Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 234]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 235]
| |
DE ZEDELEER van ABRAHAM aan IZAÄK. | |
[pagina 235]
| |
De Zedeleer van Abraham aan Izaäk.Dwerlend Bosch van Berseba! Plantaadje van Abrahams verlustiging! aangename dreven, waar in de Godheid wandelde, wanneer hy aan den Aardsvader verscheen als zyn vriend en gunstgenoot: dat gy my een Tempel waart, in welken ik de leszen hoorde, die Abraham, de Regtveerdige, als vader aan zynen opgroeienden Izaäk geevt, om hem dus den weg des Heren te leren. 't Gaat wel. Hy, die als Ziender orakelen hoorde, waar op de einden der eeuwen betrouwen, geevt zynen Zoon Leszen, welker betragting hem als Mensch, als Onderdaan der aardsche heerschappyen, en als het Zaad van Seth het bevalligst aanzien geven. Alles wat Abraham uit den mond van den Oudvader Sem, die de eerste en twede wereld zag, hoorde, deeldt hy zynen kwekeling mede. AllesGa naar margenoot+ wat hem zelve van Ur tot Berseba gebeurde ontvouwdt hy hem, ter vorming van zyn Verstand en Hart. Zag de aarde bekwamer Leermeester? kende de Wereld beter Leerling? Abraham levert het Verstand van Izaäk over, | |
[pagina 236]
| |
alles wat van het Aanbegin der Wereld was. Hoe het Alvermogen, dat van alle onnadenkelyke eeuwigheden, het bestaan in zig zelven vondt, ter vertoning zyner Volmaaktheden, uit niets ene Wereld Schiep, waar in die onbegrypbare, onnavolgelyke, en onverbreekbare Order heerscht, die ene Almagt, Wyzheid, en Goedheid vertoondt, alleen waardig om aangebeden te worden. Hoe alle die gewrogten van den Heer der Wereld een bestaan kregen ten nutte van den mensch, dien hy noemt: bezielt kley, de klene wereld, het Ga naar margenoot+Pronkstuk van Gods werken. Wie de Stamouderen waren, waar uit alle stervelingen hunnen oorsprong rekenen. Uit enen bloede, mynen Izaäk, zegt hy, zyn alle de kinderen van Adam voortgekomen. . . . . Abraham vertoont den heerlyksten gelukstaat van het eerste Paar, in welken het geen men Zonde en Dood noemt niet bekend was. Die gemeenzaamheid met zynen Schepper, die zyn Hoogste Lievde was, naar wiens aankomste de wind zig vlyde, en Adam een teken dier aannaderinge gav: die verheft hy als het middenpunt zyner volmaaktheden, die. . . . Abraham zugt. . . . met al de tederheid van enen Vader, met al de trouwe van enen Godvrezenden Leermeester, wapent hy zynen Spadeling tegen de zonde, uit de verboden Korlen van Edensvrugt zoo verwilderd opgeschoten. De verdoolde Eigenlievde, afgedwaald van het spoorder reden, maalt hy zynen Zoon als een Contrast in het Tafereel van Adams gelukzaligheden. De Eigenlievde, waar door Heva God wilde zyn, Ga naar margenoot+neigde haar gehoor naar de stem van het Hoofd dier Geesten, nedergeblikzemd in den afgrond, om dat zy de Almogenheid poogden te trotze- | |
[pagina 237]
| |
