Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 124]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 125]
| |
DE OVERWINNING van ABRAM op KEDOR LAOMER. | |
[pagina 125]
| |
De overwinning van Abram op Kedor Laomer.De geheiligde Pelgrim, Abram, in zynen druk, wegens het laatst Vaarwel van zynen bloedvriend Loth, door de Godheid zelve met de belovte van aardsche en hemelsche zaligheden bemoedigd, verreizt met zyne gade en magtig Eigendom. Hy verreizt, gelyk een moedig Veld-overste met zyn welgeördend Heir, wanneer hy het naar de bestemde Legerplaatze doet voorttrekken. Hier laat hy wellustige dalen, en ginds vrugtbare heuvelen. Heuvelen, waar van de Most en Oliën nederdruipen, en die zig, in het verwyderen van dezelve als in de lugt hangende tuinen vertonen. Hy zwenkt zyn Herdersleger nu te regte dan te slinke hand, na dat de lagchende Weiden min of meer Klaver voor de grage Kudden aanbieden. Het gezegend Luz begint allengskens te flaauwen voor het gezigte, en raakt er eindelyk uit. De Aardsheilig ziet zyne Tenten nedergeslagen by het vermaarde Eikenbosch dat,Ga naar margenoot+ de ryke Woudheer Mamre als een Plantaadjen zyner Verlustiging den kruin ten Hemel ziet heffen. Hier heerscht ene heilige stilte. Ene stilte, die slegts gestoord word door het Golvend ge- | |
[pagina 126]
| |
ruisch der Lommerryke Bomen, waar in het Zwoele Windtjen speelt, beantwoord door het kwinkkeleerend Akkoort van het vliegend, levend, en zwevend Lugtmuzyk, of het van verren gehoorde geklater der schuimende Watervallen, die, van, in het verschiet liggende Bergen langs ene steilte door de eenvoudige Natuur met gladde steenkens bevloerd, nederschieten, en nedervlietende de Zilverzuivere Beekjes vormen. Beekjes, spiegels der Hoog-gekuivde Cederen, Waschbaden der poezele Herderinnen, en dorstlesschende Bronnen der zagtmoedige Lammeren. Beekjes, die met een weelderig gekrinkel hare blanke en doorzigtige armen om de Balzemädemende Velden slaan, en hare bebloemde boorden zagtkens kuszende, zig van daar niet konnen wenden, dan na dat zy dezelve met hare vrugtbaarmakende Vogtigheden besproeid hebben. Hier, waar de Wyzheidkoesterende Eenzaamheid haar verblyv genomen heeft, mag de Geloovsheld zig veilig nederzetten. Eenzaamheid zoo bevallig aan de Godgewyde ziel, die zig in heilbespiegelingen vermaakt. Is het wonder dat Abram, de goede hand zyns Gods, in het vinden van zulk ene gelukkige Woning Ga naar margenoot+merkende zyne eerste bezigheid maakt aldaar ter eere van dien God een verheven Outer te stigten? Een Outer, dat alle de Inwoonderen van Kiriath Arba hunne verdwaaldheid van Noachs zeden verwyt: maar tot een eeuwig Gedenkteken van Abrams zuivere Godsvrugt kan strekken. O Zielsverrukkende Dankbaarheid! Priesteres der zuiverste deugden! Vermaak der Engelen! en die Menschen den Engelen gelyk maakt! leer gy zelve onz hoe uwen Voedsterling by uwen invloed der Godheid grootheid gav. | |
[pagina 127]
| |
Hoe zal ik die Tonen roemen
Waar hy God meê heeft ontmoet,
Om hem dankende te noemen,
Eeuwig groot en eeuwig goed.
Zoo veel Werelden vol Wond'ren,
Die zyn opgehelderd Oog
Trokken gantsch verrukt van ondren,
Naar d' onmeetb'ren Starrenboog;
Al der Schepzlen zyn en worden,
Al der dingen juisten verband;
Al die onnavolgb're orden
In der Werelds juist verband;
Al die Schat van Zaligheden,
Al die Wyzheid al die Magt,
Die hy boven en beneden
Om den mensch zag voortgebragt:
Smolt zyn Ziel in 't teêrgevoelen
Van de hoogste Dankbaarheid. . . .
Hier leevt myn Abram in het genot van Aardsche en Hemelsche Zaligheden. Hier, waar mynen Herderlyken Vorst, zoo vele wonderen zullen wedervaren. Hier, waar de blanke Hagar, die bevalligste van Sarais Maagden hem enen Zoon zal baren. Hier, waar hem met al wat Manlyk in zyn gezin is het bloedig Teken des Verbonds, dat hem van alle Volkeren onderscheidt, zal in het Vleesch gesneden worden; Ja, waar de Onsienelyke, die een ontoeganglyk licht bewoond, zig aan zynen Disch zal zetten, om hem de weêrgaloze blyk van zyne onwrikbare genegenheid te geven. Hier leevt hy, meer geëerbiedigd dan benyd van de dartele Hethiten, bewoners van het steilgestigte Hebron. Het edel Driemanschap, de gastvrye Mamre, met de zagtzinnige Escol, en de vreedzame Aner, zyne Broeders, voert het gebied over deze Volken. Abram geniet met zyn gezin alle de uitlatingen der Vriendschap dier Emo- | |
[pagina 128]
| |
ritische Vorsten. Dikwerv bezoeken zy hem in zyn Herderlyk Veldleger. Dikwerv word hy van hun op de vermakelyke Landhoeve genodigd. Ga naar margenoot+Abram verkeert met hun als met zyne Natuurgenoten. De Menschen-lievde bezat zyne Ziel en Zinnen. Verbasterd van den Godsdienst zyner Vaderen, waardeerd hy zyn Geloov, versmaadt hy hunne dwaling: maar poogdt door ene innemende, door ene bescheidene lievtaligheid, hunne herten voor den dienst van Hebers God te veroveren. Hoe wist hy hun in de onderlinge verkering op het gezigte dier zinstrelende streke, met ene Zagtmoedige Wyzheid van het schepzel tot den Schepper te leiden, tot dien God, die zy niet kenden: maar met wien hy als een vriend met zynen vriend verkeerde. En, zoo groot is het vermogen der Zagtmoedige Menschenmin, die ter lievde van God Zielen poogt te redden uit de kragt der Dwaling. Mamre, Escol, en Aner neigen een genegen Oor naar zyne Leringen. Hy onderwyzt hen als een Broeder, als een Vader aangaande de wegen der Voorzienigheid. Hy verklaart hun: hoe er van den Paradyztyd tot aan het einde der eeuwen een Zaad der Vrouwe en der Slange zoude zyn, dat onderling in enen eeuwigen Oorlog zoude staan. Maar hoe, als de heil eeuwe uit de Kimme van Gods genaderaad zoude aanblikken, het hoofd der gevloekte Geesten, dat thans byna het gehele Menschdom aan zyne magt kluisterde, door hem, die de verwagting van Henoch was, zoude overwonnen worden. Hy toont hun met kragt van overtuigende redenen, hoe ver het geslagte van Adam verwyderd was van de Vrome zeden van de Stamvader der twe- | |
