Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 152]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 153]
| |
DE PLEGTIGE VERBONDSMAKING van GOD met ABRAM. | |
[pagina 153]
| |
De plegtige Verbondsmaking van God met Abram.De Zegevierende Aardsvader, van zynen grootmoedigen Heldentogt te rug gekomen, mag nu in het aangename Ogis, by Mamres Eikenwoud, aan zyne Sarai, aan de ingeborene van zyn huiz, en alle de gekogte van stuk tot stuk verhalen alle die gebeurteniszen, welke hem in dien gedugten stryd wedervoeren. Hoe dikwerv geven Mamre, Aner, en Escol hem een Avondbezoek, om met hem en zyne huizgenoten in een gul en gastvry onderhoud de grootheidGa naar margenoot+ des heren, en zyne wonderlyke daden te vertellen. Tienmalen had nu de rusteloze Zon, met een lagchend aangezigt de jeugdige Lente, het vermaak der Geschapenheden, op gouden wielen aangevoerd, tienmaal was de milde Zomer in arbeid ten nutte van het menschdom, tienmaal had de huiverige Herfst met klamme handen het bekorelyk woud geschud, en als een schaker van het groen voor den gryzen Winter de vlugt genomen; en zoo veel malen zag Abram door de Zegenryke vrugtbaarheid zyne Eigendommen vermenigvuldigd: zint hy het vurend Ur, met zyne Gade, de zwakke Therah, met Loth en alle zyne bezittingen had verlaten, om op het geleidend teken der Godheid te gaan waar hy het vinden mogte. Zyne ziel, zyne ootmoedige Ziel | |
[pagina 154]
| |
smelt in den Lov des Allerhoogsten, wegens die ontelbare Weldadigheden van den God zyner Goedertierenheid. Hoe word de Tente van dien Regtveerdigen vervuld met gejuich. Hy wekt zyne vrome Sarai gedurig op om met hem Jehova groot te maken. Sarai is bereidvaardig om den Here eere te geven. Er is egter iet, dat in haar gemoed ene zekere onvoldaanheid overlaat. Spanzeert zy met haren herder, door het lagchend groen der malsche weiden, om de bezigheden en uitbreidende magt van haar Gezin te beschouwen: dan zugt zy op het zien
- - - - - Van 't bezig zyn der knapen
Van al den Rykdom van hun runderen en schapen,
En spreekt: hoe ryklyk heeft de milde vrugtbaarheid
Haar geurge handen, door Gods Zegen uitgebreid!
Hoe heeft ze ons huiz, en hoe de kudde niet gezegend!
't Is of het Schapen in de dalen had geregend;
En of dit Ogis tot een stad was aangegroeid
Van Herderstenten, daar de ryke welvaard bloeit.
Ga naar margenoot+Maar ach! wat kan onz al die Zegening tog baten,
Indien wy door de dood die aan een' vreemden laten?
Wat baat het, of men ploege, of boom, en wyngaard plant,
Indien een Vreemdeling de vrugt plukk' met zyn hand?
Want Sara, Sara moet alleen onvrugtbaar leven,
En kan geen Ervgenaam aan U, myn Abram geven,
De vogels telen op 't geboomte in 't Meisaisoen,
De Visschen in den stroom, het Vee in 't jeugdig groen;
De teelzieke aarde doet haar zwang'ren schoot staag open,
Om onz met vrugten en met rykdom op te hopen:
Maar Sara blyvt alleen van vrugtbaarheid ontaart,
En heeft haar Abram nog geen huwlyksvrugt gebaard!