ren. De Nyd des Duivels belette den mensch den Engelen gelyk te zyn. Maar wie tekent die kragt en klaarheid, met welke Abraham het Hemelsch licht uit den Mist van Adams Val doet opryzen? Hoe verheft hy boven den Vloek der hoogste Regtveerdigheid, dien Paradyz zegen: het Zaad der Vrouwe zal het Zaad der Slange den kop vermorzelen. Hoe verhoogt hy die Barmhartige Belovte der onbegrypbare Menschenlievde in alle hare groothedenGa naar margenoot+ en uitgestrektheid. Hy leert: wat men door het Zaad der slange, wat door het Zaad der Vrouwe moet verstaan. Hoe er van den eersten Morgen der Wereld tot aan haren Jongsten Avond een eeuwige Vyandschap tusschen dit twederley Zaad zal stand houden. Hoe zy die door verkeerde Zelfszoekinge, Nyd, Hoogmoed, Toorn, en Wraakzugt, verdwaald van Hevaas geloov in het Zaad der belovte, hunne lusten volgen, en met hun hart aan den Satan verhuwlykt zyn, tot het Zaad der slange behoren. Dat tot dit Zaad Kaïn, die zynen Broeder vermoorde moest gerekend worden. Dat byna de gehele eerste wereld, op zynen weg verdorven, als een geslagte, dat God niet vreezde, verzonk in den Zondvloed. Dat zy, die als Enos den Naam des Heren Verhogen; die als Henoch met God wandelen; die als Noäch de Troost hunner Ouderen zyn: in het Zaad der Vrouwe, in het Zaad van Seth gerekend worden. Van Seth, myn Izaäk, de Stam waar uit uw Vader zynen oorsprong rekent. De Stam, myn Zoon! waar uit het Waaragtig Vrouwenzaad zal voortspruiten. Die Stam besluit alle de heilgeheimen, waar in de Engelen begerig zyn te zien, naar welker uitbotting Koningen en Propheten | |
[pagina 238]
| |
moeten reikhalzen. Verhef met my de Hoogste Goedheid, die Kaïns Zaad verwierp, en dat van Heber verkooz, om het aan zynen dienst te verpanden. Seth verkooz, om uit onz, zyn geslagte, dat Zaad te verwekken, dat ene groter heerlykheid dan alle de geschapenheden bevatten, zal vertonen. Dat alle de zaligheden herschept in zielen, door Adams zonde van zyne heerlykheid verstoken. . . . . Belovten, Godspraken, Dromen, Gezigten, ik vertegenwoordig U aan mynen Geest! . . . Schaduwen, Voorbeelden, Verschyningen van dat Vrouwenzaad, gy zyt het leven van myn Geloov! . . . . myne Ziel koestert zig in het licht van die genade Zon, my zoo heerlyk opgegaan! . . . Engelen, weezt getuigen van myne verheuging, wanneer ik, in ziel en zinnen verhemeld, den dag zie van dat Zaad der Zegeningen! van mynen Heiland, waar in alle de kinderen van Abraham zig zullen Zegenen. stemt met my in tot lov dier hoogste genade jegens Adams doemschuldig kroost! . . . . immers heeft God een welbehagen in de menschen! . . .
O Godlyk Wonderkind! daar Evaas oog op doelde
Toen moederlyke vreugd haar 't eerst door de ad'ren woelde;
Gy waart de Leidstar, Gy! van Abels vroom gedrag,
Die in uw gunst op hem en op zyn Offer zag;
Die trekkragt, die het Lyv van Henoch opwaards haalde,
Hoewel hy in de Poort des doods geen tol betaalde;
De Kurk, daar Noachs Schip in 's werelds vloed op dreef,
En voor het Vloedgeweld des Hemels veilig bleef;
Het Schild, dat myne borst voor al 't gevaar kan dekken;
Het grote loon, dat my ten vrydom kan verstrekken;
Het voorwerp van myn vreez, dat ze ook uw hart vervull',
Myn Izak! . . . . . .