[pagina 129]
| |
de Wereld. En onder dat onderwyz stort hy, met een bewogen ziel tranen van medelyden. Zyn hart bloedt van mededogen over het rampzalig Lot zyner broederen. Onder de ernsthaftige betuiging: dat hy hunne zielen voor de eeuwigheid poogde te zaligen: gevoelen die Vorsten der Hethiten ene, ik weet niet welke, aandoening. Aandoening, die hun de hartelykste betuiging ten monde uitperst: van voortaan nog Zon, nog Maan, nog Sterren by het zwaien van den Geurigsten Wyrook den handkus te willen toereiken, maar dien God te dienen in het houden van wiens geboden al de Lust van den God-dienenden Abram is. Al den dag stygt de Rookkolom op van het heilig Outer, waar voor onze Betullebande Godsman als Jehovaas Amtenaar staat. De Gebieders van Hebron staan met diepen Eerbied aan zyne zyde. Hy wyzt hen, zoo wel als zyn geheel Huiz by het Offeren van yder Lam op dat Lam, dat geslagt is voor de grondlegging der Wereld, en dat door zyn schuld overnemend Borglyden voldoen zal voor alle de zonden, van allen die in hem geloven. De wel onderwezene Broeders worden meer en meer van de stomme afgoden tot den levenden God bekeerd, verfoeiende met ene geweten knagende schaamte de Dwaazheid hunner dwalingen. Hunne zielen worden op het nausteGa naar margenoot+ aan de Ziel van Abram gebonden. De vriendelyke Godsdienst is nu de band hunner vereniging. Zy sluiten met den Koninglyken Herder een Verbond van eeuwige Vrede en vriendschap. Een verbond waar in zy op het plegtigste beloven: hem tegen alle aanvallende geweldadigheden te zullen beschermen. | |
[pagina 130]
| |
O Eensgezindheid in de deugd!
Bekoorlyk Ziels-banket, waar alles voor moet wyken:
Uw Vriendschap geevt de Ziel meer vreugd,
Dan alle weelde en pragt van duizend Koningryken.
Dan, het Land der ruste was ook hier voor mynen Abram niet. Een onafgebroken voorspoed, het lym, dat de Ziel aan het stov doet kleven, moest het hart van Gods gelievsten Gunstgenoot, ook niet van den Hemel aftrekken. Hy moest als een moedige Adelaar naar de hoogte en de Zon der geregtigheid aanstaren. Verdrukkingen, Beproevingen, Zielskwellaadjen moesten de dryvveren zyn die zyn gemoed naar den Hogen beurden. Zyn geest moest door den Hamer der tegenheden Vlot gemaakt worden, om als op de Zee van Hemelsche bespiegelingen te dryven, en zyn geloov te Ankeren in die Stad die Fondamenten heeft. Gelukkige Bosschaadje van Mamre! Gezegende Eiken! Ach! dat men nog op uwe knoestige Stammen las, wat er in den gemeenzamen ommegang van uwen Planter met den gemeenzamen ommegang van uwen Planter met den Ervgenaam der Wereld tot Lov der hoogste Lievde al gehoord wierd! Ach! dat de gryze Aloudheid onz de Taferelen vertoonde: waar in het afbeeldzel gezien wierd van die Vriendschap, gesloten op de betuiging: uw God is myn God. Dat zy onz vertoonde, hoe dezelve onder uwe beschaduwing gevierd en aangekweekt wierd. Maar dat zy onz ook verhaalde: hoe deze Engelagtige Eenstemmigheid, deze zoete Rust, zoo bekoorlyk aan een vreedzaam gemoed als de schaduwe van ene koele Rotze aan enen verhitten Reiziger, op het alleronverwagtste gestoord wierd. De kregele kryg, dat afgryzlyk Vloekgedrogt, | |
[pagina 131]
| |
dat lacht daar alles weent, en zig vermaakt metGa naar margenoot+ in menschen bloed te plaszen, die Moeder van den dollen honger, razende pest, en wrede dood, onsteekt met zynen Fakkel, aan het helsche vuur ontvonkt het eerzugtig hart van Amraphel, die den geweldigen Nimrod voor zynen Stamvader houdt, en nog op zynen trotschen Zetel te Babel den gouden Rykstav zwaait; van Arioch, die te Ninive als een gedugt Vorst gediend word; en van Tideäl, die het hoofd van Damascus is, en een gemengd volk als zyne onderdanen aan zyne voeten ziet liggen. Zy verbinden zig aan Kedor Laomer, magtig gebieder der Elamiten. Zy dreigen den dartelen Trotz te verleren aan Bedra, Koning van het Wellustig Sodom, aan Birsa, gebieder van het Weelderig Gomorra, aan Sina, Heerscher van het Dartele Adama, aan Semeber, Vorst van het Vrugtbaar Zeboim, en aan den Oppersten van het Gezegend Bela; zy dreigen den hoogmoed te verleren aan hun die het Jok van Kedor Laomer, nu twaalv jaren met tegenwryten gedragen, pogen af te werpen. Vervloekte Staatzugt! wat hebt gy der wereld al kwaads gebrouwen! gy gruwt voor Moord nog bloed, daar Slaven en Schavotten in uwen nasleep zyn! Ach! dat het gaaz der Godsdienst uw wanschikkelyk gelaat nimmer besluierde! Ach! dat de Waan van geschonden Eer te handhaven nimmer de ootmoedige Godsvrugt in uw Zog versleepte! Ik zie het, Offerhande by Offerhande sneuvelt onder de handen der Priesteren van Astarte, om voor dit verwoestend Viermanschap hare gunste te trekken; om alles wat hunne grootheid in den weg staat te Vuur en te Zwaard op te ruimen. | |
[pagina 132]
| |
Wel haast roept het snel gerugt, die tydingryke Telg van waarheid en leugen:
Dat Elams Koning, met zyn zaam verbonden hopen,
Alreê door Bazan trok, en overwon 't geslagt
Van Rafa, groot van lyv, gezond en sterk van kragt.
Dat Karnaïm alreê buigt met haar sterke torens,
Alwaar men Astaroth versierd met zilv'ren Horens.
De Emims en Sufims, een geweldig Reuzenheir,
En 't sterk Horryts geslagt, op 't breegebergte Seir,
Tot by de Woesteny aan Parans effen Velden,
Verwon hy schigtig door den moed van zyne Helden.
't Zeeghaftig Leger trekt nu regt op Siddim aan.