De Knegten, uitgehuwd aan Maagden en Slavinnen,
Vermeerderen onz huiz: zy telen voort, en winnen
Onz jonge knapen aan: de kudde lammert staag:
Geen Koei misdraagt, de Geit werpt in den dorenhaag:
Maar Sara mag zig met geen egte spruit vernoegen
| |
[pagina 155]
| |
Ziet zy een tenger zuigeling op den schoot der Moeder dartelen, zy zugt op dat gezigte. Gaat deze of die hunner hoederen met een welgemaakt Zoonken, de wellust zyns Vaders, voorby hare tente: zy ziet het met tranen in de ogen, zwygt stil, en werpt een kwynend gezigt op haren heer. Bezoekt zy ene dienstbare, in het kraambedde gelegen, en bespeurt zy met welk ene lievdezorg zoo ene het pasgeboren wigt aan hare volle borsten drukt: zy keert zig agterwaards, hare ziel en zinnen worden zoo van kinderzugt gepropt, dat zy zig ylings van het kraambezoek naar heure tente begeevt, om daar in de Eenzaamheid door klagten hunnen benauden boezem lugt te geven. Zy smeekt den Algenoegzamen: dat hy haar met de vervulling zyner toezegging verkwikke. Maar Abram, nog groter in het oefenen van het allesoverwinnend Geloov dan in den stryd tegen Kedor Laomer, lydt wel in de lydingen van Sarai: maar geloovt egter op hoop en tegen hoop. Hy, op wien zoo vele belovten rusten, en die de toezegging van den God der Waarheid hadde: dat in zyn geslagt alle geslagten der aarde zouden gezegend worden, betrouwt, dat de Amen, de waaragtige, wiens magt uit stenen kinderen konde verwekken, zyne belovten op zynen eigentyd zal vervullen. En zie daar de kragt van het heilvattend geloov. Het troont de Godheid naar beneden. Terwyl de Godvrugtige Abram de zwakke ziel zyner Sarai vertroost en versterkt, word zyne tente omschenen door enen glanz naulyks teGa naar margenoot+ zien van stervelyke ogen. Laat ik liever zeggen: de gantsche Godstad is uitgetrokken om de tente van Abram te omringen. Het vurend Seraphynendom heeft den hemel ledig gelaten om met be- | |
[pagina 156]
| |
dekte aangezigten den Vorst der Engelen in zyne plegtige Verbondsmaking met den Ervgenaam der Wereld te vergezellen. Rondom heerscht ene diepe stilte. Abram ziet den Glanz, die zig tot een Kolom regt voor de deure zyner tente te zamentrekt, en in het midden deszelvs een gedaante, niet ongelyk eens menschen gedaante. Abram, zoo vreezelyk is hem dit gezigte, valt, schoon aan de tegenwoordigheid der Godheid gewend, in vreze op het aangezigt ter aarde. Driewerv poogt hy geluid te geven, en driewerv word hy daar in door het weergalmend heilig, heilig, heilig verhinderd. Hy twyfelt of de hemel op de aarde gedaald, dan of hy als Henoch met ziel en lighaam ten hemel is opgenomen. De heilbazuin der dienstvaardige Engelen zwygt, en de ongeschapenheid spreekt met ene stemme, die met kragt en heerlykheid is: vreez niet Abram, ik ben uw Ga naar margenoot+een schild, uw loon zeer groot. Abram begrypt de kragt dier belovtenisze. Hoor ik hem de beduidenisze daar van, in ziel en zinnen als verhemeld, uitboezemen? ja door de kragt van het heilgeloov dat tot in het eeuwig leven ziet: roept hy uit: de eeuwige Almagt zal dan my, waar, of in welke gevallen ik my ïmmer mag bevinden, met de schaduwe zyner hand meer dan de beukelaar, die my in den oorlog beschutte, bedekken. Ik zal een Toonbeeld voor het oog van alle de geslagten zyn, waar aan het geloovsgezigt zien zal, dat die in de Schuilplaatze des Allerhoogsten zit, Ga naar margenoot+veilig is, tegen alle verborgene en openlyke aanslagen der vyanden. Laat het zaad der slange met al zynen aanhang my bestormen als de stam waar uit het Zaad der Vrouwe zal voortkomen. Geen nood! ik sta in de Wapenrusting Gods. | |
