| |
| |
| |
IV
't Was alles voorbij, het offer was volbracht. Den zenuwschok, die Thilde getroffen had, toen zij Banders aan haar ouders voorstelde als haar verloofde, was zij, dank zij haar jeugd en haar krachtig gestel, spoedig te boven gekomen, tot groote vreugde van haar ouders, die haar met de teederste zorgen hadden omringd. En met groote beslistheid hadden zij, toen zij weer genoeg hersteld was om ernstig met haar te kunnen spreken, haar gezegd, dat zij haar groote offer niet wilden aannemen. Duizendmaal liever gingen zij armoede en schande tegemoet, dan hun eenig kind ongelukkig te zien.
Doch Thilde had hun met een kort woord het zwijgen opgelegd.
‘Ik trouw met hem uit vrijen wil; heb over mij geen zorg.’
‘Maar dat is niet waar, mijn lieve kind,’ sprak haar vader, terwijl zijn hand haar lokken streelde. ‘Ik weet het, ik voel het, dat je het doet uit liefde voor ons, maar dat dulden wij niet en wij zullen het nooit toelaten. Volg de stem van je hart, Thilde, en...’
‘Dat doe ik,’ was het antwoord. ‘Ik had de keus tusschen rijkdom en liefde, en de strijd was zwaar voor me, dat geef ik toe. Mijn ziekte was er het bewijs van, maar Vadertje, ik heb altijd naar rijkdom en weelde verlangd, u hebt me in dat opzicht nooit goed gekend, en ik ben er voor bezweken, ook waar ik er Leo voor moest
| |
| |
opofferen. Vadertje, lieve Moedertje, ben ik nu niet heel erg in uw achting gedaald? Laten wij er nu nooit weer over spreken. Leo is zeker dikwijls hier geweest, om naar mij te informeeren?’
‘O ja, heel dikwijls,’ zei haar moeder. ‘Hij was doodelijk ongerust over je.’
‘En weet hij, wat er gebeurd is?’
‘Neen kindje, wij hebben er hem met geen enkel woord over gesproken. Wij wilden immers je offer niet aannemen?’
‘Stil Moeder, noem dat woord nooit meer. Ik zeg u immers, dat ik het vrijwillig doe. Maar laat hem niet binnen komen. Ik zal hem vandaag nog - schrijven en - afscheid van hem nemen.’
‘Kind, kind, bedenk je toch, voordat het te laat is, en stort jezelf niet in het ongeluk,’ sprak haar vader.
Thilde stond op om zich naar haar kamer te begeven. Met de woorden ‘Ik heb gekozen’ verliet zij het vertrek.
Maar boven gekomen bedekte zij haar gelaat met de handen en barstte in tranen uit.
‘Wat valt het mij zwaar, wat valt het mij zwaar,’ kwam het zacht over haar lippen, en groote tranen vloeiden tusschen haar vingers door. Maar plotseling vermande zij zich. Zij hief het hoofd krachtig op en balde de vuisten.
‘O Banders, hoe veracht ik je, hoe haat ik je. Ik heb oogenblikken, dat ik je zou kunnen dooden....’
Zij nam plaats aan haar bureautje en begon te schrijven. 't Was een brief aan Leo, haar afscheidsbrief. Zij schreef hem, dat het uit moest zijn tusschen hen om redenen, die zij niet kon noemen; hij moest haar op haar woord gelooven, dat het nièt anders kon, maar zij gaf hem ook de
| |
| |
verzekering, dat zij hem hartstochtelijk liefhad en trouw zou blijven, wat er ook gebeurde. ‘Arme Leo,’ schreef zij, ‘ik weet wat je lijden zult, als je dezen brief leest, maar ook ik lijd onuitsprekelijk en mijn hart wordt verscheurd van vertwijfeling en droefheid. Leo, doe geen moeite, mij weer te zien, daar smeek ik je om. Maak mij het scheiden niet moeilijker, dan het al is. Weldra, al zeer spoedig, zal ik Banders huwen, den man, die zich gedrongen heeft tusschen jou en mij, - maar ik kàn niet anders. Tracht mij te vergeten, mijn liefste, en bedenk, dat de tijd alle wonden heelt. O, hoe hoop ik, dat je nog eens weer gelukkig moogt worden, volkomen gelukkig, ook al moet dan een ander de plaats innemen, die ik zoo gaarne vervuld had. Ja, ja, Leo, dat hoop ik, en toch word ik verteerd door jaloezie, alleen reeds bij de gedachte daaraan. Hoe haat en verafschuw ik den man, die mij van jou berooft! Leo, mijn Leo, zou je mij lief kunnen hebben, ook als ik uit liefde voor jou een ander had gedood? Maar neen, neen, dat kàn niet, ik weet het. Vergeef mij, Leo, mijn liefste, - maar ik weet niet goed meer, wat ik schrijf. Mijn gemoed komt in opstand tegen het Noodlot, dat mijn geluk verwoest en de vreugde uit mijn leven wegneemt. Dit weet ik alleen, dat ik jou liefheb, jou, jou alleen, Leo, en dat niets mij die liefde zal kunnen ontrooven.
Vaarwel, lieveling, en tracht niet, mij te ontmoeten. Mijn lijden is al zwaar genoeg, te zwaar haast, om het te kunnen dragen. Dezen laatsten wensch zul je wel willen vervullen, niet waar, Leo?’
