Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 192]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 193]
| |
DE VERBRANDING van SODOM. | |
[pagina 193]
| |
De Verbranding van Sodom.Het enig Oir van Haran, de gezegende Loth, woonde met alle zyne bezittingen in de Vlakte van Siddim. Van Siddim, dat Dal der Lievlykheden, om zyne aangename Beemden en Bosschaadjen, een pantinge van Gods verlustiging, om zyne vrugtbaarheid, en zegenryke getemperdheid der lugt, vergeleken by den Hov des Heren. Dat Paradyz, dat Eden van dien tyd, verheft zynen Kruin ten Hemel. Grootmoedig op zynen Voorspoed, steekt het zyn Hoofd boven alle de omliggende Volken, gelyk ene Honderd-jarige Eik boven eerst geplante Willigen. Wat zeg ik? Grootmoedig op zynen voorspoed? neen! verdarteld door dezelve: mende de luye weelde, wier handen van het bloed der Onschuld kleevde aan het snoer der Brood-dronkenheden, de Ontugt, waar over Natuur verbleekte. Waar over Loth zyne Ziele kwelde. Het gerugte van zynen Rykdom, zyn verwantschap aan Abraham, wien men, zoo niet voor een godlyk perzonaadje, ten minsten aan de Goden vermaagdschapt hield, hadden hem door het huwelykGa naar margenoot+ het vermogendste Geslagt van Sodom ingeënt. Het is; om dat de vreez voor het Goddelyke in de Natuur des menschen ingedrukt, zelvs by de verwatenste Ondeugd hare vonken spreidt. Het is om dat de Deugd eerbied verwekt, zelvs by de | |
[pagina 194]
| |
ongebondenste boozheid. Loth is Rigter te Sodom. Hy zit in de Poorte, en poogt de geweld-lydende onnozelheid te handhaven. Dan ach! Zyne pogingen zyn te vergeevsch, wat vermag de Vroomheid van enen Rigter, daar alle zyne Amtgenoten de Voorgangers der Gemeente in alle gruwelen zyn. Sodoms Rigters zyn grypende Avond-wolven. Zy Regtveerdigen de boozheid, en verdoemen de Regtveerdigheid, ja de klagende en hun aanschreiende Vroomheid, die als vreemdeling te Sodom doortrekt, word van hun met verguizende Gebaarden beledigd. Waagt het de vrome Loth, en hy waagt het meer dan eens, hun met zagtmoedigheid te onderrigten aangaande hunne ongeregeldheden: dan stuiven zy, verhit door den wyn van Gomorra, en aangeprikkeld door den hondschen wellust van Seboim, grammoedig tegen hem op; en dreigen hem, indien hy voortgaat hunne daden te berispen, hem, als een buitenlander, die zy als enen zwerver hebben opgenomen, uitteschoppen, en al zyn bezitting verbeurd te verklaren. De Regtveerdige Man verkwynt zyne opregte ziele over het zien en horen der ongeregtigheden, die men zonder schaamte voor God nog menschen, zelvs in de Raadszale in zyne tegenwoordigheid bedryvt. Hy is vermoeid van den ontugtigen Wandel dier grouwelyke menschen. Ider ogenblik roept hy met bittere boezemklagten dat akelig uur in zyne gedagten, waar op hy het zoo menigmaal verwenscht vaarwel aan zynen Abram gav, om zyne tenten in dit godlooz oort te slaan. Ga naar margenoot+Op enen Avond, wanneer zyn benepen hart gepropt was met dodelyken angst, door de ge- | |
[pagina 195]
| |