[pagina 157]
| |
Die bedekt myn hoofd ten dage der gevaren. Bekommerd, dat er enige gedagten in my mogten opryzen, waar door ik de gunste van mynen Verbondsvriend my onwaardig zoude maken, zal ik in zyne kragt, in vreze en Vroomheid voor zyne aangezigte wandelen. De Algenoegzaamheid verbindt aan myne Opregtheid de belovte van dit en het toekomende leven, van aardsche en hemelsche Zaligheden. Hy zelve zal alle de begeerten myner Ziel een volöpverzadigend deel zyn. Zoo lang ik in het land myner vreemdelingschappen ommezwerv zal ik by zynen heiligenden, ondersteunenden, bemoedigenden en hartverhemelden Invloed leven, in verwagting van die Stad die fondamenten heeft. Het anker myner hope is aan s' hemels belovten geketend. Het kan van zyne vastheid niet afspillen. Ik zal in het storelooz, eeuwigvervullend, en nooit moedegenoten genot, van zyn Geest en lighaam eindelooz verherelykende en zaligende Gemeenschap, juichend bewonderen, alle die wonderwegen langs welke ik zynen raad gevolgd hebbe. Ik zie dat geestelyk Zaad, die kinderen van Abram, die myne werken gedaan hebben; ik zie hen door de Engelen gedragen in mynen schoot. Ik hoor hen met een onafgebroken heiligbejuichen: dat zy gekogt zyndoor het schuld uitwisschend borgbloed van dat Vrouwenzaad, uit myne Lendenen voortgekomen. O paradyz des Levens! waar de heilzon eeuwig zyne stralen schiet, u verwagt ik. In uw licht zie ik al het donkere der Voorzienigheid verdwynen, alle de ingewikkelde knopen der toezeggingen ontzwagteld, alle schynbare tegenstrydigheden in de belovten overeengebragt. In u zal ik den luister der Goddelyke volmaaktheden, vooral dien der Lievde zien uitschitteren. Lievde die de kennisze te boven gaat. Help my Enge- | |
[pagina 158]
| |
len! stem met my in, in den lov dier Lievde! alle die wonderbare Verborgenheden, die gy zelv niet doorzien kond beginnen zig te ontrollen voor het oog van mynen Geest. Help! . . . Hier versmelt de stem van mynen Abram. Verbeelde ik het my, of is het, dat hy als verrukt van zinnen staat. Ja, hy is opgetogen in hemelsche bespiegelingen. Dan de meer aannaderende Godheid roept zynen Geest te rugge. De hoogsten wil met zynen vriend in een gemeenzaam onderhoudt treden. Abram bemerkt het. Hy geloovde den Here op zyn Woord. Maar hy kent de zwakke ziele zyner gade, die van kinderzugt verkwynt. Hare driften bestormen zyne hope. 't Is daarom dat hy haar in de tegenwoordigheid van God wil overtuigen dat zyne hope gegrond is in het woord van den Waaragtigen. Hy maant den Here op zyne belovte. Hy lokt den algenoegzamen als een ootmoedig bidder uit om tog ook Sarai te overtuigen, dat hy niet te vergeevsch geloovde. Heer, zegt hy, wat gy my moogt geven, ik ga zonder kinderen henen, de bezorger van myn huiz, deze Damascener die als mynen Zoon is zal mynen Ervgenaam zyn, my en hebt gy geen Zaad gegeven. Zoodanig was de kragt der juichende Dankbaarheid wegens de versterkende tegenwoordigheid Gods in Abram, zodanig bewerkte de ootmoed zyne godvrugte Ziele, waar van het Gebed de Ademtogt is, en zodanig bewoog zyne Godvreze den Algenoegzamen Ga naar margenoot+ter vervulling zyner begeerten, en die zyner Sarai, dat hy hem ylings ten aanhoren van al zyn Gezin antwoort: deze en zal uw Ervgenaam niet zyn: maar die uit uwen lyve voortkomen zal, die zal uw Ervgenaam zyn. En met een word | |
