Proeven van Bybelsche taferelen
(1774)–Anna van der Horst–
[pagina *2]
| |
Bybelsche Taferelen.
| |
[pagina *3]
| |
DE HEMELVAART van HENOCH. | |
[pagina 51]
| |
De Hemelvaart van Henoch.Allesverherelykend Geloov! puikschone Dogter der eeuwige Waarheid! zoo zuiver als de Engelen, die in heiligheid bevestigd zyn. Gy, die het zielknellend Kruiz veracht, en de schimpende schande versmaadt; die al het blinkend niet der ondermaansche Wereld onder de voeten treedt; achtende het te laag voor uwe edele afkomste, om uw verheven aandagt bezig te houden met iet dat slyk en drek is, in vergelyking van dat gantsch, zeer uitnemend, eeuwig gewigt der heerlykheid, die onverwelkelyke krone, waar op uw vriendelyk oog in de hobbelige loopbane des levens onaftrekkelyk blyvt staren. Allesoverwinnend Kruizgeloov! ondersteun gy zelve my in het verbreiden van uwen Lov! Gy waart het die Adam, en met hem het gehele menschdom, na zynen Val bemoedigde, en hem in zynen wanhopigen Toestand, onder de vleugelen van het geopenbaarde Vrouwenzaad verberging deed zoeken. Door U, volzalige! wiert de Ziel en zinnen van den opregten Habel zodanig beheerscht, dat het in al de daden van dien onnozelen uitblonk, dat hy regtveerdig was. Gy waart oorzaak, dat het ongeschapen Wezen over zyne Godvrugt | |
[pagina 52]
| |
gaven een heerlyk getuigenis gav. Gy voert Zielen, aan die van Habel gelyk, in heilige bespiegelingen boven al het stoffelyke. Gy verrukt hen, in verbeelding van niet meer aan de zondige aarde en het logge vleesch gebonden: maar in Zions vredestad geplaatst te zyn. Gy doet hen in die verrukking uitroepen:
Ga naar margenoot+Als ik uit des hemels bogen,
Waar 't Geloov my heeft gevoerd,
Naar beneden sla myne ogen,
Hoe is dan myn Ziel beroerd!
Wyl deze aard door my bewoond,
Zig daar als één stip vertoont,
Waar op Koninglyke Zielen
Als geringe wormen krielen.
Gy, hoofdjuweel in den ring der heiligende Deugden! Gy zelve zult thans myne penne moeten bestieren, nu zy het onderneemt uwen grootsten Zoon, den Godlievenden en Godlerenden Henoch in zynen gehelen vromen wandel na het Ga naar margenoot+leven te tekenen. Een wandel, waar door hy verwierv, dat hy in 's Werelds ugtenstond tot het eerste Voorbeeld gesteld wierd van Hem, die als een magtig Held in het vervolgen zyner vyanden op den weg nederbukkende uit een beke zoude drinken, om daar na zyn hoofd zegepralende optesteken. Die, als de Overwinnaar van Duivel, Dood, en Helle zou ten Hemel varen. Ga naar margenoot+De menschen in Adam zoo heerlyk van de hoogste Goedheid geschapen, bedorven allengskens meer en meer hunnen weg. Gelyk een geweldige vloed door woeste winden opgeruid over koren en klaverlanden schuimt, en de klare en | |
[pagina 53]
| |
zoete beekjes, het vermaak der jeugdige Herderinnen, beroert, en door zyne ziltige en drabbige wateren ontluistert; of gelyk de geklaauwde kanker rustelooz het gezonde vleesch; of de ruwe roest het yzer knaagt: zoo stroomden de gruwelen van Kains nakroost voort, en verwoesteden de gemoederen ook van Enos nazaad, gelyk het goede kruid door het alles onder- en overkruipend Onkruid overmeesterd word. Zy verstikten in hunne harten alles wat naar God of Godsdienst geleek. De gezette tyden van dien Godvrugtigen Zoon van den Heiligen Seth, afgezonderd, om den heerscher van het heeläl plegtig te dienen, te loven, en met dankbare offergaven te verëren, wierden niet meer in acht genomen.
De drift, de hoogmoed, list, geweld, bedrog en logen
Had met brooddronkenheid het opperste vermogen,
De vuige wulpsheid, en de luie dartelheid
Die wierden hooggeëerd: maar deugd het land ontzeit.