gronde vreze, dat de blikzemende wrake der Godheid, die den Zondaar te vrezelyk is, de ongeregtigheden des lands zoude thuiz zoeken, was hy naar de stille Eenzaamheid gegaan, om zynen geschroevden boezem, door uitlatingen van zugten en gebeden, voor zynen Verbonds-God, de God van Abraham te verruimen. De bedryven der eerste, der weggespoelde Wereld, staan hem als voor de Ziel geschilderd. De gedagte aan het gedrag van den vromen Troostzoon van Lamech bemeesterd hem. Maar, denkt hy aan de yzlykheden der straffen, uit de phiolen van Gods toorne over de Wereld van Noach uitgegoten, dan ryzt het hair zyns vleesch te berge van verschrikking; dan brult hy zyne benaudheden uit; dan maakt zyn ingewand een angstig getier in hem. Hy vergelykt de gruwelen van zyne Landgenoten met die van Noachs dagen, en vindt die van Siddim te strafwaardiger; om dat zy aan dat spiegelbeeld der goddelyke vergelding, dat hy hun zoo dikwerv voor ogen hield, niet geloven: maar het houden voor een ydel vertelzel van mymerende herzenen, voor enen Leugenvond der staatkunde om zwakke Geesten te vervaren, en in den band te houden. De verlegene Loth, zit als radelooz ter neder. Hy weet niet hoe hy zig zal gedragen om zyns levens wil, en den Here getrouw blyven. Kwyt hy zig van zynen pligt als mensch, als Rigter, als de vriend der Godheid, wiens wil zyne betragting is: dan stelt hy zyn leven aan de woeder der verstoorde ondeugd bloot. Zal hy de boozheid om zyns levens wil ongemoeid laten? zal hy zwygen? neen! hy kan niet. Hy voelt als een vuur in zyn binnenste branden, dat hem | |
[pagina 196]
| |
het merg der beenderen verteert; om dat God beledigd word. Spreekt hy: men dreigt hem te onteren, te doden . . . Werwaards zal hy zig heen begeven, waar hy als Vreemdeling zal konnen verkeren? Waar zal hy weide vinden voor zoo veel heiren vees? Waar komt hy, daar hy de Nyd der Dorpelingen, wegens de graagte zyner ontelbare kudde niet op den hals haalt. Zal hy zig tot zynen Oom vervoegen. Neen! die zelvde Twedragt, die hun zoo jammerlyk van een scheide, zou hunne hoederen op nieuw onderling konnen verdelen. En, hoe krygt hy zyne Gade mede? hy ken hare gekleevdheid aan haar volk en 's vaders huiz. Hoe trekt hy zyne kinderen van Siddim af? zyne oudste Dogteren zyn reeds door het huwelyk aan ryke Sodomiten verënigd. Daar de jongste met de schoonste jongelingen in ondertrouw staan. Zal, en gade, en kroost hem, met verlating hunner Welvaardy willen volgen? zal zyn Vee, door verlating der malsche weiden in de vlakte der Jordaan, niet aan het kwynen slaan? zal het niet afgemat, afgedreven, vermagerd en uitgemergeld sterven? Waar vind hy hoederen, zuiver van de zonden van Sodom? zal hy met hun de besmetting niet met zig voeren? . . . En blyvt hy in dit verdoemelyk dal . . . gewis de hoogste heiligheid moet haar Eer handhaven. Zy zal Sodom, als de mate harer gruwelen vol is moeten verdelgen. . . . zal dan niet, barst hy eindelyk uit: de Regtveerdige met den Godlozen ommekomen! . . . Het gewigt der eeuwige Wrake, die yverig is over haar geschonden Eer, drukt hem op de Ziel. Hy zugt, hy weent, hy smeekt | |
[pagina 197]
| |
den Jehova: dat die hem uit de verlegenheid redde. . . .
Schep moed beangste Loth!
Geen yd'le zorg doe U van 't hellspoor dwalen:
Neen! hou uw weg naar 's Heren wil gerigt;
Vertrouw op hem, en de uitkomst zal niet falen,
Hy zal wel haast uw regt voor elks gezigt
Aanvoeren als vernieude Zonnestralen,
En blinken doen als 't helder middaglicht.
