Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 220]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 221]
| |
DE UITDRYVING van HAGAR en ISMAËL. | |
[pagina 221]
| |
De Uitdryving van Hagar en Ismaël.Beminnelyke Blygeestigheid! dogter der Onschuld, gezellinne der goedäartigheid, in wier konen de lieve lachjes nestelen, zyt gy, vriendinne der deugd! rey aanvoerster van het altyd juichend Englendom! zyt gy, bestrengeld met jeugdige mirt, de voorzitster aan het vriendenmaal, dat de heilig der wereld, de verheugde Vader van zynen lachzoon, op den dag van des Kinds spening, zoo roemrugtig heeft aangerigt? Ja, ik zie u, gy lonkt my aan, kninkt, ontvonkt myne aderen, en geevt my deel aan de herderlyke blydschap. Abraham maakte ene grote Maaltyd op denGa naar margenoot+ dag als Izaäk gespeend werd. Welk een aanzien, wat ene Maiesteit, natuurlyk en daarom grootsch, schittert hier in de ogen myner verbeelding. Wat enen vermogenden toestel zie ik in de schaduwe van Gerar, waar Abraham verkeerd, nu die Zoon, zyne vreugde, de Wellust van Sarah, het vermaak van al het gezin, de verwondering der Naburen, de Troeteling der Engelen; nu Izaäk, van zyne Geboorte tot heden, by 's Hemels goede gunst, door gezondheid gekoesterd, en door Voorspoed opge- | |
[pagina 222]
| |
kweekt, nu kloek genoeg om vaste spyze te verteren, na de wyze des lands van de Moedermelk zal gespeend worden. Schildere ik de vergenoegde Dankbaarheid aan God, waar van de Vorstelyke Vader is ingenomen, van waar ontleen ik de verwen om dezelve in hare juistheid af te malen? De lagchende Dageraat deed naulyks de toppen van het blaauwende gebergte blozen, en nodigde de gehele Natuur tot een vrolyk Feest, wanneer de Godverherelykende Man met zynen Huizverzorger al bezig was, om alles wat tot een Koninglyk Speenmaal vereischt wierd in gereedheid te brengen. Gisteren zyn reeds de Vlugge Boden van de hand gestuurd naar het Hov van Gerar, om van Abrahams en Sarahs wege den Godvrezenden Abimelech, die in smerten geleerd had niet te zondigen van wegen Gods Hoogheid, en zynen grootsten Gunsteling, den Veldoversten Pichol, met geheel hunnen herelyken stoet ter Feeste te nodigen. Ga naar margenoot+Tegen den Avond ziet men de gehele uitgestrekte streke met stevige tafelen beslagen. Ik zie de toebereide Geiten bokskens, waar uit de geuren van tym en marjolein den Hemel aanwaaszemen, het gerooste Koorn in tampere Zauszen, de Koeken van Meelbloeme, met Olyven-olie bestreken; ik zie de Boterroom, de dadelen en Vygen in keurige Vaten opgezet. Ik bestaar die tierige en feestelyk geklede Gasten, elk met enen Welriekenden Dudaïm, Lelie der Dalen, of Rooz van Saron besteken. In het midden van den Hoofd-disch staat het aan speten gebraden Kalv, tot dezen tyd gemest. Aan dezen plaatst Abraham, die het Beeld der Godheid in de Heerschappy en aanzienelykheid des Konings | |
[pagina 223]
| |
eerbiedigt, den Vorst van Gerar. Abimelech gekleed in het Purper van Tyrus, Betulbant met fyn linnen van Egipten, beregen met de duurste Stenen van Morenland, volgt de Godheid na met groot en goed te wezen. Zyne Grootheid straalt in matigheid en regtveerdigheid, uit zyne edelmoedigeGa naar margenoot+ Ziel in aller ogen, en wekt eerbied by allen die hem zien. zyne Goedheid koestert in zynen boezem de Menschenlievde, waar door hy elk als het maakzel van zynen Formeerder, met hem uit enen bloede voortgekomen, bejegent. er heerscht een stryd tusschen hem en alle zyne Onderdanen, wie of meerder Eerbied, of meerder goede gunst zal betonen. Hy zet zig op Abrahams verzoek aan Abrahams Herders-disch. De Achtbare Pichol, wiens klederen van gouden Borduurzel