Het komt te Kades; slaat al wat durvt tegenstaan
In 't Land van Amalek; ja 't moedig volk verschoonde
Geen Emoryt, die in hazezontamar woonde,
't Verwinnend leger trekt verwoestend overal
Door 't omgelegen Land, in 't Vrugtbaar Siddimsdal,
Om, tuk op roov, op zyn Vyv Steden in te breken,
En Elams Koning van zyn hoon en smaad te wreken.
Ga naar margenoot+Welk een donderslag in het oor van den Vreedzamen Abram! welk een zielgrievend gerugt voor zyne rustlievende Vrienden! Zy horen alrede in hunne verbeelding het verwoed geschreeuw der Oorlogende Vorsten, het Bolderen der raderen, het klappen der Zweepen, het stampen van Paarden, die vuur ten neuze uitsnuiven, en zien het Vlammend Zwaard, en de Blikzemende spiesze tegen den anderen opgeheven. Helaas! welk ene grillende yzing ryzt er door hun bloed! Er zyn Steden belegerd, veroverd, en ten bodem toe gesloopt; gehele landen vertreden, uitgeplonderd, van al hun Sierady beroovd, en genoegzaam ontvolkt; gantsche Velden doorweekt van het bloed der ontzielde Ellendelingen, en bezaaid met de van brein en bloed en stov gemarmelde lyken der | |
[pagina 133]
| |
duizendmaal duizend verslagenen, gruwzame Schoutonelen des alles verwoestenden Oorlogs. Abram hoort dit gerugt met ene aandoening, die de Menschlykheid hem in de zinnen drukt. Met een bezeft hy van welk een verdervend gevolg deze kryg voor zynen Neve, die onder het gebied van Sodom woont zoude konnen zyn. Ai my! hoor ik hem niet uitboezemen deze of dergelyke woorden: my altyd dierbaren Zoon van myn verstorven broeder Haran, lieve Loth! misschien moest ge U dan daarom van my verwyderen, om in den bloedigen stryd, als of ge nooit tot het volk van den God van Abram behoorde, om te komen! maar neen! neen, myn geloov, hou moed! buigt U niet neder myne ziele, weez niet onrustig in my, uw Verbonds-God leevt, hy zal den zynen niet begeven nog verlaten. Zyn er wolken en donkerheid rondom den troon des Almagtigen, de eeuwigstralende Zon der Geregtigheid kan die door zyne ziel verlichtende glanszen opklaren. Loth, als een Vuurbrand uit het vuur der vervloekte Afgodery gerukt, zal zyne ziele als een buit wegdragen. Ik zal. . . . Mamre en zyne broeders, verslagen over deze donkere Mare, zien met bewondering de groothartigheid van hunnen Bondgenoot, die te gelyk de verbondeling des Hemels is. Abram bemoedigt hen. Hy versterkt hunnen geest, hy raadt hun, of het vuur der Oorlogs-razerny ook naar hunne Tenten mogte overslaan, hunne welgeoefende Manschappen in gereedheid te houden. Daar hy ondertusschen deze nare tyding met ene lievderyke Voorzigtigheid bedekt voor zyne tederhartige Sarai, deelt hy dezelve mede aan zynen Vetrouweling Eliëzer, die in stilte met Vorst Mam- | |
[pagina 134]
| |
re, Ga naar margenoot+Escol, en Aner naar Hebron trekt, om daar uit het blinkend Wapenhuiz het gladgesmeerde Krygstuig te halen, dat des noods de Herderen ter verwering zoude aangeboden, of in de vereelte handen gegeven worden. Naulyks zyn deze Mannen naar de sterkte van Arba vertrokken, of een Jongeling uit het gezin van Loth, met gevaar zyns levens het Leger van Kedor Laomer ontslopen, vraagt in een gescheurd gewaad, met stov op het hoofd, en bloed-spatten in het Aangezigt, Ga naar margenoot+terwyl het zweet van zynen kin druipt, en hy van vermoeidheid naulyks spreken kan, naar Abram den Hebreeu. Hy treedt in de tente waar Abram nederzit. Nederzit naast Sarai. Hy verheft voor haar de heilige Ootmoed, en de Godgelatenheid. En hoe groot, hoe goed, en zalig het is, het Eigenbelang van vleesch en bloed te konnen dienstbaar maken aan den wil van hem die voor zyne gunstgenoten zal voleinden. Ik zal, zegt hy, met de ogen, naar den Hemel geslagen, hem verbeiden schoon hy zyne tegenwoordigheid mogte verbergen, ik zal hem verwagten: toen de ingetreden knaap met een naar geschreeuw uitborst:
O Ramp! het Leger is verslagen!
De Vorsten om den Hals, het Vee ten buit gedragen,
En Loth, myn Heer, is zelv in slaverny gevoerd.
Ontzaggelyke Ontroering in de tente van Abram! Loth in slaverny! roept hy, en staat voort stom. De goedertierene Sarai, die, teder luisterde na de Godvrugtige Reden van haren Heer, hoort hier enen tyding, die haar de ziel ontstelt, terwyl Zy naulyks begrypt wat die verbaazde | |
[pagina 135]
| |
boodschapper zeggen wil. Loth in slaverny gevoerd! . . . De Herders liepen op het gezigte van dien vreemdeling, die als met vleugels aan de voeten voortylde, naar de tente van Abram. Zy horen dezen uitroep, en barsten eensklaps uit in een heftig gety der togten. Zy wenen. Sarai weent mede. Maar Abram herroept ylings zynen Heldenziel. Hy wenkt de menigte tot stilte, en zegt den Vlugteling, terwyl hy hem iets ter versterking laat aanbieden, dat hy een omstandiger verhaal van het gebeurde geve.
Toen Vorst Laomer kwam in onze vrugtbre dalen
Van Siddim (dus begon de Man en yder zweeg.)
En toen hy van 't Gebergte al 't Heir in orde kreeg,
En daaglyks naderde met onvermoeide schreden,
Zyn onze Koningen, uit vyv vermaarde steden,
Ook opgetogen met een algemene magt.
Men stelt het Leger in slagordening, en wagt
Den vyand moedig af met uitgetogen zwaarden;
Terwyl de Vryheid pronkt in hunne Veldstandaarden.
Het dal, dat tusschen bei de Legers openlag,
Was vol Lymputten, en gevaarlyk tot den slag
Voor vreemdelingen; maar de Vorst van Elam kende
't Gevaar van 't Slagveld, trekt met zyne dapp're bende
Ter zyde heen, en valt onz Leger op het lyv:
Daar stryden met molkaar vier Vorsten tegen vyv.
Maar ach! de siddemmyt, te zwak van arm en spieren,
Door weelde en wellust, kan de Wapens niet bestieren.
Schiet over al te kort, en valt, of neemt de vlugt
Op 't hoog gebergte. Een naar geschreeu vervult de lugt.
Een stroom van purper bloed vloeit over al de Velden.
Vorst Kedor slaat het al ter neer met zyne Helden
Gelyk de Maiers in den Oogst het voedzaam Graan,
Op vrugtbre Akkers, met de zigt ter nederslaan.
