Hedensdaegse Venus en Minerva of twist-gesprek tusschen die zelfde
(1641)–Daniel Joncktys–Minerva.
WAs lichterGa naar voetnoot(s) schuym in Zee, het zou hier komen stranden,
En, met een y'el geruys een's reden-vloeds, aen-randen
Het al-te-lijdsaem oyr, van dezen Hoogen Raed;
Dat voor deez beuzelen te lang ontsloten staet.
Waer 't hier alleen te doen voor Mars, en Mars-gelijcken,
Geen twijffel, of ik zou voor Venus moetten strijcken.
Maer neen, ik zie zijn lijf van Hoeren-armen vry:
En zoo ook all' u breyn van hare Toovery.
Wat is een reden-ry, O! Puyckje van onz allen,
Ten toon van uwe Kracht, u gladde tong ontvallen!
Maer zoo een wacker Oog wat van-na-by beziet
Deez hoog-gepreze Kracht, z'en is zoo euvel niet.
'T is waer, 't Getal is groot, dat zig aen uwe Bende
Onlosbaer heeft verknocht; 't zy werwaerts wy onz wenden,
Wy vinden dat u Vier (gelijk gy hebt gezeyt)
Alom in't domme Vee, in Kruyd, en Menschen leyt.
'Tis zoo. Maer zagmen oyt een moedig Dier toe-passen,
Ten roem van zijne Kracht, de vlucht van bloode Dassen?
Den Wind en vatt den Haes op zijnen leger niet;Ga naar voetnoot(t)
Door dien hy daer geen stof tot zijnen lof en ziet.
'Ten is geen krachten-toon voor d'Arende, te vliegen,
Met op-gespalkte klau, na Mussen, Muggen, Vliegen.
Den boog van Poean, steeds na't edel Wild gerichtt,
Schôot nimmer na den Uyl, of Uyls-gebroed, een schicht.
| |
[pagina 16]
| |
Den hoog-geaerden Leeuw zal zijn gezêende krachten
Heel schaers betoonen zen't onweerbaer Vrou-geslachte,
Of teere Kinderkens; maer houdt hem Lammer-stil:
Het moetten Mannen zijn, die hy bevechten wil.
En gy, noch dommer dan d'onredelijke Dieren,
Roemt hier op't groot Getal, van die uw Feesten vieren:
Als of d'uytmuntendheyd des Krachts hing aen't, Zoo veel;
En niets te schaffen stond met 't waerdige, Zoo e'el.
Die in eenn ruymen Hof, vol veelderhande Vruchten,
Zijn ooft-lust wil verza'en, en schept niet zijn genuchten
In't uyt-schot, wiens getal by-na de tacken scheurt:
Maer dat hy, hier of daer, een schoone Vrucht uyt-keurt.
Ik hebb' uyt onzen Hof, de Wereld, uyt-gekozen
De Vruchten, die het Oog vermaken door haer blozen;
De Vruchten, die de Ziell verquicken door haer zap:
Wel minder in getal, maer van een waerder trap.
Dit is 't gewijd Getal, dat met het snorckend blaffen
Op u geduchte Macht, in't minst niet heeft te schaffen;
Dat in u broozen strik bleef nimmermeer verwart:
Maer dat (gelijk ook ik) uw Krachten puft, en tart.
Zoo doen gezamentlijk mijn nege Zang-godinnen;
Zy spelen met u Kracht, en spotten met het Minnen:
Zoo doet het all dat mijn' en hare Konsten viert;Ga naar voetnoot(v)
Die u gewaent Geweld noyt over-stuyr en stiert.
Diana, Jacht-godin, die op het Bracke-bassen,
Langs 't spoor, het snege Wild gewent is te verrassen,
Heeft nimmer in haer hert, door oeffening gesterkt,
'Tvenijn gevoelt, waer door gy uwe Minn' uyt-werkt.Ga naar voetnoot(x)
Dat gy, zoo hier en daer, een leuyen Lege-wagen
Somwijlen van u jok en lastig pak doet klagen;Ga naar voetnoot(y)
Dat gy, zoo nu en dan, een vollen Bloed verheert,
Wel, moet daerom uw Kracht zoo wonder zijn gëeert?
'Tgêen zig den Hond tot schand, wilt g' u tot eere passen:
Die sal het sluvm'rig Wild niet in zijnn nest verrassen.
En gy (O! laffe Kracht) en hebt noyt mensch verwondt,
Dan die g' in't sluymer-bed vanGa naar voetnoot(z) ledigheden vondt.
| |
[pagina 17]
| |
Dit heeft het geestig Volk, op Helicon gezeten,
Al over langen tijd, door oeffening, geweten:
En daerom is, door haer, den legen Harders-rey
Al-om op't Speel-tooneel, in Minnaers klaeg-geschrey.
U Kracht zweeft door het Hof, daer teere Juffer-dieren
Zijn bezig om het lijf, ten prickel, op-te-sieren;
Daer zy de volle Maeg met geestig voedzel la'en;
En 't ledige Gemoed op dertelheden slaen.
Maer waermen bezig is met zwaer' en nutte zaken,Ga naar voetnoot(a)
Daer zal niet eenen schicht uw's Zoons zijn doel-wit raken;
Daer is zijn fackel uyt; daer heeft u Konst geen kracht;
Daer is u Toovery, en Masquer-lust verachtt.
Vulcaen stondt u wel aen, om dat zijn voettenGa naar voetnoot(b) mank gaen:
Gy dacht niet dat, door't sme'en, somwijl de zaken krank staen.
Nu klinkt u dat geklop zoo wel in d'ooren niet,
Nu gy in hem de vrucht van stagen arbeyd ziet.
Nu kondt gy 't vijz gesmook, noch vuylen smis niet riecken;
Nu rept g' u veld-waerts in, met 't eerste uchtend-kriecken,
En schept den lieven geur van een volmaekte Sprant,
Die gy wel meer dan eens opGa naar voetnoot(c) Idâs heuvel vandt.
Wel recht-geroemde Kracht! die door het Vee, en Menschen
Zig niet alleen verspreyt; maer werkt 't gêen hoogst te wenschen
Staet by het mensch-geslacht; Gy wint u eygen hart:
En maekt alzoo u zelfs ten doel van eygen smart.
Nu is u Kracht gefterkt door't blozen van Adonis;
Nu door Anchises schoont'; nu door (het gêen gewôon is
U meest te kittelen) een Sterk-gespierden. houd!
'Tgêen gy all t'samen zaegt, O! Goden, dat vertrout.
Had gy het heylzaem vucht van mijne Tucht gezogen,
Gy had noyt noot gehad, met herten-angst, te poogen
Het slap-gepeezde tuyg uw's Zoons te doen vergaen;
Of metGa naar voetnoot(d) Pantoffelen hem op den eers te slaen.
| |
[pagina 18]
| |
Koomt Gy al, uyt 't getal van velen, een te winnen,
Die stage oeffening gaf aen zijn lijf, en zinnen,
Hy werdt, door u vergif, wel haest tot ledigheyd,
En van het hobb'lig pad der Deugden af-geleydt.
Gelijk een kleynenGa naar voetnoot(e) Visch een schip steut in de baren;
Zoo gy, die in den vloed van wijzen arbeyd varen.Ga naar voetnoot(f)
Dat zach Alcides, doen hy met de Wijven spon,
En, voor zijn Knods, een Spill in zijne handen von.
Zoo datm' u losse Lust hen, diemen wil ontzenen,Ga naar voetnoot(g)
En van de oeffening der Deugde-daden spêenen,
Te recht de ruymte geeft: door dien die haer bejaegt
Zijn zenuwen deGa naar voetnoot(h) kracht, zijn breynGa naar voetnoot(i) 't verstand ontdraget.
En schoonze tot uw Lust noch niet en zijn gekomen,
Zoo werdt hen niet-te-min hetGa naar voetnoot(k) wijze breyn ontnomen,
Alleen door't Minne-mal: En geen zoo kloecken man,
Die wijs te zamen, en in Liefde wezen kan.Ga naar voetnoot(l)
Oh, mochtmer noch alleen den naem van Zotten geven!
MaerGa naar voetnoot(m) neen, den dullen tocht werdt vaek zoo hoog gedreven,
Dat hy eenGa naar voetnoot(n) razerny in hare herssens broedt;
Die dikwils in hetGa naar voetnoot(o) bloed van eyge Kinders woedt.
| |
[pagina 19]
| |
Maer laet onz weder-om tot uwe Krachten komen.
Gy roemt, dat gyder veel hebt uyt mijn School genomen,
Die gy, met vollen ren, door u geduchte Macht,
Hebt in den ruymen kreytz van u Gebied gebracht.
'Tis waer, daer zijn geweezt, en zijn als noch met hoopen.
Die mijne Tucht, en ook mijn nutte Vrucht ontloopen;
Waer van gy vele door u Toovery beleezt:
Maer deez zijn noyt te recht van mijn Getal geweezt.
Indien haer laffe tong het pit van mijn genuchten
Ten rechten had gesmaekt, en maer van mijne Vruchten
Niet, met een lange tand, de buyte-schors geknaegt,
Gy had niet daer gy nu u lossen waen op draegt.
Gy hebt met rechte re'en zoo euvel niet te rommen;
U Kracht is hier geen Kracht, maer vals bedroch te nommen:
Door u vermomde Vreugd lokt gy een leuyen Geest,
| |
[pagina 20]
| |
Die voor de harde schel van mijne Vruchten vreezt.
Den Mensch is wonder brooz, en gy te looz genegen:
Zijn geest, door lust verleyt, loopt na deGa naar voetnoot(p) stimste wegen:
Een distel in Deugd's spoor beweegt hem stil te staen,
En het gemaklijk pad van u verderf te gaen.