Wat is het? . . . de biddende Zoon van Haran ziet opwaards, en ziet daar, die twee Boden der Hoogste Maiesteit, die straks van Abraham onthaald, en uitgeleid zyn staan voor hem. De bedrukteGa naar margenoot+ Loth, zoo edelmoedig in het ontmoeten der Vreemdelingen als zynen Oom, ziet hen, ryzt ylings op, loopt die eerwaardige Mannen, die iets Hemels in hun gelaat en houding vertonen, te gemoet, buigt zig voor hen met het aangezigte ter aarde, en zegt: Ziet nu myne Heren, keert tog in ten Huize van uwen Knegt, ende vernagt, ende wascht uwe voeten; ende gy zult vroeg opstaan, ende gaan uwes weegs. De weigering dier Gods Mannen om by hem in te treden maakt zyne heuscheid te vuriger. Hy weet, in welk een schandelijk gevaar zy zig zouden begeven, by aldien zy op de strate bleven vernagten. De rinkinkende Moedwil zoude hen gewis aanranden. Zoo zy nog voor erger dan beestelyke ontugt beveiligd bleven, zouden zy uitgeplonderd, naakt ten Schouspel omgevoerd, met den dag ter Poorte uitgezet worden. 't Is daarom, dat hy met te meerderen ernst aanhoudt; hy maakt zyne bede kragtiger, ja laat niet af voor zy zyn verzoek inwilligen. Hy leidt met enen vlug- | |
[pagina 198]
| |
gen tredt hen, die hy voor doorreizende Vreemdelingen houdt, naar zyn Huiz. De vale schemering, die nu tusschen Hemel en aarde hangt, en het gezigt beneveld, belet evenwel de ogen der vervloekte Sodomiten niet om op de gedaante dezer Mannen geslagen te zyn. Het gerugte van hunne voortreffelykheid roept de gantsche Stad op de been. Elk barst los om hen met een gezigt vol vonken aan het helsche vuur ontgloeit, te bestaren. Men loopt hen met gehele Benden agter aan; men omsingeld hen zodanig, dat de eerwaardige Gasten ter nauwer nood uit het gedrang binnen de Gast-vrye deur van den verlegen Loth raken. En in het binnen treden horen zy, dat de een den anderen toeroept. . . . Maar hier ligt de blozende schaamte de schilderende Penselen neder. Zy went het aangezigt van den donkeren Agtergrond. Zy weigert zelv aan de verbeelding hare doodverwen op te klaren. Ik zie inmiddels de onstelde Vroomaart met bevende leden bezig, om zyne Gasten, die op elkanderen met ene, ik weet niet welke diepheid van gedagten zien, te verfrisschen, te verkwikken, en te versterken. Ik zie, verbeeld ik my, die Vrienden der Godheid aan den Disch van Loth gezeten. Ik zie de Hemel in het Huiz van Harans Zoon. Is het wonder dat de Hel in arbeid gaat om het te overweldigen? de verdoemde menigte week niet van zyne Posten. Zy wil nu de uiterste Proev harer gruwelykheid geven. Een bulderend rumoer steekt op, en schreeuwt door het Slot der deure:
Waar zyn de Helden van Vermaak en wellust thans?
Gedoogt men nu, dat in het Huiz des vreemden Mans
| |
[pagina 199]
| |
Twee jongelingen schoon van aangezigt en leden,Ga naar margenoot+
Gerust vernagten, en voor 't ligt weer benen treden.
Of gunt men dan alleen die schoonheid, dat genot
Aan dezen Vreemdeling, aan dien schynheilgen Loth,
Dien fynen Priester, dien berisper onzer zeden;
Die zig kwanswyz bedroevd om onze vrolykheden?
Waar zyn de Mannen! breng die schone Mannen uit,
Die gy in dezen nagt met uwen muur besluit!
Breng uit: eer wy de deur oplopen met de voeten,
Wy willen onzen lust met deze Mannen. . . .
Hemel! Zyn dit menschen, een geslagte, waar in God het hem gelykend Beeld hadde uitgedrukt? Of zyn het Duivelen? Ja, het zyn gevleesde Duivelen. Konnen Hemellingen, gewoon onder de hoogste heiligheid te verkeren, hier vertoeven, zonder met opgeslagen ogen de blikzemende wrake des Hemels naar beneden te tronen! Hoe word het Regt der Gastvryheid, by de woeste volkeren zelf altyd zoo heilig in eere gehouden, Gods jammerlyk geschonden! Mannen, die zig in alle hunne handelingen en manieren van zulk enen hoogstenGa naar margenoot+ afkomst tonen te zyn, wier opslag eerbied moest verwekken, zelvs in de stugste zielen, zyn hier in gevaar van ene proie der vervloekste gruwelen te worden. . . . Help Engelen! de Ongebondenheid rammelt de deure straks open! Zy beukt alrede met zoo veel geweld op de Posten, dat Dak en gebinten kraken. Het gekryt der beängstigde Vrouwe en Dogteren van Loth klinkt naar buiten. Terwyl zy niet begrypen konnen, hoe hare Gasten onder al dat rumoer zoo gematigd blyven. De verlegenheid van den radelozen Loth word hoe langs hoe groter. Hy word als bysterzinnig van schrik en vreze, en in die verbystering van gemoed rukt hy met enen vaart de | |
