Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 92]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 93]
| |
DE SCHAKING van SARAI. | |
[pagina 93]
| |
De Schaking van Sarai.Neen! ongeruste zorge, die U noemt Dogter der volmaakte, der tedere huwlykslievde, neen! bied U niet aan om myne penne te bestieren, nu zy de uitwerking van uw angstvallig beleid poogt te tekenen. De schoonheid, de Ziel-en-zin-veroverende schoonheid der vorstelyke Sarai zal my de verwen lenen, nu ik het waag de SCHAKING van dien roem aller Vrouwen op dit gemalen doek te schilderen. De Chaldeeusche Herder, Godsvriend, de Vermaarde Abram, onder Afgodendienaars in Vuurstad opgevoed, hadde zig met de Dogter van Therah, die ook Zyn Vader was, in denGa naar margenoot+ Egt begeven, en leevde met die bekorelyke, in ene vereniging alleen eigen aan overeenstemmende zielen, die, onderling door ene evenredige Lievdevlam aangevuurd, niet anders bedoelen dan om elkanders welstand te volmaken. Van magen en vrienden bemind, van bekenden geagt, van geburen en vreemdelingen geroemd, en van hunne Dienstbaren met een lievderyk ontzag geëerbiedigd: Sleten zy hunne heldere dagen, of binnen het vermakelyk Ur, of op de lagchende weiden, waar langs het Vee, hun Rykdom, de malsche groente snoeide. Er is egter iet, iet, dat het hart dezer Egtelingen pyingt. Daar zy verenigd zyn in hart en zeden om den God van Sem te dienen: zien zy | |
[pagina 94]
| |
alle de rondom wonende Volken, zien zy hunne Stamgenoten, wat zeg ik, hunne afgeleevden Vader, verbasterd in het geloov van den heiligen Heber, het hemelsch heir als Goden eeren. Dit smert hun. Zy pogen gedurig met ene medelydende ziele de verleide Afgodendienaars uit de strikken van het dweperig en geest-verblindend bygeloov te ontwarren. En . . . maar ik zie Abram.
Als een Vader der geslagten,
Dit door het heilgeloov Gods Zoon in 't vleeschverwagten.
Zie ik Sarai, als ene Moeder, in wier gezegend en zegenend Zaad alle geslagten zouden gezegend worden, zie ik dit doorlustig paar als toonbeelden, waar de zuiverste Godsdienst haren tempel mede versiert, opgehangen, zie ik de Godsvrugt op de Godgehoorzaamheid van deze bondgenoten des hemels, tot op het einde der eeuwen roemen: ik begryp waarom hun heilgeloov voor het wegdragen der overwinningskrone als Goud in den Beker der Goddelyke beproeving gelouterd moeste worden, om, Zevenmaal gezuiverd, een allerfynsten keur te behouden. Wien was zyn eigen hutjen niet veel aangenamer dan vreemde paleizen? en zyne vrywillige Woning, dan de hoven der groten? wien zoude het niet hard vallen zyn geboorteplaatz, dien zagten dorpel, dien lievfelyken haart, die onz, wegens de geheugenis onzer ouderen, en de eerste beginzelen onzer jongheid zoo naa aan het harte ligt, te verlaten; daar men, na eerstmaal het lieve levenslicht aanschouwd te hebben, wierd opgewiegd, daar de onbekommerde kindsheid onz in den Morgenstond van ons leven, onder de eerste beginzelen van kenniz vriendelyk toelachte, en de | |
[pagina 95]
| |
jeugdige Jaren zelvs door hare Eenvoudigheid genoegelyk, onder de vrolyke jongheid onze lieve Speelgenoten zoo een zoet, zoo een onschuldig tydverdryv verschaften. Wat hard bevel derhalven voor vleesch en bloed.Ga naar margenoot+ Wat hard bevel klinkt dan niet in het oor van onzen Abram! God zelv gelast hem: Gaat gy uit uw Land, ende uit uwe Maagschap ende uit uwes Vaders huiz, na het land dat ik u wyzen zal. Ende ik zal u tot een groot volk maken, ende u zegenen, ende uwen name groot maken; ende weest een zegen. Ende ik zal zegenen die U zegenen, en de vervloeken die U Vloekt; en de in U zullen alle geslagten des aardryks gezegend worden . . . . Daar staat de ontroerde Aardsvader, met ene peinzende, met ene als verrukte ziel. Hy komt allengskens tot zig zelven, terwyl de Godgehoorzaamheid alle de uitgangen van zyn kloppend hart bemeesterd. Hy valt in ootmoed op zyne kniën, en barst uit: Heer! Zie hier uwen Dienstknegt! . . . Hy ryzt, hy loopt, ene hemelsche klaarheid bygeleid hem, en zonder dralen, dogter der slaavsche vreze: meld hy deze Godspraak zyne beminnelyke gade, die trouhartige Deelgenote in zyne ontmoetingen. De grootmoedige Sarai, die bake der vrome vrouwen, verzint gene zwarigheden om van de moeielyke uitvoering des bevels bevryd te blyven. Neen de Godvreez van haren Man geevt weerslag op hare zuivere Deugd, waar in 't geloov als in enen spiegel kykt, en door de kragt derzelver overwint zy alle de zwakheden der natuur. Zy kan met haren Heer het dierbaar Vaderland, de lievste vrienden, het naaste bloed om Gods wil vaar wel zeggen. | |