Zij verzegelde den brief, na er een vurigen kus op te hebben gedrukt. Toen belde zij, en droeg het meisje op hem te overhandigen aan mijnheer Alfering, als deze weer naar haar mocht komen informeeren.
Aan de hevigste smart ten prooi ging zij op haar divan
| |
| |
liggen, waar zij schreide, tot de slaap haar vergetelheid bracht. Zij hoorde niet meer, hoe Leo aanbelde en naar binnen wilde gaan, zooals hij tot nog toe gewoon was, en zij zag ook niet, hoe het meisje hem den brief overreikte met de boodschap, dat Mevrouw hem niet ontvangen kon. Maar wel werd zij wakker, toen hij zich nog binnen het half uur ten tweeden male aanmeldde en het meisje op zij duwende naar de woonkamer snelde en op luiden toon eischte om Thilde te spreken.
Verschrikt stond zij op en drukte haar hand op haar jagend hart. Zij luisterde naar de driftige stem van Leo, die steeds sterker klonk en bijna door het geheele huis kon worden gehoord, en naar de zachtere stem van haar moeder, die hem trachtte te kalmeeren en tot heengaan te bewegen. Maar hij wilde niet gaan, zonder Thilde te hebben gesproken. Hij eischte toegang tot haar, hij wilde weten, wat er gebeurd was, hij wilde hooren uit haar eigen mond, wáárom zij zich van hem had losgescheurd, om zich te werpen in de armen van een man als Banders, dien zij, dat wist hij immers maar al te goed, verafschuwde. Hij eischte dat alles als zijn recht.
‘Heb je Thilde lief, werkelijk oprecht lief, Leo?’ vroeg haar moeder. ‘Ik weet, dat het zoo is. Toon haar dat dan, door aan haar verzoek te voldoen. 't Is beter voor jou en voor haar, Leo, geloof dat toch. Tracht niet alleen haar niet weer te zien, maar verlaat de stad, waar niets dan ellende je wacht en een ontmoeting tusschen jullie haast onvermijdelijk is. Toe Leo, breng haar dat offer. O God, als je alles eens wist. Toe, ik smeek er je om er ter wille van mijn kind.’
Eindelijk gelukte het haar, Leo te doen vertrekken, zonder Thilde te hebben gesproken.
Zwijgend had hij Mevrouw Cortema de hand gedrukt en
| |
| |
zwijgend, maar met samengenepen lippen, het huis verlaten. Zijn oogen hadden een duisteren gloed.
‘Neen,’ mompelde hij, ‘zij behoeft haar hand niet te bezoedelen. Ik zal het wel doen.’
Regelrecht begaf hij zich naar zijn vriend Henk, bij wien hij zijn hart uitstortte. Met enkele woorden zei hij, wat er gebeurd was, en hij drukte hem Thilde's brief in de handen.
‘Daar, - lees, en oordeel zelf,’ riep hij Henk toe, die hem met open mond zat aan te staren en zijn ooren niet gelooven kon.
‘Wàt vertel je me daar voor nonsens? Heeft Thilde het afgemaakt? Maar kerel, dat kàn immers niet, je schertst toch?’
‘Lees, - lees!’ zei Leo, op den brief wijzende. ‘En àls je gelezen hebt, zeg mij dan, welk geheim daar achter schuilen kan. Zij heeft het niet alleen afgemaakt, maar ze is zelfs verloofd met Banders! Hoor je dat goed, Henk, met Banders! Die heeft zich tusschen ons ingedrongen met zijn millioenen. Die ellendeling! O, ik zou hem kunnen vermoorden!’
‘Dat bestaat niet. Daar is Thilde niet toe in staat,’ zei Henk, terwijl hij den brief ontvouwde en met zijn oogen als verslond.
Leo liep met gebalde vuisten de kamer op en neer.
‘'t Is niet te gelooven! 't Is niet te gelooven!’ mompelde hij herhaaldelijk. ‘O, die verdoemde schurk! - Welnu, wat zeg je ervan, Henk?’
‘Ja, 't staat er,’ was het antwoord. ‘Ik ben het met je eens, - 't is niet te gelooven. Nooit zou ik Thilde in staat geacht hebben tot zoo iets - laags, vergeef me, dat ik het zeg, Leo. Er is maar één verklaring mogelijk mijns inziens.’
‘En die is?’
| |
| |
‘Dat zij rijkdom verkiest boven geluk. Het heeft daar althans allen schijn van, en toch, - en toch kan ik dat van haar niet gelooven....’
‘'t Is ook niet te gelooven,’ viel Leo in. ‘Er moet een geheim achter schuilen, dat wij niet doorgronden kunnen. Thilde staat daar veel te hoog voor. Heb je den brief met aandacht gelezen, Henk? Heb je haar wanhoop niet opgemerkt tusschen de regels door? Heb je niet gelezen, dat zij mij, mij alleen liefheeft? Schrijft ze niet zelf, dat zij niet anders kan? Dat zij mij trouw zal blijven? 't Is alles even raadselachtig, doch één ding staat vast en dat is, dat zij niet vrijwillig met Banders in het huwelijk treedt, en dat kan ook niet anders, want zelf heeft zij mij na die soirée in den Haag verzekerd, dat zij een afschuw van dien man heeft, en terecht, want hij leidt een afschuwelijk losbandig leven. In dat opzicht is hij berucht. Hoe zou een hoogstaand meisje als Thilde zich vrijwillig aan zoo'n sujet kunnen geven? Dat bestaat niet, Henk, hier schuilt iets anders achter.’