Voorts, had gy geene Hulp van andere te wachten,
U Konst waer zonder Kracht, u Vier voor koud te achten:
GafGa naar voetnoot(q) Bacchus, tot uw Feest, zijn zoette Wijnen niet,
U prickel, als verstompt, schaers eenig hart bestiet.
Veel menschen zijnder, die, met nuchteren gemoede,
Haer wel-bedachten geest voor uwe schichten hoeden:
Maer als het geyle Vocht de schroef heeft los gemaekt,
Dan is het dat hy licht in uwe stricken raekt.
'T schijnt dat een vroed Gemoed uw kuuren keurt te wezen
Onwaerdig, om te zijn in wije Luy te lezen;
En dat u Vrucht by geen voor waerdig werdt gelooft,
Dan die nu, door den wijn, van zinnen is berooft.
Zoo dan een Bezem-stok met Vrouwe-kap, en Locken
Wierd aerdig op-gesiert, 't zou hem tot kussen locken;
Geen zoo vervuylden gracht die dan zijnn sprong we'er-houdt:
Hy loopt al razende, als Zatyr, door het wout.
Maer daer een nucht're Ziell de prickelende damppen
Van Bacchi toover-vocht het hart niet laet beklamppen,
Daer zijn, voor uwe komst, des Lichaems deuren toe,
En alle leden, voor uw listen, op haer hoe'.
Gelijk hetGa naar voetnoot(r) speekzel-vocht, gevloeyt van nucht're lippen,
Tot in der Slangen keel, hen doet den Geest ontglippen:
Zoo zijt Gy zonder Geest, ontzenuwt van uw Kracht,
By hen, daerGa naar voetnoot(s) Soberheyd gedurig houdt de wacht.
Nu zien wy dan hoe veer zig uyt-strekt u vermogen:
Als over blind Gespuys, dat gy het licht der Ogen,
Door list, begoochelt hebt; of over leuy Gebroed;
Of over 't grillig Volk, door uweGa naar voetnoot(t) Melk gevoedt.
| |
[pagina 21]
| |
Zien wy noch verder in den loop van onze Tijden,
'K vind daer geen stof met all, die voor u Lof kan strijden.
De Kracht, 'k beken't, was groot van u wel-eer verricht,
Door't vinnige venijn van Schoonheyds scherpe schicht.
Maer sints deGa naar voetnoot(v) Munt-godin ten Hemel is verheven,
Heeft zy u sterksten Pijl een grooten krak gegeven:
Zoo dat de Minne-kracht, daer gy dus hoog van romt,
Als nu by-na alleen van hare handen komt.
Dit zag het listig Kind, wel eer uw Oven-stoker;
Hy liet zijn Moeder staen, verwierp zijnn Boog, en Koker,
En volgde dêez Godin: die hem, voor Boog en Schicht,
Heeft in de vuyst gedout een Schael, en Goud-gewicht.
Zijn Pijlen zijn aen tween; Hy schiet met Pistoletten,
En waer haer blixem blinkt koomt Gy u neder zetten;
Maer daer haer donder-slag niet wel in d'ooren klinkt,
Daer zit Gy, krachteloos, aen all de le'en verminkt.
Hoe nau dêez Munt-godin uw Kracht heeft in-gebonden,
Hoe diep het goude loot van haer Pistool kan wonden,
Is onz te zaem bekent: ik zal maer een Vertoog,
In fte'e van duyzenden, onz stellen voor het Oog.
Een zeker Jongeling had met verliefde ooren
Gevaett, dat daer ontrent, van waer hy was geboren,
Een wel-bekleyden Boer zijnn zuyr-vergaerden Schat
Maer aen een eenigh Kind, ten erf, te laten hadd.
Hy spoeyt zig derwaerts aen, en naekt de lage Hutte,
Schaers dak-dicht, om den wind en regen af-te-schutten;
Waer hy juyst, by gevall, niet het geliefde Kind,
Maer, in haer plaets, de Meyt voor aen de deure vindt.
Zy stond doen op-getoyt, niet flechter dan haer Vrouwe,
Daer hy't op had gemunt, met twee gepekte mouwen,
En voorts met zulk gestel als zoo een Juffer past,
Die op haer kniens, in't gras, de koeye-speen betast.
De borst was wel bezet, met twee geklierde bergen,
Zoo krachtig om het hart tot lusten aen-te-tergen,
Als't op-gespanne vel der Koeyen mellik-zak,
Waer in de kinn, als in een's Doffers kroppe, stak.
Het aenzigt, half gekookt d'oor d'heete Zonne-stralen,
Scheen eenigsins den glantz van't goud te willen halen,
En daerom lief en waerd: het paersche wangen-spier
Bereykte 't ruyme perk van hare borsten schier.
| |
[pagina 22]
| |
Het voor-hoofd, Osse-rond, was tot de brau behangen,
Met vette klitzen hayrs; niet ongelijk de Slangen,
Van't steene-vormend hoofd: het platte duym-gestel
Scheen tot de snaer gemaekt van't koeyen-uyers-spel.
Wat houv' ick all de le'en van't Venus-dier te tellen?
Uyt 't gêender is gezeyt is 't overig te spellen.
In't kort; zy was die gêen, van wien, in hongers nood,
Noyt mensche, buyten walg, ontving een kruyme brood.
Onz Vryer, niet-te-min, schreef by de Vreugde-stonden,
Van zijn geluk, dit uyr, waer in hy had gevonden
Het rijke Boeren-kind, zoo hy, bedrogen, waent:
Dies (mits hy nu het pad vindt na zijn zin gebaent)
Aenvangt hy het geluk dier-gener op-te-halen,
Die, buyten het gewoel van enge Stede-palen,
Zijn wel-gelegen Land met eyge Ossen plougt;
En met des ackers vrucht 't geruste hart vernougt:
Die in een lage Hutt, voor alle woeker-wonden
Bebolwerkt, zijn gemoed behoedt voor valsche vonden,
Tot winst van geld, of Staet; die voor des Zees tempeest,
Noch 't buyig wel-geval der Grooten niet en vreezt.
Ik (zeyd' hy) al-hoe-wel in Stad wel-eer geboren,
En op-gevoedt, mag doch van Stads geprael niet hooren:
Ik hebb door-gaens, verlokt door 's Lands een-voudigheyd,
Op 's Huys-mans goude Eeuw mijn hart en oog geleyt.
Stads vreugd, 't Muzijk-geklank, heeft zelfs zijn dwank; het loeyen
Klinkt beter in mijn oyr, van uwe Mellik-koeyen:
My denkt die Veld-muzijk vry best, die 't bly gemoed
Des Huys-mans zingt, als hy 't gewas ter schuyre doet.
Ja, sints ik hebb gezien u wel-bevallig Wezen,
Hebb ik den lust des Lands te meer my aen-geprezen:
Nu kan mijn jookend hart niet eerder zijn gerust,
Voor dat ik u, mijn Lief, als Vrouwe, heb gekust.
Hy vougde voorts daer by al wat de jonge zinnen
Der teere Maegden kan tot weder-liefde winnen;
Zoo dat hy't, d'eerste reys, zoo verre had gebracht,
Dat haer gevolgzaem hart al was verminne-krachtt.
Want uyt zijn weyts gewaed geleek hy, in de oogen
Des Dienst-meyts, vry dan zy van mogender vermogen:
Waerom zy weynig vorscht na 't wezen van zijnn Staet;
Daer hy vry boven 't perk van zijn waerdy in gaet.
Maer ziet, terwijl zy dus aen weder-zijen kallen,
| |
[pagina 23]
| |
Liet haer de Meyt den naem van hare Vrouw ontvallen;
Waer uyt onz lieve Quant niet qualijk heeft gespelt,
Als dat hy, voor de Vrouw, stondt met de Meyt verzelt.
Dies heeft hy, wat hy mocht, zijn reden in-gebonden;
Zijn Vuyr was flux gebluscht, toe was zijn Minne-wonde.
En zoo is't, in't gemeen, met uwe Kracht gestelt,
Die met den Pennink groeyt, en in-krimpt met het Geld.
Gy gaet nu vorders voort, tot u Noodzaek'lijk Mallen;
En zegt, Dat, zonder u, de Wereld zou vervallen.
Den Mensch werdt zonder u, 'k bekent, niet voort-geteelt;
En zoo zwijgt 't Orgel stil, 't en zy den blaez-balch speelt.
Den Zayer, die het zaet stort in den buyk der Aerde,
Doet wel een noodig werk, dan doch van kleynder waerde:
Want dat, door 's Hemels kracht, het zaet zijn wortel schiet,
Uyt in-geschapen aerd, koomt door zijn wijsheyd niet.
Maer laet den Menschen-bouw, van onz, in volle leden,
U toe-geschreven zijn: noch kampt voor my de rede.
Het leven koomt van u, dat is u toe-gestaen;
'T wel-leven, boven dien, moet van mijn' handen gaen.
Hoe veer dat wy hier in verschillen van elkander,
Wist 's Werelds Dwingeland, den Grooten Alexander;
Die zijnen Meester meer dan Vader heeft geachtt:
Als die hem waerder Schat, dan 't Lijf, had toe-gebracht.
Dit is den Schat waer door de groote Steden groeyen;
Dit is de rechte Ziell waer door de Leden bloeyen;
Dit is hetGa naar voetnoot(x) breyn van't Rijk; het breyn na wiens gestalt
Het Rijk het hoofd verheft, of flux daer henen valt.Ga naar voetnoot(y)
'T en zy, door mijn bestuyr, den Staet op nutte wetten
Onwanckel stond gegrondt, wat zou zijnn val beletten?
Eylaes! ik zag alom groot on-geval bereydt,
Had Themis in mijn School haer gronden niet geleyt.
| |
[pagina 24]
| |
Waer siegs mijnGa naar voetnoot(z) Beeltenis in eeren werdt gehouwen,
Daer ziet men 't Walle-werk, door Eeuwen, niet verouwen;
Daer groeyt en bloeyt de Stad; daer neemt den Staet een stant;
Daer strekt het vesten-puyn een muyr van diamant.
