblik komen kan.’
‘En als hij niet komt?’ vroeg Leo.
‘Hij komt, want een van mijn rechercheurs heb ik opgedragen, hem van zijn huis af te halen en hier te brengen. Die cigarettenpuntjes zijn een uitstekend middel, om hem voor een feit te stellen.’
‘Dat is ook mijn meening, vandaar mijn komst hier in den koepel op den vroegen morgen. Mag ik u vragen, of u bereid is, met mij samen te werken?’
De rechercheur keek hem een oogenblik ernstig aan. Toen zei hij:
‘Houd het mij ten goede, mijnheer Alfering, maar dat
| |
| |
is mijn plan niet. Liever werk ik geheel zelfstandig, zonder door iemand, wien ook, eenigen invloed op mij te laten uitoefenen. Dat is, in het algemeen gesproken, een vast beginsel van mij, waarvan ik hoogst ongaarne en niet dan noodgedwongen afwijk. Maar bovendien is het mij in dit speciale geval absoluut onmogelijk.’
‘In dit speciale geval onmogelijk, zegt u?’ vroeg Leo niet zonder eenige verbazing.
‘Ja, zoo is het, want laat mij het u maar ronduit zeggen: u behoort ook tot de verdachten...’
‘Aha!’ zei Leo. ‘Op welken grond?’
‘Mijnheer Alfering,’ sprak de rechercheur ernstig, ‘terwijl u sliep waarschijnlijk, heb ik gewerkt, bijna den geheelen nacht, en ik heb mij nog naar Leiden begeven, waar de Commissaris van politie mij bijzonderheden heeft medegedeeld, waarbij uw naam meer dan eens genoemd werd. Zoo weet ik, dat u op het punt stond, u met de tegenwoordige mevrouw Banders te verloven, ja, dat zelfs het tijdstip reeds was vastgesteld, dat de kaartjes zouden worden afgezonden, toen de verhouding tusschen u beiden plotseling werd afgebroken, en mejuffrouw Thilde Cortema zich met den heer Banders verloofde. U zult dat alles niet ontkennen?’
‘'t Is alles volkomen juist,’ erkende Leo.
‘Goed. U heeft toen het land verlaten en u ten slotte gevestigd te Londen als particulier detective?’
‘Ja.’
‘Het huwelijk van Banders en mejuffrouw Cortema was zeer ongelukkig, dat bewijst ook het koopen van den dolk en de revolver. Zijn dood zou een uitkomst zijn geweest voor haar en - waarschijnlijk ook voor u. U heeft haar in Italië nog ontmoet, niet waar? Suze Trimage heeft mij dat vanmorgen medegedeeld. Bij die gelegenheid heeft u
| |
| |
elkander gekust en was u beiden zeer ontroerd. Ben ik goed ingelicht?’
‘Uitstekend. Ik heb haar nòg zielslief.’
‘Gisteren is u met den dokter aan de halte Kerkdam in de tram gestapt, die u verlaten hebt aan de halte bij den Dennenheuvel. Dat kunt u niet ontkennen, want iemand, die u beiden kent, heeft het gezien. Hij zat ook in de tram. Wat moest u daar doen?’
‘Ik zal u met genoegen inlichten. Dokter Holtema moest een patiënte bezoeken, die zich gebrand had, en ik heb daar wat rondgezworven, om op zijn terugkomst te wachten. Samen zijn wij weer naar zijn huis teruggekeerd.’
‘Juist, mijnheer Alfering, maar gedurende uw wachten op zijn terugkomst heeft de moord plaats gehad. Dat is zeer toevallig, niet waar?’
‘Zoo toevallig, waarde heer, dat mijn vriend de dokter, toen hij van den moord hoorde, al dadelijk in dezelfde dwaling verviel als u. Hij hield mij al direct voor den moordenaar.’
‘Een dwaling, zegt u?’
‘Ja, een zeer besliste dwaling, want ik heb Banders niet gezien en kan hem dus den noodlottigen stoot niet toegebracht hebben. Ik verklaar u op mijn woord van eer, dat ik de daad niet heb gepleegd, ook al beschouw ik die voor de vrouw, die ik liefheb, als een verlossing uit een hel, waarin zij sedert haar huwelijk heeft geleefd. Zijn dood beteekent voor haar het leven.’
‘Mag ik u vragen, of u ook nog op de plaats is geweest, tijdens de afwezigheid van den dokter? En heeft u daar misschien nog menschen ontmoet of gezien?’