Dus spreekt de Vader, die als een Ziender ver- | |
[pagina 239]
| |
rukt word op het heil, dat stervelingen zal wedervaren; om dat de Zoon van God een kind van Adam zal worden, en alle de schulden over het Menschdom gebragt door zyne Offerhande, by het hoge Godsgerigt zal vereffenen, om menschen in den rang der Engelen te herstellen. Ja, myn dierbare Izaäk, vervolgt de lerende Vader, alles wat my van Ur tot Berseba gebeurde,Ga naar margenoot+ moet U ter Lering en ter vorming uwer zeden dienen. God riep my uit het Land der Chaldeen. My, een Afgodendienaar gelyk myne Vaderen. Milka en Nahor, myn verwantschap, drukken nog, gelyk alle onze naburen den kus op hunne handen, om dien het heir des Hemels aan te bieden. My voerde hy uit het vuur, dat het verdwaalde Bygeloov bewyrookt, ter Eer van Hemellichten, die men om hunne uitvloeyingen op het Menschdom als Goden aanbidt. Ik gehoorzaamde den Here op zyn woord. Ik verliet myn land, myn Maagschap en alle aardsche aantrekkelykheden, om onderdanig te zyn aan dien God, wiens tegenwoordigheid my voorging. De gryze Therah, uw Grootvader volgde het licht van myn geloov, de verdonkerde glanz van het zyne hervatte zyne helheid. Hy stierv onder myne zorgen in het betrouwen op het Vrouwenzaad. Loth redde ik als een Vuurbrand uit het vuur. Roem met my de genadehand van die Wyzheid, die onz verkoor, daar byna het gehele Menschdom henen dwaalt in de afkerigheid zyns herten. Ootmoed, myn Izaäk! Godverherelykende ootmoed, myn Zoon! moet de dryvveer van alle onze daden zyn. Dat wy niet onbarmhartig worden omtrent die dwalenden. God verdraagt hen. wien betaamt het | |
[pagina 240]
| |
zig in zynen Rigterstoel te stellen? Zy zyn onze Natuurgenoten, gewrogten van enen Schepper, met onz uit het zelvde Leem gefatzoeneert; zy Ga naar margenoot+zyn onze Broeders. Ach! dat hunne kinderen, kinderen van Abraham waren! . . . . de Menschenlievde, myn kind! de Menschenlievde maakt onz God gelyk. Zagtmoedigheid en Goedertierenheid verëngelen onz onder de schepzelen; en doen onz met ene nederige en medelydende ziele ingang vinden by de stugste harten. Wy vertederen hunne verdwaalde zielen door dienstvaardige goedwilligheid, door lenige vriendlykheid, de Godsvreze als een schitterend gesteente in het goud van zulke zeden gekast, verrast door hare bekorelykheden de ondeugd, en neemt ze in. het gelukte uwen Vader aldus de harten van Aner, Escol, en Mamre te winnen. Zy wierden myne Bondgenoten, en ik verbond hen aan den dienst van Hebers God. Gelukkig, die de deugd in alle hare bevalligheden weet te vertonen! kan men haar in dat vriendelyk voorkomen zien, zonder haar te beminnen? kan men haar beminnen zonder gelukkig te wezen? Myn Zoon, ik heb nu meer dan honderd en twintig jaren de wereld gezien. duizend geneugten zyn my wedervaren. Gezondheid, Huwlykstrouw, een uitgebreid gezin, Rykdom, koninglyke Rykdommen in Vee en Have, Bondgenoodschappen Ga naar margenoot+met Vorsten, een Zoon des Lagchens: maar alle die aardsche zaligheden halen het niet by de Zaligheid van dien God te kennen in wiens dienst het eeuwig heil der zielen is. Duizend ongeneugten troffen uwen Vader. Ik scheide van bloed en magen, van alles wat my dierbaar was in het land der Chaldeen, om het | |
[pagina 241]
| |