[pagina 96]
| |
Maar verbeelde ik het my, of zie ik, den gryzen Therah, leunende op den Schouder van Loth, de geheiligde Zoon van Haran, de Tente van Abram en Sarai intreden? Ja die bevende ouderdom geevt zyne lieve kinderen een avondbezoek. Hy vindt ze te zamen, en vindt ze wenende. Zy wenen. Is het om dat Natuur hen aan den boezem tokkelt op het gezigt van zulk enen uitgeleevden Gryzaart, waar van zy zig voor eeuwig moeten ontrekken? of smelten hunne Zielen in het vertederend gevoel der Lievde van hunnen Verbonds God? hoe het zy de bewoge Sarai valt den ouden Vader om den hals, en besproeid, zonder iet te zeggen, zynen spierwitten baart met hare tranen. Abram ziet het aan, en . . . maar de bevende Zoon van Nahor weet niet wat hy van dit ontmoeten zal denken. De Vader lievde vreezt en vraagt: wat leed hun wedervaren zy? beminde Vader, zegt Abram, wedervoer ooit Leed aan hem die God gehoorzaamde? bewondering, Lievde, gehoorzaamheid bewerken onze zielen. Hy, die volmaakt is in Wetenschappen, die onz geleerd heeft dat het Wezen van den besten Godsdienst bestaat in zelvverlochening, en in ene hartelyke vereniging van onze ziel met zynen Wil: heeft my geboden dit Land, myne vrienden, myne bloedverwanten, ja U, U, mynen ouden, mynen trouhartigen Vader te verlaten, voor eeuwig te verlaten, en op te gaan naar een Land, aan my nog onbekend: maar dat hy, die alleen God is, die Noach in het dryvend Vlotgevaarte voor den alverdelgenden Vloed bewaarde, my wyzen zal. Ik voel, ik voel met schier onwederstaanbaar vermogen, al de kragt der Kinderlievde. Hoe nauw zyn onze zielen gebonden aan de ziel van U, | |
[pagina 97]
| |
o onzen Vader! daar gy onz uwen lievsten Troost noemde, wier byzyn als een Balzem was in de wonde van uw hart, nog bloedende, wegens dat vroegtydig afsterven van onzen braven broeder, uwen jeugdigen Haran. Wy zullen U, zyn nagelaten zoon, door zyne stervende Lippen onzer zorge aanbevolen: wy zullen U, lieve Loth begeven.Ga naar margenoot+ Maar dat is de kragt der Leringe van Grootvader Sem.
Dat men zyn zin, zyn wil, zyn lust en Aardsgenoegen
Moest leren naar Godswil en zyn bevel te voegen.
Zodanig is de kragt van het heilgeloov, gelyk aan ene Rotze, onbeweegbaar voor het geklos der baren. Of aan enen Loper langs ene bane betuint met doornen: maar met doornen aan welke Eglantieren en rozen groeien. Hy zet zyne reyze moedig voort en bekomt op 't einde de plaatze zyner ruste. Myne lieve Sarai, vervolgt hy, de Wellust van myn hart, is zoo bereidvaardig als ik, om de Stemme des heren te gehoorzamen. Vaar wel dan alles wat my hier liev en dierbaar was! vaar wel! mynen gryzen Vader! Nahor en Milka zy u beter dan zeven Abrams en Sarai! word uit hun gebouwd. En deze telg van uwen Haran zy uwen steun in uwen hogen Ouderdom. de God van Heber . . . . hier versmolt de Stem van Abram in enen Zilten vloed van wederzyds gestorte tranen . . . Therah word als met een loodverw overtogen, en schynt te zwymen. Sarai kust dien killen gryzaart. Loth huilt, en is ten uitersten verlegen. Abram, verhelderd in zyn Ziel door den invloed van het Geloov, waar door men de wereld overwint, slaakt zugten uit den boezem naar den troon der Godheid, die door enen flaau- | |
[pagina 98]
| |
wen blikzemstraal hem zyner gunste verzekerd. De schierbezwymende Vader bekomt . . . hy barst met ene trillende stemme uit: Och! Abram! Och! Sarai! Ik U vaar wel zeggen! . . . Neen! . . .
Ik pryz den God van Sem:
Ik volge U waar gy gaat op die gedugte stem.
Te vergeevsch stellen Abram en Sarai alle de moeilykheden der onbekende reize dien afgeleevden voor. Te vergeevsch poogt Abram
Zyn Vader van dat opzet af te trekken,
En hem zyn zwakheid tot den zwaren togt te ondekken.
Daar Therah hem omhelst met een verheugdt gezigt,
En zegt, myn Abram! 'k volg, ik volg nu 't helder licht
Van 't oud geloov, ik heb nog kragt in deze spieren,
Geen Land, geen maagschap, geen afgodische outer vieren
Weerhouden my: ik ga, en maak straks alles reê.