‘Vergeef mij, mijnheer Heykamp, dat ik op die vragen niet zal antwoorden. U heeft mijn aanbod om in deze zaak samen te werken, afgewezen, en wil liever uw eigen
| |
| |
weg gaan. Laat mij dat dan ook doen. Had u met mij willen samenwerken, dan had ik u, geloof ik, nu reeds eenige gegevens kunnen verschaffen, om u op het spoor van den dader te brengen.’
De rechercheur glimlachte.
‘Heeft u dat dan reeds gevonden?’ vroeg hij met een ongeloovig gezicht en een tikje goedigen spot.
‘Ja, ik meen het,’ zei Leo. ‘Natuurlijk mis ik nog tal van gegevens, maar dat ik op het goede spoor ben, weet ik bijna wiskunstig zeker. Ik heb ook den geheelen nacht niet met slapen doorgebracht, waarde heer, ook al lag ik op mijn bed.’
Op dit oogenblik werd er aan de koepeldeur getikt.
‘Ha, dat zal Springers zijn met den heer Van Derbent,’ zei de rechercheur.
‘Moet ik mij verwijderen, collega?’ vroeg Leo.
‘O neen, onze samenkomst hier was toevallig, niet waar? Een zelfde gedachte voerde ons bijna tegelijkertijd hierheen. Mijn zelfstandigheid zal ik, hoop ik, niet laten afdalen tot kleingeestige pietluttigheid. - Ja, binnen!’
't Waren inderdaad de rechercheur Springer en Nic van Derbent.
Nic zag er onbezorgd uit. Zoodra hij Leo ontwaarde, stak hij hem amicaal de hand toe en zei:
‘Hé, jij hier, Leo? Wat een aangenaam wederzien. Ben je al lang in Holland?’
Maar Leo gaf geen antwoord en weigerde de toegestoken hand aan te nemen.
‘Niet?’ vroeg Nico lachend. ‘Nog altijd boos? Zooals je wilt. En u is mijnheer Heykamp, de beroemde rechercheur uit onze residentie? Aangenaam kennis met u te maken.’
‘Ga zitten, mijnheer Van Derbent. Ik zou u graag, in
| |
| |
verband met het drama, dat zich hier heeft afgespeeld, een paar vragen willen stellen.’
‘Waarop ik u met het meeste genoegen antwoorden zal,’ zei Nic van Derbent met een buiging en een glimlach.
‘Mag ik u dan vragen, hoe u gisteren den avond hebt doorgebracht?’
‘Ja, wat moet ik u daarop antwoorden? De avonden duren om dezen tijd van het jaar zoo lang, dat men al een goede memorie moet hebben, om precies te kunnen navertellen, wat men zoo al uitgevoerd heeft. Ik weet wel, dat ik gisteravond gedanst heb bij Paulez...’
‘O neen, ik bedoel vroeger. Waar heeft u gedineerd, en om hoe laat?’
‘Ook bij Paulez, toevallig nog al laat. 't Kan wel negen uur geweest zijn.’
‘Waar was u vóór dat uur?’
‘In den Haag, - maar wáár, dat zou ik u heusch niet kunnen zeggen. 'k Heb thuis het avondblad gelezen, 'k heb gewinkeld...’
‘Door dat hondenweer?’
‘Ja, juist òm dat hondenweer, want daar houd ik van. Ik loop graag bij stormweer buiten, en een sneeuwstorm is speciaal een buitenkansje voor me. Dan ben ik in huis niet te houden.’
‘Nog kennissen ontmoet op die wandeling door de stad?’
‘Wat een vraag, mijnheer Heykamp. Niet iedereen houdt ervan door een sneeuwstorm te gaan wandelen. Ik geloof, dat ik tamelijk wel de eenige ben, die er deze liefhebberij op nahoud. Dus kennissen heb ik niet ontmoet. Die zullen wel lekker bij den gezelligen haard gezeten hebben, vermoed ik.’
De beide detectives wisselden snel een blik van ver- | |
| |
standhouding met elkander. Zij vonden de antwoorden van Nic van Derbent buitengewoon gevat, want wat hij beweerde over de wijze, waarop hij den avond had doorgebracht, kon thans absoluut niet worden gecontroleerd. Kennissen had hij niet ontmoet, dus zij konden niet worden opgeroepen om zijn verklaring, dat hij buiten was geweest, te bevestigen of te ontkennen. Ook kon zijn hospita geen getuigenis van eenig belang in deze afleggen, want hij was immers niet thuis geweest.
