Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 178]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 179]
| |
DE VERSCHYNING van DRIE ENGELEN aan ABRAHAM. | |
[pagina 179]
| |
De Verschyning van drie Engelen aan Abraham.Gehele dertien jaren verliepen, eer deGa naar margenoot+ Vader van Ismaël taal of teken van Belovte, Nazaad, of Verbond mogt horen. Dertien jaren geloovde hy, op hoop en tegen hoop. Vaststellende, dat de Onveranderykheid, in het gene hem toegezegd wierd getrouw zoude zyn; had eindelyk de Amen, de Waaragtige, die niet liegen kan, hem wederom zyner gunste verzekerd, en het plegtig gemaakt Verbond vernieuwd: met zig aan hem als de Algenoegzame,Ga naar margenoot+ die zyn hoogste goed voor nu en eeuwig was, te ondekken. De naam van Abram was door een lettermerk tot een ruimer zin van Vaderschap uitgebreid. Sarai moest voortaan SarahGa naar margenoot+ heten. Zy zoude ene vorstelyke Moeder worden. Abraham, de Godgehoorzamende AbrahamGa naar margenoot+ draagt met al wat mannelyk in zyn huiz is het teken des Verbonds. Hy draagt nu de Lievde der Ondertrouw van zynen Verbonds-God als in enen Zegel. Hy verwagt haast grotere dingen te zien dan dezen. De vervulling zal de belovte afwiszelen. Hem zal een zoon des lagchens | |
[pagina 180]
| |
geboren worden. Een Zoon, die een Stamvader zal zyn van Hem, die de vreugde der gantsche aarde zal wezen. Een voorbeeld van dat Tegenbeeld, over wiens Komste de Hemelen zullen Juichen, de Engelen reiën, en de Vrede de Geregtigheid zal omhelzen; om dat God door het zelve een welbehagen in de menschen zal nemen. Hoe zie ik mynen Abraham thans verheven boven het bereik aller zyner vyanden. Geen listige Aardsverleider mag nu een pyl op het Schild van zyn Geloov verschieten. Hy staat als een diepgewortelde Ceder op den Libanon, als een Eik van Bazan. Geen zondig vleesch verleidt Zyne zinnen, nog doet zynen Geest aan het stov kleven. Zyn Ziel, die by de Engelen verkeert, Vliegt, gelyk enen steilsteigerenden Adelaar, boven den Wind van verkeerde driften de Zon der Geregtigheid in het Aangezigt. Al de wereld schynt hem in de hoge vlugt van Zielsbespiegelingen gelyk een stipjen in zyne ogen. Gelukkige Abraham! is dit het voorgevoel der Nabyheid Gods! Is dit een vooruitvloeizel van die vurende Seraphs, die in aantogt zyn om U te bezoeken? Ja, een meer dan Koninglyk, wat zeg ik een Engellyk, een Goddelyk Gezandschap nadert aan, om de Geboorte van den Zoon der belovte te boodschappen. Ga naar margenoot+De albestralende Zon gloeide van haar brandend Middagpunt de omgelegen dalen. De Kudde was hier en ginds in de schaduwe der bergen by het ruischen der vlietende wateren; of in de Lommer van het vriendelyk Cederenbosch zorgvuldig gelegerd. Daar, en daar zag men vermoeide Herderen, die de zorg over het Vee aan hunne Vennoten; met wien zy het zelve beurte- | |
[pagina 181]
| |
lings hoedden, hadden overgegeven. Men ziet hen met de staven naast hunne zyden, met de Tasschen vol gladde Keikens om den middel, met de biezen hoeden in de ogen getrokken, in een lugtig kleedtjen met het hoofd op een hoogte van gras in de luwte slapen. De snedige Herderinnen ontwyken de stekende Middaghitte in hare, naar den wind opgeslagen Tenten, en pogen door derzelver openingen de koelte te scheppen. Het Herderlyk gewoel is in de rust. De blyde Beurtzang zwygt. Men hoort geen gerugt, dan, nu en straks het teder geblaet der jonge Lammeren, die naar de melk tepelen; het