Loth, ene Weze, styvt de groothartige Oudvader in dit grootmoedig opzet, met oogmerk om met hem te trekken werwaards de Godheid wilde. Nahor en Milka kondschap van dezen togt krygende, voelen zy in de eerste ontroering, die de verbeelding van het afscheid haar in de zinnen drukt, zig geneigd mede den Vaderlande uittegaan. Maar, zodanig is het geweld van het gierig Zelvsbelang, dat de heiligste banden van vriendschap, dat de tedere trek van het bloed, niet agt; zodanig is het vermogen der Zelvszoekinge, dat nog God, nog Godsvrugt kent, dat Nahor en Milka, bezeffende, wat verliez zy in het ontwyken van hunne Koorn-en-Klaverlanden zouden lyden, en welk een rykdom zy in het land en der gegraven putten, van Abram en de zynen agtergelaten, kosten aanwinnen, van den optogt afzien. | |
[pagina 99]
| |
Ondertusschen is de geheiligde Abram, metGa naar margenoot+ Sarai, en Loth volyverig bezig om alles tot de reize vaardig te maken. Therah zelv rept, zoo veel zyne zwakheid toelaat de bevende handen, of geevt bevelen aan knapen en herderen, die lasten opbinden, en de kudde in order schikken. Hier word een drift onder hunne pakken gigagende Ezels ter Stad uitgedreven; ginds leidt men de Snelle Kemelen, met de opgebonden Pakkaadjen naar buiten, daar ziet men het blaetend Vee, en wat verder de loeiende runderen van Abram en Loth, in twee hopen verdeeld, al weidende voorttrekken. Therah vereert zyn Rykdom aan Nahor, dien hy nooit zal weder zien. Sarai ontvangt van Milka kleinodien, en geevt aan die de beste gewrogten van hare Spindery. De gantsche Stad loopt leeg, om dien optogt na te ogen. De Vriend der Godheid trekt heen gelyk enen Koning onder de benden. Ur schreit om zyn verliez, de velden lagchen op zyne aankomste, de Engelen begloren het reizend gezin, God zelv bygeleid het. Hore ik gene antwoorden geven van de vrolyke Echoos op de lovliederen, door Abram en de zynen ter eer van zynen Verbonds-god aangeheven? Hy juicht. Sarai zingt. Therah neuryt hun na. Loth kleevt rieten aan een, en gaat de herdersknapen voor dien juichtoon na te blazen. De Lammeren zelv, de Geitenbokskens, schynen door hunne lugtige, door hunne tierige sprongen de vrolykheid als uit te beelden. Dat woord: ga naar een land, dat ik U wyzen zal, was Abram genoeg om de reyze gemoedigd voort te zetten. Zy verwyderen zig allengskens van het afgodisch Ur, en zien slegts, als in 't verschiet, de flaauwe | |
[pagina 100]
| |
en in de lugt verdwynende rookwolken van de Outers, ter Eere van den God des Vuurs opstygen. Haast hopen zy de uiterste grenzen van Mesopotamien de Erve der Chasdim, te bereiken, en het ruischen des Euphraats niet meer te horen. Maar hoe weinig weet de Sterveling zyn nakend Lot. Therah, de afgeleevde Therah, zig, om voort te spoeden meer vermoeiende, dan zyne versletene kragten toelaten, word te zwak om verder te reizen. De Vaderlievende Abram bespeurt het, de medelydende Sarai ziet het. Zy besluiten te rusten in de schaduwe der Stad, in vroeger tyd door hunnen Grootvader bezogt, en om dien nog Nahors Stad geheten. De Godheid eindlooz goed jegens het geslagte van Adam, neemt een heilig welgevallen in de Kinderzorge van Abram jegens zynen zieken Vader. Hier woont de roemrugtige Herder als een gehoorzaam vreemdeling. Hier ondervindt hy reeds in het vermenigvuldigen van zyne have het begin der aan hem beloovde Zegen. Hier koesterd hy, hier verkwikt zyne Sarai den ouden Man in zynen kranken Ouderdom, in die stille Hope, dat hy, die de Jaren van Methusalah tot negen-honderd en negen-en zestig rekte ook den Leevtyd van Therah, die hun tot ogen op den weg was, zoude verlengen. Maar neen! de Kleenzoon van Serug mag het land dat zyn magtig Nazaad ten Ervbezit zal toegesnoerd worden niet beschouwen. De afgesloovde Reyziger legt zyne slappe handen op den Schedel van Loth, zegent hem, zegent zynen Zoon Abram, zegent allen die hem omringen, en geevt in Abrams armen den laatsten Adem. Ga naar margenoot+Zie ik, als ware het, die droevige bezigheid der herderen om, met enen stillen Eerbied het | |
[pagina 101]
| |
koud gebeente der aarde te betrouwen? Hoor ik Abram met afgebroken woorden een Klaagtoon by dit Godvrugtig Lykgebaar uit den ontroerden boezem slaken? Hoor ik Loth wenschen: hier zyne assche met die van zynen Grootvader, zynen trouwhartigen Opvoeder te mogen vermengen? Zie ik Sarai, met hare gedienstige herderinnen Kranzen van dodenkruid rondom de gravspitze vlegten, terwyl een stille traan van hare wangen rolt? De Lykpligt is voldaan. Men scheidt van de plaatze, waar Therah rust, in de hope der zalige opstanding, van de plaatze die men Haran noemt, om de gedagtenisze van Loths overleden VaderGa naar margenoot+ te vereeuwigen, en slaat zig eindelyk neer in het middenpunt van het wellustig Kanaän, de sieraad van alle landen. Sichem, ontvangt het gezelschap, dat op Gods geleide reist, als ene Voedster in haren schoot. Zy rusten uit, zy worden verkwikt, zy worden verfrist te Sichem. Dat Sichem, waar de Fonteine des Levens in later tyd zyne zielverkwikkende heilswateren ener bronscheppende Samaritane zal mededelen. Hier tiert het Vee in de koele schaduwe der agtbare Eiken, plantingen van den Landsheer More. Hier daalt in den eersten Schemeravond hunner ruste ene Lugtige Wolke naar het hoofd van Abram, terwyl hy met Sarai zyne dienstelingen bevelen geevt. Ene wolke waar uit ten aanhoren van al het gezin die stem der Godheid klinkt: Uwen zade zal ik dit land geven. En met een is en stem, en wolk verdwenen. Er heerscht van rondom ene diepe stilte. Men durvt naulyks ademen om die stilte niet te breken. Abram, die de stem van zynen verbondsvriend kent, valt in ootmoed op zyne knien, en aanbid dien God, die hem verschenen | |