‘Heeft u de stad gisteravond nog verlaten?’ vroeg de rechercheur.
Nic lachte.
‘Neen,’ zei hij. ‘Zoover ging mijn liefhebberij niet, dat ik er voor over had, eventueel een neervallenden boom op mijn hoofd te krijgen. In het Haagsche bosch moet het een ware ruïne zijn, naar ik gehoord heb.’
‘Ja,’ zei de heer Heykamp. ‘Er zijn tal van zware boomen tegen de vlakte geworpen. - Apropos, mijnheer Alfering, heeft u misschien een cigaret voor me? Ik ben zoo dom geweest, mijn koker te vergeten.’
Deze vraag ging van een bijna onzichtbaar knipoogje vergezeld.
Leo voelde in zijn binnenzak, maar vond niet wat hij zocht. Toen verdween zijn hand in een anderen zak, maar - Nic was hem voor.
Hij stak den rechercheur zijn koker toe en zei:
‘Kan ik u dienen?’
Hij legde zijn koker open op de tafel.
‘Graag,’ zei de rechercheur.
‘Als jij misschien ook lust hebt, Leo,’ bood Nic glimlachend aan. ‘Of wil je ook dát niet?’
‘Niet, voordat wij tot een verklaring gekomen zijn,’ antwoordde Leo. ‘Als de heer Heykamp je niets meer te
| |
| |
vragen heeft, wil ik graag een onderhoud onder vier oogen met je hebben. Ha, ik dacht, dat ik mijn koker ook vergeten had, maar hier heb ik hem toch.’
Met voordacht had hij er lang naar gezocht, niet twijfelende, of Nic zou het gevraagde wel aanbieden. De list was gelukt. Heykamp klopte het stof er op de tafel uit, bekeek met het oog van een kenner het merk en maakte gebruik van het vlammetje, dat Nic hem aanbood.
‘U rookt Egyptische, zie ik, merk Conziët?’
‘Ja, ik rook nooit andere,’ zei Nic. ‘Ik laat ze rechtstreeks uit het buitenland komen, want hier zijn ze zeer moeilijk te krijgen, misschien wel in het geheel niet. Je went aan je merk, niet waar?’
‘Ongetwijfeld. Dus u is bij voorbeeld niet hier geweest, gisteravond?’
Nic keek ernstig, toen hij antwoordde:
‘Neen, helaas niet. Was ik hier geweest, dan zou hoogstwaarschijnlijk mijn vriend Banders thans nog leven, want dan zou ik hem vergezeld hebben op zijn wandeling door de plaats. Hij had mij namelijk telefonisch gevraagd, of ik bij hem kwam eten, maar ik had bedankt.’
‘Dat is dan wel te betreuren, mijnheer Van Derbent, maar -’ thans keek de heer Heykamp Nic scherp in de oogen, - ‘maar u liegt, u is hier wèl geweest, en de bewijzen van uw tegenwoordigheid hier heb ik in handen.’
Nic verbleekte.
‘Pardon,’ zei hij en zijn toon klonk thans lang zoo luchthartig niet meer als eerst. ‘U moet zich vergissen, mijnheer...’
‘Lieg maar niet langer,’ klonk het kortaf. ‘Gisteren is deze koepel op last van Trimage aangeveegd, en vanmorgen vond ik hier deze cigaretten-resten achteloos op den grond geworpen. 't Zijn Egyptische cigaretten, merk Con- | |
| |
ziët, een merk, dat hier, volgens uw eigen verklaring moeilijk, misschien wel in het geheel niet verkrijgbaar is, waarom u ze rechtstreeks uit het buitenland betrekt. - Ziehier.’
De rechercheur wierp de restantjes op de tafel.
Nic zei niets. Hij neep zijn lippen zoo stijf op elkander, dat zij er wit van werden, en hij had thans geen kleur meer op zijn gelaat.
‘Mijnheer van Derbent, ik zal u mijn vraag nog eens stellen, is u hier gisteravond geweest, ja of neen? Ik verzoek u op die vraag categorisch te willen antwoorden.’
Nic bleef zwijgen, met zijn oogen gericht op de resten van de cigaretten, die hem noodlottig dreigden te worden.