‘Dat moet wel,’ zei Henk peinzend. ‘Neen, nu ik alles nog eens goed naga, moet ik toegeven, dat dit geen vrijwillige daad is. Thilde is geen meisje, dat in staat is om zich te verkoopen. Hier is ongetwijfeld iets anders in het spel. - Maar wacht eens, Leo, zou het geen offer kunnen zijn van die arme Thilde? O, maar dat zou verschrikkelijk zijn!’
‘Een offer? Wat bedoel je? Spreek niet in raadselen.’
‘Ja, ik meen, wat ik zeg. Zooals je weet, bracht ik dikwijls een bezoek bij notaris Van Vliet, toen hij nog leefde. Hij was een vriend van mijn ouders, en als zoodanig noodigde hij mij nog al eens uit om bij hem te komen eten, en dan bleef ik er gewoonlijk den avond verder passeeren.’
| |
| |
‘Ja, maar wat heeft dat met deze zaak te maken?’ vroeg Leo, die voor de zooveelste maal den brief weer doorlas.
‘Dat zal ik je zeggen. Onwillekeurig kwam dan het gesprek wel eens op den een of ander, en zoo kwam het ook meermalen op jou, omdat je mijn vriend bent, en op Thilde, en ook op haar ouders, en toen heb ik hem eens hooren zeggen, dat het met de rijstpellerij niet zoo heel gunstig stond en dat mijnheer Cortema kort na elkander groote geldelijke verliezen geleden had. Dat herinner ik mij nu heel zeker, en hij zou dat niet gezegd hebben, als hij er geen goede redenen voor had gehad. Een notaris weet gewoonlijk nog al veel.’
‘Dus je zoudt denken, dat....’
‘Dat mijnheer Cortema misschien wel in onoverkomelijke moeilijkheden kan zitten, dat hij bij zijn ouden vriend om hulp heeft aangeklopt, en dat de brave Banders zich bereid heeft getoond de gevraagde hulp te verleenen, mits - Thilde zijn vrouw wordt.’
Leo, die zijn ijsberen door de kamer gestaakt en op een stoel plaatsgenomen had, sprong op en balde de vuisten.
‘Wat een ellendeling, hè! Ja ja, zóó zal het zijn, zoo móét het zijn. Nooit zou Thilde in dit voor haar afschuwelijke huwelijk hebben toegestemd, als zij het niet aangegrepen had om haar ouders van den ondergang te redden. Arme lieveling, wat moet zij lijden, wat zal zij zich diep ongelukkig voelen. Maar hèm, hèm, dien Banders, hem haat ik, o, ik zou hem kunnen vermoorden! En dat zàl ik ook doen. Ik duld niet, dat hij Thilde van mij wegrooft en nòg minder, dat zij zich uit liefde voor haar ouders verkoopt aan zoo'n mispunt, die haar diep ongelukkig zal maken. Om dat te verhinderen, ben ik tot alles in staat.’
| |
| |
‘Maak de zaak niet erger, door ook je zelf nog in het ongeluk te storten,’ zei Henk waarschuwend, want hij kende Leo te goed om niet te weten, dat hij in zijn drift werkelijk tot zoo'n vreeselijke daad in staat was. ‘Is het al niet erg genoeg?’ vervolgde hij. ‘Zou je nu ook nog je eigen leven willen verwoesten...’
‘'t Is al verwoest,’ viel Leo somber in. ‘O god, hoe heb ik haar lief. Om haar te redden uit de handen van dien ellendeling, ben ik bereid tot alles. Wat kan mijn leven mij verder schelen? En wat kan ik anders doen dan hem dooden?’
‘Draaf niet zoo door, Leo. Wat ik gezegd heb, is slechts een vermoeden, dat misschien wel allen grond mist. Je moet je niet zoo opwinden en driftig maken. Ik geef toe, dat de slag zwaar is voor je, en ik begrijp volkomen, dat je je diep ongelukkig voelt, maar 't is je plicht, je zelven tot kalmte te dwingen en je gedachten in het goede spoor te houden. Uit een misdaad kan niets goeds voortkomen, en je brengt er de zaak niet verder mee. Wat zou het gevolg zijn, als je Banders doodde? Veronderstel dat ons vermoeden juist is en dat Thilde zich opoffert om haar onders van den ondergang te redden, zou dan zijn dood een goede oplossing geven? Neen, dat in geen geval. Weet je, wat je doen moet, Leo, voordat het misschien te laat is en je een daad gepleegd hebt, die je je leven lang berouwen zou? Je moet Thilde's raad opvolgen en deze stad, ja, zelfs deze omgeving zoo spoedig mogelijk verlaten. Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom, dat Thilde's raad de beste is, dien zij je geven kon in deze omstandigheden. Hier wind je je meer en meer op en ik mag er niet aan denken, wat er gebeuren kon, als je op een of anderen dag Thilde op straat ontmoette aan den arm van Banders. En dat is toch mogelijk,
| |
| |
want zij zullen hier en daar wel visites moeten maken, de conventie eischt dat nu eenmaal. Neen, Leo, 't is beter, dat je weggaat, liever vandaag dan morgen. Het staat vast, dat Thilde, om welke reden dan ook, voor je verloren is. Door hier te blijven, kun je niets winnen, maar wel je geheele toekomst, je levensgeluk op het spel zetten. Daarom moet je weggaan. Elders zul je veel gauwer tot kalmte komen dan hier, waar alles je aan haar doet herinneren.’
