Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 210]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 211]
| |
DE GEBOORTE van IZAÄK. | |
[pagina 211]
| |
De Geboorte van Izaäk.Ai my! hoe herroep ik de helderheid van myne Ziel, zoo deerlyk gefolterd van lydingen, wegens den ondergang van Sodom. De beelden dier rampzaligen zweven my gedurig voor de zinnen. Het weke hart behoudt den indruk der jammerniszen van den Regtveerdigen Loth. Waar bleev hy? beroovd van knegten en maagden, van Kroost en Gade, verlatenGa naar margenoot+ van alle zyne bezittingen, wierd Bela hem een Zoar, een toevlugt der behoudenisse. Maar ach! dat Bela vreezt hy. Sodoms gruwelen schoten ook derwaards hunne inkankerende wortelen. Waar bleev hy, zint hy haar verliet, en zynen Geest, zoo deerlyk door den damp des wyns bedwelmde? Werwaards verschoolt gy U, O misleide Vader van uwer dogteren Kroost? hebt gy U in uwen mistroostigen Toestand geworpen in de omhelzingen van uwen lievderyken Oom? Heeft die U verkwikt, versterkt, en bemoedigd in uwe bittere boezemsmart, wegens uw Vaderschap van Moab en Benämmi? zyt gy, in de schaduwe van Mamres Eiken gekomen, onder den last uwer Zielkwellaadjen bezweken, en hebt gy in de armen van Abraham den Geest | |
[pagina 212]
| |
gegeven, om op het Kerkhov van Hebron begraven te worden?
O Loth! was Moäh uit uw lenden niet geboren,
Geen Ruth, die Abrams God had tot haar God verkoren,
Ware ooit, als Boäs bruid, in zynen schoot gestreeld;
op dat het heilig Zaad zou worden voortgeteeld,
Uit Therahs vleesch, uit Nahors bloed en Harans erven,
Om 't eeuwig heil, voor 't Kroost van Heber, te verwerven.
Waar vind ik Abraham? leevt hy nog met Mamre, Aner, en Escol, in ene broederlyke gezelligheid? Neen! hy bouwt gene outers meer in den Lommer van het heilig Eikenwoud. Het gezigt der verbrande Landstreke, het akelig lot zyner naburen, zyner natuurgenoten, word hem daar ogenblikkelyk te binnen gebragt. Zyne ziel is te medelydig voor dit grievende gezigte. Sarah kan het niet verduren. Al zyn gezin is in angst, dat, het verderv herryzende, verder voort zal slaan. Hy rukte de pinnen uit den grond, en verliet met alle zyne Eigendommen een Oort, hem altyd zoo dierbaar. Een Oort waar hy al het zoet van het zalig buyten leven zoo volöp mogte smaken. Waar het bondgenoodschap met de Landsheren hem ontzag verwekte by alle de omliggende Volkeren. Maar nog meer het bondgenootschap met den Algenoegzamen. Aardsche en hemelsche Zaligheden, die hem hier bejegenden, deden zyne Ziele kleven aan een grond, die hem als de zegerykste Held uit den stryd zag keren. Die hem verheffen zag als de Stamvader van twaalv vorsten, afzetzels van Ismaël zynen Zoon. Grond die de gantsche hemel droeg, toen God hem het Zaad der zegeninge beloovde. Egter de nood dringt hem, | |
[pagina 213]
| |
Dit, om zynen wil zoo zeer beweldadigd woud,Ga naar margenoot+ te verlaten. Hy trok naar het Zuiden, hy sloeg zig neder in ene Vlakte tusschen Kades en de woestynen van Sur, in het gezigt van Gerar, in weelde en wellust gelyk aan memphis. Gerar. . . maar ik voel, aangenamer denkbeelden ryzen allengskens op voor het oog myner bespiegeling. Myn Geest hervat zyne Vrolykheid naar mate de dampige verschieten wyken, naar mate de vriend der Godheid den rook van Sodom agterlaat. Ik laat een Gordyn voor Gerar vallen. Ik las het opschrivt in den Gedenksteen voor het Paleiz van Koning Abimelech.