[pagina 102]
| |
was, die . . . Maar ik zie het geleidend teken, dat Abram den weg wyst vertrekt. Abram vertrekt mede. Alles wat hem toebehoord volgt hem. Zy houden het blaauwend gebergte van Gerissim in het oog, of laten het met Hebal ter zyden, en slaan zig tusschen Luz en Ai voor het aangezigt der Zonne neder. Was hier het Land der Ruste Ga naar margenoot+voor den Godverloovden man? neen! om een Heilig der Gelovigen te worden moest dezen verkoreling des Hemels op enger doornpad hen voorgaan. De dolle honger, die graauwe bode des doods, raazde hier van rondomme. Hier was het eeuwig Winter op de dorre weiden. De grond versmagte van dorst. De putten spleten van droogte. Er was nog voedzel voor menschen nog beesten. Het vee kwynt, de Herderen zugten, zy klagen den nood hunnen Heer. Abram zelv vreezt het ergste. In gevaar, dat de bewoonderen van 't Zuiden hem als den berover van het weinig nagebleven Voeder zullen aanvallen, aanvallen, plonderen, en alles wat hy heeft verwoesten: schreit hy den Hemel aan ter goedkeuring van zyn besluit om naar Egipten op te breken. Me dunkt dat stil geruisch in dien naasten Eik, daar anders nergens een blad ritzelt, Ga naar margenoot+is hem een teken, dat God hem verhoord. Ylings de pinnen uit den grond, de tenten opgerold, de heiren vees in order geschaard, het huizraad opgebonden, en voortgereizt naar de woningen Cusans, naar Egipten, de gelievde troeteling des slibberigen Nyls, die haar ten gezetten tyde zodanig bevrugte, dat ze als de Koornschuut der Wereld was. Och Abram! Godvrezende knegt des Hoogsten! hoe onwetend zyt gy van het nakend ge- | |
[pagina 103]
| |
vaar! kan de Deugd hier hare schuilplaatze vinden? hier, waar het eigenbatig zelvbelang, in arbeid gaat om zig, ten koste van de onnozelheid te verryken. Hier, waar de weelde der heerschappy in handen heeft. Hier, in 't aanzien van een Hov, waar de schalke vleiery, waar de vuige ontugt, beloond, geëerd, gekoesterd word. Hier ontvlugt myn Godsman den honger, maar de zeldzame schoonheid van den Lust zyner ogen, van zyne beminde Sarai zal hem hier op oneindig meerder onrust staan. Met welk ene voorzigtigheid meent de mensch het dreigend gevaar te ontwyken, daar ondertusschen die voorzigtigheid hem in een erger stort. De hoogste Wyzheid bereikt ondertusschen haar doel, leert den sterveling zyne zwakheid; luistert nedrigheid als een parel aan de kroon der deugden op, en geevt der beminnelyke ootmoed, uit bezef van misbedryv geboren, hare juiste waarde. Abram riekt den geur van het Hoovsch, van het dartel, van het wellustig Memphis. Sarai begrypt, en verfoeit te gelyk de Lonken, die aan het dartel oog ontvallen van dien, en genen hoveling, welke nu en dan voorby hare tente treden. Zy spreekt er van met haren Heer. Die zomtyds onder dat zamenspreken uitbarst: de vreze Gods woont aan deze plaatze niet! terwyl zyne vreze voor de schendinge der engelagtige schoonheid zyner gade hoe langs hoe gegronder word. Hy wikt, hy weegt. Werwaards hy zig buiten Egipten keert reizt hy den honger in den vratigen muil. Hier te blyven schynt hem het leven te zullen kosten. De schoonheid, waar op hy alleen een wettig Eigendom heeft zal hem den hals kosten. De ene zwarigheid broeit in | |
[pagina 104]
| |
zynen verwarden geest de andere uit. Hy zwoegt als onder bergen van angstvallige gedagten, die alle de uitgangen van zyn hart, en het oog zyner Ziele zodanig belemmeren, dat hy door het Gebed geen ademtogt kan vinden. Sarai ziet zynen angst. Zy vraagt het waarom, en eensklaps barst hy uit: zie tog, ik weet dat gy ene vrouwe zyt schoon van aangezigt: en het zal geschieden als U de Egiptenaars zullen zien, zoo zullen zy zeggen: dat is zyne huizvrouwe. En zy zullen my dooden, en U in het leven behouden. Zeg tog; gy zyt myne Suster: op dat het my welga om U, ende myne Ziele om uwen wille leve. De Mangehoorzamende, de medelydige Sarai voelt hare Ziel door weerslag bewogen van Abrams tederhartige Huwlykslievde. Hare tranen, die telgen der mededogenheid, zyn de tolken dat haar hart instemt in Heer Abrams bede. En . . . maar ondertusschen roept het eeuwig luisterend gerugt zoo kwistig in 't verbreiden van nieuwe maren, als uit honderd monden:
Hoe zig naby de Stad
Een vreemde menigte te neêrgeslagen had.