Leo had weer bij de tafel plaats genomen en zat met de handen voor zijn gelaat. Henk zag zijn lichaam schokken en maakte zich erg bezorgd over hem. Zijn besluit stond vast, dat hij dien dag verder bij hem zou blijven, waar hij zich ook bevond. Hij wilde en kon hem niet aan zijn lot overlaten. Wie weet, wat er anders zou gebeuren.
‘Kom,’ zei hij, ‘verman je, Leo, en houd het hoofd omhoog. Laten wij wat afleiding zoeken. Willen wij naar Noordwijk gaan? Of nog beter, willen wij samen een reisje gaan maken, naar de Ardennen bijvoorbeeld, of langs den Rijn?’
Leo greep zijn hand.
‘Goed,’ zei hij, ‘laten wij samen een reisje gaan maken, waarheen is mij volmaakt onverschillig. Neem jij de leiding maar. Je hebt gelijk, en Thilde ook, 't is beter, dat ik wegga. Waarom zou ik ook langer blijven? Niets noopt mij er toe. Thilde is voor mij verloren, en mijn studiën heb ik voltooid. Laten wij gaan, Henk, dadelijk.’
‘Koffers pakken?’ vroeg Henk verheugd, nu Leo bereid bleek, Leiden te verlaten.
‘Niet noodig,’ zei Leo. ‘Zoo lang blijven we niet weg, en wat we noodig hebben, kunnen we onderweg koopen.’
‘Goed. Maar ik ga even bij Lous aan, om het haar te
| |
| |
zeggen. Ze zou anders niet weten, wat er aan de hand is en waar ik gebleven was.’
‘Natuurlijk, maar dan gaan we ook direct naar het station.’
‘Afgesproken,’ zei Henk.
Nog dienzelfden avond kwamen zij in Brussel aan. Hun eerste werk was een geschikt hôtel te zoeken en daar kamers te bespreken. Na gedineerd te hebben, gingen zij de stad in om wat verstrooiïng te zoeken. Leo had bijna niets gegeten en was voortdurend in zijn gedachten verdiept. Hij zag bleek en sprak bijna geen woord. Zoo bleef het den geheelen avond. Eindelijk keerden zij naar hun hôtel terug om te gaan slapen.
's Morgens al bijtijds stond Henk op en klopte weldra, geheel gekleed, bij Leo aan, maar hij kreeg geen antwoord. Na nogmaals geklopt te hebben, opende hij de deur, die niet gesloten bleek, maar de kamer was leeg.
‘Hé, zou hij reeds beneden zijn?’ vroeg hij zich af.
Maar plotseling zag hij een brief op de tafel liggen, die, zooals bleek, aan hem was geadresseerd. Haastig scheurde hij de enveloppe open, en las:
‘Beste Henk!
Als je dezen leest, ligt er reeds een groote afstand tusschen jou en mij. Wees niet boos op me, Henk, omdat ik je verlaten heb, maar ik wil alleen zijn, ik wil rondzwerven op de wereld, omdat ik te onrustig ben om ergens lang te blijven en mij niet kan binden aan een ander, zelfs niet aan jou, hoewel je de beste vriend bent, dien ik bezit. Ik wil vrij zijn, geheel vrij, en geheel alleen, opdat ik niet tot iemand het woord zal behoeven te richten. Den nacht heb ik slapeloos doorgebracht, in mijn hersens woelen allerlei gedachten en plannen, die elkander ver- | |
| |
dringen, en mijn oogen branden mij in het hoofd. Ja, ik moet alleen zijn, - en vrij, - en rondzwerven van de eene plaats naar de andere. Leiden moet ik niet terug zien en mijn vaderland evenmin. Wellicht kom ik er nooit weer. Henk, zoek mij niet, want je kunt mij toch niet vinden, daarvoor is de wereld te groot. En heb dank voor je trouwe vriendschap. Wees over mij niet ongerust, ik zal mij zelf niet te kort doen, en zoolang ik in den vreemde blijf, zal zelfs B. veilig wezen. Vaarwel Henk, en maak je over mij geen zorgen. Nog dezen dag zal ik aan mijn ouders in Arnhem schrijven. Zij zullen mij wel in staat stellen, een paar maanden in het buitenland te vertoeven. Later, als mijn arm hoofd misschien tot rust gekomen is, zal ik je schrijven. Vaarwel, Henk!
LEO.’
‘Arme kerel,’ mompelde hij met medelijden, toen hij den brief ten einde toe gelezen had. ‘Wat heb ik met je te doen. 't Is te hopen, dat hij deze crisis te boven komt, zonder dat er ongelukken gebeuren. - Dus hij is vertrokken en mij rest niets, dan naar huis terug te keeren.’
Dat deed hij dan ook.
Eenige dagen later verschenen de verlovingskaarten van Karel Banders en Thilde Cortema, die een heele opschudding teweeg brachten onder de élite van de stad Leiden. Neen maar, wie zou dàt nu ooit hebben gedacht. En Thilde was immers zoo goed als verloofd met Leo Alfering? Bah, blijkbaar had zij de voorkeur gegeven aan de millioenen van den schatrijken Banders boven de liefde van Leo. Thilde viel tegen. Haar verloving was alweer een duidelijk bewijs, dat in een mooi lichaam niet altijd een schoone ziel huist, want mooi was zij, dat moesten zelfs de
| |
| |
weinigen toegeven, die haar om haar rijke huwelijk met Banders benijdden.