zyn, plaatst zig nevens hem. tegen hem over vlyt zig de Gastheer aan de Tafel. Hy is in ene kostelyke maar stemmige kleding. Zyn gewaad is aangereed uit de fynste purper wolle zyner beste Schapen, door Sarah zelve gesponnen. Een Wrong-kroon, zoo wit als zyne verzilverde hairen, is van agteren en voren slegts met ene Paarl: maar van grote waarde versierd. Sarah, de blydste Moeder. de Kinderzalige Sarah zit aan zyne slinkehand. Zy is als ene Herderin, maar als ene Vorstelyke Herderin, die enen Koning, voorheen haren Minnaar, zal vergasten, vrolyk aangekleed. De zyde, van Koleur als de blaauwe Korenbloemen is zedig, dog bevallig om hare leden geplooid. Hare voeten zyn geschoeid met dure Dassenvellen, bestrikt met banden, keurig gestikt, haar door de Staatjongvrouwen van Farao vereerd. Het Voorhoofdsiersel, haar ten Lievdeteken van Abimelech geschonken, is haar, gelyk de Vorst | |
[pagina 224]
| |
beval, een dekzel der ogen. Izaäk zit op haren Schoot. Izaäk, in wiens liev gelaat de bevalligheden wonen, wierden de tengere armpjes door de Feestvierende knapen met groene Tym, met lagchende Madelievjes, met duizendschonen, zoo Ga naar margenoot+vriendelyk als de lonkjes van den dageraat, bevalliglyk bevlogten. Naast hare zyde zit het Bywyv, de Egiptische Hagar in een groen Landgewaad. De sterkgespierde Ismaël zit naast Abraham. Een Rok van Kemelshair, hem op zyn verzoek van zynen Vader gegeven, dekt zyne leden. Maar in het gelaat van hem en zyne Moeder verneemt men iet, ik weet niet wat, verneemt men ene strakheid, die zig node tot blydschap kan plooien. Ginds zitten hele ryen tafelgenoden. de achtbaarheid, de vriendelykheid, de vreugd, de deugd, vieren hier een feest waar van de Engelen, waar van de Godheid getuigen zyn. Alles wat de Zinnen streelt en de Ziel verhemelt vertoont zig aan en op den Disch des Aardsvaders.
Hy die des menschen Ziel aan 't dierlyk lighaam paart,
Will dat verandering hunne enigheid bewaart.
De Rede leert alleen in 't dierelyk vermaken,
in al de Uitspanningen het misgebruik verzaken.
Zinnen en Ziel gaan hier te feeste. de ogen worden niet verzadigd met zien. welke ene uitgestrektheid van heerelyke Tenten waar van het verhemelzel, met Tapytwerk betrokken, de Maiesteit van het Firmament vertoont. Hoe schitteren die gouden en zilveren gereedschappen. Welk een Luister vertoont die kostbare Beker, die van Topazen en Hyacinten schittert, den Aardsvader van Koning Pharao geschonken, en waar uit de Aardsvader zyne Gasten op de groey, en bloey, | |
[pagina 225]
| |
en lange levensdagen van zynen Izaäk toedrinkt. Hoe schuimen die Berkemeiers van druivenbloed, en dadelwyn, door Overvloed ingeschonken: door Gastvryheid voorgediend. Wat liev gestreel van welluidende tonen dryvt den Adem der Kunstigste knapen, op den trant van Jubal, uit die aan een gekleven rieten. Hoe rollen die Zangerige klanken op den galm van riet en fluiten, ter eer van Abraham en Sarah, ter verheffing van Izaäk, door de omgelegen dalen. al de zinnen versmelten in gevoel. geheel de natuur gevoelt die vrolykheden. hoor dat gemurmel van dien frisschen Waterval langs gindsche Beeksteenkens, geruisch dat den Kunst-toon poogt na te bauwen, of liever aan de Kunst den Toon te stellen. De Zon duikt vroegerGa naar margenoot+ in een bed van rozen, verzilvert van rondom het Welriekend Kruid met zoeten dauw, en rekt de schaduw om de Feestgenoden te verfrisschen. De schaduw waar in het Avond windtje, dat dartelend over de weiden krult, gewenschte koeltjes deelt.
De Vogels Zingens moê ontwyken in de Bomen,
Alleen de Nagtegaal verheft zyne Orgelkeel,
Hy Zingt zyn Avond-lied in 't Lommrig Bosch-prieël.