Straks na die Zege word Gomorra leeg geplonderd.
Toen Sodom; daar men al de spyze roovt in 't honderd,
Het Vee en Have neemt, en mynen Here Loth,
Van al zyn Vee beroovd, O Ramp! ten schimp en spo
| |
[pagina 136]
| |
Des dart'len Krygsmans, voert in harde slavernye!
Ik zag hem zelv, O Wreed geweld der dwinglandye!
Gekneveld en geboeid, in een bedrukten staat
Uit Sodom trekken, met de tranen op 't gelaat,
En hen te nauwer nood (God wil het dus gebengen.)
Ontvlugt, omtyding van dit wreed geval te brengen.
Naulyks heeft de, naar zynen adem snikkende bode, deze benaude reden geuit, of Eliezer, in der Yl te rug snellende, vindt, by zynen Heer alles in ontroering, en bevestigd het verhaal van den bedroevden Vlugteling. hy draagt er by alle die nare omstandigheden der zege, welke hy te Kiriath gehoord heeft. En zegt dat de Eedverwanten van Abram alrede hun magtig Krygsheir in gelid stellen, om het ter verloszing van Loth op Kedor aan te voeren, voornemende alles te wagen ter beveiliging van het bloed van hunnen Bondgenoot, en ter handhaving van het beëdigd verdrag met hem gesloten. Dat het Krygsgereedschap te Hebron ligt voor elken Herder die lust heeft, ter Lievde van zynen Heer, Laomer te bestryden. ylings verdoovt énen roep, uit den mond der eenstemmige Knapen van den Aardsvader het woord van den Huizbezorger. een geroep: wy zullen ten Oorloge trekken. De grootmoedige Abram, die schrik van 't Slangenzaad, word alrede door een goddelyk yvervuur als aangegloeid. een Hemelsche drift, gelyk aan die van Ga naar margenoot+enen Seraph bezielt zyne aderen. Zy welt hem naar de keel, en doet hem, met ene groothartige Maiesteit in het edelaartig wezen, spreken:
God is myn Helm en Schild het zal nog zoo niet gaan.
Ik zal met dezen arm den Heiden nederslaan.
God heeft my door 't verdrag; den Bondgenoot gezworen,
Het wraakzwaard toevertrouwd, en 's vyands val beschoren.
| |
[pagina 137]
| |
Ik zal met dezen arm in 's Heren Mogenheid
Den Heiden treffen, die myn Loth gevangen leidt.
Ik zal. . . . . . .
Maar zie ik Sarai, dat voorbeeld der tedersteGa naar margenoot+ Huwlyks-lievde, met ene smeltende ziele aan zynen hals vallen, nu zy die grootmoedige betuiging uit den mond hoort van hem, wiens byzyn al de wellust van haar hart is. Ja, een gety van togten gaat er om in haren boezem. Zy bemint haren Neev, gelyk enen Broeder. Duizendmalen heeft zy het laatst Vaarwel van Loth beschreid. Maar zy bemint haren Abram als hare twede ziel. Zy weet op wat wedom het haar stond, van hem gescheiden te zyn in het Hov van Memphis. Zy versint duizend zwarigheden om hem van dien groothartigen togt aftetrekken. Ach! Abram! ach! myn Heer! myn beschermer! Gy, gy een slagveld intreden, dat van bloed rookt. Waar de Dood van alle kanten de zwarte kaken openspert, om by duizenden te gelyk te vernielen! . . . gy! niet anders gewoon dan aan de stille rust van het zagte Herders leven, en de lieve kalmte, die alleen aan het gerust geweten, dat leevt in God te lieven, verknogt is! . . . . Zult gy, ver van my verscheiden, misschien sneuvelen door de handen van hun die God niet kennen! Ach! lieve Abram! sta af van dit opzet, de God van Therah leevt. die my van Farao verloste kan ook Loth van Kedors magt bevryden. Dat Eliezer Kemelen met de wigtige Sikkelen belade, en die den Overwinnaar aanbiede, om, ware het mogelyk, de vryheid van Loth te kopen. . . De ziel van Abram vertederd op het zien van Sarais tranen, en het horen harer bittere boezem klagte. De reinste Huwlykslievde, de opregte broedermin, de heilige | |
[pagina 138]
| |
Trouw aan zyne Eedverwanten voeren enen onderlingen Ga naar margenoot+stryd in zynen Geest. Hy zou door Vuur en Water roeien om zynen broeder te redden; Hy zou het zelvsbelang verzaken, en zyn leven wagen om den Eed Gods niet te schenden: maar de Lievde tot zyne gade. . . . Wat is 't? zie ik in deze dubbing van den aardsheilig, een straal der Godheid nederschieten? ja zy omheint den Geloovsheld. Sarai word bemoedigd op dit gezigte. haar geloov herkrygt de helderheid, die haren geest verklaart, en haar verzekerd: Abram zal Loth verlossen, en in Triumf te rugge keren. Zy roept:
- - - - - Nu zie 'k gewis,
Dat God u noopt ten stryde en zelv uw Wapen is.