‘Welnu? Antwoord, mijnheer van Derbent, en zoek niet naar uitvluchten. De bewijzen liggen daar vóór u. Hoe is het: ja of neen?’
‘Ja,’ zei Nic zacht, - ‘ik beken, dat ik hier geweest ben.’
‘En toch heeft u den moord niet verhinderd?’ vroeg de rechercheur sarcastisch.
Er kwam geen antwoord.
‘Met wien is u hier geweest? Met Banders?’
‘God beware mij, neen, zeg ik u, - neen!’ riep Nic ontsteld en verward uit.
‘Aha, dus u had hem den stoot toen reeds toegebracht?’ klonk het scherp.
‘Neen, groote God, neen, neen, ik heb hem niet vermoord,’ riep Nic uit, terwijl hem het zweet op het voorhoofd parelde, ondanks de heerschende koude. ‘O, maar die gedachte is afschuwelijk, - afgrijselijk! Ik mag dan een lichtmis wezen, of hoe u het noemen wil, maar tot zoo iets ben ik niet in staat. Ik bezweer u, dat ik niet de schuldige ben. Geloof mij toch.’
| |
| |
‘Wat voerde u dan naar dezen koepel?’
‘Ik had een samenkomst met iemand.’
‘Met wien?’
‘Dat kan ik u niet zeggen.’
‘Dus een nieuwe uitvlucht? Neen, mijnheer van Derbent, u had hier geen samenkomst met iemand. U is hier alleen gekomen met het doel, uw vriend, ik zeg het met nadruk, om uw vriend Banders te vermoorden. Hier hebt u uw prooi afgewacht, mijnheer, vermoedelijk had u hem verzocht tegen een bepaald uur hier te komen, en toen het fatale uur aangebroken was, is u hem tegemoet gegaan en - o, 't is zeker, toen is hij door een vriendenhand in het hart getroffen en jammerlijk vermoord. Beken het maar, mijnheer van Derbent, zoo is het gebeurd, - zoo, en niet anders.’
‘'t Is afschuwelijk,’ bracht Nic met moeite uit, en zijn stem klonk schor. ‘O, 't is afschuwelijk, maar 't is niet waar. Geen woord ervan is waar. Ja, ik ben hier geweest, en na alles wat ik ervan gehoord heb, ongetwijfeld wel op het tijdstip, dat de daad heeft plaats gehad, - 't zal wel gebeurd zijn, terwijl ik in den koepel was, maar door mijn hand is hij niet gevallen, - dat bezweer ik u. Welke reden zou ik ervoor gehad kunnen hebben? Hij was mijn vriend, mijnheer,’
‘U liegt!’
‘Ik spreek de waarheid.’
‘Bewijs mij dat, door mij te zeggen, met wien u in dezen koepel een samenkomst had.’
‘Dat kàn ik niet, - dat mag ik niet, neen, dat zeg ik nooit.’
‘Uitvluchten, mijnheer, niet anders dan uitvluchten. Zeker, u had wel een samenkomst, maar met uw vriend Banders, die in goed vertrouwen zich op weg heeft be- | |
| |
geven, om u hier, ongetwijfeld op uw verzoek, te ontmoeten, niet vermoedende, dat u hem als een struikroover zou opwachten, om hem te vermoorden.’
Nic wrong zich in vertwijfeling de handen.
‘De schijn is tegen mij,’ kreunde hij somber. ‘Maar elk motief tot die daad ontbreekt. Waarom zou ik hem dooden?’
‘Heeft u niet naar de hand van zijn vrouw gedongen voor haar huwelijk? Dat is voor mij motief genoeg. Ik behoef niet langer te zoeken. Zijn dood zou haar de vrijheid brengen.’
‘Als dat motief voldoende is om mij te verdenken, dan is het ook voldoende, om hém in staat van beschuldiging te stellen,’ zei Nic, terwijl hij op Leo wees. ‘Hij was zoo goed als met haar verloofd, toen Banders op het tooneel verscheen.’
‘Dat weet ik, maar mijnheer Alfering bevond zich op het uur van den moord niet in of nabij den koepel, zooals u. Geef daar de noodige opheldering van, of ik houd mij aan de conclusie, waartoe ik gekomen ben. Ik zal bij den heer Officier van Justitie mijn rapport inbrengen en zijn bevelen vragen. - Of heeft u nog iets te zeggen?’
‘Neen, mijnheer, ik kàn en màg u niets zeggen.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat de eer van een ander daarmede in het nauwste verband staat.’