Men vroeg het landvolk, dat te Markt-kwam met zyn waren,
Die zei: 't is inheemsch volk: het zyn Egiptenaren
Van Koptos, hier gewoon te komen met hun graan.
Deez: 't zyn Arabiërs met Kemels zwaar gelaên
Met nagelen, kaneel, en wierookgeur om te offeren,
En balzemreukwerk voor het hair der hoovsche jofferen.
Een ander mengelt weer wat anders onder een.
Zoo paait de leugen vast het dom en woest gemeen.
In 't einde roept er een: 't zyn slegte herders-knapen,
Uit Palestyne met hun huizgezin en schapen,
Zy weiden 't Vee niet ver van myne Woning af.
Ik heb den Oppersten, met zynen herderstav,
| |
[pagina 105]
| |
Een kloek en statig Man, gezien. En, by de Vrouwen
Een Vrouw zoo schoon als ooit Egipten mogt aanschouwen.
De laatste tyding vindt het eerste ingang. Men brengt dien boodschapper by den Koning, die op het horen dier mare ylings boden zendt naar het leger van Abram, om te vernemen wat van die tyding zy. Zy naderen het draagbaar dorp waar de reyzende herderen gelegerd waren. Zy zien hunneGa naar margenoot+ ordeningen van de statige Aardsvader als een Koning, die de eenvoudige natuur tot zyn geheime raad had, bestierd. Zy gaan door en rondom de tenten, lugtig aan het hangen der heuvelen opgeslagen. Zy bewonderen de heiren Vees; zy houden een mondgesprek met Abram, die de gulle Gastvryheid met vriend en vreemdeling oefent, en hun met een bescheiden Welkom ontving. Allerhande verfrisschingen worden hun in tenen korven, of aarden teilen aangeboden, door de knapen, die niet minder opgetogen zyn over hunne hoovsche kleedingen en manieren, dan zy over hunne natuurlyke eenvoudigheid. Maar wat verrukt de Zendelingen van Koning Pharao? 't is Sarai, de Vorstelyke Sarai. Zy komt
Zoo ryzig van gestalte, en rustig op de leden,
Met haren Maagdenrei uit hare tente treden.
Zy groet de Heren met ene ongemaakte aanvalligheid, en trekt eensklaps al den aandagt der Hovelingen tot zig.
Zy zien de schoonheid van 't aanvallige gelaat,
Den zwier der leden in 't eenvoudig Veldgewaad.
De levendige verw, en d' opslag harer ogen
Houdt elk schier buiten zig verrukt en opgetogen.
| |
[pagina 106]
| |
Zy zien met een dryvend gezigt van de schone Herderin op elkander, en de een luistert den ander:
Weg hoovsche schoonheid, die het aangeboren letzel
Steeds voor het oog verbergt door Kunst en door Blanketzel:
Natuurlyk schoon braveert al 't hovfelyk Sieraad.
Dat van een ander met ene driftige stem beantwoord word:
Weg teder schynschoon van het jeugdige gelaat,
Dat haast verschiet, gelyk de bloemen op haar stelen,
Zoo dra een windtjen komt door 't zwakke lighaam spelen.
Zie hier een schoonheid, die den tyd en jaren tart.