Uit die verbasterde Wereld hadde God, die zig (dat het de geblikzemde Lucifer en alle zyne Godbestormende legioenen spyte!) uit menschenlievde ene gemeente eigende, enen Man verkoren, een Lid van die Kerk en Goëlsbruid,
- - - - - die onder hare voeten
De maan ziet ondergaan, het drakenhoofd geplet,
Den afgrond brullen hoort, terwyl zy vry van smet,
En met de Zon gekleed, op 's Hemels troon gezeten,
Haar jammeren in 't licht des Heilands zal vergeten.
Een man die, als een magtig Leeraar, on- | |
[pagina 54]
| |
derwezen van hem die volmaakt is in Wetenschappen, Adams zondigend zaad tot boete bewoog; en, by weigering van deze de wrake bedreigde. Wrake van een getergd Wereldkoning, by wien de volken der aarde geägt zyn als springhanen, en de vrezelykste der menschen minder zyn dan niet en ydelheid. Een man die van de Godheid zelv met enen gemeenzamen ommegang begunstigd wierd. Een man . . . . . maar wat behoeve ik zynen naam langer te verbergen? Het was Henoch. De godgewyde Zoon van Jered sprak met den Algenoegzamen mond aan mond, en aangezigt aan aangezigt gelyk een man met zynen vriend. O allerheerlykst getuigenis! dat van dezen Godsvriend in het boek des levens staat aangetekend. Hy wandelde met God. Ga naar margenoot+Hy verkeerde met het eeuwig en allervolzaligst Wezen in ene allerinnigste en tederste gemeenschapsoefening. Ene lievdeoefening waar by die van David en zynen beminden Jonathan niet te vergelyken is. Verbeelding, in heilige bespiegelingen opgetogen, mag deze vriendschap van God met Henoch, om ene flaauwe schetze van hare dierbaarheid te geven, vergelyken by de verkwikkende geur der kostelyke Zalv-olie, toebereid van de Arabische myrrhe, de aangename Kaneel, de kostbare speserykalmus, en de riekende kaffie, die, op het hoofd des heiligen aardspriesters gestort zynde, ene allesbebalzemende kragt uitwazemde; of, om hare zielvoedende en vrugtbaarmakende hoedanigheden by de versche daauwdropjes, die als zoo vele waterende peerlen en schommelende diamanten op de bergen van Her- | |
[pagina 55]
| |
mon en Zion nederzegen, en de lelien en rozen besproeiden. Dan wie heeft ooit de volmaakte schoonheid dier zielzaligende vriendschapspleging naar waardye getekend? . . . . Dat hy, die met één oogwenk de bergen doet roken, en de aarde in vlammen zet; en geen schepzel nodig heeft: maar door zig zelven eindelooz volmaakt is, met een menschenkind, wiens grondslag in het stov is, als enen vriend verkeert: is iet, dat het doorzigtig Englendom met een verrukte bewondering, en een driemaal heilig lovgejuich gadeslaat. Iet, dat aan de gezaligde Zielen stoffe zal geven, om den Vader der Genade eeuwig te verhogen. Dit, is er groter voorregt? dit viel onzen vromen Wandelaar te beurt. God beminde hem als het zwart des oogappels. En die Godslievende onstak in het heilig harte vlammen van ene onuitblusbare wederlievde. Ene lievde vermogender dan de Dood, sterker dan het grav, vlammen des Heren, waar voor Henoch gene gehele Wereld zoude hebben willen ruilen. Voorwaar
Een vlam, waar voor alle Eigenlievde smelt,
Een zuiv're drift, een togt, waar door de boezem zwelt,
De Geest zig opheft, en ten Hemel schynt te dringen
Op vlugge vleugelen van heilbespiegelingen;
Gelyk een Arent, die de Zon in 't aanzigt vliegt,
Terwyl hy twyffelt, of hy niet zig zelv bedriegt,
Wanneer de Stralen van Godslievdevuur van boven,
In die verrukkingen zyn eigen licht verdoven,
En tonen 't heerlyk en uitnemend groot gewigt
Van Zaligheden, voor Gods eeuwig aangezigt;
Al'theil en voorregt, uit Gods vriendschap nog te ontvangen;
Maar slaat de Geest, daar hy blyvt in die hoogte hangen,
Het oog gevallig op den yd'len wereldling,
| |
[pagina 56]
| |
Dan suiselt hy, en daalt in die verwondering
Door al de ruimte van Gods wonderlyke werken,
Op lovgezangen, als op Cherubyne vlerken,
Weer in zig zelven, daar hy, nooit van lievde moê,
Hem brengt de heerlykheid en dank en eere toe.