afgebroken geloey der lome runderen, die ter hunner verkoeling met de voeten in de zilver zuivere Beken staan; Of het snorren der noestige Byën, die, als onstrafbare Vrybuisters het Balzemryke Veld rustelooz rondzwevende, de dierbaaste Zappen van Bloemen en Kruiden, met ene onnavolgbare naukeurigheid lezen, zonder die bevallige schoonheden in het minste te beledigen. De Vorst der Veldelingen, de grote Abraham, zit aan de deure zyner Tente, aan het hangen van ene steilte, van waar hy het gehele Leger konde overzien, in de schaduwe van het eeuwig Lommerend en windgevend Woud van Mamre. Zyne gedagten zyn als naar gewoonte werkzaam in gepeinzen, alleen eigen aan ene Ziel, die leevt daar zy lievt; en het zalig voorwerp harer hoogagting en aankleving ver boven Zon en Maan met ene aankleving ver boven Zon en Maan met ene heilige bewondering bespiegelt. Hy. . . maarGa naar margenoot+ wat is 't? Abraham ziet opwaards, en ziet, drie Mannen staan tegen over hem. . . . haal verwen aan, leen my Penselen, gy Schilderende verbeelding, en maal my de gulle Gastvryheid in alle | |
[pagina 182]
| |
hare bekorelykheden, eer ik de boodschap van dit Hemels drietal teken. 't Is wel, ik zie haar, zoo bevallig van manieren als vriendelyk van opslag. Betulleband met dierbare stof en stenen, rondom welke de blonde hairlokken krinkelen: toont my haar lagchend, en onbedwongen vrolyk wezen de onschuld harer Ziel. Hare Poezele armen zyn open om elk met een toegenegen hart te ontvangen, en uit den Hoorn des overvloeds, welken hare regte hand bevat, te verkwikken, te verzadigen. Hare Ziel, zoo zuiver als haar sneeuwit gewaad, vindt geen groter wellust, dan als zy gloeit van Lievde om vriend en vreemdeling wel te doen. Is het wonder, dat gy, edelaartige! de Gunstgenoot der Opperste Goedheid beheerscht, zyne voeten vaardig maakt, en hem met heuschheid het Ga naar margenoot+ onbekende driemanschap doet bejegenen? Ik zie het, Abraham loopt die drie Mannen te gemoet, hy buigt zig voor hun neder, en zegt tot den aanzienelyksten: Here, heb ik nu genade gevonden in uwe ogen, zoo gaat tog niet van uwen Knegt voorby: dat tog een weinig waters gebragt werde, ende wascht uwe voeten, en neem uwe rust onder dezen Boom: ende ik zal ene bete broods langen, dat gy uw herte sterkt; daar na zult gy voortgaan, daarom dat gy tot uwen Knegt overgekomen zyt. Groothartige Abraham! edelmoedige Ziel! Is dat het uitwerkzel uwer gulle Gastrvryheid, Is dat de Vrugt uwer Godvrugtige Menschen-min? Ja, gy meent Mannen te ontvangen: maar gy herbergt. . . wat zal ik zeggen? Gabriël, die voor God staat, en die de Boodschapper van het grootste Heil der Wereld zal zyn? . . . Gy herbergt den Prinz der Engelen | |
[pagina 183]
| |
zelv, daar twee Dienaren van den eersten rang uit het Koor der Hemellingen hem bygeleidden. En wie weet wat Heirkragten van den Vorst dier Legerscharen in Lugt en Wolken hangen om uwe Tente te omringen. Abraham gy verlangt den dag van uwen Heiland te zien: hier ziet gy deszelvs beschaduwde Tekening. Hier. . . maar ik zie alrede de Zoon van Therah volyverig in beweging om zyne onbekende gasten wel te onthalen. Sarah, die als ene deugdelyke Vrouw in hare Tente Wolle en Vlas zoekt, hare handen uitsteekt naar de spille, en met hare handpalmen den spinrok vat, laat hare dagelyksche take varen; en volbrengt alrede den Last van haren Heer, om een geregt voor zyne Gasten gereed te maken. Het duurt niet lang of de fynste tarwe, door haar