Dit hoort Sarai. Zy bloost, en dit blozen geevt der schoonheid enen nieuwen glanz. Zy ontwykt de verdere Lovsprake in hare tente. Abram staat beteuterd. Hy vreezt op nieuw het ergste. Dog steld zig gerust in de trouwe van Sarai, die hem reeds in het byzyn der boden broeder heeft genoemd. Die boden nemen afscheid. Abram bygeleid hen tot aan de laatste tente. Zy treden in het Paleiz, en geven den Vorst verslag van hunne ontdekkingen in het herdersleger van Abram. Vleiery, hoovsche vleiery, het Kroost van Eigenbaat, en laffe laagheid, doet hun het regt, dat den Vorst heeft op de schoonheid van den Suster eens vreemdelings, die den grond van Egipten als inboreling met zoo een magtig gevolg mag afweiden, doet hun het wellustig geluk van Pharao, Ga naar margenoot+in het genot van zoo ene onvergelykelyke schoonheid, zodanig met schyn van reden bekleden, dat ylings de dierelyke lust des Konings zoo geweldig aangevuurd word, dat hy eensklaps mannen uitzend, om die schoonheid, het koste wat het wil, | |
[pagina 107]
| |
voor zyn genot te halen. Hemel! is dit de GesteldheidGa naar margenoot+ van een wellustig hov, waar van mynen Abram zeide: de vreze Gods woont er niet? Word
Dat elders deugd is, hier voor een gebrek gehouën?
Die daar de Waarheid Spreekt en gaat ter goeder trouwen,
Diens doen opregt is, die daar zonder veinzen mint;
Of die men ongeveinzd medogende bevindt,
Word die by yder daar, van kleen verstand geagt,
En als een botten Uil bespot en uitgelacht?
Acht men daar als voor Spel, het roven en bedriegen,
Als 't met een Schyn van regt bekleed is, en het liegen,
Ja 't goed vergaêren met zyns naastens schade en Val,
Als 't maar tot voordeel strekt, gelyk een niet met al?
En zal aan deze plaatze de Deugd, die een zuiver wit is vernagten, zonder gevaar van bevlekt te worden? De wereloze Sarai zat eenzaam in hare Veldhutte, vast uitziende na haren herder, die met Loth, en Eliezer, en al de knapen ter scheringe van het vee in de schaduwe van gindschen heuvel was uitgetogen. Zy wenst de tegenwoordigheid van hem, wiens byzyn haar zoo beschuttend, zoo zoet en zalig is. En onder dat wenschen ziet zy een troep lenige hovelingen hare eenvoudige woning binnentreden. Zy staat verbaast. Zy lilt alrede op dit gezigte, gelyk ene verlatene duive op dat van enen havik. De eenvoudige Goedhartigheid, waaar mede zy deze dienstelingen der wellust bejegend,Ga naar margenoot+ geevt enen nieuwen luister aan den natuurlyken zwier, en aanvalligheid, die in alle hare bewegingen uitblinkt. Maar wat een verbazende boodschap voor Sarai! De Leugen heeft de mom der waarschynlykheid aangedaan. Men brengt Sarai den Groet van wegen haren broeder Abram. Men zegt | |
[pagina 108]
| |
haar dat hy in de vrolykheid der schapenschering zig in een syrisch veldgewaad aan den koning vertoonde. Dat de Vorst zoo een Welgevallen in die vertoning nam, dat hy Abrams verzoek, om gelyk een inboorling des lands op Pharoosgrond te leven, ylings heeft ingewilligt, onder voorwaarde, dat ook zyne Suster in haar Chaldeeusch landgewaad het paleiz des konings met hare tegenwoordigheid zoude verëren, om daar met haren broeder enigen tyd, onder het genot der gunste van zulk een vermogend Vorst te toeven. Het hart van den Man eerbiedigende Sarai, zoo eenvoudig als dat der Duiven, en onbewust wat broeinest van gruwelen in dat des hovelings schuilt, geloovt de boodschap, terwyl het verlangen om by Abram te zyn het oog harer reden verblind. Zy geevt het bewind van hare tente aan de handige Ketura, en volgt de bedriegelyke boden gelyk een Zagtmoedig Lam den Slagter. Zy volgt. Zy trekt heen. Zy komt te hoov. Zy word met een verwellekomend handgeklap voor de Majesteit van Egipten gebragt. Ga naar margenoot+Hy ziet de verbaazde Schoonheid, zoo verbysterd van oog als of zy nooit de Wereld gezien hadde. Hy ziet haar, en geevt met een het teken Zyner Goedkeuring over de goelykheden die zyne lusten prikkelen. Eensklaps schieten al de jonkers toe om de aan Pharao behagende aanvalligheid hunne diensten te wyden. Zy beschouwen haar reeds als de meestbegunstigde vrouw van Pharao. Die besprengt haar met welriekende balzemdroppen. Deze strooit blaauwe beien in goudsbloemen gestrengelt voor hare bevende voeten. Gehele reien hovelingen, met fyn linnen van Egipten betulband, omsingelen haar, terwyl geheel | |
[pagina 109]
| |
Memphis opgerezen voor het hov staat, om die berugte Herderin, waar het mogelyk in het nieuwsgierig oog te krygen. Sarai is stom van ontzetting. Nu en dan slaat zy een kwynend oog waar in de benauwdheid der ziel te lezen staat door de zaal, om te vernemen of zy Abram in al dien drang niet vinden kan. Maar neen! de naaste aan den troon des Konings neemt haar by de hand, geleid haar in ene voor haar vorstelyk toebereide bruidskamer, en in dat henen leiden, ontvallen zyne lippen, die haar duizend bekoorlykheden zeggen, waar van Sarai het minste verstaat: vleijingen waar uit Sarai begrypt, dat de Majesteit in Minne jegens haar onstoken is. Nog vind zy haren Abram niet. Na hem te vragen schynt haar dodelyk. Zy zugt, zy peinzt, zy ziet dat zy bedrogen is. Hier schiet al de kragt der Verbeelding te kort om den juisten toestand van den geschaakten Sarai na het leven af te malen. Gy wien al de kragt der tedere Huwlykslievde bekend is, gy wien de naugezette Eerbaarheid ter harten gaat, voor al gy die een bloedend hart gevoelde, om het miszen van een lieve Wederhelvt,Ga naar margenoot+ door de nauste banden van trouw aan uwe ziel gestrengeld; Gy, gy, kond enigermate bezeffen, wat Sarai gevoelde, nu zy niets anders vreezt dan dat Abram om haren wil reeds vermoord ligt.