Henoch was een vriend van God. De hoogste Lievde was zyne Raadsman. Deze hield het nimmer sluimerend oog op hem gevestigd. Verwaarloozde al het Godverlatend Menschdom den dienst van hem dien alle Engelen moeten aanbidden: Henoch bleev den Here getrouw. Op gezette tyden riep die Godvrugtige Vader zyn Huizgezin op het open veld onder het oog des Hemels by een. Dan badt hy, dan leerde hy, dan bewolkte hy de lugt met den rook zyner welriekende offeranden. Daaronder wierd hy, of, aan het geruisch der eeuwige Eiken, of aan enen ligten donderslag, of enen flaauwen blikzem-straal, of den ongewonen wind de vriendelyke aankomste van zynen Verbondsgod gewaar. Dan wierd zomwylen zyne opgetoge Ziele als buiten het Lighaam gevoerd, alle de zintuigen stonden als styv en werkelooz, terwyl hy in die heilige verrukking, als een Propheet des Hoogsten, de Inspraak der Opperste Wyzheid gewaar wierd. Tot zig zelven gekomen zynde, zag hy ene bewonderende menigte, meer door nieusgierigheid dan Godsdienst getrokken, rondom zig staan. Die gelegenheid greep hy aan, om haar in den naam van God de gruwlykheid der zonden in al derzelver gewigt op de ziel te drukken; en by weigering van bekering, en hardnekkige volharding in het kwade haar te bedreigen alle die oor- | |
[pagina 57]
| |
delen, welke uit de Phiolen der eeuwige wrakeGa naar margenoot+ op hunnen Kop zouden geblikzemt worden; eerst hier in den tyd, en daar na . . . . . maar met één viel de voorspellende Godsman weder als in ene verrukking van zinnen, waar uit hy andermaal tot zig zelven gebragt zynde, met ene donderende stemme dien dag aankondigde, waar op hy, die een wreker is, een wreker en zeer grimmig, en den toorn behoudt aan zyne Wederpartyders, de Wereld zal in Vlammen zetten, alle de Elementen zal bewegen, en zig als een gedugt Rigter zal vertonen, wiens ogen Vuurvonken, en van wiens mond een geluid zal uitgaan dat de aarde bewegen, en de bergen zal doen trillen. Hy voorspelt: dat deze, omringd van zyne Trauwanten, de brandende Seraphs, by een nooit gehoord Bazuingeschal, verwekt door weerlichtende Cherubynen, zig op zynen gerigtstoel in de ontroerde wolken zal zetten, om allen die ooit gestorven zyn, uit alle de winden voor zynen troon ten gerigte te dagen. O Menschen! riep 's werelds zevende Stamvader, Land-en Natuurgenoten! laatGa naar margenoot+ de schrik des Heren u bewegen tot bekering. Geloovt het: de Heer zal komen met zyne veel duizend heiligen om gerigte te houden tegen alle, en te straffen alle godloze onder hen, van wegen alle hunne godloze werken, die zy godloozlyk gedaan hebben, en van wegen alle de harde woorden, die de godloze zondaars tegen hem gesproken hebben. Zyne Boetpredikende stemme boeide de oren van ene verwarde schare, zelv tegen haren zin, aan zyne zielbemeesterende Rede. Men zag het grimmelen. | |
[pagina 58]
| |
- - - - Van allerhande liên,
En oude en kunne, en staat, gevloeid uit alle streken;
Gelyk by lentetyd een overvloed van beken,
Wanneer de Bergsneeuw smelt, in een gezonken dal
En boezem, tot een meir vergaêrt van overäl.
Men zag er hier en daar uit yver en verlangen,
Van ene steile rotze, of in de bomen hangen:
Of zitten op een kruin des heuvels; andren laag,
En andren hoger. Elk betoont zig evengraag.
En yder heeft zyn wit. 't Godvrugtig hart is vierig,
De Wereldwyze min Godsdienstig dan nieusgierig,
De boozwigt vreezt de Tugt, en zoekt in dezen Man,
Iet strafbaars, dat hy met een glimp bestraffen kan.
