Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina t.o. 82]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina t.o. 83]
| |
DE BOUWING van BABELS TOREN. | |
[pagina 83]
| |
De Bouwing van Babels Toren.Noach, de geheiligde Stamvader der twede Wereld, hadde nu al het gedierte der aarde van de hand gestuurd, terwyl de hoogste Wyzheid het zelve naar de lugtstreken met zynen aart overeenstemmende hadde heen gedreven. De gewyde Aardsvader, onthoudt zig met zyn ontkomen gezin op het gebergte van Armenien. Hier is het dat hy den tyd verdeelt. Hier heeft hy de gezette uren der Godheid toegewyd. Hier de stonden, waar in hy als een lerend Priester, als een Propheet des Hoogsten zyne kinderen in de heilgeheimen van het Verbond met Adam onderwyzt. Maar ook hier is hy bezig met die beslibde Landstreek te bebouwen en te beplanten. En in deze edele bezigheid der Landbouw en Veehoedery word hy van zyne nyvere Zonen gevolgt. Wel haast ziet men hoe die gehele keten van bergen zig, als in de lugt hangende tuinen en weiden voordoen. Hier slingert zig de krinkelende Wyngaard om den lymigen Olm, de purpere en tot barstens toe volzappige Muskadel kykt met tros by tros van onder de groene bladen, en prikkelt den snoeplust door het oog van den keurigen snoeier. Daar hangen de blonde olyven, de hartverkwikkende Granaten, de puntige Citroenen, de geest versterkende Vygen aan hunne takken gelyk Zuigelingen aan de Moeder. Ene lievelyke Mengeling van blad, en knop, en bloem, en vrugt ziet men aan den zelvden boom. Ginds weidt het nieusgierig Oog, dat door zien niet verzadigd word, langs uitge- | |
[pagina 84]
| |
breide Ga naar margenoot+dreven van agtbare Eiken, welriekende Cederen, en altyd vrugtbare Dadelbomen. Dreven, die hare kruinen in de kimmen des altyd helderen Hemels schynen weg te steken. Voor hare voeten staan, de zagte Eglantier, de blyde en eeuwig groene Mirt, de bruine Maagden-palm, de kruipende Kamil, de lage Tamerinden, het geurige Tym, de knappende laurier, van een gescheiden: neen, verbonden met een tallooz tal van de natuur gekoesterde bloemen. De drie kleurige violier, de statige angelier, de grootsche tuberooz, de bloedrode, en sneeuwblanke Lelie, by wier Maiesteit geen Koning op zynen Feestdag te vergelyken is, beschaduwen de blinkende boterbloempjes en vriendelyke madelieven, waar van de sierlyke gevlakte Kapelletjes, en vrypostige Uiltjes af en aan vliegen, door hare schoonheid verlokt, haar met zoo veel vurigheid kuszende, gelyk een driftig minnaar het waaz der eerstontlokene rozen van de wangen en lippen zyner beminde kust. Ter zyden golvt ene onoverzienbare Zee van geelgetopte korenairen, waar in het zwoele westewindtjen vermaak neemt met een zagt gefluister te spelen. als poogde zy natebauwen het lugtmuzyk der vliegende orgelen. Het snorrend bytjen puurt rustelooz den blanken honing uit de beamberde granen, en hangt zyne kleverige raten aan de schommelende takken der vrugtbare bomen, waar van zy den Wandelaar in den mond druipen. Verder heen geven de bergen, aangevult met vette kleiaarde elkander als de hand, en schynen in een minzaam huwelyk te staan. Dezer, met veel ploegens en zwetens bearbeiden grond, pronkt met het malsche, met het aanlagchende klaver. Dit is ene kunstig bearbeide vlakte, waar op zoo vele zuiveltenten staan, dat dit een draagbaar dorp met weiland gevloerd, mag heten. Hier slaat een wereld zaggelende koeien, | |
[pagina 85]
| |