En ylings schaart Abram driehonderd en agttien Ga naar margenoot+Mannen, ingeborenen van zyn Huiz op ene Ry ter monstering. Daar staat nu de Godgewyde Pelgrim, op wien zoo vele belovten rusten, als een magtig Veldoverste aan het hoofd zyner bende. Zie ik enen deftigen Sluierkroon om zynen agtbaren Schedel geslingerd, beregen met stenen, waar in de koleuren van den Regenboog spelen? Zie ik enen, door de hand van Sarai gestikten gordel, van goud en Hemel-blauw om zynen middel? heeft hy enen Koninglyken Malienkolder aangegespt, en hangt hem een blikzemend Zwaard op zyde? Weerlicht de Zon op zynen gladden beukelaar? of trekt hy heen, gelyk naderhand de Hebreeusche slingeraar uit het Huiz van Isaï, verzelt van enen lenigen slinger, ene Herderstassche, en gladde Beekstenen? hoe het zy, Hy, wiens naam is Krygsman, onderwyzt zyne vingeren ten stryde, en zyne handen ten oorloge, en zal zig aan zyne spitze stellen. Aldus gesterkt vervoegt hy | |
[pagina 139]
| |
zig met zyne wel uitgeruste Herders-troep by dien van den dapperen Mamre, zamengeprest uit zyne onverzaagdste Woudlieden, gewoon met zware bylen om te gaan, en daar mede honderd-jarige Eiken van hunne wortelen neder te klinken, datGa naar margenoot+ de grond er van kraakt. by dien van Eskol, die meest uit Oorlogskundige Hebronnyten bestaat. En by dien van Aner, zamengeschaard, ten dele uit handige Emoriten, die op een hair met den vluggen Pyl treffen, ten dele uit hardvogtige berglieden, zoo ruw als den grond welke zy bewonen. knoestige knodzen zyn hunne Wapenen. met deze magt trekt de Zoon van Therah, nu het gerugte zegt: dat het Leger van den Vyand naar Damascus zou aftrekken: op den geweld-dryvenden Overwinnaar af. Loth, die in de verdrukking, de Moeder der eerwaardige Ootmoed, zyne geknevelde handen niet ten Hemel kan heffen, nog zyne gebonden kniën voor den God van Abram kan buigen, zugt tot de Ongeschapenheid: dat Hy hulpe zende uit zyn heiligdom, dat zyne banden mogen geslaakt worden, en dat Abram, zyn beminde Oom tog kenniz van zynen toestand moge krygen. Toestand,Ga naar margenoot+ waar van de verbeelding alle de lydingen aan het menschlievend hart doet gevoelen. Gescheiden van Vrienden en Magen, beroovd van alle zyne Eigendommen, onzeker hoe zyne Gade en Dogteren bejegend worden van het dartele Zoldatendom, verhinderd om voor den Heer der Legerscharen zyn beklemd gemoed door Boetgebeden lugt te geven, zit hy als een weerlooz Lam onder de, op zyn bloedloerende Wolven, en hoort het vloeken by Astaroth, het lasteren van dien God, welken hy dient. Hy smaakt der sla- | |
[pagina 140]
| |
venspyze: het brood der bedruktheid, het water uit enen drieling. Hy voelt het smerten zyner bloedende stramen. hy ziet het drinken en klinken, het danzen in de reien om den buit, en hoe de afgodische Priesteren zyne beste Lammeren hunne drekgoden opofferen, en derzelver lillende ingewanden doorwroeten, om daar uit geluk, of ongeluk te spellen. Geen nood! bedrukte Loth! De zwaarste lydingen duren het kortste. de Regtvaardigheid staat gereed om uwe onnozelheid te handhaven. de tederhartige broederlievde is alrede in aantogt om u, met alles wat het uwe is, uit de knellende Tiranny te verloszen. Zie daar myn Godsheld, de grootmoedige Abram alrede onder de rook van Dan, na zes dagen reizens aangekomen. Zyn Heir brandt van verlangen om den kryg onder de ogen te zien: maar de Voorzigtigheid bestierd het hart van den Hebreeuw. Hy beveelt hen der ruste, en wil met afgematte troepen, in het neigen van den nagt geen aanval wagen op een Zegepralend Heir. Hy wil geen aanval wagen voor aleer hy den God zyner sterkte heeft aangebeden. Hy klimt Ga naar margenoot+met zyne drie Bondgenoten op enen ruig begroeiden heuvel, aan welkers voet hy zyn Leger verschuilt. hy ziet van daar het magtig heir, waar in de Zoon van Haran om zyne vryheid treurt, en ten schimp verstrekt van woeste heidenen. en op dat gezigt voelt hy, ik weet niet welk ene beweging in zyn binnenste. Hy valt op zyne knien, de drie Broederen zyne Eedverwanten mede, en hy zendt zyn gebed als een heilig avondoffer ten Hemel. Wat is 't? . . . de gantsche heuvel bloost door enen glanz, welken rondom het hoofd des Godvrugtigen bidders gezien word. | |
[pagina 141]
| |
een teken waar mede de Godheid meermalen zyne Bondelingen van zyne gunste verzekerde. Zoo veel vermag het gebed des Regtveerdigen. De in God versterkte Abram keert naar zyn rustend Heir, dat schaars kan rusten uit enen prikkelenden zugt naar de Zege. Het droomt in zynen dunnen slaap, niet dan van Overwinningen, en van het delen van den buit. Eer nog de in arbeid gaande Zon, het stralend hoofd uit de blozende Oostkim verheft, en den nagt en bruine schaduwen voor haren roden Morgengloed doet vlieden; eer zy alle de Sieraadjen van het geschapen Al met vernieuden Luister doet blinken, en de schrik, en vreze, gevaar, en verderv, doet wyken; schaart de gunstgenoot des Hemels, met Mamre, Escol, en Aner, zyne Benden in 't gelid; trekt met hun de steilte op, waar hy Jehova, den God zyner sterkte op zyne belovte maande; en toont hun met ene groothartige bezadigdheid des vyands Legering, waar Loth gevangen zit. Zy zien dezelve met ogen vol vuur, niet ongelyk aan dat waar mede ene Beirinne den Rover vervolgt die haar het eerst gevormd nest ontstolen heeft. Elke bende word onder een byzonder hoofd geschaard. De bevelen worden uitgegeven. DeGa naar margenoot+ optogt geregeld.
Vorst Aner moet door 't Bosch met honderd Mannen trekken.
En Escol met zyn volk des broeders aanval dekken.
De fiere Mamre zal de Linkervleugel slaan,
En trekken door 't gebergte op Tydals tenten aan.
Terwyl myn Abram zelv met zyne Herdersknegten
Het grote Leger van Laomer zal bevegten.
Dus stygt het welgeördend Godsheir den hogen heuvel af. Welk ene ontzettende verbaazd- | |
[pagina 142]
| |
heid in de Brandwagten van Kedor Laomer! de nugtere Zon begint op de gevelde Spieszen van Abrams benden te stralen, en het weerlicht daar van blikkert de Wagten in het gezigt. Zy roepen in die verwarring, niet wetende, of zy hunne verbysterde ogen betrouwen mogen, met ene verwilderde stemme: verraad! verraad! En dat geroep rolt van Wagt tot Wagt met enen wentelenden Wedergalm tot aan Laomers Tente. Ylings is al de magt des Dwingelands in rumoer, en grypt in ene, ik weet niet welke verbystering, naar het Wapentuig. De Hopmannen zyn alle op de been, en pogen hunne rotten in 't gelid te stellen: dog geven niet dan ongeregelde en tegenstrydige bevelen. Laomer verneemt de verwarring, vaart in gramschap uit op zyne Veldheren, en die weer op de Zoldaten. De Priesteren lopen naar de Autaren. Ga naar margenoot+Grypen in aller yl het Offergereedschap, kelen de Lammeren, steken het vuur daar onder, maar het vuur weigert te ontvlammen. Dat geschrey van dien Vogel in den naast gelegen Boom verschrikt hen. Zy Wichelen, en weten niet wat te besluiten. De een ligt de schuld op den ander. en terwyl men wegens den oorzaak der wanorder krakeelt, en de Priesteren het gevaar bewimpelen: houdt Abram met zyne dappere Mannen (aan den voet des heuvels van zyne Bondgenoten gescheiden.) Stand voor de trotsche tente van het hoofd der tirannen. Met verontwaardiging word hy van den heiden aangezien. Zy verfoeien zig, dat zy om zulk enen veragten hoop het gantsche Zeeghaftig Leger in Tweespalt gebragt zien. Kedor geeft, met enen schimpenden glimlach order dezen armhartigen Krygsman met zyne neske Herderen te omsingelen, en gevangen | |
[pagina 143]
| |
in de Veld-kerker te brengen, om hem naderhand zyne verwaande onderneming met meerder gevoeligheid betaald te zetten. Dan, naulyks ontrolt dit bevel zyne snorkende lippen, of de onverschrokken Abram grypt het, als een Schaarmes geslepen Lemmer, en voert daar mede zyne kloeke Knegten op dien verwaten aan, en rigt, daar de Almagt zelve hem van onderen met eeuwige armen bekragtigd, en daar duizendmaal duizend der sterke Helden, troonwagten van den Heer der Heirscharen, hem ten Wagenborg verstrekken, ene alleryzelykste verwoesting in des vyands Leger aan. De laatdunkende Laomer,Ga naar margenoot+ alrede tot de enkelen in het bloed zyner verslagenen staande, stampvoet, dat hem brein en bloed om het betullebande hoofd spat, en knarzetand van woede, niet wetende, hoe dit geschied, en waar van hy zig in dezen wreken zal. en met een houdt de Godsheld zynen hovaardigen kop van den gepurperden romp. Weinige zyner trauwanten ontkomen, en vlugten om hunnes levens wil naar de tente van Amrafel. Deze den slag bemerkende, en het lav gedrag, zoo hy het noemt, van Kedors volk door zyne dapperheid willende herstellen, vliegt
- - - - - Met een yzelyk geschreeuw,
En dol van gramschap op, gelyk een oude Leeuw,
Die, in zyn nest verrast, den staart begint te krullen,
Den kop en manen schudt, vervaarlyk slaat aan 't brullen,
Wanneer hy pyn gevoelt: dus vat hy onbezuist
Zyn schriklyk slagzwaard in de grove en sterke vuist,
(Want hy had aan zyn sterkte en grootheid dank te wyten,
Dat hy gekroond was tot een Vorst der Synnaryten.)