Zy is ten einde raad, en heur verbysterd hart
Bezwykt door Wanhoop schier in een onlydb're smart.
Nu komen vreze en angst ten boezem binnen stryken:
Dan moet het alles voor haar Huwlykslievde wyken;
En zomtyds word ze weer verwonnen door haar leedt,
Terwyl ze dikwils een grootmoedige uitkomst smeedt.
Zy smeekt den Oppersten, die haar naar zulk | |
[pagina 110]
| |
ene Pragtige Zale geleide, alleen die gunste om in eenzaamheid te zyn. In eenzaamheid om te peynzen: hoe zy hare rede den volgenden Morgen tot den Vorst zal inrigten. Men is te Hoffelyk om niet aan haar zulk een Verzoek in te Ga naar margenoot+willigen. Nu vinden hare togten in de eenzaamheid lugt. Nu is niemand getuige van haren boezemsmart dan haren Verbondsgod, en daarom zugt zy uit:
Is dit het eind dan van uw heilig raadsbesluit! . . .
Is dit dan de uitkomst van het woord van uw genade,
Dat gy al 't menschdom eens zoud Zeeg'nen in myn Zade!
Of zal een heilloze Egt, nu, in een korten stond,
Het Zegel hangen aan het eeuwig heilverbond! . . .
- - - - - - - - - - - - - - - -
Ach! Abram, Abram, Ach! myn Heer! myn toeverlaat!
Waar zyt gy nu helaas! waar is uw trouwe raad!
Zal ik deez hand, dit hart, myn trou, ja zelvs myn leven,
Uwe eigendommen, aan myn Rover overgeven! . . .
Zal dus myn Eer ten doel van dart'len Wellust staan?
Zal ik. . . . . . . . . .
Hier versmelten hare klagten in enen Vloed van tranen. Verward in hare gedagten, verbysterd in hare overleggingen: veragt zy de gave der Natuur, zoo zorgelyk van Aart, zy verfoeit hare schoonheid als de oorzaak harer rampen. Meermalen roept zy: Och Milka! hoe gelukkig zyt gy, met uwen Nahor in uw eigen Vaderland! Hoe gelukkig zyt, gy die U aan uwe eigen Beken en Bronnen in koele schaduwe moogt verkwikken, geen Koning kennende dan die der Byën. Och! Ziet ge hier of daar een verlegen Duive Kirrende in de holen der rotzen, verlegen om het gemis van haren Wederhelvt, dan ziet gy het afbeeldzel van uwe Sarai. Zoo kirt uwe | |
[pagina 111]
| |
Suster, zoo verlegen zit zy, vol schromelyken angst, dat zy ene proie van het wild gedierte, dat zy ene proie der dartele ontugt zal worden. Och! Therah! waart gy niet gestorven! uw Ouderdom had U verhinderd het Feest der Scheringe by te wonen. Gy waart by my gebleven in de Tente. Uwe eerwaardige Gryzheid hadde my voor den roov beveiligd. Ach! ware ik met U ten grave gedaald. Help God. . . maar ondertusschen keert de godvrugtige Abram naar de Tente zyner gade. Met een teder Geitenboksken, het beste der Kudde meent hy Sarai te verrasschen. De drift om van Sarai verwelkomt te worden bindt vleugels aan zyne voeten. Hy komt in hare tente. Maar vindt in plaatze van Sarai de nyverige Ketura, in het werk van Sarai bezig. Eer hy nog vraagt meldt die Huiz-bezorgdster hem het wedervaren zyner gade. In de eerste vervoering zyner driften port hyGa naar margenoot+ zyn Manschap zig met hem zoo ylings naar het godlooz Hov te begeven, om de roov zyner tedere Lievde met geweld van daar te halen. Hy begrypt den akeligen toestand van Sarai, wier aanklevende trouwe hy kent. Maar, denkt hy, wat zal een weerloos Man, die als vreemdeling hier den grond betreed, tegen die verslindende Krokodillen aanregten. Ik waag myn leven, ik waag dat myner Mannen, ik rigt een bloedbad aan, en Sarai blyvt ongered. Is zy geholpen, wanneer ik, wanneer alle myne knapen den Dood in de Kaken vliegen! O onopregtheid! O wantrouwen op de bescherming van myner Vaderen God! gy zyt oorzaak van dezen bitteren ramp! . . Och Sarai! . . altyd kuische Sarai! . . zult gy, van uwen Abram afgescheurd, door het vervloekte Zaad | |
[pagina 112]
| |