die tot aan den kossem in de groente staan, het piepend gras, dat haar onder het snoeien in den mond groeit, rustig af. Daar beweegt zig ene Zee van witgewolde Schapen, en scheert het vetmakende voedzel. De Herders rieten, overblyvzelen van Jubals kunsttuigen ruischen over berg en dal. Ene onmetelyke streek word door dartelende geiten met hare springende bokken beslagen, terwyl de snelle kemels in menigte aan het hangen der bergen hunnen lust vinden. Het glimmerig gras, het groen fluweel des velds, word van de tooyzieke Dageraat yder morgen met waterende dauw, als zoo vele blinkende peerlen behangen. De frissche watervallen besproeien en veld en vee, en plant en bloem, en kruid en boom, ter hunner juiste groeying. Kortom, Adams Eden, door de woedende Zondvloed weggespoelt schynt in den oort van Ararat herrezen te zyn. Hier ziet de vrome Noach zyn werkzaam gezin in menigte uitbreken, in menigte als de bladen der bomen. Deze landstreek laat hy oud, en der dagen zat, zyn vermenigvuldigd nakroost ter Ervenisze. Hier leevt die Nakomelingschap van denGa naar margenoot+ dauw des Hemels gevoed, en met het vette der aarde gezegend, honing uit de rotzen, en boter uit de keien zuigende. Hoe lievlyk leevt de afkomst van Sem en Japheth in ene broederlyke eenstemmigheid. Och! Cham! had gy uw 's Vaders naaktheid niet bespot: nooit waren uwe kinderen ten knegtelyken dienstbaarheid verwezen. Nooit. . . . Maar wie is hy, die van de natuur met ene genegenheid tot geweldige, en woeste, en hoogmoedige ondernemingen begaavd, zig van zyne prille jeugd, als een Woud-Ezel aan ene wilde levenswyze gewend? Wie is hy, die, nog een kind zynde, vermaak schepte: in der vogelen nesten te beklauteren, de wereloze jongen in de reeds ten dele | |
[pagina 86]
| |
gekipte eiren te vertrappen, en de treurende Moeders met vergivtige pylen te vellen. Moeders, die met een bewegelyk getjilp en kermend gekir, hem om het hoofd vlogen; als poogden zy hem tot medelyden over hunne vrugten te bewegen. Wie is hy, die de kragt zyner jonglingschap verspilt met brullende Leeuwen de welpen te ontroven, grommende beiren uit hunne schuilhoeken op te jagen, hun met den dodelyken punt te treffen, en gevelde Tygers van hunne huiden te beroven, om zig daar mede op te schikken? Wie is hy, die zig voor het blikzemend gebit des wilden Zwyns zoo min ontzet als voor het geblaet van een teder Zuiglam? Ga naar margenoot+Het is Nimrod. Die geweldige Jager verpligt het gehele menschdom aan zyn bedryv. Ararat vermenigvuldigde van wilde dieren. Men vermoeide zig om hun door het aansteken van vrezelyke vuren af te houden. Nu en dan zien de nyvere landlieden evenwel door hongerige wolven ene yzelyke slagting onder hunne kudden maken. De geborstelde Everen, maaien met hunne gevlymde tanden de wynstokken af, en vertreden de jonge en aanlachgende druivkens met hunne bemodderde poten. De listige Vossen vernielden niet zelden de aangevokte pluimdieren, zoo dat de bebloede vederen in den wind speelden. Zelvs zag men hier en ginds het lillend brein en glibberig bloed van jonge Herdersknapen, verscheurd door hongerige Leeuwen, wier woede zy met hunne knodzen en Ga naar margenoot+fakkelen niet hadden konnen keren. Maar nu Nimrod er een beroep van maakt om bergen en bosschen van het schadend ongedierte te zuiveren, en de Wereld dus te beveiligen: erkent men dien geweldigen Zoon van Cus als de dapperste der menschen. De naam van Nimrod word van elk met ontzag genoemd. De Stam van Kanaän verheft zig op zulk enen Held. Men verbindt zig onderling | |
