Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 164]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 165]
| |
DE GEBOORTE van ISMAËL. | |
[pagina 165]
| |
De Geboorte van Ismaël.De aanprikkelende Hope, Dogter der begeerte, versterkte Sarai, zint de plegtige Verbondsmaking van God met Abram, in die verwagting: dat het Zaad der belovte zoude geboren worden. Maar dat zy van het zelve de gezegende moeder zoude zyn, schynt haar een wonderwerk. Zy betrouwt de Magt des Algenoegzamen, die haar in het Hov van Pharao als uit de Kaken des Krokodils verloste; die Loth der slaverny ontrukte; die haar door zoo vele uitkomsten der Voorzienigheid leerde, dat zyn woord nooit feilde. Zy betrouwt zynen wil, om haar zyn heil te doen zien, en geloovt die belovte: ik zal uw Zaad vermenigvuldigen als de sterren des Hemels. Zy houdt voor vaste, dat Abram gewis de Vader van den Zoon der Zegeningen zal zyn: maar dat zy de gelukkige Moeder zoude worden, dien aangaande blyvt haar de Godsprake duister. Zy wikt, zy weegt, zy wenscht, zy smeekt den Here om dat Zaad van Abram te zien. de driftigste kinder begeerte werkt in alle de uitgangen van haar hart, is te zien in alle hare daden. Haar Boezem gaat van een ontwerpGa naar margenoot+ zwanger, waar over zy angstig den Hoogsten aansmeekt: maar de Godheid antwoord niet, nog door dromen, nog door gezigten. Dit zwygen op hare bede houdt zy voor ene goedkeuring | |
[pagina 166]
| |
des Hemels. Zy. . . Zy ken haren Abram. Was ergens Egtgenoot die zyne gade tederder beminde? Zy ken zyne onwankelbare Huwlyks-trouwe. Dat meer is zy ken de sterkte van zyn beproevd geloov, standvastig op hoop en tegen hoop. Zy vreezt, of schoon zint de tyden van Lamech de Veelwyvery ene ongestrafte gewoonte was, dat hare kuische Huwlyks-vriend, die haar steeds met ene onverdeelde Lievde aankleevde, ook nu, in zynen haast Negentig-jarigen Ouderdom, geen Bywyv op de eerlyke Egtsponde zal willen omhelzen. Zy is ten einde raad. Zy weet egter geen ander middel om van Abram Zaad te zien dan door ene harer Maagden. Dat die op hare knieën Ga naar margenoot+bare is het doel van alle hare wenschingen. Dat. . . . Maar zie ik de Verzoeker, de grote Tegenpartyder van het Zaad der Vrouwe in de weer? Zie ik de Paradyz Slang loeren op de zwakke Ziel der hartstogtige Sarai? Ja het is zyn doel het woord van de onfaalbare waarheid: het Zaad der Vrouwe zal het Zaad der Slange den Kop vermorzelen: tot een leugen te maken. Hy versterkt Sarai in haar opzet, en poogt haar dus het ongenoegen van Abrams Verbonds-God op den hals te laden; op dat, ware het mogelyk, hy de belovte van het Zaad der Zegening niet gestand dede. Ga voort, Apollion! in uwen toeleg, om uw gevloekt ryk op de Puinhopen van Gods Heiligdom te Bouwen. het Zalig Euangelium in Eden uitgeroepen houdt eeuwig stand tot heil van Adams kinderen. Uw Kop verpletter moet uit Sarai hervoortkomen.
De grote Krygs-trompet, in Edens hov geblazen,
Mag 't Heir van Lucifer, als dol van spyt, doen razen;
Zoo dat het eeuw op eeuw, gedurig kanzen waagt,
| |
[pagina 167]
| |
En 't onbedagtzaam volk in hinderlagen jaagt,
Apollion zal nooit zyn voet op d' Erv-grond zetten;
Vorst Michaël zal hem dien inbreuk wel beletten;
Al duurt die Vyandschap en onverzoenbre wrok
Van 's Aardryks Morgenstond tot zynen jongsten schok;
Geen Satan, hoe verwoed, kan immer triomferen,
Nog ooit de Zaalge komst van Abrams Heilzaad weren.