Had Troien dit bedacht, het ley noch in zijn wallen;
Nu is't, door uwe Lust, zoo schandelijk vervallen:
Een velle-schoon' Heleen, waer voor gy't Fruyt genoot,
Heeft Troien van zijn muyr, Mijn van mijnn Loon ontbloot.
Wy zien dat twee in Echt, door u, in negen keerenGa naar voetnoot(a)
Van Lunâs Zilv'ren gloet, de Wereld schaers vereeren
Met een teer Zoogelink: en dat we'er-om een uyr
Ziet honderden vergaen doorGa naar voetnoot(b) 's Pefts vervaerlijk vuyr.
Hoe! zoo, door mijn behulp, de Konst van Artzenijen
Den mensch niet was vereert, om tegens 't Stael te strijen
Van Dood's vergifte schicht, met 't schild van heylzaem kruyd,
En was d'onsterff'lijkheyd, daer gy van roemt, niet uyt?
Dan dit's te schralen stof voor mijnen Lof om hooren,
Dat ik den Mensch, door u al stervende geboren,
Die lichte water-buyl, dien winckel van gebrek
| |
[pagina 25]
| |
Somwijl zijn jaren-tal, door hulp der Artzen, rek.
Door mijn werdt, boven dien, den zelfden Mensch gegeven
Een levenGa naar voetnoot(c) zonder eynd; een leven, boven't leven
Dat hy heeft af-geleeft; een leven, däer de pier
Niet aen te knagen vindt, met vuylen zwadder-zwier.
Me ziet het Volkjen, door u prickel-vier geboren,
Dat voor mijn stemme sluyt haer wye Midas ooren,
Na korten jaren-keer we'er van de Wereld af:
Met 't stinckend wormen-aes gaet naem, en all in't graf.Ga naar voetnoot(d)
Maer die Ik steeds begluyr, met toe-geneygde Oogen,
En met den Nectar-vloed van mijne borst ga zoogen,
Die zig in't heylzaem spoor van mijne wegen spoeyt,
De Dood, hoe sly zy is, hem noyt tot sterven moeyt.Ga naar voetnoot(e)
De Dood kan, met het Lijf, de Geesten niet vergiften;
Die zweven door de Werl'd, op vleugels van haer schriften:
Den Geest voor duyzend jaer het lastig Lijf ontgaen,
Die werdt van mijn Gevolg noch Offer-hand gedaen:
Die werdt noch op den dag van heden aen-gebeden;
Diens roem werdt tot den dag van heden noch beleden;
Die zweeft in aller mond, die leeft in aller hert;
Alzoo hy mennig-werf van nieus herboren werdt.
Noch meer: Een stale Penn maekt niet alleen den Schrijver
Onsterffelijk geachtt; haer goddelijken yver
Vergoodt all watze roert. raekt zy de Steden aen,
'T bouvallig Walle-werk en weet van geen vergaen.
'T is waer, wy zoecken nu de plaets van't oude Romen;
Haer Vesten zijn vergaen, haer Borgers om-gekomen:
Maer zoo wy tot de Vrucht van mijne Gaven gaen,
Wy zien haer niette-min in vollen luyster staen.
Wie wist van't rijk gebou der zeven Wereld-wond'ren,
Wie wist de namen van haer Meesters uyt-te-zond'ren,
Indien haer luyster, uyt dien lang-verloopen nacht,
Door hulp van mijne Konst, niet was aen't licht gebracht?
| |
[pagina 26]
| |
Den Mensche die zy treft, ten roem van zijne Daden,Ga naar voetnoot(f)
By dien koomt't bleeke Spook met haren Schicht te spade;
Zijn borst is voor dien schôot nu al-te-wel gehardt,
En 't al-verssindend stael bereykt hem niet aen 't hart.
Augustus, nu al lang van 't graeg gewormt verreten,
Was ook al lang, misschien, van onze Eeuw vergeten,
Indien de Zangeres Virgili niet zoo zoet
Hem voor onsterffelijk wel eertijds had begroett.
Dat noch Achilles in den Rey der vrome Helden
Gerekent werdt; dat wy zijn kloeke Daden melden;
Dat hy noch voor het Oog onz's Geests gelijk als leeft,
'Tis recht dat hy den dank daer van Homero geeft.Ga naar voetnoot(g)
Dit rocht het moedig hart wel-eer van Alexander,
Die noyt zijn hoogheyd boog voor't steyg'ren van een ander:
Hy heeft Achills geluk hier in voor 't zijn geschatt,
Om dat hy, tot een tromp zijn's Lofs, Homerum had.Ga naar voetnoot(h)
Wie twijffelt, of daer is voor Agamemnons tijdenGa naar voetnoot(i)
Een Helden-rey geweezt, klok-moedig in het strijden?
Maer, laes! haer Daden-krans leyt nu al lang verdort;
Om dat het Penne-vocht haer noyt en hadd bestortt.
De Lacedaemoniers berookt' hierom d'Autaren,Ga naar voetnoot(k)
Ter eer van't Negen-tal, wanneer haer' Oorlogs-schare
Ten Strijde stondt gerustt. op dat haer Krijgs-geweld
Door haer, aen't Na-geslacht, mocht werden voort-vertelt.
Zoo dat dan door u hulp den Mensch wel werdt geboren:
Maer 't koomt door mijne Kracht dat hy niet ga verloren,
En snelle na het graf; ja, dat hy eeuwig leeft;
Zelfs als hem 's levens vuyr nu al verlaten heeft.
Gy hebt voorts, by den rom van uw Nootsaeklijkheden,
Niet min de vlagg gevoert van u Vermaeklijkheden.
| |
[pagina 27]
| |
Maer die slegs met een Oog op deze Vreugden pinkt,
Zal speuren dat het al geen goud is 't gêender blinkt.
Hebj' oyt den nutten vond beoogt der Apothekers?
Zy smeeren met wat zoets de boorden van haer bekers;
Op dat het walch'lijk zap, 't gêen haren grond bedekt,
Mocht werden van het Kind voor Suyker op-gelekt.
Zoo heeft me Vrou Natuyr, die wijsselijk bevroede
Haer wissen onder-gank, om haer voor dien te hoeden,
Door u den vijzen Mensch een prickel ingestort;
Waer door hy vierig tot de Teel-zucht werdt geport.
Want had dit mom-verdek u schuwelijke Zaken,Ga naar voetnoot(l)
Met't op-schrift van Genucht, niet gang-baer konnen maken;
Was niet uGa naar voetnoot(m) vuyle Vreugd met domme-kracht verknocht,
Wat redelijk Vernuft had oyt die Vreugd gezocht?
Dan ziet doch eens den hoon, en Onlust dieze smaken,
Eer zy noch tot het pit van deze Vreugde raken.
Voorwaer, het voll getal der Pijllen die gy schiet,
Bestaet uyt vier van Vreugd, en zeven van Verdriet.Ga naar voetnoot(n)
Dit leert onz haer gelaet, bezet met bleeke zorgen,
Die't vleesch en beenen van haer voedend zap ontmorgen;Ga naar voetnoot(o)
Zoo dat haer 't kake-been zoo heuv'lig staet gestrekt,
Als of zy waren met Dood's Momme-tuyg verdekt.
Wy hoeven, tot bewijs van u beklaegde Plagen,
Geen moeyelijk verhael de Goden voor-te-dragen;
Wy hooren alle-daeg hoe 't Venus-volkje kreunt;
| |
[pagina 28]
| |
Zoo dat den Hemel zelfs by-na van'tGa naar voetnoot(p) kermen dreunt.
'T is noch niet lang gele'en, dat ik een van uw Knapen
(Die aen u Schijn-geneucht te los hem had vergapen,
En, door verkeerde zucht, mijn Tucht verlaten had)
Zag deerlijk inde prang van uwen Last gevat.
Den stuyren Winters nacht en kon hem niet we'er-houwen;
Hy most, voor zoette rust, gaen sidderen van kouwe;
Het zachte veren-dons was krevel in zijn bedd:
Dies heeft hy naer het Lief zijn vluggen voet gezet.
Van buyten de'e de kouw hem vinnig klapper-tanden;
Van binnen deed' uGa naar voetnoot(q) Koorts zijn ingewanden branden;
En zoo hem, in dien brand, niet hadde by-gestaen
Een dobbel regen-vocht, de Quant die hadd vergaen.
Want zelfs den Hemel scheen gerocht met mede-lij'en;
Die liet, uyt haer verwulf, een dichten druppel glijen,
Tot op zijn naekte huyt; en't moedelooz Gemoed
Dreef mé, tot hulp, door't Oog een vollen tranen-vloed.
Na dat hy, door't geplas, nu rocht haer 's Wonings dremppel,
Heeft hy zig ne'er-gestort, als voor een hayl'gen Tempel;
En naer een diep gezucht, en snorckend schrey-gesnak,
Was't dat het bang Gemoed in lang geklag uyt-brak.
Al wat de Vryer riep was van vergifte Schichten;
Van wonden, zonder zalf; van vuyr, en vlamme-stichten:
Wat dat hy van zijn smart, en harte-prangen zey,
'T was Venus, en de Meyt, daer hy de schuld op ley.
En schoon hy zwoer, 't en waer hy gunste mocht verwerven,
Dat nu de uure was geboren van zijn sterven,
De Meyt bleef stom, en doof; de deure, vast in't slot;
En uwe Knecht een doel van schampp're Buyren-spot.