Hier heerscht van rondomme vreugde en vrolykheid, maar ene vrolykheid, die gene prikkels in het beschuldigend geweten slaat. Hier heerschen de vermaken, niet die rumoerige, van de vuige weelde en ongebonden dartelheid bedagt, die den toom aan de Reden ontrukken; en de mensch naar een onstuimig beest doen gelyken: maar vermaken, die de Ziel een schuldeloos gevoel geven, dat zy gehuwd is aan een Lighaam, dat door het strelen zyner zinnen haar geluk bevor- | |
[pagina 226]
| |
dert. De Deugd, de wyze Deugd, die nog gestreng, nog gemaakt wil zyn, is de Roerster der blygeestigheid, die de Voorzitting heeft aan den Disch van Abraham. Deugd, die zig nimmer schaamt te lagchen wanneer het betaamd. die. . . maar ik luister. . . . alles zwygt. . . de liederen, de rieten zwygen. Abrahams rede geevt ziel en leven aan het Feest onthaal. Zyne Ootmoed, gelyk aan volle Korenairen, buigt zyn hart in ware Ga naar margenoot+nedrigheid, en erkentenisze. Hy betuigt ten aanhoren van alle de Gasten zyne dankbaarheid aan den Hoogsten, wegens het genot van zoo enen overvloed, van zoo veel heil en blyheid. Hy word zoo gepropt van de weldadigheden des Heren, dat hy niet kan zwygen: maar al het goede, hem van zynen Verbonds-God bewezen, met juichende lippen moet roemen. Nu verheft hy dat Heilverbond, dat de Almagtige met hem gesloten had, onder beding van steeds voor zyn Aangezigt te wandelen en opregt te zyn. Heilverbond, dat, zegt hy, in dezen Nazaat, met een vingerwyzing op Izaäk, zal duren, tot dat de Mane niet meer en zy. Hoe deze de Ervgenaam zou wezen van ontelbare aardsche: maar veel meer Hemelsche Zegeningen, waar van gantsch Kanaän hem een onderpand was. Sarah vervangt haren Heer. Zy spreekt van alle die belovten Gods, eer zy dezen Lachzoon, den Ervgenaam van haren ryken zegen, na zoo veel zorgen, in haren gryzen Ouderdom mogt baren.
Zy heft den jongen op, terwyl 't Gezelschap juicht,
Hem vriendlyk toelacht, en van zyn geluk betuigt.
En. . . . maar Hagar verneemt niet een woord tot lov van haren Ismaël. Zy word bevestigd | |
[pagina 227]
| |
in de vreze, dat het Eerstgeboorte regt van haren Zoon verydelt is. Alles lacht, behalven Hagar. Ismaël begrypt hare gepeinzen, hy ziet agter Abraham om, en ontmoet de ogen zyner Moeder, die hem enen Schimplach toewenken. hy beandwoord dien met enen valschen trek in zyn gelaat. Het ontzag voor zynen Vader belet hem verder te gaan. evenwel hy smeedt overleggingenGa naar margenoot+ om zyn eerst geboorte regt, ten koste van Izaäks welvaren, te verdedigen. Sarah bemerkte dien spytigen Glimlach: maar zweeg om de vreugde niet te storen. Ach Abraham! Zal dan nu de onëdelste aller driften, de wangunstige Nyd op nieu de kalmte van uw gezin ontrusten! Zal dit Feest, dit vrolyk Feest dan voor U een Treur-eindigend Blyspel worden! Zal uwe tedere zorg voor uwen Ismaël, voor wiens welzyn gy den Here zoo vurig aansmeekte, op den toetz gezet worden? Ja, zoo maken harde en zagte tonen de Harmony van het leven der stervelingen. Zoo word uw geloov gelouterd om, als goud den fynsten keur te krygen. Om. . . maar ik zie Abimelech heeft voor enen Koning genoeg getoeft om weder te vertrekken. dog hy wil met zynen Pichol, en pragtigenGa naar margenoot+ stoet niet vertrekken voor zy getuigen zyn geweest, dat hy een verbond van vrede en vriendschap sloot met de zaligste der menschen. Hy zegt tot Abraham. God is met U in alles wat gy doet. Zoo zweert my nu hier by God, zoo gy my, ofte mynen Zone, ofte mynen Neve liegen zult. Na de weldadigheid, die ik by U gedaan hebbe zult gy doen by my, ende by het land, daar in gy als vreemdeling verkeert. Nu heerscht er ene diepe en ontzag verwekkende stil- | |
[pagina 228]
| |