[pagina 87]
| |
om hem op het plegtigste tot een hoofd en Leidsman te verkiezen. Zy voegen zig te zamen, en bieden hem op het statelykste hunne onderdanigheid aan. Hy staat op deze ontmoeting als een Koning onder de benden. Van zynen middel tot aan zyne vastgespierde benen hangt enen langharigen Leeuwenhuid. Een sierlyk gestreept Panthervel is met ene taje doorn om den rossen hals vastgeknoopt. Het stroopzel van een Wolv beschaduwt zyne gitzwarte hairlokken. Een ruwe en knobbelige knods ondersteunt zyne ruige handen; terwyl een boog, uit leenig gemaakte beenderen gevormd, met gedroogde darmen bespannen, naast enen koker, van hoornen der gevelde dieren gemaakt, op den rug hangt. Hy neemt de vergaderde Maatschappy, als zyne onderdanen op het statelykste in zyne bescherming. Naulyks was de trotsche inhuldiging geschied, of de gebieder van Mitzráim oefent zyn gezag. Hy ziet, dat Sem en Japhet hem niet gehoorzamen. Hy is moedig op zyn Eer, en kan van hun gene wederstreving dulden. Zie, zegt hy eindelyk, of de voorspelling van Noach bewaarheid word. Of Kanaan U een knegt moet zyn. Neen! wy zyn Heer. En met een beveelt hy alle zyne stamgenoten om zig zoo ylings van Sam en Japhet aftezonderen, en naar enen anderen oort te reizen. Wie onzer zegt hy, zoude het konnen dulden dat wy door hun, daar zy te samenspannen, met verenigde kragten wierden uitgestoten? daar zy alrede beginnen te mompelen, dat deze Landstreek te eng word om zoo ene menigte te konnen omvatten. De gehele Maatschappy van Nimrod bejuicht zyn wil, en ylings neemt hetGa naar margenoot+ derdendeel der Wereld met al zyn have en vee afscheid van zyne broederen. Nimrod treedt met zyne vereelte voeten voor uit. De gehele troep | |
[pagina 88]
| |
volgt hem, gelyk de blaetende schapen den stuggen belhamel. Zy reizen allengskens de Zon in het aangezigt. Maan en sterren zyn hunne wegwyzers. Na oneindige moeilykheden doorgestaan, en den blakenden grond niet zelden met hun ziltig zweet bespat te hebben komen zy eindelyk in de vlakte van Sinear. Hier vinden zy hunne gewenschte rustplaatze. Ga naar margenoot+De gevreezde Leidsman der bende schikt, gelyk een zorgvuldig Huizvader zyn magtig gezin in order. Hy wyzt elk zyn verblyv en werk aan. Die geevt hy den arbeidzamen Landbouw. Die de kommerlyke Veehoedery. Die het aanhogen van hete wynbergen. Vrouwen, maagden, kinder, alles krygt zyne take; en moet de scheutige vingeren reppen in het bewerken der vette wolle, en vlas. Bewerken, zoo als de Suster van Tubal-Kain, de vernuftige Naëma het der Wereld geleerd hadde. Het sterkste deel van het genootschap word afgezonderd om den geweldigen Oppersten in het bouwen van Steden van de hand te vliegen, gelyk voorheen van die des eersten Stedenbouwers Hanoch. Ga naar margenoot+Weinig tyds verloopt er, of men ziet het trotsche Babel, dat nog eens de hamer der gehele aarde zal worden, met Erech, en Accad, en Calne, in de vlakte van Sinear opryzen. En, met het opryzen dier steden zwelt de hoogmoed in het eerzugtig hart der verwaande bouwers. Dan, terwyl zy vast bezig zyn hunne verblyvplaatzen zamentelymen, krygt heerscher Nimrod gedurig de harde tyding der rampen, welke de dwalende herderen in die onmeetbare vlakte moeten lyden. Vele hoeders, die het zwervend vee van de afgeschoren weiden naar voederryker oorden gedreven hadden, kwamen, van het spoor gedwaald, en nergens een teken ziende, uitste- | |
[pagina 89]