Hy heft het Lemmer op, en vloekt en knerzetand,
Terwyl het fier gezigt van dolle gramschap brandt,
En meent den vromen Held van Ur, met al 't vermogen
| |
[pagina 144]
| |
Van bei zyne armen, neêr te houwen voor elks ogen:
En 't had met Abram wis, door dezen zelvden slag,
Gedaan geweest; hy had den helderlichten dag
Nooit weer gezien, indien d' Almagtige van boven,
Die all' de vromen, die in zynen Naam geloven,
Gelyk den Appel van het alziend oog bewaard;
Den slag niet had gestoord, en Abram dus gespaard.
Hy stiert den vluggen pyl van een der wakk're Mannen
In 's Konings schouder, daar de Zenuw staat gespannen,
Waar door de slag nu flaauw afstuit op Abrams schild,
Die hem fluks aanvalt en geen ogenblik verspilt,
Om 't zwaard van onder op hem in den buik te wringen,
En door de volle maag, tot in de long te dringen;
Zoo dat de kloeke Vorst geweldig nederstort,
Gelyk een ryzige Eik, die omgeslagen word,
En 't zugtend Aardryk door zyn zwaren Val doet beven,
Terwyl het ingewant, het bloed, ja ziel en leven,
Al tevens borlen uit zyn wond, die yzlyk gaapt. . . .
Ylings schiet met een verwoed geroep al zynen magtigen stoet toe, om het bloed van hunnen Heer te wreken. Maar ach! al de Adeldom van Amrafel Ga naar margenoot+sneuvelt in den stryd. Het zwaard van Abram, de dodelyke Wapenen van de zynen maien een Oogst van Lyken. Hy stapt er over heen, en ziet in het verschiet zynen neev, de geboeide Loth, geboeid: maar van zyne bewaarders verlaten. Het bloed der gesneuvelden vloeit den Zoon van Haran aan. Onzeker, wie dit bloedbad aanrigt, bereidt hy zig om ook, gelyk het gehele Leger in het naaste ogenblik de Ziel te moeten uitblazen. Maar hy ziet zynen Oom . . . Hy ziet hem, gepropt van heiligen Oorlogsyver . . . . Hy ziet hem gelyk enen Engel Gods. Niet ongelyk aan dien, die naderhand zoo ene verwoesting in het Leger van Sanherib aanrigtte. Of gelyk den hebreeuwschen Kampioen, den Zoon van Izai, Ga naar margenoot+die de vervloekte Amalekiten, welke hem zyne | |
[pagina 145]
| |
dierbare Eigendommen geroovd hadden, sloeg van de schemering tot aan den avond van den anderen dag. Hy ziet Abram. . . . allergezegendst maar te gelyk hart ontroerendst gezigt! . . met enen luiden schreeuw kan hy niet anders roepen dan: Abram! . . . Oom! . . . myn Abram! . . myn Verloszer! . . . de heilige Veldheer die het gerammel der ketenen hoort, waar aan zynen dierbaren Broeder, als enen ongehoorzamen slaav gesloten zit, vaardigt Mannen af, die met de uiterste bereidvaardigheid zyne banden verbreken. Maar voor Abram is het nog geen tyd van omhelzing.Ga naar margenoot+ Hy moet den Oorlog des Heren ten einde brengen. Mamre, hoort hy, is handgemeen met het Heir van Tidal, hy snelt derwaards hem ten bystand, en velt dien trotschen met al zynen hoogmoed ter neder. Arioch door den alles vernielenden Aner en Escol overvallen, wil zig nog te were stellen: maar de vlugtelingen uit het Heir van Kedor schreeuwen van rondomme:Ga naar margenoot+ het is gedaan met al het bondgenootschap.
't Is omgekomen met de Vorsten en hun Heir!
Ik heb (dus roept er een.) Vorst Amrafel ter neêr
Zien vallen, daar alreê Vorst Kedor lag verslagen.