te. de een ziet op den anderen, met ene eerbiedige Aandagt. Abraham die een Bondgenoot des Hemels is, weigert niet in Verbondschap te treden met den Vorst van Gerar. Om het duurzaam te maken, en alle hinderniszen op te ruimen, onderrigt de vriendelyke Herder den Koning van een ongelyk, hem door Gerars veldelingen aangedaan, in het geweldig wegnemen van enen Waterput, dien hy, ter lavenis van zyn Vee, had laten graven. De regtveerdige Maiesteit, verbaazd over de zagtmoedige ziel des Aardsvaders, dien den moedwilligen onderdaan niet by den Koning had willen aandragen: betuigt in opregtheid van zyn hart: niet te hebben geweten, wie dit stuk gedaan heeft, en er niet van gehoord te hebben dan heden. Abraham laat den Vorst onkundig van den perzoon des Misdadigers. Zyne Menschenlievde vordert verzoening: geen straf. hy sluit met Abimelech een Zoutverbond van vriendschap, vrede, en trouw, dat tot in beider Nageslagten zoude duren. en roept de Godheid tot getuige der wederzydsche Eden, waar mede dit verbond bevestigd word, zoo plegtig, dat zelv deze plaatze daar van den Naam van Berzeba verkrygt. Abimelech, de Godverherelykende, en den Aardsvader Zegenende Abimelech, vertrekt van Izaäks Speenmaal. Een Schenkaadje van Abraham, Ga naar margenoot+uit Runderen en Schapen, uit Vrugten en Wynen, en alles wat zyn Welvaard levert, gaat voor hem henen, het Hoofd zyner Heiren, Pichol treedt aan zyne zyde, in ziel en zinnen verhemelt over al het gene hy hoorde en zag. Abraham bygeleid hen met een gevolg van Hovelingen, Ga naar margenoot+en Herdersknapen tot onder de schaduwe van Gerar. Abraham neemt afscheit van zynen Koning- | |
[pagina 229]
| |
lyken vriend en Bondgenoot. Hy komt te rugge. Maar akelig te rugge komen. . . Hemel! de Blygeestigheid reez op van zyne Tafel. de Eensgezindheid volgde haar. de vrolykheid vlugte heen op de aannadering der schampere twedragt. Sarah wilde de vreugde by Abrahams henen gaan vervolgen. Zy porde de Feestgenoden aan, om het heil van haren Izaäk te volzingen. Men noemde hem: gezegend Zaad, eerstgeboren van Sarah, Hoop van Abraham, en alle de Geslagten, Ervgenaam der belovten, en van 's Vaders heerlykheid. Dit bragt het onstoken bloed van Hagar aan het gisten, dit zette de trotsche Waan van den zestienjarigen Ismaël in ligten laien Vlam. Hy beguichelde Sarah. hy beschimpte Izaäk. Vloog op, en toonde hem de vuist in ene dreigende houding. Hemel! welk een angst in het hart van Sarah! . . . Zy bezeft tot welk een uiterste de te leur gestelde hope Hagar en Ismaël, ten verdervGa naar margenoot+ van haren Izaäk, kan brengen. Ylings komt haar het bloedig geval van Kaïn en Habel in den zin. Zy beklemt haren Zoon in hare armen. Het gezin schiet toe, en in dat toeschieten nadert Abraham, die alles in onsteltenisze ziet. Sarah ziet hem, en barst uit. Uw dienstbare Zoon vervolgt alrede zynen vryen Broeder . . . Zoo men dien hoon niet straft. . . . geen dienstbare Zoon, schreeuwt Hagar hier tegen, is geteeld uit Abraham. op geen slaav rusten de belovten van twaalv Vorsten te zullen gewinnen. Hy is Abrahams Zoon, die Abrahams Zegen verwagt. Hy heeft genoeg aan uwen haat te dragen. Het sta hem vry daarom te lagchen. Uw Zoon, uw Izaäk is immers een lagcher! . . . De vredelievende Man staat gelyk een Eik, die by helder weder van enen schigtigen Blikzem- | |
[pagina 230]
| |