| |
kend genoeg om hun den regten weg te wyzen, nooit weder te rug. Elk vreezde, uit schroom van zelv aan het dolen te raken zyne vermiste makkeren op te sporen. Des moesten die vermiste ellendelingen, na van honger uitgeteerd te zyn, met hun, in het wild weidend vee ene proie der verscheurende dieren worden. Men had al dikwerv met de gehele manschap op toetende horens geblazen, om hen, ware het mogelyk op dit geluid aan te lokken: maar te vergeevsch. Nog schaap, nog herder zag men wederkomen. De van droevheid uitgelatene Wyven, de tedere moeders, vallen Nimrod aan met klagen wegens het gemis harer mannen en Zonen. Hoe menig een bruid ziet met ontsnoerde hairen de komste van haren herder te vergeevsch te gemoet. Alles klaagt. Alleen de groothartige Nimrod blyvt onverschrokken, gelyk een Rotz onverzettelyk blyvt op het geklos der knorrende golven. Hy bemoedigd de mistroostige. Hy spant alle zyne kragten in om te bezorgen, dat de broeiende spyt, om het verlaten der vaderlyke bergen, in geen openbaar gemuit uitberste. Eindelyk besluit hy met de Vaderen des huizgezins, die rondom hem staan, gelyk de jonge harten rondom den ouden, een gevaarte te stigten, dat tot een baak der gehele Wereld zoude konnen dienen. Een gevaarte, wiens spitze door lugt en wolken tot aan den troon der Godheid zoude steken. Zy bestemmen deze uiterste uitvlugt, terwyl hy, die in de hoogte woont hen belacht, en . . . maar, bedriegt my de verbeelding, of zie ik hun alrede in deze trotsche onderneming bezig? De wyven nemen alrede het bedryv der mannen in den landbouw, in de Veehoedery waar. Al de manschap, zie ik, gaat in arbeid tot het aansjouwen der nodige bouwstoffen tot dien gedugten Toren. De gehele onoverzie- | |
[pagina 90]
| |
nelyke Ga naar margenoot+vlakte word door enen dikken rook overtrokken. Rook, die uit de gloeiende Ovens, waar in de tichelen gebakken worden, opryzt. Lymputten, by Lymputten worden leeg geschept, en de lym bekwaam gemaakt, om tot een klevend en eeuwigdurend Ciment te verstrekken. Met welk een drift rept men hier de handen. De Nood, en allesondernemende Eerzugt blaazt hunnen yver aan. Chams geweldige Kleenzoon moedigt hen onophoudelyk met deze snorkende reden aan: komt aan, nu ene stad gebouwd, en enen Toren, wiens opperste in den Hemel zy, laat onz enen Naam maken, laat onz dus een Teken stellen; op dat wy niet misschien over de gantsche aarde verstrooid worden. Alrede ziet men tranz by tranz opgemetzeld, als poogden zy hem, die het ontoeganglyk Licht bewoont van deze steilte te bestormen. De inbeeldingen huns herten gaan van grootsche ontwerpen zwanger. Zy . . . . maar, verbazende ommezwaay! Wat verneem ik? Ik zie den gantschen Hemel als met een donker floers betrekken. Er broeit, te midden dezer hoogmoedige bezigheden, een onweer, waar van men zint de Zondvloed gene wedergade zag. De Wolken, Wolken, gevuld met donder en weer licht pakken zig op een. Hy, by wien ene vrezelyke Majesteit is, daalt op het geloey van enen geweldigen Wind naar dit Wereldgebouw neder. Het bazuingeluid van zyne magtige Helden, die zyn Woord doen, doet de vlakte beven. Met ene heilige verontwaardiging beziet hy, die de nedrige verhoogt, de Trotzheid van Kanaans Kinderen. God, de vriend hunner Vaderen, hielden zy niet in erkentenisze, maar wilden zelv Heren zyn, en hunnen Nest boven de Starren verheffen. God ziet neder, en van yver aangegrepen over die verwatenheid, zegt hy: ziet zy zyn enerlei | |
[pagina 91]