O smaet! O ramp! O hoon! Is zeker dit 't Vermaken,
Daer gy, met looz beleyd, weet euvel van te kaken,
Is dit de Minne-vreugd, daer gy dus trots op treedt,
Zoo wensch ik aen u zelfs u Vreugd te zijn besteedt.
| |
[pagina 29]
| |
O smaet! O ramp! O hoon! Een hoog-geaerde ZielleGa naar voetnoot(r)
Laet zacken haer waerdy, gaet voor zijn minder kniellen;
Verssaeft een vry Gemoed, verlort dien duyren Schat,
Aen een prat juffer-dier, aen ik en weet nau wat.
O smaet! O ramp! O hoon! Was maer het Lief te vleyen!
Maer neen, dat hooge Hart moet ook zig zelfs bereyen,
Om aen de Kamenier te bie'n een suycker mond,
Te streelen haer Gevolg, te kussen haren Hond.Ga naar voetnoot(s)
O smaet! O ramp! O hoon! Na lang dien last te dragen,
Koomt licht, op't zelfde spoor, een Mede-vryer jagen,
Een ongezouten Loer, wiens zoette Munt-muzijk
Maekt, dat het Maegden-hart flux na den Lomppert wijk.
O smaet! O ramp! O hoon! O sinaet! niet om te lijden;
O ramp! niet om t'ontgaen; O hoon! niet om te mijden;
Een Ezel krijgt de Meyt: en hy, na lang geween,
(O smaet! O ramp! O hoon!) beloopt een Blauwe-scheen.
Ik zie op dit Gesprek de Minne-moer wel gapen;
Het heugt my, 't geenze zey van d'onlust mijner Knapen;
Ik weet, datm' onder haer ook Blauwe-schenen telt,
En dat een dommen Bloed voor wijzer werdt gestelt.Ga naar voetnoot(t)
Maer wat een onderscheyd bespeurtm' aen weder-zyen!
Een Blawtjc werdt by d'uw geachtt voor't hoogste lyen:
Maer onder mijn Gevolg en keurtm' 'et smaet, noch smert,
Indien een Ezels-kop voor haer verheven werdt.
Zy voellen, waeromm ik gewapent ben geboren;
En wapenen haer borst, voor't kittelig bekoren
Van Voor-spoeds wrevel-drank; en blijvenGa naar voetnoot(v) onverplet,
Wanneer het blind Geluk zijnn voet te rugge zet.
Zy hebben, in mijn School, geoeffent hare Zinnen,
| |
[pagina 30]
| |
Om,Ga naar voetnoot(x) buyten herte-prang, dien onlust t' over-winnen:
Zy weten, dat daer door haerGa naar voetnoot(y) Deugd, en achtbaerheyd,
By luyden van verstand, geen krak gekregen heyt.
Zy lacchen met den loop van 's Werelds tuymel-zaken;
Zy spotten met die gêen, die veel van Wijsheyd kaken,
En smoren Wijsheyds glantz, zelfs daer het menschen geldt;
En dencken, Over-al staet ydelheyd verzelt.
Maer laet onz nu het Oog wat nader laten vallen
Zelfs op de Vreugden, die't voor-spoedig Minne-mallen
Aen uwe Minnaers geeft; wat loon haer liefde wint,
Als nu in 's Vrysters hart de weder-liefd begint.
Zulx is een zijden Snoer, geknoopt aen hoed, of handen;
Een droevig Voor-spook van zijn droeve Minne-banden!
Zulx is een hayren-klitz, of diergelijken leur;
Dat met den zoetten naem gedoopt werdt van Faveur.
Daer treedt de Vryer hêen. Hy schatt hem wel beschoncken;
Hy suysse-bolt van vreugd, zijn Voor-spoed maekt hem droncken;
De voet springt buyten't spoor; de hand en houdt geen maet,
Maer streelt het duyr juweel, 't zy werwaerts dat hy gaet.
Het haylig over-schot der Hayliger gebeenten,
Den hellen tintel-glantz der Oostersche gesteenten,
Den rijkdom die de Aerd, en dieppe Zee bevatt,
Werdt onder de waerdy van dezen loon geschatt.
Wel zuyr-verdienden loon! Een stuk van vunsse Locken,
Die van een puystig hoofd, door't gift van Spaensche pocken
Misschien zijn afgeschaeft, gedijdt hem tot eenn loon,
Voor veler maenden dienst, verknochtt aen schimp en hoon.
Waent yemant, dat wanneer den heeten brand der Minnen
Nu heeft in voll bezit, aen weder-zy, de Zinnen,
Dat dan de Minne-vreugd ook met de Liefde wast,
Die heeft, na mijn begrip, de rede mis-getast.
Eylaes! met Liefdes trap verstrengen ook haer banden;
Hoe hooger datze stijgt, hoe heeter datze branden:
De Vryheyd die hy hadd, die hoog-geachte gaef,
Ontvalt hem dies te meer, en werdt een nietig Slaef.Ga naar voetnoot(z)
| |
[pagina 31]
| |
Wil Zy, hy zal bloots-voets in lange Be'e-vaert varen;Ga naar voetnoot(a)
Of slijten in den dienst wel tweemael zeven jaren;
Hy is niet meer zijns zelfs; en, spreekt zy maer het woord,
Zelfs aen zijn eygen Lijf begaet hy mensche-moort.Ga naar voetnoot(b)
Al wat hyGa naar voetnoot(c) drinkt, of eett, is op de goe gezondheyd,
Niet van zijn Zelfs, maer van de Meyt die hem gewondt heyt;
En schoon een diep gelas wierdt op-gevult met pis,
Hy veegd' 'et tot den grond, op haer gedachtenis.Ga naar voetnoot(d)
Zoo dat gy van den stank, en walchelijke wegen,
Van mijne Medicijns, veel nutter had gezwegen.
Den reuk is deur-gaens goed, daer zoette winst van koomt:
Maer wat u Volk dan wint en hebb ik noyt gedroomt.
Schoon een vervuylde Long vergift uw's Vryers aessem,
Als hy haer Lippen kust, door een verrotten waessem;
O! 't is een Hemels-dauw, die uyt haer zieltje rijzt;
Hy prouft al wat men in Caneel, of Nardus prijzt.Ga naar voetnoot(e)
Indien een koortzig vocht misschien, in't lippen-rippen,
Van haer beslagen raek, koomt op zijnGa naar voetnoot(f) tong te glippen;
O! 't is een Nectar-vocht, dat uyt den Hemel vloeyt;
Een Balsem, die zijnGa naar voetnoot(g) harten-aderen besproeyt.
Dit is het opper-puyk van uwe Vreugde-giften:
Het gêen' ik over-sla en is niet waerd om ziften.
Een maegdelijk Gemoed schaemt zig van dat bedrijf,
Dat noyt voltoyt werdt, of bedroeft de Ziell, en 't Lijf.
| |
[pagina 32]
| |
Wy zien dan nu het diept van uwe Vreugde-stromen:
Maer laet onz ook bezien d'onheylen dieder komen,
De groote slaverny, het lastig ziell-geweld,
Dat met deez ydelheyd gedurig is verzelt.
Waent hy, na 'et trage eynd van met het Lief te mallen,
Tot midden in den nacht, nu in den slaep te vallen;
Dat is om niet gepoogt. mist hy de bolle Meyt,
Haer schildery moet noch gekust zijn, en gevleyt:
Hy moet eerst, voor het Oog zijn's Geests, her-op gaen halen
De nieu-vervloge Vreugd; hy moet eerst af gaen malen
De lachjes, die zy gaf; de lonkjes, die zy schôot;
De kusjes, die haer lipp aen zijne lippen bood.
Herdenkt hy dan, hoe zy een lonkje van ter zijen,
By 't mallen van de jeugd, liet op een ander glijen;
Hoe zy een wijl het oyr haer Na-buyr heeft geleent;
Flux werdt het ongeval wel bitterlijk beweent:Ga naar voetnoot(h)
Flux koomt de jalouzij zijn angstig harte knagen;
Die kan zijn's Vreugds geheug in korten tijd verjagen:
Flux brandt een hellen haet, tot in zijn hard gebeent,
Op hem, die licht niet min dan zijne Vryster meent.
Hy weet niet hoe hy zig in dit geval zal houwen;
Hy twijffelt, of hy ook de Vryster mag vertrouwen:
Hy rukte licht de Liefd' uyt zijn ontzet gemoed,
Indien haer wortel-scheut zoo diep niet waer gevoedt.
Uyt-rucken? Neen: dien angst doet Liefde hooger blaken.Ga naar voetnoot(i)
Dit ruykt de snege Meyt: die weet het zoo te maken,
Dat hy gedurig stof tot jalouzijen vindt;
Zoo lang, tot dat den band des Houlijks hem verbindt.
Maer zoo't somwijl gebeurt, ('t gebeurt; gewis, niet zelden)
Dat naer een over-zijds bezegelt minne-melden,
Uyt lichtheyd van de Meyt, de Knecht zijn schenen stoot;
Wat nader toe-vlucht, dan een strop, in dezen noot?
Of is hy noch gezint het lastig Lijf te sparen;
Hy gaet (o! dom beleyt) zijn arme Ziell bezwaren.
Is hem uyt 't Hemel-wulf geen Minne-hulp gedaen,
Hy zal den Afgrond zelf, om bystand, spreken aen.
| |
[pagina 33]
| |
Sta by, O! Schim-gebroed: breng hulp, all die daer woellen
In d'onbepeylden grond der onder-aerdsche Poellen:
Zijn spook-dicht roept u uyt. Gy, 't zy ook in wat schijn,
Uw hulp, hoe goddelooz, 't zal beyde wel-koom zijn.
De Vrijster zie ik ook somwijl dêez paden treden;
Als zy, op goed geloof van 's Vryers Houwlijks-êeden,
Zoo dichte heeft gevryt, dat haer de Vleesch-zucht quelt.
En, zeker, 't heeft zijn re'en, dat s' haer hier in ontstelt.