Hier word de tyd in vrolykheid versleten,
Men speelt, men woelt, en danst, men spot, men stoeit, en lacht;
De stoutste Man is best, die word het meest geacht,
Die Minne-deunen Zingt, en Speelt op Halm en Snaren.
De vertoningen van het Hov, de spelen der ydelheid, de dartelheid der overdaad, de lagchingen der weelde vermogen niets op my: nu ik op den Voorgrond van het Tafereel, dat Kades vertoont, de Geboorte zie van enen Izaäk. Zoo wykt de dikste donkerheid voor den klaarsten Morgenstond. Zoo struikelt de flaauwe Morgenstar voor het licht der Zonne. Zoo ondervindt de gelovige Abraham,, zoo geniet de op God betrouwende Sarah de beveiligende Lievde, en standhoudende trouwe van hunnen Verbonds-God. Zoo bezoekt hy, die de God Amen, de Waaragtige is, tot Staving van zyn Verbond Sarah. Sarah, de Negentig-jarige Sarah baart. Abraham, de Honderd-jarige Abraham word enen Zoon geboren. Hy, op wiens Almogende wenk | |
[pagina 214]
| |
de milde Vrugtbaarheid hare gaven uitstort, of te rugge houdt, maakt het Huizgezin van zynen Ga naar margenoot+Aanklever, van zynen Verbondeling een lagchen. Wy lagchen mede, en juichen in dat heil. . . . O Zalig Uur! O Heil aanbrengende dag! van Abraham zoo lang gewenscht, van Sarah met zoo veel tranen afgebeden, van de Engelen begeert, van God zelv aangekondigd! gelukkige stond! aarde en hemel, alle de Geschapenheden zegenen zig in het Zaad der Zegeningen. Hoe Schildere ik het vergenoegen op de Aangezigten van alle de Huizgenoten van den Aardsvader! Er klinken niet dan blyde Beurtgezangen over de lagchende Weiden ter Eer van Abraham en Sarah, ter verheffing van den Zoon der Belovte: maar nog meer ter verhoging van de Hoogste Lievde. De schaterende Echo vangt dien Galm, en kaast hem over Bergen en Dalen tot aan Nahors en Milcaas Tenten. Eliëzer, voorheen de bestemde Ervgenaam van alle de Herderlyke Rykdommen zynes Heren, in plaatz van zyn mislukt geluk te beklagen, is zoo gepropt van belangelooz vergenoegen, wegens het heil van Abraham, dat hy de eerste is in het Bezingen der Geboorte van Ga naar margenoot+den Zoon des gebeds. Zyne edelmoedige Ziel in Abrahams Godsvreze onderwezen, kent gene Zelfzoekinge: maar vind al zyne Welvaardye in den Zegen van Abraham. Gerar verlaat hare woeste vermaken, en luistert naar de vrolyke Lovliederen, die enen God verheffen, welke zy niet kent: maar egter vreest, zint zy zyne Almogenheid gewaar wierd. de reizende Voorbygangers, hoe driftig naar hun Vaderland, houden stil, vragen naar het Wonder, dat bezongen word, en neuriën mede. De win- | |
[pagina 215]
| |
den zwygen, de Beken vloeien zagter, de Vogelen zyn oren. Het Vee luistert, als poogde heel natuur zig stil te houden om de vreugde niet te storen. . . . dat de Fabel zwyge, dat geheel het Eiland Delos, voorhenen driftig, ten dienst van Latones baring vaste wierd. Natuur mag het Kraam-leger der Alcyonen zoo hoog in waarde houden, dat zy de winden gebied zeven dagen, en zeven nagten hunnen adem in te houden om de Zee niet te roeren, waar op het Kraambedde, dier lievende Vogels zagtkens henen dryvt. Sarahs Kraambedde word hoger verädelt. Wat zie ik? welk een Wolk van Goud en HemelblaauwGa naar margenoot+ pakt zig rondom de Tente, waar in de Vorstelyke Moeder op de zagte Kraam-koetze ligt? Is het niet een Wolk van Engelen? Gewis zy daalden neder om die eerwaardige Tente