Maar wie is zy aan wie ik Saraï alrede hoor voorstellen om in plaatz van haar met Abram te vergaren? 't is Hagar, de blanke Hagar, van Saraï in Egipten gekogt om haar ten dienste te staan. Dat Sieraad der Herderinnen. Die Bloem der Schoonheden. Dat Pronkstuk der gezondheid. de Rozen gloeien op hare Kaken, de frisheid van den blyden Morgenstond ademt van hare lippen; vreugde, gepaard met eenvoudigheid en zedigheid schittert haar ten ogen uit, en uit de vrolykheid hares harten Zingt zy onder hare wandelingen. Hagar kent de zwakheid harer Vrouwe. Zy voedt die zwakheid. Zy Vlamt op de Eer van Abrams Bywyv te zyn. Zy raadt Saraï, met ene geslepenheid, Minzieke Maagden eigen, hoe zy Abram het best tot haar belang zal overhalen. Abram zit mistroostig in de Tente. Niet om dat zyn Verbonds-God vertoevt. Zyn Geloov verbeit de vervulling zyner toezegging. Maar om dat hy de beminde zyner ziele ziet kwynen. Kwynen, gelyk een Veld-viöol, die den gehelen dag van de Zon beschenen, zig des Avonds door geen Bebalzemende daauw voelende verkwikken, haar kleur, en geur, en glanz verliezt. Hy bemerkt de wanhopige mymering van Saraï, die dikwerv voor hem staat, zonder hem te zien; hare lippen roert: maar geen woord spreekt; en ylings , hangends-hoofds buiten de Tente door het brede Veld | |
[pagina 168]
| |
loopt dwalen. Hy speurt haar na, hy poogt hare bittere droevheid door allerhande Landvermaken te verzetten, hy spreekt heur naar het hart, en wil haar met de belovten Gods troosten. Maar zy barst uit: wat is er te verwagten van ene wie door Ouderdom de Baarmoeder verzegeld is? Ik geloov het woord des Heren: Ja hy zal uit uwe lendenen Zaad verwekken. Maar melde ooit de Godspraak dat het door Saraï zoude zyn! O neen! Ga naar margenoot+myn Heer! gy verwagt Wonderwerken, en God werkt door middelen. Verwagt het Zaad van Gods belovte niet uit my. Gebruik de Vryheid aan U . . . . waar is de Wet, die een twede Vrou verbiedt? . . . hier zwygt ze, en
Abrams wezen toont de diepte der gedagten,
Wie zou dien Voorslag ooit van ene Vrou verwagten.
Zy, die een geheel Koningryk versmade, om dat zy haren Abram met ene aanklevende lievde beminde, zal nu, zodanig is de kragt der kinderzugt, hem in den schoot ener vreemde aanbevelen. Hagar is haar de goelykste. Hagar schynt haar de geschikste ter kinderteelte te zyn. Zy pryzt dezelve ten dien einde haren Man aan. In vooruitgezigt, dat Hagar op hare kniën barende, afstand zal doen van enen Zoon ten behoeve van Sarai, die hem als haren eigen zal koesteren. Abram Ga naar margenoot+onderneemt nog eenmaal hare drift door de kragt der reden te beteugelen; hy leidt haar te rug naar de Schepping aller dingen, tot éne Heva by Adam; hy poogt hare gedagten te vestigen op Noach en zyne Zonen, die op Gods bevel, elk maar ene Vrou met zig in de Arke leidden; hy toont dat de Wellust die order overtreden heeft. maar (zoo vermogend zyn de tranen ener Vrouwe, | |
[pagina 169]
| |
om wie men leevt, terwyl men haar bemint.) Abram, de anders altyd grootmoedige Abram laat eindelyk den teugel.
- - - - Op het gevley der Vrouwenlippen,Ga naar margenoot+
Van zyne eenvoudigheid uit Redens handen slippen;
En stemt in 't Huwelyk, waar Sara hem toenoopt.