Maer wat u Vryer port tot dêez' onhebblijkheden,
Behalven Schoonheyds schim, en zie ik geene reden:
Het slibb'rig velle-schoon, dat eerst zijn harte trof,
Beschaft hem ook als dan tot Zielle-smarten stof.
O! hersselooze jeugd, die't wat'rig Zonne-blicken,
Van't nietig Vrouwe-schoont, zoo hoog in't hart gaet wicken!
Daer hen nochtans 't genot van SchoonheydsGa naar voetnoot(k) vluchtig beeld
Meer zorgen en verdriet, dan ware Vreugden teelt.
Zy weten, dat den glimp van marmer-gladde leden
Werdt, van het wretend uyr, geduriglijk bestreden;Ga naar voetnoot(l)
Dat zelfs een ogen-blik licht Schoonheyds luyster velt:
En dit baert stage zorg, die haer het harte quelt.
Zy voellen, in den Echt, de smartelijke wonden,
Het bijtende vergif van schoone Vrouwe-monden;
Zy proeven 't preuts geprach van't moedig Vrouwen hert,
Dat onder't velle-schoon, ten hoon, geherbergt werdt.
Zy weten, dat den glantz van wel-besnede wangen
Is machtig om den Mensch in't Minne-net te vangen;
En dat, die dikwils kampt wel een-mael onder leyt:
Waer uyt hen stagen angst onmijd'lijk staet bereydt.
Zy weten, boven dien, dat zy, die schoon gehaert zijn,
Veel weelderig gezint, en licht wat licht geaert zijn:
Waer door de jalouzij, dat grootste huys-verdriet,
Noch diepper in haer hart haer gulle wortel schiet.
En dit wist ook Vulcaen, die u daerom dé maken
Twee muylen, die u vaek verklicken door haer kraken,Ga naar voetnoot(m)
Als gy eenn sluypperd maekt: zoo dat daer van 't geluyd
U Lieven Oorlogs-God niet wel in d'oore tuyt.
Hoe! is in Schoonheyds scha'w zoo grooten Vreugd te vinden,
Waerom dan gingt g' u aen een mancken Smit verbinden?
| |
[pagina 34]
| |
Waerom werdt mennigmaels, van't Mannelijk geslacht,
Een vuyle Hoere meer, dan schoone Vrouw, geachtt?Ga naar voetnoot(n)
Weet gy hoe lang de Lust en 't vierig Minne-blaken,
Uyt eygen Vrouwen-schoont, de Mannen kan vermaken?
Zoo lang het vryen duyrt; zoo langme lekt en streelt;
Zoo lang den Vedelaer het Bruyd-lofs liedtjen speelt.
Maer wacht een korten stoot: Werdt hy zoo scherp gesnoten,
Dat hem den Liefden-bril koomt van den neus geschoten,
Hy speurt, aen 't bruyne git, geen glibberigen keer;
Hy ziet, aen haren mond, geen bloed-koralen meer.
Maer eer de vierigheyd wat was van't hart gedreven,
Waer 't alles goddelijk, 't gêen' hy aen haer zag leven.
U Zoon schonk hem eenn Bril, uyt zijne Kramers-kas,
Daer 't alles schoon door scheen; zelfs 't gêender niet en was,Ga naar voetnoot(o)
Een geel-getaende huyt, niet ongelijk de Moren,Ga naar voetnoot(p)
Schijnt daer bevallig bruyn: die in haer vet wil smoren,
Gelijkt daer poezelig: een walchelijke Slet,
Heeft daer op hoovaerdy haer zinnen niet gezet:
Een rammelend geraemt, met vel nau over-togen,
Schijnt schitter in haer doen, en schrander in zijn' ogen:
Zy heet daer vrolijk, die te recht is wild, en woest:
En tender, die by-na nu dood is van den hoest.
Indien haer stramme tong nau woord en weet te baren;
De waerde Maegde-schaemt schijnt in haer hart gevaren.
Is 't Oog rond-om bezet met een scharlaken boord;
Het schijnt te heeten gloed, om niet te zijn bekoort.
Zchoon zy een schildery gelijkt, van ouwe tij'en;
Hier staet haer aerdig kleed te wonder om te vryen.
Haer naem zy zoo hy wil, daer is geen twijffel aen,
Hy zal in haren keer wat Goddelijks zien staen.
Aurorâs armen zijn als roode roze-blommen;
Den voet van Thetis mag by zuyver zilver kommen;
D'enckels van Hebe by het klare berg-krystal;
Maer in zijn Vryster zijn de gaven van hen All.
Dianâs strael-gezigt blijft by haer luyster steken:Ga naar voetnoot(q)
| |
[pagina 35]
| |
Z'is Juno, in het gaen; Minerva, in het spreken;Ga naar voetnoot(r)
Een Venus, alsze lacht: 't yvoor, en 't lely-blad,
De witte Rôos, en Melk noyt by haer witheyd had.Ga naar voetnoot(s)
En zoo-me poogt aen hem de schellen van haer' oogen,
De bochten van haer neus, en rugge te vertoogen;
Me trêedt, met Galathé, in schamp're tegen-strijd;Ga naar voetnoot(t)
Me roept, dat u verwijt geschiedt uyt Minne-nijd.
Wie zou, met zijn Vernuft, het zotte vergenoegen,
Van 't blinde Minnaers-rot, in vollen ry vervoegen?
Maer, laes! hoe lichte krijgt dien broozen Brill een scheur!
En dan all' 't gêen' hy zag en was maer water-kleur.Ga naar voetnoot(v)
By 's Vryers glazen Oog, en schijn-schoon Minne-brillen,
Koomt 's Vrysters toyens list; en maekt voorts, door haer grillen,
Den Knecht recht molle-blind; die, wonder aen-gehaelt,
Het tijdig vleesch wel an het veren-schoon betaelt.
Hy, heeft wel licht zijn Bruvd by keers-licht maer bekeken;
Die, op haer voor-deel uvt, wel konstig uyt-gestreken,
Wel aerdig op-getoyt, zijn Oog, door 't goud-geblik,
Heeft van haer vel gelokt, op 't kostelijk gestrik.
En, of misschien zijn Oog wat nauwer wilde keuren,
Daer is, by keers-licht, zelfs aen 't vel geen vlek te speuren.
Dank hebb, vergoodt Pinçeel, die 't rimppelig gestel,
En gele huyt verthoont voor glad, en blozend vel.
De Jongman, weg-gerukt door d'opgesmukte Kleeren,
En 't schijn-schoon Vel-verdek, brandt wonder in begeren;
Hy houdt te bijster aen; hy wil niet van de Meyt,
Voor dat hy noch dien nacht van haer het ja-woord heyt.
Den knoop die is geleyt; den Bruylofs-dag gekomen;
De Bruyd werdt, uyt den hoop der Gasten, weg-genomen,
En naer het bedd gevoert: 't getoy dat werdt ontdaen;
De Locken af-geleyt; de Bruylofs-gasten gaen:
Den Bruygom, aen-gestout door 't prickelende Minnen,
Springt, vol van heeten brand, ter kamer-deure binnen;
Hy ziet de lieve Bruyd met wij'e Oogen aen;
| |
[pagina 36]
| |
Hy staet als of de lust nu over was gegaen:
Hy ziet niet 't gêen' hem placht zoo klachtig aen-te-locken;
Hy vindt, aen 't konstig hoofd, geen kronckelende Locken;
Hy wêet niet wat hy ziet; hy twijffelt hoe hy 't heyt;
En of in Rachels sté geen Lea is geleyt.
Dan 't was te laet geloert; daer gou geen lang verlemmen:
Al zag hy Ezaus lijf, hy hoorde Jacobs stemme,
'T geluyd was onvervalscht; dat dreef hem by de Bruyd;
Waer hy zijnn Minne-lust heeft lichtelijk gestuyt.
Hy wist, dat Schoonheyds glantz koomt haestelijk t'ontglippen:
Daerom, zoo haest hy nu gevoelde hare lippen
Te kleven aen zijnn mond, en hieldt hy niet zeer aen;
Op datze niet te ras ontluystert mochten staen.
Des morgens, als de Zonn haer glinsterende stralen
Liet op het bedde van dêez twee Gelievers dalen,
Heeft hy, van 't laetst vertoog als noch in't hart ontstelt,
Op nieus, een keurig Oog op haer gezicht gevelt.
O! Goden, 't was een lust den Man te zien staen gapen:
Hem dacht, hy hadd dien nacht wel twintig jaer gesstapen:
Want 't gêen' hy gisteren zag voor een jeugdig Lijf,
Was 's morgens, in zijn Oog, een oud gerimpelt Wijf.
Het root dat, daegs te voor, bekleede hare wangen,
Zag hy hier aen den Neus, daer aen het Voor-hoofd hangen;
Voor't blond-gekrulde hair, vondt hy een zwarte tuyt;
En voor een aerdig Dier, een geestelooze kluyt.
Hy wist niet of hy eerst zijn Oog zou heeten liegen:
Maer waerheyd, en den dag en kond' hem niet bedriegen.
Daer zagmen vroeg berou, doch 't gêen te spade quam;
En, voor een vreugdig vier, een smartelijke vlamm:
Een vlamm, die door geen hulp is uyt het hart te jagen;
Maer die hem, voor zijn uyr, in't duyster graf zal dragen;
'T en zy doch tijdelijk de Dood Haer zoecken komt,
Die hy noch gisteren zijn Leven heeft genomt.
Dan 't Vrouw-schap is zoo licht niet van den hals te leyen;
Ze slacht de Tering-koorts, ze wil met 't leven scheyen:
Me raeckter zoo niet af, als Schipper Willeboort,
Die 't zwaerste pak, zijn Wijf, in nood wierp buyten boord.