te beveiligen, om de vrolykheid te verhemelen. Aarde en Hemel juichen om de Geboorte van Izaäk. Ismaël is er niet. Hagar is van de Hand. Sarahs Zwangerheid ontzette haren Zoon van Abrahams Zegeningen. Hy zal leven voor des Heren Aangezigte; om dat hy ook Abrahams Zoon is: maar zal in de belovte aan Izaäk niet delen. het spyt haar. Zy onttrok zig der hulpe jegens Sarah. Sarah, die beweldadigde onder de Vrouwen vindt nu alle hare Zaligheid in haren Izaäk. Nu herroept zy de Orakelen aangaande zynGa naar margenoot+ geboorte in hare huppelende gedagten. . . . Nu wyken alle nevelen die het oog van haar geloov verduisterden . . . Nu zyn al de zwarigheden, waar over de twyffeling, wegens hare verstorvene Vrugtbaarheid, haar geloov deed struikelen opgeruimd. . . zy ziet den weerslag van dien Engelenglanz in het aangezigt van haren Zuigeling. . . . Zy kust hem. . . | |
[pagina 216]
| |
Zy drukt hem aan hare borsten. . . . Zy noemt hem haar Lagchen. . . . Het eigen Beeld van haren Abraham. . . . haar lievste leven, waar in haar troni zwiert. . . . Hy zuigt zig aan hare Melkfonteinen in den slaap. Zy durvt naulyks ademen om die zoete die groeyzame Rust niet te storen. . . . Hy doet zyne oogjes open. . . . yder oogwenk van het kind verrukt haar. . . Het Moederlyke bloed om het hart te voelen woelen. . . . Een Zoon te mogen Zogen waar op zoo vele belovten rusten, is iet, dat de negentig-jarige Moeder, ene vreugde verwekt, niet te tekenen, alleen te gevoelen. . . . Elk die de gryze Kraamvrouw nadert, haar zegent, en zalig heet in het baren, eerbiedigt den God van Abraham. Sarah is zoo vervoerd van blydschap, dat zy op elke nadering harer Naburinnen uitroept: wie zoude Abraham gezegd hebben? Sarah heeft Zonen gezoogd: want ik hebbe enen Zoon gebaard in zynen Ouderdom. God heeft my een lagchen gemaakt, al die het hoort zal met my lagchen. Myne smaadheid is weggenomen. In Izaäk zal myn Zaad gezegend worden. Zy ziet haren Heer . . . . . . Zy neemt het kind . . . . zy drukt het nog eens aan den boezem, en geevt het in de armen van zynen Vader . . . . . . Hy beschouwt de zalige Kraamziel, met ogen, waar in de vergenoeging der Engelen dryvt. Hy noemt haar zyne Lievde . . . . . zyn welbehagen . . . zyn Troost . . . den steun van zynen stam . . . de Moeder van eeuwige geslagten . . . . Hy bestaart Ga naar margenoot+het kind, zynen Izaäk, zynen Spadeling, den zoon van zynen Ouderdom, het Kroost, waar in Gods naam genoemd en van eeuw tot eeuw zal voortgeplant worden. Maar hy voelt, zyn verziendheil- | |
[pagina 217]
| |
geloov verhemeld hem de ziel en zinnen . . . . Hy geevt het kreunend kind zyne kinderzalige Gade . . . . Ene verrukking doortrekt hem. Ene verrukking alleen eigen aan die verkoren Godsmannen, die in hunne afgetrokkene bespiegelingen, wanneer het lighaam door de kragt van denken als Stokstyv stont, en de ogen Starende ten hemel waren geslagen, gezigt zagen. Gezigten niet te begrypen dan door de Insprake der Godheid. Hy peinst als een Ziender des hoogsten op zyne Sarah, die uit ene Verstorvene Moeder baarde; en ziet in haar het Voorbeeld
Van 't grootste wonder, dat de Godheid werken zou,
In ene reine Maagd, die tegen al haar orden,
En werking der Natuur, zou overschaduwd worden;
Van 't Alvermogen, en, bezwangerd door die kragt,
Gods zoon zou baren; 't heil van 't menschelyk geslagt.