zelve gemaalt, het beste der jonge Runderen, de smydige zuivel, staan met de koele Veldvrugten en het hart verheugend dadelzap op den disch. Eliëzer was inmiddels bezig om de zolen der voeten dier onbekenden te ontbinden, en dezelve van het stov met water, uit de zagt murmelende Bron, naast dit verblyv, geschept, te zuiveren. De Gastheer zelve draagt in de ene hand ene Egiptische Kruik, om hare zeldzaamheid aan het Hov van Pharao vermaard, en hem van dien Vorst ten geschenk gegeven; gevuld met het edelst Druivenbloed. In de andere enen Gouden Beker, van een reyzend handelaar voor fyne wolle ingeruild, en zet dezelve op den ryken tafel. De Aardsvader dient zyne Gasten. Gasten, die hoe meer zy zyne bewondering opwekken. hy meent in hunne houding iets te ondekken, dat | |
[pagina 184]
| |
boven het menschelyke is. Hy twyffelt eindelyk, of in dit bezoek niet iet verborgens is. Ga naar margenoot+Sarah is tot hare Tente, met die van Abraham verbonden, wedergekeerd. Dan hare rusteloze nieusgierigheid dryvt haar gedurig naar de deure derzelve; om door ene heimelyke opening hare Gasten, van zulk een eerwaardig en vreemd aanzien, te begluren. Wat al gepeinz, wat al overleggingen ryzen er in het binnenste dezer Vrouwe. Zy denkt het ergste eerst. Loth ligt haar aan de ziel, hy woont te Sodom. Van tyd tot tyd had het beangstigd gerugt Abraham zugtende de tyding gebragt: van hare Hemeltergende ongeregtigheden, en telkens met verzwaring van het gewigt derzelver. Siddim, die bevallige landstreek, om deszelvs Zegenryke overvloed gelyk aan den Hov des Heren, pleegt, door zynen voorspoed Ga naar margenoot+weelderig geworden, pleegt gruwelen, waar over de geregtigheid om wrake schreeuwt. Sodoma en Gomorra, Adama en Seboim, die van de Hoogste goedheid beweldadigde, en tot den Hemel toe verheven steden, zyn als verdronken in de ontugt. Ontugt welke de zedigheid zig schaamde te noemen.
Daar zat de Onkuizheid op het Kuszen van den Staat;
De weelde, Wellust, en de Geilheid in den raad,
Met drift, en hoogmoed, list, geweld, bedrog en logen,
Brood-dronkenheid had schier het opperste vermogen.
Daar waren wulpsheid, en de luie dartelheid
In eer en aanzien, en de deugden 't Land ontzeid:
De Wyzheid was 't ontvloôn, de Waarheid moest er lyden,
De Matigheid kon 't juk van Moedwil niet vermyden.
De opregte Nedrigheid was staag in doodsgevaar.
Regtvaardigheid, ontbloot van haren Evenaar,
| |
[pagina 185]
| |
Lag in den Kerker, met de boeien overladen,
En zag de onnozelheid verdrukken en versmaden,
Den armen Boozvertreên, en zugte, in 't hart verstoord,
Dat haar de Godheid in den Hogen Hemel hoort:
Want Sodoms Rigters in de Wellust diep verzopen,
Wier handen van het bloed der schuldelozen dropen,
Zyn voor de Weduwen en Wezen stom en doov,
En groeien in de wraak, en leven van den Roov.
De Priesterschap, een hoop broodzatte huichelaren,Ga naar margenoot+
Voert zelv, in 't aanzien van haar Goden voor de Altaren,
De snoodste gruwelen tot op den hoogsten trap,
En juicht in vuile weelde en snode dronkenschap:
De Godsdienst is er Spel. De Tempels zyn Bordelen,
Van Overspel, en schande, en zondige krakelen,
Maar 't volk, vol doodslag, haat, en twist, en bastaardy,
Al te ongebonden tot de snode afgodery,
Bespot het Godendom; vervloekt zyne Offerhande,
Kent Wet nog Regel; roemt in bloedschuld en in schande,
In Moord en Vrouwekragt, en treedt uit overmoed,
En lekkerny, het brood baldadig met den voet:
Ja bloedschande. . . . .