Daer is een grooten hoop die, door dien last, verdrincken,
En in den dieppen vloed van Acheron verzincken,
Eer dat het lastig Lief den Oever-kant genaeckt,
Daer Charon, met zijnn Boot, 't gemeene Veer bewaekt.
| |
[pagina 37]
| |
Slaenw' op den Maegden-rey, dat teer gewas, onz' ogen,
Hoe dikwils werdt oock daer een siechte Sloyr bedrogen!
'T schijnt 't listig Vryers-rot heeft 't breyn daer op gewett,
Hoe, tot de Vryster-vangst, het net best dient gezet.
Hier, heeft een grooten Hans, zoo 't schijnt, voor weynig dagen,
Als door den Wind verkortt, zijnn leger ne'er-geslagen,
Ontrent een jeugdig Dier, zoo wat van't slegste endt;
Maer dat voor machtig rijk is door de buyrt bekent.
Dear trêedt me Joncker hêen, met nieu-gehuyrde kleeren:
Hy is een Grave Zoon naer uyt-wijs van de veren:
Die geeft het rijcke Kind voor eerst een buyre-praet;
Alzoo hem we'er en Wind die ledigheyd toe-laet.
Zijn schrandere Laquay, een van die Venster-knapen,
Dien hy, voor korten-tijd, heeft weten op-te-rapen,
Dient tot den aen-slag wel; die vordert 't loos beleyt,
En stijft, door hoog ontzag, zijn 's Heeren achtbaerheyd.
Me Joncker, die de Meyt den tijd van weynig dagen
Nu onderhouden heeft, krijgt, onbedacht, behagen
In haren omme-gang; de wespe van de Minn
Prikt, tegens wil en dank, zijnn noyt-gezetten zin.
De reys werdt op-geschortt; me laet den Schipper varen;
Hy moet, al doet hy 't noo, hy moet hem openbaren,
En bidden om de gunst van een, wiens waerdigheyd
Zoo veer bene'e den trap van zijne waerde leyt.
Hy wêet van 't vreemt beleyt van Venus veel te spreken:
Datz' ook als nu, aen hem, getoont heeft hare treken:
Zoo dat Hy, die maer zocht een uyre tijd-verdrijf,
Nu haer moet vleyen, om te zijn zijn echte Wijf.
Dies bidt hy, t'wijl de zaek aldus nu staet geschapen,
Dat zy haer goed Geluk niet willens wil vergapen;
Alzooze (schoon zy is geringe van Geslacht)
Naer eysch van zijnen Staet zal deur-gaens zijn geacht.
Hy zal haer wel verzien van adelijke kleeren;
Haer omme-gang zal zijn met Juffers, ende Heeren;
Een fluxe Kamer-maegd zal staen tot haer gerijf,
En slegs haer dienst beste'en in't toyen van haer Lijf:
Zy zal een zoet Muzijk aen hare tafel hebben;
Voor spijs, niet anders dan van Calicoetz, de snebben;
Van Papegayen, 't breyn; van Nachtegaels, de tong;
En wat m'oyt kostelijks in verre Landen vong.
Voor drank, zal haren Disch van vreemde wijnen vloeyen;
| |
[pagina 38]
| |
Haer Bath, om voor den lust, haer lieve le'en te broeyen,
Zal melk van Een-hoorns zijn; tart Nerôs Gemalin,
Die haer met 't uyer-vocht beholp van d'Ezelinn.
Zijn snoo Waerdin weet ook haer roll hier wel te spelen;
Die zeyt, hoe t'harent schuylt een kistken met iuweelen;
Dat Joncker 't Land beziet met geen, of weynig Staet;
Om dat in lagen schijn het reyzen vayligst gaet.
Zy kent me Jonckers naem: haer Man, nu overleden,
Heeft in zijn's Vaders Hof (na 't heugen zijner reden)
Wel-eer voor Kok gedient. Dit liegt de looze Vacht;
Om datze, na den koop, een sleutel-reeks verwacht.
In't kort, den knoop die klemt: en achter 't wettig paren,
Me praet van na het Hof zijn's Vaders toe-te-varen.
Waer voor een lang verhael? de Heer hoort nergens t'huys:
En, ziet, voor valsche Vreugd genietmer enkel kruys.
Noch is het wel gelukt, en 't leed valt licht om dulden,
Vindt zy, voor rijken Schat, geen ruym getal van Schulden;
Vindt zy, voor goed onthael, en 's Bruygoms Morge-gift,
Geen pockig ingewant, en uyt-gemergelt Rift.
Maer, dat 's te licht gelooft, hoor ik een Vryster zeggen;
Zy zou, in zulk geval, haer zaken bet beleggen,
En houden voor verdacht al wat van verren koomt:
Dan ziet, zy werdt bezet met 't gêenze scheldt, en schroomt.
Haer Buyr-knecht, na de dood van Vader ende Moeder,
Gevoelt den band gewiidt van een gestrengen hoeder;
Dies stinkt zijn Vader-land; hy wett zijn gulle lust
Op't dertel Lely-land, of onbekender kust.
Daer zwemtmen in den vloed van jeugdelijk vermaken;
Men hoort van buyte-lust te huys de wieg niet kraken;
Me rammelt, en me relt, me dobbelt, en me speelt,
Tot dat 'et, op het lest, de Binne-beurs verveelt.
Dies keert hy, na dry jaer, we'er na zijn's Vaders palen.
Hy denkt, Een rijke Bruyt zal d'oude scha'e betalen.
Hy keurt het vryen best, terwijlmen Wel-koom zeyt;
En eer het snel Gerucht zijn leven open leyt.
Zijn Buyr-meyt, die zoo wel haer stuck wou over-leggen,
Gaet hy zijn diensten, en genegentheyd aen-zeggen:
Me praet van koopmanschap, en een vergaerden schat;
Me snoeft, me snorkt, me blaezt wel vry in't hoogste gat.
De Meyt wêet eenigsins wat hem is na-gelaten;
Maer derft haer op zijn winst niet al-te-vast verlaten:
| |
[pagina 39]
| |
Dies spreektmen 't Maegschap aen van dien bekenden Knecht;
Door wienmen, van de zack, ten vollen werdt berechtt.
Me wijzt de winsten aen: daer, zoo veel aen de Wijnen;
Hier, zoo veel aen het Graen; daer, zoo veel aen Rozijnen.
In't kort, het hylik hort: maer aen 't gesnorkte geld
Heeft onz bedachte Maegd de hand niet blauw getelt.
Waent Een ook deze klip van't Minne-meyr te mijden,
En noch voor-zichtiger in Liefdes spoor te rijden;
Daer geldt geen nauwe zorg: zeylt hy Charybdin mis,
Wie wêet of in den grond geen snoode Scylla is?
Al zietmen schrander toe, met honderd Argus-ogen
Me werdt of aen den Staet, of aen het Vleesch bedrogen:
Zoo haest Hy is u Man, zoo haest Zy is u Vrouw
Verdwijnt de veyns-kunst, en de Gek springt uyt de mouw.
Dit doet mijn aen de daad van Sestes Burgers dencken;Ga naar voetnoot(x)
Die (na dat 't Zee-vocht had Leander doen verdrencken)
Herôs Lantaren aen Anteros, uwen Zoon,
Geoffert hebben, tot een minne-tuyg' en toon:
Op dat hy, aen wiens Minn geen voor-spoed zou ontbreken,
Tot teeken van't geluk, de keersse wild' ontsteken.
Dan ziet, hy heeft, van dat Leander is vergaen,
Tot heden op den dag, in duysterniss gestaen.
Zoo dikwils zwemt Bedroch in uwe Minne-stromen;
Zoo zelden is Geluk in't Lieven te bekomen;
Zoo zelden houdt de Scha'uw van uwe Vreugden stant;
Zoo zelden thoont gy Lust, daerm' Onlust niet en vant.
Wat mijne Vreugd belangt, (ik moet, en wil 't bekennen)
Daer is zoo lichtelijk droogs-voets niet in te rennen:
Den weg is met het loof van Rozen niet bespreyt,Ga naar voetnoot(y)
Die 't menschelijk Geslacht ten Helden-hemel leydt.
Mijn vrye Vreugd gelijkt de Vrucht der Dadel-bomen:Ga naar voetnoot(z)
Haer scherpe schors en laet zoo licht ten top niet komen.
Maer die, door moeyt' en smart, op't lest haer kruyn bezit,
Die proeft oock 't zoet genot van 's Vruchts geprezen pit.Ga naar voetnoot(a)
Dat Nat werdt, in't gemeen, het smakelijkst bevonden,
Dat alder-naest in Zee beraekt de diepste gronden:
| |
[pagina 40]
| |
Hoe datmen diepper na mijn zuyv're gronden peylt,
Hoe datmer zoetter lust, en zachter rust bezeylt.
Wy weten wat den Held Alciden is we'er-varen,
Doen hy in't slibber-spoor stondt van zijn groene jaren:Ga naar voetnoot(b)
Gy zondt u Camenier, Vrouw Wellust, met uw Vreugd,
Wel listig op-getoyt: maer hy verkooz de Deugd.
Door arbeyd heeft hy all uw Monsters eerst verslonden;
En zoo het heylzaem spoor van mijnen Weg gevonden:
Waer door hy noch in't lest ten Hemel is geraekt,
En, als onz' aller een, de Goon gelijk gemaekt.
Hadt Gy, in tegen-deel, O! Venus, hem gewormen,
Hy had noyt anders dan met 't Vrouw-geslacht gesponnen;
Dien Geest bleef uyt-gebluscht in eener Hoeren schoot;
En Hy, zoo van zijn' Eer, als van zijn Kracht, ontbloott.
Hoe is den wijzen Griek, Ulysses, op-geheven,
En van het schell Gerucht de Wereld door gedreven?
Hoe is hy, by den Mensch, voor Goddelijk gëeert?
Door 't gêen' hem mijne les, en arbeyd heeft geleert.