| |
Volk, ende hebben alle eenerlei sprake, ende dit is het, dat zy beginnen te maken: maar nu en zoude hen niet afgesneden worden al wat zy bedagt hebben te maken? kom aan laat onz hunne sprake verwarren; op dat een iegelyk de sprake zyns naasten niet versta. Het vrezelyk onweer bedaart, de lugt herneemd haar helderheit, de Engelen zwygen, en de Allerhoogste, die uit enen bloede het gantsche geslagt der menschen hadde gemaakt, om op den gehele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tyden te voren verordineert, en de bepalingen van hunne woningen, de Allerhoogste stygt weder naar het verblyv der eeuwige klaarheid. En . . . maar wat hoor ik? de voornaamste hoofden der huizgezinnen,Ga naar margenoot+ onder Nimrod, aandryvers des Volks geven, als voorheen, aan elk der werklieden zyne take. Dan zy verstaan elkanderen niet. Zy geven tegenstrydige bevelen. De werklieden begrypen hunne mening niet. Alles raakt in het wild. Nimrod beveelt hun te rusten, zig verbeeldende dat zy nog te zeer van het onweer beroerd zyn. Dan, alleen weinige verstaan dit bevel. Hier schuilt, zegt hy eindelyk, een Geest, of Godheid onder. Gewis, de hoogste boven de Koningen der aarde zal nu de volken de Ervvenisze uitdelen, hy zal Adams kinderen van een scheiden. Nog begrypt men hier dit wonder niet. Ondertusschen blyvt de verwarring duren, de verwarring baart krakeel, krakeel vegtery, vegtery doodslagen. Al de poging van Nimrod is te vergeevsch om de eenigheid te bewaren. Zyn ryk, dat in zig zelven verdeeld is, kan niet meer bestaan. De woelende schare wrokt en raazt, en schreeuwt niet anders dan om zig te wreken, van hem, die haar den Vaderlande onttrok; Om het juk aftewerpen van hem, die hen als slaven onder zyne Tieranny houdt, van Nim- | |
[pagina 92]
| |
rod die hen als ballingen om doet dolen. Enige huizgezinnen, die van elkander verstaan worden Scholen reeds te zamen, om hem als de oorzaak van alle die rampen het leven te benemen. Hy word als bysterzinnig over dit morrend ongedult. Hy verspilt te vergeevsch en List en Geweld om het volk in den Tugt te houden. Hy ziet zyn oogmerk om niet verstrooid te raken te leur gesteld. Eindelyk beduid hy de menigte, dat het elk Huizgezin vry stond te trekken, waar het hun elk naar zyne sprake, en neiging zoude gelusten. Om dus elk naar zyne zinnelykheid ene nieuwe Maatschappy op te regten. Aldus spatte het verwaten Ryk van den eersten Ga naar margenoot+Alleenheerscher met enen barst uit den band. Aldus wierd de windblaaz van eigen Eerzugt te barsten getrapt. Zoo verstrooyde ze de Here van daar over de gantsche aarde.
Geen wuft, geen los geval bestiert het wiel van Staat;
Het wentelt altoos stipt om 't aspunt van Gods raad:
Door menschelyk bedryv, vrywillig of gedwongen,
Is nooit een speek, uit nave of velling, weggesprongen.
Geen malend zand, hoe 't woelt, heeft ooit den loop belet,
Geen aardsche Schepterstav den snellen gang verzet.
Geen zweep van sterke drift, kan 't rad, door forsche slagen,
Uit lust of eigenbaat, een hairbreed voorwaart jagen:
Gods Alvermogen dwingt den wentelenden rand
Met Wyzheids nagels, en een' onverslytb'ren band.
Geen harde en ruwe steen van tegenstribbelingen
Veroorzaakt bots of stoot, of kan den draay bedwingen.
De Hoogstgedugte God, daar elk voor nederknielt,
Die 't levenlooz bestiert, het redelyk bezielt,
Geevt nooit den groten toom, daar 't alles op moet draven,
In 't magtelooz bewind van zyn geboeide slaven.
EERSTE DEEL. |
|