De receptie was druk bezocht. Er was een bloemenschat, die de stoutste verwachtingen overtrof. De bezoekers kwamen en gingen, de vriendelijkste glimlachjes paarden zich aan de hartelijkste gelukwenschen, en niets verried, hoe Thilde in de achting van velen was gedaald en hoe vurig zij door anderen werd benijd. Koud en bleek had zij naast haar verloofde de felicitaties aangehoord en de glimlachjes met een glimlachje beantwoord. O, zij wist maar al te goed, hoe al die menschen thans over haar dachten, maar 't liet haar volkomen onverschillig. Nu zij zich van Leo had moeten losscheuren, had het leven geen waarde meer voor haar. Banders overtrof zichzelven. Hartelijk drukte hij de handen der bezoekers en voor iedereen had hij een vriendelijk woord. Hij zag er uit, of hij de gelukkigste aller stervelingen was, en 't was hem allerminst aan te zien, dat Thilde hem zelfs den verlovingskus geweigerd had.
Zes weken daarna was reeds het huwelijk gevolgd. Banders had geëischt, dat het zou geschieden op huwelijksche voorwaarden, maar hij had zich daarbij van den besten kant laten zien, want zijn huwelijksgift bestond uit niet minder dan een half millioen, en toen zij van het stadhuis terugkeerden, hing hij haar een paarlensnoer om den hals van buitengewoon groote waarde. En hij omringde haar met allerlei attenties, zonder haar voortdurend lastig te vallen met complimentjes over haar schoonheid, omdat hij wel wist, dat die den afstand tusschen hem en Thilde nog grooter zouden maken. Neen, hij had zich voorgenomen, voorzichtig te zijn. Hij zou geduld oefenen, en haar liefde trachten te winnen door haar kostbare geschenken te geven zonder iets voor zichzelven te vragen. Welke
| |
| |
vrouw kon daar op den duur tegen bestand zijn? Immers niet één? En tegenover haar vader, wien hij zijn hulp had beloofd, gedroeg hij zich vorstelijk. Hij gaf Cortema als het ware een ongelimiteerd crediet, dat hem in staat stelde groote zaken te doen. Thilde moest dat zelf erkennen, maar voelde zich niet verplicht, daarvoor ook maar een enkel woord van dank te spreken, want daar had hij geen recht op. 't Was immers een van de voorwaarden van den koop geweest, dacht zij bitter.
Intusschen kon zij niet ontkennen, dat Banders haar medeviel, want door woord noch gebaar kwam hij in strijd met den eed, dien hij Thilde gezworen had, dat zij slechts zijn officieele vrouw zou zijn, de meesteres in zijn huis, zijn metgezel naar opera en schouwburg, zijn kameraad op hun reizen naar de mooie plekjes op de wereld, waar hij haar brengen zou. Verdere rechten zou hij niet kunnen doen gelden. En dat deed hij ook niet. Hun huwelijksreis voerde hen naar Italië, en wel het allereerst naar het aloude Rome, de stad der zeven heuvelen, waar zij overnachtten in het duurste hôtel, dat er te vinden was. Groot was Thilde's verrassing, toen zij daar werd opgewacht door Suze Tremage, de dochter van den opzichter op den Berkenheuvel. Zij was daarheen gezonden door den heer Banders, om haar op haar verdere reizen te vergezellen als kamenier. 't Was werkelijk, vond Thilde, een zeer aangename verrassing, want Suze was een alleraardigst meisje, dat stormenderhand haar hart veroverde door haar vriendelijk gezicht en haar trouwhartige oogen. En bij den dag ging zij meer van haar houden, want niets bleek haar te veel, om haar meesteres te voldoen. Thilde kon dan ook niet nalaten, Banders voor deze attentie haar dank te betuigen, bij welke gelegenheid zij hem voor het eerst vriendelijk toelachte, wat zijn hart deed opspringen van
| |
| |
vreugde. Tot nog toe immers had zij de grootste terughouding jegens hem in acht genomen en hem met de grootste koelheid behandeld. Daarover begon zij thans wel eenige spijt te gevoelen, want zij kon het zich niet ontkennen, dat zij zich tot nog toe zeer slecht aan de overeenkomst had gehouden, die zij met Banders gesloten had, toen zij zich met hem verloofde. Was zij inderdaad tot nog toe zijn kameraad geweest in de werkelijke beteekenis van het woord? O zeker, zij bezochten al de mooie plekjes, die hij beloofd had haar te zullen toonen, hij had haar overstelpt met de rijkste geschenken, die er voor geld te koop waren, hij had trouw woord gehouden ten opzichte van haar ouders en hen van den ondergang gered, en zij wist, dat hij bereid was alles te doen, wat zij wenschte, zij had maar te spreken, - maar wat had zij zelf daartegenover gesteld? Zij had zich koel en hoog van hem teruggetrokken, hem zelfs geen glimlach geschonken, ja, zelfs meer dan eens haar afkeer getoond. Was dat billijk geweest en rechtvaardig? Had zij niet beloofd zijn kameraad te zullen zijn? Was zij daartoe niet verplicht? Ja, dat was zoo, zij moest het zichzelf bekennen en zij besloot een poging te doen, om haar afschuw van hem in zooverre te overwinnen, dat zij hem althans een vriendelijk gelaat kon toonen. Maar in de praktijk viel haar dat veel moeilijker, dan zij gedacht had. Toch merkte Banders de verandering in haar houding jegens hem op, en hij verheugde er zich in. Ha, hij zou haar wel winnen, daaraan twijfelde hij niet, - misschien nog wel eerder, dan hij had durven verwachten. Wat was hij trotsch op haar, op zijn mooie vrouw. O neen, het ontging hem niet, hoe zij door haar schoonheid ieders aandacht trok en met bewondering werd aangezien. En bij den dag werd zijn begeerte sterker, om haar in zijn armen
| |
| |
te drukken en dat mooie gelaat met kussen te overdekken. Maar hij moest zich bedwingen, wilde hij niet alles verliezen, dat wist hij. Hij moest voorloopig blijven, wat hij beloofd had te zullen zijn, haar metgezel, haar kameraad, en anders niet.