[pagina 159]
| |
de verschenen glanz allengskens flaauwer en flaauwer. Ene dikke donkerheid word over al de lugt getrokken, waar uit de starren met enen ongewonen gloed tintelen, als waren zy, gelyk anders tongen om des heren Eer te vertellen, nu ogen om den Verbondshandel van hunnen Schepper met een zyner beste schepzelen te bestaren. En in die donkerheid neemt de verschenen Ongeschapenheid in de gedaante van enen Man, om des te beter met zynen Vriend als een Vriend te spreken, Abram by de hand, leidt hem buiten deGa naar margenoot+ tente: en zegt: Zie nu op naar den hemel, ende telt de sterren, indien gy ze tellen kond: ende hy zeide tot hem, zoo zal uw zaad zyn. Abram gaat niet met vleesch of bloed te rade. Hy vraagt niet of het de onvrugtbare, en verouderde Sarai zal zyn, uit wie hy den Zoon der belovte te verwagten heeft. Hy onderdrukt de heftige kinderdrift. Zyne togten staan hem, gelyk slaven een magtig heer ten dienste. Hy zwygt in ene heilige kalmte der ziele stil. Abram geloovt den Here. Hy houdt zig verzekerd, dat de Ouderdom hem niet verhinderen zal dat er uit zynen lyve een Zoon zal voortkomen. Hy vertrouwt, dat dit Zaad de Ervgenaam der belovte zal zyn. Maar vooral, dat hier uit, na het afwentelen der te voren bepaalde eeuwen, het waaragtig Vrouwenzaad zal geboren worden. Dat Zaad, waar in het verbasterd Nakroost van Japhet, zoo wel als dat van Sem, met wien het in 't Verbond staat, zal gezegend worden. Hy ziet dien Zaligen tyd,Ga naar margenoot+ maar hy ziet hem als door een sluier van plegtgebaren, tyd, waar in de boden des Vredes op de lievelyke Euangeliefluit, die eertyds verlaten Volken tot de Gemeenschap van den Vorst des levens | |
[pagina 160]
| |
zullen lokken. Hy geloovt, dat het bloedig borglyden van dat Wonderkind een rantzoen kan opwegen by de Godheid, zoo billyk en heftig onsteken tegen de zonden. Rantzoen, waar by de onregtigheden van zoo vele Gelovigen, ene schare, die niemand tellen kan, te ligt zullen worden bevonden. Hoe bewondert hy die onbegrypelyke menschenlievde der hoogste Goedheid. Dat hy, die geen Schepzel ter opluistering zyner Volmaaktheden nodig heeft, zig in genade als een gaarnvergevend God wil openbaren, aan Zondaren, die de dood verdiend hadden, is iet dat Abrams gelovige Ziel, als buiten zig houdt opgetogen. Vestigt hy het oog van zyn gemoed, of op dat Lievdevolle vredebesluit, of op de heugelyke bekentmaking, daar van thans aan hem gedaan; of op de Zaligende uitvoering van dien wonderraad: hy vindt ene hoogte die hy niet bereiken, ene breedte, die hy niet bemeten, nog diepte die hy niet bepeilen kan. Hy is zodanig gepropt met de goeddadigheden van zynen algenoegzamen Verbondsheer, dat hy niet anders zig kan ontlasten dan met afgebroken Woorden te betuigen: God is Lievde
Het staat aan U alleen 't Godvrezend hart te stillen,
Met Troost en Zekerheid:
Met heilig uitzien, met een Godgelaten willen,
Met vreê, die nooit verleidt.
Van U, o grote God, en Heer! zyn wy gekomen,
Tot U strekt myn gemoed:
O Leidsman, Schild, en Loon, en einde van de Vromen!
Wat zyt gy wyz en goed.