nooit weder te zien. Ik zwerv als Pelgrim. de tedere kinderlievde weende om het verscheiden van Therah. Ik miste Saraï, geschaakt door Hoovsche Wellust. De Twist verwyderde my van mynen dierbaren Neev. Ik moest my in den moord des oorlogs wagen om Loth te redden. Ik zag Sodom verbranden, onzeker, of hy mede verteerde. Ik verloor hem. . . O benaude dagen! O kommerlyke jaren des verlangens naar uwe Geboorte! maar onder alle die jammerniszen geen groter Troost, myn Izaäk! Dan dien God te vrezen, dien ik aankleevde in bezaaide en onbezaaide wegen. Oneindig gelukkig door de goddelyke goedkeuring te konnen worden, welke ene Zegepralende aandrang, myn Zoon! tot God-gehoorzaamheid. Van zyn Welbehagen geheel uitgesloten, oneindig ellendig te zyn, welk een aandrang om alle verlokkingen der ondeugd te verachten, en de deugd onverzettelyk te beminnen. Kinderen der verlatingen! Zonen der dwaling! hoe dikwerv poogde ik uwe zielen te zaligen met haar door my zelven te overtuigen: dat de God van Nahor voor zyne volgelingen gene dorre Woestyn, nog huilende Wildernisze: maar een albedekkend Schild, een Loon was, dat de Algenoegzaamheid is. . . . myn Izaäk! de wereld, die wy zien, de wonderen der Natuur, die onze bespiegelende Aandagt verrukken, de Schoutonelen der geschapenheden, die als enen grondelozen Oceaan zyn, waar in onze naspeuring verdrinkt; deze Aarde, hoe doortrokken met de goedgunstigheden des Hemels, hoe voordelig voor redelyke Wezens, die in het minste goed, dat zy er van genieten, de Wyzheid en Goedheid des For- | |
[pagina 242]
| |
meerders erkennen; deze aarde is het land der ruste niet voor een Hemelsch gemoed. Onze hope ankert in het eeuwig Vaderland. De Stad, die Fondamenten heeft is het doel van myne verwagting. Hemelsche Zaligheden doen de aardsche aan het oog der ziel ontzinken, en verdwynen gelyk het bleke licht der Maan voor den glanz der Middag-Zon. Daar, Izaäk, daar zullen de Godvrezende in het licht van Gods Aanschyn leven, eeuwig leven. Is de Voorproev daar van, by ene korte verschyning van mynen Verbonds-God, aan uwen Vader zoo Geestverheugend, dat zy zyne ziel en zinnen op aarde boven de starren verheft: wat zal het zyn, als men storelooz voor den troon der Ga naar margenoot+Godheid, met het gezelschap der Geesten, zoo zuiver als den Hemel, waar in zy juichen, zal mogen instemmen tot lov der hoogste genade. Wanneer men niet meer door het Floers der zinnen belemmerd: maar onbeneveld alle die wonderen der ongeschapenheid, welke de wereld met hare inwoonderen bejegenden, zal naspeuren in enen vernieuwden Hemel, op ene gezuiverde aarde. Wanneer alle die schaduwen, die hier het geloovsgezigt verduisterden, zullen opgeruimd zyn door de klaarheid van de Zon der geregtigheid. En wy, niet meer vertroetelt door onze diersche togten, geheel Engel, vlug en veerdig, brandende in den dienst des Heren zullen wezen.
O Zalig Paradys! daar nimmer slangen komen!
Daar Vader Adam voor geen Val meer hoeft te schromen;
Daar onbesmette deugd en zuivre heiligheid,
Een luister vollen glanz op 't Zalig Erv-volk spreidt;
Daar, zonder ebbe, altoos de blydschaps stromen vlieten;
Daar hoop verwisselt word in eindelooz genieten;
Daar elk, door heilig vuur ontvlamd, van yver blaakt,
't Onmiddelbaar genot van Gods gemeenschap smaakt.