straal getroffen wierd. Zyn groei en tier schynt te kwynen. Zyne helderheid begeevt hem. hy poogt kragt te trekken uit de zappen van zyn heilgeloov, waar op hy gewortelt staat. hy herstelt zig allengskens. hy luistert naar het berigt der beledigingen van den Dienstmaagd zyne vrye Sarah aangedaan. Hy wil de driften door zyne bedaarde reden glad kemmen. hy zoekt zyne Gade te bedaren, met belovte van de trotzheid te zullen vernederen. Neen! zegt Sarah, dryv deze Dienstmaagd, en haren Zoon uit: want de Zoon dezer Dienstmaagd, en zal met mynen Zoon, met Izaäk, niet erven. Hoe valt die taal van Sarah, den goeden, Ismaël lievenden Abraham als lood op het hart. Hy scheidt het gezelschap. Hy gebied Ga naar margenoot+Hagar en Ismaël zig in hare Tente te vertrekken. hy ondergaat zyne Gade in de eenzaamheid met al die zagtheid van ziel, die de Huwlykslievde hem inboezemt, om haar te bevredigen, en zynen Ismaël te behouden. Maar neen, de stem van Sarah is de stem des Hemels. Abraham zondert zig af in de donkere eenzaamheid. Hy weet de kronkelende wegen der Voorzienigheid, zoo wonderbaar door een geslingerd, lopen te zamen in het Middenpunt der Hoogste Wyzheid. Die Wyzheid was zyn Raadsman op alle zyne wegen. Sarah, de altyd zoo goedhartige Sarah, die Ismaël zo teder troetelde, die Hagar zoo genegen was, dringt nu, met zoo veel nadruk, met zoo veel standvastigheid aan, Ismaël zal uitgedreven worden. Hier denkt de Godsman schuilt iet onder, dat voor het oog zyner ziele verborgen is. Hy smeekt zynen Verbonds-God om licht en klaarheid in deze duistere zake. . . . wat verneem ik? gewis dien glanz, die Maiesteit, welke door- | |
[pagina 231]
| |
gaans voorafging, wanneer de Godheid naderde, om met zynen gunstgenoot van mond tot mond te spreken. Hy voelt alrede die verhemelende invloed in zyn gemoed, waar aan hy dikwerv gewaarGa naar margenoot+ wierd, dat het God was, die met hem sprak. er klinkt uit het midden der verlichte donkerheid ene stemme, die tot hem zegt: laat het niet kwaad zyn in uwe ogen over den Jongen ende over uwe Dienstmaagd. Al wat Sarah tot U zal zeggen, hoor naar hare stemme, want in Izaäk zal uw Zaad genoemd worden. Dog ik zal ook den Zoon dezer Dienstmaagd tot een volk stellen; om dat hy uw Zaad is. En onder die Godsprake voelt hy meer en meer hoe de latere lotgevallen van zyn Zaad zig ontwikkelen aan zyn zielsgezigt. de wentelende Eeuwen rollen af voor zyne ogen. Hy ziet in zynen bespotten Izaäk het Beeld, den dag van zynen Heiland. hy ziet Hem, van zyne Geboorte tot zynen Dood gesmaad. hy ziet Hem, die des Vaders gunstgenoot, zyne eeuwige vermakingen was, van zyne broederen na het vleesch zyn Goddelyk Geboorterecht betwisten. hy aanbid de wegen der HoogsteGa naar margenoot+ Wyzheid. Zyne Vaderlievde krimpt van tederhartigheid over zynen Ismaël, het beginzel zyner kragt. hy smeekt andermaal, dat hy leven mogte voor des Heren Aangezigt. Zyne Vaderlievde is beängst wegens de uitdryving van enen Zoon, in enen Ouderdom, zoo gereed om aan de vleïende verleiding de hand te geven. met de verwydering van 's Vaders Huiz verwydert hy misschien van 's Vaders Godsdienst. Twaalv Vorstelyke Loten zouden uit dezen Stam wel opschieten: maar vleeschelyke zegeningen zouden zyne ziel niet zaligen. den wilden aart van Ismaël niet meer te mogen | |
[pagina 232]
| |
beteugelen: maar die als een Woud-Ezel uit te stoten, en slegts aan het zwak bestuur zyner Moeder, in den dienst van Isis opgevoed, over te laten: valt hard voor vleesch en bloed. maar als Ga naar margenoot+een Man, die gezigten Gods ziet, die door het Heilgeloov tot den stand der Engelen verädeld is, gehoorzaamt Abraham het Gods-Orakel. Hy beveelt Hagar en Ismaël te vertrekken. egter met ene aandoening van eenen Vader, die afscheid neemt van enen eerstgeborenen om hem nooit weder te zien. Daar dwaalt nu de uitgedrevene Moeder, met haren zoon, als ene prooie der vernederende Trotzheid, in de huilende wilderniszen. Hagar vervloekt het bywyvschap. Zy schelt het uur, waar in zy moeder wierd. Maar neen! zy herroept die verwenschingen. Het moederlyke bloed Ga