Och Abram! Gelovige verlater van uw Vaderland! Abram! gemeenzame Vriend der Godheid! Aansmeker van den Jehova, toen uwe gade in de hand der Wellust was! Verwoester der Dwinglandy! die met zoo veel kragt omgord wierd ten dage des stryds. Heilig der gelovigen! met wien de Ongeschapenheid zoo een plegtig Zout-verbond maakte! Ziender des Hoogsten! die zoo dikwerv eeuwige Gedenktekenen rigte op die plaatzen, waar aan uwe Ziele kleevde; om dat God U daar, en daar zoo genadig verscheen, en van zyne gunst verzekerde. Och Abram! gy Diensteling des Allerhoogsten, is dit de kragt der Huwelyks-min wanneer de Reden haar begeevt? verzuimt gy thans des Heren mond te raadplegen? Wat zal dit pligtverzuim U al bitterheden Baren. Dert en Jaren zal hy die uw bedekkend Schild, en algenoegzaam Loon is, zyn lievde blyken voor U verbergen. In al dien tyd zult gy taal nog teken van het Zaad der Zegening, de enige grondslag van uw geloov, waar op al uw tydelyk en eeuwig Heil gezonken is, mogen vernemen. Ondertusschen zyn de handelingen der Voorzienigheid, gelyk het Heilig Schrivt, van agteren te lezen. Hoe heerlyk blinkt Gods Wyzheid by de einden Zyner wegen. Een Man, die in den derden Hemel opgetrokken, onuitsprekelyke gezigten zal zien, de grote Tharser, zal den Gouden | |
[pagina 170]
| |
sleutel geven, waar mede men het geheim van uwen tweden Egt zal konnen openen.
Had ons, O Paulus! door een heilig Vuur gedreven,
Uw God-gewyde Pen, die oopning niet gegeven,
Wat sterveling had ooit ondekt het merg en pit,
Dat in het vreemd beloop van Hagars Huwlyk zit.
Ga naar margenoot+Dat men niet meer zegge, dat de Minnennyd, Zuster der Argwaan, Pest der Huwlykslievde, de hevigste der driften zy. De kinder begeerte overtreft haar. Saraï is alrede bezig Hagar met Welriekende Zalven te begeuren, met hare Feestgewaden en Kleinodien, haar van Koning Pharao verëerd, te versieren. Zy zelve heeft het Bruidsbedde in hare eigene Tente gespreid en opgeschikt, werwaards zy Hagar tot Abram, hare Dienstmaagd tot haren Man brengt, zig van daar begeevt in de Tente van het Bywyv, en daar vast eenzaam hoopt op de Vrugt harer Paring . . . . maar ik zie alrede de rampzalige gevolgen der losbandige driften. Saraï verkeert met Hagar in ene hartverrukkende Aandoening. Met Hagar, die zig alrede Zwanger gevoelt. Saraï, die haar beschouwt als de Vrouw die op hare kniën het beloovde Zaad zal Baren, geevt haar de genegenste Namen. Zy noemt haar myne Zuster, boezem-vriendinne, ja gezegendste der Wyven. Zy beschenkt haar met allerhande aangename en dierbare Ga naar margenoot+verëringen. Zy laat haar oppaszen als ene Heerinne in het magtig Huizgezin van den ryksten Herder. De Dienstbare krygen last Hagar gelyk Saraï te gehoorzamen. Zy verrast haar gedurig met Koninglyke lekkernyën, van Handeldryvende, die dagelyks hare Legering bezoeken, voor de beste harer Kudde ingeruilt, Ja het schynt | |
[pagina 171]
| |