[pagina 200]
| |
deur open, haalt dezelve ter beveiliging zyner Ga naar margenoot+Gasten agter zig toe, en waagt het met de verhitte schare te spreken. Hy zegt: myne Broeders. . . (Of het nog mogelyk ware hare helsche driften door zulk ene zagtmoedige en biddende Aanspraak te stillen,) en doet tog geen kwaad. Ziet tog, ik hebbe twee Dogteren, die genen Man bekend en hebben, ik zal ze nu tot U uitbrengen, ende doet haar alzo het goed is in uwe ogen; alleenlyk en doet deze Mannen niets, want daarom zyn zy onder de Schaduwe myns daks ingegaan. Helaas! tot wat uiterste, waar van de kinderlievde schrikt, komt de regtveerdige Man in die onzinnige verbysterdheid! Neev van Abraham! wat Wolk van verdriet doet de Zon van uwe Vroomheid tanen! Herroep uw betrouwen op uwer Vaderen God. Wil uwe Gasten niet beveiligen ten koste van de Eer uwer Dogteren, eer, dierbaarder dan haar leven. Het zyn Engelen die gy herbergt. Kragtige Helden, uitgezonden van den Heer der Heirscharen, uitgezonden om U te bewaren, zy konnen met enen klop op de wenk der Almagt. . . . De yvering der hoogste grimmigheid is alrede in aantogt, om zig van de belediging harer Gezanten aangedaan te wreken. Beevt, verdoemt Siddim! met uwe beweldadigde Steden! tot den Hemel toe zyt gy Verhoogd: maar tot in de Helle zult gy nedergestoten worden. Ook gy zyt oorzaak dat de regtveerdigste Ziel zig vergrypen moet. Maar wat baat het of de Zagtmoedigheid zelve die hondsche razerny poogt te Sussen! | |
[pagina 201]
| |
De Gruwelkanker zit te diep in het gebeente,
Het is dat godlooz volk om Vrouwen niet te doen,
De razerny slaat in het brein al meer aan 't woen.
En roept, en schreeuwt: zal dan die snode Buitenlander
Steeds onze Rigter zyn; wy zullen met malkander,
Hem slaan in 't aanzien van de Mannen van zyn Huiz!
Dus dringen ze aan op Loth met onbeduist gedruis.
Help God! Zy, die als blinkende Morgensterren in den dageraat der wereld juichden; en vrolyk Zongen, toen zy de Almagt des Scheppers in zyne gewrogten zagen; zy, wier brandende Amptgenoot, als een vlammend vuur het verwaarloozde Eden bewaakte; Zy, die als een Zegewagen Henoch ten Hemel voerden; zy, die het Sittimhouten Schip, waar in de gehele Wereld gescheepd was, in den Vloed, die al de aarde verzwolg, naar Ararat stierden; zy die zig, als gedienstige Geesten, uitgezonden ter versterking van hun die de Zaligheid beërven, rondom de Vorstelyke Saraï legerden: toen zy in zoo veel angst in Memphis wierd te Hoov gehouden; zy, die de vurende Legioenen zyn, van hem, die zoo veel voortreffelyker is dan de Engelen als hy uitnemender Naam boven hen geërvd heeft; die zig in de spitze stelden voor den grootmoedigen Abram in zynen stryd met Kedor Laomer; Zy, die onder hetGa naar margenoot+ wedergalmend heilig! heilig! heilig! getuigen waren toen de God des Aanziens de vlugtende Hagar genadig wierd; zy, die als de Lyv-trauwanten van den Heerscher der Wereld met de Ongeschapenheid in de schaduwe van Mamres Eike aan den Bondgenoot der Godheid verschenen; die twee Engelen, by Loth geherbergd, worden nu met kragt bekragtigd, en krygen het vermogen om Loth binnen de deure te rug brengende, die dol- | |
[pagina 202]
| |
le menigte te slaan met blindheid en verbystering der Zinnen. Hemel! daar loopt nu het woedend volk.
- - - Met razen en met vloeken
Aan allen kant vergeevsch de Deur en Posten zoeken,
Tot dat men eindelyk vermoeid en afgemat
Met knarzetanden zig verspreidt door al de Stad.