Met een vliegt, sneller dan de Wind, Arioch met alle zyne aanhangelingen op de vlugt. maar Abram trekt al zyne magt te zamen en jaagt hen tot onder de schaduwe van Damascus. Alles wat in den weg staat nederhouwende, hoort men niet dan een verward gejammer, van aêmegtige gewonden, van stervende wier ziel ter hartwonde uitborrelen. Hier kermt men in de vurendste smerten om zyne tedere kinderen, die hy wezen moet laten. en in dat kermen wenscht men zelv | |
[pagina 146]
| |
de ziel uit de gapende wonde te mogen bloeden. Die verlangt te sterven, mogt hy zyne gade nog eerst het eeuwig vaarwel zeggen, en haar zyne asschen bevelen. Die ziet zyn Leverei, van zyne Bruid konstig geborduurd, met het bloed van haren Vader en Broeder, die aan zyne zyden sneuvelden, bespat, en weet niet of hy haar de tyding dier nare nederlaag zal mogen brengen. hy zugt, hy mymert om haren wil, en in dat mymeren word hy met ene spiesze doorregen, zyne boze ziel ontsnapt het vege lighaam. Ginds vloekt men de Goden, men beschuldigd Astaroth van trouloozheid, en valt wanhopig in het Zwaard. De gantsche weg is bestapeld met doden. Hier liggen blinkende Harnaszen, daar weggeworpen schilden. Ginds ene gehele wereld kleinodien. Daar en daar dwalen de verbysterde Kudden van Loth. hier en ginds een bevend Herder, tot het gezin van dien Man behorende, die met een medelydig hart over het onnozel Vee, dat hy zorgvuldig pleeg te hoeden, aangedaan, het droevig oog naar het zelve wendt. De runderen schreeuwen den Hemel aan. De Kemelen, waar van een deel gewond, een deel geschroeid zyn, snellen verwilderd over de lyken, en zoeken in angst het stinkend slagveld te ontwyken. Verder op stygt rookwolk by rookwolk naar den hogen, van de Tenten, die door hunne radeloze Heren in brand zyn gestoken. hunne eigen handen bereiden zig het lykvuur. dus dagten zy de sterkte van hunnen Krygsmans geest te tonen, met niet te willen sneuvelen door de handen van enen veragten Herdershoop, nooit aan den stryd gewoon. De schrik, de verwarring, de verwoesting, de roov, de moord, de Wanhoop is algemeen onder het eer- | |
[pagina 147]
| |
tyds Zegepralend Heir. En de strydende Zoon van Therah rust niet voor hy deszelvs Kleenzoon met alles wat hem toebehoorde in vryheid heeft gesteld. Met enen sleep van buit een staatzy, trekt myn glorieryke held doot het lachend Kanaän te rug tot aan de plaatze, waar hy bestemd hadde, dat Loth hem zoude opwagten. Zy ontmoeten malkanderen. . . . Dat hier een Zeuxis, een Apelles,Ga naar margenoot+ een Timanthes, of deze drie te gelyk alle hunne Verbeeldings kragt by een roepen om deze ontmoeting door juiste verwen aftemalen, en . . . . Maar neen hier bezwykt de sterkste kragt der Verbeelding. Hoe teder zullen de omhelzingen dezer bloedverwanten, door zoo ene allernauste broederlievde aan elkander verbonden, op dit ogenblik geweest zyn! beide zyn zy stom van ontroering. Abram omarmt den Zoon van Haran, wiens afscheid hem zoo bitter viel. Abram omhelst dien broeder, die met hem van Ur tot Bethel in zoo veel leed en luk deelde. Abram Kust dien vriend, die met hem den Here diende, dien waarden neev van zyne Sarai. Hy ziet de paarschen stramen in zyne vermagerde handen, veroorzaakt door die knellende kluisters, waar mede de Tiranny hem geboeid hadde, en op dit gezigte breekt zyn harte los, hy besproeijt die handen met de droppelen der tederhartigheid. Loth omhelst zynen Oom, met wien hy het afgodisch Vaderland verliet, die hem aan den dienst van Henochs God verbond, en zyne Ziel voor de eeuwigheid gezaligd had. Hy kust dien bondgenoot des hemels, naar wiens byzyn hy, onder het bezugten van sodoms gruwelen, zoo dikwerv verlangde. Hy kleevt aan zynen broeder, die hem der slaverny onttrok. Hy weet niet hoe hy zyn | |
[pagina 148]
| |
Bloed, zyn Weldoener, zyn Vader, zyn Verlosser voor zoo vele weldadigheden zal bedanken. Mamre, Escol, en Aner zien met de tederste aandoening die bejegening. De Herderen van Abram en Loth, voorheen door Tweespalt gescheiden, vergeten op dit gezigt, dat er vyandschap tusschen hen geweest is. Zy begroeten elkanderen als vrienden. En die van Loth weten niet wat dankbaarheid zy zullen uitdrukken. Het geslaakte vee zelfs, door een verborgen drift mede lydig met den ramp, die hunnen Eigennaar trof, loopt op het lievde geween te zamen, en geevt zyne blydschap over zyne Verloszing met een trillend geblaet te kennen. Men laat eindelyk, maar zeer node los, en het schynt of de armen van Loth om den hals van Abram besteven zyn. Men moet naar huiz spoeden. Het hart van de lievderykste aller Egtgenoten hangt over zyne Sarai. De vlugge boden met de Mare der Zege voor uitgezonden, zullen haar verlangen naar haren held te meerder gaande gemaakt hebben. Myn Overwinnaar snelt met zynen stoet naar Hebron, Ga naar margenoot+om zyne vreugde in het Eikenbosch van Mamre zyne gade mede te delen. Men hoort op zynen Gang van alle kanten niet anders dan:
Gezegend zy de Held, die 't land van oorlogsplagen,
In Vryheid heeft hersteld, den Dwingeland verslagen,
En al 't gevangen volk verlost uit slaverny.
Maar de Temmer der Dwinglandy, en zyn verloste Neev geven al de voorttrekende in hunne blyde beurtgezangen, die tot Sarais tente voortrollen, der eeuwige Almagt Majesteit en Eere. Zy komen eindelyk op den top des heuvels, waar op de godvrugtige Veldheer, zyn Leger in order- | |
[pagina 149]
| |
stelde. Zie zegt hy, tegen Loth, van zig afwyzende: daar lag myn volk, terwyl ik hier myne kniën voor mynen Verbonds-god boog, en hem ondersteuning ter uwer verloszing afsmeekte. Van dezen kant beklom het, by het aanbreken van het eerste Morgenlicht deze hoogte. Hier zag het de eerstemaal het wellustig Heir in zyne Legering. Aan gindsche zyde trok het naar beneden op den hoogmoedigen vyand af. Dat deze Berg zegt hy eindelyk, ene eeuwige getuige zy, dat God zyne Knegten met kragt omgord. . . en. . . maar hy slaat zyne ogen op. Zie daar in het naastgelegen Schave, die ruime vlakte, om derzelver bekorelykheid het Dal der Lievlykheden genoemd, zie daar de aankomst van twee troepen. Zyn rustig Krygsvolk, op verraad bedagt, stelt zig ylings in het gelid. Het verbeeldt zig, dat de ontkomene, door de woede en wanhoop te zamen geschaard, op het heilig Legerhoofd aanzetten, om zig van het bloed der verslagenen te wreken. Abram zelv twyffelt, of hy niet het geblikker van opgeheven dolken ziet. Een vlugge Loper, zoo moedig van hart als vaardig van gang, biedt zig aan, om de aannaderende menigte te bespieden. Maar naulyks is deze andere AhimaäzGa naar margenoot+ ten halven weg gekomen, of staat stil van verbaazdheid. Hy ziet gene wanhopige vlugtelingen, gene op wraak gewette Wapenen, gene Harnaszen waar op de woede gedreven staat: maar hy ontmoet, Vorsten, Koningen, ja een Priester des Allerhoogsten. Hy ziet hen uitgedoscht in het gloeiend en achtbaar Purper van Tirus, en in het eerwaardig fyn linnen van Egipten. Tullebanden met edele stenen beregen, waar van het weerlicht in zyne ogen straalt, zyn met enen aan- | |
[pagina 150]
| |
zienelyken Zwaay om de deftige Schedels gezwagteld. Hy ziet ene wereld van kostelykheden, door zindelyk geklede Hovelingen gedragen, en tot Schenkkaadjen voor den magtigen Overwinnaar geschikt. Voor de Koninglyke Priester gaan in het Wit geklede Outer knapen, en dragen op gouden Schotelen het fynste Tarwenbrood, en in koele kruiken de versterkende Palmwyn, op de Bergen van Salem al juichende uitgeperst. Hy snelt te rug, en geevt zynen groten Zender kenniz van het geen hy zag. Abram besluit, dat het Ga naar margenoot+een Koninglyk Gezandschap is, in aantogt om hem met de Zege geluk te wenschen. Hy bedriegt zig niet. naulyks in het midden der vlakte gekomen zynde, word hy door de Vorstelyke menigte begroet.