van Cham onteert worden! . . . zult gy de vuilste wellust moeten involgen, om naderhand een verschoppeling der uitgeputte ontugt te wezen! . . De Zoon van Haran, de weemoedige Loth, zoo bereidvaardig om, ware het mogelyk, zyne Moeie te ontslaken; wend met Eliezer alles aan om te beraden wat het best ter verloszinge dient aangewend te worden . . . . wat zie ik? . . welk een licht dwerrelt er om het hoofd des Aardsvaders? Is dit een afstraalzel der naderende Godheid? . . Zie ik Abram in dit licht eensklaps als verhemeld in ziel en zinnen? Ja ik zie hem, daar hy in al de kragt van het heilgeloov zyne sterkte in den Ga naar margenoot+Jehova stelt. In die betrouwende geloovs-oefening ziet hy van verren een stovwolk naar den Hemel ryzen. Hy ziet een reizend gezelschap. Hy vliegt het te gemoet. Hy hoopt zyne Sarai word hem weder thuiz gebragt. Misschien heeft zy haar Huwelyk met Abram den Koning ontdekt. Of ten minsten heeft de lievtaligheid zyner gade den Koning bewogen haar verzoek in te willigen: om haren broeder eerst vaarwel te zeggen, en dan. . . maar neen! geen Sarai: maar een Koninglyk geschenk word van 'sKonings wege den Herder aangeboden. Wat nu te doen, zal hy het aannemen, of in grimmigheid uitbarsten: waar is Sarai? die ene Sarai is my meerder waard dan het Ga naar margenoot+gehele Koningryk. De vreez voor de onafhangelyke Maiesteit, het geweld der Huwlykslievde, maakt zoo een Mengeling van togten in zynen boezem, dat hy stom staat op het zien dier geschenken. Terwyl de Hovelingen die togten aanmerken als de vrugt der verbaasde dankbaarheid jegens zoo ene Koninglyke gunste, pogen zy hem nog meer in vervoering en erkennelyke verwon- | |
[pagina 113]
| |
dering te brengen, met er dien boodschap by te voegen: gering, O grote Man! is dit geschenk, in vergelyking met het Zwagerschap des Konings. uwe Suster heeft genade in zyne ogen gevonden, en om der Susters wil zal haren Broeder niet dan heil wedervaren. Wat verbazende Donderslag op het hart van Abram? hoe zinkt dat zwagerschap hem als lood in de ziel! . . . . hou moed gelovige Abram!Ga naar margenoot+ Pharao ligt door krankheid reeds gebonden aan zyn leger. De prikkeling der Lust is vergaan. De kragt der wellust is door ene plage op het gebed der God en U getrouwe Sarai ingebonden. Haast zult gy den lust uwer ogen weder zien. Weder zien, zoo ongerept van dartele handen als ene roze, zoo even ontloken. Sarai, gesterkt met den invloed van den God harer goedertierenheid, heeft reeds der maiesteit, om wier ziekte geheel Memphis steent, rondborstig gezegt: dat nog de Kunst, nog artzenyen den Koning zoude baten. Dat het ene bezoekinge was van dien God, welken zy diende, en ene plage om dat Pharao het regt der volkeren geschonden had metGa naar margenoot+ haar te schaken. De kranke Koning nu met genen dierlyken lust bevangen: maar bedaard de Chaldeeusche Vrouw bepeinsende, meent in haar iets goddelyks te zien. Hy vreest dat zy uit een hemels zaad geboren is, en dat zy aan de goden vermaagschapt is. Hy smeekt heur haren God tot zyne herstellinge te bidden, met belovte van heur aan haren broeder weder te zullen geven. En . . . maar daar ontvangt myn Abram reeds het verzoek van te hoov te komen. Hy treed in het paleiz van den geplaagden Vorst. Sarai had uit vreez voor Abram nog gezwegen, | |
[pagina 114]
| |
dat zy zyne wettige vrouwe was. Abram voelt nu als een vuur in zyn binnenste dat alles wat wederstaat overwint, en belyd openhartig aan Pharao dat hy met haar in den Egt verbonden is. Met een word Sarai by Abram gebragt. Hy ziet haar. Hy vliegt haar voor het oog des Konings en al het hovgezin in de armen en om den hals. Zy wenen, hebben vermaak in het wenen, en zyn beide sprakelooz van verrukkende blydschap in elkander weer te zien. Pharao ziet de uitwerking der bewogen, der verrukte huwlyksmin. Edelmoedigheid vertedert op dit gezigte zyn ziel. Hy bezeft wat hy gedaan heeft met Ga naar margenoot+zulke zielen van een te scheuren, en in het erkennen zyner misdaad voelt hy reeds de smerte minderen. Hy geevt Sarai haren Abram weder. Met verzekering zyner Koninglyke vriendschap. Door het gelove is Abram, geroepen zynde, gehoorzaam geweest om uit te gaan, na de plaatze die hy tot een erfdeel ontvangen zoude: ende hy is uitgegaan niet wetende waar hy komen zoude. |
|