zelv of de Wettige Vrouw al haar Gezag en Aanzien aan het bevrugte Bywyv Goedhartig afstaat. Abram, de voorzigtige Godsman, herinnert haar vaak, dat de Zwangere hare Dienstmaagd is, dat deze slegts het Bywyv: maar zy de Wettige Gezellinne zyns Verbonds is, die hare magt omtrent de gekogte niet behoort te vernietigen. Dat die Gemeenzaamheid . . . . Maar de goede Gade is zoo vervoerd van vreugde, dat zy haast Moeder zal heten, dat zy gaarne hare Dienstmaagd, die haar dien Zegen zal Baren, boven zig vereren wil, en geliev-koozd ziet. Dan, is het wonder, dat de dus gevierde en gevleide Slavin allengs de dienstbaarheid vergeet? dat zy het ongelyk gelyk met gene gelyke Zinnen verdragen kan? Neen die ongewone weelde, doet haar de lage Ziel met het lighaam zwellen. Trotzheid en wuste WaanGa naar margenoot+ bemeesteren haar, zy bejegent hare Vrouw voor alle die goeddadigheden met minder agting, dan zy verpligt is. Zy meent, dat zy die en meerder, ten spyte harer Vrouw, waardig is. De ydele inbeelding Vleit haar hart. Zy vleit zig het gezegend Zaad van Abram te dragen. Zy denkt den Ervgenaam van Gods belovten te zullen Baren, en waant dus, dat de daarom Saraï in het gezag is boven het Hoofd gestegen. Saraï ziet hare Ondankbaarheid en hare wrevelige tegenwrytingen van hare bevelen. Nog verdraagt zy het ter lievde van de onvoldragen vrugt, en verbergt hare bittere smerte deswegen voor haren Heer.
Een Eik staat zelv bedrukt, en schynt gevoel te krygen,
En treurt, wanneer het Klim zig aan zyn Takken hegt,
Ja, om zyn toppen zelv de dart'le ranken vlegt,
En, al te ondankbaar roovt zyn Vryheid, bloey en leven,
Na dat hy 't aan zyn Stam eerst steunzel had gegeven,
En in de ted're Jeugd van 't Voetzand opgebeurd.
| |
[pagina 172]
| |
Saraï ondergaat hare Slavin met tranen in de ogen, en onderhoudt haar wegens hare Ondankbaarheid. Maar, O Wrevel! zy barst in onstuimige Ga naar margenoot+driften tegens hare Heerinne uit, en verwyt haar zelv, met smaad de Onvrugtbaarheid. dit grievt de goedhartigste der Vrouwen zodanig, dat zy weent, zoo luide weent dat het van haren Abram, die buiten haar weten nevens hare Tente staat gehoord word. Hy schiet toe, en eer hy vraagt, barst Saraï uit:
Moet ik dit leed nog in myn Ouderdom verdragen?
Moet ik den Schimp van ene ondankbare Slavin,
Gedogen, die my, zoo verwaand en trotz van zin,
Om myne Onvrugtbaarheid, als hing 't aan onz vermogen,
Bespotten durvt; daar 't my, helaas! aan bei myne ogen,
Zoo duur staat op een Zee van tranen jaar op jaar?
'k Heb haar der dienstbaarheid ontrukt, en zelv, 't is waar,
Gegeven in uw' Schoot, door kinderzugt gedreven;
Maar nu zy Zwanger is, en my die Vreugd zou geven,
Word ik van haar veragt, en ben haar tot een smaad,
En schimp in 't Huiz bestier, daar zy nu zelv naar staat,
Ja gaat zy voort in die Hoogdravende gedagten,
Heb ik de slaverny haast tot myn Lot te wagten:
Maar gy, O Abram, zult myn Rigter zyn en Heer;
Of al myn ongelyk en hoon daalt op U neer:
Ja anderzinds zal God regtvaardig Vonnis vellen,
En tusschen U en my, zig tot een Rigter stellen.