Dit alles weet Sarah. Hier over kwelde zy zoo dikwerv met Abraham hare vrome Ziel. Zy vreezt die Mannen hebben in het voorby reizen van die gedoemden Oort iet vernomen, aangaande den Zoon van Haran, waar van zy zynen Godvrezenden Oom de tyding brengen. Mogelyk is Loth, met ene uit het geslagt van Sodom in den Egt verbonden, afgetreden van den weg van Abraham. Misschien is hy aan de kragt der verleiding bezweken. Een stille traan rolt de Moeder der Gelovigen op deze gedagte van de Wangen. Maar neen, hare goedhartigheid, de Lievde tot haren broeder, de kenniz zyner vrome zeden, in het Huiz van Abraham, aan den dienst van GodGa naar margenoot+ verbonden, de vrolykheid der aangezigten dezer | |
[pagina 186]
| |
vriendelyke Gasten, beteugelen omtrent Loth hare vreze, die zy tegens zig zelve keert. Zy meent nu het zyn wederom koninglyke gezanten, die onderzoek doen, of zy waarlyk de Huizvrouwe dan de Zuster des Herders is, om haar, niet te Schaken: maar ten Vorstelyken Egt te verzoeken. Tusschen beiden wenscht zy, dat het Chaldeeuwen mogen zyn, die aangename tydingen van Nahor en Milka brengen. . . . Ja Sarah! ween vry in het voorgevoel, dat de eeuwige Wrake zig zal aangorden om Sodom te verdelgen. Maar verdenk de deugd van uwen Broeder niet. Hy kwelt zyne regtveerdige Ziel nagt en dag in het midden dier Godloozheden; en betrouwt op Hem die Noach in den Zondvloed bewaarde. De Gasten van uwen Abraham betigten genen Loth van euveldaden. Het zyn gene Boodschappers uit Ur der Chaldeen. Het zyn gene Koninglyke Gezanten, om U ten Huwelyk te vragen. Meer dan Koninglyke Gezanten zyn hier. Aangenamer tyding dan deze zult gy ylings horen uit den mond van hem, die alle uwe gedagten weet. Van hem die Ga naar margenoot+aan de vlugtende Hagar, als de God des Aanziens verscheen. Alrede is uwen naam genoemd. De Engel van Gods aangezigt vraagt: waar is Sarah? dat bygevoegde Lettermerk in uwen Naam is hem bekend. Hy zelv heeft U dien gegeven. Hy weet dat gy agter hem aan de deure der tente staat, hy. . . Maar welk een ommezwaay in de ziel van Sarah? hoe lopen hare togten eensklaps in het middenpunt van verrukte verwondering te zamen. Ik zal, zegt hy, in wiens binnenste de Naam Jehova is, voorzeker weder tot U komen, omtrent dezen tyd des levens; en ziet; Sarah uwe | |
[pagina 187]
| |
Huizvrouwe zal enen Zone hebben. Hemel! Sarah zal enen Zoon hebben. Sarah, die Negentig Jaren oud is, wie het niet meer gaat naar de wyze der Wyven, Sarah, die, door kinderzugt gedreven, haren Dienstmaagd in de schoot van Abraham gav; Sarah, die Ismaël, nu dertien jaren lang als haren Ervgenaam troetelde, Sarah zelve zal baren. . . . . Abraham lachte onder de eerste toezegging dezer Geboorte. Het licht van zyn geloov bestraalde zyne ziel. Hy betrouwde den Here op zyn Woord. Hy verheugde zig in den God zyner blydschap. Dat woord: in Izaäk zal U Zaad genoemd worden: was de sterkte van zynen Geest. Hy verwagte de vervulling daar van zonder twyfeling. Sarah lacht nu mede. Evenwel die gebeurtenis blyvt haar een Wonderwerk. Zoude ik, roept zy uit, ik waarlyk baren, nu ik oud geworden ben? ende myn Here oud is? Zy roept het uit, en weet door verbaazdheid naulyks dat zy het roept. Zy staat verward, nu zy naderen moet en hoort, dat hy, die zy nu eenGa naar margenoot+ Profeet des Hoogsten geloovt te zyn, vraagt: waar om heeft Sarah gelagchen? maar nu hy daar, met een Maiesteit die haar doet vrezen, byvoegt: zoude iet voor den Here te wonderlyk zyn? en haar nogmaals zegt: ten gezetten tyd zal ik tot U wederkomen, omtrent dezen tyd des levens, en Sarah zal enen Zoon hebben: wil zy in diepen ootmoedGa naar margenoot+ toe treden, en nedervallende aan zyne voeten verschoning vragen voor hare twyfeling. Maar met een ryzen die Mannen op, en wenden het aangezigt naar Sodom. . . . Abraham bemerkt zulks, en ylings trekt hem een kille schrik door zyne aderen. Driewerv wilde hy hun de Reize naar dat Wellustig gewest afraden, en driewerv | |