Had hy den Dwael-drank, van u Tooveres geschoncken,Ga naar voetnoot(c)
En konstig aen-gepreekt, met zijne Maets gedroncken;
Hy hadd al lang, met haer, een reden-ledig Beest,
Een Hond, een vuylle Zeug, of wel zoo slim geweest.
Door arbeyd treedt den Mensch op onze Hemel-trappen;
Zoo krijgtmen 't Gulden Vliesch, van Deugd, van Wetenschappen,
Van goddelijken lof. Dit wist Demosthenes,
Die met een nauwen dwang hem prangde aen mijn Les:
Die in zijn's Levens loop, om mijne diept te gronden,
Meer oly heeft des nachts, dan wijn des daegs verslonden.Ga naar voetnoot(d)
Wat was de Vrucht? Dat hy by Prinssen bleef geachtt;
En selver Prinsse wierdt van't reden-rijk Geslacht.
Ik ga geen valschen Weg, gelijk als Gy gewoon zijt;
Die't licht-verleyde Graw met opgetoyden toon vrijt,
Van uw vermomde Vreugd; die, volgens uwen aerd,
Wel een bly Voor-hoofd thoont; maer dekt uw droeven Staert.Ga naar voetnoot(e)
Die Mijn te rechten vryt, zal nimmer zijn bedrogen:
Ik stel, in't alder eerst, den Mensch het swaerst' voor Ogen;
Mijnn aen-vang draegt den laft. die door die schorsse bijt,
| |
[pagina 41]
| |
Vindt dan all 't gêen te recht een zuyv're Ziell verblijdt.
Die trek tot Rijkdom heeft, vindt hier de hoogste Schatten,
Waerdoor m''em maer alleen te recht voor rijk mag schatten:Ga naar voetnoot(f)
HetGa naar voetnoot(g) deugd-vernietend Goud acht hy een schaed'lijk Goed;
En keurt, voor 't rechtGa naar voetnoot(h) Geluk, een wel-geleerd Gemoed.
Ik geef den Mensch, ten top van 's Werelds hoogt verheven,
Het prachtigsteGa naar voetnoot(i) sieraet, ten luyster van zijn leven:
Ik geef den Mensch, ten grond van onheyls vloed geleyt,
Een ancker in den golf van ramps verbolgentheyd.Ga naar voetnoot(k)
Die lust heeft in waerdy zijn even-mensch t'ontrijzen,
Zoo hoog', als boven Dood het Leven is te prijzen;Ga naar voetnoot(l)
Als 't Goddelijk verschilt van't Menschelijk geslacht;
Die neme mijne Tucht, met reyne zucht, in acht.
Wil iemand zijn gemoed in Edeldom vermaken,
Ik doe den hoogsten trap van deze Eer beraken:
Die in een Boeren Hut zijn duystre af-koomst hadd,
Geef ik de wye Wer'ld tot een Geboorte-stad.Ga naar voetnoot(m)
Wil iemand zijne Ziell aen Schoonheyds glantz verbinden,
By mijn is 't opper-puyk van't schoonste Schoon te vinden;Ga naar voetnoot(n)
By mijn is 't heylzaem Schoon, van Wijzen veel bewenst,
| |
[pagina 42]
| |
Dat naer het leven leeft, en door geenn tijd verslenst.
Doen Alcibiades zijn eerste jeugd ontrende,
Flux vloog zijn Schoonheyd me'e: die Iongeling hem kende,
Bekende nau den Man. maer Socrates die heeft
Tot heden op zijn schoonst in Wijsheyds oog geleeft.
Voor dezen hebben wy van vele dyner treken,
(Wie heefter lust om all uw onlust uyt-te-spreken?)
Waer door gy tranen brouwt, zoo in den engen Echt,
Als onder 't Vryen zelfs, de Goden onder-rechtt.
Zoo wy nu in den vloed van Buyten-echtse stromen,
Als in uw grootste Vreugd, met volle zeyllen komen,
Wat baren van vervolg, wat klippen van verdriet
Zie ik ook in het diept van hare gronden niet.
Daer, gaet een ouden Griek zijn's naestens Vrouw beloeren.
Hy maekt, in zijn gemoed, van alle Vrouwen Hoeren:
Hy houdt het heel Geslacht met vuyle zucht belast;
Om datter meer dan een' op zijnen koker past.
Hy zoekt hem met den Man, voor eerst', gemeen te maken;
Dat schijnt den naesten weg om aen de Vrouw te raken:
Dies koomt hy dikwils, uyt zijn's by-zijns trek, quansuys,
En mikt het somtijds als den Huys-waert is van huys.
Hy zoekt, in allen schijn, hem vriendschap te bewijzen;
Nu met een goed onthael, op Hazen en Patrijzen;
Nu met een ander blijk van zijn genegentheyd.
Het schijnt dat hem de Man het hart betoovert heyt.
Hy wil hem, waer hy kan, (hy kan al vry wat maken,
Hy wil hem vorderen in alle zijne Zaken:
Daer moet een open Plaets (hem dienstig) zijn bekleedt;
Waer toe dat hy alleen den naesten middel wêet.
De Man, die van dien Griek had dikwils hooren zeggen,
Dat hy zijn' eyeren wel was gewoon te leggen
In ander luyden nest; hieldt zijne gunst verdacht:
Te meer, doen hy zijnn aerd wat diepper over-dacht.
Hy wist dat in zijn borst een grootze Zielle woonde,
Die aen haer Minder noyt gemeenzaemheyd betoonde,
Dan op een valschen grond: dat daerom all 't onthael
Niet aengeleydt en wierdt om zijn gezicht, of tael.
De Vrouw, zoo haest den Griek, door meer-gepleegde vonden,
Aen haer had bloot geleyt zijn's harts vervuylde gronden,
Heeft flux de gansche zaek aen haren Man ontdekt;
En hem tot weder-wraek, van haren hoon, verwekt.
| |
[pagina 43]
| |
De Man, die van zijn Vrouw dien prickel niet en hoefde,
Alzoo hem 't Boeve-feyt genoch het harte groefde,
Vervloekt den valschen Fiel; die, onder vriendschaps schijn,
Van zijnen duyrsten Schat een Roover wilde zijn.
Hy wikt in zijn gemoed de toe-gepaste schande;
Dies voelt hy in het hart gegronde gramschap branden:
De heete Yver-zucht geeft zijne Ziell de spoor,
Die steed's op weder-wraek loert van den ouwen Door.
Dit ruykt den Eeren-dief: dies koomt (O! droeve zaken!)
Een stage dood-schrik zijn verrotte Zielle raken:
Het vinnig vuyr van 's Mans getergden yver-geest
Maekt, dat zijn vooz Gewis als zonder eynde vreezt.
Nu ducht hy, dat zijnn Naem zal op de tongen rijden;
Nu, dat den Yver-wraek voor hem niet is t'ontmijden;
Maer dat een Huyreling gintz zal ter schuyle staen,
Om hem de schenckelen in splinteren te slaen.
Zoo dat Hy die, met zcha'e van eygen Ziell, en smarte
Van zijnen Even-mensch, een vuyle Vreugd beharte,
Die heeft gemist; en erft, voor 't schendig Vreugde-lot,
Een lijf-vreez, voor den Man; een ziell-schrik, voor zijnn God.
Hier, zie ik, uyt dien hoop, een ander, nu gekomen
Tot in het volle diept van uwe Vreugde-stromen,
Tot aen't gemikte Wit, van zijn te losse Luft;
Die met een Lichte-koy zijn krielle tochten blust.
Maer ziet hoe zelfs haer Vreugd met zware zielle-prangen,
Als met een rouw-gewaet, gedurig is behangen!Ga naar voetnoot(o)
Wie vreezt niet, dat het haer wel eenmael mocht vergaen,
Als aen deGa naar voetnoot(p) Goden zelfs, voor dezen, is gedaen?
Waer toe, o! Venus, 't oog zoo om end' om gezonden?
Ziet maer u zelven aen, de Goden zijn gevonden.
Het heugt onz, hoe gy wierdt van't yz're Net gevat,
Doen gy den Oorlogs-god in uwe bouten had.
Maer wie van haer zal zig zoo zachten straf beloven?
Des Menschen Yver-vuyr stijgt zelfs de Wet te boven;Ga naar voetnoot(q)
Z'en zijn zoo lijdzaem niet als uwen Man Vulcaen,
Dat zy met hoon alleen den Lincker laten gaen.
Nu zietme, door de hand des Mans, zelfs in't vermaken,
Den Overspeligen zijn vuyle Ziell uyt-braken;Ga naar voetnoot(r)
| |
[pagina 44]
| |
Nu, dat een quastig houd zijn schoften beukt, en slaet;
Nu, dat hy somtijds zelfs zijn dart'le Leden laet.
Of zoo hy 't snêeg gezigt des Mans al koomt t' ontduycken,
Hy kan het wacker Oog van zijn Gewiss niet luycken;
Dat ziet geduriglijk d'afschuwelijke Daad;
Als ook de straff, die hem van God te wachten staat.
Zoo dat 't gestole brood, daer hy zoo heet na haekte,Ga naar voetnoot(s)
En dat zoo aengenaem in zijnen monde smaekte,
Nu, in een steen hervormt, hem voor het harte steekt;
Waer door de Ziell by-na uyt hare woon-sté breekt.
Gints, spie ik weder een, die aen de echte Vrouwen
Geen korte Vreugd en zoekt, met eyndeloozen rouwe:
Zijn geyle lust nochtans moet ergens zijn geblust;
Dies zoekt hy uwe Vreugd vaek op een ander kust.
Hy heeft zijn oog gezet op dertele Quartille:
Hy hôopt, hy zal de Meyt bewegen t'zijnen wille:
Hy zal, door goed onthael, en een gereede somm,
Den eersten Plucker zijn van zoo een Maegde-blom.