De Aardsvader ziet, dat het snode Huiz krakeel uit het Broeinest van de driften ontstaan, de lieve Vrede uit zyne Tente jaagt. Hy ziet dat de Trotsche Waan de order in zyn Huiz bestier verbreekt. Dat de vervloekte Twedragt de Wisse vrugt van het Bywyvschap is. Hy had zoo ylings in toorn tegen Hagar uitgevaren, en haar vernederd voor het oog van Saraï, die de beminde zyner Ziele is: maar hy vreezt de ongeboren vrugt | |
[pagina 173]
| |
te beledigen. Des zegt hy alleenlyk met een Gelaat, waar uit Hagar begrypt, dat Abram haar slegts als de gekogte van Saraï behandelt: myne Saraï vermy het Huizgekyv; zy is uwe Dienstmaagd doet met haar zoo als goed is in uwe ogen. Hoe zeker is het, dat Trotzheid de Dogter der Eigenmin: maar ook de Moeder der Vernedering is. Saraï gesterkt door de Magt haar van Abram gegeven, oefent haar wettig gezag op hare wederstrevigeGa naar margenoot+ Slavin. Zy doet haar ondervinden, dat het aan haar stond haar zoo wel te vernederen als te verhogen. In plaatz, dat zy haar voorhenen liet oppaszen als het Bywyv van haren Heer, beveelt zy haar thans het werk van ene gekogte in Abrams Tente te verrigten. Ja Zendt haar naar heure eigen Slavenhutte te rugge, en beveelt heur daar den bestemden Barenstyd af te wagten.
Maar die een snellen stroom wil stoppen met geweld,
Maakt dat hy Hoger stygt, en uit zyne Oevers zwelt.
De Trotsche Hagar kan geen Zedetugt verdragen;
Het grootsch gemoed besluit het uiterste te wagen.
De Zwangere Slavin, voorheen als ene Vrouw des gezins van hare Heerinne gevleid, van alle de Herderen gevierd, van alle de gedienstige Maagden met eerbied opgepast, en van Abram zelv, ter lievde van Saraï en de ongeboren Vrugt ontzien: kan zig onmogelyk aan hare vorige dienstbaarheid gewennen. Het denkbeeld van veragting valt haar onverdragelyk. Zy schuwt de tegenwoordigheid van al het gezin. De onderscheiden driften, die haar ziel als zoo vele Beulen pynigen, vallen haar harder dan de gewone slaverny. Haar boezem gaat van een wanhopig opzet Zwanger. de prang der dwang valt haar onlyde- | |
[pagina 174]
| |
lyk. Hare Tente is haar de benaudste Kerker. Zy ontvlugt dezelve, en Vliedt met het vallen van den Ga naar margenoot+Nagt, naar de akelige Woestyne die naar Egipten leidt, met opzet om tot haar Land en Maagschap wedertekeren. Wemoedige Hagar! Wat mag de Helsche Hovaardy uwe Ziel beroeren! wat mag de beguichelende Waan U opblazen! wat vermeet gy U op uwe Vrugt! het zal geen Izaäk, geen Zoon des lagchens: Maar een Ismaël zyn. Een Ismaël, wiens hand tegen allen zal wezen, en de hand van allen tegen hem. Gy ontvlugt uwen Heer, die met God in een Verbond staat! Gy begeevt uwen Leermeester, die uwe Ziel voor de eeuwigheid poogde te behouden. Gy ontvliedt het gezin, dat door de Engelen gedekt is. Gy ontsluipt het oog uwer Vrouwe: maar gy kond het altyd wakend oog des Alleszienden niet ontvlugten. Beangste Vlugteling! maak geen overleg hoe gy het best de harten der Egiptenaren wegens uwen toestand zult vertederen. Gy zult nog uw Volk, nog de woningen van Mitzraim beschouwen. Gy zult U moeten buigen in vernederende Ootmoed onder de magtige hand van hem die alle uwe treden telt. Gy zult. . . . Maar ik zie, Hagar dwaalt al verder en verder van het Leger van Abram. Zy doolt by het schynzel der Mane in ene Landstreke met Zand en Zandsteenkens overdekt. Hier laat zy enen stinkenden Modderpoel begroeid met Riet, met Lis, en Biezen. Waar uit de Roerdomp een hol geluid laat horen. Ginds enen schralen Heuvel met Mos en Bruine Heide bewaszen. Elders ene akelige zamenvlegting van brandende Netelen, stekelige doornen, gepunte distelen, en verwarde struiken, die der schuife- | |