| |
[pagina 243]
| |
Zulk ene Zaligheid, myn Waarde! is versproken aan een Vroom leven. Alle de wegen des Hoogsten in hunnen ommetrek en zamenhang te willen kennen, alle byzondere bedoelingen van zyne Raadsbesluiten te willen inzien, is ene uitzinnige begeerlykheid: maar uit de beschouwing zyner Volmaaktheden zig te overtuigen, dat hy niets kan willen en werken dan het beste zyner schepzelen, en voorts, by het aanwenden van onzen pligt, onze lotgevallen in Nedrigheid hem aan te bevelen: dit, Zoon van Sarah, moet uwe Wyzheid, uwe Vergenoeging zyn. Gebruik de Aarde, van God, wiens vermaking met de menschen was, den stervelingen gegeven: maar weez er geen slaav van. Wy moeten onz in de Bloemryke Beemden, die wy op onze reiz door dit leven aantreffen, alleenlyk verkwikken om nieuwe kragten te verzamelen, om onzen weg rustiger voorttezetten. God verhuwlykteGa naar margenoot+ de Ziel aan het Lighaam; op dat zy elkanderen tot onderlinge hulpe zouden zyn. dat uwe ziel en zinnen elkanderen ondersteunen, met wederzydsch hunne pligten, geschikt naar uwen Aart, Ouderdom, en Staat uitteöefenen. Zorg voor uw dierlyk leven, als voor een dierbaar geschenk des Hemels. Behoed uw gezondheid, die de Zon der kleine Wereld is. Verliezt gy haar: de ziel kwynt in een kwynend Lighaam. Vlied, om haar te behouden, de vuige ledigheid. Snoey,k plant, pluk de vrugten uwes lands, verzamel uwe inkomsten. Vervrolyk uwe zinnen, ter meerder vaardigheid van uwen Geest, gelyk uw Vader. Ider blyde Dageraat, elke Starlichte Avondstond, de lagchende Bloemen der weiden, de Zingende | |
[pagina 244]
| |
Vogelen. geheel de Natuur wekt U tot vrolykheid. Weez Voorganger by uwe Herdersknapen. Ga met hun te feest. Vier Koninglyke Maaltyden. de reden lere U het misbruik kennen, en hou altyd in gedagten: dat dit aardsche leven de Leertyd der eeuwigheid is. Het geweten zal U doen gevoelen, wanneer gy hare leiding volgt, of verlaat. Zy is de getrouwe Stedehouderesze Gods in uwen Boezem. Bemin de Gezelligheid. Haat het wantrouwen in de verkering. 't Is waar de meeste menschen pogen te schynen datze niet zyn, uw Moeder ondervondt dit, wanneer zy het hart van anderen naar het heure schattende, door Pharaos Hovelingen misleid wierd: maar evenwel, dat ergdenkend Wantrouwen in geheel onzen ommegang, tempert te zeer het zoet der vriendelyke gezelligheid. Hebt gy enen Eliëzer, een vriend, in alles getrouw, gevonden: waardeer hem als een zeldzaam geschenk des Hemels. Maar geen tederder, geen trouwhartiger Vriendschap dan in een Huwelyk, gelyk aan dat van Abraham en Sarah. Ga naar margenoot+Verkeer aan het Hov: maar verkeer daar als den Zoon van Abraham. Eerbiedig het Beeld van Gods Heerschappy in de aardsche Oppermagten: maar nimmer hunne dwaazheid en ondeugd. Met wat ontzag bejegent uw Vader Abimelech, schoon hy met my meer als vriend dan Koning verkeert. Schuw de kruipende vleiery, die de deugd den doodsteek geevt, en, onder schyn van belangeloozheid, hare grootheid op den ondergang van anderen vest. handhaav uwe Vryheid tegen de onderdrukkende Magt, met alle die edelaartige grootmoedigheden, eigen aan den Stam van Heber. Vermaak U in uwe Rykdommen. Dog de | |
[pagina 245]
| |