Loth begrypt ondertusschen welke Hoge Edellingen hy aan zynen Disch onthaald heeft. Hy let met den diepsten Eerbied op alle hunne wenken. Hy. . . maar ik zie, de tintelende Morgenster geevt alrede kennis dat de Dageraat in aanrid is. De vege Landsreek gewoon met het ryzen der Zon te rusten van hunne Hemeltergende ongeregtigheden, den voorgaanden Nagt gepleegd, werpt zig op het Welriekend donz om in den Middag op te staan. Slaap Sodomiten! uw geweten sliep. Het was in het plegen der gruwelen, waar van de Menschlykheid gruwt, van alle zyne prikkelen verlaten, sluit nu de verblinde ogen des Lighaams in de zinkittelende verbeelding, dat gy weder zult ontwaken, om met aangevoede kragten als wel gevoederde Hengsten uwe sporeloozheden den toom te vieren. Hy, die te zuiver van ogen is om het kwaad te konnen zien, die ene eeuwige kragt en Goddelykheid bezit, staat in de gedaante van enen Man buiten uwe Poorte. Hy wagt op de komste van Loth, aan de hand zyner gezanten. Wanneer die regtveerdige Man in veiligheid is, dan zult gy ontwaken: maar om levend door een Zulpher regen verteerd te worden, en om onder het huilen van wedom des harten, en onlydelyke pynen in uw geblakerd vleesch, waar van verbeelding de | |
[pagina 203]
| |
Ziel krimpt, te zinken in den poel, waar in men brand zonder vernietigd te worden. De nederdalende Zwavel-vloed, aangestoken door den Blikzem, geschoten uit de pikdonkere Donderwolken: zullen uwe Lymkolken ontvonken; zoo dat de gehele ruimte tusschen de Hemel en Aarde zoo ver uw gebied strekt niet dan Vlam zal wezen. Gy zult het verderv niet konnen ontvlugten: maar verdaan worden door den Adem des Almagtigen, en uw Naam zal met vervloeking genoemd worden tot dat de Mane niet meer en zy. Gy! . . . maar welk een Contrast maal ik tegen dit verschrikkelyk oordeel der wraakvorderende geregtigheid? Lievde, de trouwe des Verbonds van den Jehova jegens zyne Gunstgenoten. Immers bemint hy de Volken! Ja, hy gedenkt zyn Verbond tot in Eeuwigheid. De Regtveerdige, die in Sodom zyn, moeten hunne Zielen als een Buit wegdragen. Loth, die met Abram Vriend en Vaderland verliet, om den Here te gehoorzamen, zal nu ondervinden, dat God een Beloner is des genen, die Hem zoekt. Is zynen weg met doornen betuind, word zy met enen Heining muur omgeven: Zyn Verbondslievde staat agter denzelven, en heeft een genadigGa naar margenoot+ Oog op hem geslagen. Hoe verbazend klinkt hem die taal der Engelen in de oren? Zy vragen hem: Wien hebt gy hier nog meer? enen Schoonzoon, ofte uwe Zonen, ofte uwe Dogteren, en allen, wien gy hebt in deze Stad: brengt uit deze plaatze. Want wy gaan deze plaatze verderven: om dat haar geroep groot geworden is voor het aangezigte des heren, ende de Heer onz uitgezonden heeft, om haar te verderven. | |
[pagina 204]
| |
Welk ene ontzetting in het Huiz van Loth! De Vader staat verstomd, hy is slegts met zyn Vieren thuiz. Zyne getrouwde Dogteren zyn met hare Huizgezinnen niet by de hand. Zyne Zonen zyn met de Hoederen by het Vee, en vermaken zig in de dartele Weiden. Zyne Gade geevt enen Gil, en schreeuwt om kinderen en Bloedverwanten. De Dogters jammeren om hare Bruidegommen. Zy pogen buiten de deure te raken, naar hen toe te vliegen, en hen te waarschouwen van het nakend verderv. De onstelde Vroomaart houdt haar te rugge, ylt zelve naar zyne aanstaande Schoon-zonen en zegt hun: maakt U op, gaat uit deze plaatze, want de Here gaat deze stad verderven.
Maar och! Hy kan hen niet bewegen,
Zy spotten met een Zulpher regen;
Hy schynt aan hun bedwelmd van hoofd.