[pagina 175]
| |
lende Slange, en venynige Adderen ter schuilplaatze strekken. Hier en daar enen wilden Heerster, enen onvrugtbaren en kwalyk gevoeden Boom, die zynen dorren kruin alleen schynt op te steken om der wilde Meerlen, en Schuivuiten ter nesteling te wezen. Alles wat schrik en vreze, kommer en gevaar in de verbeelding kan opwekken omringt de Zwangere Dienstmaagd op alle hare voetstappen. Dikwerv misleiden haar de in een gekronkelde Zypaden, die zy zomwylen over de helvt heeft afgelegt, wanneer zy stilstaat, ommeziet, te rug keert, en by het aanbreken van den dag de tekens gewaar word, door zwervende Kooplieden ten gemak des Reizigers op den juisten Weg gestelt. Zy begint haar onberaden opzet te verfoeien. Nog meer dat zy het Bywyv van Abram wierd. Haar Zwanger Lighaam is ten uitersten afgemat. Hare voeten zyn gezwollen in de Zolen. Zy moet zig nederzetten, de Riemen derzelver losmaken, en wenscht niets anders dan hare brandende dorst met ene teuge waters te mogen koelen. . . . Wat is 't? Hagar hoort, door de beweging, welke zy maakt op de hoogte, waar op zy nederzit, onder zig afvallend gruiz in het water klinken. Zy vliegt op. Ruimt de struiken onder haar weg, rolt de steen daar onder af, en vindt ene Welle, in langen door genen Voorbygaanden geroerd; leent met haar moede lighaam over den mond deszelvs, en schept met de holligheid van hare hand het water zoo helder als Kristal, en drink daar van by volle teugen. Hagar! drinkt gy hier levende Bron om uwe aemegtige borst te laven! hoe onkundig zyt gy van uwe nakend Lot. Straks zal de Heils-fontein, die tot in eeuwigheid voor alle vermoeide en dor- | |
[pagina 176]
| |
stige Zielen vloeit zig in de volheid zyner Zaligende Algenoegzaamheden aan U ondekken, Deze Wel zal van U met enen nieuwen Naam genoemd worden. Zy zal U een gedenkteken der goedertierenheden van den Jehova zyn. Wat zugt gy nog? de gantsche Hemel is over U in beweging. Zoo aanstonds zult gy gezigten Gods zien. . . . Evenwel, ik zie haar, zy zit bedrukt ter neder. Haar byna bezweken hoofd rust op hare slappe hand. Zoo buigt zig ene Blanke Lelie na het gezelen der winden. Hagar wagt, of er niet een Reiziger, of afgedwaald Herder voorbykomt, in wiens gezelschap zy zou konnen voort treden. Nu en dan slaat zy, als ene onderwezene in het Huiz van Abram het natte oog ten Hemel. Maar zy voelt zig een weinig verkwikt. Zy ryzt op . . . Ga naar margenoot+Hemel! zy ryzt en word eensklaps staande gehouden door een Licht dat haar omschynt, en in dat licht ziet zy ylings een gedaante, niet ongelyk aan die welke onlangs aan haren Heer zoo allerplegtigst verscheen. Zy ziet den Vorst der Legerscharen. Zy valt, verblind door dien Goddelyken glanz in diepen Eerbied plat op het aangezigte neder. De Engel, in wiens binnenste de Naam Jehova is, noemt haar by haren Naam. Hy toont die Ellendige te kennen, en haar naukeurig te hebben gade geslagen. Hagar! zegt hy, gy Dienstmaagd van Saraï, van waar komt gy, ende waar zult gy henen gaan? de onnozele Vrou, te zeer beangst, én getokkeld in haar geweten om te veinzen, antwoort, met ene bevende stemme: Ik vlugt voor het aangezigt van myne Vrouwe. En ylings luidt de Godspraak: Keert wederom tot uwe Vrouwe; en vernedert U onder hare han- | |