[pagina 188]
| |
Ga naar margenoot+voelt hy op het aanzien van dien heerlyksten zyner Gasten iets in zyn hart, waar uit hy bevroedt, dat die Perzonaadjen een was, die boven den raad van het schepzel verheven was. Hy voegt zig met ene heusche bescheidenheid aan hunne zyde. Hy poogt hun oogmerk in hunne reize derwaards te ondekken. De bewustheid der onuitdrukbare gruwelen welke te Sodom gepleegd worden, en het bezef der strenge Regtveerdigheid van de hoogste heiligheid doet hem vrezen, dat het verderv Ga naar margenoot+dier steden besloten is. De Aards-engel, in wiens binnenste de Eeuwigheid woont, ziet den angst welke de Ziel van Gods Verbondeling pynigt. Zoude ik, zegt hy, (zoo veel vermag de Regtveerdigheid van dezen Man) voor Abraham verbergen wat ik doe? en met een zendt hy zyne Ga naar margenoot+twee Herauten voor uit, en schiet een flikkering der stralen zyner Godheid door des Mans gedaante, zodanig dat Abraham eensklaps gevoelt, dat het geen Profeet, geen Seraph: maar de Jehova zelve is die zynen Tafelvriend was. God openbaart zig aan hem in zyne byzonderste Toegenegenheid en Vaderlievde. Hy betrouwt hem, gelyk de ene hartvriend den anderen de geheimen, verzegeld in het besluit des Wagters. Hy tekende hem als die de Vader van een groot en magtig volk zoude worden, in wien alle volkeren der aarde zouden gezegend worden. Hy ken hem, dat hy zyne kinderen en zyn Huiz na hem zoude bevelen, dat zy den weg des Heren hielden om te doen geregtigheid en gerigte. Hy spreekt met Abraham van zyne oordelen. Hy geevt hem kennis van het gerigte, dat over Sodom gespannen is. Help God! wat storm onstaat er in de tederhartige | |
[pagina 189]
| |
ziel van de medelydenste der menschen. Abraham blyvt als verstyvt van schrik staan voor het gezigt.
- - - - - Van 't Algenoegzaam Wezen,
Zyn gryze hairen staan te bergen opgerezen,
Om 't yzlyk Oordeel, dat de wraak nu toebereid.
O Hemel! berst hy uit: waar Loth, er uitgeleid! . . .
En waagt het om met God van 't oordeel Gods te spreken.
Hy treedt eerbiedig toe, buigt zig ten diepsten neêr,
En zegt: ontferm U, O Regtvaardige Opperheer!
Misschien zyn in die Stad nog vyvtig vrome zielen;
Zoudt gy die vyvtig met het godlooz volk vernielen,
De plaatz niet sparen om het vroom en heilig Zaad?
Zal deugd en ondeugd zyn in een gelyken staat?
Neen! neen! dat kan niet zyn de Regter dezer aarde,
Zal regt doen, en de deugd steeds stellen op haar waarde.
Hier zwygt de ootmoedigste der schepzelen, die zig door lievde tot de menschen der Godheid poogt gelyk te maken. Der Godheid, die de Hoogste Regtveerdigheid: maar te gelyk de uitgebreidste Lievde is. De ingewanden Gods rommelen van Barmhartigheden. Hy wreekt zig van de boze, die zyne Heiligheid aanschendt: maar met medelyden, en om hem door de Roede zyner wrake, ware het mogelyk, ter beteringe te brengen. Om vyvtig Regtveerdigen zal hy ter lievde van het Menschdom, waar in hy zyn Beeld had uitgedrukt, zal hy ter gunste van zynen Godvrezenden Bondgenoot, de gehele Godtergende Landstreke sparen. Abraham vreezt, dat het kwaad te zeer ingekankerd is. Dat er misschien gene vyvtig onbesmette zielen zullen gevonden worden | |
[pagina 190]
| |
Ga naar margenoot+waarom Sodom kan gespaard blyven. Stov en assche, in vergelyking van hem die de Hoogste is boven alle de Geschapenheden, onderwindt hy het, (zoo kragtig is de zugt voor de behoudenis zyner Natuurgenoten.) Om met den Heer der Heirscharen als in een Pleitgeding te treden.