De Meyt, geport, quansuys, door zijn gestage Minne,
Laet hare Gunft-threzoor ten lesten over-winnen:
Zoo dat hy d'eerste werdt, aen wien s' haer Maegdom geeft,
Dien zy, te voor, wel meer dan eens vermangelt heeft.
Hy neemt zijn huyr-tijd waer, en bouwt vast op de gronden
Van andere geleyt; by hem niet onder-vonden,
Dan na de derde maent. daer is het Land in last:
Daer blijftmen aen de Pry wel jammerlijken vast.
De Meyt heeft ruyme keur in't kiezen van een Vader.
Den lesten Minne-wulp schijnt 't verst van allegader,
Dien dichtt zy 't Maeksel toe. Daer staet de Quant bedot,
En reult zijn Eer, zijn Goed voor eyndeloo'zen spot.
Wat dunkt u, Minne-moer? is't best na zeven jaren
Een aerdig Boek, de Vrucht van mijn Gevolg, te baren;
Waer in een grollig hoofd met spitze tanden bijt:
Of datter zoo een Vrucht, na zeven maenden, krijt?
Daer, zie'k een rouwe Sloef dêez Kinder-klippen mijden;
Hy zoekt een effen baen om in te Spelen-rijden:
Hy denkt, in't gladde spoor, dat steeds noch werdt berent,
En is te geener tijd dit Ongeval bekent.
Maer, ziet den Jancker, na verloop van weynig weken;
Hy gaet, of hem den geest des levens waer ontweken;
| |
[pagina 45]
| |
Me speurt een strammigheyd zijn gansche leden deur;
Men ziet in't aengezigt geen blozende koleur:
Een lood-gelijken ring om-vangt 't verglaest gesichte;
De vrolijkheyd zijn's Geest's moet flux voor droefheyd zwichten;
Een scherp-vergiften vloed door-knaegt de dert'le le'en,
Wiens hoofd een puyste-krans bezet heeft in't gemeen:
Een pijnelijk Gezwel maekt hem een Schinckel-schrijer;
Een korstig zweren-rek bezet uw Vreugd-bedijer
Allom 't geheele Lijf, als nu de Bloed-fonteyn
Is door het pockig gift bezoedelt, en onreyn.
Dit gift wil niet alleen de buytte-le'en bespatten;
Het koomt hem menigmaels zelfs by de kele vatten,
En kort de lange Lel. vraegt yemand, wat hem let?
Hy zeyt, Een stage kouw heeft keel, en borst bezet.
Het noodig wulfzel is den mond al heel ontweken;
Dies schijnt hy met den Neus niet met de Lipp te spreken:
Hy wint zelfs Argus veer; dien waer alleen het hoofd,
Hem is ook Hand en Voet met oogen dicht door-klooft.
Hy hoeft, in't eerste jaer, geen scheer-schaer te bekosten;
Dank-heb de Venus-vreugd, die hem van't hair verloste:
Hy vreezt het schrab-mes niet; dank-heb uw's Lusts gewin,
Die hem eenn Apen-aers gaf voor een ruyge Kin.
Noch is dit niet genoch: Voor zijne Ape-sprongen
Werdt hy wel licht geheel gelijk der Apen Jongen;
Zijnn Snavel, voor gelicht, in't midden met een kuyl,
Gelijkt, als op een draed, der Apen tuyte-muyl.
Zijn voor-hoofd draegt een kroon van bobbels, ende puysten;
Zijn schenckels zijn bezet met knobbelijge knuysten;
Zelfs 't dikste murrig-been, des Lichaems hardste quast,
Werdt van het scherp venijn wel dikwils aen-getast.
Waer hier het eynd noch van d' afschouwelijke Qualen!
Maer neen, die korte Vreugd moet hy wel duyr betalen,
Met doodelijke Pijn; die dan hem 't meeste quelt,
Wanneer een ander Mensch ter zachter rust zig stelt.
De gaven, daer Natuyr hem milt had me'e beschoncken,
Verliezt hy lichtelijk; zoo dat zijn Ooge-vonckenGa naar voetnoot(t)
Verduysteren, de tong verstomt, het oyr verdooft;
| |
[pagina 46]
| |
Ja dat de Harssens zelfs hem vloeyen uyt het hoofd.Ga naar voetnoot(v)
Zoekt hy, eer noch de zaek zoo verre is verloopen,
Zijn eersten stand; die is alleenig niet te koopen,
Voor een gereede Somm: daer moet ook zijn volhardt,
Den tijd zijn's zuyverings, in geen gemeene smart.
Me gaet by Meester Jan, die tijdt gezwind aen't stoven;
Die douwt den vuylen Romp in een berookten Oven;
Een schadelijken domp om-vangt zijn naekte le'en,
Die, machtelooz door 't zweet, nu tuymelen daer he'en:
Die gaet in't stinckend Rift bereydt Quik-zilver gietten;
Dat doet een vuylen vloed na zijne lippen vlietten;
Me quijlter nacht, en dag; tot dat het tanden-rek,
Door't giftig zever-zap, hem rammelt in den bek.
'T viel licht, indien hier me'e het quijlen op wou houwen.
Maer neen, hy moet van nieus een deel Ducaten spouwen;
Het lijf moet van't vergif, voor't lest, gezuyvert zijn:
Daer toe houd Jan het Goud de beste medicijn.
Na lange tijd-verloop zie ik den Gast verrijzen;
Zijn dood-gelijk gelaet doet zijn Aen-schouwers yzen:
'T geheuvelt kake-been dat wijzt genogzaem uyt
Dat zelde zijn banquet viel boven droog bisquyt.
Gaet aen nu, Minne-moer, en praet wat van de Gichte,
Die somtijds mijn Gevolg betoovert de gewrichten:
Ik wedd, had gy 't verhael van deze Quael verwacht,
Gy hadt aen onze Gicht wel licht niet eens gedacht.
Maer wat een dulligheyd! Gy rekent t' mijnen laste,
Het gêen een eygen-ziekt is van u gulle Gasten.
Hoe! wilt g' u eygen Kind, dat gy by Bacchus draegt,Ga naar voetnoot(x)
En alle jaer meest baert, toe-rekenen een Maegd?
Nu, schoon uyt mijn Gevolg een al-te-suffen Blocker,
Door leden-oeffenings verzuym, een Gicht-berocker
Wierdt van zijn eygen Lijf; 't en zijn de Pocken niet:
Ia zelfs een Vreugde-vrucht voltoyt hem 't Gicht-verdriet.
Zijnn tijd, die hy wel licht had komen te verdrijven
In 's Werelds beuzelen, besteedt hy dan in't schrijven:
Zoo dat van onz de Gicht daer voor te dancken staet,
Dat mennig geestig Boek door onze handen gaet.Ga naar voetnoot(y)
| |
[pagina 47]
| |
Maer zoo de Gicht eens vat een Gast uyt uwe Bende,
En sloopt 't geoeffent lijf, en wel-beweegde Lenden,
Zijn Vreugd moet t' eenemael ter zij'en zijn gestelt.
'T gaet wel zoo, midd'ler wijl, geen grooter quaet hem quelt.
Zijn Vrouw, misschien verzien niet met de beste zeden,
En vindt Genucht, noch Vrucht in lang-verlemde leden;
Dies volgt z'u stappen na; en kiest, den Man te spot,
Voor een verminkten Smit, een sterk-gespierden God.
Het gêen gy, voor het laetst, my slingert voor de schenen,
Dat ik des Levens eynd ontijdig doe bewêenen;
Dat Gy, in tegen-deel, een lange Jeugd verleent;
Ik twijffel, of gy dit u zeggen zelver meent.
Wel hoe! heeft mijne Les het over-dadig brassen,Ga naar voetnoot(z)
En zwelgen, dat den Mensch koomt voor zijnn tijd verrassen,
Mijn' Gasten niet ontleert? en is haer niet bekent,
Hoe Matigheyd de Dood veeltijds te rugge zendt?
Daer tegens, die haer hart aen uwe Vreugd verbinden,
Die zietmen Tijd en Goed in gulzighevd verslinden;
Waer door een ruymer tal na Charons Bootjen helt,
Dan immer door het zwaerd des Oorlogs is gevelt.
Zoo dat ik hier ten Lof van hem werd aengedreven,
Die u den Toe-naem heeft vanGa naar voetnoot(a) Hoornige gegeven:
Niet dat gy Horens plant; maer om dat uwe Bend,
Als't domme Horen-vee, het lijf ten grave zendt.
Zien wy hier nevens in de Vrucht uw's Vreugds-genieten;
Wat doet des levens Spoel zoo schichtig henen schieten?
Is 't kale Breyn-verdek, dat uwe Vreugd ontbloott,
Voor't rijpe jaren-tal, geen voor-spook vande Dood?
Dat uwe Minne-vlam onz's levens vuyr kan blussen,
| |
[pagina 48]
| |
En hoeft geen lang bewijz; slaet 't oog slegs op de Mussen;Ga naar voetnoot(b)
Waer van het man-gestacht schaers 's winters over leeft;
Om dat het vry te rijff aen u geoffert heeft.
Wy hebben dan gezien, hoe veer zig u Vermogen
Verspreyt; als over hen, wien gy het licht der ogen,
Door schijn, geblind-doekt hebt; als, over leuy Gebroed;
Waer Munt- en Wijn-god noch de hand toe leenen moet.
Wy hebben ook getoont, dat onz Noodzaeklijkheden
Zijn, boven d'uw, gegrondt op klem van hechter reden:
Dat uwe Wellust meest in droeve tranen endt;
Maer dat mijn Tucht, in't lest, den mensch ten Hemel zendt.
Wy zouden verder noch in onzen Lof uyt-breken,
Indien het noodig waer de Zonn een kaers t'ontsteken:
Maer 't is te lang, o! Goon, mishandelt u gedult.
Wy wachten tot gy onz Geschillen slechten zult.
|
|