De Regtveerdige Man komt te rugge, en brengt het weigerend Antwoord zyner Schoon-zonen. Nu poogt hy zyne Egtgenote te stillen, dan zyne Dogteren te bedaren. Straks valt hy op zyne knien, hy poogt nog te bidden voor Sodom. Het helpt niet, dat de Engelen zeggen: maak U op, neem uwe Huizvrouwe, en uwe twee Dogteren die voorhanden zyn; op dat gy in de Ongeregtigheid dezer Stad niet om en komt: hy waagt het uiterste of God nog mogelyk zig liet verbidden. Hy wist wat het was van Vaderland en Vrienden te scheiden. . . . Maar van alle zyne bezittingen. . . van zyn Kroost. . . . help Hemellingen! wat onstaat er in zyn Ziel! . . . een gety van togten rant hem aan. Natuur klopt hem aan het hart, hy voelt hare onwederstanelyke in- | |
[pagina 205]
| |
vloeden. . . die zoete Naam van Vader vertedert hem, . . . . Is het mogelyk, dat hy in zoo enen geweldigenGa naar margenoot+ Strydt den Adem nog op de lippen houdt? . . . Is het wonder, dat hy vertoevd? Hy vertoevde. . . de Engelen zien het. En met een grypen zy zyne hand ende de hand zyner Vrouwe, ende de hand zyner twee Dogteren, om de Verschoninge des Heren over hem: ende zy bragten hem uit, ende leiden hem buiten de Stad.
Alwyze God! het oog der ziele ziet zig blind
In 't ondoorzoeklyk diep 't geen 't in uw wegen vindt!
Uw teed're Voorzorg waakt voor 't Heil van uwe kind'ren,
Geen ramp, hoe zwaar hy drukk' kan hun geluk verhind'ren,
Geen algemeen verderv vernielt het Fondament
Der Kerk; Zy is een Rotz, al schynt ze een lofze Tent.
Uw Wonderwegen gaan het menschlyk brein te boven,
Elk moet, met diep ontzag, uw schikking eindlooz loven,
Waar zig 't gezigtpunt plaatze, al wat men gade slaat,
't Is Wyzheid zonder paal, 't is Goedheid zonder maat.
Daar zie ik, verbeeld ik my, het vlugtend Viertal buiten de Poorte. En, zie daar de Engel des Verbonds, wiens Naam sterke God is. Welk ene Maiesteit en glanz verspreidt zig van rondomme. Welk ene verbazende, maar te gelyk, welk ene bemoedigende stemme. Behoud U om uwesGa naar margenoot+ levens wil, en ziet niet agter U om, en staat niet op deze gantsche vlakte: behoud U naar het gebergte henen; op dat gy niet om en komt. Loth, aan de Verschyning des Hoogsten gewend, voelt dat het de Heer is die spreekt. Zyn angstig hart klopt van wegen het nakend verderv. Hy tsittert van vreze, dat de zwakke zielen zyner Vrouwe en Dogteren zullen hunkeren naar Sodom, niet om te mogen zien naar die plaatze, waar heur | |
[pagina 206]
| |
Kroost, heure Bruidegommen in den algemenen Ga naar margenoot+Brand zullen ommekomen. . . . De bevende Vroomaart, geroerd door de Verschoning des Hemels over Hem, en geraakt door Schrik en verbaazdheid over het lot dat Siddim treft, nadert den onzienelyken en zegt: Neen dog, heere, zie tog uwe Knegt heeft genade gevonden in uwe ogen, ende gy hebt uwe weldadigheid groot gemaakt, die gy aan my gedaan hebt, om myne Ziele te behouden by het leven: maar ik zal niet konnen behouden worden na het gebergte henen; op dat my niet misschien die straffe aan en kleve, ende ik sterve. Zie tog, deze Stad is naby om derwaards te vlugten, ende zy is kleene; laat my tog derwaards behouden worden, (is zy niet kleene) op dat myne Ziele leve. Kan er treffender blyk van de hoogste Goedheid der onbegrypbare Lievde van den Jehova jegens zyne Gunstgenoten zyn? Hy voegt zig naar hen, gelyk een Vriend naar zynen Vriend. Ziet, zegt de Engel van Gods aangezigt: ik hebbe uw aangezigt opgenomen ook in deze zake: dat ik deze Stad niet om en kere, daar van gy Ga naar margenoot+gesproken hebt. Haast, behoudt U derwaards; want ik zal niets konnen doen, tot dat gy daar henen ingekomen zyt. Is niet de Regtveerdige het Zout der Aarde? Is hy niet het steunzel van den lande? Is hy niet voortreffelyker dan zynen Naasten? Bela, een Stad in gruwelen gelyk aan Sodom, word om Loth een Zoär, een Stad der Behoudenisse. Ik hem derzelver Poorte binnen treden. En met een daalt | |
[pagina 207]
| |
ylings 's Hemels wraak, op vleugelen der windenGa naar margenoot+
Geweldig naar beneên om Siddim te verslinden.