Hy bidt voor Sodoma al even tederhartig,
Om vyv-en-veertig, en om veertig, en om dartig
Ja twintig menschen, vroom van leven en van leer,
En krygt gestadig een barmhartig antwoord weer.
En eindlyk zegt hy: dat Gods gramschap niet onsteke
Om myn vermetelheid! dat ik nog eenmaal spreke!
Misschien zyn in die boze in die bedorven stad
Nog tien Regtveerdigen, van gruwelen onbeklad,
En zoude die het lot van de ondeugd mede ervaren? . . .
O neen! om tien zou ik de hele landstreek sparen,
Zei Abrams Gods, en brak die onderhandeling,
Vertrok; terwyl myn held naar 't herdersleger ging.
Daar komt de gezegendste der stervelingen in het dalen van den neveligen avond. De Damascener, de trouhartige Eliezar had hem met al het gezin, in een pynigend verlangen te gemoet gezien. Zy vertrouwen de weldadige huizwaard heeft Engelen, ten minsten Zienders der geheimen Gods, mogelyk Koningen, niet ongelyk aan Melchisedek, die als een Priester des Allerhoogsten hunnen heer zegende, aan zynen disch onthaalt. Zy verwagten uit zynen mond wonderen te horen welke hem, tot blydschap van hun allen, voorspelt zyn. Zy bevroeden er iet van in de uitgelatene vrolykheid, die op het gelaat harer Vrou- | |
[pagina 191]
| |
we dartelt: maar die het heil, dat haar de Ziel verheugd nog verzwygt voor hare huizgenoten. Abraham nadert hun. Dan, welk een verwondering in alle de herderen die met den huizbezorger hem gedienstig opwagten. Zy bespeuren in het gelaat van hunnen heer, wel enen vergenoegden trek: maar in ene hartbeknellende bekommering zodanig gedommeld, dat zy de blydschap, in zyn gemoed op de belovten van den goddelyken gast ontstaan, naulyks daar uit ontwikkelen konnen. Kortom het aangezigt van den Aardsvader vertoont ene pynelyke ingetogenheid der Ziel. Het loth der Sodomiten smert hem. En denkt hy aan Loth, den Zoon zynes broeders, die met al het zyne onder dezelve woont, dan voelt hy als een zwaard door zynen boezem gaan, en kan zig naulyks bedwingen van tranen te storten. Driewerv poogt hy de aannaderende wrake over zyne natuurgenoten met ene aandoenelyke Ziele hun te ontdekken, en driewerv houdt de zorge voor Sarah, wier teder hart, wier aankleving aan Loth, hy kent, zyne lippen gesloten. Sarah is verrukt van blydschap in het Geloov aan de belovte Gods, dat zy eerlang zelve zal baren. Baren de Zoon der belovte, het zaad der Zegeningen. Zy ziet haren Abraham te ruggekomen, snelt hem tegen, valt hem aan den hals, en barst uit:
- - - O vreemd geval! wie zag ooit wedergaê?
Hy profeteerde, en wist al wat ik dagt, o wonder!
Die man zit in Gods raad. Daar schuilt wat godlyks onder.
Myn Ongeloov verdwynt, de twyffeling verdoovt,
God is getrouw, die dit zoo dikwerv heeft beloovd
| |
[pagina 192]
| |
Aan mynen here. 'K zal nog in myn oude jaren
Gewis het zaad, den zoon van Gods belovte, baren,
Uit wien de Zegen van al 't Menschdom spruiten zal.
God zal zyn Dienstmaagd, want het Raadsbesluit staat pal,
De Jeugd herroepen, en weer nieuwe kragten geven . . . .
Ga naar margenoot+Vergeet de Herbergzaamheid niet: want hier door hebben zommige onwetende Engelen geherbergt. |
|