naar margenoot+verheft haren moed. Ismaël is haren Troost. Hy is de zoon van Abraham, die vriend der omliggende Vorsten, die bondgenoot van dien God, welk haar aanzag, wanneer zy met dezen zoon, nog ongeboren vlugtte. Zy errintert zig alle de belovten van den God des aanziens jegens dit kind. Zy hoopt, haar zal weder een onverwagt heil ervaren. Al peinzende gaat zy voort, onzeker waar zy gaat. Het gulle zand valt toe op elken voetstap. Zy ziet nergens indrukken van eenig voetganger. Hagar en Ismaël dwalen, en weten niet waar zy dwalen. Zy blyven staan, zien rondomme: maar vernemen nog mensch, nog beest, nog enig teken, dat hun den weg wyzt. De Zon straalt brandend op hunne Schedels. hunne voeten treden als door vuur. hunne keel versmagt. hunne ogen zyn leeg geschreid. Zy lyden ene onlydelyke dorst, en hunne Kruike is ledig. Ismaël schreeuwt om water, raazt om wa- | |
[pagina 233]
| |
ter, en weet het nergens te vinden. Zyne kele brandt. Zyne stem bezwykt. hy word flaauw. zyne onstoken ogen draien, zonder bezef, in hunne winkelen. Help Hemel! waar mede zal de ellendige Moeder hem laven! waar mede zal zy zig zelve verkwikken! verdwaalt in ene onöverzienelyke en vurende zandwoestyn, daar zy van verren verslindende monsters hoort brullen en biezen, kan zy niet voortgaan; om dat de kragten haar begeven, en zy haren Zoon van dorst ziet versmagten. Zy tiert van wedom, en loopt verwilderdGa naar margenoot+ rond, om vogt te zoeken. Zy loopt: maar te vergeevsch. Zy snelt te rug, zy ziet, haar Ismaël ligt reeds te zieltogen. Zy valt op hem neder. Zy besproeit met al de tederheid van ene aandoenelyke Moeder, die haar enig kind ziet sterven, zyne strakke en brandende lippen met hare hete tranen. Help God! kan de Moeder haar kind van dorst zien sterven! kan zy de laatste doodstuip zien van hare vrugt! moet zy zynen laatsten angst nog met haar gejammer benauwen. Neen! zy neemt hem op, legt hem opGa naar margenoot+ de heesters, onder de schaduwe van ene digt gegroeide struike, gaat een boogschoot agterwaards, en roept in dat henen gaan; dat ik het kind niet en zie sterven! en stort haren bangen boezem uit voor het aangezigt van dien Engel, die haar een God des aanziens wierd. O verlegen banneling! verdrevene Hagar! Ja, uw Zoon, is de Zoon van Abraham, en, om diens wil is het allesziende oog des Hemels op U en hem geslagen. om diens wil zal hy tot een volk gesteld worden. de Stamvader der handeldryvende Kedarenen zal thans niet ommekomen.
- - - - - Als Hagar is verdreven,
Dan ziet zy, dat de Waan haar Hoogmoed heeft gesteven,
| |
[pagina 234]
| |
Dan loopt zy zugtende, in 't verfoeien van dien waan,
Den God des aanziens met haar boetgebeden aan.
Dan . . . . . . . .
't Heilvattend sterk geloov ziet scherper dan de reden,
't Ondekt in 't Tafereel van Gods verborgenheden;
De juiste schikking van 't aanbiddelyk beleid,
Het onbegryplyk doel van zyn Voorzienigheid.
En spottende Ismaël mag Izak oversnoeven,
En Saraas vrye ziel, door zyn gedrag bedroeven;
Hy word verdreven, dwaalt met Dienstmaagd Hagar om;
En strekt ten voorbeeld van 't verstoten Jodendom.
Dat 's Vaders gunstgenoot mag last'ren en versmaden,
En op zig al den Vloek van 's Hemels wrake laden,Hemeem
En dwalen eeuwen om: het zal uit zynen nood,
Alle Ismaëls gered: herleven uit den dood.
Want daar is geschreven, dat Abraham twee Zonen hadde: enen uit de Dienstmaagd, ende enen uit de Vrye. Maar gene die uit de Dienstmaagd Ga naar margenoot+was, is na den vleesche geboren geweest: dog deze die uit de Vrye was, door de belovtenisze. Het welke dingen zyn die andere beduidinge hebben: want deze zyn de twee verbonden: het een van den Berg Sina, tot dienstbaarheid barende, het welk is Agar. |
|