‘Een man of een vrouw?’
Nic gaf geen antwoord.
‘Zwijgt u met voordacht?’
‘Ja, - ik heb u niets meer te zeggen.’
‘Dan laat ik het terrein vrij aan mijnheer Alfering. U wenscht immers een gesprek onder vier oogen?’
| |
| |
‘Heel graag.’
De heer Heykamp maakte een buiging en vertrok.
‘En nu wij nog hè?’ zei Nic, terwijl hij een poging deed om zijn luchthartigen toon van eerst terug te vinden, wat hem niet gelukte. ‘Wensch je mij te spreken in je qualiteit als detective? Of als oud-clubgenoot uit onzen studententijd, of als vijand? Toch geen duel, hè?’
‘Tracht niet grappig te wezen,’ zei Leo. ‘'t Geldt een ernstige zaak. Uit je weigering om aan mijnheer Heykamp te zeggen, met wie je een samenkomst hier in dezen koepel hebt gehad op het oogenblik, dat Banders vermoord werd, maak ik op, dat je nog niet alle eergevoel verloren hebt.’
‘Dank je, - zeer beleefd,’ viel Nic in. ‘Welk verband zie je daar in?’
‘Ik weet, met wie je hier een onderhoud hebt gehad, want ik heb jullie beiden gezien.’
‘Hé, vreemd, dat je mijnheer je college daaromtrent dan niet hebt ingelicht. Dus jij bevond je op het fatale moment ook op den Berkenheuvel?’
‘Ja, en toen heb ik eerst Thilde gezien en daarna jou. Je kwam op een draf de oprijlaan afrennen om de tram nog te kunnen halen, die al afgereden was, toen je op het laatste nippertje nog op de treeplank sprong. Dit laatste als bewijs, dat ik maar niet wat fantaseer.’
‘Je hebt gelijk, zoo was het. Ga verder.’
‘Je hebt Heykamp geweigerd te zeggen, met wie je in den koepel waart, omdat het hier gold, de eer van een vrouw niet door de modder te sleuren. Dat geeft mij hoop, dat je nog eergevoel genoeg zult hebben overgehouden, om mij te zeggen, wat ik weten wil. Ik wil niet beginnen met dreigen, al zou ik dat kunnen doen. Je lot ligt vrijwel in mijn handen. Indien ik Heykamp zeg, wat ik hem nu
| |
| |
nog verzwegen heb, zit je morgen in de gevangenis.’
‘Dat lijkt intusschen toch heel veel op een dreigement, amice,’ zei Nic met een zuur lachje.
‘Ik hoop, dat je mij vrijwillig mijn vragen zult beantwoorden.’
‘Begin dan met te vragen,’ zei Nic. Leo zag, dat zijn handen beefden.
‘Welnu dan, ik weet uit goede bron, dat jij je beroemt, van Thilde, toen je beiden in Zwitserland waart, bijzondere gunsten genoten te hebben; je weet, wat ik bedoel. Ik wensch, dat je dat tegenover mij zult herhalen.’
't Was duidelijk aan Leo's stem te hooren, dat hij slechts met moeite zijn drift kon bedwingen.
‘Niemand of niets geeft je het recht tot die vraag,’ was het antwoord. ‘Thilde is noch je vrouw, noch je verloofde, noch je zuster.’
Leo sprong van zijn stoel op en gaf een vuistslag op de tafel.
‘Spreek op, ellendeling!’ schreeuwde hij Nic toe, ‘en verschuil je niet achter uitvluchten, als je nog een greintje fatsoen in je corpus hebt. Spreek op!’
‘Ik heb mij nergens op beroemd!’ zei Nic, die zag, hoe driftig Leo was.
‘Je liegt, zooals je telkens met liegen begonnen bent. Ik weet, dat je het gedaan hebt, nog wel in het publiek, in een bar in den Haag, ten aanhoore van een aantal jonge mannen van jou slag! Spreek op, zeg ik je, - wat heb jij durven beweren, en waar zijn de bewuste bewijzen, die je volgens je zeggen in je portefeuille had? Je zult spreken, als je niet wilt, dat er zich op den Berkenheuvel nog een tweede drama afspeelt.’
Leo stond thans vlak voor Nic, die ook opgestaan was
| |
| |
uit vrees, dat Leo zijn drift niet meer meester zou blijven en wie weet, wat doen zou.
Nog weifelde Nic.