Boetvaardigen . . . . .
Ook deze zyn er onder deze zamengevloeide menigte, en deze zyn het welke van Lamechs vrome Grootvader vriendelyk bejegend worden. Om hun verandert hy zyne bedreigingen in zielverkwikkende bemoedigingen; en word voor die verlegen harten van enen donderzoon een lievelyke vertrooster. Deze welgelukzalige Man weet zig verstandig omtrent den Ellendigen te gedragen. Hy wyzt met ene medelydende ziele, hen, die, door zyne kragtige leringen' overtuigd, in de schuld vallen; en hem en hunnen Rigter, die zyne dodelyke wapenen gewet houdt, om vergiffenisze smeken, naar dien eeuwigen Toevlugt, by wien ene veilige verberging is voor den toornvloed der vergramde Godheid. Hen wyzt hy op het beloovde Vrouwenzaad, en zegt, met Ga naar margenoot+gebaarden zoo vriendelyk, zoo menschlievend, dat zy het stugste hart moesten vermurwen:
Aardsvader Adam, eer zyn gade hem misleide,
Beelde enen Adam uit, waar op al de afkomst heide,
| |
[pagina 59]
| |
Onnooz'le Habel, om de optrekkende Outervlam
Geslagt door 's broeders haat, op hem moorddadig gram,
Zag op de onnozelheid van dezen, die geduldig
Gods toorne dragen zal onnozel en onschuldig.
Dit, zoo vervolgt hy zyne vriendelyke Troost voor de boetelingen zyner dagen. Dit is voor U
- - - - Een zeker Vredeteken:
Het Zaad der Vrouwe zal de Slang den Kop verbreken.
Die Wonderspreuk met al haar heilgeheimenis
Ontvouwt hy breed, en wat het Vrouwenzaad hier is;
En noemt dit 't enig punt, waar op 't geloov moet draien,
De Vredevaen, die van Gods Tempel af zal waien,
Alle eeuwen door, in spyt van 't goddelooz geslagt:
Tot eens het Zaad der Vrouwe in 't heilgeloov verwagt,
De Grote Goël, zou de boozheid nedervellen,
Den vloek verzoenen, en den Zielenvrêe herstellen.
Zoo leert de heilige Aardsvader, die God in het hart, en het hart in den Hemel heeft, de eerste Wereld. Zoo vermaant, zoo voorspelt, zoo vertroost hy. Zoo raakt hy al meer en meer in de gunst des Hemels. Onbewust nogtans, van dat bewonderbare, dat hem eerlang zal gebeuren. Hy zal voor het oog der Wereld, voor de ogen der juichende Engelen, als een Vriend, als een Leerling van de hoogste Majesteit, als een Wandelaar met God, aan de hand van zynen Verbondsvriend ten hemel varen. Hy zal daar door het uitstekendste schaduwbeeld worden van hem, die als een Lam geslagt zynde, met enen leeuwenmoed zal overwinnen, en die den afgrond by zyne gedugte Hemelvaart zal doen tzitteren. Thans zoude myn Henoch den dag vieren, | |
[pagina 60]
| |
waar op de ongeschapenheid, ter lievde van het redelyk schepzeldom zeide: daar zy licht. . . . . die eerste dag der Schepping is hem altyd dierbaar. Hy beyegentze als de bron van eindeloze goedheden. als . . . maar ik zie hy staat voor het Outer, waar op hy gewoon is met ene dankbare Ziele zyne Morgen-en-avond gaven te roken. De beste zyner Lammeren zyn getekend voor den Here. De eerstelingen van het Veld Ga naar margenoot+zyn tot het zelve godvrugtig Oogmerk ingezameld, en den zoeten wyn, en zagten olie geperst. Methusalah, zynen regtgeaarten Zoon is hem ter Hulpe. De lagchende Dageraat had nog naulyks met hare rozevingeren de purperen Oostpoort des flaauwen Hemels geopend; men zag nog de druppen dauws, den balzemryken Adem des slaperigen Nagts aan de geloken bloemen en kruiden als gesmolten diamant schommelen: toen de godlievende Henoch zyn slapend gezin wekte, en met zig naar buiten leide, om de Werkmeester van al het geschapendom in zyne gewrogten te roemen; en uit de zienelyke dingen de magt des onzienelyken makers te leren kennen, en hem deswegen met hart, mond, en daden te verherelyken. Hy heeft zyne gade, en kinderen rondom zig. Deze leidt de blaetende schapen, met enen vlak gemerkt, aan rode snoeren. Die draagt den eerstgepersten wyn en olie. Een ander torst het welriekend brandhout. En gene de banden, meszen en het verder Offergereedschap. De Oudvader zelve draagt het geheiligd Spyzoffer. Hy voelt onder het dragen, iet, ik weet niet wat, in zyn | |