De jonge Bera, die nog onlangs met de Kroon
Van Sodom op het hoofd beklom zyns Vaders troon,
Komt om Held Abram op zyn Glorietogt te ontmoeten,
En hem eerbiedig met de Zege te begroeten.
Aan de andre zyde kwam de goddelyke Man,
Vorst Melchisedek, de eer en roem van Kanaän,
De Grote Koning van Geregtigheid en Vrede:
Hy die op Salems Troon ook 't Priesterdom bekleede
Des Allerhoogsten Gods, een wonder van zyn tyd;
In 's Hemels Hogenraad tot voorbeeld ingewyd
Van 's Werelds Heiland, die, naar zyne wyze en orden
Zou tot in de eeuwigheid een Vorst en Priester worden,
Naar Gods gezworen Eed. Die Koning, onbevlekt
Van d'Afgodsdiensten der bedurven tyden trekt
Uit Vredestad, en komt met all' de eerwaarde Mannen,
Van zynen Hogenraad, en die de Vierschaar spannen,
Heel statiglyk gevolgd van zynen Offerstoet
De Zegestaatzy van myn Abram te gemoet,
Om dezen Held van God Godvrugtig te bejegenen,
Hem als een Priester van den Hoogsten God te Zegenen,
En als een Koning, voor zyn strydbare Oorlogsliên,
Het Vorstelyk geschenk uit Vriendschap aan te biên.
| |
[pagina 151]
| |
Abram ziet Melchisedek, en ziet in hem het beeld van dat Zaad, dat zyn Zoon, en te gelyk zynen Heer zoude zyn. Wiens dag hy meermalen met ene gelovige verheuginge zyner Ziele te gemoete zag. Zyn heiren staan rondom hem als willigen rondom enen Ceder, en beschouwen gelyk hunne Veldheer met diepen Eerbied den Salemitischen Koning der Geregtigheid, niet anders dan in later tyd Titus, de wellust der menschen, den Hogenpriester beschoude, wanneer hy in zyn ontzaggelyk plegtgewaad dien overwinnenden Romein te gemoete ging. De Vrome Zoon van Therah nadert den heiligen Priester met een verhemeld aangezigt, waar op de vrolykheid der Engelen zit. Hy wil dien wonderperzonaadjen, die met hem, onbevlekt van de Zeden der Volken, den God van Sem eerbiedigt. hy wil dat Voorbeeld van 's werelds Heiland zyne onderdanigheid betuigen. Maar deze neemt het brood en den wyn den jongelingen uit de handen, en biedt het den Vader van het Geloov, en zyn Manschap ter versterking aan, en onder het uitdelen dezer gave word zyne zuivere Ziele door een hemelsch vuur als aangegloeid. Zyne tonge gaat zwanger van ene Goddelyke Lovspraak. Hy vestigt zyne ogen op die van Abram, staat als in ene prophetische verruking, legt zyne gewyde handen op het hoofd van dien aardsheilig, en zegt: gezegent zy Abram Gode den Allerhoogsten, die hemel en aarde bezit. Ende gezegent zy de AllerhoogsteGa naar margenoot+ God, die uwe vyanden in uwe hand geleverd heeft. Abram ontvangt dezen Zegen met enen ootmoed der ziele, die hem den Engelen gelyk maakt.Ga naar margenoot+ En beveelt zyne knegten al het Vee en al den buit te tellen, en het juiste tiendendeel van alles af te zonderen, dat hy den Aardspriester met ene Godvrugtige Dankbaarheid aanbiedt. En . . . maar wie nadert? | |
[pagina 152]
| |
de Vorst van Sodom. Hy valt op het aangezigte voor Abram ter aarde, en betuigd voor zig en zyne Lotverwanten zyne Erkentenisze. Hy noemt hem den Overwinnaar, die de Siddimmyten uit de slaverny getrokken heeft. De Onderdrukker der Dwinglandye. De Wreker van zyn bloed, de Verlosser zyner magen. Hy smeekt dat al zyn land met hem in bondgenoodschap mag treden. En biedt hem ten schenkaadjen aan alles wat hy in den Oorlog in have en Vee veroverd had, en dat voorheen den Siddimmyt bezat, alleen de Zielen zyner Onderdanen smeekt hy te mogen loszen. Dog de groothartige Overwinnaar, Godvrugtig, en daarom edelmoedig, zegt tegen den dankbaren Vorst: Ik hebbe myne hand opgeheven tot den Here, den Allerhoogsten God, die hemel en aarde bezit. Zoo ik van enen draad aan tot enen schoenrieme toe, jaa zoo ik van alles dat uwe is iet neme! op dat gy niet zegt: ik hebbe Abram ryk gemaakt. Het zy buiten my; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, ende het deel dezer mannen, die met my getogen zyn, Aner, Escol, ende Mamre, laat die haar deel nemen.
Nu ryzt het bly gejuich tot aan de hemeltranszen,
De groene beemd schynt zelv te hupplen en te danszen,
En roept de Vryheid van de Siddimyten uit,
Die hunne Ketenen en banden, op 't geluid
Van zulk een blyden galm, verwerpen en verbreken,
Om vrye handen naar hun landzaad uit te steken.
Maar eindelyk verlaat myn held het Koningsdal,
Dat dezen naam verkrygt van dit beroemd geval,
En trekt, na dat hy Loth ter gunst van Sodoms Koning
Heeft aanbevolen naar zyn blyde Herderswoning,
En komt by Hebron met zyn wakk'ren Oorlogsstoet,
Daar blyde Sarai hem juichend te gemoet
Met hare Maagden treedt, en herderinnereiën,
En haren dapp'ren held verwelkomt onder 't schreien
Van vreugde tranen, tot ze, uit eerb're huwlyks min
Hem gespt de Wapens los, en leidt ter Veldtente in.
|
|