Ja Geloovsvader zoo zegeviert gy in de beoefening van die Godbehagende deugd, roemryker dan flus toen gy gewapender hand al den mag- | |
[pagina 161]
| |
tigen aanhang van Laomer velde, en in triumf het huppelend Ogis binnen tradt. En, zodanig is de uitwerking van het heilgeloov, het verbindt de opperste Goedheid om zyne kinderen al meer en meer met weldaden te overladen. Abram mag als vreemdeling verkeren, in het wellustig Kanaän, de sieraad der Koningryken: dat land zal om zynen wil het heilig land, het land van Emmanuël worden. Hier zal de Godheid zyn vuur en haartstede bewaren. Hier zal hy tot in eeuwigheid wonen. Land, dat tot een gedurig aandenken van dezen Verbondshandel het land der belovtenGa naar margenoot+ zal genaamd worden. Het word Abram ten Ervlyk Eigendom toegezegt.
De nimmerfeilbre God hervat het woord, en zeit,
Ik ben de Heer, die U uit Ur hebbe uitgeleid,
't Kaldeeusche land ontvoerd, om U dit land te geven,
Op dat gy ervlyk zoudt in die bezitting leven.
Dit zal uw teken zyn: ga, slagt in 't digte woud,
Een koey, een geit, een ram, drie jaren yder oud,
En deel het vee, en leg een Tortelduiv ter neder,
By ene jonge duiv, en wagt daar na my weder.
Dit zeggende verdween de Godheid uit zyn Oog,
En vloog, op vleuglen van hare Almagt, naar omhoog.
De roem der Hebreeuwen, de gehoorzame diensteling der Godheid draalt niet: maar
Hy brengt het Offervee, op Gods bevel by een,
Hy slagt de dieren, en verdeelt ze juist in tween,
En legt het ene stuk regt tegen over 't ander,
De duiven deelt hy niet, maar legt ze naast malkander.
Dus zet hy zig ter neêr, en wagt op Gods besluit,
Onzeker wat tog al die plegtigheid beduid;
Terwyl hy by het aas, byna alle ogenblikken,
Het Roovgevogelt moet verjagen en verschrikken.
Hy blyvt den gehelen dag, in de golvende | |
[pagina 162]
| |
schaduwe van enen breden hazelaar, by de Offerdieren zitten. Zig verliezende in bespiegelingen, dat de hoogste Majesteit, uit enkele Gunst, met hem als een Man met zynen broeder, als een Vriend met zynen bondgenoot handelt. De sluimerige schemering voert endelyk de graauwe nevelen aan. En . . . maar welk enen ommezwaay in het gemoed van mynen Godsvriend! Abram, straks zoo levendig van Ziel en Zinnen, en brandend als een Seraph, om de heilswegen van den God der Wetenschappen na te speuren, word door enen diepen slaap bevangen. En door heilige: maar benauwende dromen aangedaan. Hy, die zoo even zig verheugde in den God zyner blydschap, en in ene hartverwydende vrolykheid zoude uitgeroepen hebben: immers zullen my het goede en de Weldadigheid volgen tot in lengte van dagen: vindt zig in grote schrik en ontroering, wegens een droomgezigt van de rampen welke zyn Nakroost zullen treffen, eer het, uit den muil des krokodils verlost, de Jordaan voor zyne voeten zal zien vlieden; omdat de heerlykheid Gods zynen voortogt zal wezen. Ja, heilig der Wereld! zoo moet de uitnemenheid der Genade aan U bewezen getemperd worden. Die honing der Goddelyke Wellusten kan niet zonder inmengzel van Mirrhe Ga naar margenoot+genoten worden. Dit is de weg die God houdt in het heiligdom. Gy hebt zoo wel als alle uwe geestelyke Kinderen, ene overgeblevene zwakheid, geneigd om de dierbaarste weldaden te misbruiken, of, door dezelvde te verwaarlozen, of, door zig te verheffen, en omtrent andere onbarmhartig te worden. Die smartelyke beproevingen zyn als heilzame uitroepers, agter den herelyken zegewagen van Gods Kinderen, die hun erinneren: ge- | |
[pagina 163]
| |
denk dat gy een mensch zyt! God is groot, en wy begrypen het niet! Ja, benaude Ziender! langs zulk een weg van harde bezoekingen zal uw Zaad den heirbaan naar het beloovde Ervland opstreven. Geen wonder, uw zegenend Zaad zelv zal van den helschen Farao ter doding toe vervolgt worden, eer hy, als een die magtiger is dan dien Magtigen op den dag zyner Kroning van alle de vrygekogten zal toegejuicht worden: hy heeft overwonnen. Maar hou moed, gelovige Abram! laat de donkerheid voor het aanbreken des dageraats het zwaarste zyn; straks ryzt er enen helderen dag, waar voor alle nevelen vlugten. De hevigste lydingen duren het kortste. Schep moed, o grote held! uw Verbonds-God overschaduwt U in uwen slaap. Alle de dienaren van den hoogsten troon legeren zig rondom U. Gy word enen Ziender van heilgeheimen, die verzegeld waren in het besluit des Wagters.