Maar toen greep Leo hem krachtig bij zijn schouders, schudde hem heen en weer en schreeuwde hem toe:
‘Spreek, lammeling, of ik worg je!’
‘Goed, ik zal spreken,’ zei toen Nic. ‘Laat mij los en houd je kalm. Ga zitten, Leo, ik zal je alles zeggen.’
Leo's vingers ontspanden zich.
‘En de waarheid alleen!’ riep hij Nic toe.
‘Ik heb mij inderdaad op een avond over Thilde uitgelaten op een wijze, die niet gentlemanlike was, dat beken ik. Er was maar één verontschuldiging voor, en die was, dat wij te veel gedronken hadden.’
‘Je bent een ploert!’
‘Ik beken, dat ik mij toen gedragen heb als een ploert. Maar geloof niet, dat het haar goeden naam veel geschaad zal hebben. Je weet, dat er onder jongelui wel eens meer op die wijze gepocht wordt, om interessant te schijnen, zonder dat daar veel waarde aan wordt gehecht. Gewoonlijk is er geen woord van waar, en dat weet iedereen wel.’
‘Maar die bewijzen dan, waarover je zoo snoefde? Waar zijn die? Waar bestaan die uit?’
‘Ik geef je de verzekering, dat er geen blaam op Thilde rust en dat die zoogenaamde bewijzen alleen berusten op fantasie.’
‘In welke bar heb je die bewuste beweringen geuit?’
‘In de Métro-bar.’
‘En weet je nog, wie daar aanwezig waren? Ik bedoel, wie je gemeene lastertaal toen aangehoord hebben?’
‘Jawel, onze gewone club. Waarom?’
‘Omdat ik van je eisch, dat je vanavond je vrienden in diezelfde bar te zamen zult brengen en onomwonden zult
| |
| |
verklaren, dat je toen gelogen en gelasterd hebt. Ik zal er ook wezen.’
‘Wees toch wijzer. Wat een scéne zou dat worden.’
‘Toch zal het gebeuren, - hoor je me goed, Nico van Derbent, toch zal het gebeuren.’
‘En als ik weiger?’
‘Je zult niet weigeren. Vanavond om twaalf uur ben ik in de Métro-bar, waar je in mijn tegenwoordigheid je laaghartige lastertaal ten aanhoore van je vrienden zult intrekken. Verder heb ik je niets te zeggen.’
Zonder groet verliet Leo den koepel. Nic keek hem met een blik vol haat en woede na, toen hij zich verwijderde in de richting van het Huis. Een oogenblik daarna verliet hij ook den koepel, om naar den Haag terug te keeren.
Leo vroeg den huisknecht hem bij mevrouw aan te dienen, maar tot zijn leedwezen kreeg hij ten antwoord, dat zij ongesteld was en te bed lag.
‘Heeft de dokter haar bezocht vanmorgen?’ vroeg hij.
‘Ja mijnheer, hij heeft haar beslist verboden op te staan en zij moet volstrekte rust houden. Hij heeft beloofd, dat hij vandaag nog eens terug zou komen. Mijnheer Heykamp heeft een half uur geleden ook nog belet gevraagd, maar hij moest natuurlijk onverrichter zake terugkeeren. Weet u, dat het lijk in beslag is genomen? Het is vanmorgen naar den Haag overgebracht.’
‘Gelukkig maar,’ zei Leo. ‘Dan kan van daaruit ook de begrafenis plaats hebben, wat veel beter is met het oog op den toestand van mevrouw. Maar Jean, zou ik Suze Trimage even kunnen spreken?’
‘Ik zal haar roepen, mijnheer. Gaat u maar zoolang in deze kamer.’
Suze kwam direct.
‘Dag Suze, ga hier even zitten,’ zei Leo vriendelijk. ‘Ik
| |
| |
zou je graag een en ander willen vragen. - Neen, je moet niet schreien, en maak je niet overstuur, Suze. Ik begrijp wel, dat alles, wat hier gebeurd is, je zenuwachtig maakt.’
‘O ja, mijnheer, en ik maak me zoo ongerust over mevrouw.’
‘Omdat zij ziek is?’
‘Ja, ja, daarom ook, maar dat is het ergste niet, mijnheer, als - o -, o mijnheer, ik ben zoo bang, dat zij mevrouw voor de daderes zullen houden, en dat zij haar naar de gevangenis zullen brengen.’
‘Waarom denk je dat, Suze?’