En dat deed hij getrouw. Hij bewonderde met haar de oude stad Rome met haar prachtige paleizen, bracht haar naar de schoone meren in het noorden van Italië, maakte gondeltochten met haar in Venetië, liet haar Florence zien, en toerde met haar door de Italiaansche Rivièra met haar lieflijke gebergten en schoone gezichten op de Middellandsche Zee. En hij genoot van elken glimlach en elk vriendelijk woord, dat zij hem schonk, maar hij zag niet de huivering, die door haar lichaam voer, als zij de begeerte las, die gloeide in zijn oogen, telkens als hij haar aankeek. Dan trok zij zich dadelijk in al haar koelheid terug en wendde haar blik van hem af. Eenmaal, gedurende een autotocht had zij gevoeld, hoe zijn hand de hare zocht, maar dadelijk was zij zoover mogelijk van hem afgeschoven, en gedurende den geheelen tocht had zij verder geen woord meer tot hem gericht, zelfs geen antwoord gegeven, als hij haar wat vroeg.
‘Vergeef het mij, Thilde,’ sprak hij nederig even voor zij uitstapten, toen zij het doel van hun toer hadden bereikt. ‘Ik was een oogenblik zwak, maar vergeet niet, dat ik je lief heb. Ik beloof je, dat het niet weer zal gebeuren.’
Thilde antwoordde met een koelen blik, en zonder hem te groeten begaf zij zich naar haar vertrekken, die, zooals afgesproken was, nooit door hem betreden werden. 's Morgens zagen zij elkander voor het eerst aan de ontbijttafel. Zij vond het heerlijk, dat zij Suze had. Het lieve, plichtgetrouwe meisje had stormenderhand haar hart veroverd, en menigmaal riep zij haar 's avonds bij zich in de kamer,
| |
| |
om haar gezelschap te houden, en dan hielden zij zich met een handwerkje onledig en keuvelden samen over alles en nog wat. Natuurlijk ook heel veel over den Berkenheuvel en zijn bewoners, waaronder ook de dienaren dan begrepen waren, en hoewel Suze zich nooit verlaagde tot kwaadspreken over haar heer en meester, Thilde toch kon uit een enkel onvoorzichtig woord van het meisje wel opmaken, dat de heer Banders zeer gevreesd was bij zijn personeel en dat er vóór zijn huwelijk dikwijls feesten werden gevierd door Banders en zijn gasten, die nog al van zich hadden doen spreken.
Het was voor Thilde niet moeilijk het naïeve meisje genoeg te doen vertellen, om zich een goed beeld te kunnen vormen van het leven, zooals het tot aan haar huwelijk op den Berkenheuvel was geleid, en dat vervulde haar met afschuw voor den man, die voor de wereld haar echtgenoot was. Na het diner zagen zij elkander niet meer. Soms ging zij dan met Suze een wandeling maken door de stad, waar zij verbleven, om de mooie winkels te bekijken, en meermalen gebeurde het dan, dat zij Banders tegen kwam, die, zooals zij eenmaal gelegenheid had op te merken, verstrooiïng ging zoeken in obscure gelegenheden. Zij twijfelde niet, of hij kwam dan zeer dikwijls laat in den nacht in zijn hôtel terug. Gewoonlijk verscheen hij dan den volgenden morgen pas aan het ontbijt, als zij reeds lang het hôtel verlaten had, om met Suze de stad in te gaan of met haar een autotocht in de omgeving te maken. Dat waren haar heerlijkste uren, en dan genoot zij pas volop van de schoone natuur, die in vollen zomerdos prijkte en met de zoetste bloemengeuren bezwangerd was. Want zij walgde van het voortdurende gezelschap van haar man en elke aanraking met hem deed haar rillen van afkeer.
| |
| |
Op een van die dagen, dat zij alleen met Suze rondtoerde, liet zij op een mooie plek den auto stoppen om uit te stappen en te voet met het meisje door de schoone omgeving rond te dwalen.
‘Wacht mij hier,’ gebood zij den chauffeur.
Zij bevonden zich aan de kust van de eeuwig diepblauwe zee, die zich als een eindelooze vlakte aan haar oog vertoonde. Bloemen geurden rondom haar en de natuur prijkte in Oostersche pracht. Palmen wuifden hun kronen hoog in de lucht en de tuinen bij de villa's waren verrukkelijk om aan te zien. Hun weg voerde langs een vallei van onvergelijkelijke schoonheid; de gouden zon speelde in duizend schakeeringen tusschen het zware lommer der olijf-, oranje-, citroen- en vijgeboomen. Het schoone uitzicht dwong hen tot eerbiedig stilstaan en bewonderen. 't Was alles als een gedicht, waarheen zij het oog ook wendden.