[pagina 61]
| |
Verhemeld hart. Langs den gehelen weg spreekt hy niet dan van God en bovenmaansche zaligheden. Zomwylen treedt hy, daar zyne ogen naar den Hemel geslagen zyn, zoo lugtig over den grond als een zagt Zuidewindtjen over ene Zee van korenairen rolt. Zy naderen het brede, van groene zoden gemaakt outer. Elk van het gezelschap ontdoet zig van zynen last. De gunsteling des Hemels stelt zig in het midden, terwyl al zyn gezin, terwyl de toelopende schare rondom hem staat, gelyk eerst geplante Olyven rondom enen honderdjarigen Ceder. Daar heft hy heilige handen op. Hy geevt zynen Verbondsgod eere, maakt zynen Naam groot, en is zomtyds, door ene goddelyke aandrift zoo verheven in zyne gedagten en uitdrukkingen, dat de luisterende menigte naulyks begrypt, wat die voorspellende spraakwending des Zienders zeggen wil. Hy troont ondertusschen de Hoge Maiesteit met zyne godverherelykende gebeden uit den Hemel. hy. . . . maar hy zwygt; want het heilig, heilig, heilig van het nederdalend geestendom, verdoovt zyne stemme. Hy begint zyne Offerande. De Aardsvader zal, zonder heiligschennis, het hoge Priesteramt waarnemen. Zyne Zonen zullen de Outerknapen zyn. Daar plengt myne vrome Offeraar aan het ene einde des Outers den Wyn en de Olie, voor het aangezigte van hem, die door den wyn, het herte des menschen verheugt, en het aangezigte van olie doet blinken. Van het ander einde ryzt de donkere rookkolom der meelbloeme naar de neuze van hem, die het brood, dat het herte sterkt, uit de aarde doet voortko- | |
[pagina 62]
| |
men, in het midden zypen de stromen bloeds der geslagte beesten. De heilige Outervoogd is ene lerende Priester. Terwyl zyne handen in den Godsdienst bezig zyn, vermelt hy: hoe dit alles schaduwen zyn van dat lighaam, dat door zynen onschuldigen dood God met de menschen zoude verzoenen. Dit beademen de Engelen met hunnen wedergalm. Hy begint zyne Zonen te Ga naar margenoot+Zegenen. Hy . . . maar ontzaggelyke gebeurtenis! Het word van rondomme donker. De gryze Moeder, de aandagtige Zonen zien met ontzetting ene dikke wolke op het Hoofd des zegenenden Vaders nederdalen. Zy horen ene stemme: maar weten door verbaazdheid naulyks wat zy horen. de wolke is er, en niet meer . . . . . verdwenen . . . . 'k weet niet hoe. . . en alles vertoont zig in de vorige klaarheid. Hemel! wat verbysterde bewondering! . . . Henoch is niet meer! . . . God heeft hem als een toonbeeld van Vroomheid, en als een schaduwbeeld van de verheerlyking des Vrouwen Zaads, zonder sterven ten Hemel gevoerd.
Gelukkig dezen Man, die alles kon veragten,
Wat hem van God aftroont,
Die steeds met zyn gedagten,
By de Eng'len had gewoond.
Geen tyd, geen eeuwigheid kan zynen roem verdoven,
Of het geluk ontroven
Dat God te smaken geevt,
Aan hem, die onverwrikt den Heer heeft aangekleevt.
Henoch wandelde met God: ende hy was niet (meer) want God nam hem weg. | |
[pagina 63]
| |
Door het gelove is Henoch weggenomen geweest; op dat hy den dood niet en zoude zien: ende hy en wierd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen hadde: want voor zyne wegneminge heeft hy getuigenisze gehad dat hy God behaagde. |
|