[pagina 177]
| |
den. Ik zal uw Zaad grotelyks vermenigvuldigen; zoo dat het van wegen de menigte niet en zal geteld worden. Ziet, gy zyt Zwanger, ende zult enen Zone Baren: ende gy zult zynen Name Ismaël noemen, om dat de Here uwe verdrukking aangehoord heeft. Ende hy zal een Woud-Ezel van een mensche zyn: zyn hand zal tegen allen zyn, ende de hand van allen tegens hem: ende hy zal wonen voor het aangezigte aller zyner Broederen. Hoe zinkt die Godsprake in de Ziel van de in ootmoed wegsmeltende Hagar. Hoe vertedert dat gezigt haar voorheen hoogmoedig Hart. God vond Hagar. Hy vond haar in omstandigheden, waar in zy hem niet verwagte. De Eeuwiglevende kende haar. De Engel van Gods aangezigt was haar ene Bode des Vredes. De Hel tsittert om dit gezigte. Nog meer daar Hagar uitroept: God des Aanziens! heb ik ook hier gezien naar dien, die my aanziet! Ja deze plaatze waar heur God verscheen, verscheen ter harer eeuwige Behoudenis, is haar zoo dierbaar, dat zy die zonder einde wil doen gedenken. Zy gaat niet heen voor dat zy die Welput, tusschen Kades en Bered genoemd heeft: de levende Fontein van die leevt en ziet. Ondertusschen is alles in het gezin van SaraïGa naar margenoot+ in de uiterste verlegenheid. Hagar de, by Abram Zwangere Dienstmaagd word gemist. Men zoekt in alle de Tenten. Men heeft rappe Knapen uitgezonden om haar langs het Veld op te sporen. Men vraagt dezen en dien der Voorbyreizenden: Of zy haar gezien, of iets van haar gehoord hebben? Saraï is ten einde raad. Zy mist met het Bywyv alles wat hare Hope om een- | |
[pagina 178]
| |
maal Moeder te heten voeden kan. Duizendmalen wenscht zy: dat zy Hagar nimmer hadde vernederd: maar liever de uiterste veragting van haar geleden hadde, om, na den afloop van haar Zwangerschap het gewenschte Kroost op haren schoot te mogen troetelen. Dan in die beroerende ongerustheid brengt ene harer Hoeders te tyding: dat men van den naasten Heuvel in de vlakte ene zag aantreden, wier gang en houding niet ongelyk was aan die der gevlugte. Ga naar margenoot+Saraï loopt naar den Heuvel om van den zelven te zien of. . . . Maar zie daar alrede Hagar voor de Tente van Saraï.
Daar valt ze ootmoedig, in het aanzien van haar Heer,
Met schreiende ogen voor Vrouw Saras voeten neer,
En Bad zooveel zy door de ontroerde borst kon spreken,
Verschoning voor haar kwaad, verzoening der gebreken.
En meldt wat d' Engel haar had van haar Zoon voorspeld. .
Eindelyk verschynt die gelukkige Stond. Saraï ziet haren lievsten Wensch vervuld. Hagar mag haren Zoon, die Abram ten Stamvader der Hagarenen maakt,
Naar harden arbeid haren,
In Abrams Ouderdom van Zesentagtig Jaren.
Hy Juichte om die Geboorte, en noemt, op Gods bevel,
Ga naar margenoot+Den Welgeschapen Zoon van Hagar, Ismaël.
Dog wat hy overweegt in zyne Zielgedagten,
Hy vindt den Zoon van Gods belovte nog te wagten.
Maar Saraï omarmt en ziet het jonge Wigt,
Vast groter worden met een vergenoegd gezigt,
En houdt het voor haar Zoon, van 's Hemels gunst verkregen,
En voor den Ervgenaam van haren ryken Zegen:
Want uit haar eigen schoot een Huwlyks-vrugt te zien,
Scheen haar een Wonderwerk, dat nimmer zou geschiên.
|
|