Langzaam gingen zij verder, tot zij aan een smal pad kwamen, dat naar beneden voerde tot aan het strand van de zee, waarvan het geklots en gekabbel van de golfjes hun toeklonk als een lied zonder woorden.
‘Laten wij dit pad afdalen, Suze,’ zei Thilde. ‘Zie je wel, dat het een rotspad is, waaraan de houweelen den vorm van een trap gegeven hebben? 't Afdalen zal gemakkelijk genoeg gaan. En aan weerskanten hebben we een bosch van heerlijke planten en bloemen. Ruik je dien geur wel?’
‘Ja mevrouw, ik had nooit kunnen droomen, dat de wereld zoo heerlijk mooi was.’
‘Jammer maar, dat zij ook zoo rijk is aan verdriet,’ zei Thilde somber. ‘Wat geeft je de schoonste natuur en de gouden zon, als je geen zon in je hart hebt? Dan is en blijft het altijd nacht om je heen.’
| |
| |
‘Maar mevrouw, dat is toch niet noodig,’ merkte Suze op, die scherpzinnig genoeg was om te weten en te begrijpen, wat er aan het geluk van haar meesteres ontbrak, - ‘overal waar de zon schijnt, zijn lichtpunten, en waar men die zoekt, behoeft het niet altijd nacht te zijn.’
‘Je hebt gelijk, Suze. Het is onze plicht, die lichtpuntjes op te zoeken en er zuinig op te zijn. Anders gaan wij te gronde.’
Langzaam daalden zij het uit rots gehouwen voetpad af, tot zij de onderste trede bereikt hadden.
‘Laten wij hier gaan zitten,’ zei Thilde. ‘Wat een heerlijk gezicht hebben wij hier op de zee.’
Zij namen plaats op de onderste trede, ieder aan een kant van het smalle pad, en rustten met den rug tegen de hoogte, waarin de trap uitgehouwen was. Rustig en kalm was het daar. Zij tuurden naar de blauwe golfjes van de zee, die nooit tot rust schenen te komen, en telden de scheepjes van de visschers op het oneindige watervlak, wier zeilen zich tot op verren afstand tegen den horizon afteekenden. 't Was een warme dag. De insecten gonsden onvermoeid om hen heen en mooie vlinders vlogen van bloem tot bloem, om zich aan den geurigen nectar te goed te doen.
Zoowel Thilde als Suze raakten langzamerhand in een stemming van doezelige rust, de tinten en lijnen namen minder scherpe omtrekken aan, het gegons der insecten drong niet meer tot hen door of zij hoorden het slechts uit de verte, en het kostte hun moeite, de oogen open te houden. Zij sliepen wel niet, maar het scheelde toch niet veel. Bij elk gerucht, bijvoorbeeld van naderende voetstappen, als iemand langs hen heen liep, waren zij echter weer plotseling geheel wakker, maar veel passage was er niet, zoodat zij maar weinig in hun hazenslaapje werden gestoord. Zij vonden hun dolce far niente echt genietelijk
| |
| |
en genoten er telkens weer opnieuw van met volle teugen, nadat zij door een of ander gerucht opgeschrikt waren en de oogleden opgetrokken hadden. Dan glimlachten zij even berustend tegen elkander en vielen weer in hun zoete rust terug.
Dat duurde, tot zij opeens en ditmaal voor goed uit hun slaapje werden opgeschrikt door den kreet:
‘Thilde, - mijn god, Thilde, ben jij daar!’
Nog voor zij goed wisten, wat er gebeurde, lag er een jonge man bij Thilde neergeknield en sloeg hij haar zijn armen om haar hals en kuste haar met een woestheid en hartstocht, die haar angst aanjoeg. Maar die angst verdween als met een tooverslag, toen zij zijn stem herkende en hem in de brandende oogen zag.
‘Leo,’ stamelde zij, ‘Leo, - hoe kom jij hier?’
Toen sprongen haar tranen in de oogen en klemde zij zich aan hem vast en kuste hem zonder ophouden, tot de adem haar bijna begaf.
‘Leo, mijn liefste,’ fluisterde zij. ‘O, wat ben ik nu gelukkig.’
En zij vlijde haar wang tegen de zijne en woelde met haar vingers door zijn haren. Haar hart klopte met onstuimige kracht en 't was haar onmogelijk, klank aan haar stem te geven, die ten eenen male den dienst weigerde, hoe het ook jubelde in haar ziel.
‘Thilde, Thilde,’ klonk het van Leo's lippen. ‘Goddank, dat ik je weer heb. Nu laat ik je nooit weer los, Thilde, nooit weer. Nu ben je voor eeuwig de mijne. Kom, laten we vluchten, Thilde, ver, ver weg, onverschillig waarheen, en laten wij gelukkig zijn. Thilde, mijn liefste, hoe heb ik je lief. En wat ben ik ongelukkig geweest.’
‘En ik dan, Leo?’ klonk het fluisterend. ‘Ach, wat ben je bleek en mager geworden. Arme lieveling.’
| |
| |
Zij streelde zijn wangen. Dat Suze opgestaan was en zich al dadelijk bij Leo's komst verwijderd had, hadden zij geen van beiden opgemerkt.
‘Thilde, heb je gehoord, wat ik gezegd heb? Laten wij vluchten ver, ver weg en gelukkig zijn, ook al moeten wij armoede met elkander deelen. Ach, waarom toch heb je mij dit groote verdriet aangedaan?’
Thilde sloeg hem nog eenmaal haar armen om zijn hals en kuste hem hartstochtelijk. Toen stond zij op. Zij zag doodsbleek.