Hoogmoed, de hoogmoed, myn Zoon, is de Afgodin der jeugd. Laat zy nimmer, als ene gladde Slang, uwen tederen Boezem bekruipen. hare beten zyn dodelyk. Zy verstrooide den magtigen aanhang van den geweldigen Nimrod over de gehele aarde. Gebruik de geschenken der Voorzienigheid tot verkwikking uwer zinnen, ter vervrolyking, ter versiering, ter versterking van het lighaam, het grootste Pronkstuk onder alle de stovlyke geschapenheden, de Cél van uwe ziel. Maar deelt er mildelyk van mede aan de kinderen der Ellenden. Weez den blinden tot ogen, den kreupelen tot voeten, den nooddruftigen een Vader. Vergeet de herbergzaamheid niet. Onthou, dat Abraham, door het oefenen van Gastvryheid,Ga naar margenoot+ Engelen Huizveste. Schuw, de zagte weelde, die met zyden koorden verstrikt, en hare duizenden verworgt heeft. Maar vooral de Dronkenschap, die gezellinne der zorggeloozheid. Loth. . . ! de lerende Aardsvader zugt. . . . de broederlievde hangt ene dunne traan op zyne wangen. . . Loth, lieve Izaäk! kende haren verleidenden aart niet, hy vertaste zig aan den Wynkroez, en gevoelde alle de rampzalige gevolgen, die uit het misbruik der schepzelen, en zinnen geboren worden. Moäb, en Benämmi, uwe Neven, zullen tot het late Nakomelingschap de Uitroepers zyn: dat dronkenschap een schrikdier is, dat
- - - - - De deugd verstoort,
En de eêlste gaven in de schoot der Wellust smoort.
Vlied de Wellust, die de eerste Wereld verdronk, en Sodom door vuur verteerde. Vliedze.Ga naar margenoot+ haar Adem is als de Pest die in de donkerheid wandelt, haar oog bedwelmt den Geest. Zy is de Moeder der bleekheid en magerheid. alle die | |
[pagina 246]
| |
haar nawandelen zullen de paden des levens niet vinden. Vermyd zelv, myn eerbare Zoon, het ingevoerde Bywyvschap. Lamech verbrak de orde in het Paradyz vastgesteld. Zy is ene bloedverwante der bittere droevheid. Spiegel U aan uwen Vader. De driften, Izaäk, zyn in de klene Wereld, Ga naar margenoot+dat de winden in de grote zyn. Zy roeren gunstig de ziel: maar verwekken er ook verwoestingen. Gelukkig die dezelve kent, en moeds genoeg heeft, om ze te bestryden. De driften zyn goede knegten: maar kwade heren. De driftige kinderzugt uwer Moeder noodzaakte my Ismaël by Hagar te gewinnen. Die dierbare Moeder heeft U getroeteld als het kind onzes Ouderdoms. Zy bemint U als den Zoon onzes Gebeds. Zy beschouwt U als het Zaad der belovte. Ismaël ontviel om U aan hare troetelingen. Maak gebruik van onze Lievde, O Zoon onzes Welbehagens! beminde des Heren! in wien de geslagten zullen vrolyk zyn: maar vergeet Ismaël niet. Koester altyd een teder hart jegens uwen broeder. Hy is myn vleesch. Hy zal ook tot een volk worden, Ga naar margenoot+schoon verstoken van de geestelyke Voorregten van Izaäk. Ik verpand hem aan uwe Broederzorg. Zyne handen moeten zoo wel als de uwe myne Asschen aan de aarde bevelen. De dagen zullen komen, dat de Schapen van Kedar met de rammen van Nebajoth ook den Here zullen heilig zyn. . . . Dus vormt de vroomste Vader het verstand, en hart van den gehoorzaamsten Zoon, en herhaalt die leringen dagelyks. Hy bekragtigt dezelve met offeränden. Ga naar margenoot+Als een lerend Priester gaat hy Izaäk voor in heilbeduidende plegtgebaren, en noemt hen schaduwen, waar van zyn Heiland het beeld is. . . . . Want ik hebbe hem gekend, op dat hy zynen kinderen ende zynen huize na hem, zoude bevelen, ende zy den weg des Heren houden, om te doen geregtigheid, ende gerigte: op dat de Here over Abraham Ga naar margenoot+brenge, 't gene hy over hem gesproken heeft. |
|