Hy peinst op zynen Izaäk. Hy doorziet alle de Lotgevallen van zynen Zoon. En ziet in die onderscheidene Gebeurtenissen den dag van het beloovde Vrouwenzaad. Hy ziet die wegen, langs welke de Vader der genade zyn geestelyk zaad zoude leiden in dien tyd, waar in men niet meer zoude zien door vergezigten: maar door aanschouwen, van aangezigt tot aangezigt, wanneer de schaduwen voor het lighaam zouden wyken, en het nabeeld als het beeld des onzienlyken, door den Weerslag van het afschynzel van Gods heerlykheid, alle de voorbeelden zou verdoven. Hy word, door de kragt van het heilgeloov, gevoerd, van Izaäks Kraamwieg tot de Kraamkribbe van hem, die, niet tegenstaande hy God was, om menschen te zaligen, de gestalte van enen dienstknegt zoude aannemen. Hy ziet hem, die voor het aanbegin der geschapenheden des vaders schoot- | |
[pagina 218]
| |
zoon en eeuwig welbehagen was, het vermaak en de verwondering der heilige Engelen, zonder gedaante en heerlykheid als een kind der stervelingen in windzelen gewonden. Hy ziet de Godsstad in Bethlehems velden. Hoort hy niet in zyne ziel de menigte der hemelsche Legerscharen de vleeschwording van hunnen Vorst, die zy met een driemaal heilig onophoudelyk aanbidden, bejuichen? de Engelen boven de kraamtente van Sarah bejuichen het alrede in de geboorte van Izaäk. Hy ziet het heil der stervelingen en in den dag van zynen heiland . . . . Hy ziet de Vrede op de Aarde, en in den menschen . . . .
Hoe noemt ge dit? O Eng'len scharen!
't Is welbehagen, anders niet . . . .
Wat is 't? de verrukte Godsman, de Aardsvader die gezigten ziet, die op vleugelen van het Geloov de zon voorbysnelt, en stand houdt voor den troon der Godheid, de Aardsvader komt allengskens uit zyne vertrokkenheid van zinnen tot zig zelven. Hy staat eerst stom stil van verbaazdheid, gelyk aan een wiens geest in den slaap met aangename dromen spelemeide, by het ontwaken, de verspreide gedagten, die hem zoo aangenaam verhemelden te rugge roept, te zamen voegt, aankweekt, en poogt te bewaren, om, nu wakende die zelve genoegelykheden daar in te ervaren: zoo koestert myn Geloovsheld zyne bespiegelingen in den boezem, die hem eindelyk zoo gepropt word van gelovige, van Godvrugtige overleggingen, dat hy spreken moet om lugt te krygen. Hy barst uit: O gezegend Kanaän! land der belovte! nu ontwikkelt zig het heilgeheim voor mynen geest! nu begryp ik waarom ik volk | |
[pagina 219]
| |
en Vaders huis moest verlaten. Gy zyt my niet alleen een onderpand der Hemelsche Erfenisse. Heilig Oort! door eeuwige verbonden, door duizend wonderheden, maar meest door ene Geboorte van hem, dien ik verheffe als het hoogste myner blydschap, zult gy ene poorte des Hemels worden. Uit U zal hervoort komen.
Een held, wiens strydende Arm de hel zal ondergraven,
Wanneer de Kop der slang door hem zal zyn geplet,
En al de Duivelen als zyn geboeide slaven,
Zig zullen zien het perk, naar zynen wil gezet.
Gy zult het land van Emmanuël worden. Hy die boven de wet was zal zig stellen onder de wet, en alle de geregtigheden vervullen van dat Verbond, waar van ik het teken in myn vleesch draag. . . . . hier houdt de Propheterende naderaar der Godheid stil. Izaäk is het zaad des verbonds, waar van Abraham het teken Ontving tot een zegel der Regtveerdigheid des Geloovs. Izaäk moet ook als het zaad van Abraham het teken dragen, dat hem van alle de geslagten onder scheydt. Abraham besnyt zynen zoon, en noemt hem plegtig, uit gehoorzaamheid aan het bevel des hoogsten, in de tegenwoordigheid van alle de Mannen zynes huises, Izaäk. Door het Gelove heeft ook Sarah zelve kragtGa naar margenoot+ ontvangen om zaad te geeven, ende boven den tyd hares Ouderdoms heeft zy gebaard: overmids zy hem getrouw heeft geacht die het beloovd hadde. |
|