‘Omdat het mijn plicht was, Leo, evenzoo als het mijn plicht is, je voorstel af te wijzen. O god, als je alles eens wist.’
Ook Leo was opgestaan. Hij stak zijn arm door den hare en samen richtten zij hun schreden naar het strand.
‘Ik weet alles, althans dat vermoed ik. Je hebt je ouders willen redden van den ondergang, niet waar? Maar dat offer is nu eenmaal gebracht, en nog eens zeg ik: laten we vluchten en gelukkig zijn. Dan zal Banders wel een eisch tot echtscheiding moeten instellen en word-je weer vrij.’
‘Maar dan zal hij ook van mijn armen vader de groote kapitalen terugeischen, die hij hem geleend heeft. En wat dan? Welk nut zal dan mijn offer hebben gehad? Een enkel woord van Banders is voldoende, om hem in het ongeluk te storten.’
‘Als je man daartoe in staat is, is hij een nog gemeener sujet, dan waarvoor ik hem hield.’
‘Hij is mijn man niet,’ zei Thilde met een blos, die voor een oogenblik haar wangen kleurde. ‘Ik heb je immers geschreven, dat ik je trouw zou blijven? Ik ben slechts zijn officieele vrouw. Na het diner zien wij elkander niet meer,
| |
| |
tenzij we naar den schouwburg of opera gaan. Ik gruw van hem en heb als eisch gesteld, dat wij ieder onze eigen vertrekken hebben.’
‘Tot hij eindelijk van zijn brute kracht misbruik zal maken en zal nemen, wat hem niet vrijwillig geschonken wordt,’ riep Leo uit. 't Was hem aan te zien, hoe hij door jaloerschheid werd verteerd.
‘Dan vermoord ik hem,’ zei Thilde kortaf.
‘'t Zou zonde van den man wezen,’ spotte Leo met een bitteren lach. ‘Wat zou de wereld veel aan hem verliezen! Doch niet door jou hand zal hij vallen, Thilde, dat moet je me beloven.’
‘'t Zal van zijn eigen houding afhangen. Ik beloof niets. Tot nog toe kan ik op zijn houding niet de minste aanmerking maken, en houdt hij zich stipt aan den eed, dien hij bij onze verloving heeft afgelegd, dat ik slechts zijn officieele vrouw zou zijn. Wee hem, als hij dien breekt. - Maar thans moeten wij scheiden, Leo....’
‘Nooit!’ riep Leo met hartstocht. ‘O, als ik hem op dit oogenblik voor mij had....’
‘Wat dan, Leo? Wat zou je dan doen?’
‘Dan zou ik je van hem verlossen, Thilde, zoo waarachtig als ik je liefheb.’
‘En zou je op een misdaad ons geluk willen bouwen? Neen, Leo, dat mag niet en het kan ook niet bestaan. Je moet vluchten, lieveling....’
‘Voor wien? Voor hem?’
‘Neen, niet voor hem, maar voor je zelf. Maak je niet voor levenslang ongelukkig, beloof me, dat je vandaag nog van hier vertrekt. Keer naar Holland terug en zoek zoo spoedig mogelijk een werkkring. Dan zullen je gedachten worden afgeleid en keert het geluk wel langzamerhand tot je terug, want de tijd heelt alle wonden. Tracht
| |
| |
mij te vergeten, lieveling, want ik ben voor altijd voor je verloren.’
‘Neen, naar Holland keer ik niet terug. Zoo dicht in jou omgeving kan ik niet ademen, Thilde. Maar ik beloof je, dat ik vandaag nog zal afreizen en zoo spoedig mogelijk een werkkring zoeken, omdat jij het mij vraagt. Maar het scheiden valt mij zoo zwaar.’
‘En mij dan? Maar het moet. Ginds zie ik Suze komen. Laten wij scheiden, Leo.’
Zij sloeg hem haar beide armen om den hals en kuste hem hartstochtelijk.
‘Voor 't laatst, lieveling,’ fluisterde zij.
Hij drukte haar vurig in zijn armen en zei met schorre stem:
‘Ga mee, liefste, ga mee. Zonder jou kan ik niet leven.’
‘Onmogelijk, - ga nu, Leo, en doe, wat je beloofd hebt. Ik vrees anders het ergste.’
Zij maakte zich uit zijn omarming los en wenkte Suze toe, bij haar te komen.
Leo verwijderde zich met groote schreden in de richting van de trap in de rots. Bij de onderste trede keerde hij zich een oogenblik om, om haar zijn laatsten groet toe te wuiven en verdween toen uit het oog.
Thilde droogde haar tranen met haar naar boschviooltjes riekende kanten zakdoekje, nam den arm van Suze, die haar thans genaderd was, en samen beklommen zij zwijgend de trap. Suze voelde, hoe de arm van haar jonge, ongelukkige meesteres beefde.
Weldra hadden zij den auto bereikt, die hen naar het hôtel terugvoerde. Thilde verliet den geheelen dag haar kamer niet. 't Was haar onmogelijk haar echtgenoot te ontmoeten en hem een vriendelijk gelaat te toonen. In
| |
| |
arren moede ging Banders 's-avonds uit en keerde pas laat in den morgen in het hôtel terug. Thilde rilde van afschuw, toen zij hem zag komen, want zij begreep zeer goed, in welk gezelschap hij den nacht had doorgebracht. En den geheelen dag kwam hij haar niet onder de oogen.
|
|