Zy aaszemt Hemelvuur, dat naar en yzlyk brandt;
De Blikzem-flitzen draagt ze in hare regtehand,
En in de linke torst zy zwarte donderkloten.
De Schrik-fiool, met wee, en plagen volgegoten,
Hangt als een Koker aan den Gordel op haar zy,
Zy laat de winden uit hun Schuil-spelonken vry,
En zet de deuren van de Stormorkanen open,
Die thans, al loeiende uit vier hoeken voortgeslopen,
Afgryzlyk gieren door de Zolpher Wolken heen,
En dringenze overal, tot datze, digt in een
Geperst, en door 't geweld der winden 't zaamgedrongen,
Gelyk het water uit een sponsi fel gewrongen;
Een digte Regenvlaag van Zwavel overäl
Ter nederstorten in 't Vervloekte Siddimsdal,
Dat eindlyk, maar te laat, op 't loeien en het kraken
Der donderslagen, uit den slaap begint te ontwaken,
En schrikt, en beevt, daar 't al de Blikzemschigten ziet,
Die Gods getergde Wraak thans uit den Hemel schiet.
Want nu, O Wee! nu wordt het Hemelvuur ontsloten,
En met het vuur ook al de plagen uitgegoten.
Elk roept er Brand! Ach! Brand! en schreeuwt van Wee! en ach!
De bleke vreze, de verbaazdheid, en 't geklag,
Zyn in de Huizen, en de dood loopt langs de straten,
En heeft de pynen en ellenden losgelaten,
En ziet de menschen met verwoede blikken aan.
Maar nu begint het Vuur vast naar beneên te slaan,
Door Dak en Zoldering, en doet de Binten Kraken;
Beroovt den menschen van den Schuilhoek hunner daken,
En jaagt hen buiten 's Huiz, daar 't kermen en 't geween,
Het knerzetanden van de pyn, en 't naar gesteen
Poogt door den dikken drang der Wolken heen te dringen.
Hier vlugten Vrouwen met haar teed're Zuigelingen,
Geteeld in bloedschande, en boelaadje, en keren, vlug,
Geschroeid, Geblakerd, in het brandend Huiz te rug,
Dat op haar nederstort met geveltop en muren:
Daar moetenze het Vuur van hunnen lust bezuren
Met gloênde droppen, op het midden van de staat;
Terwyl de Vlam in 't kleed en op het lighaam slaat.
| |
[pagina 208]
| |
Ginds loopt een digte drang verbaasde Siddimyten,
Die staag de Zwavel uit den onstoken kleed'ren ryten,
Ter Stad uit naar den stroom, daar elk zig heil beloovd;
En elders lopen ze met dekzels op het Hoofd,
Naar 't Cederwoud, om waar het mooglyk in zyn lommer,
Te schuilen; maar helaas! de hopeloze kommer
Is overal, en d' angst maakt hen het Veld te nau.
De Bomen missen 't loov; het Woud verliezt zyn schaau.
De Palmen knappen, en de Balzem-struiken gloeïen;
De Olyven branden, en de Cederbosschen schroeien;
Of steken, blakende in den heten Zwaveldrop,
De gloeiende armen naar den Hogen Hemel op.
Het water wykt voor 't vuur behalven dat van tranen.
Nu sloeg de brand ook in het Veldgewas en granen,
En roovt ellendig 't Vee, dat met een naar gegil,
Met opgetrokken staart, den gloed ontlopen wil,
Tot dat het nederploft, en stikt van Zolpher dampen;
Het is er over al vol dodelyke rampen.
't Gevogeld schreeuwt verbaazd, en vliegt nu heen en weêr,
En valt van boven met verschroeide Vlerken neêr,
Op 't gloeiend Aardryk, daar 't ellendig staat geschapen,
Want thans begint den grond afgryzelyk te gapen,
En scheurt van droogte en splyt van hitte aan allen kant.
Thans vliegen Pekkuil en Lymputten in den brand,
En 't onder aardsche Vuur begint nu meê te gloeien.