In 't midden van die stormen en gevaren,
Behaagde 't God aldus zyn noodlot te openbaren,
En 't grote nageslagt te monst'ren op een ry,
Hy zag zyn' Nazaad met twee Zonen aan zyn zy,
Den oudsten grov van leest, den jongsten schoon van wezen,
Toen riep d' Orakelstem: dien heb ik uitgelezen;
Maar de oudste broeder werdt den jongsten tot een Knegt;
De jongste zal door koop van 't eerstgeboorte regt
Den voorrang krygen, en, voor 's gryzen Vaders sterven,
Zyn zegeningen en myn heilbelovten erven:
Zie daar de Zonen, aan dien Naneev toegezeid:
Zoo wordt uw groot geslagt al wyder uitgebreid.
Toen zag hy ene ry van twalev later neven:
Maar een der jongsten had iet heerlyks en verheven
In al de trekken van 't Godvrugtige gelaat,
Toen riep de Godstem: die, op wien ge uwe ogen slaat,
| |
[pagina 164]
| |
Zal de allergrootste zyn, een werktuig in myn handen,
Waar door ik wonderen zal doen in Nabuurlanden.
Hy zal gehaat, verkoft, gevoerd in slaverny,
Uit donkre Kerkers tot een hoge heerschappy
Verheven worden, en aldus ten Voorbeeld strekken
Des groten heilands, na veel eeuwen te verwekken,
Men buigt zig voor hem neer door groten hongersnood,
Maar weet, O Abram, dat uw Zaad, na zynen dood,
Zal in dat vreemde land verdrukt en dienstbaar wezen
By wrede volken, tot vierhonderd jaar na dezen;
Maar 't volk, dat uw geslagt door druk gebukt doet gaan,
Zal ik ook rigten, en met harde slagen slaan.
Dan zal uw groot geslagt van zyne harde heren
Uittrekken met zyn have; en eindlyk wederkeren
In Kanaän, wanneer aan 't vierde nageslagt
Het ervlyk Eigendom zal worden toegbragt;
Want de ongeregtigheid der binnenlandsche Volken
Trekt nog myn strenge wraak niet neder uit de wolken.
Maar gy, O Abram, zult met Vrede in u gemoed
Tot uwe vadren gaan, en zonder tegenspoed,
In goeden Ouderdom ten donkren grave dalen. . .
Op dit woord ontwaakt de Ziender. Abram opent zyne ogen, en ziet, welk ene verandering, hy ziet, dat, terwyl de duisternis de aarde bedekt, en donkerheid de Volken, alles voor hem in ligten laien vlam staat, hy ziet
Een Oven roken, en een vuurge fakkel branden,
Die door de stukken ging van zyn slagtofferhanden.
Te dien zelven dage maakte de Here een Verbond met Abram, zeggende: uwen Zade heb ik dit land gegeven, van de riviere van Egipten af, tot aan die grote riviere, de riviere Phrat. |
|