‘Omdat de daad gepleegd is met haar dolk, mijnheer, ziet u, dat is het verschrikkelijke, dat is het ergste van alles. Gelooft u ook niet, dat dàt het ergste is?’
‘Zeker, 't is erg jammer, Suze, maar ik geloof niet aan haar schuld. Misschien stelt je dat een beetje gerust, hè? Ik kwam juist hier, om mevrouw over dien toevalligen samenloop van omstandigheden te spreken, want als zoodanig beschouw ik het. Daarom is het zoo jammer, dat mevrouw mij niet ontvangen kan.’
‘Neen, dat mag niet, de dokter heeft het verboden. Maar o, mijnheer, wat ben ik blij, dat u ook niet aan haar schuld gelooft, en u bent toch ook van de politie, nietwaar?’
‘Neen, Suze, dat ben ik niet, ik ben detective, en belast mij dus met het opsporen van menschen, die een misdaad hebben begaan, zooals nu hier geschied is. Zie je, mijn taak is om uit te zoeken, wie mijnheer vermoord heeft, en dat is dikwijls heel moeilijk. Heb je er eenig idee van, wie de dader zou kunnen zijn?’
‘Neen mijnheer, in het geheel niet, maar mevrouw heeft het zeker niet gedaan, daarvoor is ze veel te lief, neen,
| |
| |
zij kan het onmogelijk gedaan hebben. Niet waar, mijnheer, dat gelooft u toch ook?’
‘Zeker Suze, ik twijfel er niet aan. Je houdt heel veel van mevrouw, niet waar?’
‘O ja, ik zou alles voor haar willen doen...’
‘Ik ook, Suze, maar je weet dat wel, hè? Je bent er bij tegenwoordig geweest, toen wij elkander ontmoetten in Italië. Mijn eenigst streven is dan ook, haar te zuiveren van de verdenking, die op haar rust, en dat wil jij ook, niet waar?’
‘Of ik dat graag zou willen!’
‘Wij moeten samenwerken, Suze, in het belang van mevrouw, die wij beiden liefhebben, en daarom moet je mij niets verzwijgen, wat voor ons doel van belang zou kunnen zijn.’
‘Dat zou ik zeker niet doen, mijnheer. Zeg maar, wat u weten wil.’
‘Wat heeft mijnheer Heykamp gisteravond nog boven gedaan, toen het verhoor van de verschillende bedienden afgeloopen was?’
‘O, maar heel weinig, mijnheer. Hij heeft mij alleen gevraagd, de schoentjes van mevrouw te mogen zien, die zij gewoonlijk draagt.’
‘Juist, dat dacht ik wel. En dus heb je hem die getoond?’
‘Ja mijnheer, hij vroeg mij, welke zij waarschijnlijk aangetrokken zou hebben, als zij dien avond nog buiten was geweest. En hij verkocht nog een grapje, want hij zei er bij, dat zij toch haar balschoentjes wel niet zou hebben aangetrokken, of haar schoentjes van schildpadleer.’
‘En toen heeft hij ze zeker nauwkeurig bekeken, hè?’
‘O ja, vooral één paar, niet het mooiste...’
‘Was daar dan wat bijzonders aan te zien?’
| |
| |
‘Zij waren vochtig, mijnheer, anders niet. Het was er best aan te zien, dat mevrouw ze in kort nog had aangehad.’
‘Dat vermoedde ik wel, Suze. Maar weet je wat ik niet begrijp? Mevrouw heeft bij het verhoor aan den Officier van Justitie verklaard, dat zij niet buiten is geweest, terwijl het toch duidelijk blijkt, dat dit in strijd met de waarheid was. Kun jij vermoeden, wat daar de reden van kan zijn? Dat zij den moord niet heeft gepleegd, staat bij ons allebei vast, niet waar? En voor haar pleizier zal zij in dat hondenweer ook niet naar buiten zijn gegaan. Er moet dus een andere reden voor hebben bestaan. Kun jij niet vermoeden, welke? Je begrijpt natuurlijk wel, dat alles, wat wij samen bespreken, stipt geheim moet blijven, niet waar?’
‘Dat begrijp ik zeer goed, maar wat mevrouw genoopt kan hebben om naar buiten te gaan, neen, dat weet ik niet, of zij moet weer een onderhoud gehad hebben met mijnheer Van Derbent. Dat gebeurde wel meer, en weet u, wat het vreemdste dan was?’