De Buik des Aardryks slaat vervaarlyk aan het loeien,
En braakt thans alzins Vuur en Vlammen, dat de lugt
Van pyn en wedom krimpt, en van benaudheid zugt;
Terwyl al de aarde schudt, en beevt van 't openspyten.
Helaas! waar bergen zig de nare Siddimmyten!
Daar alles nederstort, 't berst alles van malkaêr.
Nu hoort men eindelyk het uiterste misbaar
Der Sodommyten, daar de Dogter hare Moeder,
De Zoon zyn Vader, en de Broeder zynen Broeder,
In Zwavel Kolken ziet verzinken overäl;
Daar 't aardryk geeuwt, en gaapt, en spart in 't Siddimsdal
Wel duizend monden op, en schynt, by 't inneslokken
Dier boze menschen, weer te walgen van die brokken.
Maar eindlyk bonst Gods wraak, met haar metalen vuist
Des Aardryks schors van een, en wentelt, en vergruist,
En dompelt twee paar steên, met poorten en muraadjen,
| |
[pagina 209]
| |
Ja al het Vrugtbaar Dal, met Beemden en Bosschaadjen;
En Mensch en Vee, in dien afgryzelyken Poel,
Dat stov en asschen, door het Borlen en gewoel
Van 't Kissend water, uit die schrikkelyke Kolken,
Ryzt met den Waaszem, vol van stank, tot aan de Wolken.
Toen zag men overäl een stinkpoel wyd en zyd,
In zynen ommetrek ruim vyvtig mylen wyd.
Toen . . . . . . . .
Maar welk een verschiet voegt er in een Tafereel, Zo akelig aan het oog der bespiegelende Aandagt? . . . Wie tokkelt my op de schouder? wie luistert my in het oor: gedenk aan het Wyv Loths? Zy het woord, dat, door de Engelen gesprokenGa naar margenoot+ vaste was, ongehoorzaam zynde, heeft vergelding, geëvenredigd naar de Natuur der Overtreding ontvangen. Zy moet vlugten met haren Lotth om hares levens wil. Dan ach! hoe word haar bloedend hart door grievende Beelden der gedagten gepynigd! Een vale en Zwavelige damp omheint haar. Zy treedt in het midden ener dikke donkerheid in den Morgenstond. Zy hoorde het gebod van haren Verschoonder: om niet te mogen stilstaan, nog ommezien naar het brandend Sodom. . . Maar, helaas! zy erinnert zig de Wellustigheid van haar Geboorteland, dat ene, ik weet niet welke aantrekkelykheid heeft. Zy voelt wedommen des harten; om dat het ander Eden, de Sieraad van alle landen, tot assche verteerd word. Zy heeft daar zoo vele vrienden, aan wier zielen zy kleevde. Zy verliet ze, zonder dezelve vaar wel te mogen zeggen. Zy heeft daar alle heure bezittingen. . . de tengere spruiten aan haren Geslagtboom, hare onnozele Kindskinderen, die haar zoo dierbaar waren, in welke zy haar Beeld zag uitgedrukt. Zy mogt hen niet | |
[pagina 210]
| |
zegenen in hare laatste omhelzingen. . . Dogteren, hoog zwanger, roepen, verbeelt zy zig om hare hulpe. Haar hart hangt over dezelve. Zy aarzelt, zy blyvt staan. hemel! zy ziet om. Zy ziet om naar Sodom. En ylings blyven hare voeten vast, waar zy staan. Haar hals verstyvt. Zy meent hare armen uittebreiden: maar ze zyn onbewegelyk. Zy roept nog: maar, met ene reeds besteven tong zeer flaauw, om hulpe aan haren man. Die miste haar reeds aan zyne zyde. Dan het gebod Gods van niet te mogen omzien weegt op zyne Ziele. Gehoorzaamheid aan het woord der Engelen doet hem voortspoeden, terwyl natuur hem een traan van huwlykslievde op de wangen hangt. De Almagt, die yders daden in de weegschaal der hoogste Regtveerdigheid weegt, veranderde het lighaam der overtredende Vrouwe in enen Zoutpilaar.
Natuur, door 't hondsche Sodoms volk
Verkragt, riep niet vergeefsch om wrake:
Diens uitgebrande Zwavelkolk
Leer! hoe Natures Heer de zake,
Van zyne wetten aan zig trekt.
Ga naar margenoot+Zoo weet de Here de Godzalige uit de verzoekinge te verloszen, en de onregtveerdige te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden. |
|