‘Neen, hoe zou ik dat weten?’
‘Wel mijnheer, dan was zij altijd heelemaal van streek, als zij weer terug kwam, en erg verdrietig ook. Zij waren eerst wel goede vrienden, maar later, nadat zij elkander in Zwitserland ontmoet hadden, niet meer. Zij wilde hem nooit ontvangen, als hij belet liet vragen. Maar soms kwam er wel een brief van hem, en dan had er altijd spoedig daarna een samenkomst plaats in den koepel, meestal denzelfden avond nog.’
‘Ik vind dat alles erg vreemd, Suze, evenals jij. Laat mij je nu in het diepste geheim zeggen, dat zij gisteren op het oogenblik van den moord weer een samenkomst in den koepel hadden. Daar moeten geheime redenen voor hebben bestaan, een kind kan dat begrijpen.’
| |
| |
‘Ja mijnheer, maar welke?’ zei het meisje peinzend, en plotseling liet zij er op volgen, ‘tot iets slechts is mevrouw niet in staat, dat moet u niet denken. Mijnheer van Derbent was altijd wel bijzonder complimenteus tegenover haar en soms ook erg opdringerig en - u begrijpt wel, - maar mevrouw lachte hem altijd uit en, zooals ik gezegd heb, na haar Zwitsersche reis gaf zij hem kortaf belet. Hij is na dien nooit meer in haar kamer geweest, hoewel hij dikwijls hier in huis kwam en menigen avond bij mijnheer doorbracht. En tegen die samenkomsten in den koepel zag zij altijd vreeselijk op. Dan was zij erg zenuwachtig en eenmaal heb ik gezien, dat zij expres terugkwam om haar dolk, die in haar bureautje lag, in haar taschje te doen.’
‘Zoo zoo, Suze, dat geeft te denken. Maar verder heb ik voor dezen keer niets meer met je te bespreken. Zoodra mevrouw mij ontvangen kan, zal ik haar vragen, mij alles wat die samenkomsten in den koepel betreft, ronduit mede te deelen. Hoe gaat het met je zuster Annie? Is zij al weer bij kennis gekomen?’
‘Ja mijnheer, dat wel, maar ze doet erg vreemd. Vader en moeder waren vanmorgen bang, dat zij haar verstand had verloren en hebben al vroeg om den dokter getelefoneerd.’
‘Dat weet ik. Ik ben gelijk met hem hier gekomen. Wat heeft hij gezegd?’
‘Dat zij erg ziek was, heel erg, en dat zij volstrekt niet mocht opstaan en dat er niemand bij haar mocht worden toegelaten, dan alleen moeder. Vader zelfs mag niet bij haar komen. Ik ben erg ongerust over haar. O mijnheer, alles maakt mij zoo verdrietig.’
‘Het hoofd omhoog houden, Suze,’ zei Leo ernstig. ‘Al die donkere wolken zullen wel voorbijtrekken en dan
| |
| |
komt het zonnetje weer door. Dag Suze, ik moet nu weer weggaan. Vergeet niet, dat je mijn trouwe helpster moet zijn, om je lieve meesteres te redden uit de gevaarlijke positie, waarin zij zich thans bevindt, want zij heeft den schijn tegen zich. Verzwijg mij dus niets, wat van eenig belang kan zijn. Beloof je me dat?’
‘Ja mijnheer.’
‘En mondje-dicht, hoor!’
‘Ik zal zwijgen, mijnheer.’
‘Goed. Tot ziens dan.’
‘Dag mijnheer.’
Leo verliet het huis met de bedoeling om een praatje te gaan maken bij Arend, den chauffeur, en diens vrouw. Maar toen hij dicht bij hun woning kwam, zag hij, dat Heykamp daar juist voor de deur stond en aanbelde. Hij besloot dus zijn bezoek tot later uit te stellen en naar huis te gaan. Na den middag zou hij terugkeeren om zijn onderzoek voort te zetten. Van de tram wenschte hij geen gebruik te maken; liever ging hij wandelen, om in de eenzaamheid na te denken over alles, wat hij dien morgen vernomen had, en zijn gedachten te ordenen, want het was nog een chaos in zijn hoofd. Voor zichzelf was hij er van overtuigd, dat hij op het goede spoor was, maar hij zocht nog tevergeefs naar het motief, dat tot de daad kon hebben geleid. Tot nog toe had hij het niet kunnen ontdekken.
|
|